| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Mediawet
MEDIABESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
13 april 2008
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2009
(Zie Mediawet
2008)
|
|
|
BESLUIT van 19 november 1987, houdende regelen ter
uitvoering van de bepalingen van de Mediawet
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, van 30 september 1987, RTP/JZ/U-90646,
en in overeenstemming met onze Minister van Financiën;
Gelet op de artikelen 31, eerste en vierde lid,
35, 38, eerste lid, 39, tweede lid, 42, vijfde lid, 50, eerste lid, 51,
vierde lid, 52, tweede lid, 58, derde en vierde lid, 72, vierde lid, 91,
vierde lid, 103, 106, tweede lid, 107, eerste lid, 111, tweede en vijfde
lid, 112, tweede en vijfde lid, 113, tweede lid, 116, 118, 119, tweede
lid, 121, derde lid, 131, 132, tweede en derde lid, 160 en 168, eerste
lid, van de Mediawet (Stb. 1987, 249);
Gelet op artikel 1, eerste lid, van de Wet
openbaarheid van bestuur (Stb. 1978, 581) en artikel 1, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet nationale ombudsman (Stb.
1981, 35);
De Raad van State gehoord (advies van 10
november 1987, nr. W13.87.0514);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
ministers van 18 november 1987, nr. RTP/JZ/U-90973;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Publieke omroep
Afdeling 1. Landelijke omroep
§ 1. Concessie- en erkenningverlening
Artikel 1
1. De Stichting doet een concessiebeleidsplan als bedoeld in
artikel 30b, eerste lid, van de Mediawet, voor 1 maart van het
jaar waarin een lopende concessieperiode eindigt toekomen aan het
Commissariaat voor de Media.
2. De Stichting doet een tussentijds concessiebeleidsplan als
bedoeld in artikel 30b, derde lid, van de Mediawet, voor 1 maart
van het jaar waarin het vijfde jaar van een lopende concessieperiode
eindigt toekomen aan het Commissariaat voor de Media.
Artikel 2
1. Een aanvraag voor een erkenning of een voorlopige erkenning
voor programmaverzorging voor landelijk omroep als bedoeld in artikel
31, respectievelijk artikel 37 van de Mediawet, wordt ingediend in de
maand juni van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin een lopende
erkenningperiode eindigt.
2. Een aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning gaat
vergezeld van de statuten van de aanvrager.
3. Onze Minister besluit voor 1 januari van het jaar, volgend op
het jaar waarin de aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning
is ingediend, op de aanvraag.
Artikel 3
1. De aanvragen voor een erkenning of voorlopige erkenning voor
landelijke omroep liggen vanaf het tijdstip waarop zij ter advisering
aan de Raad voor cultuur zijn voorgelegd, tot het tijdstip waarop Onze
Minister op de aanvragen heeft beslist, voor een ieder ter inzage in
de bibliotheek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
2. De terinzagelegging van het beleidsplan, bedoeld in artikel
32, tweede lid, respectievelijk artikel 37a, eerste lid, van de
Mediawet, blijft achterwege, voor zover:
a. het beleidsplan bedrijfsgegevens bevat, die door de aanvrager
vertrouwelijk aan Onze Minister zijn medegedeeld; of
b. de terinzagelegging zou leiden tot onevenredige benadeling van
de aanvrager of onevenredige bevoordeling van derden.
Artikel 4 [Vervallen per 11-07-2001]
Artikel 5 [Vervallen per 11-07-2001]
Artikel 6 [Vervallen per 11-07-2001]
Artikel 6a [Vervallen per 11-07-2001]
§ 2. Beschikbaarstelling en toewijzing van zendtijd
Artikel 7
De Stichting Etherreclame heeft per jaar de beschikking over 10
procent van de totale gebruikte televisie- onderscheidenlijk
radiozendtijd voor landelijke omroep.
Artikel 8
Toewijzing van zendtijd voor landelijke omroep kan, behoudens in de
gevallen, bedoeld in artikel 39g van de Mediawet, uitsluitend
geschieden indien daarvoor een aanvraag bij het Commissariaat voor de
Media is ingediend.
Artikel 9
1. Aanvragen voor toewijzing van zendtijd op grond van artikel
39h van de Mediawet worden ingediend in de maand september. Aanvragen
op grond van artikel 39f van de Mediawet worden ingediend in de maand
september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de
vijfjaarlijkse periode, bedoeld in artikel 39f, eerste lid, van de
Mediawet, waarin zendtijd op grond van dat artikel kan worden
toegewezen, eindigt.
2. Het Commissariaat voor de Media besluit voor 1 januari
van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend, op de
aanvraag.
3. Indien toewijzing van zendtijd plaatsvindt, gaat deze in op 1
september van het jaar, volgend op het jaar waarin de aanvraag is
ingediend.
4. In bijzondere gevallen kan het Commissariaat afwijken van de
in het derde lid bedoelde ingangsdatum van de toewijzing van zendtijd.
Artikel 10
1. Een aanvraag tot toewijzing van zendtijd als bedoeld in
artikel 39h van de Mediawet wordt ingediend door Onze Minister
van Algemene Zaken.
2. Het Commissariaat voor de Media wijst de in het eerste lid
bedoelde zendtijd toe aan Onze Minister van Algemene Zaken voor het
gebruik door overheidsinstellingen of personen die daartoe door deze
minister zijn aangewezen.
§ 3. Indeling van zendtijd
Artikel 11 [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 11a [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 12 [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 13
De zendtijd voor landelijke radio-omroep wordt zodanig ingedeeld, dat
de programma’s van de omroepverenigingen op ten minste drie
radioprogrammanetten worden uitgezonden.
§ 4. Verplichtingen ten aanzien van de programma’s
Artikel 14 [Vervallen per 11-07-2001]
Artikel 15
1. In het programma van de
Programmastichting worden de volgende programma-onderdelen opgenomen:
a. achtergrondinformatie en beschouwingen over politieke en
maatschappelijke ontwikkelingen, onder meer op het gebied van
economie, wetenschap en techniek;
b. programma-onderdelen ten behoeve van maatschappelijke
doelgroepen die elders niet of niet voldoende tot hun recht komen;
c. consumentenvoorlichting; en
d. andere programma-onderdelen dan die, bedoeld in de onderdelen a
tot en met c en in artikel 51b, derde lid, van de
Mediawet, die voorzien in de bevrediging van in het volk levende
maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften,
zodanig dat het programma van de Programmastichting te zamen met de
programma’s van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke
omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de
maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke
verscheidenheid in Nederland.
