| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Meststoffenwet
KADERREGELING
ONTHEFFINGEN EXPERIMENT "HET ZUIVERE
EI"
Tekst zoals deze geldt op
24 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
De Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 59, tweede en derde lid, van
de Meststoffenwet;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a) wet: Meststoffenwet;
b) minister: Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
c) kippen: dieren behorend tot de diercategorieën die in bijlage A
bij de wet worden aangeduid met de nummers 300, 301, 310, 311 en 312;
d) legkippen: dieren behorend tot de diercategorieën die in bijlage
A bij de wet worden aangeduid met de nummers 300 en 301;
e) kalkoenen: dieren behorend tot de diercategorieën die in bijlage
A bij de wet worden aangeduid met de nummers 200, 201, 202 en 210;
f) producent: eenieder die door het houden van legkippen dierlijke
meststoffen produceert;
g) exporteur: besloten vennootschap Agro Limburg te Roermond;
h) controle-instantie: besloten vennootschap Agro-Systems te
Roermond;
i) mestproductierecht: hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt
in kilogrammen fosfaat varkens- en kippenmest, die ingevolge artikel 55,
eerste, vijfde, zesde, zevende en achtste lid van de wet op een bedrijf
ten hoogste mag worden geproduceerd, zoals deze hoeveelheid is gewijzigd
door toepassing van het bij of krachtens de wet, de wet van 2 mei 1997,
houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360), en de Wet
verplaatsing mestproductie bepaalde;
j) Zuivere Ei: beleidsexperiment in het kader waarvan ten hoogste 30
pluimveehouders investeringen plegen gericht op het door middel van
biothermische droging produceren van kwalitiatief zeer hoogwaardige
pluimveemest in ammoniakemissie-arme stallen teneinde de gecertificeerde
mest volledig te exporteren;
k) stuurgroep: Stuurgroep NUBL, ingesteld ingevolge het op 11 maart
1992 door de Staat der Nederlanden, de provincie Noord-Brabant en de
provincie Limburg ondertekende convenant;
l) bureau: Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, te Assen;
m) aangifte overschotheffing 1996: schriftelijke opgave, zoals in
voorkomend geval gecorrigeerd, die met betrekking tot het jaar 1996 ter
vaststelling van de verschuldigde overschotheffing met betrekking tot
het bedrijf is gedaan krachtens de artikelen 8 en 13 van de
Meststoffenwet, zoals deze artikelen luidden onmiddellijk vóór
inwerkingtreding van de Wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de
Meststoffenwet (Stb. 360).
2. Voor de toepassing van deze regeling worden de door de
heffingplichtige aangebrachte correcties in zijn aangifte
overschotheffing 1996 slechts in aanmerking genomen voor zover deze
vóór 30 september 1997 door het bureau zijn ontvangen.
Artikel 2
1. Op een daartoe strekkende aanvraag van
de producent wordt, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van deze
regeling, ten aanzien van een door hem gevoerd bedrijf door de minister
een ontheffing verleend van het uitbreidingsverbod, bedoeld in artikel
55, eerste lid, van de wet, tot een daarbij vastgestelde hoeveelheid
meststoffen.
2. Met ingang van 1 januari 2001 heeft de ontheffing, bedoeld in
het eerste lid, niet langer betrekking op het verbod, gesteld in artikel
55, eerste lid, van de wet, maar op het verbod, gesteld in artikel 58c
van de wet.
Artikel 3
Een ontheffing wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden:
a) het bedrijf neemt blijkens een daartoe strekkende verklaring
van de stuurgroep deel aan het Zuivere Ei;
b) met het verlenen van de ontheffing wordt het aantal van 30
ontheffingen niet overschreden;
c) voor het bedrijf gold op 1 januari 1996 een mestproductierecht
van tenminste 10.000 kilogram;
d) na 1 januari 1996 heeft geen verplaatsing als bedoeld in de
Wet verplaatsing mestproductie vanaf het bedrijf plaatsgevonden
waarbij een mestproductierecht was betrokken;
e) op het bedrijf zijn volgens de aangifte overschotheffing 1996
in 1996 gemiddeld tenminste 20.000 dieren van de diercategorie die
in bijlage A bij de wet wordt aangeduid met nummer 301, of 35.000
dieren van de diercategorie die in bijlage A bij de wet wordt
aangeduid met nummer 300, gehouden; en
f) er heeft terzake van het bedrijf geen opkoop van
mestproductierecht plaatsgevonden op grond van de Opkoopregeling
varkenshouderij of enige andere regeling.
