| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Geneesmiddelenwet
REGELING
GENEESMIDDELENWET
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport van 25 juni 2007, nr. GMT/MVG 2780607, houdende
uitvoering van bepalingen van de Geneesmiddelenwet (Regeling
Geneesmiddelenwet)
De Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen 1, derde lid, onderdeel b,
10, 19, derde lid, 27, eerste lid, 28, zesde lid, 29, 36, eerste lid,
40, derde lid, onderdeel c en e, 42, tweede en vierde lid,
44, derde lid, 51, vierde lid, 54, vierde lid, 58, vijfde lid, 61,
eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, en 66, tweede lid, en
103, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet en artikel 6, tweede lid, van
het Besluit Geneesmiddelenwet;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Geneesmiddelenwet;
b. systeem van farmaceutische kwaliteitsgarantie: het geheel van
maatregelen dat tot doel heeft te waarborgen dat de bereide
geneesmiddelen de kwaliteit bezitten die is vereist voor het gebruik
waarvoor zij zijn bestemd;
c. blinderen: het bewust verbergen van de identiteit van een
geneesmiddel voor onderzoek overeenkomstig de aanwijzingen van
degene die het wetenschappelijke onderzoek in de zin van de Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen verricht;
d. blindering opheffen: het bekend maken van de identiteit van
een geblindeerd geneesmiddel voor onderzoek;
e. QP: de persoon die door de fabrikant is belast met de taken,
bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder d of f, van de wet;
f. coördinatiegroep: de coördinatiegroep, bedoeld in artikel 27
van richtlijn 2001/83;
g. referentielidstaat: de instantie die in een lidstaat bevoegd
is te beslissen op aanvragen voor het in de handel brengen van
geneesmiddelen en op verzoek van degene die in meer dan één
lidstaat zodanige vergunning voor een bepaald geneesmiddel
aanvraagt, leiding geeft aan de procedure die in dat geval moet
worden gevolgd;
h. samenvatting van de productkenmerken: de lijst van gegevens
omtrent een geneesmiddel, bedoeld in artikel 3.8;
i. gevestigde apotheker: een apotheker die staat ingeschreven in
het register van gevestigde apothekers, bedoeld in artikel 61,
vijfde lid, van de wet;
j. apotheekhoudende huisarts: een huisarts aan wie krachtens
artikel 61, tiende of elfde lid, van de wet vergunning is verleend
om geneesmiddelen ter hand te stellen;
k. apotheekhoudende: een gevestigde apotheker of een
apotheekhoudende huisarts;
l. ziekenhuis: een instelling voor medisch-specialistische zorg
in de zin van het Uitvoerinsgbesluit WTZI;
m. gebruik in schrijnende gevallen: gebruik van geneesmiddelen
als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de verordening,
door patiënten die lijden aan een chronische ziekte of aan een
ziekte die de gezondheid ondermijnt of levensbedreigend moet worden
geacht en die niet op bevredigende wijze kan worden behandeld met
een geneesmiddel waarvoor een handelsvergunning is verleend, en
waarvoor bij de Gemeenschap een aanvraag om een handelsvergunning is
ingediend dan wel waarmee nog klinische proeven worden uitgevoerd
met het oog op het bij de Gemeenschap indienen van een aanvraag om
een handelsvergunning;
n. vergiften: geneesmiddelen, stoffen voor de bereiding van
geneesmiddelen en middelen als bedoeld in lijst I of lijst II van de
Opiumwet, niet zijnde geneesmiddelen, die gevaarlijk kunnen zijn
voor de gezondheid van een persoon indien deze in handen komen van
anderen dan beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele
gezondheidszorg die gekwalificeerd zijn om met zodanige producten in
hun werk om te gaan;
o. allergeen: een geneesmiddel waarmee wordt beoogd een
specifieke wijziging in de immunologische reactie op een allergie
veroorzakende agens vast te stellen of teweeg te brengen;
p. vaccins, toxinen en sera: stoffen die worden gebruikt om een
actieve immuniteit teweeg te brengen, om immuniteit vast te stellen
of om passieve immuniteit teweeg te brengen;
q. nieuwe werkzame stof: een werkzame stof die niet eerder is
gebruikt in een geneesmiddel dat in de Gemeenschap in de handel is
of is geweest;
r. bekende werkzame stof: een werkzame stof die eerder is
gebruikt in een geneesmiddel dat in de Gemeenschap in de handel is
of is geweest;
s. duplex-aanvraag: een aanvraag om een vergunning voor het in de
handel brengen van een geneesmiddel die vergezeld gaat van een
dossier dat identiek is aan het dossier op grond waarvan de
handelsvergunning voor het geneesmiddel is verleend, met
uitzondering van de naam van het geneesmiddel, het nummer van de
handelsvergunning, de naam van de houder van de vergunning, de naam
van de verantwoordelijke voor de geneesmiddelenbewaking, het voor de
geneesmiddelenbewaking ingerichte systeem, alsmede de met deze
uitzonderingen samenhangende afwijkingen in de samenvatting van de
productkenmerken, de bijsluiter en de verpakking;
t. kopie-aanvraag: een door een natuurlijke persoon of
rechtspersoon ingediende aanvraag om een vergunning voor het in de
handel brengen van een geneesmiddel die vergezeld gaat van een
dossier dat identiek is aan het dossier behorende bij een eerdere
door hem ingediende aanvraag waarvan de behandeling nog niet door
het College is afgerond, met uitzondering van de naam van het
geneesmiddel, het door het College aan de eerder ingediende aanvraag
gegeven nummer en de met deze uitzondering samenhangende afwijkingen
in de samenvatting van de productkenmerken, de bijsluiter en de
verpakking;
u. wetenschappelijk advies: een advies als bedoeld in artikel 9,
onder h, van de wet.
v. verordening 1084/2003: Verordening (EG) nr. 1084/2003 van de
Commissie van 3 juni 2003 betreffende het onderzoek van wijzigingen
van de voorwaarden van een door een bevoegde instantie van een
lidstaat verleende vergunning voor het in de handel brengen van
geneesmiddelen voor menselijk gebruik en geneesmiddelen voor
diergeneeskundig gebruik (PbEG L 159).
Hoofdstuk 2. Goede praktijken bij de industriële bereiding van en de
groothandel in geneesmiddelen
Paragraaf 1. Industriële bereiding
Artikel 2.1
1. De fabrikant houdt, met het oog op een goede naleving van deze
paragraaf, rekening met de gedetailleerde richtsnoeren, bedoeld in
artikel 47, tweede lid, van richtlijn 2001/83.
2. De fabrikant zet een systeem op van farmaceutische
kwaliteitsgarantie en betrekt daarbij het personeel dat bij de
uitvoering van dat systeem is betrokken.
Artikel 2.2
De fabrikant voert slechts geneesmiddelen in die zijn bereid door een
producent aan wie in het land van bereiding daartoe de bevoegdheid is
verleend.
Artikel 2.3
De fabrikant evalueert op gezette tijden zijn bereidingsmethode in
het licht van de vooruitgang van de wetenschap en de techniek.
Artikel 2.4
De fabrikant draagt ervoor zorg dat:
a. op elke bereidingslocatie voldoende gekwalificeerd personeel
aanwezig is voor het verrichten van de bereidingshandelingen;
b. de plichten van de QP zijn vastgelegd en zijn hiërarchische
verhoudingen in een organisatieschema zijn vastgelegd;
c. de QP over de bevoegdheden beschikt die hij nodig heeft voor
een goede uitoefening van zijn taken en dat hij en het andere
personeel adequaat zijn geschoold en voortdurend worden bijgeschoold
in de praktische en theoretische aspecten van hun taken;
d. er bedrijfshygiënische programma’s worden vastgesteld en
uitgevoerd die zijn afgestemd op de bereidingswerkzaamheden en in
elk geval betrekking hebben op de gezondheid, de hygiëne en de
kleding van het personeel.
Artikel 2.5
1. De fabrikant vergewist zich ervan de QP in het bezit is van een
aan hem uitgereikt getuigschrift ter afsluiting van een opleiding aan
een universiteit of van een andere als gelijkwaardig aan die opleiding
erkende opleiding, die ten minste omvat:
a. vier jaren theoretisch en praktisch onderwijs in een van de
volgende exacte wetenschappen: farmacie, geneeskunde,
diergeneeskunde, scheikunde, biologie of farmaceutische scheikunde
en technologie, dan wel
b. drie jaren en zes maanden theoretisch en praktisch onderwijs
aan een universiteit in een van de onder a genoemde wetenschappen
indien na dat onderwijs ten minste één jaar theoretisch en
praktisch onderwijs, waarvan ten minste zes maanden in de vorm van
een stage in een openbare apotheek, is gevolgd en met een examen
op universitair niveau is afgesloten.