2. In het televisieprogramma van de Programmastichting worden,
naast de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts
opgenomen:
a. ten minste twintig procent programma-onderdelen ten behoeve van
of betrekking hebbend op etnische en culturele minderheden; en
b. programma-onderdelen van educatieve aard ten behoeve van de
jeugd.
3. In het radioprogramma van de Programmastichting wordt, naast
de in het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen ten
minste vijfentwintig procent programma-onderdelen ten behoeve van of
betrekking hebbend op etnische en culturele minderheden.
Artikel 16
1. In het programma van de Stichting worden in ieder geval
opgenomen de volgende programma-onderdelen:
a. de dagelijkse nieuwsvoorziening;
b. de verslaggeving over Nederlandse en Europese parlementaire
aangelegenheden;
c. de verslaggeving van nationale feest- en gedenkdagen;
d. de actuele sportverslaggeving, waaronder in ieder geval begrepen
de competitie- en bekerwedstrijden en internationale evenementen;
e. de verslaglegging van andere nationale en internationale
gebeurtenissen van bijzondere aard, staatsbezoeken daaronder begrepen.
2. In het televisieprogamma van de Stichting worden, naast de in
het eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen de
nieuwsvoorziening ten behoeve van de jeugd en de nieuwsvoorziening ten
behoeve van doven en slechthorenden.
3. In het radioprogramma van de Stichting worden, naast de in het
eerste lid genoemde programma-onderdelen, voorts opgenomen
programma-onderdelen van dienstverlenende aard zoals informatie ten
behoeve van scheepvaart, visserij, land- en tuinbouw en verkeer, alsmede
ochtendgymnastiek.
Artikel 16a
1. In de zendtijd voor televisie van de gezamenlijke
instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep is
met ingang van de in het tweede lid genoemde tijdstippen ten minste
een daarbij genoemd percentage van de totale hoeveelheid zendtijd die
wordt besteed aan oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen,
voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve
beperking.
2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:
a. 1 januari 2008 ten minste 80 procent;
b. 1 januari 2009 ten minste 85 procent;
c. 1 januari 2010 ten minste 90 procent;
d. 1 januari 2011 ten minste 95 procent.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden de
programmaonderdelen verzorgd door de Stichting Etherreclame buiten
beschouwing gelaten.
§ 5. Overige verplichtingen
Artikel 17
Inkomsten uit programmabladen van een omroepvereniging kunnen
jaarlijks tot ten hoogste het bedrag dat nodig is om een eventueel
verlies van de desbetreffende omroepvereniging te dekken, worden besteed
aan verenigingsactiviteiten. Bij de bepaling van het resultaat blijven
veranderingen in de waarde van de materiële vaste activa als gevolg van
herwaarderingen buiten beschouwing. De gebruikelijke jaarlijkse
afschrijvingen van de materiële vaste activa worden niet als
herwaarderingen aangemerkt.
Artikel 17a [Vervallen per 03-07-1998]
Artikel 17b [Vervallen per 03-07-1998]
Afdeling 2. Regionale en lokale omroep
§ 1. Zendtijd
Artikel 18
1. Een aanvraag tot toewijzing van
zendtijd voor regionale of lokale omroep wordt ingediend bij het
Commissariaat voor de Media.
2. De aanvraag heeft betrekking op een periode van ten minste
vijf jaar.
3. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten;
b. een overzicht van de belangrijkste in de gemeente of provincie
voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke
stromingen van waaruit leden worden benoemd in het in artikel 30,
onderdeel c, van de Mediawet bedoelde orgaan van de regionale
of lokale omroepinstelling;
c. een overzicht van degenen die vanuit de in onderdeel b
genoemde stromingen zitting hebben in bedoeld bestuursorgaan.
d. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op zendtijd voor
radio of televisie, of op beide;
e. een aanduiding van het gebied waarbinnen het programma zal
worden uitgezonden; en
f. een opgave van de gewenste hoeveelheid zendtijd alsmede van de
dagen en uren waarop de zendtijd gewenst wordt.
4. Het in het derde lid, onderdeel f, bepaalde is niet van
toepassing op een verzoek om toestemming te verlenen een programma voor
lokale omroep te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van een
omroepnetwerk.
Artikel 19
1. Het Commissariaat voor de Media legt de aanvraag tot
toewijzing van zendtijd voor regionale omroep binnen vier weken na de
datum van ontvangst voor aan provinciale staten.
2. Provinciale staten brengen binnen achttien weken na ontvangst
van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, advies uit aan het
Commissariaat en verklaren of zij bereid zijn voor de bekostiging van
regionale omroep zorg te dragen.
3. Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van
het advies van provinciale staten.
4. Bij toewijzing van zendtijd stelt het Commissariaat tevens
voor het eerste kalenderjaar of het nog resterende deel daarvan, de
hoeveelheid zendtijd vast en wijst het de dagen en uren en zonodig de
omroepzender of omroepzenders aan waarop het programma wordt
uitgezonden. De datum waarop de zendtijd ingaat wordt, gehoord de
regionale omroepinstelling, door het Commissariaat vastgesteld.
Artikel 20
1. Het Commissariaat voor de Media legt de aanvraag tot
toewijzing van zendtijd voor lokale omroep binnen vier weken na de
datum van ontvangst voor aan de gemeenteraad en zendt een afschrift
van de aanvraag aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. De gemeenteraad brengt binnen achttien weken na ontvangst van
het verzoek, bedoeld in het eerste lid, advies uit aan het
Commissariaat.
3. Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van
het advies van de gemeenteraad.
4. Bij toewijzing van zendtijd kan het Commissariaat tevens voor
het eerste kalenderjaar of het nog resterende deel daarvan, de
hoeveelheid zendtijd vaststellen en de dagen en uren en zonodig de
omroepzender of omroepzenders aanwijzen waarop het programma wordt
uitgezonden. De zendtijd gaat zo spoedig mogelijk in. De eerste volzin
is niet van toepassing bij toewijzing van zendtijd voor een programma
voor lokale omroep dat wordt uitgezonden door middel van een
omroepnetwerk.
