|
BESLUIT van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter
uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte
beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet
verplichte beroepspensioenregeling)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie
Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128;
Gelet op de artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met
46, 60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de Pensioenwet,
de artikelen 42, 43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en
171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12c, vijfde
lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 13,
derde lid, en 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 65 en 67 van de Invoerings- en
aanpassingswet Pensioenwet, artikel 1a, eerste lid, onderdeel d,
en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, artikel 1a,
eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale
ombudsman, artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, artikel 33 en 34 van de Wet op de
loonbelasting 1964, artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht
accountantsorganisaties, artikel 24, tweede lid, en artikel 55, zesde
lid, van de Wet op de huurtoeslag;
De Raad van State gehoord (advies van 16 november
2006, nr. W12.06.0459/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie
Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170 B;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
– afkoopvoet: verhouding tussen het
af te kopen pensioen en de daarvoor in de plaats uit te keren
afkoopwaarde;
– balanstotaal: het balanstotaal
zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
– De Nederlandsche Bank: De
Nederlandsche Bank N.V.;
– FVP-bijdrage: bijdrage, verstrekt
op grond van de Wet privatisering FVP, om te voorzien in aanvullende
pensioenvoorzieningen ten behoeve van een werknemer of zijn
nagelaten betrekkingen;
– fonds:
1°. pensioenfonds als bedoeld in
artikel 1 van de Pensioenwet;
2°. beroepspensioenfonds als
bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
– loonaanvullingsuitkering: een
uitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
– opbouwkeuzevoet: verhouding
tussen het pensioen waarvan kan worden afgezien en het pensioen dat
daarvoor in de plaats kan worden opgebouwd;
– overdrachtsdatum: aanvangsdatum
van de deelname aan de pensioenregeling van de ontvangende
uitvoerder;
– pensioenregeling:
1°. pensioenregeling als bedoeld
in artikel 1 van de Pensioenwet;
2°. beroepspensioenregeling als
bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
– rechthebbende: degene die in
aanmerking komt voor waardeoverdracht;
– ruilvoet: verhouding tussen het
in te ruilen pensioen en het daarvoor in te kopen pensioen;
– uitbesteding door een uitvoerder:
het door een uitvoerder verlenen van een opdracht aan een derde tot
het ten behoeve van die uitvoerder verrichten van werkzaamheden die
deel uitmaken van:
1°. of voortvloeien uit het
uitoefenen van het bedrijf; of
2°. de wezenlijke
bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan;
– uitvoerder:
1°. pensioenuitvoerder als
bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
2°. pensioenuitvoerder als
bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
– vervolguitkering: een uitkering
als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen.
Artikel 1a. Nadere regels
arbeidsongeschiktheidspensioen
1. Voor zover een aanvulling op een
vervolguitkering of een loonaanvullingsuitkering geen
arbeidsongeschiktheidspensioen is als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, wordt deze aanvulling als
arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van een van die artikelen
aangemerkt indien:
a. de aanvulling op de
vervolguitkering niet varieert met inkomsten uit arbeid, tenzij de
aanvulling hoger wordt vastgesteld indien de inkomsten uit arbeid
toenemen;
b. de aanvulling op de
loonaanvullingsuitkering niet varieert met inkomsten uit arbeid,
tenzij de aanvulling hoger wordt vastgesteld indien de inkomsten
uit arbeid toenemen; of
c. het een eenmalige aanvulling is
die wordt verstrekt in verband met werkhervatting of
werkuitbreiding.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op algemeen verbindend verklaarde bepalingen van
collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op
aanvullingen op een vervolguitkering of op een
loonaanvullingsuitkering, indien het verzoek tot algemeen verbindend
verklaring is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de Wet
van 15 juli 2008 houdende enige wijzigingen van de Pensioenwet, de Wet
verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten.
Hoofdstuk 2. Informatie
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 21, vierde lid, 38, derde lid, 39, tweede lid, 40, derde lid,
41, tweede lid, 42, derde lid, 43, tweede lid, 44, derde lid, 45, tweede
lid en 46, vijfde lid van de Pensioenwet en de artikelen 48, derde lid,
49, derde lid, 50, tweede lid, 51, derde lid, 52, tweede lid, 53, derde
lid, 54, tweede lid, 55, derde lid, 56, tweede lid en 57, vijfde lid,
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 2. Informatie over
basispensioenregeling
1. De informatie over de inhoud van de
basispensioenregeling, bedoeld in artikel 21 van de Pensioenwet dan
wel artikel 48 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in
ieder geval het volgende:
a. de ingangsdatum van de
pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling;
b. de pensioensoorten, waarbij
aangegeven wordt of nabestaandenpensioen, al dan niet samen met
ouderdomspensioen, deel uitmaakt van de basispensioenregeling;
c. het karakter van de
pensioenovereenkomst, bedoeld in artikel 10 van de Pensioenwet,
dan wel de beroepspensioenregeling, bedoeld in artikel 28 van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, waarbij wordt vermeld
welke risico’s door de werknemer dan wel beroepsgenoot gedragen
worden;
d. de wijze waarop de
pensioenaanspraken worden vastgesteld;
e. de ingangsdatum van het pensioen
en de duur van de uitkering;
f. de gevolgen van beëindiging van
de deelneming voor de hoogte van de pensioenaanspraken waarbij
aangegeven wordt welke pensioenaanspraken op risicobasis zijn;
g. de gevolgen van
arbeidsongeschiktheid voor de verwerving van pensioenaanspraken;
h. een betalingsvoorbehoud van de
werkgever;
i. de mogelijkheid tot vrijwillige
voortzetting, bedoeld in artikel 54 van de Pensioenwet dan wel
artikel 65 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en
j. de informatieverplichtingen van
de werknemer dan wel beroepsgenoot jegens de werkgever en de
uitvoerder.
2. Indien er sprake is van een
premieovereenkomst dan wel premieregeling informeert de uitvoerder de
werknemer dan wel beroepsgenoot over:
a. de bestemming van de premie
waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen pensioen op opbouwbasis,
pensioen op risicobasis, de kosten en de ontwikkeling van deze
elementen in de tijd; en
b. het verloop van de premie.
3. Tevens wordt informatie verstrekt
over:
a. het wettelijk recht op
waardeoverdracht, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel
artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de
mogelijkheid tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 75 van de
Pensioenwet dan wel artikel 86 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
b. de keuzemogelijkheden die er
zijn ten aanzien van uitruil;
c. het bestaan van een vrijwillige
pensioenregeling en de pensioensoort waarop deze vrijwillige
pensioenregeling betrekking heeft;
d. welke informatie op verzoek
wordt verstrekt op grond van artikel 46 van de Pensioenwet,
artikel 57 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en
artikel 9;
e. het actueel zijn van een korte-
of langetermijnherstelplan; en
f. de bij de uitvoerder geldende
klachtenregeling.
Artikel 3. Mogelijkheid toezichthouder
tot stellen nadere regels met betrekking tot informatieverstrekking bij
premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid
De Stichting Autoriteit Financiële
Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het informeren van
de deelnemer over de risico’s, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel c, voor zover het gaat om premieovereenkomsten dan wel
premieregelingen met beleggingsvrijheid voor de deelnemer.
