| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Meststoffenwet
UITVOERINGSREGELING
MESTSTOFFENWET
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende
regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling
Meststoffenwet)
De Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 5d, eerste en vierde lid,
5e, vijfde en zesde lid, 5f, derde en vijfde lid, 5g,
59b, 60 en 69 van de Meststoffenwet;
Gelet op artikel 64 van de Wet
bodembescherming;
Gelet op de artikelen 26, tweede en derde lid,
28, tweede lid, onderdeel b, 35, eerste lid, onderdeel b,
36, 41, 46, 52, 53, derde lid, 54, 55, derde lid, 56, 64, 70 en 71 van
het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
Gelezen het advies van de Technische Commissie
Bodembescherming;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
a. wet: Meststoffenwet;
b. besluit: Uitvoeringsbesluit
Meststoffenwet;
c. Dienst Regelingen: Dienst
Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie;
d. derogatiebeschikking:
beschikking nr. 2005/880/EG van de Europese Commissie van 8
december 2005 tot verlening van een door Nederland gevraagde
derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming
van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische
bronnen (PbEU L 324), zoals gewijzigd bij besluit nr. 2010/65/EU
van de Europese Commissie van 5 februari 2010 (PbEG L35);
e. gewasperceel: perceel of deel
van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop
één en hetzelfde gewas als bedoeld in bijlage A, wordt geteeld;
f. vloeibaar zuiveringsslib:
zuiveringsslib dat verpompbaar is;
g. Raad: Raad voor Accreditatie te
Utrecht;
h. minister: Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
i. mineralenconcentraat: door
middel van ultrafiltratie of gelijkwaardige industriële
technieken, gevolgd door omgekeerde osmose uit dierlijke
meststoffen als eindproduct vervaardigd concentraat;
j. weegwerktuig: niet-automatisch
weegwerktuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het
Meetinstrumentenbesluit I en dat voldoet aan de bij of krachtens
dat besluit gestelde regels;
k. vaste mest: dierlijke
meststoffen die niet verpompbaar zijn;
l. automatische bemonsterings- en
verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in artikel 49,
eerste lid, van het besluit in samenhang met artikel 78,
onderscheidenlijk 79;
m. AGR-apparatuur: apparatuur voor
automatische gegevensregistratie;
n. vervoersbewijs dierlijke
meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in artikel 53 van het
besluit in samenhang met artikel 60;
o. vervoersbewijs zuiveringsslib en
compost: vervoersbewijs als bedoeld in artikel 55 van het besluit
in samenhang met artikel 68;
p. mestkorrels: dierlijke
meststoffen die in een overeenkomstig artikel 24, eerste lid,
onderdeel f, van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees
Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van
gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie
bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300) erkende
inrichting of bedrijf zodanig zijn bewerkt dat het
drogestofgehalte ervan ten minste 90% bedraagt;
q. mengvoeder: mengvoeder als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Kaderwet
diervoeders;
r. combinatienummer: nummer dat
door de Dienst Regelingen ter identificatie van een
transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer
middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van
artikel 45, vierde en zesde lid, verstrekte gegevens en in het
geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld
uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens;
s. champost: product van
paardenmest, ponymest, pluimveemest of een mengsel daarvan waarop
champignons zijn geteeld;
t. kennisgeving van overgang:
kennisgeving van overgang van een productierecht, of een gedeelte
daarvan, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet;
u. vervreemder van een
productierecht: landbouwer van wiens bedrijf een productierecht,
of een gedeelte daarvan, afkomstig is;
v. verwerver van een
productierecht: landbouwer naar wiens bedrijf een productierecht,
of een gedeelte daarvan, moet overgaan; en
w. hypotheekhouder: degene ten
gunste van wie een recht van hypotheek is gevestigd op een
registergoed behorende tot een bedrijf;
x. diereenheid: één
varkenseenheid of 14,8 pluimvee-eenheden;
y. verordening (EG) nr. 1069/2009:
verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de
Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van
gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie
bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300).
2. Voor de toepassing van hoofdstuk 3
wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan
hetgeen daaronder in artikel 1 van het besluit wordt verstaan.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze regeling, met
uitzondering van hoofdstuk 4, worden de hoeveelheden meststoffen en de
hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in
kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
Artikel 3
Als grond waarop bosbouw wordt
uitgeoefend die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet wordt
aangemerkt grond met een houtopstand die valt onder de vrijstelling,
bedoeld in de Regeling meldings- en herplantplicht.
Hoofdstuk 2. Verhandelen van meststoffen
Artikel 4
Voor zover zij voldoen aan de artikelen 9
tot en met 15 van het besluit zijn aangewezen:
a. als afvalstoffen of reststoffen
die als meststof kunnen worden verhandeld, de in bijlage Aa, onder
I, opgenomen stoffen;
b. als afvalstoffen of reststoffen
die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren
tot de in bijlage Aa, onder II, opgenomen categorieën afvalstoffen
of reststoffen;
c. als afvalstoffen of reststoffen
die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen
worden gebruikt, de in bijlage Aa, onder III, opgenomen stoffen; en
d. als eindproducten die als meststof
kunnen worden verhandeld, de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen
eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
Artikel 5
gereserveerd
Artikel 6
1. Het is niet toegestaan
zuiveringsslib, de in bijlage Aa, onder I en II, opgenomen stoffen of
de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar
omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen
te mengen.
2. In afwijking van het eerste lid, is
het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib
onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de
afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de artikelen
92a en 92b en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij
of krachtens hoofdstuk III van het besluit ter zake van zuiveringsslib
gestelde regels.
3. Het is slechts toegestaan andere dan
in het eerste lid bedoelde meststoffen te mengen, indien deze
meststoffen afzonderlijk voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk III
van het besluit ter zake van die meststoffen gestelde regels en het
mengsel voldoet aan de bij of krachtens hoofdstuk III van het besluit
ter zake van die meststoffen gestelde regels.
Artikel 7
1. Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren,
bevatten ten minste één van de volgende nutriënten, in de daarbij
vermelde minimale hoeveelheid, uitgedrukt in gewichtsprocenten van de
droge stof:
a. magnesiumoxide (MgO): ten minste
15%;
b. calciumoxide (CaO): ten minste
25%;
c. zwaveltrioxide (SO3): ten minste
25%;
d. natriumoxide (Na2O): ten minste
50%.
2. Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren, bevatten
ten minste één van deze micronutriënten, in de in Bijlage 1,
Hoofdstuk E, van de meststoffenverordening voorgeschreven minimale
gehalten.
Artikel 8
Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren,
overschrijden niet de in bijlage Ab, onder tabel 1, opgenomen maximale
waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van
het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Artikel 9
Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die
organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten,
overschrijden niet de in bijlage Ab, onder tabel 2, opgenomen maximale
waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in
milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende
bestanddeel.
Artikel 10
In geval het betreft anorganische
meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of
secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper
en zink te leveren, is artikel 14 van het besluit, voor zover het
betreft de in bijlage II, onder tabel 1 van het besluit, opgenomen
maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk artikel 8, voor
zover het betreft de in bijlage Ab, onder tabel 1, opgenomen maximale
waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
a. de meststoffen overeenkomstig
artikel 14 zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk
zink; en
b. zowel de hoeveelheden primaire of
secundaire nutriënten als de hoeveelheden koper of zink die met de
desbetreffende meststof worden opgebracht, passen binnen het totale
bemestingsadvies.
Artikel 11
Overige anorganische meststoffen die
hoofdzakelijk zijn bedoeld om micronutriënten te leveren zijn voorzien
van een gebruiksaanwijzing die past bij de bodemgesteldheid en de teelt
waarvoor de meststof wordt gebruikt.
Artikel 12
1. De gehalten stikstof en fosfaat in
meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het
besluit, worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element
(N) en voor fosfaat in de vorm van het oxide (P2O5) en desgewenst in
de vorm van het element (P) uitgedrukt
2. De waardegevende bestanddelen in
meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het
besluit, met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend
te worden vermeld voor zover deze de in de artikelen 9 tot en met 12
van het besluit en de in artikel 7 van deze regeling bedoelde minimale
hoeveelheden te boven gaan.
3. De in het tweede lid bedoelde
gegevens worden voor kalium, calcium, magnesium, natrium en zwavel in
de vorm van het oxide (K2O; CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en
desgewenst in de vorm van het element (K; Ca; Mg; Na onderscheidenlijk
S) uitgedrukt.
4. De hoeveelheid van de meststoffen,
bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, van het besluit, wordt
uitgedrukt in kilogrammen of in tonnen.
Artikel 13
1. Behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn overige organische
meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in
bijlage Aa opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de
desbetreffende stof op deze bijlage is vermeld.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn mengsels van meststoffen
voorzien van gegevens over de meststoffen waaruit het mengsel bestaat
en de verhouding waarin deze in het mengsel voorkomen.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit
ingevolge artikel 4, onderdeel c, aangewezen stoffen, wordt bij de in
het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding
tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op bijlage
Aa, onder III, is vermeld.
Artikel 14
In geval het betreft anorganische
meststoffen die niet alleen primaire of secundaire nutriënten, maar ook
de micronutriënten koper of zink leveren, zijn de meststoffen voorzien
van gegevens inzake de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink.
Artikel 15
1. De gehalten aan stikstof, fosfor en
kalium in EG-meststoffen worden voor stikstof uitsluitend in de vorm
van het element (N) en voor fosfor en kalium in de vorm van het oxide
(P2O5 onderscheidenlijk K 2O), en desgewenst in de vorm van het
element (P onderscheidenlijk K) uitgedrukt.
2. De gehalten aan calcium, magnesium,
natrium en zwavel in EG-meststoffen worden in de vorm van het oxide (CaO;
MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het
element (Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.
Artikel 16
1. De gehalten stikstof en fosfaat in
meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het
besluit, worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de
gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende
meststof overeenkomstig artikel 17, dan wel artikel 92a tot en met 92b
voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
2. De waardegevende bestanddelen in
meststoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het
besluit, met uitzondering van stikstof en fosfaat worden in
gewichtsprocenten of op gewichtsbasis vermeld en komen overeen met:
a. de gehalten aan overige
nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof
overeenkomstig artikel 17 zijn vastgesteld;
b. het organischestofgehalte zoals
dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 18 is
vastgesteld; of
c. de neutraliserende waarde zoals
deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig artikel 19 is
vastgesteld.
Artikel 17
1. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost,
alsmede de gehalten aan overige nutriënten in meststoffen worden
vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende
meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen
representatief monster.
2. De analyse van het monster geschiedt
overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën
meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel I, of door middel
van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een
laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Artikel 18
1. Het organischestofgehalte in
meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de
desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende
bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt
overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën
meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel II, of door middel
van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een
laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Artikel 19
1. De neutraliserende waarde van
meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de
desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende
bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt
overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën
meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel III, of door middel
van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een
laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Artikel 20
1. Het drogestofgehalte in meststoffen
wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de
desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende
bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt
overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën
meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel IV, of door middel
van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een
laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Artikel 21
1. De hoeveelheden zware metalen in
meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de
desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende
bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De bemonstering van zuiveringsslib
geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in artikel 9, in
samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de
bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik
van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt
overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën
meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel V, of door middel
van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een
laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Artikel 22
1. De hoeveelheden organische
microverontreinigingen in meststoffen wordt vastgesteld door middel
van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen
geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt
overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën
meststoffen is opgenomen in bijlage Ac, onderdeel VI, of door middel
van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een
laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Artikel 23
Het tijdstip, bedoeld in artikel 77 van
het besluit bedraagt voor alle meststoffen 1 januari 2011.
Hoofdstuk 3. Gebruiksnormen
§ 1. Derogatie
Artikel 24
1. De gebruiksnorm voor dierlijke
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de wet, is 250
kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende
oppervlakte landbouwgrond, indien wordt voldaan aan elk van de
voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25, 27 en27a.
2. De in het eerste lid bedoelde
gebruiksnorm is uitsluitend van toepassing op dierlijke meststoffen
afkomstig van graasdieren.
Artikel 25
1. Uiterlijk op 31 januari van het
kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld inartikel 24, eerste lid,
wordt toegepast, meldt de landbouwer het bedrijf voor de toepassing
van artikel 24, eerste lid, aan bij de Dienst Regelingen.