Artikel 21
1. Indien de regionale of lokale omroepinstelling waaraan voor
een bepaalde periode zendtijd is toegewezen in aanmerking wil komen
voor toewijzing van zendtijd in een aansluitende periode, dient zij de
in artikel 18 bedoelde aanvraag bij het Commissariaat voor de Media in
ten minste zes maanden vóór afloop van de periode waarvoor haar
zendtijd is toegewezen.
2. In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in de artikelen 19
en 20 worden afgeweken.
Artikel 22
1. De regionale omroepinstelling waaraan zendtijd is
toegewezen, dient jaarlijks vóór 1 november bij het Commissariaat
voor de Media een voorstel in met betrekking tot de vaststelling van
de hoeveelheid zendtijd en de aanwijzing van de dagen en uren voor het
daaropvolgende jaar.
2. Het Commissariaat stelt jaarlijks vóór 30 november de
hoeveelheid zendtijd voor het daaropvolgende jaar vast en wijst daarbij
tevens aan de dagen en uren en zonodig de omroepzender of omroepzenders
waarop het programma wordt uitgezonden. De zendtijd gaat in op 1 januari
van dat daaropvolgende jaar.
3. Indien het Commissariaat gebruik maakt van de bevoegdheid,
neergelegd in artikel 20, vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van
dit artikel van overeenkomstige toepassing ten aanzien van lokale
omroep.
Artikel 23
1. Indien het Commissariaat voor de Media constateert dat de
regionale of lokale omroepinstelling niet meer voldoet aan de in
artikel 30, onderdeel b en c, van de Mediawet gestelde vereisten,
stelt het de omroepinstelling, provinciale staten of de gemeenteraad
gehoord, daarvan op de hoogte onder verwijzing naar het gestelde in
artikel 45, eerste en derde lid, van de Mediawet.
2. Binnen vier weken na afloop van het jaar na de mededeling,
bedoeld in het eerste lid, doet het Commissariaat mededeling aan de
regionale of lokale omroepinstelling van zijn beslissing omtrent de
zendtijd van die omroepinstelling.
Artikel 24
1. Een beschikking tot intrekking van de zendtijd die is
toegewezen aan een regionale of lokale omroepinstelling, genomen op
grond van artikel 45 van de Mediawet, gaat onmiddellijk in.
2. Indien de intrekking van de in het eerste lid bedoelde
zendtijd plaatsvindt op grond van artikel 46a van de Mediawet,
gaat de beschikking daartoe in, twee weken na de datum van de
beschikking.
§ 2. De programma’s
Artikel 24a [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 25
1. Het programma van een regionale,
onderscheidenlijk lokale, omroepinstelling bestaat voor ten minste
vijftig procent uit onderdelen die door haarzelf of uitsluitend in haar
opdracht zijn geproduceerd.
2. Indien artikel 51f, vierde lid, van de Mediawet op een lokale
omroepinstelling van toepassing is, heeft ten minste de helft van de
zendtijd, gebruikt voor programma-onderdelen als bedoeld in artikel 51f,
vierde lid, onderdeel a, van de Mediawet, in het bijzonder betrekking op
de gemeente waarvoor het programma bestemd is, en is ten minste de helft
van de zendtijd, gebruikt voor programma-onderdelen als bedoeld in
artikel 51f, vierde lid, onderdeel b, van de Mediawet, door de lokale
omroepinstelling zelf of uitsluitend in haar opdracht geproduceerd.
§ 3. De boekhouding en jaarrekening
Artikel 25a
1. Lokale en regionale omroepinstellingen die
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a van de Mediawet
verzorgen, zijn verplicht een behoorlijke boekhouding te voeren en hun
jaarrekening vergezeld te laten gaan van een verklaring van een
accountant-administratieconsulent of een registeraccountant omtrent de
getrouwheid ervan.
2. Deze boekhouding bevat ten minste gegevens over de kosten en
opbrengsten, verdeeld naar de kosten en opbrengsten van de exploitatie
van reclameboodschappen en telewinkelboodschappen, de kosten en
opbrengsten van andere programma-onderdelen, onderscheidenlijk de kosten
en opbrengsten van alle andere activiteiten.
3. Lokale en regionale omroepinstellingen die
programma-onderdelen als bedoeld in artikel 43a van de Mediawet
verzorgen zenden jaarlijks vóór 1 juni de jaarrekening aan het
Commissariaat voor de Media.
Afdeling 2A. Uitzending door middel van omroepnetwerken
Artikel 25b
Een aanvraag voor toestemming om een programma te verzorgen als
bedoeld in artikel 67 van de Mediawet, wordt door de desbetreffende
regionale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, ingediend bij
het Commissariaat voor de Media.
Artikel 25c
Een programma voor regionale omroep als bedoeld inartikel 67 van de
Mediawet wordt, voorzover het een televisieprogramma betreft, niet
uitgezonden tussen 19.00 uur en 23.00 uur, tenzij de Stichting en de
desbetreffende regionale omroepinstelling anders zijn overeengekomen.
Artikel 25d
1. Een aanvraag voor toestemming om een programma te verzorgen
als bedoeld in artikel 68 van de Mediawet, wordt door de
desbetreffende lokale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen,
ingediend bij het Commissariaat voor de Media.
2. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op het verzorgen
van een radio- of van een televisieprogramma, of van beide;
b. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten van de
instelling die het programma produceert, of, indien het niet een
rechtspersoon betreft, een aanduiding van de instelling die het
programma produceert; en
c. het advies van de Raad voor cultuur, bedoeld in artikel 68,
tweede lid, onderdeel d, van de Mediawet.
3. Indien een lokale omroepinstelling die de in het eerste lid
bedoelde toestemming heeft verkregen, in aanmerking wil komen voor
toestemming in een aansluitende periode, dient zij daartoe ten minste
vijf maanden vóór de afloop van de periode waarvoor haar toestemming
is verleend, een aanvraag in. Het eerste en het tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Reclame-uitingen
§ 1. Algemeen
Artikel 26 [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 26a
Deze afdeling is niet van toepassing op reclameboodschappen.
§ 2. Niet-vermijdbare reclame-uitingen
Artikel 27
Niet vermijdbaar zijn reclame-uitingen die behoren tot het normale
straatbeeld en die zonder opzet en zonder nadruk gedurende enkele
seconden in een programma-onderdeel voorkomen.