2. Van een opleiding als bedoeld in het eerste lid maken ten minste
de volgende vakken deel uit:
experimentele natuurkunde, algemene en anorganische scheikunde,
organische scheikunde, analytische scheikunde, farmaceutische
scheikunde met inbegrip van geneesmiddelenanalyse, algemene en
toegepaste medische biochemie, fysiologie, microbiologie,
farmacologie, farmaceutische technologie, toxicologie en farmacognosie.
Artikel 2.6
Een QP heeft ten minste twee jaren bij een fabrikant werkzaamheden
uitgevoerd, bestaande uit het verrichten van kwalitatieve analyses van
geneesmiddelen, kwantitatieve analyses van de werkzame stoffen alsmede
proeven en controles die noodzakelijk zijn om de kwaliteit van
geneesmiddelen te waarborgen. Indien een QP een universitaire opleiding
als bedoeld in artikel 2.6 van ten minste vijf dan wel zes jaren met
goed gevolg heeft afgesloten, is het voldoende indien de hij
werkzaamheden als bedoeld in de eerste volzin, heeft uitgevoerd
gedurende een periode van één jaar onderscheidenlijk zes maanden.
Artikel 2.7
De fabrikant draagt ervoor zorg dat de lokalen en de uitrusting
zodanig zijn ontworpen, gebouwd, geplaatst, ingericht en onderhouden dat
de bereidingshandelingen op passende wijze kunnen worden uitgevoerd, het
risico van fouten zo klein mogelijk is en de schoonmaak- en
onderhoudswerkzaamheden doeltreffend kunnen worden uitgevoerd.
Artikel 2.8
1. De fabrikant beschikt over een documentatiesysteem voor alle
uitgevoerde bereidingshandelingen dat is gebaseerd op vastgelegde
procedures, protocollen, specificaties of voorschriften voor
samenstelling, bereiding en verpakking.
2. De fabrikant draagt ervoor zorg dat:
a. de documenten duidelijk en foutloos zijn en actueel worden
gehouden;
b. uit de documentatie de totstandkoming van elke charge kan
worden nagegaan;
c. uit de documentatie van de bereiding van een geneesmiddel
voor onderzoek de wijzigingen blijken die tijdens de ontwikkeling
daarvan zijn aangebracht.
3. De fabrikant bewaart de documenten met betrekking tot een charge
van een geneesmiddel voor onderzoek, niet zijnde verslagen,
protocollen en andere documenten als bedoeld in artikel 31 van de wet,
tot ten minste vijf jaren na de beëindiging van de laatste klinische
proef waarbij de charge is gebruikt.
4. Indien in plaats van de opslag van schriftelijke stukken een
ander documentatiesysteem wordt gebruikt, vergewist de fabrikant zich
ervan dat de gegevens gedurende de periode, bedoeld in het derde lid,
naar behoren kunnen worden opgeslagen. De elektronisch opgeslagen
gegevens worden tegen verlies of beschadiging beschermd.
5. De fabrikant draagt ervoor zorg dat de opgeslagen gegevens
gemakkelijk in leesbare vorm ter beschikking kunnen worden gesteld aan
degenen die bevoegd zijn daarvan kennis te nemen.
Artikel 2.9
1. De fabrikant draagt ervoor zorg dat de onderscheiden fasen van
de bereiding van een geneesmiddel worden uitgevoerd aan de hand van
tevoren opgestelde instructies en procedures.
2. De fabrikant beschikt over voldoende adequate middelen om
tijdens de bereiding controles te kunnen uitoefenen.
3. De fabrikant draagt ervoor zorg dat afwijkingen van het
bereidingsprocédé en gebreken aan het bereide geneesmiddel worden
onderzocht en apart worden gedocumenteerd.
4. Elk nieuw bereidingsprocédé en elke ingrijpende wijziging in
een bestaand bereidingsprocédé van geneesmiddelen, niet zijnde
geneesmiddelen voor onderzoek, wordt door de fabrikant gevalideerd. De
kritische fasen van het bereidingsprocédé worden op gezette tijden
opnieuw gevalideerd.
5. De fabrikant draagt ervoor zorg dat alle fasen van het ontwerp
en de ontwikkeling van het procédé van de bereiding van
geneesmiddelen voor onderzoek worden gedocumenteerd. Voorts wordt het
bereidingsprocédé in zijn geheel gevalideerd voor zover dat, gelet
op de fase van ontwikkeling waarin het geneesmiddel voor onderzoek
zich bevindt, mogelijk is.
Artikel 2.10
1. De fabrikant beschikt over een systeem van kwaliteitscontrole
dat wordt uitgevoerd door een organisatieonderdeel dat onder leiding
staat van een QP die niet is belast met de leiding van het
bereidingsproces.
2. De fabrikant draagt ervoor zorg dat het in het eerste lid
bedoelde organisatieonderdeel, hierna afdeling kwaliteitscontrole
genoemd, beschikt over ten minste één laboratorium voor
kwaliteitscontrole. Het laboratorium is voorzien van voldoende en
adequaat opgeleid personeel en is zodanig uitgerust dat de
noodzakelijke controles op en de noodzakelijke onderzoeken van
grondstoffen, verpakkingsmaterialen en gedeeltelijk en volledig
bereide producten kunnen worden uitgevoerd.
3. Indien de controle van geneesmiddelen voor onderzoek plaatsvindt
in een laboratorium van een ander dan degene die het wetenschappelijke
onderzoek verricht in de zin van de Wet medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen, draagt degene die het onderzoek verricht ervoor
zorg dat het desbetreffende laboratorium controleert of het
geneesmiddel voor onderzoek voldoet aan de melding, bedoeld in artikel
13i, tweede lid, van die wet.
4. Alvorens de eindproducten voor het uitvoeren van klinische
proeven worden afgeleverd, controleert de afdeling kwaliteitscontrole
bij de eindcontrole de analyseresultaten. Daarbij worden in elk geval
de omstandigheden tijdens de bereiding en de uitkomsten van de tijdens
de bereiding uitgevoerde controles betrokken, de bereidingsdocumenten
gecontroleerd en wordt nagegaan of het eindproduct aan de
specificaties voldoet.
5. De fabrikant draagt ervoor zorg dat:
a. van elke charge van een geneesmiddel voor onderzoek en van
de verpakking van die charge een monster wordt bewaard tot ten
minste twee jaren na de schriftelijk vastgelegde beëindiging van
de laatste klinische proef waarvoor de charge is gebruikt;
b. gedurende twee jaren na de ondertekening van een document
als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder f, van de wet, van
het eindproduct een monster wordt bewaard van de bij de bereiding
van geneesmiddelen voor onderzoek gebruikte grondstoffen, met
uitzondering van oplosmiddelen, gassen en water, met dien
verstande dat, indien een grondstof een kortere
houdbaarheidstermijn heeft, het monster tot aan het einde van die
termijn wordt bewaard.
Artikel 2.11
1. Aan de gedeeltelijke bereiding van een geneesmiddel door een
andere fabrikant dan de fabrikant die het geneesmiddel bereidt zoals
het in de handel wordt gebracht, ligt een schriftelijke overeenkomst
ten grondslag waarin de verantwoordelijkheden ter zake van de te
verrichten werkzaamheden van beide partijen duidelijk zijn aangeduid.
2. De fabrikant die het geneesmiddel gedeeltelijk bereidt, besteedt
zonder schriftelijke toestemming van de fabrikant die het geneesmiddel
bereidt zoals het in de handel wordt gebracht, geen werkzaamheden op
het gebied van de gedeeltelijke bereiding uit aan een derde
Artikel 2.12
1. De fabrikant van geneesmiddelen, niet zijnde geneesmiddelen voor
onderzoek, beschikt over een systeem voor het ontvangen en behandelen
van klachten over door hem bereide geneesmiddelen. Hij registreert en
onderzoekt alle klachten over een gebrek met betrekking tot een door
hem bereid geneesmiddel.
2. De fabrikant beschikt voorts over een systeem om een
geneesmiddel op elk tijdstip snel uit de handel te kunnen nemen.
3. De fabrikant onderzoekt alle klachten over gebreken met
betrekking tot geneesmiddelen die in de handel zijn en stelt, indien
hij niet de houder van de handelsvergunning is, deze houder alsmede de
ambtenaar van het Staatstoezicht op de volksgezondheid wie de
aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat,
in kennis van een ontvangen klacht die het uit de handel nemen van een
geneesmiddel of het in de handel brengen onder beperkingen tot gevolg
zou kunnen hebben, en van de andere landen waarin het geneesmiddel,
voor zover hem bekend, in de handel is.
4. De fabrikant van geneesmiddelen voor onderzoek en degene die het
wetenschappelijke onderzoek in de zin van artikel 1, eerste lid, onder
b, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen verricht,
beschikken over een gezamenlijk systeem voor het ontvangen en
behandelen van klachten over geneesmiddelen voor onderzoek. De
fabrikant registreert en onderzoekt alle klachten over een gebrek met
betrekking tot een geneesmiddel voor onderzoek.
