Een ‘producent’, als bedoeld in
artikel 6, tweede lid, van de Europese richtlijn, wordt geacht in een
Europese staat gevestigd te zijn indien zijn onderneming permanent is en
over vast personeel beschikt dat zich zowel met productie- als
commerciële activiteiten in Europa bezighoudt.
2. Indien niet bekend is welke producent een productie tot stand
heeft gebracht wordt onder ‘producent’, als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, van de Europese richtlijn, mede verstaan de distributeur van
de productie. In dat geval wordt de staat waarin de distributeur is
gevestigd aangemerkt als de staat waar de producent is gevestigd.
3. Het tweede lid is slechts van toepassing indien de
omroepinstelling die de productie heeft uitgezonden, naar genoegen van
het Commissariaat, heeft aangetoond dat zij zich voldoende heeft
ingespannen om de relevante gegevens over de producent van de productie
te achterhalen.
– onafhankelijke producties –
Artikel 4
1. Als ‘onafhankelijke productie’ wordt mede aangemerkt:
a. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een instelling
die een programma verzorgt tezamen met een onafhankelijke producent;
b. een aangekochte onafhankelijke productie.
2. Niet als ‘onafhankelijke productie’ wordt aangemerkt:
a. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een instelling
die een programma verzorgt;
b. een programmaonderdeel dat geproduceerd is door een producent
die meer dan negentig procent van de door hem geproduceerde
programmaonderdelen, in de drie afgelopen boekjaren, heeft geleverd
aan dezelfde instelling die een programma verzorgt, en gedurende deze
periode meer dan één programmaonderdeel of één serie
programmaonderdelen heeft geproduceerd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de
landelijke publieke omroep, voorzover deze gebonden is aan het
convenant.
– bereik commerciële omroepinstellingen –
Artikel 5
Voor de toepassing van artikel 71n, vijfde lid, van de wet wordt een
televisieprogramma aangemerkt als ‘een televisieprogramma dat in
slechts een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden
ontvangen’, indien het programma is bestemd voor die betreffende
gemeenten en niet tevens wordt uitgezonden op een ander deel van het
nationale omroepnetwerk of in andere gemeenten via een omroepzender.
– berekeningswijze –
Artikel 6
1. Voor de vaststelling van het behaalde percentage Europese,
onafhankelijke en recente producties
wordt uitgegaan van de totale hoeveelheid zendtijd per net en per
kalenderjaar, verminderd met de zendtijd die is besteed aan de volgende
programmaonderdelen:
a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;
b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;
c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met
uitzondering van programmaonderdelen van culturele en educatieve aard,
die mede het karakter van een spel hebben;
d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of
telewinkelboodschappen en
e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.
2. Voor de vaststelling van het behaalde percentage Europese,
onafhankelijke en recente producties, worden herhalingen van eerdere
uitzendingen meegeteld.
– ontheffingen –
Artikel 7
1. Ontheffingen van het percentage Europese producties, bedoeld
in artikel 32h, derde lid, van het besluit kunnen in bijzondere
gevallen, ten aanzien van een bepaald neventaakprogramma, tijdelijk
gedeeltelijk worden verleend.
2. Ontheffingen van het percentage Europese producties, bedoeld
in artikel 71n, zesde lid, van de wet kunnen in bijzondere gevallen, ten
aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk
gedeeltelijk worden verleend.
3. Bij de vaststelling of sprake is van een bijzonder geval
worden de aard van de zender, het niet voldoende kunnen verkrijgen van
rechten voor Europese producties en bijzondere economische
omstandigheden betrokken.
4. Indien naar genoegen van het Commissariaat is aangetoond dat
sprake is van een bijzonder geval wordt in beginsel ontheffing verleend
voor een periode van drie kalenderjaren.
5. Het verzoek om ontheffing dient voorafgaand aan de periode
waarvoor ontheffing wordt gevraagd, te worden ingediend.
1. In de zin van het onderhavige hoofdstuk worden onder Europese
producties verstaan:
a. producties die afkomstig zijn uit lidstaten;
b. producties die afkomstig zijn uit derde Europese Staten die
partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende
televisie van de Raad van Europa en die voldoen aan de voorwaarden
van lid 2;
c. producties afkomstig uit andere Europese derde Staten en die
voldoen aan de voorwaarden van lid 3.
Voorwaarde voor de toepassing van het bepaalde in de letters b) en c)
is dat producties die afkomstig zijn uit lidstaten, in de betrokken
derde landen niet worden getroffen door discriminerende maatregelen.