Artikel 4. Informatie over
toeslagverlening
1. De informatie over toeslagverlening
die op grond van de artikelen 21 en 38 tot en met 45 van de
Pensioenwet dan wel de artikelen 48 tot en met 56 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking
op:
a. het ambitieniveau en de
voorwaarden die gelden bij de toeslagverlening;
b. de wijze van financiering van
voorwaardelijke toeslagverlening en, indien is gekozen voor
financiering als bedoeld in artikel 137, eerste lid, onderdeel a,
van de Pensioenwet dan wel artikel 132, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de hoogte van de
voorziening in relatie tot de benodigde voorziening;
c. de verwachtingen ten aanzien van
toekomstige toeslagverlening; en
d. de toeslagverlening over de
afgelopen drie jaar waarbij wordt aangegeven of dit in
overeenstemming met het gepresenteerde toeslagenbeleid is geweest.
2. Bij de verlening van informatie over
de verwachtingen ten aanzien van toekomstige toeslagverlening wordt
door fondsen gebruik gemaakt van de continuïteitsanalyse.
3. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld over de informatieverstrekking over
toeslagverlening.
Artikel 5. Verstrekken informatie aan
deelnemers jaarlijks
1. Aan de deelnemers wordt jaarlijks
een opgave van de verworven pensioenaanspraken verstrekt waarbij
onderscheid wordt gemaakt tussen een uitkeringsovereenkomst dan wel
uitkeringsregeling, een kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling
en een premieovereenkomst dan wel premieregeling.
2. De opgave van de reglementair te
bereiken pensioenaanspraken bevat:
a. in geval van een
uitkeringsovereenkomst dan wel uitkeringsregeling een opgave van
de hoogte van het periodiek uit te keren pensioen vanaf de
ingangsdatum van het pensioen;
b. in geval van een
kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling een opgave van de
hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal
op de ingangsdatum van het pensioen; of
c. in geval van een
premieovereenkomst dan wel premieregeling:
1°. de hoogte van de
periodieke uitkering wanneer de premie voor de ingangsdatum
van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend; en
2°. de hoogte van het voor
periodieke uitkeringen aan te wenden verzekerd kapitaal
wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds
daarvoor wordt aangewend.
3. Bij de in het tweede lid bedoelde
opgave wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de
consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren.
Artikel 6. Verstrekken informatie aan
deelnemers bij beëindiging deelneming
De uitvoerder verstrekt de deelnemer bij
beëindiging van de deelneming informatie over:
a. de mogelijkheid van afkoop,
bedoeld in artikel 66 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover er sprake is van
een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens;
b. het recht op waardeoverdracht,
bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, of de mogelijkheid tot
waardeoverdracht, bedoeld in artikel 75 van de Pensioenwet dan wel
artikel 86 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
c. de consequenties van
arbeidsongeschiktheid;
d. het actueel zijn van een korte- of
langetermijnherstelplan; en
e. het vervallen van de dekking tegen
het risico op overlijden indien nabestaandenpensioen werd verworven
op basis van risicofinanciering.
Artikel 7. Verstrekken informatie aan
gewezen partner bij scheiding
De uitvoerder verstrekt de gewezen
partner bij scheiding informatie over de mogelijkheid van afkoop,
bedoeld in artikel 68 van de Pensioenwet dan wel artikel 80 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een
pensioenaanspraak onder de afkoopgrens.
Artikel 8. Verstrekken informatie aan
deelnemers vrijwilligepensioenregeling
1. De uitvoerder informeert een
deelnemer voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige
pensioenregeling over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling,
waarbij artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 3 van
overeenkomstige toepassing zijn.
2. De informatie over de reglementair
te bereiken pensioenaanspraken wordt overeenkomstigartikel 5, tweede
lid, vastgesteld. Indien bij een premieovereenkomst of een
premieregeling de premie wordt belegd wordt een indicatie gegeven van
het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op
de pensioendatum en de daarbij gehanteerde veronderstellingen.
3. De indicatie van het te bereiken
kapitaal, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend op basis van drie
scenario’s: een historisch, een vier procent rendement en een
pessimistisch opbrengstscenario.
4. De regels op grond van artikel 66,
vierde lid, van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen
Wft zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9. Verstrekken van informatie op
verzoek
1. Indien sprake is van een
premieovereenkomst dan wel premieregeling waarbij de deelnemer tijdens
de opbouwperiode de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft
overgenomen verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer en de
gewezen deelnemer informatie over alle beleggingsmogelijkheden, de
feitelijke beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in
verband met de beleggingen.
2. Bij een premieovereenkomst of
premieregeling waarbij de premie wordt belegd verstrekt de
pensioenuitvoerder op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of
gewezen partner een indicatie van het te bereiken voor periodieke
uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum en de daarbij
gehanteerde veronderstellingen. Artikel 8, derde en vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
3. De pensioenuitvoerder verstrekt op
verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner een
indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de
pensioendatum wanneer het kapitaal, bedoeld in het tweede lid en
artikel 5, tweede lid, onderdelen b en c, onder 2°, daarvoor wordt
aangewend.
4. Bij de indicatie, bedoeld in het
derde lid, worden de op het moment van het verzoek bij de
pensioenuitvoerder geldende tarieven gehanteerd. De periodieke
uitkeringen worden gecorrigeerd voor te verwachten prijsinflatie. Bij
regeling van Onze Minister wordt bepaald met welke te verwachten
prijsinflatie gecorrigeerd wordt.
5. Bij het verstrekken van de
indicatie, bedoeld in het derde lid, dient de pensioenuitvoerder er op
te wijzen dat het risico dat de definitieve pensioenuitkering afwijkt
van de indicatie bij de betrokkene ligt.
6. Het fonds of de
premiepensioeninstelling verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer,
de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek de verklaring
inzake beleggingsbeginselen, bedoeld in artikel 145 van de
Pensioenwet, artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
of artikel 3:267a, van de Wet op het financieel toezicht.
7. De uitvoerder verstrekt de
deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de
pensioengerechtigde op verzoek:
a. het kortetermijnherstelplan,
bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet dan wel artikel 135 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
b. het langetermijnherstelplan,
bedoeld in artikel 138 van de Pensioenwet dan wel artikel 133 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
c. informatie over de hoogte van de
dekkingsgraad;
d. informatie over het van
toepassing zijn van een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 van
de Pensioenwet dan wel artikel 166 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling; en
e. informatie over de aanstelling
van een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 van de
Pensioenwet dan wel artikel 168 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
8. De uitvoerder verstrekt de deelnemer
of gewezen deelnemer op verzoek informatie over de consequenties van
uitruil als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel
de artikelen 72, 73 of 74 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling voor de deelnemer.
Artikel 10. Kosten informatieverstrekking
De informatie op grond van de artikelen
21, 38 tot en met 45 en 46, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van
de Pensioenwet dan wel de artikelen 48 tot en met 56, 57, eerste lid,
onderdeel a en tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
wordt kosteloos verstrekt. De informatie op grond van artikel 9, eerste
en achtste lid, wordt eveneens kosteloos verstrekt.
Hoofdstuk 3. Fondsbestuur
Bepaling ter uitvoering van artikel 33,
tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 42, tweede lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 11. Waarborging goed bestuur
Als principes voor goed
pensioenfondsbestuur als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de
Pensioenwet dan wel artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling worden aangewezen de Principes voor goed
pensioenfondsbestuur, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid
op 16 december 2005. De principes die daarbij zijn geformuleerd voor
verzekeraars zijn van overeenkomstige toepassing op
premiepensioeninstellingen.
Hoofdstuk 4. Uitbesteding
Bepalingen ter uitvoering van artikel 34,
tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 43, tweede lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 12. Werkzaamheden die niet mogen
worden uitbesteed
Een uitvoerder besteedt niet uit:
a. taken en werkzaamheden van
personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan
het vaststellen van beleid en het afleggen van verantwoording over
het gevoerde beleid;
b. werkzaamheden waarvan uitbesteding
de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en
beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan
ondermijnen;
c. indien de uitbesteding een
belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van
het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte
beroepspensioenregeling bepaalde.