Artikel 3a
Indien het bedrijf is ontstaan als gevolg van een afsplitsing van een
ander bedrijf, gelden in afwijking van artikel 3, onderdelen c, d en e
de volgende voorwaarden:
a. het bedrijf waarvan het ontstane bedrijf deel uitmaakte,
voldeed in de periode tot het moment van afsplitsing aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 3, onderdelen c tot en met f;
b. de afsplitsing heeft niet tot gevolg dat mestproductie gaat
plaatsvinden op een locatie die voor de splitsing niet voor de
mestproductie werd gebruikt;
c. het na afsplitsing ontstane bedrijf is van dezelfde persoon,
rechtspersoon, of samenwerkingsverband van personen of
rechtspersonen als het bedrijf waarvan het voor de splitsing deel
uitmaakte;
d. het voor het bedrijf geldende mestproductierecht voor varkens
en kippen komt ten minste overeen met de mestproductie van dieren
van de diercategorieën die in bijlage A bij de wet worden aangeduid
met de nummers 300 en 301, die volgens de aangifte overschotheffing
1996 in 1996 gemiddeld op het bedrijf waarvan het deel uitmaakte
plaatsvond, omgerekend naar de aan de desbetreffende diercategorie
in bijlage A bij de wet gerelateerde mestproductie, uitgedrukt in
kilogrammen fosfaat per kalenderjaar;
e. sinds het ontstaan van het bedrijf is het voor het bedrijf
geldende niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen
niet afgenomen door een registratie als bedoeld in artikel 9 of 10
van de Wet verplaatsing mestproductie.
Artikel 4
1. Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften
verbonden:
a) op het bedrijf worden niet in een grotere hoeveelheid dan
overeenkomend met 100 kilogram fosfaat per jaar andere dierlijke
meststoffen geproduceerd dan die afkomstig van kippen en kalkoenen,
welke productie wordt berekend op basis van de forfaitaire
productienormen voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in
kilogrammen fosfaat per dier per jaar, die zijn opgenomen in bijlage A
bij de wet;
b) ten aanzien van het bedrijf worden de verfijnde
mineralenheffingen, bedoeld in artikel 22 van de wet, geheven.
c) alle op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen
afkomstig van kippen en kalkoenen worden op het bedrijf bewerkt met
gebruikmaking van een biothermische droogeenheid die voldoet aan de in
de bijlage bij deze regeling opgenomen omschrijving;
d) terzake van het biothermische droogproces op het bedrijf is een
certificaat afgegeven door de controle-instantie ten bewijze dat wordt
voldaan aan de eisen ter waarborging van de kwaliteit van de gedroogde
dierlijke meststoffen;
e) terzake van het biothermische droogproces op het bedrijf vindt
proces- en kwaliteitsbewaking plaats door de controle-instantie;
f) alle op het bedrijf geproduceerde meststoffen afkomstig van
kippen en kalkoenen worden na biothermische droging overeenkomstig een
met de exporteur gesloten overeenkomst volgens een door de minister
daartoe vastgesteld model, rechtstreeks en zonder tussenkomst van
anderen afgeleverd aan de exporteur, hetgeen aannemelijk wordt gemaakt
met de gegevens, bescheiden en bewijsstukken, bedoeld in paragraaf 3
van het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet;
g) de exporteur zet de meststoffen, bedoeld in onderdeel f,
uitsluitend af in het buitenland; en
h) de producent levert tenminste 80 % van de totale in het
kalenderjaar geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig
van kippen en kalkoenen in dat kalenderjaar af aan de exporteur, en de
resterende hoeveelheid vóór 1 maart van het daarop volgende
kalenderjaar. Indien de ontheffing betrekking heeft op een gedeelte
van een kalenderjaar, levert de producent de totale in het betreffende
deel geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van
kippen en kalkoenen vóór 1 maart van het daarop volgende
kalenderjaar af aan de exporteur.
