|
BESLUIT van 9 november 2005, houdende regels ter
uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
van 5 juli 2005, nr. TRCJZ/2005/848, Directie Juridische Zaken, gedaan
mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Gelet op Richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de
bescherming van water tegen verontreiniging door nitraat uit agrarische
bronnen (PbEG L 375) en Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht
en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de
Europese Gemeenschap (PbEG L 30);
Gelet op de artikelen 1, vierde lid, 1a,
eerste lid, 6, eerste en tweede lid, 6a, 59, 59a, 59b,
59c, 61 en 61a van de Meststoffenwet en gelet op artikel
23 van de Destructiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 21
oktober 2005, nr. W11.05.0329/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, uitgebracht mede namens de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 27 oktober 2005, nr. TRCJZ/2005/3179, Directie
Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Meststoffenwet;
b. perceel: aaneengesloten, door
wegen, waterwegen, sloten, houtopstanden, muren, wallen of
anderszins topografisch begrensde oppervlakte grond, dan wel het
gedeelte daarvan behorend tot één bedrijf;
c. produceren van dierlijke
meststoffen: produceren van dierlijke meststoffen door het op een
bedrijf houden of anderszins aanwezig hebben van dieren;
d. landbouwer: natuurlijke persoon
of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van natuurlijke
personen of rechtspersonen dat enige vorm van landbouw uitoefent
op een bedrijf;
e. graasdieren: runderen,
uitgezonderd andere vleeskalveren dan rosékalveren, schapen,
geiten, paarden, ezels, Midden-Europese edelherten, damherten en
waterbuffels;
f. staldieren: andere dieren dan
graasdieren;
g. zuiveringsslib:
1°. slib, dat afkomstig is van
een installatie voor de zuivering van huishoudelijk, stedelijk
of industrieel afvalwater dan wel ander afvalwater van
soortgelijke samenstelling als huishoudelijk, stedelijk en
industrieel afvalwater; of
2°. slib, dat afkomstig is van
septictanks en andere installaties voor de verzameling, afvoer
en behandeling van afvalwater met uitzondering van vet- en
zandvangers;
h. compost: product dat bestaat uit
één of meer organische afvalstoffen die al dan niet met
bodembestanddelen zijn gemengd en die met behulp van
micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een homogeen en
zodanig stabiel eindproduct dat daarin alleen nog een langzame
afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt en dat niet mede
bestaat uit dierlijke meststoffen;
i. meststoffenverordening:
verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de
Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen (PbEU L 304);
j. anorganische meststoffen:
meststoffen waarin de aangegeven nutriënten voorkomen in de vorm
van mineralen die door winning of door fysische of chemische
industriële processen zijn verkregen, alsmede calciumcyaanamide,
ureum en de condensatie- en associatieproducten ervan en
meststoffen die chelaatvormige of complexvormige micronutriënten
als bedoeld in de meststoffenverordening bevatten;
k. EG-meststoffen: als
«EG-meststof» aangeduide meststoffen die tot een in bijlage I
van de meststoffenverordening vermeld type meststoffen behoren en
die aan de bij of krachtens die verordening gestelde voorschriften
voldoen;
l. overige anorganische
meststoffen: anorganische meststoffen niet zijnde EG-meststoffen;
m. organische meststoffen:
meststoffen niet zijnde anorganische meststoffen;
n. overige organische meststoffen:
organische meststoffen niet zijnde dierlijke meststoffen,
zuiveringsslib of compost;
o. kalkmeststoffen: organische of
anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om
zuurgraad in de bodem in stand te houden of te verlagen;
p. afvalstoffen: afvalstoffen als
bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;
q. intermediaire onderneming:
onderneming, niet zijnde een bedrijf, in het kader waarvan al dan
niet uitsluitend dierlijke meststoffen worden verhandeld of worden
gebruikt;
r. ondernemer: natuurlijke persoon
of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van natuurlijke
personen of rechtspersonen dat een onderneming voert;
s. intermediair: ondernemer die een
intermediaire onderneming voert;
t. diervoeders: diervoeders als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet
diervoeders;
u. vervoeren van meststoffen: elk
feitelijk transporteren van meststoffen, het laden en lossen van
deze meststoffen inbegrepen, met uitzondering van het feitelijk
transporteren binnen een bedrijf;
v. vracht meststoffen: hoeveelheid
meststoffen die als eenheid in een afzonderlijk transportmiddel al
dan niet met aanhanger wordt vervoerd;
w. leverancier van meststoffen:
landbouwer of ondernemer die meststoffen feitelijk overdraagt met
het oogmerk de meststoffen buiten zijn bedrijf of onderneming te
brengen;
x. afnemer van meststoffen: degene
die meststoffen feitelijk krijgt overgedragen;
y. drijfmest: dierlijke meststoffen
die verpompbaar zijn;
z. apparatuur voor automatische
gegevensregistratie: apparatuur waarmee de gegevens met betrekking
tot een vracht meststoffen automatisch worden vastgelegd;
aa. satellietvolgapparatuur:
apparatuur die met behulp van de door satellieten uitgezonden
signalen automatisch de positie van een transportmiddel bepaalt;
bb. opslagruimte voor meststoffen:
ruimte die in het kader van een bedrijf of een intermediaire
onderneming wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt
voor de opslag van meststoffen.
2. Onder primaire nutriënten,
secundaire nutriënten, micronutriënten, vloeibare meststof en
fabrikant wordt verstaan hetgeen daaronder in de
meststoffenverordening wordt verstaan.
Artikel 1a
Dit besluit berust mede op artikel 12.29,
aanhef en onder e en f, van de Wet milieubeheer.
Artikel 2
Voor de toepassing van dit besluit, met
uitzondering van hoofdstuk V, worden de hoeveelheden meststoffen
uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en
kilogrammen fosfaat.
Hoofdstuk II. Aanwijzing veengronden,
zand- of lössgronden en kleigronden
Artikel 3
Als de kaarten, bedoeld in artikel 1,
vierde lid, van de wet, worden vastgesteld de kaarten die zijn opgenomen
als bijlage I bij dit besluit.
Hoofdstuk III. Verhandelen van
meststoffen
Paragraaf 1. Algemene eisen
Artikel 4
1.Het is verboden meststoffen te
verhandelen.
2.Het verbod geldt niet indien ten
aanzien van deze meststoffen is voldaan aan de artikelen 5,6 en 19,
aan de krachtens de artikelen 7, 19, zesde lid, en 21 gestelde regels
en aan:
a. de artikelen 8, 9, 14, 15,
tweede lid, en 18, indien het overige anorganische meststoffen
betreft;
b. de artikelen 10, 14 en 15,
tweede lid, indien het kalkmeststoffen betreft;
c. artikel 16, indien het
zuiveringsslib betreft;
d. artikel 17, indien het compost
betreft; en
e. de artikelen 11, 12, 13, 14,
eerste lid, en 15, eerste lid, indien het overige organische
meststoffen betreft.
3.Het in het eerste lid gestelde verbod
is niet van toepassing op de verhandeling van:
a. EG-meststoffen, voor zover ten
aanzien van deze meststoffen is voldaan aan de ter uitvoering van
de meststoffenverordening krachtens 40, tweede lid, van de
Meststoffenwet, gestelde regels;
b. meststoffen als bedoeld in
artikel 1, onderdeel d, onder 2°, van de wet;
c. uitwerpselen van dieren,
daaronder begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- of
darminhoud van deze dieren en mengsels van strooisel met de
uitwerpselen, alsook producten daarvan voor zover aan de
uitwerpselen of de producten daarvan geen andere meststoffen zijn
toegevoegd dan meststoffen die aan de in het tweede lid bedoelde
regels voldoen of voor zover de producten daarvan eindproducten
zijn die krachtensartikel 5, tweede lid, zijn aangewezen.
4.Het is verboden meststoffen, niet
zijnde EG-meststoffen, met de aanduiding «EG-meststof» te
verhandelen.
Artikel 5
1.Meststoffen, met uitzondering van
zuiveringsslib en compost, zijn niet geheel of gedeeltelijk
geproduceerd uit afvalstoffen of uit reststoffen, tenzij het betreft
de krachtens het tweede lid aangewezen stoffen.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
afvalstoffen of reststoffen, categorieën afvalstoffen of reststoffen
of eindproducten van bij die regeling omschreven bewerkingsprocédés
worden aangewezen, indien er naar het oordeel van Onze Minister geen
landbouwkundige en milieukundige bezwaren bestaan dat deze stoffen als
meststof worden verhandeld of bij de productie van meststoffen worden
gebruikt.