Artikel 2.13
Degene die een wetenschappelijke onderzoek als bedoeld in artikel
2.12, vierde lid, verricht, draagt ervoor zorg dat de blindering van
geneesmiddelen voor onderzoek in elk geval snel wordt opgeheven indien
dat noodzakelijk is om die middelen snel terug te halen.
Artikel 2.14
De fabrikant voert op gezette tijden inspecties uit binnen zijn
bedrijf op de toepassing en de naleving van de artikelen 2.1 tot en met
2.13 en treft zonodig corrigerende maatregelen. De inspecties en de
getroffen maatregelen worden geregistreerd.
Artikel 2.15
Degene die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling
de taken, bedoeld 28, eerste lid, van de wet, verrichtte en die niet
voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, worden voor de
toepassing van deze regeling gelijkgesteld met degenen die wel aan die
eisen voldoen.
Paragraaf 2. Groothandel
Artikel 2.16
1. De opslag en aflevering van geneesmiddelen, niet zijnde
geneesmiddelen voor onderzoek, door de groothandelaar geschiedt in
overeenstemming met de beginselen en richtsnoeren, bedoeld in artikel
84 van richtlijn 2001/83.
2. De opslag en aflevering van geneesmiddelen voor onderzoek
geschiedt door degene die wetenschappelijk onderzoek verricht, bedoeld
in artikel 28, eerste lid, onder f, van de Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen.
Hoofdstuk 3. Aanvraag handelsvergunning
Paragraaf 1. Indiening aanvraag
Artikel 3.1
1. De bij de aanvraag om een vergunning voor het in de handel
brengen van een geneesmiddel aan het College over te leggen gegevens
en bescheiden, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, worden
aangeleverd door middel van een elektronische gegevensdrager waarvan
de specificaties door het College zijn vastgesteld. De aanvraag wordt
schriftelijk ondertekend, tenzij de aanvrager en het College de
mogelijkheid tot het zetten van een elektronische handtekening zijn
overeengekomen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gegevens
en bescheiden die door de houder van een handelsvergunning als bedoeld
in het eerste lid, aan het College worden overgelegd bij een aanvraag
om een wijziging van zodanige vergunning.
Paragraaf 2. Decentrale procedure en procedure van wederzijdse
erkenning
Artikel 3.2
Indien een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zowel bij het
College als bij instanties van andere lidstaten die bevoegd zijn op
aanvragen om handelsvergunningen te beslissen, een aanvraag om een
handelsvergunning indient, kan hij het College verzoeken om als
referentielidstaat op te treden. De aanvrager legt alsdan aan het
College een verklaring over, inhoudende dat het dossier dat hij bij de
aanvraag bij het College indient, identiek is aan het dossier dat hij
indient bij de instanties van de betrokken andere lidstaten. Van het
dossier maakt tevens deel uit een lijst van de lidstaten waar een
aanvraag om een handelsvergunning voor het geneesmiddel is ingediend.
Artikel 3.3
1. Indien een aanvrager het College heeft verzocht om als
referentielidstaat op te treden, verzoekt hij het College tevens een
rapport op te stellen inzake de beoordeling van het geneesmiddel, het
ontwerp van de samenvatting van de productkenmerken, de
ontwerpetikettering en de ontwerpbijsluiter.
2. Het College stelt naar aanleiding van het verzoek van de
aanvrager het beoordelingsrapport op en doet deze binnen 120 dagen na
het verzoek toekomen aan de aanvrager en aan de bevoegde instanties in
de andere betrokken lidstaten, bedoeld in artikel 3.2
3. Zodra alle in artikel 3.2 bedoelde instanties binnen 90 dagen na
de verzending van de documenten, bedoeld in het eerste lid, aan het
College hebben gemeld dat zij deze documenten goedkeuren en het
College heeft besloten de handelsvergunning te verlenen, sluit het
College de gevolgde aanvraagprocedure af en stelt hij de aanvrager
hiervan in kennis. Het College verleent alsdan binnen 30 dagen een
handelsvergunning in overeenstemming met het beoordelingsrapport, de
samenvatting van de productkenmerken, de etikettering en de
bijsluiter, zoals deze zijn goedgekeurd.
4. Indien het College van oordeel is dat de handelsvergunning moet
worden geweigerd wegens een mogelijk ernstig risico voor de
volksgezondheid dan wel dat de documenten, bedoeld in het eerste lid,
moeten worden goedgekeurd, en een of meer andere lidstaten aan het
College hebben gemeld dat zij van mening zijn dat het
tegenovergestelde moet gebeuren, deelt het College de punten waarover
verschil van mening bestaat tussen de betrokken lidstaten, mee aan de
Coördinatiegroep.
5. In de Coördinatiegroep spant het College zich in om met de
andere lidstaten tot een eensluidende beslissing te komen.
6. Indien de betrokken lidstaten in de Coördinatiegroep niet
binnen 60 dagen na de mededeling van het College bedoeld in het vierde
lid, overeenstemming hebben bereikt en het College van oordeel is dat
de handelsvergunning dient te worden verleend, kan het College de
vergunning verlenen zonder te wachten op de uitkomst van de
arbitrageprocedure, bedoeld in de artikelen 32, 33 en 34 van richtlijn
2001/83. Indien de arbitrageprocedure, bedoeld in de eerste volzin,
uitmondt in een beschikking van de Commissie die inhoudt dat de
handelsvergunning wordt geweigerd, trekt het College de met toepassing
van de eerste volzin verleende handelsvergunning in.
Artikel 3.4
1. Indien de houder van een handelsvergunning die is verleend door
het College, een handelsvergunning voor hetzelfde geneesmiddel wil
aanvragen in een of meer andere lidstaten, verzoekt hij het College
het beoordelingsrapport bij te werken en toe te zenden aan de
instanties die in die andere lidstaten bevoegd zijn op aanvragen om
handelsvergunningen te beslissen.
2. Het College verzendt het bijgewerkte beoordelingsrapport binnen
90 dagen na ontvangst van het verzoek van de houder van de
handelsvergunning, vergezeld van het verzoek aan de in het eerste lid
bedoelde instanties om de handelsvergunning te erkennen.
3. Zodra de in artikel 3.2 bedoelde instanties van de andere
betrokken lidstaten binnen 90 dagen na de verzending van het
bijgewerkte beoordelingsrapport aan het College hebben gemeld dat zij
dat rapport goedkeuren en daarmee de handelsvergunning erkennen, sluit
het College de gevolgde aanvraagprocedure af en stelt hij de aanvrager
hiervan in kennis. Het College brengt, indien nodig, binnen 30 dagen
nadien de handelsvergunning in overeenstemming met het bijgewerkte
beoordelingsrapport, de samenvatting van de productkenmerken, de
etikettering en de bijsluiter zoals deze zijn goedgekeurd.
4. Indien een of meer van de betrokken lidstaten aan het College
hebben gemeld dat zij de handelsvergunning niet erkennen, deelt het
College de punten waarover verschil van mening bestaat tussen de
betrokken lidstaten, mee aan de Coördinatiegroep. Artikel 3.3, vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Indien de betrokken lidstaten in de Coördinatiegroep niet
binnen 60 dagen na de mededeling van het College, bedoeld in het
vierde lid, overeenstemming hebben bereikt, en de daarop volgende
arbitrageprocedure, bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, uitmondt in een
beschikking van de Commissie die inhoudt dat de handelsvergunning
wordt geweigerd, trekt het College de verleende handelsvergunning in.
Artikel 3.5
1. Indien degene aan wie in een of meer andere lidstaten een
handelsvergunning voor een bepaald geneesmiddel is verleend, dat
geneesmiddel ook in Nederland in de handel wil brengen, dient hij bij
het College een aanvraag in om die handelsvergunning erkennen. De
aanvrager dient alsdan te verklaren dat het dossier dat hij bij het
College indient, identiek is aan de dossiers die hij bij de bevoegde
instanties van de andere betrokken lidstaten heeft ingediend. Van het
dossier dat bij het College wordt ingediend, maakt tevens deel uit een
lijst van de lidstaten waarin reeds een handelsvergunning voor het
desbetreffende geneesmiddel is verleend.
2. Binnen 90 dagen na het beoordelingsrapport, de samenvatting van
de productkenmerken, de etikettering en de bijsluiter met betrekking
tot het geneesmiddel waarvoor erkenning van de handelsvergunning is
aangevraagd, te hebben ontvangen van de bevoegde instantie die bij de
verlening van de oorspronkelijke handelsvergunning als
referentielidstaat optrad, neemt het College een beslissing.