2. Aan de voorschriften, gesteld in het eerste lid, wordt
uiterlijk vóór 1 januari 2000 en bovendien gedurende de gehele periode
waarvoor de ontheffing geldt, voldaan. Ingeval de producent bij het
bevoegd gezag in verband met de ontheffing een aanvraag heeft ingediend
om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer ten
behoeve van een vergroting van het aantal te houden kippen of ten
behoeve van de oprichting van een inrichting dan wel wijziging van een
bestaande inrichting die is benodigd om te voldoen aan het voorschrift,
gesteld in onderdeel c van het eerste lid, en de vergunning op 31
december 1999 nog niet is verleend of nog niet in werking is getreden,
dan geldt in afwijking van de eerste volzin dat aan de voorschriften
voldaan wordt uiterlijk acht maanden na inwerkingtreding van de
vergunning, of, indien dit eerder is, vóór 1 januari 2002.
3. De ontheffing wordt voor een periode van 7 jaren verleend
welke periode aanvangt met het tijdstip waarop aan alle voorschriften,
bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan.
4. In zoverre in afwijking van het derde lid wordt de ontheffing
voor een periode van 12 jaren verleend indien uit de verklaring, bedoeld
in artikel 3, onderdeel a, blijkt dat ten aanzien van het betreffende
bedrijf wordt voldaan aan binnen het Zuivere Ei gestelde bijkomende
voorwaarden aan het bedrijfssysteem in het kader waarvan dierlijke
meststoffen afkomstig van legkippen worden geproduceerd.
Artikel 5
De overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel f,
verplicht de exporteur ertoe om:
a) gedurende de gehele periode waarvoor de ontheffing wordt
verleend, alle op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen
afkomstig van kippen en kalkoenen af te nemen en deze behoudens een
tussentijdse opslag op een tot de onderneming van de exporteur
behorende locatie rechtstreeks en zonder tussenkomst van anderen af
te zetten in het buitenland;
b) a) tenminste 80 % van de totale in het kalenderjaar aan hem
afgeleverde hoeveelheid dierlijke meststoffen in dat kalenderjaar in
het buitenland af te zetten, en de resterende hoeveelheid vóór 1
maart van het daarop volgende kalenderjaar;
c) steeds vóór 1 april aan de producent schriftelijk opgave te
doen van de in het vorige kalenderjaar door de producent aan hem
afgeleverde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van deze
hoeveelheid door de exporteur in dat kalenderjaar, onderscheidenlijk
vóór 1 maart van het volgende kalenderjaar in het buitenland
afgezette hoeveelheid, en van de in dit volgende kalenderjaar vóór
1 maart door de producent aan hem afgeleverde hoeveelheid dierlijke
meststoffen, en deze opgave op eerste verzoek onder overlegging van
daartoe strekkende gegevens en bescheiden te staven; en
d) in het kader van zijn onderneming uitsluitend dierlijke
meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen en aan hem afgeleverd
door producenten waarvan het bedrijf deelnemer is aan het Zuivere Ei
en die beschikken over een hen verleende ontheffing op grond van
deze regeling, aan te voeren.
Artikel 6
1. De ontheffing wordt verleend voor een
hoeveelheid meststoffen op jaarbasis uitgedrukt in kilogrammen fosfaat
die wordt bepaald door het aantal dierplaatsen voor legkippen op het
bedrijf te vermenigvuldigen met de forfaitaire productienormen voor de
onderscheiden diercategorieën uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die
zijn opgenomen in bijlage A bij de wet, en dit product te verminderen
met het ten tijde van de verlening van de ontheffing voor het bedrijf
geldende mestproductierecht, met dien verstande dat de aldus bepaalde
hoeveelheid uitgedrukt in kilogrammen fosfaat niet meer bedraagt dan
37.500 kilogram.