Artikel 13. Overeenkomst tot uitbesteding
1. Een fonds legt de overeenkomst met
de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast.
2. In de overeenkomst wordt in ieder
geval het volgende geregeld:
a. welke werkzaamheden worden
uitbesteed onder verwijzing, indien mogelijk, naar de
administratieve organisatiebeschrijving van het fonds, alsmede de
voorwaarden waaronder de uitbesteding plaatsvindt;
b. de informatie-uitwisseling
tussen het fonds en de derde;
c. de verplichting voor de derde om
informatie waar de toezichthouder ter uitvoering van zijn
wettelijke taak om vraagt rechtstreeks aan de toezichthouder ter
beschikking te stellen;
d. de mogelijkheid voor het fonds
om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de
uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt;
e. de verplichting voor de derde om
het fonds in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of
krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte
beroepspensioenregeling bepaalde;
f. de mogelijkheid voor de
toezichthouder om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen
bij de derde; en
g. de wijze waarop de overeenkomst
wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het
fonds de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer
zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren.
Artikel 14. Beheersing van de risico’s
1. Een fonds draagt zorg voor een
systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de
uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het fonds maakt de
analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op
het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.
2. Een fonds voert een adequaat beleid
en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de
uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en
integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet
dan wel artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
3. Een fonds beschikt over toereikende
procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering
van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.
Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke
behandeling
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 60, elfde lid, 61, vijfde lid, 62, zesde lid, 66, elfde lid en
69, vijfde lid, van de Pensioenwet, de artikelen 72, elfde lid, 73,
vijfde lid, 74, zesde lid en 78, elfde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling en artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen
Artikel 15. Ruilvoet en opbouwkeuzevoet
1. Per geboden keuzemogelijkheid als
bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel artikel 72,
73, 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de
pensioenuitvoerder voor een door hem te bepalen periode voor alle
deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde ruilvoet of opbouwkeuzevoet
vastgesteld.
2. De ruilvoet en opbouwkeuzevoet
worden zodanig vastgesteld dat sprake is van collectieve actuariële
gelijkwaardigheid als bedoeld in de artikelen 60, vijfde lid, 61,
vierde lid, en 62, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 72,
vijfde lid, 73, vierde lid en 74, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
3. In afwijking van het eerste lid kan
aan een gewezen deelnemer de ruilvoet worden toegekend, die geldt op
de dag van beëindiging van de deelneming.
Artikel 16. Afkoop kleine pensioenen en
afkoop bovenmatig pensioen
1. De afkoopwaarde, bedoeld in de
artikelen 66 en 69, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel bedoeld in
artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door
de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet.
2. Er wordt dezelfde afkoopvoet
vastgesteld voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen
periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers.
3. De afkoopvoet wordt zodanig
vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële
gelijkwaardigheid.
Artikel 17. Gelijke behandeling bij
pensioenovereenkomsten met onbepaalde verhouding tussen pensioensoorten
Indien met de werkgever niet
uitdrukkelijk een bepaalde verhouding tussen verschillende
pensioensoorten is overeengekomen wordt de beschikbaar gestelde premie
of de aanspraak op kapitaal, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zodanig vastgesteld dat,
ervan uitgaande dat slechts ouderdomspensioen is toegezegd, het in te
kopen pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van die
bijdrage voor mannen en vrouwen gelijk is.
Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 71, zevende lid, 72a, eerste lid en 76, negende lid, van de
Pensioenwet en artikel 82, zevende lid en 83a, eerste lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 18. Verzoek opgave informatie aan
overdragende uitvoerder
1. De ontvangende uitvoerder vraagt
binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd van
zijn pensioenaanspraken, aan de overdragende uitvoerder een opgave per
de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten
grondslag liggende gegevens, waaronder:
a. de pensioenaanspraken waarop de
overdrachtswaarde is gebaseerd;
b. de toeslagverlening;
c. geslacht, geboortedatum en
pensioendatum; en
d. alle overige informatie die van
belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht.
Bij de informatie over toeslagverlening
is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de overdragende uitvoerder
een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie
wordt belegd, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het
eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing.
Artikel 19. Opgave informatie aan de
uitvoerder
De overdragende uitvoerder verstrekt de
opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee
maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de
ontvangende uitvoerder. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a
wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd.
Artikel 19a. Tijdelijke regeling
aanvullende bijdragen
1. De in artikel 71 van de Pensioenwet
dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende
bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en voldaan is
aan de volgende voorwaarden:
a. de aanvullende bijdrage bedraagt
meer dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde;
en
b. de betreffende werkgever is een
kleine werkgever als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder b,
van het Besluit Wfsv.
2. Indien de overdragende
pensioenuitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige
opgave, bedoeld in artikel 18 of de ontvangende pensioenuitvoerder na
ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18,
vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever
noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10%
van de overdrachtswaarde, stelt hij de betreffende werkgever in de
gelegenheid om binnen een maand na ontvangst van het daartoe
strekkende verzoek aan te tonen dat de werkgever een kleine werkgever
is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Tevens wordt de
betreffende werkgever gevraagd of hij, indien hij een kleine werkgever
is, bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende
pensioenuitvoerder informeert de ontvangende pensioenuitvoerder
terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude
werkgever is vernomen.
3. Indien de werkgever niet binnen de
gegeven termijn aantoont een kleine werkgever te zijn als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, wordt aangenomen dat hij geen kleine
werkgever is.
4. Indien op grond van de voorgaande
leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet
bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de
ontvangende pensioenuitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk.
Artikel 20. Opgave informatie aan de
rechthebbende
De ontvangende uitvoerder verstrekt de
opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden
na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die
zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de
aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende
uitvoerder, zullen worden behandeld. Bij de informatie over
toeslagverlening is artikel 4 van overeenkomstige toepassing. Indien
toepassing is gegeven aan artikel 19a wordt de termijn, bedoeld in dit
artikel, met twee maanden verlengd.
Artikel 21. Verzoek tot waardeoverdracht
1. Indien de deelnemer gebruik wil
maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee
maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in
artikel 18, en, indien van toepassing, artikel 22, een verzoek tot
waardeoverdracht in bij de ontvangende uitvoerder.
2. Pensioenaanspraken die door de
rechthebbende zijn of worden verkregen op grond van de FVP-bijdrage
worden geacht inbegrepen te zijn in het verzoek, bedoeld in het eerste
lid.
3. Indien de partner die begunstigde is
voor het partnerpensioen niet instemt met het verzoek tot
waardeoverdracht met betrekking tot het partnerpensioen, is artikel 58
van de Pensioenwet dan wel artikel 69 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22. Verzoek opgave informatie aan
ontvangende uitvoerder
De deelnemer kan voor het einde van de
termijn genoemd in artikel 21, eerste lid, verzoeken om een aanvullende
opgave voor het geval de waarde van het partnerpensioen niet wordt
overgedragen. De termijnen, genoemd in de artikelen 18 tot en met 21,
eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23. Afhandeling waardeoverdracht
1. De ontvangende uitvoerder stelt de
overdragende uitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het
verzoek tot waardeoverdracht.
2. Het risico dat betrekking heeft op
de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het
verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor
rekening van de ontvangende uitvoerder.
3. De overdrachtswaarde wordt binnen
tien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door
de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald.
4. De overdragende uitvoerder is rente
verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de overdrachtswaarde
over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de
overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht
betreft van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie
wordt belegd naar een andere premieovereenkomst of premieregeling
waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een
premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd
naar een kapitaal- of uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of
uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de overdrachtswaarde
begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de
rente.