§ 3. Vermijdbare reclame-uitingen
Artikel 28
1. In programma-onderdelen van informatieve en educatieve aard
zijn vermijdbare reclame-uitingen in de vorm van het tonen of
vermelden van een product of dienst toegestaan, mits:
a. de vertoning of vermelding past binnen de context van het
programma;
b. de vertoning of vermelding geen afbreuk doet aan de
programma-formule of de integriteit van het programma;
c. de vertoning of vermelding niet op een overdreven of overdadige
wijze plaatsvindt; en
d. er geen sprake is van specifieke aanprijzingen van deze
producten of diensten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op andere
programma-onderdelen, met uitzondering van programma-onderdelen die in
het bijzonder bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van
twaalf jaar.
Artikel 29
1. Onverminderd artikel 28 mogen programma-onderdelen van
informatieve of educatieve aard vermijdbare reclame-uitingen in de
vorm van het tonen of vermelden van namen of (beeld)merken van
bepaalde producten of diensten of van namen van bedrijven of
instellingen bevatten. Op deze reclame-uitingen is artikel 28, eerste
lid, onderdelen a tot en met d van overeenkomstige
toepassing.
2. In afwijking van artikel 28, eerste lid, onderdeel d ,
mogen programma-onderdelen van informatieve of educatieve aard
vermijdbare reclame-uitingen bevatten, bestaande uit het aankondigen en
recenseren van boeken, video's, compact discs en soortgelijke culturele
uitingen, alsmede van toneel,- muziek- en filmuitvoeringen,
tentoonstellingen en soortgelijke evenementen van kunstzinnige aard.
Artikel 30
In radio- of televisieprogramma-onderdelen zijn vermijdbare
reclame-uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van de naam van
een bedrijf of instelling toegestaan, mits:
a. de naam uitsluitend betrekking heeft op de benaming van een
sportvereniging of sportwedstrijd;
b. de naam niet met nadruk wordt getoond of vermeld; en
c. de naamgeving, voor zover het de benaming van een Nederlandse
sportvereniging betreft, is erkend door de desbetreffende bij de
NOC*NSF aangesloten sportorganisatie.
Artikel 30a
1. Een televisieprogramma-onderdeel, bestaande uit het verslag
of de weergave van een evenement dat in Nederland plaatsvindt of is
geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft
verkregen, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten, indien het
evenement niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden
uitgezonden, en de reclame-uitingen niet overheersend zijn.
2. Een televisieprogramma-onderdeel, bestaande uit het verslag of
de weergave van een evenement dat in het buitenland plaatsvindt en niet
is geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd
heeft verkregen, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten, indien het
evenement niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden
uitgezonden, en de reclame-uitingen niet langer of met meer nadruk in
het programma-onderdeel voorkomen dan nodig is in het kader van een
evenwichtige registratie en presentatie.
Artikel 31
1. Een programma-onderdeel, bestaande uit het verslag of de
weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als
programma te worden uitgezonden, mag gedurende ten hoogste vijf
seconden, aan het begin of aan het einde van het programma-onderdeel,
vermijdbare reclame-uitingen bevatten, bestaande uit de namen of
(beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een
belangrijke, schriftelijk overeengekomen bijdrage hebben geleverd aan
de totstandkoming van het evenement. De vermelding of vertoning is
zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van
reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk, van de Mediawet.
Indien het een programma-onderdeel voor televisie betreft, bestaande
uit het verslag of de weergave van een evenement dat is geproduceerd
door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen en
dat niet voornamelijk is bestemd om als programma te worden
uitgezonden, geschiedt de vertoning of vermelding uitsluitend via
stilstaande beelden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van
personen, bedrijven of instellingen:
a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop
van sigaretten of andere tabaksproducten, of
b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden
gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld onder a
, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek
redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het
(beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in
onderdeel a betreft.
Artikel 32
1. Een programma-onderdeel voor televisie, bestaande uit een
film die voor een zaal publiek is of wordt vertoond, dan wel een
televisiebewerking daarvan, mag vermijdbare reclame-uitingen bevatten
die bestaan uit het vermelden of tonen van namen, (beeld)merken,
producten of diensten van personen, bedrijven of instellingen, indien
die reclame-uitingen in het programma-onderdeel voorkomen in dezelfde
vorm en in ten hoogste dezelfde hoeveelheid als in de voor een zaal
publiek bestemde versie van de film.
2. Een uit het buitenland aangekocht programma-onderdeel dat ten
behoeve van het buitenlandse publiek als programma is uitgezonden, mag
vermijdbare reclame-uitingen bevatten die bestaan uit het vermelden of
tonen van namen, (beeld)merken, producten of diensten van personen,
bedrijven of instellingen, indien die reclame-uitingen in het
programma-onderdeel voorkomen in dezelfde vorm en in ten hoogste
dezelfde hoeveelheid als in de ten behoeve van het buitenlandse publiek
uitgezonden versie van het programma-onderdeel.
Afdeling 4. Financiering
Artikel 32a
1. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels en modellen
worden vastgesteld voor de inhoud en inrichting van:
a. de begroting voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep, bedoeld in artikel 99 van de Mediawet;
b. de begroting van de Wereldomroep, bedoeld in artikel 108 van de
Mediawet.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels en modellen
worden vastgesteld voor de inrichting van de jaarrekening, bedoeld in
artikel 109 van de Mediawet, van onderscheidenlijk de
omroepverenigingen, de Programmastichting, de Stichting, de educatieve
omroepinstelling, de Stichting Etherreclame, de kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen en
de Wereldomroep.
Artikel 32b
1. Het verstrekken van voorschotten aan instellingen die
zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en de Wereldomroep
vindt plaats in de vorm van twaalf maandelijkse termijnen. In
bijzondere gevallen kan de raad van bestuur, onderscheidenlijk het
Commissariaat voor de Media, hiervan afwijken.
2. De hoogte van de voorschotten wordt bepaald door de raad van
bestuur, onderscheidenlijk het Commissariaat. Dit geschiedt mede op
basis van de begroting, bedoeld in artikel 99, onderscheidenlijk artikel
108, van de Mediawet, en een liquiditeitsprognose van de desbetreffende
instelling welke aan de raad van bestuur, onderscheidenlijk het
Commissariaat, ter kennisneming wordt gezonden voor 1 november van het
jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar.
3. Zolang de liquiditeitsprognose over het desbetreffende jaar
nog niet in bezit is van de raad van bestuur, onderscheidenlijk het
Commissariaat, vindt het verstrekken van voorschotten plaats op basis
van de laatstelijk toegezonden liquiditeitsprognose.