2. In zoverre in afwijking van het eerste lid bedraagt de
overeenkomstig dat lid bepaalde hoeveelheid niet meer dan 15.000
kilogram indien de dierplaatsen voor legkippen op het bedrijf voor
tenminste 95 % bestaan uit dierplaatsen voor dieren van de diercategorie
die in bijlage A bij de wet wordt aangeduid met nummer 300.
3. Indien de ontheffing betrekking heeft op een gedeelte van een
kalenderjaar wordt de ontheffing voor dat jaar verleend voor het met dat
gedeelte overeenkomende deel van de overeenkomstig het eerste en tweede
lid bepaalde hoeveelheid.
4. Voor de toepassing van het eerste lid blijft een wijziging van
het mestproductierecht door toepassing van artikel 55a van de wet, dat
aan de wet wordt toegevoegd indien het bij koninklijke boodschap van 15
november 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake een
stelsel van varkensrechten en een heffing ter zake van het houden van
varkens (Wet herstructurering varkenshouderij) (kamerstukken II 1997/98,
25 746, nr. 1) tot wet wordt verheven, buiten beschouwing.
Artikel 7
De ontheffing vervalt indien:
a. een verkleining van het voor het bedrijf geldende
pluimveerecht plaatsvindt door een registratie als bedoeld in
artikel 58q van de wet;
b. een vergroting van het voor het bedrijf geldende pluimveerecht
plaatsvindt door een registratie als bedoeld in artikel 58q van de
wet, voor een hoeveelheid fosfaat overeenkomend met deze toename;
c. er een kennisgeving van het vervallen of het gedeeltelijk
vervallen van het voor het bedrijf geldende pluimveerecht wordt
gedaan als bedoeld in artikel 58x van de wet;
d. niet wordt voldaan aan het voorschrift, gesteld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel g.
Artikel 8
1. De ontheffing wordt geheel of
gedeeltelijk ingetrokken indien één of meer van de voorschriften,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met f en h, en
vierde lid, of de artikelen 10 en 11 niet worden nagekomen.
2. De ontheffing wordt geheel ingetrokken indien de producent die
de aanvraag om ontheffing heeft ingediend, het bedrijf ten aanzien
waarvan de ontheffing is verleend, niet langer voert.
3. Indien in het geval, bedoeld in het tweede lid, het gehele
bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet door een opvolgende producent, kan
op aanvraag door de minister worden toegestaan dat de rechten en
voorschriften verbonden aan de ontheffing op hem overgaan. De aanvraag
wordt in ieder geval afgewezen indien door de opvolgende producent,
onderscheidenlijk ten aanzien van het voortgezette bedrijf niet wordt
voldaan aan de artikelen 4 en 5.
Artikel 9
1. De aanvraag, bedoeld in artikel 2,
wordt door tussenkomst van de stuurgroep uiterlijk op 30 juni 1999
ingediend bij het bureau, met gebruikmaking van een daartoe door de
minister vastgesteld formulier dat volledig is ingevuld en ondertekend.
2. Zodra de producent aan alle voorschriften van artikel 4, eerste lid,
voldoet, geeft hij hiervan kennis aan het bureau onder overlegging van
een afschrift van het certificaat, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel d, en de overeenkomst, bedoeld in artikel 5.
Artikel 10
1. De producent houdt een administratie
bij waarin hij tenminste de opgave, bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
opneemt.
2. De producent overlegt de opgave, bedoeld in het eerste lid,
vóór 1 mei van het jaar na dat waarop de opgave betrekking heeft, aan
het bureau.
Artikel 11
1. De gegevens uit de administratie
worden ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
2. De administratie en de daarop betrekking hebbende
bewijsstukken worden gedurende vijf jaren na afloop van het kalenderjaar
waarop deze betrekking hebben, door de producent bewaard.
Artikel 12
Deze regeling wordt aangehaald als: Kaderregeling ontheffingen
experiment "Het Zuivere Ei".
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en
werkt terug tot en met 1 januari 1998.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 20 februari 1998.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen.
|
|
|