5. De termijnen, genoemd in dit
hoofdstuk, zijn op waardeoverdracht van pensioenaanspraken als bedoeld
in artikel 21, tweede lid, niet eerder van toepassing dan nadat de
overdragende uitvoerder de FVP-bijdrage heeft ontvangen.
Artikel 23a. Opschorting plicht tot
waardeoverdracht
1. De vaststelling door fondsen of de
plicht tot waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 71 en 76 van de
Pensioenwet of artikel 82 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, wordt opgeschort vanwege de in artikel 72,
onderdeel a, van de Pensioenwet of artikel 83, onderdeel a, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie, vindt plaats
per de eerste dag van iedere kalendermaand aan de hand van de
dekkingsgraad op de laatste dag van de voorafgaande kalendermaand.
2. Indien de plicht tot
waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de
Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling omschreven situatie na de datum waarop de
ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, aan de
deelnemer heeft verstrekt, verhindert de opschorting de verdere
afhandeling van deze waardeoverdracht niet.
3. Indien de plicht tot
waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de
Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling omschreven situatie informeert de ontvangende
uitvoerder de deelnemer die een opgave heeft gevraagd van zijn
pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 schriftelijk over de
opschorting van de plicht tot waardeoverdracht en de gevolgen daarvan.
4. De plicht tot waardeoverdracht
herleeft zodra de ontvangende en de overdragende uitvoerder niet
langer in de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie verkeren. Het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
5. Als de plicht tot waardeoverdracht
na een periode van opschorting vanwege de in artikel 72 van de
Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling omschreven situatie herleeft, geldt het
volgende:
a. indien de aanvangsdatum van de
deelname aan de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder
ligt voor de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht herleeft
en de gegevens, bedoeld in artikel 20, niet aan de deelnemer zijn
verstrekt voor de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht is
opgeschort, is, in afwijking van de definitie, bedoeld in artikel
1, de overdrachtsdatum de datum waarop de plicht tot
waardeoverdracht is herleefd;
b. indien de deelnemer een opgave
heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel
18 voor de herleving van de plicht tot waardeoverdracht, vraagt de
ontvangende uitvoerder binnen een maand na herleving van de plicht
tot waardeoverdracht aan de overdragende uitvoerder een opgave als
bedoeld in artikel 18.
6. Indien in de in het tweede lid
beschreven situatie de deelnemer voor de datum van inwerkingtreding
van het Besluit van 12 november 2009 tot wijziging van het Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in
verband met aanpassing van de regeling voor waardeoverdracht en de
kostenregeling (Stb. 2009, 598), een verzoek tot waardeoverdracht als
bedoeld inartikel 21 heeft gedaan dat niet is afgehandeld vanwege de
in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling omschreven situatie, stelt de ontvangende
uitvoerder de deelnemer in de gelegenheid zijn verzoek in te trekken.
Artikel 24. Overschrijding termijnen
Overschrijding van de in dit hoofdstuk
gestelde termijnen door de overdragende of ontvangende uitvoerder wordt
de deelnemer niet tegengeworpen.
Artikel 25. Berekening overdrachtswaarde
1. De overdrachtswaarde van
pensioenaanspraken is ten minste gelijk aan de contante waarde van de
over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt
berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels
inzake het standaardtarief. Het standaardtarief wordt berekend op
basis van marktwaardering.
2. Indien de overdrachtswaarde niet op
basis van het standaardtarief berekend kan worden, worden de
pensioenaanspraken met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid
eerst omgezet in pensioenaanspraken waarop het standaardtarief wel
toegepast kan worden.
3. Bij de berekening van de
overdrachtswaarde mogen buiten beschouwing blijven:
a. partnerpensioen dat is verzekerd
op risicobasis, wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen;
en
b. aanspraken op partnerpensioen
die achterblijven bij de overdragende uitvoerder.
4. De overdrachtswaarde wordt, in
afwijking van het eerste lid, niet berekend op basis van het
standaardtarief indien de pensioenaanspraken voortvloeien uit:
a. een kapitaalovereenkomst of
kapitaalregeling;
b. een premieovereenkomst of
premieregeling, waarbij de premie wordt belegd; of
c. een premieovereenkomst of
premieregeling waarbij de premie wordt aangewend voor de aankoop
van een verzekerd kapitaal.
5. Onze Minister stelt regels voor de
berekening van de overdrachtswaarde in de in het vierde lid genoemde
gevallen.
Artikel 26. Overdrachtswaarde niet gelijk
aan waarde gefinancierde deel van de aanspraken
Indien bij een uitkeringsovereenkomst,
een uitkeringsregeling of een premieovereenkomst of premieregeling
waarbij de premie onmiddellijk na het beschikbaar stellen wordt omgezet
in een aanspraak op een uitkering de overdrachtswaarde niet gelijk is
aan de waarde van het gefinancierde deel van de aanspraken, komt het
verschil ten gunste, respectievelijk ten laste, van de oude werkgever of
van het fonds waar de regeling was ondergebracht.
Artikel 27. Aanwenden van
overdrachtswaarde
1. Onze Minister stelt regels voor de
berekening van de inkoop van pensioenaanspraken op grond van de
overdrachtswaarde in de pensioenregeling van de ontvangende
uitvoerder.
2. In geval van waardeoverdracht naar
een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt
belegd wordt de overdrachtswaarde binnen een week na ontvangst van de
overdrachtswaarde aangewend voor de aankoop van beleggingseenheden.
Artikel 28. Behandeling aanspraken na
waardeoverdracht
1. De na waardeoverdracht verkregen
aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende
uitvoerder, worden behandeld alsof zij in die regeling zelf zijn
opgebouwd, waarbij zij ook ten aanzien van de toeslagverlening op
dezelfde manier behandeld worden.
2. Indien de ontvangende uitvoerder een
beroepspensioenregeling uitvoert, kan worden afgeweken van het eerste
lid ten aanzien van de toeslagverlening indien toepassing van het
eerste lid op dat punt zou leiden tot een kennelijk onredelijk
resultaat.
3. Indien in de pensioenregeling,
ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, pensioenopbouw
plaatsvindt op basis van dienstjaren, wordt de overdrachtswaarde
omgezet in voor de pensioenopbouw meetellende dienstjaren.
4. In een pensioenregeling die voor de
pensioenopbouw rekent met een maximaal te bereiken aantal dienstjaren,
geldt dat, indien toepassing van het tweede lid leidt tot meer dan het
maximale aantal dienstjaren, het meerdere wordt behandeld als een bij
ontslag verkregen pensioenaanspraak in die regeling.
Hoofdstuk 7. Eisen ten aanzien van
deskundigheid en betrouwbaarheid
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 105, tiende lid, van de Pensioenwet en artikel 110, tiende
lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 29. Toets deskundigheid en
betrouwbaarheid
Voorafgaand aan de benoeming van een
persoon die het beleid van een fonds gaat bepalen of mede bepalen toetst
de Nederlandsche Bank de deskundigheid en betrouwbaarheid van die
persoon, bedoeld in artikel 105 van de Pensioenwet dan wel artikel 110
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 30. Deskundigheid
1. Voor het voldoen aan de vereiste
deskundigheid is er in de kring van personen die het beleid van het
fonds bepalen of mede bepalen ten minste een zodanig niveau van kennis
en ervaring aanwezig dat het fonds, mede gelet op artikel 105, tweede
lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110, tweede lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, behoorlijk wordt bestuurd.