4. Het totaal aan voorschotten in enig jaar kan de voor dat jaar
vastgestelde totale vergoeding niet overschrijden.
Afdeling 5. Neventaken
Artikel 32c
In deze afdeling wordt verstaan onder neventaken: activiteiten als
bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Mediawet, die bestaan uit het
anders dan als programma waarvoor zendtijd is verkregen, verzorgen van
elektronische producten met beeld, geluid of tekst, en het al dan niet
tegen betaling, al dan niet gecodeerd of al dan niet op individueel
verzoek analoog of digitaal verspreiden daarvan via elektronische
communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van de
Telecommunicatiewet.
Artikel 32d
1. De in artikel 99, tweede lid, onderdeel b, van de Mediawet
bedoelde beschrijving bevat in elk geval een opgave van aard, aantal
en voorziene duur van de voorgenomen neventaken en een onderbouwing op
welke wijze die neventaken mede invulling geven aan de taak van de
publieke omroep op landelijk niveau en daarmee voldoen aan de
democratische, sociale en culturele behoeften van de samenleving.
2. De in artikel 99, derde lid, onderdeel b, van de Mediawet
bedoelde opgave geeft tevens aan op welke wijze de benodigde bedragen
worden gefinancierd.
3. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke
omroep verrichten uitsluitend neventaken indien deze door Onze Minister
zijn goedgekeurd.
Artikel 32e
1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale of
lokale omroep die een neventaak willen verrichten, melden het
voornemen daartoe bij het Commissariaat voor de Media op de door deze
voorgeschreven wijze.
2. De melding bevat in elk geval een onderbouwing op welke wijze
de voorgenomen neventaak mede invulling geeft aan de taak van de
publieke omroep op regionaal respectievelijk lokaal niveau en daarmee
voorziet in democratische, sociale en culturele behoeften, alsmede een
opgave van de benodigde financiële middelen en de wijze van
financiering daarvan.
3. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale of
lokale omroep verrichten uitsluitend neventaken indien deze door het
Commissariaat zijn goedgekeurd.
Artikel 32f
Goedkeuring op grond van de artikelen 32d, derde lid, en 32e, derde
lid, laat onverlet het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 32g
1. Op neventaken is het bepaalde bij of krachtens de artikelen
26, eerste lid, 27 tot en met 28a, 41a, 43a tot en met 43c, 48, 50,
achtste lid, 52 tot en met 53a en 64c van de Mediawet van
overeenkomstige toepassing.
2. Op neventaken die bestaan uit het uitzenden van
televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54a van
de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die
televisieprogramma’s.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen
geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het tweede lid.
Artikel 32h
1. Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor landelijke omroep die bestaan uit het uitzenden van
televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54,
eerste tot en met vijfde, zevende en achtste lid, van de Mediawet van
overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s, met
dien verstande dat in afwijking van het tweede lid, eerste en tweede
volzin, van genoemd artikel een percentage van tien geldt.
2. Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen
voor regionale omroep die bestaan uit het uitzenden van
televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54,
zesde en achtste lid, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op
elk van die televisieprogramma’s.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen
tijdelijk gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid
voor zover het betreft artikel 54, eerste lid en zesde lid, eerste
volzin, van de Mediawet, met dien verstande dat het percentage niet
lager gesteld kan worden dan tien.
Hoofdstuk 2. Commerciële omroep
Artikel 33
1. Een aanvraag voor toestemming om een programma als bedoeld
in artikel 71a, eerste lid, van de Mediawet, te verzorgen wordt
ingediend bij het Commissariaat voor de Media.
2. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een exemplaar van de statuten;
b. een opgave van de feitelijke vestigingsplaats, indien deze
afwijkt van de statutaire vestigingsplaats;
c. een aanduiding of de aanvraag betrekking heeft op toestemming
voor het verzorgen van een radio- of van een televisieprogramma, of
van beide;
en
d. een omschrijving van de organisatorische en juridische structuur
van de aanvrager, alsmede een overzicht van zijn bestuurders en
aandeelhouders.
Artikel 34
Indien een commerciële omroepinstelling, in aanmerking wil komen
voor toestemming in een aansluitende periode, dient zij een aanvraag bij
het Commissariaat voor de Media in ten minste vijf maanden vóór de
afloop van de periode waarvoor haar toestemming is verleend. Artikel 33
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34a
1. In het televisieprogramma van een commerciële
omroepinstelling met een bereik van ten minste 75 procent van alle
huishoudens in Nederland is met ingang van de in het tweede lid
genoemde tijdstippen ten minste een daarbij genoemd percentage van de
uitzenduren aan oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen
voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve
beperking.
2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:
a. 1 januari 2008 ten minste 15 procent;
b. 1 januari 2009 ten minste 25 procent;
c. 1 januari 2010 ten minste 35 procent;
d. 1 januari 2011 ten minste 50 procent.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden de
programmaonderdelen bestaande uit reclame- of telewinkelboodschappen
buiten beschouwing gelaten.
Hoofdstuk 3. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving
Artikel 35
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
lijst: de evenementenlijst die is opgenomen in de bij dit besluit
behorende bijlage II.
Artikel 36
1. De evenementen, genoemd in onderdeel A van de lijst, die als
onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, worden in
ieder geval uitgezonden op een open net door middel van volledige
rechtstreekse verslaggeving.
2. In afwijking van het eerste lid behoeven de in dat lid
bedoelde evenementen, die geheel of gedeeltelijk plaatsvinden tussen
00.00 uur en 07.00 uur, niet door middel van volledige rechtstreekse
verslaggeving te worden uitgezonden.
3. In afwijking van het eerste lid behoeven wedstrijden die deel
uitmaken van de in dat lid bedoelde evenementen en die gelijktijdig
plaatsvinden niet allemaal door middel van volledige rechtstreekse
verslaggeving te worden uitgezonden, indien:
a. ten minste een van deze wedstrijden wordt uitgezonden door
middel van volledige rechtstreekse verslaggeving op een open net, én
b. de andere hiervoor bedoelde wedstrijd of wedstrijden op dezelfde
dag worden uitgezonden door middel van volledige of gedeeltelijke
uitgestelde verslaggeving op een open net.
Artikel 37
1. De evenementen, genoemd in onderdeel B van de lijst, die als
onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, worden in
ieder geval uitgezonden op een open net door middel van gedeeltelijke
rechtstreekse verslaggeving.