2. Bij de melding doet de landbouwer
opgave van de oppervlakte landbouwgrond die naar verwachting op 15 mei
van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24,
eerste lid, wordt toegepast, tot het desbetreffende bedrijf behoort.
3. Met de melding verklaart de
landbouwer dat hij artikel 10 in samenhang met de artikelen 7 en 8 van
de wet, de bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 9 in samenhang met de
hoofdstukken IV, VI en X van het besluit gestelde regels, de artikelen
4b en 8a van het Besluit gebruik meststoffen, het vijfde tot en met
het zesde lid en de artikelen 27 en27a, naleeft en ten aanzien van
zijn bedrijf doet naleven.
4. De landbouwer betaalt ten behoeve
van ’s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die
samenhangen met de monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 8 van
de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte
landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in Bijlage Ad. Bij de melding
stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot
betaling de Dienst Regelingen in staat dit bedrag te innen.
5. In het kalenderjaar waarin de
gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt toegepast,
wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten
minste zeventig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te
worden gebruikt als ruwvoer.
6. De landbouwer verleent desgevraagd
zijn medewerking aan monitoringwerkzaamheden als bedoeld in artikel 8
van de derogatiebeschikking, in opdracht van de minister, de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of de
Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 26
Indien uit de voor het desbetreffende
kalenderjaar op grond van artikel 26 van het besluit verstrekte gegevens
blijkt dat de op 15 mei tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond, afwijkt van de bij de melding, bedoeld in artikel 25,
opgegeven oppervlakte landbouwgrond en als gevolg daarvan een ander
tarief, bedoeld in artikel 25, vierde lid, geldt, vindt navordering dan
wel terugbetaling plaats.
Artikel 27
1. De landbouwer stelt vóór 1
februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar
een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 5 van de
derogatiebeschikking.
2. De landbouwer herziet het
bemestingsplan uiterlijk zeven dagen nadat zich een wijziging in de
landbouwpraktijk heeft voorgedaan, indien dat noodzakelijk is om de
consistentie van het bemestingsplan te waarborgen.
3. De landbouwer bewaart het
bemestingsplan als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel
32 van het besluit.
Artikel 27a
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand
aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, wordt toegepast, zijn de waarde van de
fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de
bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond
vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium
dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm
NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. Het laboratorium stelt de
fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en
analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig
artikel 103a, eerste tot en met derde lid.
3. De landbouwer bewaart het
analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel
32 van het besluit.
4. Indien een perceel door de
landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 15 mei van
het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste
lid, wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het
eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
Artikel 27b
Als vaststelling van de fosfaattoestand
van de bodem, bedoeld inartikel 27a, tweede lid, wordt tevens aangemerkt
de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem:
a. die tot en met 31 oktober 2009 is
verricht overeenkomstig artikel 27zoals dit artikel luidde op 31
december 2009; of
b. bemonstering en analyse van de
bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol met
uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven
vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan
wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het
monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari
2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
§ 2. Stikstofgebruiksnorm
Artikel 28
1. Als hoeveelheid stikstof als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, van de wet wordt vastgesteld de hoeveelheid
stikstof die in bijlage A, tabel 1, bij het desbetreffende gewas onder
het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof
per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de
grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal
voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar,
de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of
op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip
waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt
toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat:
a. de hoeveelheid stikstof die bij
‘tijdelijk grasland’ en bij‘groenbemesters’ is vermeld,
niet geldt voor tijdelijk grasland dat wordt, onderscheidenlijk
groenbemesters die worden geteeld aansluitend op de teelt van
maïs;
b. de hoeveelheid stikstof die bij
de onder de gewasgroep ‘groenbemesters’onderscheiden gewassen
is vermeld, uitsluitend van toepassing is indien de groenbemester:
1°. is ingezaaid vóór 1
september en is geploegd na 1 december, voor zover de
groenbemester wordt geteeld op zand-, löss- of veengrond;
2°. is ingezaaid vóór 1
september en aantoonbaar ten minste acht weken wordt geteeld
alvorens te worden geploegd, voor zover de groenbemester wordt
geteeld op kleigrond; of
3°. gedurende een periode van
ten minste tien weken wordt geteeld in het groeiseizoen en
aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld.
c. de hoeveelheid stikstof die bij
‘Consumptieaardappelen Vroeg’ is vermeld, uitsluitend geldt
indien het loof voor 15 juli van het desbetreffende jaar wordt
vernietigd;
d. de hoeveelheid stikstof die bij
‘Pootaardappelen Uitgroeiteelt’ is vermeld, uitsluitend geldt
indien het loof na 15 augustus van het desbetreffende jaar wordt
vernietigd; en
e. de hoeveelheid stikstof die
onder ‘lössgrond’ is vermeld, uitsluitend geldt indien het
grond betreft die is ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm
van het maaiveld voor meer dan de helft bestaat uit leem met een
kleinere fractie dan 50µm.
2. Indien het gewogen gemiddelde van de
hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende
oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit
Bijlage A, tabel 1, in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten
hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid
stikstof, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet in het
desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110
kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende
oppervlakte landbouwgrond.
Artikel 28a
1. In afwijking van artikel 28 bedraagt
de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de
wet, voor suikerbieten en voor de inbijlage A, tabel 5, vermelde
consumptieaardappelrassen, voor zover de teelt van deze gewassen op
kleigrond plaatsvindt, de hoeveelheid stikstof die in bijlage A, tabel
1, bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is
vermeld, vermeerderd met 15 kilogrammen onderscheidenlijk 30
kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende
oppervlakte landbouwgrond, indien:
a. voor zover het het gewas
suikerbieten betreft, de gemiddelde opbrengst van het totale
areaal suikerbieten dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond
werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar
voorafgaande jaren, ten minste 75 ton per hectare bedroeg;
b. voor zover het de in bijlage A,
tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, de gemiddelde
opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen
dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld,
gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande
jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg;
c. de landbouwer de in het tweede
lid bedoelde afnemers heeft gemachtigd om desgevraagd gegevens
over de afgenomen hoeveelheden suikerbieten of
consumptieaardappelen te verstrekken aan de Dienst Regelingen;
d. de landbouwer het desbetreffende
bedrijf uiterlijk op 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar
heeft aangemeld bij de Dienst Regelingen;
e. de landbouwer bij de melding,
bedoeld in onderdeel d, heeft verklaard dat ten aanzien van het
desbetreffende bedrijf is voldaan aan de onderdelen a, b, in
samenhang met het tweede lid, en aan onderdeel c;
f. de landbouwer als onderdeel van
de administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, gegevens
bewaart waaruit in voorkomend geval ter zake van elk van de drie
aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren blijkt:
1°. welke
consumptieaardappelrassen op zijn bedrijf werden geteeld;
2°. het aantal hectaren
kleigrond dat met de desbetreffende consumptieaardappelrassen
of suikerbieten is beteeld;
3°. de hoogte van de
gewasopbrengst; en
4°. de afnemers van de
desbetreffende gewassen.
2. Voor de bepaling van de
gewasopbrengst, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt
uitsluitend in aanmerking genomen de hoeveelheid suikerbieten,
onderscheidenlijk consumptieaardappelen die door de desbetreffende
landbouwer rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een daartoe
gespecialiseerd bedrijf dat zich toelegt op het sorteren van
suikerbieten of consumptieaardappelen, zijn afgeleverd aan afnemers
die de suikerbieten onderscheidenlijk de consumptieaardappelen tot
voor menselijke consumptie geschikte producten verwerken.
Artikel 29
1. Bij de bepaling van de in artikel
12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de
hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in bijlage B vermelde
organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het
percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de
desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen
die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn
gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of
in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de
omstandigheid ‘op bedrijf met beweiding’ of ‘op bedrijf zonder
beweiding’vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het
desbetreffende bedrijf de in bijlage A, tabel 1, bij ‘grasland met
beweiden’ onderscheidenlijk ‘grasland met volledig maaien’
vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt
toegepast.
2. Indien het mengsels van organische
meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in artikel 12,
tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid
stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste
percentage dat in bijlage B is vermeld bij de meststoffen die het
mengsel bevat.
§ 3. Fosfaatgebruiksnorm voor grond met
lage fosfaattoestand
Artikel 29a
1. De fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet, is per
hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond voor zover het grond met lage fosfaattoestand betreft,
100 kilogram fosfaat per jaar.
2. De fosfaatgebruiksnorm voor
meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet, is per
hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte
landbouwgrond voor zover het grond met lage fosfaattoestand betreft,
85 kilogram fosfaat per jaar.
Artikel 30
1. In afwijking van artikel 29a, eerste
lid, is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8,
onderdeel c, van de wet, per hectare grasland van de tot het bedrijf
behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel
gewasperceel, waarvan blijkens de aan de Dienst Regelingen verstrekte
gegevens de waarde van de fosfaattoestand van de bodem lager is dan
het PAL-getal 16, 120 kilogram fosfaat in 2010, 2011, 2012 en 2013.
2. In afwijking van artikel 29a, tweede
lid, is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in artikel 8,
onderdeel c, van de wet, per hectare bouwland van de tot het bedrijf
behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel
gewasperceel, waarvan blijkens de aan de Dienst Regelingen verstrekte
gegevens de waarde voor de fosfaattoestand van de bodem lager is dan
het Pw-getal 25, 120 kilogram fosfaat in 2010, 2011, 2012 en 2013,
waarvan ten hoogste 85 kilogram fosfaat in de vorm van organische
meststoffen.
3. De aan het slot van het tweede lid
bedoelde beperking geldt niet indien het bouwland betreft dat behoort
tot een bedrijf dat overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de
Landbouwkwaliteitsregeling 2007 is geregistreerd bij de Stichting Skal,
4. Zolang op grond van artikel 11,
vijfde lid, van de wet voor de jaren 2014 en volgende geen afwijkende
fosfaatgebruiksnorm is vastgesteld, blijft de in het eerste en tweede
lid genoemde fosfaatgebruiksnorm van toepassing.
Artikel 31
1. De fosfaatgebruiksnorm, bedoeld
inartikel 30, is uitsluitend van toepassing gedurende vier
kalenderjaren, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding,
bedoeld in artikel 32, eerste lid, is gedaan, indien is voldaan aan
elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32 en 33, eerste en
derde lid.
2. Indien de percelen dan wel de
gewaspercelen, bedoeld in artikel 30, eerste en tweede lid, in de in
het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een
andere landbouwer, is de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 30,
gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de
landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen
onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de
eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan
de Dienst Regelingen.
Artikel 32
1. Uiterlijk op 15 mei van het eerste
kalenderjaar van de in artikel 31, eerste lid, bedoelde periode van
vier kalenderjaren waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel
30, eerste of tweede lid, wordt toegepast, meldt de landbouwer bij de
Dienst Regelingen:
a. de oppervlakte en de ligging van
de percelen dan wel gewaspercelen grasland waarop de landbouwer de
in artikel 30, eerste lid, bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast;
b. de oppervlakte en de ligging van
de percelen dan wel gewaspercelen bouwland waarop de landbouwer de
in artikel 30, tweede lid, bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast;
en
c. de naam en het adres van het
laboratorium en de datum, waarop het analyserapport is opgesteld,
bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk in artikel 33, eerste
lid.
2. De fosfaattoestand van het perceel
dan wel gewasperceel is ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de
datum, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door een laboratorium
dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm
NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Artikel 33
1. Het laboratorium, bedoeld in artikel
32, tweede lid, verricht de bemonstering en analyse van de bodem van
de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen
overeenkomstig het in bijlage C opgenomen protocol en stelt een
analyserapport op.
2. Het analyserapport bevat voor ieder
bemonsterd perceel dan wel gewasperceel in ieder geval de volgende
gegevens:
a. de naam en het adres van de
landbouwer wiens percelen dan wel gewaspercelen zijn bemonsterd;
b. de exacte locatie van elk
betrokken perceel dan wel gewasperceel, vastgesteld met behulp van
GPS-gegevens;
c. het aantal steken dat werd
genomen uit de bodemlaag;
d. een schema of een tekening van
de locaties waaruit de bodemmonsters zijn gestoken;
e. het codenummer van het
mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel;
f. de waarnemingen tijdens de
monstername die mogelijk van invloed kunnen zijn op de uitkomsten
van het onderzoek;
g. de extractiedatum en
analysedatum van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel
gewasperceel;
h. de resultaten van de analyses;
i. bijzondere waarnemingen, die
tijdens de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel
dan wel gewasperceel zijn gedaan; en
j. alle niet in bijlage C
voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van
het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel
hebben beïnvloed.