2. Ten minste twee personen in de kring
van personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen
dienen meerjarige ervaring te hebben in het besturen van een
organisatie.
3. De in het eerste lid bedoelde
deskundigheid heeft betrekking op:
a. het besturen van een
organisatie;
b. relevante wet- en regelgeving;
c. pensioenregelingen en
pensioensoorten;
d. financieel technische en
actuariële aspecten, waaronder financiering, beleggingen,
actuariële principes en herverzekering;
e. administratieve organisatie en
interne controle; en
f. communicatie.
4. Het fonds geeft op verzoek van de
Nederlandsche Bank aan:
a. hoe het beleid van het fonds ter
bevordering en handhaving van het vereiste deskundigheidsniveau
luidt;
b. welke personen belast zijn met
welke beleidsbepalende taken;
c. welke personen over welke
deskundigheid beschikken; en
d. hoe en binnen welke termijn
bepaalde tekortkomingen in de vereiste deskundigheid opgeheven
zullen worden.
Artikel 31. Betrouwbaarheid
De Nederlandsche Bank stelt vast of de
betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 105, vijfde lid,
van de Pensioenwet dan wel artikel 110, vijfde lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling buiten twijfel staat op basis van
diens voornemens, handelingen en antecedenten.
Artikel 32. Antecedenten
De Nederlandsche Bank neemt bij de
vaststelling, bedoeld inartikel 31, in ieder geval in aanmerking de in
de bijlage bij dit besluit genoemde antecedenten.
Artikel 33. Bronnen
1. De Nederlandsche Bank verkrijgt
inzicht in de in artikel 31 bedoelde voornemens, handelingen en
antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte
gegevens en inlichtingen;
b. van de Landelijke Officier van
Justitie verkregen gegevens uit de politieregisters;
c. gegevens uit de registratie,
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op
rechtspersonen;
d. gegevens en inlichtingen,
verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen,
verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan
wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten
of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten
werkzaam zijn;
f. ambtsberichten van het Openbaar
Ministerie;
g. inlichtingen, verkregen van door
betrokkene opgegeven referenties;
h. gegevens uit openbare bronnen;
i. inlichtingen, verkregen van
curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen,
surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen
waarbij de inartikel 31 bedoelde persoon betrokken is geweest;
j. inlichtingen, verkregen van
organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van
betrokkene; of
k. gegevens en inlichtingen,
verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen
bronnen.
2. Indien de gegevens of inlichtingen,
verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank
aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook
inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of
instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de
betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:
a. de reden van het nadere
onderzoek;
b. de personen of instanties bij
wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
c. de aard van de nadere gegevens
of inlichtingen.
Artikel 34. Strafrechtelijke veroordeling
1. De betrouwbaarheid van een persoon
als bedoeld in artikel 31 staat niet buiten twijfel als deze
veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de
bijlage bij dit besluit, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van
de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.
2. De Nederlandsche Bank kan op grond
van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 35, afwijken van
het eerste lid.
Artikel 35. Vaststelling betrouwbaarheid
De Nederlandsche Bank neemt bij de
vaststelling, bedoeld in artikel 31, in aanmerking:
a. het onderlinge verband tussen de
aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen
en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de Pensioenwet en
de Wet verplichte beroepspensioenregeling beogen te beschermen; en
c. de overige belangen van het fonds
en de betrokkene.
Hoofdstuk 8. Toedeling taken
toezichthouders
Bepalingen ter uitvoering van de
artikelen 108a, tweede lid en 151, zevende lid, van de Pensioenwet en de
artikelen 113a, tweede lid, en 146, zevende lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling
Artikel 35a. Verklaring geen bezwaar bij
omzetting fonds
1. De Nederlandsche Bank verleent de
verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 108a van de
Pensioenwet en artikel 113a van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
2. Bij de aanvraag van de verklaring
van geen bezwaar, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval
verstrekt:
a. een door een accountant
gecontroleerde en gewaarmerkte balans van het fonds met als
peildatum de datum van omzetting van het fonds in een andere
rechtsvorm; en
b. de schriftelijk vastgelegde
afspraken over de besteding van het vermogen van het fonds en de
vruchten daarvan na de omzetting.
Artikel 36. Toedeling van taken
1. De Stichting Autoriteit Financiële
Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of
krachtens de artikelen 21, eerste lid, tweede lid, tweede zin, vierde
lid, 28, eerste lid, indien het fonds geen deelnemersraad heeft, 29,
eerste lid, 29, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige
toepassing van artikel 29, eerste lid, 33, voor zover het betreft de
klachtenregeling van verzekeraars en premiepensioeninstellingen, 36,
38 tot en met 47, 48, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve
van de kwalitatieve en beeldende maatstaf, 49 tot en met 51, 52,
tweede tot en met zesde lid, 66, derde en vierde lid, 67, tweede lid,
68, tweede lid, 71, derde lid, voor zover het de opgave van
pensioenaanspraken betreft, 74, tweede en derde lid, 76, derde en
negende lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft,
83, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het
informeren van de daarin genoemde personen en 134, tweede lid van de
Pensioenwet.
2. De Stichting Autoriteit Financiële
Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of
krachtens de artikelen 38, 39, eerste lid, 39, zevende lid, voor zover
het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 39, eerste lid,
42, voor zover het betreft de klachtenregeling van verzekeraars en
premiepensioeninstellingen, 44, 48 tot en met 58, 59, met uitzondering
van de berekeningen ten behoeve van de kwalitatieve en beeldende
maatstaf, 60 tot en met 62, 63, tweede tot en met zesde lid, 78, derde
en vierde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 82, derde lid, voor
zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 85, tweede en
derde lid, 91, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking
heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 129, tweede
lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
3. De Nederlandsche Bank houdt toezicht
op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de Pensioenwet
en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met uitzondering van de
regels genoemd in het eerste en tweede lid.
Artikel 37. Uitzondering bevoegdheden
De Stichting Autoriteit Financiële
Markten beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 172,
173 en 174 van de Pensioenwet en de artikelen 167, 168 en 169 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 38. Wijze van samenwerking
1. De Stichting Autoriteit Financiële
Markten en De Nederlandsche Bank maken afspraken over:
a. de uitwisseling van gegevens en
inlichtingen, bedoeld in artikel 205 van de Pensioenwet en artikel
199 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
b. de afstemming van beleidsregels,
met name over de inzet van handhavinginstrumenten;
c. de wijze waarop en het moment
wanneer informatie over de toepassing van een handhavinginstrument
wordt uitgewisseld;
d. het overnemen van elkaars
oordeel.
2. De afspraken, bedoeld in het eerste
lid, worden schriftelijk vastgelegd en zijn openbaar. De afspraken
worden ter kennisneming gezonden aan Onze Minister.
Artikel 39. Contacten toezichthouder met
Onze Minister
1. De toezichthouder deelt Onze
Minister schriftelijk mee welk bestuurslid dan wel directielid
fungeert als aanspreekpunt voor Onze Minister.
2. De toezichthouder stelt Onze
Minister schriftelijk in kennis van wijzigingen in de samenstelling en
taakverdeling binnen het bestuur of de directie.
Artikel 40. Eisen aan de toezichthouder
1. De toezichthouder richt zijn
organisatie zodanig in dat de uitvoering van het toezicht
onafhankelijk kan plaatsvinden.
2. De toezichthouder beschikt over een
beleid met betrekking tot het vervullen van nevenbetrekkingen. Dit
beleid richt zich op het voorkomen van nevenbetrekkingen die ongewenst
zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de
handhaving van de onafhankelijkheid.