3.Meststoffen zijn niet met
afvalstoffen of reststoffen gemengd, tenzij het betreft de krachtens
het tweede lid, aangewezen stoffen.
Artikel 6
1.De meststof verkeert in een voor de
praktijk bruikbare toestand en is gelijkmatig van samenstelling.
2.De meststof levert voedsel voor
planten of delen van planten in de vorm van primaire of secundaire
nutriënten of micronutriënten of verbetert de bodemeigenschappen
door het leveren van organische stof dan wel door het in stand houden
of het verlagen van de zuurgraad in de bodem en oefent de werking
waarvoor de stof hoofdzakelijk is bedoeld, doeltreffend uit.
3.De meststof heeft onder normale
gebruiksomstandigheden geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid
van mens, dier of plant of voor het milieu.
Artikel 7
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld omtrent de toelaatbaarheid van het onderling mengen van
meststoffen.
Paragraaf 2. Landbouwkundige eisen
Artikel 8
Ten aanzien van overige anorganische
meststoffen op basis van ammoniumnitraat die meer dan 28
gewichtsprocenten stikstof in verhouding tot het ammoniumnitraat
bevatten, is voldaan aan Titel II, Hoofdstuk IV, van de
meststoffenverordening.
Artikel 9
1.Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire nutriënten te leveren,
bevatten ten minste één van de volgende nutriënten, in de daarbij
vermelde minimale hoeveelheid, uitgedrukt in gewichtsprocenten van de
droge stof:
a. meststof, bedoeld voor het
leveren van stikstof:
– stikstof (N) totaal: 5;
b. meststof, bedoeld voor het
leveren van fosfaat:
– fosfaat (P2O5) totaal: 5;
c. meststof, bedoeld voor het
leveren van kali:
– kali (K2O) oplosbaar in water:
5.
2.Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten of
micronutriënten te leveren, bevatten ten minste één van de bij
ministeriële regeling aangewezen secundaire nutriënten of
micronutriënten, in de bij deze regeling vastgestelde minimale
hoeveelheid.
Artikel 10
Kalkmeststoffen hebben een
neutraliserende waarde van ten minste 25 op basis van de droge stof.
Artikel 11
Overige organische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om organische stof te leveren, bevatten ten
minste twintig gewichtsprocenten organische stof van de droge stof.
Artikel 12
1.Vaste overige organische meststoffen
die hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire nutriënten te leveren,
bevatten ten minste één van de volgende nutriënten, in de daarbij
vermelde minimale hoeveelheid, uitgedrukt in gewichtsprocenten:
a. meststof, bedoeld voor het
leveren van stikstof:
– stikstof (N) totaal: 0,5;
b. meststof, bedoeld voor het
leveren van fosfaat:
– fosfaat (P2O5) totaal: 0,5;
c. meststof, bedoeld voor het
leveren van kali:
– kali (K2O) oplosbaar in water:
0,5.
2.Vloeibare overige organische
meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire nutriënten te
leveren, bevatten ten minste één van de volgende nutriënten, in de
daarbij vermelde minimale hoeveelheid, uitgedrukt in gewichtsprocenten
van de droge stof:
a. meststof, bedoeld voor het
leveren van stikstof:
– stikstof (N) totaal: 0,5;
b. meststof, bedoeld voor het
leveren van fosfaat:
– fosfaat (P2O5) totaal: 0,5;
c. meststof, bedoeld voor het
leveren van kali:
– kali (K2O) oplosbaar in water:
0,5.
3.In overige organische meststoffen die
tenminste 0,5 gewichtsprocenten stikstof bevatten, is de hoeveelheid
organisch gebonden stikstof ten minste 85 procent van de totale
hoeveelheid stikstof.
Paragraaf 3. Milieueisen
Artikel 13
Overige organische meststoffen bevatten
geen biologisch afbreekbare delen met een diameter groter dan 50
millimeter en niet meer dan 0,5 gewichtsprocent aan bodemvreemde
niet-biologisch afbreekbare delen.
Artikel 14
1.Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire nutriënten te leveren, overige
organische meststoffen, kalkmeststoffen, alsmede de krachtensartikel
5, tweede lid, aangewezen stoffen die als meststof of bij de productie
van meststoffen worden gebruikt, overschrijden niet de inbijlage II,
onder tabel 1, bij dit besluit opgenomen maximale waarden voor zware
metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het
desbetreffende waardegevende bestanddeel.
2.Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten of
micronutriënten te leveren overschrijden niet de bij ministeriële
regeling vastgestelde maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt
in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende
bestanddeel.
Artikel 15
1.Overige organische meststoffen
alsmede de krachtens artikel 5, tweede lid, aangewezen stoffen die als
meststof of bij de productie van meststoffen worden gebruikt,
overschrijden niet de in bijlage II, onder tabel 4, bij dit besluit
opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen,
uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende
waardegevende bestanddeel.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op kalkmeststoffen en overige anorganische meststoffen die
organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten,
met dien verstande dat voor zover het betreft overige anorganische
meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten
of micronutriënten te leveren, de maximale waarden voor organische
microverontreinigingen uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het
desbetreffende waardegevende bestanddeel, worden vastgesteld bij
ministeriële regeling.
Paragraaf 4. Eisen zuiveringsslib en
compost
Artikel 16
1.Zuiveringsslib is behandeld langs
biologische, chemische of thermische weg, door langdurige opslag of
volgens enig ander geschikt procédé, dat tot gevolg heeft dat het
grootste deel van de in het zuiveringsslib aanwezige pathogene
organismen afsterft.
2.Zuiveringsslib bevat ten minste
vijftig gewichtsprocenten organische stof van de droge stof of heeft
een neutraliserende waarde van 25 op basis van de droge stof.
3.Zuiveringsslib overschrijdt niet de
in bijlage II, onder tabel 2, bij dit besluit opgenomen maximale
waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram
droge stof.
Artikel 17
1.Compost bevat geen biologisch
afbreekbare delen met een diameter groter dan 50 millimeter en niet
meer dan 0,5 gewichtsprocent aan bodemvreemde niet-biologisch
afbreekbare delen.
2.Compost bevat ten minste tien
gewichtsprocenten organische stof van de droge stof.
3.Het is uitsluitend toegestaan om bij
de bereiding van compost bodembestanddelen te gebruiken, indien dit
betreft grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit,
waarvan de kwaliteit de krachtens artikel 40 van dat besluit,
vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt.
4.Compost overschrijdt niet de in
bijlage II, onder tabel 3, bij dit besluit opgenomen maximale waarden
voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram droge
stof.
Paragraaf 5. Verpakking en etikettering
Artikel 18
1.Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren en overige
anorganische meststoffen op basis van ammoniumnitraat die meer dan 28
gewichtsprocenten stikstof in verhouding tot het ammoniumnitraat
bevatten, zijn verpakt.
2.De verpakking van de in het eerste
lid bedoelde meststoffen wordt op zodanige wijze of met een zodanig
systeem gesloten dat door het openen ervan de sluiting, het sluitzegel
of de verpakking zelf onherstelbaar wordt beschadigd.
Artikel 19
1.Meststoffen zijn in ieder geval
voorzien van gegevens over:
a. de naam of de handelsnaam van de
fabrikant van de meststoffen;
b. de naam of de handelsnaam van de
meststoffen;
c. de werking die de meststof in
hoofdzaak uitoefent;
d. de gehalten stikstof en fosfaat;
e. de aanwezige waardegevende
bestanddelen;
f. de hoeveelheid; en
g. de samenstelling.
2.Bij verpakte meststoffen zijn de
gegevens op de verpakking of op een daaraan gehecht etiket vermeld en
bij niet verpakte meststoffen zijn de gegevens op een begeleidend
document vermeld.
3.De gegevens zijn onuitwisbaar en
duidelijk leesbaar.
4.Vloeibare anorganische meststoffen
zijn voorzien van aanvullende instructies betreffende de
opslagtemperatuur en de bij de opslag in acht te nemen
veiligheidsmaatregelen.
5.De vermeldingen op de etiketten, op
de verpakking en op het begeleidende documenten zijn in ieder geval in
de Nederlandse taal gesteld.
6.Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat meststoffen zijn voorzien van een gebruiksaanwijzing.