3. De landbouwer bewaart een afschrift
van het analyserapport gedurende vijf jaar na afloop van het
kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 30,
eerste of tweede lid, wordt toegepast als onderdeel van de
administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit.
§ 4. Fosfaatvrije voet en
fosfaatverrekening
Artikel 34
Bij de bepaling van de in artikel 12,
vierde lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen, wordt:
a. 50 procent van de hoeveelheid
fosfaat in compost niet in aanmerking genomen, tot een maximum van
3,5 kilogram fosfaat per 1000 kilogram droge stof;
b. in de jaren 2006 tot en met 2009
50 procent van de hoeveelheid fosfaat in schuimaarde niet in
aanmerking genomen.
Artikel 35
1. Een landbouwer kan in enig
kalenderjaar ten aanzien van zijn bedrijf in afwijking van artikel 11,
tweede, derde, vierde of vijfde lid, van de wet, een hogere
fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen op bouwland toepassen, indien de
hoeveelheid fosfaat waarmee de ingevolge artikel 11, tweede, derde,
vierde of vijfde lid, van de wet, geldende fosfaatgebruiksnorm is
overschreden in het navolgende kalenderjaar volledig wordt
gecompenseerd.
2. De hogere fosfaatgebruiksnorm,
bedoeld in het eerste lid, is niet meer dan 20 kilogram fosfaat per
hectare per jaar hoger dan de fosfaatgebruiksnorm die geldt ingevolge
artikel 11, tweede, derde, vierde of vijfde lid, van de wet.
§ 5. Tijdelijke vrijstelling
mineralenconcentraat
Artikel 35a
1. In de periode van 1 januari 2009 tot
en met 31 december 2013 vindt een onderzoek plaats naar de
landbouwkundige en milieukundige effecten met betrekking tot de
productie, de afzet en het gebruik van mineralenconcentraat.
2. Aan het onderzoek kan worden
deelgenomen door ten hoogste tien producenten van
mineralenconcentraat.
3. Een producent van
mineralenconcentraat die wil deelnemen aan het onderzoek kan zich
hiertoe, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter
identificatie van het bedrijf of de onderneming van de producent
verstrekte relatienummer, uiterlijk 15 april 2009 aanmelden bij de
Dienst Regelingen.
4. Bij de aanmelding overlegt de
producent gegevens over:
a. de naam, het correspondentie- en
e-mailadres van de contactpersoon;
b. het adres van de
bedrijfsgebouwen waar mineralenconcentraat wordt geproduceerd;
c. de kadastrale aanduiding van de
onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende
opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de
producent een intermediair is, het registratienummer van de
opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in artikel 49.
5. Bij de aanmelding overlegt de
producent voorts een beschrijving van:
a. de installatie;
b. de mestsoorten die worden
verwerkt, de hoeveelheden daarvan, uitgedrukt in tonnen en in
kilogrammen stikstof en fosfaat per jaar, en de hoeveelheid, de
aard en de samenstelling van de eventueel tezamen met de dierlijke
meststoffen bewerkte of verwerkte stoffen;
c. het productieproces, waaronder
de gebruikte technieken, de volgorde waarin deze worden toegepast
en de capaciteit per uur van de desbetreffende apparatuur;
d. de eindproducten van het
productieproces, de hoeveelheden daarvan, uitgedrukt in tonnen per
jaar, en de verwachte samenstelling ervan, onderscheiden naar de
verschillende eindproducten;
e. de maximale
verwerkingscapaciteit van de installatie in tonnen per jaar.
6. Voor zover de in het vijfde lid
bedoelde beschrijvingen zijn verstrekt op grond van de wet en niet
zijn gewijzigd, behoeven deze niet opnieuw te worden verstrekt.
Artikel 35b
1. De minister wijst een producent van
mineralenconcentraat aan als deelnemer indien:
a. de producent zich overeenkomstig
artikel 35a, derde tot en met zesde lid, heeft aangemeld;
b. de producent de volledige
zeggenschap over de gehele installatie en het productieproces
heeft;
c. de bedrijfsgebouwen waar het
mineralenconcentraat wordt geproduceerd, behoren tot het bedrijf
of de onderneming van de producent;
d. de installatie uiterlijk 15
april 2009 volledig operationeel is;
e. de producent daadwerkelijk
mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen,
bedoeld in artikel 35a, vijfde lid.
2. De minister kan aan de aanwijzing
nadere voorschriften verbinden. De aan de aanwijzing verbonden
voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
Artikel 35c
Indien meer dan tien producenten voldoen
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 35b, eerste lid, wijst de
minister ten hoogste tien producenten aan. De aanwijzing geschiedt
zodanig dat een zo groot mogelijke spreiding wordt bereikt naar de
gebruikte technieken, de te verwerken mestsoort, de vestigingsplaats van
de installatie en de omvang van de jaarlijkse productie.
Artikel 35d
1. Een aangewezen producent verleent
indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke
medewerking aan het in artikel 35a, eerste lid, bedoelde onderzoek.
2. Een aangewezen producent produceert
overeenkomstig de op grond van artikel 35a, vierde tot en met zesde
lid, overgelegde gegevens en beschrijvingen.
3. De aangewezen producent meldt de
wijzigingen in de gegevens, bedoeld in artikel 35a, vierde lid, binnen
30 dagen aan de Dienst Regelingen.
4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld
in artikel 35a, vijfde lid, vinden niet plaats dan na instemming van
de minister.
5. De aangewezen producent draagt er
zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in
bijlage I voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld,
indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op
grond van artikel 35a, vijfde lid, overgelegde beschrijving van het
productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd
naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het
mineralenconcentraat heeft gesloten.
6. Het gewicht van en het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de
onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid
mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp
van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een
uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit
monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 81.
7. Ingeval de aangewezen producent een
intermediair is, heeft de in artikel 14, eerste lid, van de
Meststoffenwet bedoelde verantwoording betrekking op zowel de
hoeveelheid fosfaat als de hoeveelheid stikstof.
8. Indien de aangewezen producent niet
voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge artikel 35b, tweede lid,
gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer
voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.
Artikel 35e
De landbouwer die op zijn bedrijf
mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het
mineralenconcentraat, voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013
vrijgesteld van artikel 7 van de wet, voor zover het gebruik van de
totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm,
bedoeld in artikel 8, onderdeel b, van de wet, en de fosfaatgebruiksnorm,
bedoeld in artikel 8, onderdeel c, van de wet, niet overschrijdt, en
indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in artikel 35f.
Artikel 35f
1. De landbouwer heeft met een
overeenkomstig artikel 35b aangewezen producent van
mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot
afname van het mineralenconcentraat.
2. Het desbetreffende bedrijf van de
landbouwer is voor de toepassing van artikel 35e elektronisch bij de
Dienst Regelingen aangemeld, onder vermelding van het door de Dienst
Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer.
Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht
mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd.
3. Het mineralenconcentraat is
rechtstreeks vanaf het bedrijf of de onderneming van de in het eerste
lid bedoelde producent op het bedrijf van de landbouwer aangevoerd.
4. Het gewicht van en het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de
landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald
door middel van weging met behulp van een weegwerktuig
onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de
desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster
en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de artikelen
78 tot en met 81.
5. Op het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen dat de desbetreffende aangevoerde vracht vergezelt, is de
in bijlage I voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld.
6. De landbouwer houdt in de
administratie, bedoeld in artikel 32 van het besluit, de gegevens bij
over de oppervlakte en de ligging van de percelen van zijn bedrijf
waarop mineralenconcentraat op of in de bodem is gebracht.
7. De landbouwer verleent indien door
of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking
aan het in artikel 35a, eerste lid, bedoelde onderzoek.
8. Bij de bepaling van de in artikel
12, tweede lid, van de wet bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt voor
het desbetreffende bedrijf de hoeveelheid stikstof in het
mineralenconcentraat voor 100 procent in aanmerking genomen.
Artikel 35g
Deze paragraaf vervalt met ingang van 1
januari 2014.
Hoofdstuk 4. Opslagcapaciteit dierlijke
meststoffen
Artikel 36
1. Als forfaitaire productienormen als
bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het
besluit worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën
de normen vastgesteld die zijn vermeld in bijlage D, tabel I, kolom A.
2. Indien de omschrijving behorende bij
een diercategorie niet overeenkomt met de feitelijke situatie, worden
de normen gehanteerd van de diercategorie waarvan de omschrijving het
meest aansluit bij de feitelijke situatie.
Hoofdstuk 5. Administratieve
verplichtingen landbouwers
Artikel 37
1. De aanmelding, bedoeld in artikel
31, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na
inwerkingtreding van deze regeling bij de Dienst Regelingen.
2. Indien een landbouwbedrijf wordt
opgericht na 1 januari 2006, geschiedt de aanmelding, bedoeld in het
eerste lid, uiterlijk 30 dagen na oprichting.
3. De gegevens, bedoeld in artikel 31,
tweede lid, onderdeel a, van het besluit, betreffen mede:
a. het adres van de
bedrijfsgebouwen waar dierlijke mest wordt geproduceerd; en
b. het correspondentieadres van de
landbouwer, indien dit afwijkt van het adres, bedoeld in onderdeel
a.
4. Wijzigingen in de ingevolge artikel
31 van het besluit verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de
datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst
Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer,
gemeld aan deze dienst.
Artikel 38
1. De gegevens, bedoeld in artikel 32,
tweede lid, onderdeel c, van het besluit, betreffen uitsluitend die
percelen landbouwgrond die bij het bedrijf in het kader van normale
bedrijfsvoering in gebruik zijn en die al dan niet gedeeltelijk zijn
gelegen in Duitsland of in België, tot 20, onderscheidenlijk tot 25
kilometer uit de Nederlandse grens.
2. De gegevens, bedoeld in artikel 32,
tweede lid, onderdeel e, van het besluit, worden onderscheiden naar
diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de
omschrijvingen in bijlage D, tabel I.
3. De gegevens, bedoeld in artikel 32,
tweede lid, onderdeel g, van het besluit, worden per afzonderlijke
opslagruimte weergegeven.
4. Indien op een bedrijf ‘covergiste
mest’ als bedoeld in bijlage Aa, onder IV, 1 wordt geproduceerd,
worden de gegevens, bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel c, van
het besluit, onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke
meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de
daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage
Aa, onder IV, 1, en bevat de administratie behalve de gegevens,
bedoeld in artikel 33, derde lid, van het besluit, gegevens over het
bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is
vrijgekomen.
Artikel 39
Behalve de gegevens, bedoeld in artikel
32, tweede lid, van het besluit, bevat de administratie van de
landbouwer gegevens over:
a. de hoeveelheid dierlijke
meststoffen die in de periode van 1 januari tot en met 31 januari of
van 16 september tot en met 31 december, op zijn bedrijf op bouwland
op kleigrond of veengrond op of in de bodem is gebracht; en
b. de oppervlakte en de ligging van
de percelen van zijn bedrijf waarop zuiveringsslib op of in de bodem
is gebracht.
Artikel 40
1. Wijzigingen in de aantallen op het
bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen,
kalkoenen en runderen, worden binnen drie dagen na de datum waarop de
wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop
deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens
die de administratie ingevolge de artikelen 32, tweede lid, en 33 van
het besluit en de artikelen 38 en 39 bevat, worden binnen 30 dagen na
de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding
van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de
administratie opgenomen.
Artikel 41
De landbouwer die in de periode van 16
mei tot en met 31 oktober van een kalenderjaar een perceel landbouwgrond
in gebruik neemt dat voor deze periode in gebruik was bij een ander
bedrijf of een derde, doet hiervan binnen 30 dagen melding aan de Dienst
Regelingen.
Artikel 42
1. De landbouwer, bedoeld in artikel
35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, de landbouwer op wiens
bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf
daartoe voor het huidige kalenderjaar is aangemeld bij de Dienst
Regelingen overeenkomstig artikel 25, eerste lid, verstrekt jaarlijks
vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen met betrekking tot het
voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
a. de aan het eind van het
kalenderjaar op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen,
onderscheiden naar:
1°. vaste mest;
2°. drijfmest;
3°. zuiveringsslib en compost;
en
4°. meststoffen, anders dan
dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost;
b. de hoeveelheden meststoffen,
anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die
op of van het bedrijf zijn aangevoerd, onderscheidenlijk zijn
afgevoerd;
c. het gemiddelde aantal in het
kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens,
schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en
diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt
gemaakt in bijlage D, tabel I; en
d. het aantal aan- of afgevoerde
staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden
naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit
onderscheid wordt gemaakt in bijlage D, tabel I.
