|
Regeling van het
Commissariaat voor de Media van 5 juni 2007, houdende beleidsregels
omtrent nevenactiviteiten publieke omroepen (Beleidsregels
nevenactiviteiten)
Het
Commissariaat voor de Media;
Gelet op de artikelen 134 en 135 van de
Mediawet;
Gelet op de artikelen 4:81 en 5:16 van de
Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
Strekking
van de regeling
Artikel 1
De Beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de
wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze
regeling.
Artikel 2
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Mediawet;
b. besluit: het Mediabesluit;
c. Commissariaat: het Commissariaat voor de Media;
d. hoofdtaak: taak, bedoeld in artikel 13c, eerste en tweede lid
van de wet;
e. nevenactiviteiten: activiteiten of werkzaamheden als bedoeld
in artikel 57, eerste lid, van de wet;
f. deelneming: een deelneming als bedoeld in artikel 24c, lid 1,
boek 2 BW;
g. netto omzet: netto omzet als bedoeld in artikel 377, lid 6,
boek 2 BW;
h. NMa: Nederlandse Mededingingsautoriteit.
Schadetoets
Artikel 3
Er is sprake van ‘nadelige invloed’, als bedoeld in artikel 57a,
eerste lid, onder a, van de wet indien:
a. nevenactiviteiten direct of indirect worden bekostigd uit of
anderszins ten laste komen van de publieke omroepmiddelen;
b. er bij een deelneming geen sprake is van een proportionele
verhouding tussen de financiële middelen die door de publieke
omroepen gezamenlijk worden ingebracht in het bedrijf waarin wordt
deelgenomen en de netto omzet van dat bedrijf die door activiteiten
ten behoeve van de hoofdtaak wordt gerealiseerd;
c. nevenactiviteiten anderszins schade toebrengen aan de
hoofdtaak.
Artikel 4
In afwijking van artikel 3, onder a, van deze regeling is er geen
sprake van ‘nadelige invloed’ indien
a. een negatief resultaat van een nevenactiviteit, bij wijze van
uitzondering, wordt gecompenseerd met de positieve financiële
resultaten van één of meer andere nevenactiviteiten in het
desbetreffende boekjaar; dan wel
b. aanloopverliezen bij de exploitatie van een nevenactiviteit
gedurende een periode van maximaal drie jaar gesaldeerd worden met
de positieve financiële resultaten van één of meer andere
nevenactiviteiten, onder de voorwaarde dat de omroep bij nieuw te
ondernemen nevenactiviteiten door middel van prognoses en een
toelichting daarbij aannemelijk maakt dat deze activiteit binnen
drie jaar kostendekkend is.
Relatietoets
Artikel 5
1. Een nevenactiviteit ‘houdt verband
met’ of ‘staat ten dienste van’ de hoofdtaak indien zij:
a. een duidelijk herkenbare afgeleide verschijningsvorm van het
programmaonderdeel is;
b. de betrokkenheid van kijkers of luisteraars bij het programma of
de omroep vergroot; dan wel
c. de innovatie van het programma bevordert.
2. De activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, van
dit artikel moet aantoonbaar inhoudelijk aansluiten bij het programma of
de omroep.
Artikel 6
1. Een nevenactiviteit staat, naast
datgene bedoeld in artikel 5 van deze regeling, op andere wijze ten
dienste van de hoofdtaak indien er sprake is van:
a. een deelneming: op voorwaarde dat minimaal 50% van de netto
omzet van het bedrijf waarin wordt deelgenomen wordt gegenereerd door
activiteiten ten behoeve van de hoofdtaak en maximaal 20% van de netto
omzet van het bedrijf waarin wordt deelgenomen wordt gegenereerd door
activiteiten ten behoeve van de programmering van commerciële
omroepen;
b. verhuur van personeel of middelen: op voorwaarde dat dit
personeel of deze middelen niet zijn verworven met het oogmerk om te
verhuren en een beperkte omvang hebben.