3. Indien het College de in het tweede lid bedoelde documenten
goedkeurt en de handelsvergunning erkent, meldt hij dit aan de
bevoegde instantie, bedoeld in het tweede lid, en aan de bevoegde
instanties van de andere betrokken lidstaten. Indien het College een
of meer van die documenten niet kan goedkeuren omdat hij van mening is
dat door zodanige goedkeuring een ernstig risico voor de
volksgezondheid zou ontstaan, meldt hij dit aan de bevoegde instanties
van de betrokken lidstaten en aan de Coördinatiegroep. Het College
houdt bij het doen van deze melding rekening met door de Commissie
vastgestelde richtsnoeren hieromtrent.
4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid en de Commissie
ter afsluiting van de arbitrageprocedure, bedoeld in de artikelen 32,
33 en 34 van richtlijn 2001/83, een eindbeschikking heeft vastgesteld,
inhoudende dat de handelsvergunning dient te worden verleend of
geweigerd dan wel dat de handelsvergunning door de bevoegde instantie
die bij de verlening van de oorspronkelijke handelsvergunning als
referentielidstaat optrad, moet worden aangepast, wordt door het
College binnen 30 dagen nadien de vergunning verleend overeenkomstig
de beschikking van de Commissie onderscheidenlijk geweigerd. Het
College stelt de Commissie en het Bureau hiervan in kennis.
Artikel 3.6
De artikelen 3.3, zesde lid, 3.4, vijfde lid, en 3.5, vierde lid,
zijn niet van toepassing op homeopathische geneesmiddelen als bedoeld in
artikel 42, derde lid, van de wet. De artikelen 3.2 tot en met 3.5 zijn
niet van toepassing op homeopathische geneesmiddelen als bedoeld in
artikel 42, vierde lid, van de wet.
Paragraaf 3. Over te leggen gegevens en bescheiden
Artikel 3.7
1. Bij de aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen
van een geneesmiddel, niet zijnde een kruidengeneesmiddel als bedoeld
in artikel 42, achtste lid, van de wet worden, met inachtneming van de
volgorde en de inhoud van Bijlage 1 bij richtlijn 2001/83 en de
krachtens die richtlijn door de Commissie gepubliceerde richtsnoeren,
de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a. de naam of de handelsnaam en de woonplaats of de
maatschappelijke zetel van de aanvrager en van de fabrikant indien
de aanvrager niet de fabrikant is van het geneesmiddel;
b. de naam van het geneesmiddel;
c. de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling van de
bestanddelen van het geneesmiddel, met vermelding van de algemene
benaming van het geneesmiddel;
d. gegevens omtrent de milieu-effecten van het in de handel
zijn van het geneesmiddel alsmede een beoordeling van die effecten
en de maatregelen die moeten worden genomen om deze effecten te
voorkomen of te beperken;
e. een beschrijving van de bereidingswijze;
f. de therapeutische indicaties, contra-indicaties en
bijwerkingen;
g. de dosering, farmaceutische vorm, wijze van gebruik en wijze
van toediening alsmede de vermoedelijke houdbaarheid;
h. de redenen voor voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen die bij
de opslag van het geneesmiddel, de toediening ervan aan de
patiënt en de verwijdering van de afvalproducten ervan moeten
worden genomen;
i. een beschrijving van de door de fabrikant toegepaste
controlemethoden;
j. de testresultaten van:
– de farmaceutische proeven, bestaande uit
fysisch-chemische, biologische of microbiologische proeven,
– de preklinische proeven, bestaande uit toxicologische
en farmacologische proeven, en
– de klinische proeven;
k. een uitvoerige beschrijving van het systeem van
geneesmiddelenbewaking en, indien van toepassing, het
risicomanagement dat de aanvrager zal invoeren;
l. een verklaring dat de klinische proeven die buiten de
Europese Unie zijn uitgevoerd, voldoen aan de ethische vereisten,
bedoeld in het bij en krachtens Richtlijn 2001/20 bepaalde;
m. de samenvatting van de productkenmerken;
n. een model van de buitenverpakking waarop de in artikel 69,
eerste lid, van de wet bedoelde gegevens zijn vermeld, een model
van de primaire verpakking waarop de desbetreffende in artikel 70
van de wet bedoelde gegevens zijn vermeld, een kopie van de
bijsluiter waarin de in artikel 71, tweede lid, van de wet
bedoelde gegevens zijn vermeld en het verslag van het overleg,
bedoeld in artikel 71, derde lid, van de wet;
o. een document waaruit blijkt dat de fabrikant in het land
waarin hij gevestigd is, vergunning is verleend om geneesmiddelen
te bereiden;
p. een kopie van elke in een andere lidstaat of in een derde
land voor het geneesmiddel verkregen vergunning voor het in de
handel brengen, alsmede een lijst van de lidstaten waar de
ingediende aanvraag voor een dergelijke vergunning in behandeling
is;
q. indien een samenvatting van de productkenmerken is ingediend
bij of is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een andere
lidstaat, een kopie van die samenvatting;
r. een kopie van de bijsluiter die is voorgelegd of door de
bevoegde autoriteit van een andere lidstaat is goedgekeurd;
s. bijzonderheden omtrent elke in de Gemeenschap of in een
derde land genomen besluit waarbij een vergunning is geweigerd en
de redenen van zodanig besluit;
t. een kopie van iedere aanwijzing van het geneesmiddel als
weesgeneesmiddel, vergezeld van een kopie van het advies van het
Bureau daaromtrent;
u. het bewijs dat de aanvrager beschikt over een persoon als
bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet, die over de
noodzakelijke middelen beschikt om een bijwerking te melden die
zich voordoet in de Gemeenschap of een derde land.
2. De gegevens en bescheiden aangaande de resultaten van de in het
eerste lid, onder j , bedoelde farmaceutische, preklinische en
klinische proeven gaan vergezeld van een uitvoerige samenvatting die
is opgesteld en ondertekend door een persoon die deskundig is op het
gebied van zodanige proeven en wiens technische capaciteiten of
beroepskwalificaties zijn omschreven in een bij de aanvraag over te
leggen curriculum vitae.
Artikel 3.8
De samenvatting van de productkenmerken bevat de volgende gegevens in
onderstaande volgorde:
a. de naam van het geneesmiddel, gevolgd door de concentratie en
de farmaceutische vorm;
b. de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling van de werkzame
stoffen en van de hulpstoffen waarvan de kennis onmisbaar is voor
een juiste toediening van het geneesmiddel, aangeduid met de
algemene benamingen of de scheikundige benamingen;
c. de farmaceutische vorm;
d. de volgende klinische gegevens:
1°. de therapeutische indicaties,
2°. de dosering en de wijze van toediening voor volwassenen
en, voor zover noodzakelijk, voor kinderen,
3°. de contra-indicaties,
4°. een speciale waarschuwing en voorzorgsmaatregelen bij
gebruik en, indien het een immunologisch geneesmiddel betreft,
speciale voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen door
degenen die met immunologische geneesmiddelen omgaan en door
degenen die deze aan patiënten toedienen, alsmede
voorzorgsmaatregelen indien deze door de patiënt moeten worden
getroffen,
5°. de interacties met andere geneesmiddelen en andere
interacties,
6°. de wijze van gebruik tijdens zwangerschap en lactatie,
7°. de invloed op de bekwaamheid om een voertuig te besturen
en machines te gebruiken,
8°. de ongewenste effecten,
9°. symptomen van overdosering en de spoedbehandeling met
tegengiffen in geval van overdosering;
e. de volgende farmacologische eigenschappen:
1°. de farmacodynamische eigenschappen,
2°. de farmacokinetische eigenschappen,
3°. preklinische gegevens over de veiligheid;
f. de volgende farmaceutische gegevens:
1°. een lijst van de hulpstoffen,
2°. de belangrijkste onverenigbaarheden,
3°. de houdbaarheid in het algemeen dan wel, zo nodig, na
reconstitutie van het geneesmiddel of wanneer de verpakking voor
het eerst open is,
4°. bijzondere voorzorgsmaatregelen bij opslag,
5°. aard en inhoud van de primaire verpakking,
6°. bijzondere voorzorgsmaatregelen bij de verwijdering van
gebruikte geneesmiddelen of van die geneesmiddelen afgeleide
afvalstoffen, indien van toepassing;
g. de naam en het adres van de houder van de vergunning voor het
in de handel brengen;
h. het nummer of de nummers van de vergunning voor het in de
handel brengen;
i. de datum van de eerste vergunning of van een hernieuwing van
de vergunning;
j. de datum van laatste herziening van de tekst van de
samenvatting van de productkenmerken;
k. de nadere gegevens over de interne stralingsdosimetrie, indien
het radiofarmaceutica betreft;
l. gedetailleerde voorschriften voor bereiding extempore en
kwaliteitscontrole van de bereiding van radiofarmaceutica, alsmede,
voor zover van belang, de maximale opslagtijd gedurende welke een
intermediaire bereiding voldoet aan de op zodanige bereiding
betrekking hebbende specificaties.