2. De uitzendingen van de evenementen, bedoeld in het eerste lid,
hebben de in onderdeel B van de lijst vermelde minimumduur.
Artikel 38
1. De evenementen, genoemd in onderdeel C van de lijst, die als
onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, worden in
ieder geval uitgezonden op een open net door middel van gedeeltelijke
uitgestelde verslaggeving.
2. In afwijking van het eerste lid behoeven de in dat lid
bedoelde evenementen niet door middel van gedeeltelijke uitgestelde
verslaggeving te worden uitgezonden, indien deze evenementen worden
uitgezonden op een open net door middel van volledige rechtstreekse
verslaggeving.
3. De uitzendingen van de evenementen, bedoeld in het eerste lid,
hebben de in onderdeel C van de lijst vermelde minimumduur.
4. De uitzendingen van de evenementen, bedoeld in het eerste lid,
vinden plaats op de dag van het evenement of een onderdeel daarvan, met
dien verstande dat de uitzendingen van de wedstrijden van de hoogste
divisie van het nationaal betaald voetbal uiterlijk aanvangen op de in
onderdeel C van de lijst vermelde tijdstippen.
Artikel 52b [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52c [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52d [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52e [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52f [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52g [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52h [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52i [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52j [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52k [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52l [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52m [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 52n [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 53 [Vervallen per 01-02-1997]
Artikel 53a [Vervallen per 10-03-1999]
Artikel 53b [Vervallen per 10-03-1999]
Hoofdstuk 4. Het uitzenden van programma's
Artikel 53c
1. Voor de toepassing van artikel 82f van
de Mediawet worden twee of meer instellingen als één instelling
aangemerkt, indien:
a. een instelling direct of indirect zodanige zeggenschap of
feitelijke invloed heeft in een of meer andere instellingen, dat deze
in belangrijke mate het beleid van die instelling of instellingen kan
bepalen, dan wel aanmerkelijke invloed heeft op de inhoud van dat
beleid; of
b. een natuurlijk persoon of groep van natuurlijke personen direct
of indirect zodanige zeggenschap of feitelijke invloed heeft in twee
of meer instellingen, dat deze in belangrijke mate het beleid van die
instellingen kan bepalen, dan wel aanmerkelijke invloed heeft op de
inhoud van dat beleid.
2. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, kan worden bepaald dat in afwijking
van artikel 82f, eerste lid, van de Mediawet voor de uitzending van de
radioprogramma's van eenzelfde instelling meer frequentieruimte mag
worden gebruikt dan één FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties.
Artikel 53d [Vervallen per 03-07-1998]
Artikel 53e [Vervallen per 03-07-1998]
Artikel 53f [Vervallen per 03-07-1998]
Hoofdstuk 5. Persorganen
Artikel 54
Naast het in artikel 130, vierde lid, van de Mediawet bedoelde geval,
kan het Stimuleringsfonds voor de pers financiële steun verlenen in de
vorm van een uitkering, ten behoeve van:
a. gezamenlijke projecten van persorganen;
b. organisatie-onderzoek, gericht op structurele verbetering van
de exploitatie van een persorgaan;
c. onderzoek ten behoeve van de bedrijfstak als geheel, voorzover
het onderzoek past in de doelstellingen van het Stimuleringsfonds.
Artikel 55 [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 56
De in artikel 54, onderdeel a, bedoelde steun kan worden verleend
indien:
a. een project door de gezamenlijke persorganen is ingediend, dat
gericht is op structurele verbetering van de exploitatiepositie van
die persorganen binnen een redelijke termijn;
b. dit project past in de doelstelling van het Stimuleringsfonds
voor de pers;
c. het Stimuleringsfonds met het project heeft ingestemd; en
d. het project binnen een redelijke termijn wordt uitgevoerd.
Artikel 57
1. De in artikel 54, onderdeel b, bedoelde steun kan worden
verleend indien:
a. de exploitatie van het bedoelde persorgaan over het boekjaar,
voorafgaand aan de aanvraag, in een verlieslijdende positie heeft
verkeerd of daarin terecht dreigde te komen;
b. de aanvraag een voorstel bevat, inhoudende de opzet en
uitvoering van het beoogde onderzoek;
c. de aanvraag voor de verlening van deze financiële steun
uitsluitend gericht is op het verkrijgen van steun voor ten hoogste
tweederde deel van de kosten van het beoogde organisatie-onderzoek.
2. De bepalingen van artikel 56, onderdeel b tot en met d, zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 58
1. De in artikel 54, onderdeel c, bedoelde steun kan worden
verleend indien de aanvraag voor deze financiële steun betrekking
heeft op:
a. de persbedrijfstak als geheel;
b. een vraagstuk, dat verband houdt met de doelstelling van het
Stimuleringsfonds voor de pers.
2. De bepalingen van artikel 56, onderdeel c en d, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 59
De aanvragen voor financiële steun als bedoeld in de artikelen 130
en 131 van de Mediawet worden bij het Stimuleringsfonds voor de pers
ingediend door de rechtspersoon die de uitgaverechten bezit van het
persorgaan waarop de aanvraag betrekking heeft, dan wel door de
betreffende groep of bedrijfstak van persorganen.
Artikel 60
1. De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel
54, onderdeel a, bevat ten minste:
a. naam en adres van de rechtspersonen die de aanvraag indienen en
die de uitgaverechten bezitten van de desbetreffende persorganen;
b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de
aanvraag betrokken persorganen; ingeval de uitgever van een persorgaan
deel uitmaakt van een concern, tevens een omschrijving van de
structuur van het concern, alsmede een omschrijving van de juridische
en economische verhoudingen tussen de aanvrager en de andere
vennootschappen van het concern;
c. gegevens over het gezamenlijke project: een beschrijving ervan
en van de verwachte effecten daarvan op de ontwikkelingen van de
kosten, de opbrengsten en de liquiditeit; en
d. een opgave van de gevraagde financiële steun ter uitvoering van
het bedoelde project.
2. De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54,
onderdeel b, bevat ten minste:
a. naam en adres van de rechtspersoon die de aanvraag indient en
die de uitgaverechten bezit van het desbetreffende persorgaan;
b. gegevens over de financiële positie van het persorgaan;
c. gegevens over oplage en verspreiding; en
d. gegevens over opzet en uitvoering van het beoogde onderzoek.