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31
december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden
mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig artikel
25, eerste lid, is aangemeld voor toepassing in 2006 van de
gebruiksnorm, bedoeld in artikel 24, eerste lid, verstrekt vóór 1
februari 2006 aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie
over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid
meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
3. De landbouwer die op het eigen
bedrijf geproduceerde koemelk zelf verwerkt tot eindproducten en die
50 procent of meer van de geproduceerde koemelk levert aan een koper
als bedoeld in de Regeling superheffing en melkpremie 2004, verstrekt
aan de minister gegevens met betrekking tot de op het bedrijf
geproduceerde hoeveelheid koemelk.
Artikel 43
1. De artikelen 26 en 31 tot en met 35
van het besluit en de artikelen 37 tot en met 42 zijn niet van
toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het
desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende
voorwaarden:
a. de som van de tot dan toe in dat
jaar op het bedrijf aangevoerde dierlijke meststoffen en de
productie van meststoffen door de op dat moment op het bedrijf
gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren op jaarbasis is ten
hoogste 350 kilogram stikstof;
b. de tot het bedrijf behorende
oppervlakte landbouwgrond is niet groter dan drie hectare.
2. De artikelen 32, tweede lid,
onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit en de artikelen 40,
eerste lid, en 42, eerste lid, onderdelen a, c en d, zijn niet van
toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in bijlage D, tabel
I, waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins
aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram
stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze
dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke
meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en
het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het
desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten
en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de
onderscheiden diersoorten en diercategorieën in bijlage D, tabel I,
kolom B, en tabel II vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt
in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
Artikel 44
De artikelen 32, tweede lid, onderdelen
e, g, en h, van het besluit en de artikelen 40 en 42, eerste lid,
onderdelen a en c, zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig
kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de
door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen,
indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende
voorwaarden:
a. het aantal in dat kalenderjaar
ingeschaarde schapen is niet groter dan 450;
b. inscharing van de schapen vindt
slechts gedurende één aaneengesloten periode van ten hoogste vier
weken in het kalenderjaar plaats in de periode van 1 januari tot 1
maart of in de periode van 1 oktober tot en met 31 december.
Hoofdstuk 6. Administratieve
verplichtingen intermediairs
Artikel 45
1. De aanmelding, bedoeld in artikel
38, eerste lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen na
inwerkingtreding van deze regeling bij de Dienst Regelingen.
2. Indien een intermediaire onderneming
wordt opgericht na 1 januari 2006, geschiedt de aanmelding, bedoeld in
het eerste lid, uiterlijk 30 dagen na oprichting.
3. De gegevens, bedoeld in artikel 38,
tweede lid, onderdeel a, van het besluit, betreffen mede:
a. de kadastrale aanduiding van de
onderscheiden locaties van de opslagruimten van de onderneming; en
b. het correspondentieadres van de
onderneming.
4. De gegevens, bedoeld in artikel 38,
tweede lid, onderdelen f en g, van het besluit, betreffen mede de
serienummers van de automatische bemonsterings- en
verpakkingsapparatuur en de AGR-apparatuur alsmede een aanduiding van
het type waartoe deze apparatuur behoort, het versienummer en de
fabrikant van deze apparatuur.
5. De gegevens, bedoeld in artikel 38,
tweede lid, onderdeel h, van het besluit, worden, voor zover het
opslagruimten voor drijfmest of vaste mest betreft, mede uitgedrukt in
kubieke meters onderscheidenlijk in vierkante meters.
6. Behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 38, tweede lid, van het besluit, verstrekt de intermediair ter
zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van drijfmest
exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn en waarop
overeenkomstig artikel 53, tweede lid, automatische bemonsterings- en
verpakkingsapparatuur is bevestigd, tenzij het vervoer van dierlijke
meststoffen van een bedrijf naar een intermediaire onderneming
plaatsvindt met behulp van een pijpleiding, tevens gegevens over:
a. het kenteken en de meldcode,
zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig
afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het een
motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet betreft; of
b. het chassisnummer van het
betrokken transportmiddel, voor zover het een ander
transportmiddel betreft.
7. Indien op een onderneming
zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of
verwerkt, verstrekt de intermediair behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 38, tweede lid, van het besluit, tevens een omschrijving van
de in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde
behandelingsmethode voor zuiveringsslib.
8. Wijzigingen in de ingevolge artikel
38 van het besluit of het zesde of zevende lid geregistreerde gegevens
worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder
vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van de
onderneming verstrekte relatienummer, gemeld aan deze dienst.
9. De artikelen 38 en 39 van het
besluit zijn niet van toepassing op tuincentra en hoveniers voor zover
deze meststoffen afvoeren naar een afnemer, die geen bedrijf of een
onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, voert.
Artikel 46
1. De gegevens, bedoeld in artikel 39,
tweede lid, onderdeel b, van het besluit, worden bijgehouden op het
daartoe door de Dienst Regelingen verstrekte formulier.
2. In plaats van het in het eerste lid
bedoelde formulier kunnen andere gegevensdragers worden gebruikt,
onder de voorwaarde dat daarbij dezelfde berekeningswijze wordt
gehanteerd als bij gebruik van het in het eerste lid bedoelde
formulier, het geval zou zijn geweest.
3. Voor zover het hoeveelheden
dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost betreft, worden de
gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het
besluit, ingevuld zoals deze ook zijn vermeld op het op de
desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs
dierlijke meststoffen, onderscheidenlijk vervoersbewijs zuiveringsslib
en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte
overzicht van de analyseresultaten.
4. Voor zover het hoeveelheden
mestkorrels, overige organische meststoffen en anorganische
meststoffen betreft, worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede
lid, onderdeel b, van het besluit, overgenomen van het etiket op de
verpakking, dan wel van het begeleidend document bij de meststoffen.
5. Behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit, bevat de
administratie met betrekking tot de overdracht van een opslagruimte
voor meststoffen, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel c, van
het besluit, het door de Dienst Regelingen ter identificatie
verstrekte relatienummer van de bij deze overdracht betrokken
intermediaire onderneming.
6. Indien op een onderneming
zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of
verwerkt, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit tevens gegevens over:
a. de in artikel 16, eerste lid,
van het besluit bedoelde behandelingsmethode voor zuiveringsslib;
b. de hoeveelheid geproduceerd,
bewerkt of verwerkt zuiveringsslib; en
c. de gehalten aan droge stof,
fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de
hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit
opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de
resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld
in artikel 21.
7. Indien op een onderneming compost
wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, bevat de
administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, tweede en
derde lid, van het besluit tevens gegevens over:
a. de hoeveelheid geproduceerde,
bewerkte of verwerkte compost; en
b. de gehalten aan droge stof,
fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden
van de in bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit opgenomen
zware metalen.
8. Indien op een onderneming ‘covergiste
mest’ als bedoeld inbijlage Aa, onder IV, 1 wordt geproduceerd,
worden de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, onderdeel c, van
het besluit, onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke
meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de
daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage
Aa, onder IV, 1, en bevat de administratie behalve de gegevens,
bedoeld in artikel 39, derde lid, van het besluit, gegevens over het
bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is
vrijgekomen.
Artikel 47
1. Wijzigingen in de gegevens die de
administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a
en c, en derde lid, van het besluit en artikel 46, vijfde lid, bevat,
worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft
voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de
administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het
besluit bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan
mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de
analyseresultaten, bedoeld in artikel 81, eerste lid, van het
laboratorium zijn ontvangen op het in artikel 46, eerste lid, bedoelde
formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de
administratie ingevolge artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het
besluit bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke
meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging
zich heeft voorgedaan op het in artikel 46, eerste lid, bedoelde
formulier verwerkt.
Artikel 48
1. De intermediair verstrekt jaarlijks
vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen met betrekking tot het
voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
a. de hoeveelheden meststoffen,
anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die
in het kader van de onderneming zijn aan- en afgevoerd;
b. de hoeveelheden meststoffen die
bij de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen aan of van
een andere intermediair op het moment van overdracht in de
desbetreffende opslagruimte aanwezig waren, onderscheiden naar
meststoffen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel a,
onder 1° tot en met 4°, alsmede het door de Dienst Regelingen
ter identificatie verstrekte relatienummer van bij deze overdracht
betrokken andere intermediaire onderneming; en
c. de aan het eind van het
kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen
onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in artikel 42, eerste
lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
2. De ondernemer in het kader van wiens
onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt
bewerkt of verwerkt, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de
Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de in het
voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige
hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, van het besluit
opgenomen zware metalen.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn
verstrekt door het laboratorium dat de analyses heeft verricht.
4. De Dienst Regelingen is bevoegd de
op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven
aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende
onderneming is gevestigd.
5. De intermediair die verschillende
partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van artikel 92b
een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte
opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de Dienst Regelingen het
stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat
voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid
zuiveringsslib met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid,
bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere
gegevensdragers is berekend.
Artikel 49
1. Op de opslagruimten voor
meststoffen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het
besluit, worden de door de Dienst Regelingen verstrekte
registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke
opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds
duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
2. De opslagruimten voor meststoffen
worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede
aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in
het eerste lid.
Hoofdstuk 7. Administratieve
verplichtingen overige leveranciers en afnemers
Artikel 50
1. De aanmelding door de ondernemer in
het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een
bedrijf met staldieren, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het
besluit, geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming
bij de Dienst Regelingen.
2. De aanmelding door de ondernemer in
het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt
verwerkt, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit,
geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming,
overeenkomstig de krachtens artikel 118 gestelde regels.
3. De aanmelding door de ondernemer in
het kader van wiens onderneming meststoffen worden verhandeld, bedoeld
in artikel 43, tweede lid, van het besluit, geschiedt binnen 30 dagen
na 1 januari 2008 bij de Dienst Regelingen. Indien een onderneming als
bedoeld in de vorige volzin wordt opgericht na 1 januari 2008,
geschiedt de aanmelding uiterlijk 30 dagen na oprichting.
4. Indien op een onderneming
zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of
verwerkt, verstrekt de ondernemer behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 43, derde lid, van het besluit, tevens een omschrijving van de
in artikel 16, eerste lid, van het besluit bedoelde
behandelingsmethode voor zuiveringsslib.
5. Wijzigingen in de ingevolge artikel
43 van het besluit of het vierde lid geregistreerde gegevens worden
door de desbetreffende ondernemer, uiterlijk 30 dagen na de datum van
de wijziging onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter
identificatie van de onderneming verstrekte relatienummer, gemeld aan
deze dienst.
6. De artikelen 43 en 44 van het
besluit zijn niet van toepassing op tuincentra en hoveniers voor zover
deze meststoffen afvoeren naar een afnemer, die geen bedrijf of een
onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, voert.
Artikel 51
1. Behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 44, tweede lid, van het besluit, bevat de administratie van de
ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden
afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, bedoeld in artikel 43,
eerste lid, van het besluit, gegevens over:
a. de resultaten van de uitgevoerde
bemonsteringen en analyses, bedoeld in artikel 98, eerste en
tweede lid; en
b. de op het etiket of het
begeleidend document, bedoeld in artikel 99, eerste lid, vermelde
droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte
en het fosfaatgehalte in de droge stof.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 44, vierde lid, van het besluit, bevat de administratie van de
ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit voor
zover hij compost produceert of anderszins bewerkt of verwerkt,
gegevens over:
a. de hoeveelheid geproduceerde,
bewerkte of verwerkte compost; en
b. de gehalten aan droge stof,
fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden
van de in bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit opgenomen
zware metalen in de compost.
3. De gegevens, bedoeld in artikel 44,
vijfde lid, onderdeel c, van het besluit, betreffen de gehalten aan
droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch
stofgehalte en de hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2,
bij het besluit opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib.
4. Behalve de gegevens, bedoeld in
artikel 44, vierde lid, van het besluit, bevat de administratie van de
ondernemer, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van het besluit voor
zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op
grond van artikel 92b een verschillend analysenummer is verstrekt, in
één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib
die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de
hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn
afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar
zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt.