Paragraaf 6. Overige bepalingen
Artikel 20
Artikel 4, eerste lid, is niet van
toepassing op meststoffen:
a. die rechtmatig zijn vervaardigd of
in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese
Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie,
die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend
Verdrag dat Nederland bindt;
b. die voldoen aan eisen die een
beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de bij of krachtens de artikelen 5 tot en met
19gestelde regels wordt nagestreefd; en
c. die vergezeld gaan van een
analyserapport dat voldoende informatie verschaft over de
samenstelling van het product en is afgegeven door een in die
lidstaat of staat erkend laboratorium dat gelijkwaardig is aan een
in Nederland voor dit doel erkend laboratorium.
Artikel 21
1.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over:
a. de eisen waaraan afvalstoffen of
reststoffen van organische, dierlijke of plantaardige oorsprong
moeten voldoen;
b. de eisen waaraan het
bewerkingsprocédé van zuiveringsslib en van overige afvalstoffen
of reststoffen van organische, dierlijke of plantaardige oorsprong
moet voldoen, welke eisen mede betrekking kunnen hebben op de te
bewerken stoffen;
c. de homogeniteit, de stabiliteit
of de gelijkmatigheid van de samenstelling van de meststoffen;
d. de wijze waarop de hoeveelheden
nutriënten, organische stof, zware metalen en organische
microverontreinigingen in meststoffen, alsmede de verdere
samenstelling van meststoffen worden bepaald;
e. de gebruiksaanwijzing van de
meststoffen;
f. de overige gegevens waarvan
meststoffen zijn voorzien;
g. de wijze waarop de gegevens
worden aangebracht; en
h. de gevallen waarin en de
voorwaarden waaronder de artikelen 11, 14 en 15 geheel of
gedeeltelijk niet van toepassing zijn.
2.De in het eerste lid, onderdeel d,
bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op de bevoegdheid tot
het doen van vaststellingen ten behoeve van de in dat onderdeel
bedoelde bepaling en op de voor die vaststellingen te gebruiken
apparatuur.
3.De krachtens het eerste lid te
stellen regels kunnen voor de in de regeling te onderscheiden
categorieën meststoffen en de beoogde bestemming van de meststoffen
verschillend worden vastgesteld.
Hoofdstuk IV. Gebruiksnormen en opgave
basisregistratie percelen
Artikel 21a
1. De fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet, is per
hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond voor zover het grond met hoge fosfaattoestand betreft:
a. 90 kilogram fosfaat in 2010 en
2011;
b. 85 kilogram fosfaat in 2012 en
2013.
2. De fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet, is per
hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond voor zover het grond met hoge fosfaattoestand betreft:
a. 75 kilogram fosfaat in 2010;
b. 70 kilogram fosfaat in 2011;
c. 65 kilogram fosfaat in 2012;
d. 55 kilogram fosfaat in 2013.
Artikel 22
Voor de toepassing van artikel 9 van de
wet is de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in enig
kalenderjaar de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei van dat jaar tot
het bedrijf behoort.
Artikel 23
1.Voor de toepassing van artikel 10,
eerste lid, van de wet is de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond in enig kalenderjaar de op 15 mei van dat jaar beteelde
oppervlakte landbouwgrond die tot het bedrijf behoort.
2.Ingeval de teelt van gewassen na het
in het eerste lid bedoelde tijdstip aanvangt, wordt de tot het bedrijf
behorende oppervlakte landbouwgrond, bedoeld in het eerste lid,
vermeerderd met de met deze gewassen beteelde oppervlakte
landbouwgrond die op het tijdstip waarop de teelt aanvangt tot het
bedrijf behoort.
3.De beteelde oppervlakte landbouwgrond
wordt onderscheiden naar de geteelde gewassen, de toegepaste
landbouwpraktijk, de ecologische kenmerken van een waterlichaam, de
kenmerken van de bodem en de desbetreffende grondsoorten, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, van de wet, voor zover dit onderscheid wordt
gemaakt in de krachtens artikel 10, eerste lid, van de wet,
vastgestelde ministeriële regeling.
Artikel 24
1. Voor de toepassing van artikel 11,
eerste lid, van de wet, artikel 21a, eerste lid, van dit besluit en de
krachtens artikel 11, vijfde lid, van de wet vastgestelde
ministeriële regeling is de tot het bedrijf behorende oppervlakte
grasland in enig kalenderjaar de oppervlakte grasland die op 15 mei
van dat jaar tot het bedrijf behoort.
2. Voor de toepassing van artikel 11,
tweede lid, van de wet, artikel 21a, tweede lid, van dit besluit en de
krachtens artikel 11, vijfde lid, van de wet vastgestelde
ministeriële regeling is de tot het bedrijf behorende oppervlakte
bouwland in enig kalenderjaar de oppervlakte bouwland die op 15 mei
van dat jaar tot het bedrijf behoort.
3. De oppervlakte grasland en bouwland
wordt onderscheiden naar de fosfaattoestand van de desbetreffende
grond, zoals deze wordt onderscheiden in artikel 1, eerste lid,
onderdelen u, v en w, van de wet.
Artikel 25
Voor de toepassing van de artikelen 9,
10, eerste lid, 11, eerste en tweede lid, van de wet, artikel 21a van
dit besluit en de krachtens artikel 11, vijfde lid, van de wet
vastgestelde ministeriële regeling wordt de teeltvrije zone, bedoeld in
de artikelen 13, 14 en 16 van het Lozingenbesluit open teelt en
veehouderij, niet aangemerkt als tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond.
Artikel 26
1.De landbouwer verstrekt elk
kalenderjaar uiterlijk op 15 mei aan Onze Minister gegevens met
betrekking tot:
a. de op 15 mei van het
desbetreffende kalenderjaar beteelde of te betelen oppervlakte van
de percelen landbouwgrond, onderscheiden naar gewas en
topografische ligging van deze percelen;
b. de na 15 mei van het
desbetreffende kalenderjaar met een volggewas te betelen
oppervlakte van de percelen landbouwgrond, onderscheiden naar
gewas en topografische ligging van deze percelen; en
c. de oppervlakte en de ligging van
in het buitenland gelegen percelen die in het desbetreffende
kalenderjaar bij het bedrijf in gebruik zijn.
2.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over:
a. de gegevens die ingevolge het
eerste lid worden verstrekt, de wijze waarop deze gegevens worden
verstrekt en de termijn waarbinnen wijzigingen in deze gegevens
worden doorgegeven; en
b. de overige te verstrekken
gegevens, de wijze waarop deze gegevens worden verstrekt en de
termijn waarbinnen wijzigingen in deze gegevens worden
doorgegeven.
3.Bij ministeriële regeling kan, in
zoverre in afwijking van het eerste lid en van de artikelen 22, 23,
eerste lid en 24, eerste en tweede lid, indien de weersomstandigheden
of de bodemgesteldheid hiertoe aanleiding geven, een latere datum dan
15 mei worden vastgesteld.
Hoofdstuk V. Opslagcapaciteit dierlijke
meststoffen
Artikel 27
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt als opslagruimte voor meststoffen uitsluitend in aanmerking
genomen de opslagruimte voor dierlijke meststoffen waarvoor een
omgevingsvergunning geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of
waarop een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40
van de Wet milieubeheer van toepassing is.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt de hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kubieke
meters.
Artikel 28
1. De producent van dierlijke
meststoffen draagt er zorg voor dat de capaciteit van de opslagruimte
voor dierlijke meststoffen op het bedrijf voldoende is voor de opslag
van de hoeveelheid dierlijke meststoffen die in de periode van
augustus tot en met februari op het bedrijf wordt geproduceerd.
2. De hoeveelheid dierlijke
meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door
vermenigvuldiging van:
a. het aantal dieren van de
onderscheiden diersoorten en diercategorieën dat op grond van de
omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en
onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in de tot
het bedrijf behorende stallen kan worden gehouden, met
b. de voor de betrokken diersoort
en diercategorie bij ministeriële regeling vastgestelde
forfaitaire productienormen.
3. Ingeval voor het bedrijf ingevolge
artikel 8.40 van de Wet milieubeheer geen vergunningplicht geldt,
wordt, in plaats van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
aantal dieren, als uitgangspunt genomen het aantal dieren van de
onderscheiden diersoorten en diercategorieën dat in de bij het
bedrijf behorende stallen kan worden gehouden.
4. De in het tweede lid, onderdeel b,
bedoelde productienormen kunnen verschillend worden vastgesteld al
naar gelang het gehanteerde bedrijfssysteem.