Artikel 3.9
Indien de aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen
betrekking heeft op een generiek geneesmiddel, kan de vermelding
achterwege blijven van de delen van de samenvatting van de
productkenmerken van het referentiegeneesmiddel die betrekking hebben op
de therapeutische indicaties of doseringsvormen die onder de bescherming
van een octrooi of een aanvullend beschermingscertificaat vielen op het
tijdstip waarop een generiek van het referentiegeneesmiddel in de handel
werd gebracht.
Artikel 3.10
Onverminderd de artikelen 3.7 en 3.8, bevat een aanvraag om een
vergunning voor het in de handel brengen van een generator van
radionucliden de volgende gegevens en bescheiden:
a. een algemene beschrijving van het systeem tezamen met een
gedetailleerde beschrijving van de bestanddelen ervan die van
invloed kunnen zijn op de samenstelling of de kwaliteit van de
dochteradionuclide;
b. kwalitatieve en kwantitatieve gegevens van de elutie of het
sublimaat.
Artikel 3.11
Een beschrijving van de preklinische en klinische proeven als bedoeld
in artikel 3.7, eerste lid, onder j, tweede en derde gedachtestreepje,en
onder l, hoeft niet te worden overgelegd indien de aanvraag betrekking
heeft op:
a. een homeopathisch geneesmiddel als bedoeld in artikel 42,
vierde lid, van de wet, dat noch op de verpakking noch in de
bijsluiter een therapeutische indicatie vermeldt;
b. een homeopathisch geneesmiddel dat op de verpakking of in de
bijsluiter een therapeutische indicatie vermeldt, indien door de
aanvrager van de handelsvergunning wordt voldaan aan de voorwaarden
en de procedure van artikel 3.12, eerste, tweede en derde lid, en
het College nog niet heeft beslist over de therapeutische werking
van het desbetreffende geneesmiddel.
Artikel 3.12
1. Degene die vóór de inwerkingtreding van de wet homeopathische
geneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, vierde lid, van de wet, in
de handel bracht met vermelding van een therapeutische indicatie en
die voornemens is deze indicatie te handhaven na de inwerkingtreding
van de wet, meldt dit voornemen binnen zes maanden na de
inwerkingtreding van de wet aan het College en geeft daarbij aan op
welke wijze hij de therapeutische werking, bedoeld in artikel 45,
eerste lid, onder b, van de wet, zal aantonen en welke preklinische en
klinische gegevens hij als onderbouwing zal overleggen.
2. Indien bij de melding, bedoeld in het eerste lid, klinische
gegevens worden aangekondigd die naar het oordeel van het College
redelijkerwijs niet kunnen leiden tot het bewijs van de gestelde
therapeutische werking, meldt het College zulks aan de betrokkene en
beslist het College dat het geneesmiddel niet de gestelde werking
heeft.
3. De preklinische en klinische gegevens worden door de betrokkene
binnen achttien maanden na de inwerkingtreding van de wet overgelegd
aan het College. Het College kan deze termijn één maal verlengen met
ten hoogste een jaar indien dit naar het oordeel van het College kan
leiden tot het bewijs van de gestelde therapeutische werking.
4. Het College beslist na ontvangst van de desbetreffende
preklinische en klinische gegevens of het desbetreffende
homeopathische geneesmiddel de opgegeven therapeutische werking bezit.
5. Indien het College op de voet van het tweede of het vierde lid
beslist dat het desbetreffende homeopathische geneesmiddel niet de
gestelde werking heeft, is artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b,
van de wet van toepassing tenzij het homeopathisch geneesmiddel geen
therapeutische indicatie meer vermeldt op de verpakking en in de
bijsluiter.
Artikel 3.13
Onverminderd de artikelen 3.7 en 3.11, aanhef en onder a, worden bij
de aanvraag om een handelsvergunning voor een reeks van homeopathische
geneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de wet, die van
dezelfde homeopathische grondstoffen zijn afgeleid, de volgende gegevens
en bescheiden overgelegd:
a. de wetenschappelijke benaming of een andere in een farmacopee
voorkomende benaming van de homeopathische grondstoffen, onder
vermelding van de verschillende toedieningswijzen, farmaceutische
vormen en verdunningsgraden;
b. een dossier waarin wordt beschreven hoe de homeopathische
grondstoffen worden verkregen en gecontroleerd en waarin het
homeopathische karakter door bibliografie wordt aangetoond;
c. het fabricage- en controledossier voor elke farmaceutische
vorm en een beschrijving van de verdunnings- en
potentiëringsmethoden;
d. een kopie van de voor hetzelfde geneesmiddel in andere
lidstaten verkregen vergunning of andere vorm van toestemming om het
geneesmiddel in de handel te brengen;
e. gegevens betreffende de houdbaarheid van het geneesmiddel.
Artikel 3.14
1. Bij de aanvraag om een handelsvergunning voor een traditioneel
kruidengeneesmiddel als bedoeld in artikel 42, achtste lid, van de
wet, worden, met inachtneming van de inhoud van Bijlage 1 bij
richtlijn 2001/83 betreffende traditionele kruidengeneesmiddelen, de
volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.7, eerste
lid, onder a tot en met i, en onder m en n;
b. de resultaten van farmaceutische proeven als bedoeld in van
artikel 3.7, eerste lid, onder j, eerste gedachtestreepje;
c. de samenvatting van de productkenmerken, met uitzondering
van de in artikel 3.8, onder d, bedoelde gegevens;
d. in geval van combinaties van een of meer kruidensubstanties
en een of meer kruidenpreparaten of combinaties van zodanige
substanties of preparaten met vitaminen of mineralen, de gegevens
omtrent het traditionele gebruik van deze combinaties;
e. gegevens omtrent de afzonderlijke werkzame bestanddelen,
indien de afzonderlijke werkzame bestanddelen niet voldoende
bekend zijn;
f. de door de aanvrager in een andere lidstaat of in een derde
land verkregen vergunningen voor het in de handel brengen van het
geneesmiddel of andere bewijzen van toelating tot de handel
alsmede bijzonderheden omtrent alle in de Gemeenschap of in een
derde land genomen beslissingen om een vergunning of andere vorm
van toelating te weigeren en de redenen voor deze beslissingen;
g. bibliografische gegevens of gegevens van deskundigen waaruit
blijkt dat het geneesmiddel waarop de aanvraag betrekking heeft of
een daaraan gelijkwaardig of daarmee vergelijkbaar geneesmiddel
gedurende een periode van ten minste 30 jaar voor de datum van de
aanvraag in de medische praktijk is gebruikt, waaronder ten minste
15 jaar in de Gemeenschap;
h. bibliografische gegevens over de veiligheid van het
geneesmiddel, vergezeld van een rapport van een deskundige;
i. gegevens die nodig zijn om de veiligheid van het
geneesmiddel te beoordelen.
2. Een gelijkwaardig of vergelijkbaar geneesmiddel als bedoeld in
het eerste lid, onder g, wordt gekenmerkt door dezelfde werkzame
bestanddelen als het geneesmiddel waarvoor de aanvraag is ingediend,
ongeacht de gebruikte hulpstoffen, een identiek of vergelijkbaar
beoogd effect, een gelijkwaardige concentratie of dosering alsmede een
identieke of vergelijkbare wijze van toediening.
3. Aan het vereiste dat een traditioneel kruidengeneesmiddel,
bedoeld in het eerste lid, aanhef, in de medische praktijk gedurende
dertig jaren is gebruikt, kan ook worden voldaan indien het aantal of
de hoeveelheid van de bestanddelen van het geneesmiddel gedurende die
periode is verlaagd.
4. Indien een in het eerste lid, aanhef, bedoeld traditioneel
kruidengeneesmiddel minder dan 15 jaar in de Gemeenschap in de
medische praktijk is gebruikt, verwijst het College het geneesmiddel
naar het Comité voor kruidengeneesmiddelen, bedoeld in artikel 16
nonies van -richtlijn 2001/83. Het College verstrekt de desbetreffende
documentatie ter ondersteuning van de verwijzing.
5. Het College betrekt de communautaire kruidenmonografie die door
het Comité voor kruidengeneesmiddelen, bedoeld in het vierde lid, is
opgesteld, in zijn beoordeling van de aanvraag om een
handelsvergunning voor een traditioneel kruidengeneesmiddel.
Artikel 3.15
1. Indien de aanvraag om een handelsvergunning voor een
traditioneel kruidengeneesmiddel betrekking heeft op een krachtens
artikel 16 septies, eerste lid, van richtlijn 2001/83 door de Europese
Commissie vastgestelde lijst van kruidensubstanties, kruidenpreparaten
en combinaties daarvan, hoeven bij de aanvraag de in artikel 3.14,
eerste lid, onder f, g, h en i, bedoelde gegevens niet te worden
overgelegd.