5. De gegevens, bedoeld in het vierde
lid, worden bijgehouden op het daartoe door de Dienst Regelingen
verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de
desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs
zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium
verstrekte overzicht van de analyseresultaten. Artikel 46, tweede en
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Wijzigingen in de gegevens die de
administratie ingevolge artikel 44 van het besluit of het eerste tot
en met het derde lid bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop
de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
7. Wijzigingen in de gegevens, die de
administratie ingevolge het vierde lid bevat, worden binnen 24 uur na
het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in het
vijfde lid bedoelde formulier verwerkt.
Artikel 51a
1. Op de opslagruimten voor vloeibaar
zuiveringsslib, bedoeld in artikel 51, vierde lid, worden de door de
Dienst Regelingen verstrekte registratienummers ter identificatie van
de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het
nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
2. De opslagruimten voor vloeibaar
zuiveringsslib worden in de administratie en bij de verstrekking van
gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 52
1. De ondernemer, bedoeld in artikel
50, eerste lid, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst
Regelingen per bedrijf met staldieren waaraan diervoeders worden
geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar
elektronisch gegevens uit de administratie over:
a. de naam, het adres en het door
de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte
relatienummer van het bedrijf, waaraan diervoeder is geleverd;
b. de hoeveelheid geleverd
mengvoeder bestemd voor staldieren, onderscheiden naar diersoort;
en
c. de hoeveelheid geleverd ruwvoer
en enkelvoudig diervoeder.
2. De ondernemer in het kader van wiens
onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt
bewerkt of verwerkt, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de
Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de in het
voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige
hoeveelheden van de in bijlage II, onder tabel 2, van het besluit
opgenomen zware metalen.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien de in het tweede lid bedoelde gegevens zijn
verstrekt door het laboratorium dat de analyses heeft verricht.
4. De Dienst Regelingen is bevoegd de
op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven
aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende
onderneming is gevestigd.
5. De ondernemer, bedoeld in artikel
43, tweede lid, van het besluit die verschillende partijen vloeibaar
zuiveringsslib waarvoor op grond vanartikel 92b een verschillend
analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt
op elektronische wijze aan de Dienst Regelingen het stikstofgehalte,
het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de
desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met
gebruikmaking van het inartikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of
de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met artikel 46, tweede lid,
genoemde andere gegevensdragers is berekend.
Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
§ 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
Artikel 53
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de
prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of
van vaste mest betreft, zijn vermeld in bijlage E, onderdeel D,
onderscheidenlijk in bijlage E, onderdeel E, en behoort tot een type
waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV, onderdeel
van de Animal Sciences Group, te Lelystad is vastgesteld dat het
voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Bij het vervoer van drijfmest is de
automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur onlosmakelijk op
het transportmiddel bevestigd en zijn de in het eerste lid bedoelde
apparatuur en de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de
bemonsterings- en verpakkingsapparatuur verbonden.
3. Bij het vervoer van vaste mest is de
satellietvolgapparatuur elektronisch aan de in het eerste lid bedoelde
apparatuur verbonden.
Artikel 54
1. Het vervoer van dierlijke
meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in artikel 53 bedoelde
apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat
functioneert.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen middels een
transportvoertuig, indien het niet adequaat functioneren van de
apparatuur is veroorzaakt door een storing die door de vervoerder
terstond telefonisch is gemeld aan meldkamer van de Algemene
Inspectiedienst en indien de Algemene Inspectiedienst toestemming
heeft verleend voor het vervoer.
3. De in het tweede lid bedoelde
toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden
verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch
of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het
transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in artikel
58, tweede lid, worden verstrekt.
Artikel 55
1. De vervoerder legt voordat het laden
van drijfmest plaatsvindt het nummer van het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen vast in de AGR-apparatuur door het nummer elektronisch
vanaf het vervoersbewijs dierlijke meststoffen in te lezen.
2. De vervoerder draagt er zorg voor
dat tijdens het laden van drijfmest door de AGR-apparatuur tenminste
de volgende gegevens automatisch worden vastgelegd:
a. het serienummer van de
AGR-apparatuur;
b. de gegevens ter identificatie
van de monsterverpakking; en
c. het combinatienummer.
3. De vervoerder draagt er zorg voor
dat bij het vervoer van drijfmest de door de satellietvolgapparatuur
gegenereerde gegevens voortdurend en automatisch in de AGR-apparatuur
worden vastgelegd.
4. De vervoerder draagt er zorg voor
dat op het tijdstip van het laden en het lossen van drijfmest door de
AGR-apparatuur de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde
gegevens inzake de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van
het transportmiddel, onderscheidenlijk de locatie, de datum en het
tijdstip van het lossen van het transportmiddel automatisch worden
vastgelegd en met de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens
elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
5. De vastlegging van de op een vracht
dierlijke meststoffen betrekking hebbende gegevens in de
AGR-apparatuur geschiedt zodanig dat er een eenduidig verband is
tussen de in het eerste tot en met het vierde lid bedoelde gegevens.
Artikel 56
1. Artikel 55 is van overeenkomstige
toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
a. de gegevens, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, van dat artikel, niet automatisch door de
AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van
de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens
elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;
b. de gegevens, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel c, van dat artikel, niet behoeven te worden
vastgelegd; en
c. de gegevens, bedoeld in het
vierde lid, van dat artikel, niet automatisch door de
AGR-apparatuur, maar door de vervoerder elektronisch in de
AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst
Regelingen worden verzonden.
2. Indien een vracht dierlijke
meststoffen buiten Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de
locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het
transportmiddel, bedoeld in artikel 55, vierde lid, de locatie, de
datum en het tijdstip, waar onderscheidenlijk waarop het
transportmiddel het Nederlandse grondgebied verlaat in de
AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen
verzonden.
3. Indien een vracht dierlijke
meststoffen binnen Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de
locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het
transportmiddel, bedoeld in artikel 55, vierde lid, de locatie waar en
de datum en het tijdstip waarop het transportmiddel het Nederlandse
grondgebied binnen komt in de AGR-apparatuur vastgelegd en
elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
4. Het tweede en derde lid zijn niet
van toepassing, indien door de vervoerder de plaats van de locatie en
de datum en het tijdstip van het lossen, onderscheidenlijk van het
laden van het transportmiddel, bedoeld in artikel 55, vierde lid, in
de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst
Regelingen worden verzonden.
Artikel 57
1. Vervoerders, die voornemens zijn
dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels binnen Nederland te
brengen, doen van dit voornemen mededeling aan de Dienst Regelingen.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde
mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. naam, adres en de door de Dienst
Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummers van de
betrokken vervoerder en van de afnemers;
b. een overzicht van de buiten
Nederland gevestigde leveranciers;
c. het aantal voorgenomen
transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te
vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals
deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in bijlage I;
d. een afschrift van het document
waaruit blijkt dat de lidstaat van bestemming de zending
aanvaardt, zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel b en
c, van verordening (EG) nr. 1069/2009, voor zover een dergelijke
aanvaarding ingevolge voornoemde verordening is vereist; en
e. de periode waarop de onder d
bedoelde toestemming betrekking heeft.
Artikel 57a
1. De vervoerder, die overeenkomstig
artikel 57 mededeling heeft gedaan, doet ten minste twaalf uur voordat
de dierlijke meststoffen daadwerkelijk binnen Nederland worden
gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de Dienst Regelingen.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde
mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. naam, adres en voor zover van
toepassing de door de Dienst Regelingen ter identificatie
verstrekte relatienummers van de vervoerder en de afnemer van de
desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
b. de mestcode van de
desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de
desbetreffende mestsoort is opgenomen in bijlage I;
c. de datum waarop het laden van de
dierlijke meststoffen aanvangt; en
d. het kenteken van het
motorrijtuig, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van
de Wegenverkeerswet 1994, dat de vracht dierlijke meststoffen
vervoert.
3. Indien het vervoer niet dan wel niet
overeenkomstig de verstrekte gegevens plaatsvindt, trekt de
desbetreffende vervoerder, de in het eerste lid bedoelde mededeling
onverwijld elektronisch in.
Artikel 57b
1. In geval van vervoer van dierlijke
meststoffen buiten Nederland doet de vervoerder ten minste drie
werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen
hiervan elektronisch mededeling aan de Dienst Regelingen en de Voedsel
en Waren Autoriteit.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde
mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. naam, adres en indien van
toepassing de door een kamer van koophandel en fabrieken, als
bedoeld in de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997,
verstrekte KvK-nummers van de betrokken vervoerder en van de
leveranciers;
b. de mestcode van de
desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de
desbetreffende mestsoort is opgenomen in bijlage I;
c. de postcode van de laadplaats
van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, en
d. de datum waarop het laden van de
dierlijke meststoffen aanvangt.
3. Uiterlijk twaalf uur voordat de
vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, kan de vervoerder de
transportdatum uit de in het tweede lid bedoelde mededeling aan de
Dienst Regelingen en de Voedsel en Waren Autoriteit elektronisch
wijzigen.
4. Indien de vracht bestaat uit
dierlijke meststoffen waarvoor ingevolge Verordening (EG) nr.
1069/2009 geen gezondheidscertificaat is voorgeschreven, kan de in het
eerste lid bedoelde mededeling worden gedaan ten minste twaalf uur
voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, en blijft het
derde lid buiten toepassing.
5. Indien het vervoer niet dan wel niet
overeenkomstig de verstrekte gegevens plaatsvindt, trekt de
desbetreffende vervoerder de in het eerste lid bedoelde mededeling
voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, elektronisch
in.
Artikel 57c
1. In afwijking van artikel 57b, eerste
lid, kan de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien
deze mededeling ten minste dertig werkdagen, voordat de vracht
dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
2. In afwijking van artikel 57b, derde
lid, kan de wijziging op niet elektronische wijze geschieden, indien
deze wijziging ten minste veertien werkdagen voordat de vracht
dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt doorgegeven.
3. In afwijking van artikel 57b, vierde
lid, geldt een termijn van ten minste veertien werkdagen, indien de
mededeling op niet elektronische wijze geschiedt.
4. In afwijking van artikel 57b, vijfde
lid, kan de intrekking van de mededeling op niet elektronische wijze
geschieden, indien deze intrekking ten minste veertien werkdagen
voordat vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
Artikel 58
1. Indien de vervoerder ingevolge
artikel 51, tweede lid, van het besluit verplicht is van het vervoer
mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat
het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de Dienst
Regelingen.
2. Bij de mededeling van het vervoer
worden de volgende gegevens verstrekt:
a. de door de Dienst Regelingen ter
identificatie verstrekte relatienummers van de onderneming van de
vervoerder, het bedrijf of de onderneming van de leverancier en
het bedrijf of de onderneming van de afnemer;
b. de datum waarop het vervoer
plaatsvindt;
c. de postcode en het huisnummer
van de laadplaats en de losplaats;
d. het nummer van het op de
desbetreffende vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke
meststoffen; en
e. indien het transportmiddel een
mestvoertuig betreft, het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet
1994.
Artikel 59
De artikelen 48 en 49 van het besluit en
en de artikelen 53 tot en met 56 zijn niet van toepassing op het vervoer
van dierlijke meststoffen, indien:
a. de hoeveelheid van die meststoffen
ingevolge de artikelen 84 tot en met 91a wordt bepaald op basis van
de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk
fosfaatgehalten;
b. uitsluitend mestkorrels worden
vervoerd;
c. dierlijke meststoffen worden
vervoerd van een tuincentrum of een hovenier naar een afnemer, niet
zijnde een landbouwer of een ondernemer;
d. kalvergier wordt vervoerd met
behulp van een pijpleiding, in beheer bij de Stichting Beheer en
Aanleg Kalvergierpersleiding enclave Uddel-Elspeet en Omstreken of
bij de Stichting Kalvergierpersleiding Stroe, naar de
kalvergierbewerkingsinstallatie Elspeet onderscheidenlijk naar de
kalvergierbewerkingsinstallatie Stroe, beide in beheer bij de
Stichting Mestverwerking Gelderland; of
e. kalvergier van een bedrijf wordt
afgevoerd en rechtstreeks, zonder tussenopslag, wordt vervoerd naar
een kalvergierbewerkingsinstallatie in beheer bij de Stichting
Mestverwerking Gelderland, onder de volgende voorwaarden:
1°. deze afvoer vindt plaats op
basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier
en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de
desbetreffende vracht plaatsvond; en
2°. het op de vracht betrekking
hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig
artikel 66, tweede lid, onderdeel a, ingevuld.
f. verwerkte vaste dierlijke
meststoffen die zijn geproduceerd in een overeenkomstig artikel 24,
eerste lid, onderdeel f, van verordening (EG) nr. 1069/2009 erkende
inrichting, worden overgebracht uit Nederland.