Artikel 29
1. De capaciteit van de opslagruimte
voor dierlijke meststoffen kan kleiner zijn dan de ingevolge artikel
28vereiste capaciteit, voor zover de producent van dierlijke
meststoffen kan aantonen dat:
a. de overeenkomstig artikel 28,
tweede en derde lid, berekende hoeveelheid dierlijke meststoffen
die wordt geproduceerd boven de werkelijke opslagcapaciteit op een
voor het milieu onschadelijke wijze van het bedrijf zal worden
verwijderd;
b. de overeenkomstigartikel 28,
tweede en derde lid, berekende hoeveelheid dierlijke meststoffen
die wordt geproduceerd boven de werkelijke opslagcapaciteit zal
worden aangewend op tot het bedrijf behorend bouwland of grasland
waarvoor het in artikel 4 van het Besluit gebruik meststoffen
gestelde verbod niet geldt;
c. het aantal dieren dat in de
periode van augustus tot en met februari feitelijk in de tot het
bedrijf behorende stallen kan worden gehouden kleiner is dan op
grond van de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, is toegestaan; of
d. in de periode van augustus tot
en met februari stelselmatig minder dieren worden gehouden in de
bij het bedrijf behorende stallen.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel
b, geldt niet voor de hoeveelheid dierlijke meststoffen die in
februari wordt geproduceerd.
Artikel 30
Ingeval de producent kan aantonen dat,
als gevolg van bijzondere omstandigheden betreffende de soort of de
categorie van de gehouden dieren, het huisvestingssysteem, het
drinkwatersysteem, de samenstelling van het diervoeder of andere
aspecten van het bedrijfssysteem, de hoeveelheid dierlijke meststoffen
per dier lager is dan de krachtens artikel 28, tweede lid, onderdeel b,
vastgestelde norm, geldt deze lagere waarde voor de toepassing van de
artikelen 28 en29.
Hoofdstuk VI. Administratieve
verplichtingen landbouwbedrijven
Artikel 31
1.De landbouwer meldt elk van zijn
bedrijven afzonderlijk ter registratie aan bij Onze Minister.
2.Ten behoeve van de registratie
verstrekt de landbouwer per bedrijf in ieder geval gegevens over:
a. de locaties van het bedrijf;
b. de tenaamstelling of
handelsnaam;
c. de rechtsvorm;
d. in voorkomend geval de aard en
samenstelling van het samenwerkingsverband van personen of
rechtspersonen dat het bedrijf voert;
e. de toegepaste
huisvestingssystemen; en
f. de wijzigingen in de gegevens,
bedoeld in de onderdelen a tot en met e.
3.Voor zover de in het tweede lid
bedoelde gegevens zijn verstrekt op grond van de Meststoffenwet, de
Wet herstructurering varkenshouderij en de Wet verplaatsing
mestproductie en niet zijn gewijzigd, behoeven deze niet opnieuw te
worden verstrekt. De registratie van deze gegevens geldt als
registratie in de zin van het eerste en tweede lid.
4.Voor zover de in het tweede lid
bedoelde gegevens worden verstrekt op grond van de krachtens de
artikelen 24 en 25 van de Landbouwwet of de artikelen 4, 10 tot en met
14 en 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde
regels, behoeven deze niet nogmaals te worden verstrekt. De
registratie van deze gegevens geldt als registratie in de zin van het
eerste en tweede lid.
Artikel 32
1. De landbouwer houdt per bedrijf en
per kalenderjaar een inzichtelijke administratie bij.
2. De administratie bevat in ieder
geval de gegevens, bedoeld in artikel 31, tweede lid, alsmede gegevens
over:
a. de civielrechtelijke titel die
het exclusieve gebruiksgenot verschaft van elk van de tot het
bedrijf behorende productie-eenheden;
b. de oppervlakte en gegevens ter
identificatie van de percelen van de tot het bedrijf behorende
oppervlakte landbouwgrond, onderscheiden naar:
1° de verschillende teelten of
andere vormen van gebruik;
2° de fosfaattoestand van de
tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals
deze wordt onderscheiden in artikel 1, eerste lid, onderdelen
u, v en w, van de wet; en
3° grasland en bouwland;
c. de oppervlakte en gegevens ter
identificatie van de exclusief bij het bedrijf in gebruik zijnde
percelen landbouwgrond die zijn gelegen in België en Duitsland in
het grensgebied met Nederland, onderscheiden naar de verschillende
teelten of andere vormen van gebruik;
d. de aantallen op het bedrijf
gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen en kalkoenen
en het gemiddeld in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden
aantal van deze dieren, onderscheiden naar diercategorieën per
soort overeenkomstig bijlage II van de wet;
e. de aantallen voor gebruiks- of
winstdoeleinden op het bedrijf gehouden dan wel anderszins
aanwezige dieren, anders dan varkens, kippen en kalkoenen,
onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, voor
zover dit onderscheid wordt gemaakt in de krachtens artikel 36
gestelde regels;
f. de hoeveelheden aan- en
afgevoerde meststoffen, de datum waarop de aan- of afvoer
plaatsvond en gegevens over het bedrijf of de onderneming van
herkomst, onderscheidenlijk van bestemming, dan wel, ingeval geen
sprake is van een bedrijf of onderneming, gegevens over de
leverancier onderscheidenlijk afnemer van de meststoffen;
g. de capaciteit van de bij het
bedrijf behorende opslagruimte voor dierlijke meststoffen in
kubieke meters;
h. de aan het begin en het eind van
het kalenderjaar op het bedrijf aanwezige hoeveelheden
meststoffen;
i. de hoeveelheden en de
samenstelling van de aan andere bedrijven of ondernemingen
afgeleverde diervoeders, uitgedrukt in kilogrammen alsmede in
kilogrammen stikstof en fosfaat; en
j. de gewasopbrengst, voor zover
deze relevant is voor de toepassing van de krachtens artikel 10,
eerste lid, van de wet vastgestelde ministeriële regeling.
Artikel 33
1.Indien op een bedrijf dierlijke
meststoffen worden geproduceerd afkomstig van melkkoeien, bevat de
administratie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, tevens gegevens
over:
a. de geproduceerde hoeveelheid
koemelk; en
b. het ureumgehalte per kilogram
geproduceerde koemelk.
2.Indien op een bedrijf dierlijke
meststoffen worden geproduceerd afkomstig van staldieren, bevat de
administratie tevens gegevens over:
a. de aantallen en de herkomst of
de bestemming van de aan- en afgevoerde staldieren, onderscheiden
naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit
onderscheid wordt gemaakt in de krachtens artikel 36 gestelde
regels;
b. de samenstelling en de
hoeveelheid van de op het bedrijf geproduceerde diervoeders,
alsmede de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de op
het bedrijf aangevoerde diervoeders;
c. de op het bedrijf geproduceerde
eieren die van het bedrijf zijn afgevoerd;
d. de aan het eind van het
kalenderjaar op het bedrijf aanwezige voorraden diervoeders en
geproduceerde eieren, alsmede de aanwezige staldieren,
onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor
zover dit onderscheid wordt gemaakt in de krachtens artikel 36
gestelde regels; en
e. de op het bedrijf toegepaste
stalsystemen.
3.Indien op een bedrijf dierlijke
meststoffen worden bewerkt of verwerkt, bevat de administratie tevens
gegevens over:
a. de methode van bewerking of
verwerking;
b. de hoeveelheid bewerkte of
verwerkte dierlijke meststoffen;
c. de hoeveelheid, de aard en de
samenstelling van de tezamen met de dierlijke meststoffen bewerkte
of verwerkte stoffen; en
d. de hoeveelheid en de
samenstelling van de eindproducten van de bewerking of verwerking.
4.De gegevens inzake de hoeveelheden
koemelk, diervoeders, eieren en de stoffen, bedoeld in het derde lid,
onderdeel c, worden uitgedrukt in kilogrammen en, met uitzondering van
koemelk, in kilogrammen stikstof en fosfaat.
Artikel 34
1.De administratie wordt per
kalenderjaar, tijdig, volledig en naar waarheid bijgehouden.
2.De administratie en de daarop
betrekking hebbende bewijsstukken worden gedurende vijf jaren na
afloop van het desbetreffende kalenderjaar door de landbouwer op het
bedrijf bewaard.
Artikel 35
1.Uit de administratie worden jaarlijks
gegevens verstrekt aan Onze Minister door:
a. landbouwers die in een
kalenderjaar een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen
produceren dan 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het
bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond; en
b. de bij ministeriële regeling
aangewezen categorieën van landbouwers.