2. De activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a van dit
artikel wordt uitsluitend geacht ten dienste te staan van de hoofdtaak
indien het een deelneming betreft in een bedrijf dat een aantoonbare
relatie heeft met omroepactiviteiten.
Artikel 7
De omroepinstelling dient desgevraagd ten genoegen van het
Commissariaat aan te tonen dat de nevenactiviteit verband houdt met, dan
wel ten dienste staat van de hoofdtaak.
Artikel 8
Bij de beoordeling of bij het in licentie geven van auteurs- of
merkrechten wordt voldaan aan artikel 57a, eerste lid, onder b, van de
wet, wordt het product of dienst van een derde met betrekking waartoe de
omroep een merk of auteursrecht in licentie geeft, mede betrokken.
Concurrentievervalsingstoets
Artikel 9
1. Bij de beoordeling of het verrichten
van de nevenactiviteit niet leidt of kan leiden tot
concurrentievervalsing, als bedoeld in artikel 57a, eerste lid, aanhef
en onder c van de wet, wordt in ieder geval betrokken:
a. de verkoopprijs van de nevenactiviteit;
b. de kostprijs van de nevenactiviteit;
c. de markt die met de nevenactiviteit wordt betreden;
d. het gebruik van marktgegevens ten behoeve van de nevenactiviteit
waarover de omroepinstelling uit hoofde van haar taakstelling
beschikt, waaronder het ledenbestand;
2. Het Commissariaat kan, bij zijn oordeel over
concurrentievervalsing, ook het gebruik van het imago van de omroep
betrekken.
Artikel 10
1. Het Commissariaat brengt om te
beoordelen of er sprake is van ‘andere aanbieders van dezelfde of
vergelijkbare goederen of diensten’, als bedoeld in artikel 57a,
eerste lid, aanhef en onder c van de wet, de relevante markt in kaart.
2. Het Commissariaat baseert zich bij het bepalen van de
relevante markt op de uitgangspunten en benadering van de NMa.
Artikel 11
1. In die gevallen dat het Commissariaat
naar aanleiding van het in kaart brengen van de relevante markt
constateert dat er geen sprake is van andere aanbieders van dezelfde of
vergelijkbare goederen of diensten, wordt de
concurrentievervalsingstoets niet verricht.
2. In die gevallen waarin het Commissariaat van oordeel is dat de
activiteit vanwege zijn aard en omvang een te gering belang
vertegenwoordigt, wordt de concurrentievervalsingstoets niet voltrokken,
tenzij derden bij het nalaten van deze toets daarom door middel van een
handhavingsverzoek vragen.
Artikel 12
Het Commissariaat betrekt bij de beoordeling van
concurrentievervalsing de NMa bij aangelegenheden van wederzijds belang.
Meldingsprocedure
Artikel 13
1. Een omroepinstelling meldt een
nevenactiviteit als bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de wet op de
door het Commissariaat voorgeschreven wijze.
2. Het Commissariaat zal in voorkomende gevallen vragenlijsten
voorleggen aan betrokken partijen.
Artikel 14
De nevenactiviteit dient uiterlijk op het moment dat met het
verrichten daarvan daadwerkelijk wordt begonnen te worden gemeld.
Artikel 15
1. De landelijke omroepinstellingen
melden de door deze instellingen te verrichten nevenactiviteiten door
tussenkomst van de Raad van Bestuur van Nederlandse Publieke Omroep.
2. Het niet, niet tijdig of niet juist bij het Commissariaat
melden van een nevenactiviteit door een landelijke omroepinstelling
blijft altijd voor rekening en risico van de desbetreffende
omroepinstelling.
Register
Artikel 16
Het Commissariaat houdt een register nevenactiviteiten bij waarin
elke aangemelde nevenactiviteit wordt opgenomen op het moment dat met
het verrichten daarvan daadwerkelijk wordt begonnen.
Artikel 17
In het register wordt vermeld de betrokken omroep, een korte
omschrijving van de nevenactiviteit, de ingangsdatum, de duur van de
activiteit en het besluit van het Commissariaat.
Artikel 18
Het Register Nevenactiviteiten is openbaar.