3. De aanvraag voor de financiële steun, bedoeld in artikel 54,
onderdeel c, bevat ten minste:
a. naam en adres van de indiener(s) van de aanvraag;
b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de
aanvraag betrokken persorganen, alsmede een omschrijving van de
juridische en economische verhoudingen; en
c. een omschrijving van het beoogde onderzoek, waarvoor de steun
gevraagd wordt.
Artikel 61
1. Het Stimuleringsfonds voor de pers bevestigt de ontvangst
van de aanvraag.
2. Indien bij de aanvraag een van de gegevens bedoeld in artikel
60 ontbreekt, dient uit de aanvraag te blijken waarom de gegevens niet
volledig zijn.
Artikel 62
Het Stimuleringsfonds voor de pers kan indien het zulks wenselijk
acht de aanvraag voorleggen aan een externe adviesinstantie. Daarbij
wordt gezorgd dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens als zodanig behandeld
worden.
Artikel 63
1. Het Stimuleringsfonds voor de pers beslist binnen dertien
weken na het in behandeling nemen van de aanvraag.
2. Aanvragen voor financiële steun als bedoeld in artikel 54,
onderdeel a, b en c, worden in volgorde van ontvangst behandeld en
beslist. Indien het in een jaar ter beschikking staande bedrag voor
steunverlening volledig is toegewezen, worden volgende aanvragen
afgewezen.
Artikel 64
Het Stimuleringsfonds voor de pers kan aan de beschikking tot
financiële steunverlening aan de aanvrager voorschriften verbinden.
Deze hebben betrekking op:
a. de besteding van de steun overeenkomstig de daaraan ten
grondslag liggende doelstellingen;
b. de wijze waarop en de termijn waarbinnen het project
respectievelijk het onderzoek wordt uitgevoerd;
c. de verslaglegging van de activiteiten en de financiële
verantwoording daarvan; en
d. de eventuele wijzigingen in de financiële structuur van de
aanvrager.
Artikel 65
Van een beschikking tot toekenning of weigering alsmede van de hoogte
van de financiële steun, wordt binnen een week nadat de beschikking is
genomen, mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 66
1. Indien het Stimuleringsfonds voor de pers heeft besloten tot
het verlenen van financiële steun en de hoogte van het steunbedrag
nog niet definitief is vastgesteld, kan het een voorschot toekennen
aan de aanvrager. Dit voorschot bedraagt ten hoogste 50 procent van de
financiële steun zoals die op basis van voorlopige berekeningen is
becijferd.
2. Indien een voorschot is uitgekeerd, maar de definitieve
berekening op een lager niveau wordt vastgesteld dan het verstrekte
voorschot, dan dient het verschil tussen voorschot en definitieve
uitkering op eerste aanmaning te worden terugbetaald aan het
Stimuleringsfonds.
Artikel 67
Het Stimuleringsfonds voor de pers kan de steunverlening beëindigen
en de reeds uitgekeerde bedragen terugvorderen, indien:
a. enig voorschrift verbonden aan steunverlening door de
aanvrager niet wordt nagekomen;
b. blijkt dat de bij de aanvraag overlegde gegevens onjuist
waren;
c. binnen een jaar na de datum waarop de beslissing tot
steunverlening is genomen een surseance van betaling of een
faillissement van de aanvrager is uitgesproken.
Hoofdstuk 6. Programma’s voor buitenlandse militairen
Artikel 68
1. Het Commissariaat voor de Media verleent toestemming voor
het verzorgen van een programma uitsluitend bestemd voor in Nederland
gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen,
dat door middel van een omroepzender wordt uitgezonden binnen een
gebied van beperkte omvang.
2. De toestemming wordt verleend aan de bevoegde militaire
autoriteiten van een bij de Noord-atlantische verdragsorganisatie (NAVO)
aangesloten land waarvan strijdkrachten in Nederland zijn gelegerd, voor
het gebruik door instellingen of personen van de buitenlandse
strijdkrachten die daartoe door hen worden aangewezen.
3. Ten aanzien van het gebruik van de toestemming zijn de
artikelen 52 tot en met 53a , 55, 56, 56a, vijfde en zesde lid, 134,
138b en 138d van de Mediawet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69
Het Commissariaat voor de Media kan zonodig de omroepzender of
omroepzenders aanwijzen waarop de programma’s als bedoeld in artikel
68, zullen worden uitgezonden.
Artikel 70
1. Een aanvraag voor de toestemming als bedoeld in artikel 68
wordt ingediend bij Onze Minister van Defensie, die deze voorzien van
zijn opmerkingen binnen vier weken doorzendt aan het Commissariaat
voor de Media. Het Commissariaat zendt een afschrift van de aanvraag
aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een omschrijving van het doel van de aanvraag;
b. een aanduiding van het gebied waarbinnen het programma zal
worden uitgezonden;
c. een verklaring van de auteursrechthebbenden aan de autoriteiten
van de betreffende NAVO-lidstaat waaruit blijkt dat geen
auteursrechtelijke toestemming zal worden verleend voor de
verspreiding van het programma buiten de in artikel 68 omschreven
doelgroep en het gebied; en
d. een omschrijving van de te gebruiken omroepzender waarop het
programma zal worden uitgezonden.
Artikel 71
1. Het Commissariaat voor de Media trekt de toestemming in:
a. wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die in
artikel 68, eerste en tweede lid, worden gesteld om voor toestemming
in aanmerking te komen;
b. op gronden ontleend aan de veiligheid van de Staat.
2. Het Commissariaat kan de toestemming intrekken indien niet
wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 68, derde lid.
3. Het Commissariaat maakt zijn voornemen tot intrekking van de
toestemming kenbaar aan Onze Minister van Defensie en Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat.
Artikel 72
1. Een beschikking tot intrekking van een verleende
toestemming, genomen op grond van artikel 71, eerste lid, gaat
onmiddellijk in.
2. Een beschikking tot intrekking van een verleende toestemming,
genomen op grond van artikel 71, tweede lid, gaat niet eerder in dan
nadat de bevoegde militaire autoriteit van het voornemen daartoe en de
gronden waarop de beschikking berust in kennis is gesteld en deze in de
gelegenheid is gesteld binnen een redelijke termijn schriftelijke en
desgewenst mondelinge opmerkingen te maken.