2. De handelsvergunning wordt in elk geval ingetrokken indien een
kruidensubstantie, een kruidenpreparaat of een combinatie daarvan niet
langer voorkomt op de lijst, bedoeld in het eerste lid. De intrekking
wordt ongedaan gemaakt indien binnen drie maanden na de intrekking de
in artikel 3.14, eerste lid, bedoelde gegevens worden overgelegd.
Artikel 3.16
Voor de toepassing van artikel 3.7, eerste lid, onder c, wordt, wat
betreft bloedproducten, de kwantitatieve samenstelling van een
bloedproduct uitgedrukt in eenheden van massa, internationale eenheden
of eenheden van biologische werking.
Paragraaf 4. Uitzonderingen op de verplichting te beschikken over een
handelsvergunning
Artikel 3.17
1. Een fabrikant, een groothandelaar of een apotheekhoudende is
bevoegd om een geneesmiddel waarvoor geen vergunning voor het in de
handel brengen in Nederland is verleend, af te leveren aan een arts,
indien:
a. de arts het noodzakelijk acht dat een tot zijn geneeskundige
praktijk behorende patiënt met het geneesmiddel wordt behandeld,
b. er geen adequaat medicamenteus alternatief voor het
geneesmiddel in Nederland in de handel is of anderszins
verkrijgbaar is,
c. de arts hem met gebruikmaking van het door het
Staatstoezicht op de volksgezondheid beschikbaar gestelde model,
schriftelijk heeft verzocht het geneesmiddel aan hem af te
leveren;
d. hij aan het Staatstoezicht op de volksgezondheid het
schriftelijke verzoek van de arts heeft overgelegd,
e. het Staatstoezicht op de volksgezondheid de hoeveelheid van
het geneesmiddel en de periode gedurende welke het mag worden
afgeleverd aan de betrokken arts, heeft bepaald, en
f. de betrokken fabrikant, groothandelaar of apotheekhoudende
een administratie bijhoudt waarin de hoeveelheid van het
geneesmiddel, de naam van de arts, het aantal patiënten voor wie
het geneesmiddel is bestemd, en de geconstateerde bijwerkingen
worden vastgelegd.
2. Een fabrikant is voorts bevoegd om een immunologisch
geneesmiddel of een bloedproduct dat in Nederland niet in de handel is
of anderszins niet verkrijgbaar is, te bereiden en af te leveren aan
een arts indien de bereiding heeft plaatsgevonden op schriftelijk
verzoek van die arts volgens diens specificaties en tevens is voldaan
aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, d, e, en f.
Artikel 3.18
1. Degene die voornemens is een geneesmiddel voor gebruik in
schrijnende gevallen beschikbaar te stellen, dient daartoe een verzoek
om goedkeuring in bij het College. Het verzoek gaat vergezeld van een
programma voor het gebruik van het geneesmiddel en, indien voor het
geneesmiddel een aanvraag om een vergunning voor het in de handel
brengen overeenkomstig artikel 6 van de verordening is ingediend, een
verklaring dat zulks is geschied.
2. Indien er voor het geneesmiddel nog geen aanvraag om een
handelsvergunning als bedoeld in het eerste lid, is ingediend,
verstrekt de indiener van het verzoek voor gebruik in schrijnende
gevallen aan het College alle informatie over onderzoeksstatus van het
geneesmiddel.
3. Het programma voor gebruik in schrijnende gevallen bevat in elk
geval de volgende gegevens:
a. een motivering van het belang van het beschikbaar stellen
van het geneesmiddel;
b. een omschrijving van de patiëntengroep waarvoor het
geneesmiddel beschikbaar wordt gesteld;.
c. alle beschikbare gegevens ten behoeve van beoordeling van de
verhouding tussen werkzaamheid en veiligheid van het geneesmiddel;
d. de afspraken die de indiener van het verzoek, bedoeld in het
eerste lid, eerste volzin, met de betrokken patiënten heeft
gemaakt met betrekking tot het melden van bijwerkingen door hen en
met betrekking tot geneesmiddelenbewaking.
4. Het College onderzoekt of het programma voor gebruik voldoet aan
het derde lid en of de indiener van het verzoek in staat is het
programma uit te voeren. Het College kan, alvorens zijn goedkeuring te
geven, nadere voorwaarden stellen aan het programma dan wel, na
goedkeuring te hebben gegeven, zijn goedkeuring schorsen of intrekken.
5. Het toezicht op de naleving van het programma voor gebruik wordt
uitgeoefend door het Staatstoezicht op de volksgezondheid.
Hoofdstuk 4. Indeling van geneesmiddelen
Artikel 4.1
Het College besluit tot indeling van een geneesmiddel als
UA-geneesmiddel indien:
a. hij bewaking van het gebruik van het geneesmiddel door een
apotheekhoudende noodzakelijk acht in verband met de kans op
belangrijke interacties met andere geneesmiddelen of op belangrijke
bijwerkingen,
b. voorlichting of begeleiding noodzakelijk is bij de
terhandstelling, bestaande uit het geven van informatie over het
geneesmiddel onderscheidenlijk het geven van advies over de juiste
keuze en een goed en veilig gebruik van het geneesmiddel, of
c. toezicht op het gebruik van het geneesmiddel noodzakelijk is
ter voorkoming van oneigenlijk gebruik.
Artikel 4.2
Het College besluit tot indeling van een geneesmiddel als
AV-geneesmiddel indien:
a. met de werkzame stof van het geneesmiddel in de Gemeenschap of
in de Verenigde Staten van Amerika ten minste vijf jaren ervaring is
opgedaan als werkzame stof van een geneesmiddel dat zonder recept
verkrijgbaar is,
b. bij het gebruik van het geneesmiddel het risico op schade
verwaarloosbaar is,
c. er geen aanwijzingen zijn voor abnormaal gebruik,
d. het aantal eenheden per verpakking relatief gering is, en
e. de verpakking en de bijsluiter waarschuwen voor mogelijk
risicovolle situaties,
f. de beschikbaarheid van mondeling advies van een drogist of
apotheker niet noodzakelijk is.
Hoofdstuk 5. Bewaring van vergiften en recepten
Artikel 5.1
1. Vergiften worden in een apotheek zodanig bewaard dat de
kwaliteit daarvan tot aan de uiterste gebruiksdatum deugdelijk blijft.
2. Een recept wordt in de apotheek zodanig bewaard dat de
authenticiteit daarvan gedurende de termijn van bewaring, bedoeld in
artikel 7: 454, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, kan worden
vastgesteld.
Artikel 5.2
1. Degene die een ziekenhuis in stand houdt waarin een apotheek is
gevestigd, draagt ervoor zorg dat:
a. vergiften, niet zijnde geneesmiddelen, zich in het
ziekenhuis niet buiten de apotheek bevinden;
b. geneesmiddelen die zich in het ziekenhuis buiten de apotheek
bevinden, worden bewaard in afsluitbare kasten of ruimten;
c. de gevestigde apotheker de personen aanwijst die toegang
hebben tot de onder b bedoelde kasten of ruimten;
d. onder verantwoordelijkheid van de gevestigde apotheker een
administratie wordt bijgehouden van de soorten en hoeveelheden van
geneesmiddelen die zich in de kasten of ruimten, bedoeld onder b,
bevinden, welke daaruit worden genomen en door welke personen;
e. de kasten en ruimten in de apotheek waarin vergiften worden
bewaard, door of onder verantwoordelijkheid van de gevestigde
apotheker zijn afgesloten indien noch hijzelf noch andere
beroepsbeoefenaren die in de apotheek geneesmiddelen bereiden of
ter hand stellen, aanwezig zijn in de apotheek.
2. In een ziekenhuis waarin geen apotheek is gevestigd, worden
vergiften eveneens bewaard in afsluitbare kasten of ruimten. De in
zodanig ziekenhuis werkende toezichthoudende apotheker wijst de
personen aan die toegang hebben tot de kasten of ruimten.
Hoofdstuk 6. Aflevering, terhandstelling en voorschrijven van
geneesmiddelen
Paragraaf 1. Afleveren na vrijgeven
Artikel 6.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘vrijgeven’: de beslissing
van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu dat een charge van
een immunologisch geneesmiddel, niet zijnde een geneesmiddel voor
onderzoek, dan wel van een bloedproduct voldoet aan de eisen, bedoeld in
artikel 28, eerste lid, onder b en c, van de wet.
Artikel 6.2
1. Bloedproducten worden door de houder van de handelsvergunning
niet afgeleverd dan nadat de charge waartoe zij behoren, op zijn
aanvraag is vrijgegeven. Hetzelfde geldt voor de volgende
immunologische geneesmiddelen:
a. levende vaccins;
b. immunologische geneesmiddelen die bij de eerste vaccinatie
van jonge kinderen of van andere risicogroepen worden gebruikt;
c. immunologische geneesmiddelen die bij immuniseringsprogramma’s
in het kader van de volksgezondheid worden gebruikt;
d. nieuwe immunologische geneesmiddelen of immunologische
geneesmiddelen die met behulp van nieuwe of gewijzigde technieken
worden bereid of die voor de betrokken fabrikant nieuw zijn.