Slotbepaling
Artikel 19
1. Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 juli 2007.
2. Hoofdstuk 2 van de Richtlijn Neven- en verenigingsactiviteiten
publieke omroep 1999 wordt gelijktijdig ingetrokken.
3. Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels
nevenactiviteiten.
4. Deze regeling wordt bekendgemaakt door kennisgeving ervan in
de Staatscourant en op de internetsite van het Commissariaat voor
de Media (www.cvdm.nl).
Bijlage 1. Relevante bepalingen
A. Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:2 Awb
1. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.
2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor
de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs
de beschikking kan krijgen.
Artikel 4:3 Awb
1. De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen
voor zover het belang daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan
niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van medische en
psychologische onderzoeksresultaten, of tegen het belang van de
bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bij wettelijk voorschrift
aangewezen gegevens en bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te
worden overgelegd.
Artikel 4:4 Awb
Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan
voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een
formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk
voorschrift.
Artikel 4:13 Awb
1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk
voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn,
binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van
de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als
bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.
Artikel 4:14 Awb
1. Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift
bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de
aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn
waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuursorgaan na
het verstrijken van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet
langer bevoegd is.
3. Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift
bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden
gegeven, stelt het bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis en
noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
tegemoet kan worden gezien.
Artikel 4:15 Awb
De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met
ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de
aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de
aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
verstreken.
B. Burgerlijk Wetboek
Artikel 24c, eerste lid, boek 2 BW
Een rechtspersoon of vennootschap heeft een deelneming in een
rechtspersoon, indien hij of een of meer van zijn dochtermaatschappijen
alleen of samen voor eigen rekening aan die rechtspersoon kapitaal
verschaffen of doen verschaffen teneinde met die rechtspersoon duurzaam
verbonden te zijn ten dienste van de eigen werkzaamheid. Indien een
vijfde of meer van het geplaatste kapitaal wordt verschaft, wordt het
bestaan van een deelneming vermoed.
Artikel 377, zesde lid, boek 2 BW
Onder de netto-omzet wordt verstaan de opbrengst uit levering van
goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, onder aftrek
van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen.
C. Mediawet
Artikel 55
Instellingen die zendtijd hebben verkregen zijn met al hun
activiteiten, behoudens het bepaalde in de artikelen 26, 43a, 52 en 52b,
niet dienstbaar aan het maken van winst door derden. Desgevraagd tonen
zij dit ten genoegen van het Commissariaat voor de Media aan.
Artikel 57
1. Alle activiteiten en werkzaamheden van een instelling die zendtijd
heeft verkregen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste
staan van de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 13c, eerste
lid, worden aangemerkt als nevenactiviteiten, met uitzondering van de
verenigingsactiviteiten van een omroepvereniging.
2. Met het verrichten van een nevenactiviteit wordt gelijkgesteld het
hebben van een direct of indirect belang in een rechtspersoon die een
dergelijke activiteit verricht.
Artikel 57a
1. Het is instellingen die zendtijd hebben verkregen, uitsluitend
toegestaan nevenactiviteiten te verrichten, indien:
a. het verrichten van de nevenactiviteit geen nadelige invloed
heeft of kan hebben op de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel
13c, met uitzondering van de activiteiten, bedoeld in artikel 13c,
derde lid;
b. de nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van
de taak, bedoeld in artikel 13c, met uitzondering van de
activiteiten, bedoeld in artikel 13c, derde lid; en
c. het verrichten van de nevenactiviteit niet leidt of kan leiden
tot concurrentievervalsing ten opzichte van andere aanbieders van
dezelfde of vergelijkbare goederen of diensten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het verrichten van
nevenactiviteiten als bedoeld in het eerste lid nadere eisen worden
gesteld.
Artikel 57c
Alle inkomsten van een instelling die zendtijd heeft verkregen,
waaronder de inkomsten uit nevenactiviteiten en vermogen, worden, voor
zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, aangewend voor
de verzorging van het programma waarvoor zij zendtijd heeft verkregen.
|