2.De landbouwer verstrekt desgevraagd
door Onze Minister gegevens uit de administratie, binnen een door Onze
Minister bepaalde termijn en op een door Onze Minister bepaalde wijze.
3.De ingevolge het eerste en tweede lid
verstrekte gegevens kunnen mede worden gebruikt voor de
kwaliteitsbeoordeling van een PRTR-verslag, bedoeld in artikel 9,
tweede lid, van de EG-verordening PRTR.
Artikel 36
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over:
a. de overige bij de aanmelding,
bedoeld in artikel 31, eerste lid, te verstrekken gegevens, de wijze
waarop en de termijn waarbinnen de aanmelding en de doorgifte van
wijzigingen geschieden;
b. de wijze waarop de administratie,
bedoeld in de artikelen 32 en 33, wordt gevoerd en de termijn
waarbinnen de gegevens of wijzigingen in de gegevens in deze
administratie worden opgenomen;
c. de overige gegevens die de
administratie, bedoeld in de artikelen 32 en33, bevat;
d. de gegevens die ingevolgeartikel
35, eerste lid, worden verstrekt en de wijze waarop en de termijn
waarbinnen deze gegevens worden verstrekt;
e. de gevallen waarin en de
voorwaarden waaronder deartikelen 31, 32, 33 of 35 geheel of
gedeeltelijk niet van toepassing zijn ten aanzien van bedrijven of
onderdelen van bedrijven; en
f. de omvang van het grensgebied,
bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel c.
Artikel 37
De op grond van dit hoofdstuk en
hoofdstuk IX bij te houden of te verstrekken gegevens worden desgevraagd
ten genoegen van Onze Minister gestaafd met bewijsstukken.
Hoofdstuk VII. Administratieve
verplichtingen intermediairs
Artikel 38
1.De intermediair meldt elk van zijn
intermediaire ondernemingen afzonderlijk ter registratie aan bij Onze
Minister.
2.Ten behoeve van de registratie
verstrekt de intermediair per onderneming in ieder geval gegevens
over:
a. de locaties van de tot de
onderneming behorende gebouwen en opslagruimten voor dierlijke
meststoffen, zuiveringsslib, compost of mengsels van
zuiveringsslib en compost;
b. de tenaamstelling of
handelsnaam;
c. de rechtsvorm;
d. in voorkomend geval de aard en
samenstelling van het samenwerkingsverband van personen of
rechtspersonen dat de onderneming voert;
e. de aard van de activiteiten die
in het kader van de onderneming worden uitgeoefend;
f. de krachtens artikel 70, vierde
lid, onderdeel b, voorgeschreven apparatuur die in het kader van
zijn onderneming wordt gebruikt of is bestemd om te worden
gebruikt;
g. de apparatuur voor automatische
gegevensregistratie die exclusief bij deze onderneming in gebruik
is;
h. de capaciteit van de bij de
onderneming behorende opslagruimten voor meststoffen in tonnen; en
i. de wijzigingen in de gegevens,
bedoeld in de onderdelen a tot en met h.
3.Voor zover de in het tweede lid
bedoelde gegevens zijn verstrekt op grond van de Meststoffenwet en
niet zijn gewijzigd, behoeven deze niet opnieuw te worden verstrekt.
De registratie van deze gegevens geldt als registratie in de zin van
het eerste en tweede lid.
Artikel 39
1.De intermediair houdt per onderneming
een inzichtelijke administratie bij.
2.De administratie bevat in ieder geval
de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, alsmede gegevens over:
a. de hoeveelheden in het kader van
de onderneming aan- en afgevoerde meststoffen, de datum waarop de
aan- en afvoer plaatsvond en het bedrijf of de onderneming van
herkomst, onderscheidenlijk van bestemming dan wel, ingeval geen
sprake is van een bedrijf of onderneming, gegevens over de
leverancier onderscheidenlijk afnemer van de meststoffen;
b. de hoeveelheden meststoffen die
in iedere afzonderlijke opslagruimte voor meststoffen zijn
aangevoerd en de hoeveelheden meststoffen die uit die opslagruimte
zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid
meststoffen zich in de opslagruimte bevindt; en
c. de hoeveelheden meststoffen die
bij de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen aan of
door een andere intermediair op het moment van overdracht aanwezig
is in de desbetreffende opslagruimte.
3.Indien op een onderneming dierlijke
meststoffen worden bewerkt of verwerkt, bevat de administratie tevens
gegevens over:
a. de methode van bewerking of
verwerking;
b. de hoeveelheid bewerkte of
verwerkte dierlijke meststoffen;
c. de hoeveelheid, de aard en de
samenstelling van de tezamen met de dierlijke meststoffen bewerkte
of verwerkte stoffen; en
d. de hoeveelheid en de
samenstelling van de eindproducten van de bewerking of verwerking.
4.Artikel 34 is op de administratie,
bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 40
1.De intermediair verstrekt jaarlijks
gegevens uit de administratie aan Onze Minister.
2.De intermediair verstrekt desgevraagd
door Onze Minister gegevens uit de administratie, binnen een door Onze
Minister bepaalde termijn en op een door Onze Minister bepaalde wijze.
Artikel 41
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over:
a. de overige bij de aanmelding,
bedoeld in artikel 38, eerste lid, te verstrekken gegevens, de wijze
waarop en de termijn waarbinnen de aanmelding en de doorgifte van
wijzigingen geschieden;
b. de wijze waarop de administratie,
bedoeld in artikel 39, wordt gevoerd en de termijn waarbinnen de
gegevens of wijzigingen in de gegevens in deze administratie worden
opgenomen;
c. de overige gegevens die de
administratie, bedoeld in artikel 39, bevat;
d. de gegevens die ingevolgeartikel
40, eerste lid, worden verstrekt en de wijze waarop en de termijn
waarbinnen deze gegevens worden verstrekt;
e. de gevallen waarin en de
voorwaarden waaronder de artikelen 38, 39 of 40 geheel of
gedeeltelijk niet van toepassing zijn; en
f. het aanbrengen van aanduidingen op
de opslagruimten voor meststoffen ter identificatie van deze
ruimten.
Artikel 42
De op grond van dit hoofdstuk en
hoofdstuk IX bij te houden of te verstrekken gegevens worden desgevraagd
ten genoegen van Onze Minister gestaafd met bewijsstukken.
Hoofdstuk VIII. Administratieve
verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven
Artikel 43
1.De ondernemer, die een of meer
ondernemingen voert in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd
aan een bedrijf met staldieren, of in het kader waarvan van bedrijven
afgenomen koemelk wordt verwerkt, meldt elk van deze ondernemingen
afzonderlijk ter registratie aan bij Onze Minister.
2.De ondernemer die een of meer
ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire
onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, meldt
elk van deze ondernemingen afzonderlijk ter registratie aan bij Onze
Minister.
3.Ten behoeve van de registratie
verstrekt de ondernemer in ieder geval gegevens over:
a. de locaties van de onderneming;
b. de tenaamstelling of
handelsnaam;
c. de rechtsvorm;
d. in voorkomend geval de aard en
samenstelling van het samenwerkingsverband van personen of
rechtspersonen dat de onderneming voert; en
e. de wijzigingen in de gegevens,
bedoeld in de onderdelen a tot en met d.
4.Voor zover de in het derde lid
bedoelde gegevens zijn verstrekt op grond van de Meststoffenwet en
niet zijn gewijzigd, behoeven deze niet opnieuw te worden verstrekt.
De registratie van deze gegevens geldt als registratie in de zin van
het eerste en tweede lid.
5.Voor zover de in het derde lid
bedoelde gegevens worden verstrekt op grond van de krachtens artikel
11 van de Kaderwet diervoeders gestelde regels of de krachtens de
artikelen 27 en 28 van de Landbouwwet gestelde regels, behoeven deze
niet nogmaals te worden verstrekt. De registratie van deze gegevens
geldt als registratie in de zin van het eerste en tweede lid.
Artikel 44
1.De ondernemer, bedoeld in artikel 43,
eerste lid, houdt per onderneming een inzichtelijke administratie bij.
2.De administratie, bedoeld in het
eerste lid, bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 43,
derde lid, alsmede gegevens over:
a. de hoeveelheden van de door de
ondernemer afgeleverde diervoeders per bedrijf, onderscheidenlijk
de hoeveelheden alsmede het ureumgehalte van de door de ondernemer
afgenomen koemelk per bedrijf;
b. de datum waarop de aflevering of
de afname plaatsvond; en
c. het bedrijf waaraan de
diervoeders zijn afgeleverd, onderscheidenlijk het bedrijf waar de
afgenomen koemelk is geproduceerd.