2. Bij de aanvraag om het vrijgeven van een charge worden monsters
overgelegd van de desbetreffende charge van het bloedproduct of het
immunologische geneesmiddel en van de bulk waaruit de charge is
bereid.
3. Voor onderzochte maar niet vrijgegeven charges kan de Inspectie
voor de Gezondheidszorg in het belang van de volksgezondheid
ontheffing verlenen voor toelating van de partij tot de Nederlandse
mark. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. De
ontheffing kan worden ingetrokken.
Artikel 6.3
1. Artikel 6.2 is niet van toepassing op een bloedproduct of een
immunologisch geneesmiddel indien dat wordt betrokken uit een andere
lidstaat en de daartoe bevoegde autoriteit van die lidstaat de charge
waartoe het behoort, heeft onderzocht en schriftelijk heeft verklaard
dat de charge voldoet aan de eisen die zijn beschreven in het dossier
op grond waarvan de handelsvergunning voor het bloedproduct of het
immunologische geneesmiddel is verleend.
2. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt gezonden aan de
Minister. Het daadwerkelijk binnen het grondgebied van Nederland
brengen van het middel wordt bij hem terstond aangemeld, onder
vermelding van de naam van het middel, het nummer van de charge
waartoe het behoort en de hoeveelheid van de charge.
Artikel 6.4
Op de aanvraag om het vrijgeven van een immunologisch geneesmiddel of
een bloedproduct wordt binnen 60 dagen beslist.
Paragraaf 2. Terhandstelling van geneesmiddelen door anderen dan
apotheekhoudenden
Artikel 6.5
1. Immunologische geneesmiddelen of bloedproducten mogen, behalve
door de in artikel 61, eerste lid, onder a en b, van de wet bedoelde
beroepsbeoefenaren, tevens ter hand worden gesteld door:
a. artsen of instellingen die uitvoering geven aan nationale
programma’s, gericht op preventie van ziekten, waarop aanspraak
bestaat krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel
worden gesubsidieerd op grond van de Subsidieregeling publieke
gezondheid, echter uitsluitend voor zover de terhandstelling of de
toediening van de desbetreffende geneesmiddelen geschiedt ten
behoeve van die programma’s;
b. de in artikel 10 van de Regeling publieke gezondheid
bedoelde organisaties en huisartsen die tegen gele koorts mogen
inenten;
c. artsen, voor zover het sera betreft die als antigif worden
toegepast tegen beten van uitheemse slangen of andere uitheemse
diersoorten dan wel tegen andere voor de gezondheid schadelijke
gevolgen van het in aanraking komen met uitheemse diersoorten;
d. de artsen of instellingen die uitvoering geven aan de
bestrijding van infectieziekten, behorende tot groep A als bedoeld
in de Wet publieke gezondheid, echter uitsluitend voor zover de
terhandstelling of de toediening van de desbetreffende
geneesmiddelen geschiedt ten behoeve van die bestrijding.
2. De artsen, bedoeld in het eerste lid, onder a, c en d, de
instellingen, bedoeld in het eerste lid, onder a en d, en de
organisaties en huisartsen, bedoeld in het eerste lid, onder b,
bewaren en behandelen de desbetreffende immunologische geneesmiddelen
of de bloedproducten deugdelijk. Zij voeren tevens een administratie
waaruit duidelijk blijkt op welk tijdstip de immunologische
geneesmiddelen of de bloedproducten aan hen zijn afgeleverd, alsmede
aan wie en op welke datum zij deze ter hand hebben gesteld of hebben
toegediend. Zij dragen ervoor zorg dat een apotheker toezicht houdt op
de in dit lid bedoelde handelingen.
Artikel 6.6
1. Onverminderd de bevoegdheid van de beroepsbeoefenaren, bedoeld
in artikel 61, eerste lid, onder a en b, van de wet, mogen:
a. de instellingen die uitvoering geven aan de aanvullende
curatieve soa-bestrijding en de aanvullende
seksualiteitshulpverlening, bedoeld in de Subsidieregeling
publieke gezondheid, de voor de soa-bestrijding bestemde
geneesmiddelen ter hand stellen;
b. orale anticonceptiva door artsen ter hand worden gesteld aan
personen jonger dan 18 jaren, die wat betreft de terhandstelling
en het gebruik van die geneesmiddelen anoniem wensen te blijven,
indien de terhandstelling plaatsvindt in instellingen als bedoeld
onder a, of in abortusklinieken waarop de Wet afbreking
zwangerschap betrekking heeft.
2. Overheidsinstellingen die geneesmiddelen in voorraad moeten
hebben in het belang van de zorg voor de volksgezondheid in geval van
oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmee verband houdende
buitengewone omstandigheden, zijn bevoegd in dergelijke omstandigheden
de zich in voorraad bevindende geneesmiddelen ter hand te stellen.
Paragraaf 3. Terhandstelling UR-geneesmiddelen zonder recept
Artikel 6.7
De apotheker stelt, op schriftelijk verzoek, zonder overlegging van
een recept UR-geneesmiddelen ter hand aan:
a. de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens;
b. personen of instellingen die de desbetreffende geneesmiddelen
nodig hebben voor wetenschappelijk onderzoek of voor het onderwijs
in de farmacie.
Paragraaf 4. Geneesmiddelen zonder herhaalrecept
Artikel 6.8
De apotheekhoudende stelt orale anticonceptiva, niet-orale
anticonceptiva die UR-geneesmiddelen zijn, en insuline ook bij herhaling
ter hand indien het recept geen voorschrift met betrekking tot herhaalde
terhandstelling bevat.
Paragraaf 5. Geneesmiddelen aan boord van zeeschepen en
vissersvaartuigen
Artikel 6.9
Aan de kapitein van een schip als bedoeld in artikel 1, derde lid,
onder b, van de wet, mogen de geneesmiddelen die worden vermeld in de
bijlage bij de Regeling medische uitrusting aan boord van zeeschepen
onderscheidenlijk in de bijlage bij de Regeling medische uitrusting aan
boord van vissersvaartuigen, ter hand worden gesteld.
Paragraaf 6. Uitwisseling van laboratoriumgegevens en vermelding van
de reden van voorschrijven op het recept
Artikel 6.10
1. Indien de arts besluit bij een patiënt nader onderzoek te laten
uitvoeren naar de volgende bloedwaarden of terreinen, maakt hij
daarvan aantekening op het recept:
a. Creatinine;
b. Natrium;
c. Kalium;
d. PT-INR;
e. Farmacogenetische parameters; of
f. Spiegels van geneesmiddelen met kleine therapeutische
breedte.
2. Degene die laboratoriumgegevens van een patiënt betreffende de
bloedwaarden of terreinen, bedoeld in het eerste lid, onder zich
heeft, verstrekt deze desgevraagd aan de apotheker die het recept
uitvoert.
Artikel 6.11
Indien de arts een in de bijlage bij deze regeling opgenomen werkzame
stof voorschrijft, vermeldt hij de reden van voorschrijven op het
recept.
Hoofdstuk 7. Vergoedingen
Artikel 7.1
Voor de behandeling van een aanvraag om een handelsvergunning als
bedoeld in artikel 3.1, is de aanvrager de volgende vergoeding
verschuldigd:
a. € 43.900 indien het een geneesmiddel met een nieuwe werkzame
stof betreft;
b. € 23.060 indien het een geneesmiddel met een bekende
werkzame stof betreft;
c. € 5.800 indien het een duplexaanvraag betreft;
d. € 1.200 indien het een homeopathisch geneesmiddel als
bedoeld in artikel 42, derde lid, van de wet betreft;
e. € 2.400 indien het een homeopathisch geneesmiddel als
bedoeld in artikel 42, vierde lid, van de wet betreft;
f. € 2.600 indien het een traditioneel kruidengeneesmiddel als
bedoeld in artikel 42, achtste lid, van de wet betreft.