2. De in lid 1, onder a) en b), bedoelde producties zijn producties
die voornamelijk tot stand zijn gebracht met hulp van auteurs en
medewerkers die in een of meer in dat lid, onder a) en b), bedoelde
Staten woonachtig zijn en die aan een van de volgende drie voorwaarden
voldoen:
a. deze producties zijn tot stand gebracht door een of meer in
een of meer van deze Staten gevestigde producenten;
b. de vervaardiging ervan wordt door een of meer in een of meer
van deze Staten gevestigde producenten gesuperviseerd en
daadwerkelijk gecontroleerd;
c. de bijdrage van de coproducenten van deze Staten in de totale
kosten van de coproductie bedraagt meer dan de helft en de
coproductie wordt niet door een of meer buiten deze Staten
gevestigde producenten gecontroleerd.
3. De in lid 1, onder c), bedoelde producties zijn producties die
uitsluitend of in coproductie met in een of meer lidstaten gevestigde
producenten zijn vervaardigd door producenten die gevestigd zijn in een
of meer derde Europese staten waarmee de Gemeenschap op de audiovisuele
sector betrekking hebbende overeenkomsten heeft gesloten, indien die
producties voornamelijk zijn vervaardigd met de hulp van auteurs en
medewerkers die woonachtig zijn in een of meer Europese staten.
4. Producties die geen Europese producties in de zin van lid 1 zijn,
maar die vervaardigd worden in het kader van tussen de lidstaten en
derde landen gesloten bilaterale coproductieverdragen, worden als
Europese producties beschouwd wanneer de coproducenten uit de
Gemeenschap een meerderheidsaandeel hebben in de totale productiekosten
en over de productie niet door een of meer buiten de lidstaten
gevestigde producenten zeggenschap wordt uitgeoefend.
5. Producties die geen Europese producties zijn in de zin van de
leden 1 en 4, maar die voornamelijk met behulp van in een of meer
lidstaten gevestigde auteurs en medewerkers zijn vervaardigd, worden als
een Europese productie beschouwd naar rato van het aandeel van
coproducenten uit de Gemeenschap in de totale productiekosten.
Artikel 54 Mediawet
1. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid
zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste vijftig
procent besteed aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt
als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese
richtlijn.
2. Van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep wordt ten minste
vijfentwintig procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in
het eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke
producties. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid
zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste
zeventieneneenhalf procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld
in de vorige volzin. Als onafhankelijke producties worden aangemerkt
programma-onderdelen die niet zijn geproduceerd door:
a. een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft
verkregen, of een andere instelling die een programma verzorgt;
b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma
verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar
dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent
heeft;
c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een
programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun
onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer
dan vijftig procent hebben; of
d. een vennootschap waarin een instelling die een programma
verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als
vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de
schulden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid en kunnen regels worden
gesteld op grond waarvan in andere dan de in het tweede lid, onderdelen
a tot en met d, bedoelde gevallen programma-onderdelen worden aangemerkt
als onafhankelijke producties.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende
programma-onderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:
a. programma-onderdelen, bestaande uit nieuws;
b. programma-onderdelen die betrekking hebben op sport;
c. programma-onderdelen die het karakter van een spel hebben, met
uitzondering van programma-onderdelen van culturele of educatieve
aard, die mede het karakter van een spel hebben;
d. het teletekstprogramma voor landelijke omroep.
5. Dit artikel is niet van toepassing op de zendtijd van de Stichting
Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen
op geestelijke grondslag en politieke partijen.
6. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep,
besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd aan
programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese
producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.
Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep,
besteden ten minste tien procent van hun zendtijd aan
programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin, die kunnen worden
aangemerkt als onafhankelijke producties. Het tweede lid, derde volzin
en onderdelen a tot en met d, en het derde tot en met vijfde lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
7. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het
coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f,
er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde
bij of krachtens het eerste tot en met vijfde lid.
8. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in
het tweede lid, eerste volzin, en het zesde lid, tweede volzin, is niet
ouder dan vijf jaar.
Artikel 54a Mediawet
1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, besteden ten minste
vijftig procent van hun zendtijd voor televisie aan oorspronkelijk
Nederlands- of Friestalige programma-onderdelen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de Stichting
Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen
op geestelijke grondslag en politieke partijen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk
percentage van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van
de Stichting Etherreclame, bestaat uit programma-onderdelen als bedoeld
in het eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van
mensen met een auditieve beperking.
4. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het
coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f,
er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde
bij of krachtens het derde lid.
Artikel 71n Mediawet
1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling
bestaat voor ten minste vijftig procent uit programmaonderdelen die
kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6
van de Europese richtlijn.
2. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling,
bestaat voor ten minste tien procent uit programmaonderdelen als bedoeld
in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:
a. de desbetreffende commerciële omroepinstelling, of een andere
instelling die een programma verzorgt;
b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma
verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar
dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent
heeft;
c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een
programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun
onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer
dan vijftig procent hebben; of
d. een vennootschap waarin een instelling die een programma
verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als
vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de
schulden.
3. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in
het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende
programmaonderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:
a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;
b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;
c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met
uitzondering van programmaonderdelen van culturele of educatieve
aard, die mede het karakter van een spel hebben;
d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of
telewinkelboodschappen; en
e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.