Artikel 73
1. De bevoegde militaire autoriteit gebruikt de aan hem
verleende toestemming geheel voor het programma, bedoeld in artikel
68.
2. Aan het begin en aan het einde van ieder programma wordt
dagelijks ervan melding gemaakt dat het programma uitsluitend bestemd is
voor de in Nederland gelegerde militairen van de strijdkrachten van de
desbetreffende lidstaat en hun gezinnen.
Hoofdstuk 7. Slotbepaling
Artikel 74 [Vervallen per 31-12-2003]
Artikel 75
Dit besluit wordt aangehaald als: Mediabesluit.
Artikel 76 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 77 [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 77a [Vervallen per 11-12-1996]
Artikel 77b [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 77c [Vervallen per 01-01-1995]
Artikel 78 [Vervallen per 11-07-2001]
Artikel 79 [Vervallen per 11-07-2001]
Artikel 80 [Vervallen per 11-07-2001]
Artikel 81 [Vervallen per 11-07-2001]
Artikel 82 [Vervallen per 11-07-2001]
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 19 november 1987
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L.C. Brinkman
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
R.F.M. Lubbers
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.P. van Dijk
Uitgegeven de achtentwintigste december 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage I, behorende bij het
Mediabesluit: Indeling van Nederland in nodale gebieden
Indeling van Nederland in zgn. afgeronde provincies, 50
verzorgingsgebieden en 81 nodale gebieden
De indeling van Nederland in 81 nodale gebieden aangegeven op de
navolgende kaart is opgesteld door het Centraal Bureau voor de
Statistiek in Den Haag en is te beschouwen als een detaillering van de
indeling in 50 verzorgingsgebieden, opgesteld door het Centraal Bureau
voor Courantenpubliciteit te Amsterdam, en eveneens aangegeven op de
hierbij afgebeelde kaart.
Indeling van Nederland in z.g. afgeronde provincies, 50
verzorgingsgebieden en 81 nodale gebieden:

Groningen
Winschoten-Veendam
Leeuwarden-Franeker-Dokkum
Sneek
Heerenveen
Smallingerland
Assen-Hoogeveen
Meppel-Steenwijk
Emmen-Coevorden
Enschede-Hengelo
Zwolle-Kampen
Almelo
Deventer
Arnhem-Doetinchem
Nijmegen
Winterswijk-Zutphen
Apeldoorn
Tiel
Utrecht-Zeist-Woerden
Amersfoort
Amsterdam-Purmerend
Haarlem-Beverwijk-Velsen
Hilversum
Zaandam
Alkmaar
Enkhuizen-Hoorn
Den Helder-Schagen
Rotterdam-Schiedam
's-Gravenhage
Delft
Leiden-Alphen a d Rijn
Dordrecht
Gouda
Gorinchem
Middelburg-Vlissingen
Goes
Terneuzen-Hulst
Oostburg
Zierikzee
Eindhoven-Helmond
's-Hertogenbosch
Tilburg
Breda
Bergen op Zoom-Roosendaal en Nispen
Heerlen
Maastricht
Roermond-Weert
Venlo
Sittard-Geleen
Zuidelijke IJsselmeerpolders
Bijlage II, behorende bij het Mediabesluit:
Evenementenlijst
A. Volledige rechtstreekse verslaggeving
Sport
1. Voetbal (heren):
a. Wereldkampioenschap en Europees kampioenschap: het gehele
eindtoernooi;
b. Alle interlands van het Nederlands elftal;
c. Champions League en UEFA Cup: de wedstrijden van Nederlandse
clubs en de finales ongeacht Nederlandse deelname;
d. Super Cup en World Cup: indien een Nederlandse club deelneemt;
e. Nationale bekerwedstrijden: de halve finales en de finale.
2. Schaatsen (dames en heren):
a. Wereldkampioenschap en Europees kampioenschap: allround,
sprint en afstanden;
b. Elfstedentocht.
3. Tennis (dames en heren):
Wimbledon en Roland Garros: de wedstrijden enkelspel van de
Nederlandse deelnemers in de halve finales en de finale ongeacht
Nederlandse deelname.
Cultuur
4. Prinsengrachtconcert.
5. Eurovisie Songfestival.
B. Gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving
Sport
1. Olympische Spelen: zomer- en winterspelen (minimumduur uitzending:
6 uur per dag).
2. Wielrennen:
a. Tour de France: heren (minimumduur uitzending: 2 uur per dag);
b. Wereldkampioenschap op de weg dames en heren professionals:
het finaleweekend (minimumduur uitzending: 2 uur per dag);
c. De Nederlandse wielerklassieker: heren (minimumduur
uitzending: 2 uur).
3. TT Assen (minimumduur uitzending: 2 uur per dag).
C. Gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving
Sport
1. Paralympics: zomer- en winterspelen (minimumduur uitzending: 10
minuten per dag).
2. Voetbal (heren):
a. Alle wedstrijden van de hoogste divisie van het nationaal
betaald voetbal;
– minimumduur uitzending onderlinge wedstrijden tussen Ajax,
PSV en Feyenoord: 20 minuten per wedstrijd;
– minimumduur uitzending overige wedstrijden: 10 minuten per
wedstrijd;
– aanvangstijd uitzending wedstrijden die 's middags worden
gespeeld: uiterlijk 21.00 uur;
– aanvangstijd uitzending wedstrijden die 's avonds worden
gespeeld: uiterlijk twee uur na afloop van de wedstrijd, maar in
ieder geval niet later dan 22.30 uur.
b. Nationale bekerwedstrijden: de kwartfinales (minimumduur
uitzending: 15 minuten per wedstrijd).
3. Atletiek (dames en heren):
Wereldkampioenschap en Europees kampioenschap: outdoor (minimumduur
uitzending: 10 minuten per dag).
4. Volleybal (heren):
Wereldkampioenschap en Europees kampioenschap: de wedstrijden van het
Nederlandse team (minimumduur uitzending: 10 minuten per dag).
5. Hockey (dames en heren):
Wereldkampioenschap en Europees kampioenschap: de wedstrijden van de
Nederlandse teams (minimumduur uitzending: 10 minuten per dag).
6. Tennis (dames en heren):
Wimbledon, Roland Garros, US Open en Australian Open: de wedstrijden
enkelspel van de Nederlandse deelnemers (minimumduur uitzending: 10
minuten per dag).
Cultuur
7. Pinkpop (minimumduur uitzending: 1 uur per dag).
|
|
|