3. De toezichthouder besteedt de
oordeelsvorming en de toepassing van handhavinginstrumenten niet uit.
4. De toezichthouder beschikt over een
beschrijving van de administratieve organisatie en over een systeem
van periodieke interne controle.
Hoofdstuk 9 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 42 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 43 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 44 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 45 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 46 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 47 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 10. Boeteregeling
Bepalingen ter uitvoering van artikel
179, eerste en tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 174, eerste en
tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 48. Vaststelling hoogte boete
1. De toezichthouder stelt een
bestuurlijke boete in de tweede of derde categorie vast op het
basisbedrag, bedoeld in artikel 179, tweede lid, van de Pensioenwet en
artikel 174, tweede lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
2. De toezichthouder verlaagt of
verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de ernst of
duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging
rechtvaardigt.
3. De toezichthouder verlaagt of
verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de mate van
verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of
verhoging rechtvaardigt.
Artikel 49. Recidive
De door de toezichthouder met toepassing
vanartikel 48 vast te stellen bestuurlijke boete wordt verdubbeld indien
tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen
sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter
zake van eenzelfde overtreding.
Artikel 50. Draagkracht
1. De toezichthouder houdt bij het
vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van
de overtreder.
2. De toezichthouder kan op basis van
het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met
maximaal 100 procent.
Artikel 51. Schade voor derden bij
pensioenuitvoerders
1. De toezichthouder houdt bij het
vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders
rekening met schade voor derden.
2. De toezichthouder kan de op te
leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld
in de artikelen 48, 49 en 50 verlagen met maximaal 75 procent.
Artikel 51a. Indeling naar categorie
1. Overtreding van een voorschrift,
gesteld in een hierna genoemd artikel van de Pensioenwet is als volgt
beboetbaar:
|
Pensioenwet |
Boetecategorie |
|
21, eerste lid |
2 |
|
21, tweede lid, tweede volzin |
2 |
|
23 |
2 |
|
25 |
1 |
|
26 |
1 |
|
28 |
1 |
|
29, eerste lid |
2 |
|
29, zevende lid, voor zover het
betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 29, eerste lid |
2 |
|
34, eerste lid |
2 |
|
35 |
2 |
|
36, eerste lid |
2 |
|
38 tot en met 48 |
2 |
|
49 |
2 |
|
50, tweede en vierde lid |
1 |
|
51, eerste, tweede, vierde en
vijfde lid |
2 |
|
52 |
2 |
|
58 |
2 |
|
60, eerste tot en met tiende lid |
2 |
|
61, eerste tot en met vijfde lid |
2 |
|
62, eerste tot en met vijfde lid |
2 |
|
63 |
1 |
|
66, derde, vierde, vijfde, zesde en
negende lid |
2 |
|
67, tweede lid |
2 |
|
68, tweede lid |
2 |
|
69, tweede en derde lid |
2 |
|
71, eerste tot en met vijfde lid |
2 |
|
74, tweede en derde lid |
2 |
|
76, eerste, tweede, derde en vierde
lid |
2 |
|
83, tweede lid |
2 |
|
84, tweede lid |
2 |
|
85, eerste lid |
2 |
|
86, eerste en tweede lid |
2 |
|
87 |
2 |
|
91 |
1 |
|
94, tweede lid |
1 |
|
95 |
2 |
|
96 |
1 |
|
98 |
1 |
|
99 |
1 |
|
100 |
1 |
|
101 |
1 |
|
102 |
1 |
|
103 |
1 |
|
105, eerste, tweede, derde en
vijfde tot en met achtste lid |
1 |
|
106 |
1 |
|
109 |
1 |
|
110 |
1 |
|
111 |
1 |
|
113 |
1 |
|
114 |
1 |
|
115 |
1 |
|
116 |
2 |
|
117 |
2 |
|
118, eerste, tweede en derde lid |
2 |
|
119, eerste, tweede en derde lid |
2 |
|
120, eerste, tweede en derde lid |
2 |
|
125 |
2 |
|
128 |
1 |
|
129 |
1 |
|
130 |
1 |
|
134, tweede, vierde en vijfde lid |
1 |
|
135, eerste lid |
1 |
|
136, eerste lid |
1 |
|
137, eerste lid |
1 |
|
138, eerste t/m vierde lid |
2 |
|
139 |
2 |
|
140, eerste tot en met derde lid |
2 |
|
143 |
1 |
|
145 |
1 |
|
146 |
1 |
|
147, eerste, tweede, derde en
vijfde lid |
2 |
|
150 |
1 |
|
167 |
1 |
|
169 |
1 |
|
170 |
1 |
|
171, eerste lid |
2 |
|
172, vijfde lid |
1 |
|
194 |
1 |
|
197 |
1 |
|
199 |
1 |
|
203, derde lid |
2 |
|
204 |
2 |
2. Overtreding van een voorschrift,
gesteld in een hierna genoemd artikel van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling is als volgt beboetbaar:
|
Wet verplichte
beroepspensioenregeling |
Boetecategorie |
|
8 |
2 |
|
21 |
2 |
|
22 |
1 |
|
23 |
2 |
|
25 |
2 |
|
26 |
1 |
|
35 |
1 |
|
36 |
1 |
|
38 |
1 |
|
39, eerste lid |
2 |
|
39, zevende lid, voor zover het
betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 39, eerste lid |
2 |
|
43, eerste lid |
2 |
|
44, eerste lid |
2 |
|
46 |
2 |
|
47 |
2 |
|
48, eerste en tweede lid |
2 |
|
49 tot en met 59 |
2 |
|
60 |
2 |
|
61, tweede en vierde lid |
1 |
|
62, eerste, tweede, vierde en
vijfde lid |
2 |
|
63 |
2 |
|
69 |
2 |
|
72, eerste tot en met tiende lid |
2 |
|
73, eerste tot en met derde lid |
2 |
|
74, eerste tot en met vijfde lid |
2 |
|
75 |
1 |
|
78, derde, vierde, vijfde, zesde en
negende lid |
2 |
|
79, tweede lid |
2 |
|
80, tweede lid |
2 |
|
82, eerste tot en met vijfde lid |
2 |
|
85, tweede en derde lid |
2 |
|
91, tweede lid |
2 |
|
92, tweede lid |
2 |
|
93, eerste lid |
2 |
|
94, eerste en tweede lid |
2 |
|
95 |
2 |
|
99 |
1 |
|
102, tweede lid |
1 |
|
103 |
2 |
|
104 |
1 |
|
105 |
1 |
|
106 |
1 |
|
107 |
1 |
|
108 |
1 |
|
110, eerste, tweede, derde en
vijfde tot en met achtste lid |
1 |
|
113 |
1 |
|
114 |
2 |
|
115 |
2 |
|
116 |
2 |
|
117 |
2 |
|
118 |
2 |
|
123 |
1 |
|
124 |
1 |
|
125 |
1 |
|
129, tweede, vierde en vijfde lid |
1 |
|
130, eerste lid |
1 |
|
131, eerste lid |
1 |
|
132, eerste lid |
1 |
|
133, eerste tot en met vierde lid |
2 |
|
134 |
2 |
|
135, eerste tot en met derde lid |
2 |
|
138 |
1 |
|
140 |
1 |
|
141 |
1 |
|
142, eerste, tweede, derde en
vijfde lid |
2 |
|
145 |
1 |
|
162 |
1 |
|
164 |
1 |
|
165 |
1 |
|
166, eerste lid |
2 |
|
167, vijfde lid |
1 |
|
191 |
1 |
|
193 |
1 |
|
197, derde lid |
2 |
|
198 |
2 |
3. Overtreding van een voorschrift
gesteld in een hierna genoemd artikel van de Algemene wet
bestuursrecht is als volgt beboetbaar:
|
Algemene wet
bestuursrecht |
Boetecategorie |
|
5:20 |
2 |
4. Overtreding van een voorschrift
gesteld in een hierna genoemd artikel van dit besluit is als volgt
beboetbaar:
|
Besluit uitvoering
Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling |
Boetecategorie |
|
2 |
2 |
|
5 |
2 |
|
6 |
2 |
|
7 |
2 |
|
8 |
2 |
|
9 |
2 |
|
10 |
2 |
|
15 |
2 |
|
16 |
2 |
|
25 |
2 |
|
26 |
2 |
|
27 |
2 |
|
28 |
2 |
5. Overtreding van een voorschrift
gesteld in een hierna genoemd artikel van het Besluit financieel
toetsingskader pensioenfondsen is als volgt beboetbaar:
|
Besluit financieel
toetsingskader pensioenfondsen |
Boetecategorie |
|
12 |
1 |
|
13 |
1 |
|
14 |
1 |
|
15 |
2 |
|
16 |
2 |
|
29 |
2 |
|
31 |
2 |
|
33 |
2 |
Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen
Artikel 52. Overgangsrecht in verband met
artikel 18 en artikel 22 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
1. Ten aanzien van de in artikel 18,
derde lid, van de Invoerings- en aanpassingwet Pensioenwet bedoelde
pensioentoezeggingen, welke op grond van artikel 2, eerste lid,
onderdeel c en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet al zijn ondergebracht bij een verzekeraar en waarbij
na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen
verwerving van pensioen meer plaats vindt, blijft de Pensioen- en
spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen
verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van
toepassing.