3.De ondernemer, bedoeld inartikel 43,
tweede lid, en de ondernemer in het kader van wiens onderneming
staldieren aan bedrijven worden afgeleverd dan wel staldieren of
eieren van bedrijven worden afgenomen, houdt per onderneming een
inzichtelijke administratie bij.
4.De administratie, bedoeld in het
derde lid, bevat in ieder geval gegevens over:
a. de hoeveelheden van de door de
ondernemer afgeleverde of afgenomen meststoffen per onderneming of
per bedrijf, met uitzondering van de aan particulieren afgeleverde
hoeveelheden, de aantallen door de ondernemer afgeleverde of
afgenomen staldieren per bedrijf, onderscheiden naar diersoort en
diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt
gemaakt in de krachtens artikel 36 gestelde regels,
onderscheidenlijk de hoeveelheden van de door de ondernemer
afgenomen eieren per bedrijf;
b. de datum waarop de aflevering of
de afname plaatsvond; en
c. het bedrijf of de onderneming
van bestemming, onderscheidenlijk herkomst.
5.Indien op een onderneming
zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of
verwerkt, bevat de administratie tevens gegevens over:
a. de in artikel 16, eerste lid,
bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib;
b. de hoeveelheid geproduceerd,
bewerkt of verwerkt zuiveringsslib; en
c. de hoeveelheid en de
samenstelling van het zuiveringsslib.
6.De gegevens inzake de hoeveelheden
diervoeders, koemelk en eieren worden uitgedrukt in kilogrammen en,
met uitzondering van koemelk, in kilogrammen stikstof en fosfaat.
7.Artikel 34 is op de administratie,
bedoeld in het eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45
1.De ondernemer, bedoeld in artikel 43,
eerste lid en de ondernemer in het kader van wiens onderneming
zuiveringsslib wordt verhandeld, verstrekt jaarlijks gegevens uit de
administratie aan Onze Minister.
2.De buiten Nederland gevestigde
ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden
afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, verstrekt bij de aflevering
aan de landbouwer een begeleidend document waarop het gewicht en de
overeenkomstig de krachtens artikel 70, vierde lid, vastgestelde
samenstelling van de afgeleverde diervoeders is vermeld.
3.Het document, bedoeld in het tweede
lid, is tijdens het vervoer van de diervoeders op het transportmiddel
aanwezig.
4.Het tweede en het derde lid gelden
niet indien de ondernemer de in het tweede lid bedoelde gegevens na
afloop van het kalenderjaar waarin de afleveringen van diervoeders
hebben plaatsgevonden aan Onze Minister verstrekt en voorafgaand aan
de eerste aflevering aan Onze Minister verklaart zulks te zullen doen.
5.De ondernemer, bedoeld in artikel 43,
eerste lid, of artikel 44, derde lid, verstrekt desgevraagd door Onze
Minister gegevens uit de administratie, binnen een door Onze Minister
bepaalde termijn en op een door Onze Minister bepaalde wijze.
Artikel 46
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over:
a. de overige bij de aanmelding,
bedoeld in artikel 43, te verstrekken gegevens, de wijze waarop en
de termijn waarbinnen de aanmelding en de doorgifte van wijzigingen
geschieden;
b. de wijze waarop de administratie,
bedoeld inartikel 44, wordt gevoerd, en de termijn waarbinnen de
gegevens en wijzigingen in de gegevens in deze administratie worden
opgenomen;
c. de overige gegevens die de
administratie, bedoeld in artikel 44, bevat;
d. de gegevens die ingevolge artikel
45 worden verstrekt en de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze
gegevens worden verstrekt; en
e. de gevallen waarin en de
voorwaarden waaronder de artikelen 43, 44 of 45geheel of
gedeeltelijk niet van toepassing zijn.
Artikel 47
De op grond van dit hoofdstuk bij te
houden of te verstrekken gegevens worden desgevraagd ten genoegen van
Onze Minister gestaafd met bewijsstukken.
Hoofdstuk IX. Vervoer van meststoffen
Paragraaf 1. Vervoer van dierlijke
meststoffen, zuiveringsslib en compost
Artikel 48
Dierlijke meststoffen worden vervoerd
door een intermediair die zijn onderneming in het kader waarvan het
vervoer plaatsvindt overeenkomstig artikel 38ter registratie heeft
aangemeld.
Artikel 49
1.Het vervoer van een vracht drijfmest
geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met de
krachtensartikel 70, vierde lid, onderdeel b, voorgeschreven
apparatuur die op naam van de intermediair is geregistreerd.
2.Het vervoer van een vracht dierlijke
meststoffen geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met op
naam van de intermediair geregistreerde apparatuur voor automatische
gegevensregistratie.
3.Het vervoer van een vracht dierlijke
meststoffen geschiedt met een transportmiddel dat is uitgerust met
satellietvolgapparatuur.
4.Met behulp van de in het tweede en
derde lid bedoelde apparatuur worden gegevens betreffende het vervoer
van de vracht dierlijke meststoffen vastgelegd.
Artikel 50
1. Een vracht dierlijke meststoffen
gaat tijdens het vervoer vergezeld van een op de vracht betrekking
hebbend vervoersbewijs, dat overeenkomstig de regels gesteld bij of
krachtensparagraaf 2 van dit hoofdstuk is opgemaakt.
2. Een vracht zuiveringsslib, compost,
mengsels van zuiveringsslib en compost, of krachtens artikel 55,
eerste lid, aangewezen overige organische meststoffen gaat tijdens het
vervoer vergezeld van een op de vracht betrekking hebbend
vervoersbewijs, dat overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens
paragraaf 3 van dit hoofdstuk, is opgemaakt.
Artikel 51
1.De bij ministeriële regeling
aangewezen categorieën vervoerders doen vóór het vervoer van
dierlijke meststoffen plaatsvindt daarvan mededeling aan Onze
Minister.
2.Onze Minister kan een vervoerder
verplichten gedurende een door de minister te bepalen periode van ten
hoogste één jaar, vóór het vervoer plaatsvindt daarvan steeds
mededeling aan de minister te doen.
3.De in het tweede lid bedoelde periode
kan telkens worden verlengd met één jaar.
4.Bij de ministeriële regeling kan
worden voorgeschreven dat de mededeling, bedoeld in het eerste en
tweede lid, op elektronische wijze geschiedt of vergezeld gaat van
door de vervoerder te verstrekken bescheiden.
Artikel 52
1.Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over:
a. de gevallen waarin en
voorwaarden waaronder deartikelen 48 en 49 geheel of gedeeltelijk
niet van toepassing zijn;
b. de wijze waarop de apparatuur,
bedoeld in artikel 49, is bevestigd;
c. de eisen waaraan de apparatuur
voor automatische gegevensregistratie, bedoeld in artikel 49,
tweede lid, en de satellietvolgapparatuur, bedoeld in artikel 49,
derde lid, moeten voldoen, waaronder de eis dat de apparatuur
behoort tot een type dat is gekeurd door een door Onze Minister
aangewezen instelling;
d. de gegevens die met de in
onderdeel c bedoelde apparatuur moeten worden vastgelegd en de
wijze waarop die gegevens moeten worden vastgelegd, bewaard en
verstrekt; en
e. de wijze waarop en de termijn
waarbinnen de mededeling, bedoeld in artikel 51, wordt gedaan,
alsmede de gegevens die de mededeling ten minste bevat of de
bescheiden waarvan de mededeling vergezeld gaat.
2.De krachtens het eerste lid te
stellen regels kunnen voor de in de regeling te onderscheiden
mestsoorten en de beoogde bestemming van de meststoffen verschillend
worden vastgesteld.
Paragraaf 2. Vervoersbewijs dierlijke
meststoffen
Artikel 53
1.Terzake van het vervoer van een
vracht dierlijke meststoffen wordt door de leverancier, de vervoerder
en de afnemer gezamenlijk een vervoersbewijs opgemaakt.
2.De vervoerder draagt er zorg voor dat
het vervoersbewijs overeenkomstig de krachtens artikel 54 gestelde
regels volledig en naar waarheid wordt ingevuld en door de
leverancier, de vervoerder en de afnemer wordt ondertekend.
3.Het vervoersbewijs wordt bij
ministeriële regeling vastgesteld en bevat in ieder geval gegevens
over:
a. de leverancier, de vervoerder en
de afnemer;
b. het tijdstip en de locatie van
laden en lossen;
c. de hoeveelheid meststoffen; en
d. het soort meststoffen.