5. Dit artikel is niet van toepassing op:
a. een televisieprogramma dat in slechts één gemeente of een
beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen;
b. televisieprogramma’s als bedoeld in artikel 71j;
c. televisieprogramma’s die uitsluitend bestemd zijn voor
ontvangst in andere dan de lidstaten van de Europese Unie en die
niet direct of indirect kunnen worden ontvangen door het publiek in
één of meer lidstaten van de Europese Unie.
6. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten
aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk
gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande
dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.
Artikel 71o Mediawet
1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling
bestaat voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands-
of Friestalige programmaonderdelen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk
percentage van de in het eerste lid bedoelde programmaonderdelen ten
minste wordt voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een
auditieve beperking.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten
aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en
onder voorwaarden de in het eerste en tweede lid bedoelde percentages
lager vaststellen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een programma voor
bijzondere omroep.
Artikel 16a Mediabesluit
1. In de zendtijd voor televisie van de gezamenlijke instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep is met ingang van de in
het tweede lid genoemde tijdstippen ten minste een daarbij genoemd
percentage van de totale hoeveelheid zendtijd die wordt besteed aan
oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen, voorzien van
ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.
2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:
a. 1 januari 2008 ten minste 80 procent;
b. 1 januari 2009 ten minste 85 procent;
c. 1 januari 2010 ten minste 90 procent;
d. 1 januari 2011 ten minste 95 procent.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden de programmaonderdelen
verzorgd door de Stichting Etherreclame buiten beschouwing gelaten.
Artikel 32g
1. Op neventaken is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 26,
eerste lid, 27 tot en met 28a, 41a, 43a tot en met 43c, 48, 50, achtste
lid, 52 tot en met 53a en 64c van de Mediawet van overeenkomstige
toepassing.
2. Op neventaken die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s
is het bepaalde bij of krachtens artikel 54a van de Mediawet van
overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen geheel
of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het tweede lid.
Artikel 32h
1. Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
landelijke omroep die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s
is het bepaalde bij of krachtens artikel 54, eerste tot en met vijfde,
zevende en achtste lid, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing
op elk van die televisieprogramma’s, met dien verstande dat in
afwijking van het tweede lid, eerste en tweede volzin, van genoemd
artikel een percentage van tien geldt.
2. Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor
regionale omroep die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s
is het bepaalde bij of krachtens artikel 54, zesde en achtste lid, van
de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die
televisieprogramma’s.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen
tijdelijk gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid
voor zover het betreft artikel 54, eerste lid en zesde lid, eerste
volzin, van de Mediawet, met dien verstande dat het percentage niet
lager gesteld kan worden dan tien.
Artikel 34a Mediabesluit
1. In het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling
met een bereik van ten minste 75 procent van alle huishoudens in
Nederland is met ingang van de in het tweede lid genoemde tijdstippen
ten minste een daarbij genoemd percentage van de uitzenduren aan
oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen voorzien van
ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.
2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:
a. 1 januari 2008 ten minste 15 procent;
b. 1 januari 2009 ten minste 25 procent;
c. 1 januari 2010 ten minste 35 procent;
d. 1 januari 2011 ten minste 50 procent.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden de programmaonderdelen
bestaande uit reclame- of telewinkelboodschappen buiten beschouwing
gelaten.
Artikel II van het besluit tot wijziging van het Mediabesluit
(ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking)
1. In afwijking van artikel 34a, tweede lid, van het Mediabesluit
geldt de in het tweede lid vermelde overgangsregeling voor een
commerciële omroepinstelling:
1°. die na 31 december 2006 een toestemming als bedoeld in
artikel 71a van de Mediawet heeft verkregen, of
2°. waarvan het televisieprogramma na 31 december 2006 voor de
eerste maal een bereik heeft van ten minste 75 procent van alle
huishoudens in Nederland.
2. Het in artikel 34a, eerste lid, van het Mediabesluit bedoelde
percentage is met ingang van:
a. 1 januari van het tweede kalenderjaar dat volgt op het jaar
waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie
zich voordoet, ten minste 15 procent;
b. 1 januari van het derde kalenderjaar dat volgt op het jaar
waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie
zich voordoet, ten minste 25 procent;
c. 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op het jaar
waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie
zich voordoet, ten minste 35 procent;
d. 1 januari van het vijfde kalenderjaar dat volgt op het jaar
waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie
zich voordoet, ten minste 50 procent.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in afwijking van de in het
tweede lid genoemde percentages ten aanzien van een commerciële
omroepinstelling een hoger percentage vaststellen, indien het
Commissariaat ten aanzien van die commerciële omroepinstelling op grond
van artikel 71o, derde lid, van de Mediawet desgevraagd het percentage,
bedoeld in artikel 71o, eerste lid, van de Mediawet lager heeft
vastgesteld.