Artikel 7.2
1. Voor de behandeling van een aanvraag om een handelsvergunning
als bedoeld in artikel 3.2, waarbij het College optreedt als
referentielidstaat, is de aanvrager de volgende vergoeding
verschuldigd:
a. € 43.900 indien het een geneesmiddel met een nieuwe
werkzame stof betreft;
b. € 23.060indien het een geneesmiddel met een bekende
werkzame stof betreft;
c. € 15.800 indien het een kopie-aanvraag betreft;
d. € 28.790 indien het een uitbreiding van het assortiment
van een geneesmiddel door de houder van de handelsvergunning
betreft die bestaat uit een verandering als bedoeld in punt 1 of
punt 2 van Bijlage II bij verordening 1084/2003;
2. Voor de behandeling van een aanvraag om een handelsvergunning
als bedoeld in artikel 3.2, waarbij het College niet optreedt als
referentielidstaat, is de aanvrager aan het College de volgende
vergoeding verschuldigd:
a. € 31.735 indien het een geneesmiddel met een nieuwe
werkzame stof betreft;
b. € 18.435 indien het een geneesmiddel met een bekende
werkzame stof betreft;
c. € 15.800 indien het een kopie-aanvraag betreft;
d. € 14.395 indien het een uitbreiding van het assortiment,
bedoeld in het eerste lid, onder d, betreft;
e. € 2.800 indien het een homeopathisch geneesmiddel, bedoeld
in artikel 42, derde lid, betreft;
f. € 2.800 indien het een kruidengeneesmiddel betreft als
bedoeld in artikel 42, achtste lid, van de wet betreft, dat op de
krachtens artikel 16 septies, eerste lid, van richtlijn 2001/83
door de Commissie vastgestelde lijst van kruidensubstanties,
kruidenpreparaten en combinaties vermeld staat.
Artikel 7.3
Voor de behandeling van een verzoek aan het College als bedoeld in
artikel 3.4, eerste lid, is de verzoeker de volgende vergoeding
verschuldigd:
a. € 19.570 indien het verzoek betrekking heeft op een
geneesmiddel met een nieuw werkzame stof;
b. € 13.810 indien het verzoek betrekking heeft op een
geneesmiddel met een bekende werkzame stof;
c. € 10.000 indien het verzoek een duplexaanvraag betreft;
d. € 3.660 indien het verzoek betrekking heeft op een
verandering als bedoeld in de punten 1 en 2 van Bijlage II bij
verordening 1084/2003;
e. € 1.200 indien het verzoek een homeopathisch geneesmiddel
als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de wet betreft;
f. € 2.600 indien het verzoek een kruidengeneesmiddel betreft
als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onder f.
Artikel 7.4
Voor de behandeling door het College van een aanvraag om erkenning
van een handelsvergunning die in een andere lidstaat is verleend, is de
aanvrager de volgende vergoeding verschuldigd:
a. € 19.780 indien de aanvraag een geneesmiddel met een nieuwe
werkzame stof betreft;
b. € 7.700 indien de aanvraag een geneesmiddel met een bekende
werkzame stof betreft;
c. € 3.660 indien de aanvraag een verandering als bedoeld in de
punten 1 en 2 van Bijlage II bij verordening 1084/2003 betreft.
Artikel 7.5 [Vervallen per 30-12-2009]
Artikel 7.6
Voor de behandeling door het College van een aanvraag om een
parallelhandelsvergunning is de aanvrager een vergoeding verschuldigd
van € 1.465.
Artikel 7.7
1. De jaarlijks verschuldigde vergoeding voor een handelsvergunning
voor een homeopathisch geneesmiddel bedraagt € 30. Voor een reeks
van homeopathische geneesmiddelen die van dezelfde grondstoffen zijn
afgeleid als een homeopathisch geneesmiddel waarvoor een
handelsvergunning is verleend, is eenmalig een jaarvergoeding
verschuldigd.
2. De jaarlijks verschuldigde vergoeding voor een handelsvergunning
voor kruidengeneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, achtste lid, van
de wet, bedraagt € 490.
3. De jaarlijks verschuldigde vergoeding voor alle andere
handelsvergunningen dan die bedoeld in het eerste en het tweede lid,
en van parallelhandelsvergunningen bedraagt € 1050.
Artikel 7.8
Voor de behandeling door het College van een aanvraag om een
wetenschappelijk advies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder h,
van de wet, is de aanvrager een vergoeding verschuldigd van:
a. € 3.500 indien het een eenvoudig advies betreft, zijnde een
advies dat betrekking heeft op de farmaceutische of preklinische
aspecten van het geneesmiddel;
b. € 6.000 indien het advies betrekking heeft op een
gedeeltelijk multidisciplinair onderzoek, zijnde een louter klinisch
advies met betrekking tot de werkzaamheid en de veiligheid van het
geneesmiddel, dan wel een klinisch advies in combinatie met een
farmaceutisch of met een preklinisch advies;
c. € 6.000 indien het advies betrekking heeft op een combinatie
van een farmaceutisch en een preklinisch advies;
d. € 8.000 indien het een volledig multidisciplinair
wetenschappelijk advies betreft, zijnde een advies dat betrekking
heeft op de preklinische, farmaceutische en klinische aspecten van
het geneesmiddel.
Artikel 7.9
Voor de behandeling door het College van een aanvraag om een advies
als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder i, van de wet, is de
aangemelde instantie een vergoeding verschuldigd van:
a. € 12.000 indien het in de Gemeenschap een nieuwe toepassing
van een geneesmiddel in een medisch hulpmiddel betreft;
b. € 3.600 indien het een in de Gemeenschap bekende toepassing
van een geneesmiddel in een medisch hulpmiddel betreft;
c. € 1.200 indien het een wijziging van de toepassing van een
geneesmiddel in een medisch hulpmiddel betreft.
Artikel 7.10
1. Voor de behandeling door de Minister van een aanvraag om een
vergunning voor het bereiden is de aanvrager een vergoeding
verschuldigd van € 5.000. Voor de behandeling van een aanvraag om
een vergunning voor het doen bereiden of het invoeren is een
vergoeding van € 3.700 verschuldigd.
2. De vergoeding voor de behandeling van een aanvraag om een
vergunning bedraagt € 5.000 indien het een van de volgende
combinaties van handelingen betreft:
a. bereiden en invoeren;
b. bereiden en doen bereiden;
c. bereiden, doen bereiden en invoeren.
3. Voor de behandeling van een aanvraag om een vergunning voor het
drijven van een groothandel is een vergoeding van € 3.000
verschuldigd.
Artikel 7.11
1. De jaarlijks verschuldigde vergoeding voor een vergunning voor
het bereiden, doen bereiden of invoeren bedraagt onderscheidenlijk €
3.300, € 2.600 en € 2.600. De jaarlijkse vergoeding voor een
combinatie van doen bereiden en invoeren bedraagt € 2.600.
2. De jaarlijkse vergoeding voor een vergunning bedraagt € 3.300
indien het een van de volgende combinaties van handelingen betreft:
a. bereiden en doen bereiden;
b. bereiden en invoeren;
c. bereiden, doen bereiden en invoeren.
3. De jaarlijks verschuldigde vergoeding voor een vergunning voor
het drijven van een groothandel bedraagt € 2.300.
4. De jaarlijkse vergoeding is voor de eerste maal verschuldigd 30
dagen na de dagtekening van de vergunning en vervolgens in de maand
januari van elk daarop volgend kalenderjaar.
Artikel 7.12
Voor de behandeling van een verzoek om goedkeuring als bedoeld in
artikel 3.18, eerste lid, is de verzoeker een vergoeding verschuldigd
van € 3.300.
Artikel 7.13
Voor de behandeling van een verzoek om vrijgeven als bedoeld in
artikel 6.1, is de verzoeker een vergoeding van € 4.400,–
verschuldigd.
Hoofdstuk 8. Bepaling inzake overtreding van hoofdstuk 9 van de Wet
Artikel 8.1
Een gedraging als bedoeld in artikel 84, 85, 86, 87, 88, 89, 91, 92,
93, 94, 95 of 96 van de wet die tevens een strafbaar feit is wordt niet
aan het openbaar Ministerie voorgelegd.
Hoofdstuk 8a. Overige bepalingen
Artikel 8a1.1
Het College ter beoordeling van geneesmiddelen heeft zijn zetel in de
gemeente Den Haag.
Artikel 8a1.2
1.De schadeloosstelling voor de leden van het College ter
beoordeling van geneesmiddelen bedraagt:
a. voor ten behoeve van het College buiten de vergaderingen te
verrichten werkzaamheden een bedrag ter grootte van het salaris
voor 25 uur per maand op basis van het bruto maandsalaris dat
behoort bij schaal 18, salarisnummer 10, van bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
b. een vacatiegeld van € 235,– per bijgewoonde vergadering
en een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de
regels die gelden voor personeel van het Rijk.
2.Voor de uitoefening van extra taken ontvangt een lid van het
College een aanvullende schadeloosstelling, ter hoogte van maximaal
het jaarsalaris van de in het eerste lid genoemde schaal verminderd
met de in het eerste lid bedoelde schadeloosstelling.
Artikel 8a2
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de
Geneesmiddelenwet bepaalde zijn belast de hoofdinspecteurs, de
inspecteurs en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 9.1
Indien het bij koninklijke boodschap van 8 december 2003 ingediende
voorstel van Wet, houdende vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet
(Kamerstukken II, 2003/2004. 29 359), nadat het tot wet is verheven, in
werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking.
Artikel 9.2
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Geneesmiddelenwet.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink.
|
|
|