4.De gegevens op het vervoersbewijs
worden niet gewijzigd of onleesbaar gemaakt.
5.Terzake van de ondertekening van het
vervoersbewijs kunnen de leverancier, de vervoerder en de afnemer
elkaar niet machtigen.
6.De op het vervoersbewijs ingevulde
gegevens worden op elektronische wijze bij Onze Minister ingediend.
7.De vervoerder bewaart het
vervoersbewijs en de leverancier en de afnemer bewaren een afschrift
van het vervoersbewijs als onderdeel van de administratie, bedoeld in
artikel, 39onderscheidenlijk artikel 32.
Artikel 54
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over:
a. de overige op het vervoersbewijs
te vermelden gegevens;
b. de wijze en het tijdstip waarop
het vervoersbewijs door de leverancier, de vervoerder en de afnemer
wordt opgemaakt en ondertekend;
c. de overige ter zake van een vracht
dierlijke meststoffen te verstrekken gegevens;
d. de wijze en het tijdstip waarop de
op het vervoersbewijs ingevulde gegevens alsmede de gegevens,
bedoeld in onderdeel c, worden ingediend; en
e. de gevallen waarin en de
voorwaarden waaronder artikel 53 geheel of gedeeltelijk niet van
toepassing is.
Paragraaf 3. Vervoersbewijs
zuiveringsslib, compost en overige organische meststoffen
Artikel 55
1.Ter zake van het vervoer van
zuiveringsslib, compost en bij ministeriële regeling aangewezen
overige organische meststoffen, wordt door de leverancier, de
vervoerder en de afnemer gezamenlijk een vervoersbewijs opgemaakt.
2.De vervoerder draagt er zorg voor dat
het vervoersbewijs overeenkomstig de krachtens artikel 56 gestelde
regels volledig en naar waarheid wordt ingevuld en door de
leverancier, de vervoerder en de afnemer wordt ondertekend.
3.Het vervoersbewijs wordt bij
ministeriële regeling vastgesteld en bevat in ieder geval gegevens
over:
a. de leverancier, de vervoerder en
de afnemer;
b. de hoeveelheid meststoffen;
c. de samenstelling van de
meststoffen; en
d. de soort meststoffen.
4.Artikel 53, vierde en vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
5.De op het vervoersbewijs ingevulde
gegevens worden op elektronische wijze bij Onze Minister ingediend.
6.De vervoerder bewaart het
vervoersbewijs en de leverancier en de afnemer bewaren een afschrift
van het vervoersbewijs als onderdeel van de administratie, bedoeld in
de artikelen 32, 39 of44.
Artikel 56
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over:
a. de overige op het vervoersbewijs
te vermelden gegevens;
b. de wijze en het tijdstip waarop
het vervoersbewijs door de leverancier, de vervoerder en de afnemer
wordt opgemaakt en ondertekend;
c. de overige ter zake van de
vervoerde meststoffen te verstrekken gegevens;
d. de wijze en het tijdstip waarop de
op het vervoersbewijs ingevulde gegevens alsmede de gegevens,
bedoeld in onderdeel c, worden ingediend; en
e. de gevallen waarin en de
voorwaarden waaronderartikel 55 geheel of gedeeltelijk niet van
toepassing is.
Paragraaf 4 [Vervallen per 12-07-2007]
Artikel 57 [Vervallen per 12-07-2007]
Artikel 58 [Vervallen per 12-07-2007]
Artikel 59 [Vervallen per 12-07-2007]
Artikel 60 [Vervallen per 12-07-2007]
Artikel 61 [Vervallen per 12-07-2007]
Artikel 62 [Vervallen per 12-07-2007]
Artikel 63 [Vervallen per 12-07-2007]
Artikel 64 [Vervallen per 12-07-2007]
Hoofdstuk X. Regels inzake de
hoeveelheidbepaling
Artikel 65
De aantallen dieren en hoeveelheden
meststoffen, diervoeders, melk en eieren, de fosfaattoestand van de
bodem en de gewasopbrengst ter zake waarvan een landbouwer of een
ondernemer ingevolge de bij of krachtens dit besluit gestelde regels
gegevens in zijn administratie moet opnemen of gegevens moet verstrekken
worden bepaald overeenkomstig dit hoofdstuk.
Artikel 66
1.De door graasdieren, niet zijnde
melkkoeien, in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde
hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het
gemiddelde aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf
gehouden of anderszins aanwezige dieren, onderscheiden naar diersoort
en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt
gemaakt in de krachtens de artikelen 36 of 70, derde lid, gestelde
regels en op basis van forfaitaire productienormen, uitgedrukt in
kilogrammen stikstof en in kilogrammen fosfaat, per dier per jaar.
2.De door melkkoeien in een
kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke
meststoffen wordt bepaald op basis van het gemiddelde aantal in het
desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden of anderszins
aanwezige melkkoeien en op basis van forfaitaire productienormen,
uitgedrukt in kilogrammen stikstof en in kilogrammen fosfaat, per dier
per jaar, onderscheiden naar de gemiddelde melkproductie per op het
bedrijf aanwezige melkkoe en, voor zover het stikstof betreft, het
gemiddelde ureumgehalte van de geproduceerde koemelk.
3.De door staldieren in een
kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke
meststoffen wordt bepaald door achtereenvolgens:
a. bij elkaar op te tellen de
hoeveelheden stikstof, onderscheidenlijk fosfaat in:
1°. de in het desbetreffende
kalenderjaar op het bedrijf aangevoerde staldieren;
2°. de in het desbetreffende
kalenderjaar op het bedrijf aangevoerde of geproduceerde
diervoeders bestemd voor de staldieren; en
3°. de aan het eind van het
voorgaande kalenderjaar op het bedrijf aanwezige voorraden
diervoeders bestemd voor de staldieren en door de staldieren
geproduceerde eieren alsmede de aanwezige staldieren; en
b. de overeenkomstig onderdeel a
berekende hoeveelheid te verminderen met de hoeveelheden stikstof,
onderscheidenlijk fosfaat in:
1°. de in het desbetreffende
kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde staldieren;
2°. de in het desbetreffende
kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde diervoeders, voor
zover deze diervoeders voor de toepassing van dit artikel bij
de hoeveelheid, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder
2°, is betrokken;
3°. de in het desbetreffende
kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde, door de staldieren
geproduceerde eieren;
4°. de in het desbetreffende
kalenderjaar optredende gasvormige verliezen van stikstof uit
de stal en de mestopslagruimte; en
5°. de aan het eind van het
desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf aanwezige voorraden
diervoeders bestemd voor de staldieren en door de staldieren
geproduceerde eieren alsmede de aanwezige staldieren.
Artikel 67
1.De in artikel 66, derde lid, bedoelde
hoeveelheid stikstof en de hoeveelheid fosfaat in de op een bedrijf
aan- of afgevoerde, dan wel de op het bedrijf aanwezige voorraden
diervoeders worden bepaald op basis van het gewicht of het volume en
het stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de
desbetreffende diervoeders.
2.De inartikel 66, derde lid, bedoelde
hoeveelheid stikstof en de hoeveelheid fosfaat in de op een bedrijf
geproduceerde diervoeders worden bepaald op basis van een forfaitaire
opbrengst per hectare in kilogrammen en forfaitaire stikstofgehalten,
onderscheidenlijk fosfaatgehalten per kilogram diervoeder.
3.De in artikel 66, derde lid, bedoelde
hoeveelheid stikstof en de hoeveelheid fosfaat in de staldieren worden
bepaald op basis van forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk
fosfaatgehalten per dier, dan wel op basis van het gewicht van de
dieren en op basis van forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk
fosfaatgehalten per kilogram levend gewicht.
4.De in artikel 66, derde lid, bedoelde
hoeveelheid stikstof en de hoeveelheid fosfaat in door staldieren
geproduceerde eieren worden bepaald op basis van het gewicht van de
eieren en op basis van forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk
fosfaatgehalten per kilogram product.
5.De in artikel 66, derde lid, bedoelde
hoeveelheid stikstof die in gasvorm verloren gaat wordt bepaald op
basis van het gemiddelde aantal in het desbetreffende kalenderjaar op
het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren en forfaitaire
stikstofgehalten per dier.
Artikel 68
1.De op een bedrijf of onderneming in
het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde
hoeveelheid meststoffen, de van een bedrijf of onderneming afgevoerde
hoeveelheid meststoffen en de binnen een onderneming in het kader
waarvan meststoffen worden verhandeld vervoerde hoeveelheid
meststoffen worden bepaald op basis van het gewicht of het volume en
het stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de
desbetreffende meststoffen.