Artikel 59a
1. Artikel 53, tweede lid, artikel 54,
eerste lid, voor zover dat lid betrekking heeft op de automatische
bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, artikel 55, tweede lid,
aanhef in samenhang met de onderdelen b en c, en artikel 56, eerste
lid, voor zover dat lid betrekking heeft op het vastleggen van de in
artikel 55, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gegevens, zijn niet van
toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien de
dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf ten aanzien
waarvan ontheffing is verleend van de artikelen 76, eerste lid, en 77
en rechtstreeks, zonder tussenopslag, worden vervoerd naar een bedrijf
ten aanzien waarvan eveneens ontheffing is verleend van de artikelen
76, eerste lid, en 77 onder de volgende voorwaarden:
a. de afvoer vindt plaats op basis
van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de
afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de
desbetreffende vracht plaatsvond;
b. de hoeveelheid van de
desbetreffende vracht meststoffen wordt bepaald overeenkomstig de
aan de ontheffing verbonden voorschriften; en
c. het op de vracht betrekking
hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig
artikel 66, vierde lid, onderdeel a, ingevuld.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing, indien de vracht dierlijke meststoffen op grond van de
voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de
desbetreffende vracht verleende ontheffing wordt vervoerd
overeenkomstig de artikelen 48 en 49 van het Uitvoeringsbesluit en de
artikelen 53 tot en met 56.
Artikel 59b
Meststoffen worden uitsluitend door
middel van een pijpleiding vervoerd:
a. in het in artikel 59, onderdeel d,
bedoelde geval, of
b. indien dierlijke meststoffen van
een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming en
er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. de pijpleiding en de in
artikel 53 genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het
vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
2. de pijpleiding wordt
uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één
bedrijf, en
3. de grootte van een vracht
wordt vooraf aan het vervoer bepaald en is ten hoogste één
lading van 36 ton en wordt binnen 24 uur vervoerd.
§ 2. Vervoersbewijs dierlijke
meststoffen
Artikel 60
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in
artikel 53, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat
is opgenomen in bijlage F, onderdeel A.
2. Het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien
van een uniek nummer.
3. Indien de dierlijke meststoffen
buiten Nederland worden gebracht, wordt ter zake van het vervoer, in
afwijking van het tweede lid,:
a. het referentienummer van het
gezondheidscertificaat of handelsdocument, bedoeld in artikel 21,
van verordening (EG) nr. 1069/2009, dat betrekking heeft op
dezelfde vracht dierlijke meststoffen als het vervoersbewijs
dierlijke meststoffen, bedoeld in het tweede lid, vermeld op dat
vervoersbewijs;
b. indien de mededeling van het
vervoer elektronisch is gedaan als bedoeld inartikel 57b, gebruik
gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals
dit elektronisch is aangemaakt, en
c. indien de mededeling van het
vervoer niet elektronisch is gedaan, het vervoersbewijs door de
Voedsel en Waren Autoriteit verstrekt.
Artikel 61
1. Uiterlijk bij het laden van de
dierlijke meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van
het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van de postcode van de losplaats
en de datum en het tijdstip van het lossen, en 3c, met uitzondering
van de code van het laboratorium, de code monsternemer en de
kilogrammen fosfaat en stikstof, van het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen
door de leverancier ondertekend.
2. Uiterlijk bij het lossen van de
dierlijke meststoffen worden onderdeel 3b, voor zover dit betrekking
heeft op de postcode van de losplaats en op de datum en het tijdstip
van het lossen, en onderdeel 5 van het op die vracht betrekking
hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs
ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer
ondertekend.
3. Bij het invullen van de mestcode bij
onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes
die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in bijlage I.
4. Indien zich ter zake van het vervoer
één of meer van de in bijlage F, onderdeel B, vermelde
omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes
terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
5. In zoverre in afwijking van de
voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs worden
vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden
gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs
bestemde vrije ruimte.
Artikel 62
In zoverre in afwijking van artikel 61,
eerste en tweede lid:
a. wordt, indien de weging van de
dierlijke meststoffen na het laden van het transportmiddel
plaatsvindt, terstond na de weging bij onderdeel 3b van het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de
dierlijke meststoffen ingevuld;
b. wordt, indien de weging van de
dierlijke meststoffen bij het laden van het transportmiddel
plaatsvindt, bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen het geschat gewicht niet ingevuld;
c. wordt, indien de vracht uit vaste
mest bestaat, bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen het combinatienummer niet ingevuld;
d. wordt, indien de vracht uit vaste
mest bestaat en de bemonstering van de vracht na het laden
plaatsvindt, terstond na de bemonstering bij onderdeel 3c van het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen, de gegevens ter identificatie
van de monsterverpakking ingevuld;
e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk
tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster
overeenkomstig artikel 80 aan het in dat artikel bedoelde
laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de
vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
f. worden, indien de hoeveelheid van
de dierlijke meststoffen ingevolge de artikelen 84 tot en met 91
wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire
stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b
en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het
nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de
gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van
het laboratorium niet ingevuld;
g. behoeft, indien de dierlijke
meststoffen buiten Nederland worden gebracht, het vervoersbewijs
dierlijke meststoffen niet door de afnemer te worden ondertekend;
h. behoeft in het geval, bedoeld in
de artikelen 50, zesde lid, en 45, negende lid, bij de onderdelen 3a
en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het relatienummer
niet ingevuld te worden;
i. behoeft het relatienummer bij de
onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet
ingevuld te worden, indien de afnemer geen bedrijf of onderneming
voert in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld.
Artikel 62a
1. Het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen kan voor meerdere vrachten dierlijke meststoffen op
eenzelfde dag worden gebruikt, indien:
a. het gaat om vrachten dierlijke
meststoffen, met uitzondering van champost, waarbij de hoeveelheid
dierlijke meststoffen ingevolge de artikelen 84 tot en met 91
wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde
forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
b. bij elke vracht dierlijke
meststoffen dezelfde leverancier, vervoerder en afnemer zijn
betrokken;
c. de vrachten dierlijke
meststoffen betrekking hebben op één mestcode als bedoeld
inartikel 61, derde lid, of gemengde mest van één of meer
diersoorten uit één opslagruimte;
d. de vrachten dierlijke
meststoffen worden vervoerd door hetzelfde voertuig;
e. de postcode laden bij elke
vracht dierlijke meststoffen gelijk is;
f. de postcode lossen bij elke
vracht dierlijke meststoffen gelijk is, en
g. een bijlage wordt opgemaakt
overeenkomstig het tweede lid, waarop het nummer van het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen is vermeld.
2. In afwijking van artikel 61, eerste
en tweede lid, worden:
a. het tijdstip van laden en het
geschat gewicht van elke vracht dierlijke meststoffen, uiterlijk
bij het laden, en
b. het tijdstip van lossen van elke
vracht dierlijke meststoffen, uiterlijk bij het lossen,
op een bij het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen behorende bijlage ingevuld.
3. In afwijking van artikel 61, eerste
en tweede lid:
a. wordt bij onderdeel 3b van het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen uiterlijk bij het lossen van
de laatste vracht dierlijke meststoffen het totale geschatte
gewicht ingevuld van alle vervoerde vrachten dierlijke
meststoffen;
b. wordt bij onderdeel 3b van het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen uiterlijk bij het laden van
de eerste vracht dierlijke meststoffen, het tijdstip van laden van
die vracht ingevuld;
c. wordt bij onderdeel 3b van het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen uiterlijk bij het lossen van
de laatste vracht dierlijke meststoffen, het tijdstip van lossen
van die vracht ingevuld;
d. worden het vervoersbewijs
dierlijke meststoffen en de in het tweede lid bedoelde bijlage,
uiterlijk bij het laden van de laatste vracht dierlijke
meststoffen door de leverancier, en uiterlijk bij het lossen van
de laatste vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder en de
afnemer, ondertekend.
4. De vervoerder bewaart de in het
tweede lid bedoelde bijlage als onderdeel van de administratie,
bedoeld in artikel 39 onderscheidenlijk 32 van het besluit.
Artikel 63
De vervoerder van een vracht dierlijke
meststoffen, onderscheidenlijk van meerdere vrachten dierlijke
meststoffen als bedoeld in artikel 62a, verstrekt uiterlijk tien
werkdagen na het vervoer, onderscheidenlijk het laatste vervoer, de
leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht of
vrachten betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
Artikel 64
1. De op het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk 30
werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen op
elektronische wijze bij de Dienst Regelingen ingediend.
2. De elektronisch in te dienen
gegevens bevatten mede de code van het laboratorium dat de analyse van
de dierlijke meststoffen waarop het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen betrekking heeft, heeft uitgevoerd, en de op basis van
deze analyse vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. Indien de hoeveelheid van de
dierlijke meststoffen overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 91
wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire
stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, worden de op het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking
van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de
vracht of vrachten dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen
ingediend.
4. In het in het derde lid bedoelde
geval kan de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van artikel 53, zesde
lid, van het besluit, geschieden door middel van het indienen van het
origineel van het door de vervoerder ondertekende vervoersbewijs
dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen, tenzij het een
vervoersbewijs dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel
62abetreft.
Artikel 65
In afwijking van artikel 53, vijfde lid,
van het besluit, kunnen de leverancier of de afnemer de vervoerder ter
zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen
machtigen onder de volgende voorwaarden:
a. de machtiging geschiedt voordat
het vervoer van de vracht waarop de machtiging betrekking heeft
plaatsvindt;
b. er wordt een schriftelijk
bewijsstuk van de machtiging opgemaakt dat door de betrokken
partijen is ondertekend en dat in ieder geval de datum en de duur
van de machtiging en de door de Dienst Regelingen ter identificatie
van de bedrijven of ondernemingen van de betrokken partijen
verstrekte relatienummers bevat; en
c. een afschrift van het bewijsstuk
van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de
vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft
desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 129 verstrekt.
Artikel 66
1. In het in artikel 59, onderdeel d,
bedoelde geval:
a. wordt, in afwijking van artikel
61, eerste en tweede lid, het vervoersbewijs dierlijke meststoffen
door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de
kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd
en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer
aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan
de afnemer; en
b. kan, in afwijking van artikel
53, vijfde lid, van het besluit, de leverancier de afnemer ter
zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen machtigen, onder de in artikel 65, onderdelen a en b,
genoemde voorwaarden.
2. In het in artikel 59, onderdeel e,
bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde
voorwaarde:
a. worden, in afwijking van artikel
61, eerste lid, uiterlijk bij het laden van de kalvergier de
onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met
uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het
tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
b. wordt, in afwijking van artikel
61, tweede lid, uiterlijk bij het lossen van de kalvergier,
onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van
het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende
vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder
ondertekend; en
c. wordt terstond na de weging en
na de bemonstering van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit
betrekking heeft op het nettogewicht van de kalvergier,
onderscheidenlijk onderdeel 3c, voor zover dit betrekking heeft op
gegevens ter identificatie van de monsterverpakking, van het op
die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke
meststoffen ingevuld en door de afnemer ondertekend.
3. In de in artikel 59, onderdelen d en
e, bedoelde gevallen:
a. wordt een afschrift van het op
de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke
meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 63, door de
afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
b. geschiedt de indiening van de op
het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in
zoverre in afwijking van artikel 64, eerste lid, door de afnemer.
4. In het in artikel 59a, eerste lid,
bedoelde geval en onder de in dat lid genoemde voorwaarden:
a. worden, in afwijking van artikel
61, eerste lid, uiterlijk bij het laden van de dierlijke
meststoffen de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het
CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer en het
tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen, ingevuld, wordt bij onderdeel 4 de opmerkingscode ‘38’
ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de
leverancier ondertekend;
b. wordt, in afwijking van artikel
61, tweede lid, uiterlijk bij het lossen van de dierlijke
meststoffen, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het
tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende
vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder
ondertekend; en
c. bevatten de op grond van artikel
64, eerste lid, elektronisch in te dienen gegevens, in afwijking
van artikel 64, tweede lid, de hoeveelheid dierlijke meststoffen
die is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn
verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht
verleende ontheffing van de artikelen 76, eerste lid, en 77.
