| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Meetbrievenwet 1981
MEETBRIEVENBESLUIT
1981
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 24 juni 1981, houdende bepalingen voor de
meting van schepen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 november
1979, Afdeling Juridische Zaken, nr. J/S 24268, Directoraat-Generaal van
Scheepvaart;
Gelet op de artikelen 6, eerste lid, 14, eerste
lid, 23 en 34 van de Meetbrievenwet 1981;
De Raad van State gehoord (advies van 2 januari
1980, nr. 8);
Gezien het nader Rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 17 juni 1981, nr. J/S 23360, Directie
Wetgeving en Juridische Zaken, Directoraat-Generaal Scheepvaart en
Maritieme Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Dit besluit verstaat onder:
a. "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat;
b. "schip": een zeeschip in de zin van artikel 310 van
het Wetboek van Koophandel;
c. "wet": de Meetbrievenwet 1981;
d. "Internationale Meetbrief (1969)": de meetbrief,
door Onze Minister dan wel door de administratie van een andere
Staat, aangesloten bij het Internationaal Verdrag betreffende de
meting van schepen, 1969 (Trb. 1970, 122 en 194) afgegeven
overeenkomstig de bepalingen van dat Verdrag;
e. "bijzondere meetbrief": de meetbrief, anders dan
bedoeld onder e, vermeldende de bruto- en netto-tonnage van een
schip, door Onze Minister afgegeven ten behoeve van een schip.
Artikel 2. Aanvragen van een meetbrief
1. De aanvraag van een meetbrief geschiedt bij Onze Minister. Bij
de aanvraag worden zo mogelijk tekeningen van het schip overgelegd.
Indien de aanvrager voor bepaalde ruimten aanspraak erop maakt dat
deze ruimten aangemerkt worden als niet in de bruto-tonnage begrepen
ruimten, legt hij bij de aanvraag tekeningen over, welke in onderdelen
de bijzonderheden aangeven, waarop de aanspraak berust.
2. Betreft de aanvraag van een meetbrief een schip, waarvoor niet
eerder een meetbrief is afgegeven, dan wordt de aanvraag voorafgegaan
door een aanvraag tot meting van de ruimte onder het bovendek, gedaan
zodra het schip van zijn dekken is voorzien, doch voordat in de ruimen
isolatie of anderszins is aangebracht of werktuigen zijn geplaatst.
Deze aanvraag tot meting van de ruimte onder het bovendek geschiedt
overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid.
3. Bij de aanvraag van een meetbrief ten behoeve van een schip
waarvoor niet eerder een Internationale Meetbrief (1969) is afgegeven,
doch wel een bijzondere meetbrief of een buitenlandse meetbrief, wordt
de bijzondere meetbrief of de buitenlandse meetbrief overgelegd,
tenzij de buitenlandse meetbrief overeenkomstig de wettelijke
bepalingen, op grond waarvan hij is afgegeven, reeds vσσr de
aanvraag bij de betreffende buitenlandse autoriteiten is ingeleverd,
dan wel op de buitenlandse meetbrief van toepassing zijnde
buitenlandse wettelijke bepalingen zich tegen afgifte verzetten.
4. Bij een aanvraag van een nieuwe meetbrief wordt de oude
meetbrief met het uittreksel uit de meetbrief, als bedoeld in artikel
6, tweede lid, overgelegd. Is de oude meetbrief een buitenlandse
meetbrief, dan is het derde lid van dit artikel daarop van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3. Verplichtingen van de aanvrager
1. De aanvrager van een meetbrief of van een meting van de ruimte
onder het bovendek, bedoeld in het tweede lid van artikel 2, verschaft
de met meting belaste ambtenaren van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat de middelen en de hulp om op een veilige wijze aan en van
boord te komen en elk gedeelte van het schip te bereiken. Hij
verstrekt hun voorts de nodige tekeningen, welke bij Onze Minister
blijven berusten, verschaft hun alle gevorderde inlichtingen die voor
de uitvoering van hun taak nodig zijn en doet op hun aanwijzingen alle
losse voorwerpen verplaatsen, die een juiste meting kunnen belemmeren.
2. De aanvrager draagt voorts zorg, dat voor de aanvang der meting
elk der ladingruimten behoorlijk gemerkt is overeenkomstig de
voorschriften, op de meting van toepassing.
3. Onze Minister kan de afgifte van de meetbrief aanhouden tot de
aanvrager aan het bepaalde van het eerste en tweede lid van dit
artikel heeft voldaan.
4. De kapitein, de eigenaar of de reder van het schip is verplicht
zorg te dragen, dat de in het tweede lid bedoelde merken in stand
blijven en zo nodig worden vernieuwd.
Artikel 4. Vaststelling van de tonnages
1. De vaststelling van de tonnages wordt verricht door Onze
Minister.
2. Onze Minister kan de vaststelling in een bijzonder geval doen
verrichten door een door de administratie van een andere Staat of door
hem aan te wijzen persoon, instelling of organisatie.
3. De vaststelling geschiedt overeenkomstig de voorschriften,
geldende voor het schip, ten behoeve waarvan een meetbrief is
aangevraagd, en met inachtneming van de bepalingen van de wet.