2. In aanvulling op artikel 22, eerste
lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet blijft, tot de
datum van inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 45 van de
Pensioenwet, artikel 8a, vierde lid, van de Pensioen- en
spaarfondsenwet van toepassing.
Artikel 52a [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 53. Intrekken besluiten
1. Het Besluit verplichte
beroepspensioenregeling wordt ingetrokken.
2. Het Besluit minimumbedrag eigen
vermogen pensioenfondsen wordt ingetrokken.
Artikel 54. Wijziging vanwege invoering
Wft
[Wijzigt dit besluit]
Artikel 55. Overgangsrecht
[Wijzigt dit besluit]
Artikel 56. Wijziging Besluit
meldingsregeling Wet Bpf 2000
[Wijzigt het Besluit meldingsregeling Wet
Bpf 2000]
Artikel 57. Wijziging
Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
[Wijzigt het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf
2000]
Artikel 58. Wijziging Uitvoeringsbesluit
pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit
pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004]
Artikel 59. Wijziging Besluit
bestuursorganen WNo en Wob
[Wijzigt het Besluit bestuursorganen WNo
en Wob]
Artikel 60. Wijziging Besluit
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
[Wijzigt het Besluit gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens]
Artikel 61. Wijziging bijlage Wet
toezicht accountantsorganisaties
[Wijzigt de Wet toezicht
accountantsorganisaties]
Artikel 62. Wijziging Besluit op de
huurtoeslag
[Wijzigt het Besluit op de huurtoeslag]
Artikel 63. Inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt in werking met
ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van de artikelen 2 tot en
met 10 en artikel 15.
2. De artikelen 2 tot en met 10 treden
in werking met ingang van 1 januari 2008.
3. Artikel 15 geldt ten aanzien van de
keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 61, eerste, derde, vierde en
zesde lid, van de Pensioenwet en artikel 73, eerste, derde, vierde en
zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling met ingang
van 1 januari 2008.
4. Artikel 15 geldt ten aanzien van de
keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 61, tweede, zevende, achtste en
negende lid, van de Pensioenwet en artikel 73, tweede, zevende,
achtste en negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
met ingang van 1 januari 2009.
Artikel 64. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december 2006
BEATRIX
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J.
de Geus
Uitgegeven de achtentwintigste
december 2006
De Minister voor Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
Bijlage behorend bij artikel 32 van het
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
1. Strafrechtelijke antecedenten
Veroordelingen
Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene
in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot,
voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van,
medeplichtigheid aan of plegen van:
– het in of vanuit Nederland,
beschikkende over voorwetenschap, verrichten of bewerkstelligen van
transacties in bepaalde effecten (artikelen 5:53 en 5:56 van de Wet
op het financieel toezicht Wft);
– het doorgeven van voorwetenschap
als bedoeld in de artikelen 5:53 en 5:56 van de Wft of de
nadrukkelijke aanbeveling bepaalde transacties te doen zonder
daarbij de voorwetenschap door te geven (artikel 5:57 van de Wft);
– deelneming aan een criminele of
terroristische organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het
Wetboek van Strafrecht (WvSr));
– valsheid in geschrifte (artikel
225 WvSr);
– opzettelijk verstrekken van
onware gegevens (artikel 227a WvSr);
– opzettelijk schenden van de
verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b WvSr);
– diefstal onder verzwarende
omstandigheden (artikelen 311 en 312 WvSr);
– verduistering (artikelen 321 tot
en met 323 WvSr);
– benadeling van schuldeisers of
rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 WvSr);
– opzetheling (artikel 416 WvSr);
– witwassen (artikelen 420 bis tot
en met 420 ter WvSr); of
– overtreding van een bepaling uit
de financiële ordeningswetgeving, als misdrijf strafbaar gesteld in
artikel 2 juncto 6 van de Wet op de economische delicten en waarvoor
betrokkene is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf
of een geldboete van ten minste de vierde categorie; of
– overtreding van een of meer in
het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de
hierboven genoemde.
2. Overige strafrechtelijke antecedenten
2.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of
in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding
van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen
van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Wetboek van Strafrecht:
– openbare orde en discriminatie
(artikelen 131 tot en met 151a);
– gemeengevaarlijke misdrijven
(artikelen 157 tot en met 175);
– openbaar gezag (artikelen 177 tot
en met 207a );
– muntmisdrijven (artikelen 208 tot
en met 215 WvSr);
– andere valsheiddelicten dan
muntmisdrijven (artikelen 216 tot en met 235 WvSr);
– opzettelijk verstrekken van onware
gegevens (artikel 227a WvSr);
– opzettelijk schenden van de
verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b WvSr);
– misdrijven tegen de zeden
(artikelen 242, 246, 243 tot en met 245, 247 tot en met 250, 250ter
WvSr);
– bedreiging met geweld of misdrijf
(artikel 285 WvSr);
– geweldsmisdrijven tegen het leven
(artikelen 287 tot en met 294 WvSr);
– mishandeling (artikelen 300 tot en
met 306 WvSr);
– dood en lichamelijk letsel door
schuld (artikelen 307 tot en met 309 WvSr);
– eenvoudige diefstal (artikel 310
WvSr);
– diefstal onder verzwarende
omstandigheden (artikel 311 WvSr);
– diefstal met geweld (artikel 312
WvSr);
– afpersing (artikel 317 WvSr);
– verduistering (artikelen 321 tot en
met 323 WvSr);
– bedrog (artikelen 326 tot en met
337 WvSr);
– benadeling van schuldeisers of
rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 WvSr);
– vernieling (artikelen 350 tot en
met 354);
– ambtsmisdrijven (artikelen 355 tot
en met 380 WvSr);
– heling en schuldheling (artikelen
416 tot en met 417 bis WvSr);
– witwassen (artikelen 420 bis tot en
met 420 quinquies WvSr);
– opgave van valse naam, academische
titel etc. (artikel 435 WvSr);
– indruk wekken van officieel
gesteund of erkend optreden (artikel 435b WvSr);
– onbevoegd uitoefenen makelaardij
(artikel 436a WvSr);
– eigenmachtig handelen tijdens
surséance (artikel 442 WvSr);
– verstrekken van onware gegevens
(artikel 447c WvSr); of
– schenden van de verplichting
gegevens te verstrekken (artikel 447d WvSr).