5. In het in artikel 59b, onderdeel b,
bedoelde geval:
a. wordt, in afwijking van artikel
61, eerste en tweede lid, het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen, met uitzondering van het CMR-nummer, het kenteken van
het voertuig en het netto gewicht, door de vervoerder ingevuld en
ondertekend op het tijdstip waarop de vracht dierlijke meststoffen
wordt aangevoerd;
b. wordt het vervoersbewijs door de
vervoerder aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier
het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt
aan de vervoerder;
c. wordt bij onderdeel 4 van het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen de opmerkingscode‘42’
ingevuld;
d. kan, in afwijking van artikel
53, vijfde lid, van het besluit, de leverancier de vervoerder ter
zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke
meststoffen machtigen, onder de in artikel 65, onderdelen a en b,
genoemde voorwaarden.
Artikel 67
Artikel 53 van het besluit is niet van
toepassing op het vervoer van:
a. dierlijke meststoffen van een
tuincentrum of een hovenier naar een afnemer, niet zijnde een
landbouwer of een ondernemer;
b. dierlijke meststoffen die vanuit
uit een andere staat rechtstreeks, zonder tussenopslag, in doorvoer
buiten Nederland worden gebracht;
c. uit dierlijke meststoffen
afkomstig van paarden of pony's geproduceerde grondstoffen voor de
productie van substraat voor de teelt van champignons en op het
vervoer van substraat door ondernemingen die substraat produceren
naar bedrijven die dit substraat gebruiken als groeimedium voor de
teelt van champignons, voor zover het vervoer van deze grondstoffen
of dit substraat vergezeld gaat van een document dat in ieder geval
gegevens bevat over:
1°. de naam, het adres en de
woonplaats van de leverancier;
2°. het door de Dienst
Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummer van de
afnemer;
3°. het gewicht van de
hoeveelheid afgeleverd product in tonnen of in kilogrammen; en
4°. het soort product;
d. mestkorrels die zijn verpakt in
eenheden van ten hoogste 25 kilogram; en
e. vaste meststoffen die ten hoogste
10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevatten, naar een
afnemer, die geen bedrijf of intermediaire onderneming voert.
§ 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en
compost
Artikel 68
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in
artikel 55, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld het
vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model
dat is opgenomen in bijlage G, onderdeel A.
2. Het vervoersbewijs zuiveringsslib en
compost wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien van
een uniek nummer.
Artikel 69
1. Uiterlijk bij het laden van
meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, 3b en 3c, met uitzondering van
het gewicht van de vracht, de hoeveelheden fosfaat en stikstof en het
drogestofgehalte, van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de leverancier ondertekend.
In voorkomend geval wordt bij onderdeel 1 het registratienummer van de
desbetreffende opslag ingevuld.
2. Bij onderdeel 3c wordt als
analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende
analysenummer, bedoeld in artikel 92b, derde lid, dan wel indien het
een vracht vloeibaar zuiveringsslib betreft die afkomstig is uit een
opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in artikel 39,
tweede lid, van het besluit of in artikel 51, vierde lid, het ter zake
van de ontvangst van de overeenkomstig artikel 48, vijfde lid, of 52,
vijfde lid, verstrekte gegevens door de Dienst Regelingen uitgegeven
samenstellingnummer.
3. Het netto gewicht van de vracht
wordt terstond na de weging bij onderdeel 3 van het op de vracht
betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
4. Uiterlijk bij het lossen van de
meststoffen worden de onderdelen 3d en 5 van het op die vracht
betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde
vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het
vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend. Ingeval
de afnemer een intermediair is, wordt bij onderdeel 5, in voorkomend
geval, het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.
5. Met de ondertekening verklaren de
leverancier en de vervoerder dat de desbetreffende vracht
zuiveringsslib of compost voldoet aan artikel 16 onderscheidenlijk
artikel 17 van het besluit.
6. Indien zich ter zake van het vervoer
één of meer van de in bijlage G, onderdeel B, vermelde
omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes
terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en
compost ingevuld.
7. In zoverre in afwijking van de
voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs
zuiveringsslib en compost worden vermeld door het printen van deze
gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de
daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
Artikel 69a
1. De vervoerder van een vracht
zuiveringsslib of compost verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het
vervoer de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die
vracht betrekking hebbende vervoersbewijs.
2. De op het vervoersbewijs
zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens worden door de vervoerder
uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht zuiveringsslib
of compost op elektronische wijze bij de Dienst Regelingen ingediend.
3. In afwijking van artikel 55, vierde
lid, van het besluit, kunnen de leverancier of de afnemer, de
vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs
zuiveringsslib en compost machtigen. Artikel 65 is op deze machtiging
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 69b
Artikel 55 van het besluit is niet van
toepassing op het vervoer van:
a. compost verpakt in eenheden van
ten hoogste 25 kilogram; en
b. compost naar een particulier in
leveringen tot een maximum van 3000 kilogram per levering.
§ 4 [Vervallen per 22-07-2007]
Artikel 70 [Vervallen per 22-07-2007]
Artikel 71 [Vervallen per 22-07-2007]
Artikel 72 [Vervallen per 22-07-2007]
Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
§ 1. Mestproductie
Artikel 73
Als forfaitaire productienormen als
bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het besluit worden voor de
onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die
zijn vermeld in bijlage D, tabel I, kolommen B en C.
Artikel 74
1. Als forfaitaire productienormen per
melkkoe als bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit worden
voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde
ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien
vastgesteld de normen die zijn vermeld in bijlage D, tabel II.
2. De gemiddelde melkproductie per
melkkoe, bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit, wordt
bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het
bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in
het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.
3. De totale hoeveelheid in een
kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde
ureumgehalte, bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit,
worden vastgesteld overeenkomstig de krachtens artikel 128 gestelde
regels.
4. In afwijking van het tweede en het
derde lid zijn de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde
ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van landbouwers die op het
eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerken tot eindproducten en
landbouwers die minder dan 50 procent van de geproduceerde melk
leveren aan een koper als bedoeld in de Regeling superheffing en
melkpremie 2004, 7500 kilogram, onderscheidenlijk 26 milligram per 100
gram.
5. In afwijking van het derde lid is
het gemiddelde ureumgehalte in koemelk van melkkoeien van bedrijven
die meer dan 50 procent van de geproduceerde koemelk leveren aan
ondernemingen waar maximaal 500.000 kilogram koemelk per jaar wordt
verwerkt 26 milligram per 100 gram.
Artikel 74a
Voor zover het graasdieren betreft die
worden gehouden op een bedrijf dat is geregistreerd overeenkomstig
artikel 2, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 en die
behoren tot de in Bijlage I bij die regeling onderscheiden categorieën
dieren, zijn de in artikel 66, eerste en tweede lid, van het besluit
bedoelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof
per dier per jaar, in afwijking van de artikelen 73 en 74, de normen die
bij de desbetreffende categorie dieren in die bijlage zijn vermeld.
Artikel 75
De artikelen 44, eerste, derde en vierde
lid, en 45, eerste en vijfde lid, van het besluit zijn niet van
toepassing op ondernemers in het kader van wier onderneming maximaal
500.000 kilogram afgenomen koemelk wordt verwerkt, voor zover de
gegevens betrekking hebben op het ureumgehalte van de afgenomen koemelk.
§ 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke
meststoffen
Artikel 76
1. Het gewicht van de op een bedrijf of
intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid dierlijke
meststoffen, de van een bedrijf of intermediaire onderneming
afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen en de binnen een
intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen,
bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt door de
vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van
weging met behulp van een weegwerktuig.
2. De bepaling van het gewicht
geschiedt op zodanige wijze dat daarbij het gewicht van het
transportmiddel buiten beschouwing blijft. Hiertoe wordt per vracht
dierlijke meststoffen het gewicht van het geladen transportmiddel
verminderd met het gewicht van het ledige transportmiddel zoals dat
direct voorafgaande aan of na het vervoer is bepaald. Indien een
vracht dierlijke meststoffen wordt afgevoerd of aangevoerd in een
container, kan het gewicht van die meststoffen worden bepaald door het
gewicht van de gevulde container te verminderen met het gewicht van de
lege container dat eenmalig is bepaald en dat duidelijk zichtbaar en
niet verwijderbaar op de container is aangebracht.
3. Het gewicht van een hoeveelheid
dierlijke meststoffen die ingevolge de artikelen 84 tot en met 91a
wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire
stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking
van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk
gewicht van de meststoffen.
Artikel 77
1. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in de op een bedrijf of intermediaire onderneming
aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van een bedrijf of
intermediaire onderneming afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen
en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid
dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het
besluit, worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de
desbetreffende meststoffen genomen monster.
2. Indien een vervoerder binnen een
periode van ten hoogste zeven dagen van één leverancier meerdere
vrachten dierlijke meststoffen, niet zijnde mineralenconcentraat
afvoert naar één afnemer kan het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte van deze vrachten worden vastgesteld door middel van
analyse van een mengmonster dat op verzoek van de vervoerder door het
betrokken laboratorium uit de uit deze vrachten genomen monsters is
samengesteld, onder de volgende voorwaarden:
a. het mengmonster bestaat uit ten
hoogste twaalf monsters; en
b. het verschil in gewicht tussen
de grootste en de kleinste vracht bedraagt bij drijfmest ten
hoogste tien procent en bij vaste mest ten hoogste twintig
procent.
3. Het nemen van een monster uit een
hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster
geschieden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 81.
Artikel 78
1. De bemonstering van een vracht
drijfmest geschiedt automatisch tijdens het laden van het
transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan
de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel A, en
behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek
Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of
een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die
prestatiekenmerken.
2. De bemonstering van een vracht vaste
mest geschiedt door de vervoerder. Hij stelt een representatief
monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800
gram, bestaande uit deelmonsters die handmatig evenredig verspreid uit
de betrokken vracht meststoffen worden genomen.
3. Indien de vaste mest bestemd is om
buiten Nederland te worden gebracht, geschiedt de in het tweede lid
bedoelde bemonstering tijdens het laden van het transportmiddel.
4. Indien de vaste mest binnen
Nederland is gebracht, geschiedt de in het tweede lid bedoelde
bemonstering tijdens het lossen van het transportmiddel.
Artikel 79
1. Een uit een vracht drijfmest genomen
monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet
aan bijlage E, onderdeel B. De verpakking geschiedt met behulp van
verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn
vermeld in bijlage E, onderdeel C, en behoort tot een type waarvan bij
keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal
Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is
vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest
genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een
monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B.
Artikel 80
1. Het uit een vracht dierlijke
meststoffen genomen monster wordt, onder vermelding van de betrokken
leverancier en afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht
betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, door de
vervoerder uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan
een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de accreditatienormen van hoofdstuk 3 van het
accreditatie-programma AP05, dat is opgenomen in bijlage H.
2. De vervoerder bewaart de monsters
totdat zij aan het laboratorium worden toegestuurd, zodanig dat zij in
goede staat blijven verkeren.
Artikel 81
1. Het laboratorium analyseert de
monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst en zendt de
analyseresultaten uiterlijk vijf werkdagen na analyse aan de
vervoerder, de leverancier, de afnemer en elektronisch aan de Dienst
Regelingen.
2. Indien bij ontvangst van een
toegezonden monster wordt geconstateerd dat de monsterverpakking is
beschadigd, rapporteert het laboratorium aan de meldkamer van de
Algemene Inspectiedienst de gegevens ter identificatie van de
monsterverpakking en het nummer van het op de desbetreffende vracht
betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen. Het
laboratorium volgt de door de Algemene Inspectiedienst ter zake
verstrekte aanwijzingen op.
3. Het laboratorium voldoet aan de
overigens in het in artikel 80, eerste lid, bedoelde
accreditatieprogramma gestelde eisen.
4. Uiterlijk tien werkdagen na
verzending van de analyseresultaten door het laboratorium, kan door de
betrokkenen heranalyse worden aangevraagd. Er vindt ten hoogste
éénmaal een heranalyse plaats die wordt uitgevoerd door het
laboratorium dat de analyse heeft uitgevoerd.
5. Indien een laboratorium het
fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan
vaststellen, omdat het monster na ontvangst door het laboratorium in
het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke
meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste en vijfde
lid, van het besluit bepaald op basis van de in bijlage I voor de
desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten,
onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
Artikel 82
1. In het in artikel 59, onderdeel d,
bedoelde geval:
a. wordt het gewicht van de
hoeveelheid kalvergier in afwijking van artikel 76, eerste lid,
door de afnemer bepaald met behulp van een in de
kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling
van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de
Metrologiewet gestelde regels, waarbij één kubieke meter
kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
b. geschieden de bemonstering en de
verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van
artikel 77, derde lid, in samenhang met artikel 78,
onderscheidenlijk 79 door de afnemer met behulp van op de
kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische
bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één
leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief
monster wordt genomen.