Artikel 5. Voor de vaststelling benodigde werktuigen
De soort en de inrichting der voor de vaststelling van de tonnages
benodigde werktuigen worden vastgesteld door Onze Minister.
Artikel 6. Model van de meetbrief en uittreksel
1.De Internationale Meetbrief (1969) en de bijzondere meetbrieven
moeten wat betreft de vorm in overeenstemming zijn met de door Onze
Minister vast te stellen modellen.
2.Bij de afgifte van een meetbrief wordt tevens zo nodig een
uittreksel uit de meetbrief afgegeven voor het aanvragen van de
zeebrief.
Artikel 7. Verzoek tot hermeting
1. Indien de aanvrager van een meetbrief van mening is, dat de
vaststelling van de bruto- en netto-tonnage opgenomen in de meetbrief,
niet juist is, kan hij binnen twee weken na afgifte van de meetbrief
aan Onze Minister een nieuwe vaststelling verzoeken.
Behoudens het bepaalde in het derde lid worden voor de hermeting de
kosten, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 17, eerste lid, of 21,
eerste lid, van de wet, in rekening gebracht.
2. Het verzoek tot de nieuwe vaststelling, als bedoeld in het
eerste lid, geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij het eerste en
tweede lid van artikel 2. Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.
Na zodanig verzoek wordt een tweede vaststelling verricht door twee
daartoe door Onze Minister aan te wijzen ambtenaren, die niet aan de
eerste vaststelling hebben deelgenomen. Ten aanzien van de tweede
vaststelling is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
3. De eerste vaststelling van de bruto- en netto-tonnage wordt
geacht juist te zijn, indien het verschil tussen de daarbij
vastgestelde bruto- of netto-tonnage van het schip en die, vastgesteld
bij de tweede vaststelling, niet meer bedraagt dan ιιn procent.
Blijkt de eerste vaststelling niet juist te zijn, dan wordt na de
tweede vaststelling een nieuwe meetbrief, eventueel met een uittreksel
uit de meetbrief, afgegeven waarbij de in het eerste lid bedoelde
kosten voor de tweede vaststelling niet in rekening worden gebracht.
Onze Minister kan een nieuwe meetbrief, eventueel met een uittreksel
uit de meetbrief, afgegeven, indien het verschil in bruto- of
netto-tonnage tussen de eerste vaststelling en de tweede vaststelling
minder dan ιιn procent bedraagt.
Bij afgifte van een nieuwe meetbrief met een uittreksel uit de
meetbrief worden de na de eerste vaststelling afgegeven exemplaren aan
Onze Minister teruggegeven.
Artikel 8. Wijziging van de meetbrief
Op verzoek van een belanghebbende kan Onze Minister, na verrichte
controle, in door hem afgegeven meetbrieven, en eventueel in uittreksels
daarvan, die hun geldigheid niet hebben verloren, door hem gewaarmerkte
wijzigingen aanbrengen.
Artikel 9. Intrekking van de meetbrief
1. Indien een meetbrief, afgegeven door Onze Minister, zijn
geldigheid verliest, wordt hij door Onze Minister ingetrokken.
2. Onmiddellijk na het verlies van de geldigheid, bedoeld in het
eerste lid, zijn de kapitein, de eigenaar en de reder verplicht de
meetbrief, en eventueel het uittreksel daarvan, in te leveren bij Onze
Minister.
3. Indien Onze Minister, vermoedt, dat een meetbrief, door hem
afgegeven, zijn geldigheid heeft verloren, kan hij van de kapitein, de
eigenaar of reder vorderen, dat de meetbrief, en eventueel het
uittreksel daarvan, bij hem worden ingeleverd.
Degene, tot wie de vordering is gericht, is verplicht daaraan
onverwijld te voldoen.
Artikel 10. Nadere regelen
1.Door of namens Onze Minister kunnen in het belang van een juiste
uitvoering van dit besluit nadere regelen worden gesteld.
2.De in het eerste lid bedoelde regelen worden in de Staatscourant
geplaatst.
Artikel 11. Aanwijzingen
Onze Minister kan algemene of bijzondere aanwijzingen geven ter
bevordering van de juiste naleving van de wet, dit besluit en de
regelen, bedoeld in het eerste lid van artikel 10.
Artikel 12. Strafbepaling
Het niet voldoen door de kapitein, de eigenaar of de reder aan een
der verplichtingen, vermeld in de artikelen 3, vierde lid, en 9, tweede
en derde lid, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 29 van de
wet.
Artikel 13. Intrekking Meetbrievenbesluit 1949
Het Meetbrievenbesluit 1949 wordt ingetrokken op een door Ons te
bepalen tijdstip.
Artikel 14. Citeertitel en inwerkingtreding
Dit besluit, hetwelk kan worden aangehaald als
"Meetbrievenbesluit", onder vermelding van het jaartal van het
Staatsblad waarin dit besluit is geplaatst, treedt in werking op
een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
Lage Vuursche, 24 juni 1981
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
D.S. Tuijnman
Uitgegeven de dertigste juli 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|
|
|