Algemene wet inzake rijksbelastingen:
– overtreding fiscale wetgeving
(artikelen 68 en 69).
Opiumwet:
– met opzet smokkelen, bereiden,
verkopen, afleveren, aanwezig hebben, etc. van harddrugs (artikel 2,
eerste lid);
– met opzet smokkelen, bereiden,
verkopen, afleveren, aanwezig hebben en vervaardigen softdrugs (3,
eerste lid); of
– voorbereidingshandelingen met
betrekking tot bereiden, verkopen, afleveren etc. en smokkel harddrugs
(artikel 10a, eerste lid).
Wet op de economische delicten:
Door de Wet op de economische delicten
strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de
financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3,
eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid,
23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme.
Wet wapens en munitie:
– zonder erkenning wapens of munitie
vervaardigen etc. (artikel 9, eerste lid);
– voorhanden hebben etc. van bepaalde
wapens (artikel 13, eerste lid);
– zonder consent bepaalde wapens of
munitie doen binnenkomen of uitgaan etc. (artikel 14, eerste lid);
– zonder vergunning/verlof vervoeren
van bepaalde wapens of munitie (artikel 22, eerste lid);
– verboden voorhanden hebben van
bepaalde wapens of munitie (artikel 26, eerste lid); of
– verboden overdragen van bepaalde
wapens of munitie (artikel 31, eerste lid).
Wegenverkeerswet 1994:
– dood of letsel door schuld (artikel
6);
– doorrijden na ongeval (artikel 7);
– rijden onder invloed (artikel 8);
– motorvoertuig besturen na
ontzegging (artikel 9);
– joyriding (artikel 11); of
– medewerking weigeren aan onderzoek
(artikel 163).
Onder veroordelingen worden ook verstaan
veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar
geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
2.2. Transacties met de Officier van
Justitie
Betrokkene heeft een transactie als
bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van
een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder
transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de
terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer
daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak
of ontslag van rechtsvervolging
Betrokkene wordt ter zake van een of meer
van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder
vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is
vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot,
niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging
worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in
het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende
strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
2.4. Andere relevante feiten of
omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die
redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de
betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van
strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of
rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij
een of meer van de onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder
processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke
documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van
strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar
geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 1 genoemde.
3. Financiële antecedenten
3.1. Persoonlijk
– betrokkene heeft belangrijke
persoonlijke financiële problemen gehad en deze hebben tot
juridische, invorderings- of incassoprocedures geleid;
– ten aanzien van betrokkene is
surséance van betaling, faillissement, schuldsanering of
schuldeisersakkoord aangevraagd of uitgesproken;
– betrokkene is thans in Nederland of
elders verwikkeld in één of meer juridische procedures naar
aanleiding van persoonlijke financiële problemen, dan wel verwacht
daarin betrokken te raken; of
– de persoonlijke financiële
verplichtingen van betrokkene staan naar algemene maatstaven niet in
een gezonde verhouding tot diens inkomsten of vermogen.
3.2. Zakelijk
– de huidige of één van de
voormalige werkgevers van betrokkene of enige vennootschap of
rechtspersoon waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als
beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke
zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins
medeverantwoordelijk of medeverantwoordelijk is of was voor het
beleid, heeft belangrijke financiële problemen gehad en deze hebben
tot juridische procedures in Nederland of elders geleid;
– met betrekking tot de huidige of
één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of
rechtspersoon beleidsbepaler of medebeleidsbepaler bekleedt/bekleedde,
feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of
anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is
surséance van betaling of faillissement aangevraagd of uitgesproken;
– betrokkene is veroordeeld tot het
voldoen van openstaande schulden wegens aansprakelijkheid voor het
faillissement van een vennootschap of rechtspersoon op grond van de
toepasselijke bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
(artikelen 50a, 138, 149, 248, 259 en 300a).
3.3. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die
wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële
gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de
beoordeling van diens betrouwbaarheid.
4. Toezichtantecedenten
4.1. Toezichtantecedenten
– het onjuist en/of onvolledig
verstrekken van gegevens aan een van overheidswege, in Nederland of in
het buitenland, met het toezicht op de financiële markten belaste
toezichthouder;
– betrokkene of een vennootschap of
rechtspersoon beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon
bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur
uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was
voor het beleid, is een toelating, vergunning of ontheffing geweigerd
door een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht
op de financiële markten belaste toezichthouder;
– een aan betrokkene of een
vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als
beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of
bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of
uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het
beleid, verleende toelating, vergunning of ontheffing is ingetrokken
door een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht
op de financiële markten belaste toezichthouder;
– betrokkene, of zijn huidige of
één van zijn voormalige werkgevers of een vennootschap of
rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of
medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk
zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede-)verantwoordelijk
is/was voor het beleid, is in conflict geweest met een van
overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de
financiële markten belaste toezichthouder, en dit conflict heeft
geleid tot enige maatregel jegens betrokkene dan wel jegens de
vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als
beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of
bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende
of anderszins verantwoordelijk is of was voor het beleid;
– aan betrokkene of aan een
vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als
beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of
bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of
uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het
beleid, een verklaring door de Minister van Justitie ter zake van de
oprichting van dan wel van de wijziging van de statuten van een
vennootschap geweigerd op gronden genoemd in artikel 68, tweede lid,
179, tweede lid, 125, tweede lid, onderscheidenlijk 235, tweede lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4.2. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die
wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter
zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële
toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen
redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens
betrouwbaarheid.
5. Fiscaal bestuursrechtelijke
antecedenten
5.1. Persoonlijk
Aan betrokkene is op grond van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake
van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
– opzettelijk een onjuiste of
onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);
– het is aan opzet of grove schuld
van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een
te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is
geheven (artikel 67e);
– het aan opzet of grove schuld van
de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten is dat
belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is
betaald (artikel 67f).
5.2. Zakelijk
Aan de huidige of één van de voormalige
werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene
een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler,
feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins
(mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake
van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
– opzettelijk een onjuiste of
onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);
– het is aan opzet of grove schuld
van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een
te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is
geheven (artikel 67e); of
– het is aan opzet of grove schuld
van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten dat
belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is
betaald (artikel 67f).
5.3. Andere feiten of omstandigheden
Andere feiten of omstandigheden die
wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op
fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de
beoordeling van diens betrouwbaarheid.
6. Overige antecedenten
– de inschrijving van betrokkene bij
het Dutch Securities Institute is door die instelling beëindigd;
– betrokkene is onderworpen of
onderworpen geweest aan een procedure tot het treffen van
tuchtrechtelijke, disciplinaire of vergelijkbare maatregelen door of
vanwege een organisatie van zijn beroepsgenoten in of buiten Nederland
en deze procedure heeft jegens betrokkene tot maatregelen geleid;
– betrokkene is betrokken of
betrokken geweest bij enig conflict met zijn huidige dan wel een
vorige werkgever aangaande de correcte vervulling van zijn functie of
naleving van gedragsnormen in verband met die taakvervulling en dit
conflict heeft geleid tot het opleggen van een arbeidsrechtelijke
sanctie aan betrokkene (zoals in de vorm van een waarschuwing,
berisping, schorsing of ontslag).
|