2.De in enig kalenderjaar op een
bedrijf per saldo uit opslag gekomen hoeveelheid dierlijke meststoffen
wordt bepaald door de aan het eind van het voorgaande kalenderjaar op
het bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen te
verminderen met de aan het eind van desbetreffend kalenderjaar op het
bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3.De op een bedrijf waar dierlijke
meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid dierlijke
meststoffen wordt bepaald op basis van het zo nauwkeurig mogelijk
bepaalde gewicht van de dierlijke meststoffen en het zo nauwkeurig
mogelijk bepaalde stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte
van de desbetreffende meststoffen.
4.De op een bedrijf als bedoeld in het
derde lid opgeslagen hoeveelheid overige meststoffen wordt bepaald op
basis van het gewicht of het volume en het stikstofgehalte,
onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de desbetreffende meststoffen.
5.De op een onderneming in het kader
waarvan meststoffen worden verhandeld of op een bedrijf waar geen
dierlijke meststoffen worden geproduceerd opgeslagen hoeveelheid
meststoffen wordt bepaald op basis van het gewicht of het volume en
het stikstofgehalte, onderscheidenlijk fosfaatgehalte van de
desbetreffende meststoffen.
Artikel 69
1.Het gemiddelde aantal in een
kalenderjaar op een bedrijf gehouden varkens, kippen en kalkoenen,
onderscheiden naar diercategorieën per soort overeenkomstig bijlage
II van de wet, alsmede runderen, onderscheiden naar diercategorie,
voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in de krachtens de artikelen
36 of 70, derde lid, gestelde regels, wordt bepaald door de som van de
dagelijkse aanwezige aantallen van deze dieren, te delen door het
aantal dagen van het desbetreffende kalenderjaar.
2.Het gemiddelde aantal in een
kalenderjaar voor gebruiks- en winstdoeleinden op het bedrijf gehouden
dan wel anderszins aanwezige dieren, anders dan runderen, varkens,
kippen en kalkoenen, onderscheiden naar diersoorten en
diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt
in de krachtens de artikelen 36 of 70 gestelde regels, wordt bepaald
door de som van de op de eerste dag van iedere maand aanwezige
aantallen van deze dieren, te delen door twaalf.
Artikel 69a
Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld over de bepaling van de fosfaattoestand van de bodem en van de
gewasopbrengst, voor zover deze relevant is voor de toepassing van de
krachtens artikel 10, eerste lid, van de wet vastgestelde ministeriële
regeling.
Artikel 70
1. Bij ministeriële regeling worden
vastgesteld:
a. de forfaitaire productienormen,
bedoeld in artikel 66, eerste en tweede lid;
b. de forfaitaire gewasopbrengsten
per hectare, bedoeld in artikel 67, tweede lid; en
c. de forfaitaire stikstofgehalten,
onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bedoeld in artikel 67, tweede
tot en met vijfde lid.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin, de voorwaarden
waaronder en de wijze waarop:
a. de hoeveelheid stikstof en de
hoeveelheid fosfaat van de bij die regeling te onderscheiden
diervoeders in zoverre in afwijking van artikel 67, eerste lid,
wordt bepaald op basis van de bij die regeling vast te stellen
forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
en
b. de hoeveelheid aangevoerde of
afgevoerde dierlijke meststoffen in zoverre in afwijking van
artikel 68, wordt bepaald op basis van de bij die regeling vast te
stellen forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk
fosfaatgehalten.
3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde forfaits kunnen onderscheiden naar mestvorm, diersoort en
diercategorie en bedrijfssysteem verschillend worden vastgesteld.
4. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld met betrekking tot devaststellingen ten behoeve
van de bepaling van de hoeveelheden, bedoeld in de artikelen 66, 67,
68 en 69 en ten behoeve van de bepaling van de fosfaattoestand en de
gewasopbrengst, bedoeld in artikel 69a. Deze regels kunnen betrekking
hebben op:
a. de methode van gewichtsbepaling,
volumebepaling, bemonstering, analyse en bepaling van het
ureumgehalte van koemelk;
b. de ten behoeve van de
vaststelling te gebruiken apparatuur;
c. de bevoegdheid tot het doen van
de vaststelling, welke bevoegdheid kan worden verbonden aan een
door Onze Minister overeenkomstig bij die regeling gestelde
erkenningsvoorwaarden verleende erkenning;
d. de plaats, het moment en de
frequentie van vaststelling, daaronder begrepen tellingen voor de
vaststelling van het gemiddelde aantal dieren; en
e. de verantwoording van de
vaststellingen.
Hoofdstuk XI. Overige bepalingen
Artikel 71
1.Voor de toepassing van de krachtens
artikel 11, zesde lid, van de wet gestelde regels meldt de landbouwer
zijn bedrijf uiterlijk 31 december van het desbetreffende jaar aan bij
Onze Minister.
2.De in het eerste lid bedoelde melding
vindt plaats door indiening van het volledig en naar waarheid
ingevulde en ondertekende daartoe bestemde formulier, dat door Onze
Minister wordt verstrekt.
Artikel 72
1.Ter uitvoering van de artikelen 35,
36, 43, 45 en 46 en de krachtens artikel 70, vierde lid, gestelde
regels, kan bij ministeriële regeling medewerking gevorderd van het
bestuur van een bedrijfslichaam.
2.De in het eerste lid bedoelde
medewerking kan bestaan uit het verrichten van de noodzakelijke
werkzaamheden en het overeenkomstig de krachtens de artikelen 36, 46
en 70, vierde lid, gestelde regels, bij verordening stellen van nadere
regels, inzake het inwinnen en registreren van de in de artikelen 35,
36, 43, 45 en 46 bedoelde gegevens alsmede inzake de bepaling van het
ureumgehalte van koemelk en de bevoegdheid tot het doen van de voor de
bepaling van dat gehalte noodzakelijke vaststellingen.
3.De krachtens verordening vastgestelde
voorschriften en vastgestelde besluiten behoeven de goedkeuring van
Onze Minister.
4.Onze Minister kan met betrekking tot
het verlenen van medewerking beleidsregels stellen.
Artikel 73
1. De hoogte van de op grond van
artikel 62, tweede lid, van de wet te bepalen bestuurlijke boete
bedraagt voor de volgende categorieën:
a. niet op de voorgeschreven wijze
administreren, registreren of invullen van gegevens: € 50;
b. niet tijdig administreren,
registreren of niet tijdig indienen: € 100;
c. niet volledig administreren,
registreren of niet volledig invullen of niet ondertekenen: €
200;
d. niet naar waarheid
administreren, registreren of niet naar waarheid invullen: €
300;
e. niet administreren, registreren,
niet indienen, niet aanwezig hebben: € 300.
2. Bij ministeriële regeling wordt per
overtreding de hoogte van de bestuurlijke boete aangewezen
overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 74
[Wijzigt het Besluit identificatie en
registratie van dieren]
Artikel 75
[Wijzigt het Besluit diervoeders]
Artikel 76
[Wijzigt het Destructiebesluit]
Artikel 77
1.In afwijking van artikel 4, eerste
lid, is het verhandelen van meststoffen ten aanzien waarvan niet is
voldaan aan de bij of krachtens Hoofdstuk III van dit besluit gestelde
regels, tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip
toegestaan, voor zover ten aanzien van die meststoffen is voldaan aan
de bij of krachtens het Meststoffenbesluit 1977 gestelde regels, zoals
deze luidden op het tijdstip waarop artikel 4 in werking is getreden,
dan wel voor zover ten aanzien van die meststoffen krachtens artikel 7
van het Meststoffenbesluit 1977, zoals dat luidde op het tijdstip
waaropartikel 4 in werking is getreden, ontheffing is verleend, mits
deze meststoffen verhandeld worden overeenkomstig de aan de ontheffing
verbonden voorschriften en beperkingen.
2.Het krachtens het eerste lid te
bepalen tijdstip kan voor de in dat lid te onderscheiden meststoffen
verschillend worden vastgesteld en is gelegen in de periode van drie
jaar volgend op het tijdstip waarop artikel 4 in werking is getreden.
Artikel 78
Dit besluit treedt in werking met ingang
van 1 januari 2006.
Artikel 79
Dit besluit wordt aangehaald als:
Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 9 november 2005
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de negenentwintigste
december 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlagen niet opgenomen
|