2. In het in artikel 59, onderdeel e,
bedoelde geval:
a. wordt het gewicht van de
hoeveelheid kalvergier in afwijking van artikel 76, eerste lid,
door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de
kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
b. geschieden de bemonstering en de
verpakking van de genomen monsters, in afwijking van artikel 77,
derde lid, in samenhang met artikel 78, onderscheidenlijk 79 door
de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie
aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische
verpakkingsapparatuur als bedoeld in artikel 78, eerste lid,
onderscheidenlijk artikel 79, eerste lid.
3. In het artikel 59b, onderdeel b,
bedoelde geval:
a. kan het gewicht van de
hoeveelheid dierlijke mest, bedoeld in artikel 76, eerste lid,
door de intermediair ook worden bepaald met behulp van een in de
pijpleiding aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat
voldoet aan de bij of krachtens de Metrologiewet gestelde regels,
waarbij het gemeten volume naar gewicht omgerekend wordt aan de
hand van de dichtheid, en
b. geschieden de bemonstering en de
verpakking van de genomen monsters, in afwijking vanartikel 77,
derde lid, in samenhang met artikel 78, onderscheidenlijk79, door
de vervoerder, met behulp van op de pijpleiding aangebrachte
automatische bemonsteringsapparatuur, waarmee uit het totale van
één leverancier aangevoerde volume drijfmest van maximaal 36 ton
dat wordt vervoerd door de pijpleiding, een representatief monster
wordt genomen.
4. In het in artikel 59a, eerste lid,
bedoelde geval, wordt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de
desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, in afwijking van artikel
77, bepaald door de leverancier overeenkomstig de voorschriften die
zijn verbonden aan de aan hem verleende ontheffing van de artikelen
76, eerste lid, en 77.
5. Artikel 68, eerste lid, van het
besluit in samenhang met de artikelen 76 en 77, is niet van toepassing
op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid
dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of
een ondernemer.
Artikel 83
Indien een vracht bestaat uit
mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de artikelen 76,
eerste lid, onderscheidenlijk 77, eerste lid, wordt bepaald op basis van
het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels
of het begeleidende document bij de mestkorrels.
Artikel 84
1. Indien dierlijke meststoffen van een
bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een
kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in
zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit,
worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de
desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten,
onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. het product van enerzijds het
aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar tot het
bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn behoort en
anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens
artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet, in de vorm
van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de
fosfaatgebruiksnorm, bedraagt in de jaren 2011, 2012 en 2013 ten
minste 80 procent en in de jaren 2014 en volgende ten minste 75
procent van de totale hoeveelheid op dat bedrijf in dat
kalenderjaar geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in
kilogrammen fosfaat;
b. de van het bedrijf afgevoerde
dierlijke meststoffen worden rechtstreeks, zonder tussenopslag,
vervoerd; en
c. de afstand tussen de
productielocatie van het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen
afkomstig zijn en de locatie van het bedrijf waar de dierlijke
meststoffen gelost worden bedraagt hemelsbreed ten hoogste tien
kilometer.
2. De overeenkomstig het eerste lid te
bepalen hoeveelheid bedraagt in de jaren 2011, 2012 en 2013 ten
hoogste 20 procent en in de jaren 2014 en volgende ten hoogste 25
procent van de totale hoeveelheid in dat kalenderjaar op desbetreffend
bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in
kilogrammen fosfaat.
Artikel 85
Indien dierlijke meststoffen van een
bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten
hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de
desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in
afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op
basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort
vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk
fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. de totale hoeveelheid dierlijke
meststoffen die in een kalenderjaar naar de uit gebruik gegeven
percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen
fosfaat, ten hoogste het product van enerzijds het aantal hectaren
landbouwgrond dat in dat kalenderjaar uit gebruik is gegeven en
anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens
artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet, in de vorm van
dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
b. de afstand tussen de
productielocatie van het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen
afkomstig zijn en het desbetreffende perceel bedraagt hemelsbreed
ten hoogste tien kilometer;
c. het perceel behoorde de
voorafgaande twee jaren tot het bedrijf waarvan de dierlijke
meststoffen afkomstig zijn;
d. het perceel is overeenkomstig
artikel 41 aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel
tijdelijk in gebruik heeft; en
e. de overeenkomst tot
ingebruikgeving is schriftelijk aangegaan.
Artikel 86
1. Indien dierlijke meststoffen van een
bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of
onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke
meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van
het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I,
voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten
onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. de totale hoeveelheid dierlijke
meststoffen die in een kalenderjaar naar afnemers die geen bedrijf
of onderneming voeren wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 250
kilogram fosfaat; en
b. de totale hoeveelheid dierlijke
meststoffen die in een kalenderjaar naar een afnemer die geen
bedrijf of onderneming voert wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste
20 kilogram fosfaat per afnemer.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen
van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer
die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende
hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68,
eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage
I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire
stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de
voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die
in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten
hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
Artikel 87
1. Indien dierlijke meststoffen van een
bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan
niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de
desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in
afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald
op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende
mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk
fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. de totale hoeveelheid dierlijke
meststoffen die in een kalenderjaar naar de in het eerste lid
bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in
kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal
hectaren in Duitsland of in België gelegen landbouwgrond en het
indien de landbouwgrond in Nederland zou zijn gelegen per hectare
van die landbouwgrond bij of krachtens artikel 11, eerste tot en
met vijfde lid, van de wet, in de vorm van dierlijke meststoffen
vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
b. de afstand tussen het in België
gelegen perceel en de Nederlandse grens bedraagt ten hoogste 25
kilometer;
c. de afstand tussen het in
Duitsland gelegen perceel en de Nederlandse grens bedraagt ten
hoogste 20 kilometer;
d. het perceel is in het kader van
een normale bedrijfsvoering daadwerkelijk bij het bedrijf waarvan
de meststoffen afkomstig zijn, in gebruik;
e. indien het perceel in België is
gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een
in België geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf en
is dit perceel, voor wat betreft het Vlaamse gedeelte van België,
geregistreerd bij de Vlaamse Mestbank ingevolge artikel 30 van het
Besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot
uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari
1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de
verontreiniging door meststoffen; en
f. indien het perceel in Duitsland
is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge
een in Duitsland geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het
bedrijf.
2. Indien dierlijke meststoffen worden
afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in
Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in
Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in
zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit,
worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de
desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten,
onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. de totale hoeveelheid dierlijke
meststoffen die in een kalenderjaar naar de in de aanhef van dit
lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in
kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal
hectaren van die percelen en het bij of krachtens artikel 11,
eerste tot en met vijfde lid, van de wet, in de vorm van dierlijke
meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
b. de afstand tussen het in
Nederland gelegen perceel en de grens met België bedraagt ten
hoogste 25 kilometer;
c. de afstand tussen het in
Nederland gelegen perceel en de grens met Duitsland bedraagt ten
hoogste 20 kilometer;
d. het perceel is in het kader van
een normale bedrijfsvoering daadwerkelijk bij het bedrijf waarvan
de meststoffen afkomstig zijn, in gebruik;
e. het perceel behoort blijkens
registratie bij Dienst Regelingen toe aan het bedrijf in België,
danwel Duitsland.
Artikel 88
Indien dierlijke meststoffen afkomstig
van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar
of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk
worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke
meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het
besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de
desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten
onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
Artikel 89
1. Indien dierlijke meststoffen
afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar
een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur
van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden
afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt
voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van
een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de
desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in
afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald
op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende
mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk
fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde
dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de
intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar
deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het
eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende
hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel
68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in
bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde
forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen
afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar
een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de
productie van substraat voor de teelt van champignons of van een
grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende
hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel
68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in
bijlage I, tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde
forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde
substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een
bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van
champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen,
in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit,
worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel II, voor de
desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten,
onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid
bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt
afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid
dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste
lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I,
tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire
stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid
bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt
overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid
dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste
lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de in bijlage I,
tabel II, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire
stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
Artikel 89a
Indien dierlijke meststoffen afkomstig
van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland worden
afgevoerd naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland, kan de
desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in afwijking van
artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de
in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde
forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de
volgende voorwaarden:
a. de hoeveelheid dierlijke
meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel
anderszins aanwezige dieren;
b. de dierlijke meststoffen worden
rechtstreeks, zonder tussenopslag vervoerd, en
c. bij onderdeel 4 van het
vervoersbewijs dierlijke meststoffen wordt de opmerkingscode‘37’
ingevuld.
Artikel 90
Indien dierlijke meststoffen van een
bedrijf als bedoeld in artikel 43, eerste lid, worden afgevoerd naar een
ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen,
in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit,
worden bepaald op basis van de in bijlage I, tabel I, voor de
desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten
onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. de hoeveelheid dierlijke
meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel
anderszins aanwezige dieren;
b. de dierlijke meststoffen worden
rechtstreeks, zonder tussenopslag, vervoerd; en
c. de afstand tussen de
desbetreffende bedrijven bedraagt hemelsbreed ten hoogste tien
kilometer.
Artikel 91
Indien dierlijke meststoffen van een
bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk
onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen, waarvan de
desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de
desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in
afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald op
basis van de in bijlage I, tabel I, voor de desbetreffende mestsoort
vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk
fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
a. de totale hoeveelheid dierlijke
meststoffen die in een kalenderjaar naar het natuurterrein wordt
afgevoerd, bedraagt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste
het product van het aantal hectaren natuurterrein en de hoeveelheid
fosfaat die ingevolge artikel 2, derde en vierde lid, van het
Besluit gebruik meststoffen per hectare van dat natuurterrein mag
worden gebruikt; en
b. de afstand tussen de
productielocatie van het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen
afkomstig zijn en het desbetreffende natuurterrein bedraagt
hemelsbreed ten hoogste twintig kilometer.
Artikel 91a
Indien een hoeveelheid vaste meststoffen
die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat,
van een onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, een intermediaire
onderneming of een afnemer die geen bedrijf of intermediaire onderneming
voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in
zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid, van het besluit, worden
bepaald:
a. uitgaande van de stikstofgehalten
onderscheidenlijk de fosfaatgehalten van de afzonderlijke
grondstoffen waaruit het mengsel is bereid en het aandeel van deze
stoffen in het eindproduct; of
b. uitgaande van de stikstofgehalten
onderscheidenlijk de fosfaatgehalten van de partij vaste meststoffen
waaruit de afgevoerde hoeveelheid meststoffen afkomstig is, onder
voorwaarde dat deze partij niet groter is dan 5000 m3 en
bemonstering van deze partij tenminste éénmaal per twee maanden
plaatsvindt.
Artikel 91b
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke
meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een
bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het
eerste vervoer, in zoverre in afwijking van artikel 68, eerste lid van
het besluit, gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het
tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het
eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de
monsterverpakking als bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderdeel b,
van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
§ 3. Afgevoerde en aangevoerde andere
meststoffen
Artikel 92
1. Het gewicht van de van een bedrijf
of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld
afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan
meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een
intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of
compost, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van het besluit, wordt
door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door
middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader
waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een
bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden
verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming
vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel
68, eerste lid, van het besluit, komt overeen met het stikstofgehalte
en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of
compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig
de artikelen 92a en 92b is vastgesteld.
Artikel 92a
1. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in zuiveringsslib en compost, alsmede het droge
stofgehalte in zuiveringsslib en compost wordt vastgesteld door middel
van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster.
2. De bemonstering van een hoeveelheid
zuiveringsslib of compost geschiedt door de producent. Hij stelt per
geproduceerde hoeveelheid van ten hoogste 2.000.000 kilogram, een
representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die volgens
algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de
betrokken partij worden genomen. Indien de geproduceerde hoeveelheid
groter is dan 2.000.000 kilogram, wordt deze allereerst verdeeld in
partijen van ten hoogste 2.000.000 kilogram.
3. Indien zuiveringsslib of compost in
een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent
ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het
drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande
leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden
overeenkomstig artikel 92b, tweede lid, berekende
twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte,
mits:
a. de voor de productie van het
zuiveringsslib of de compost gebruikte ingangsmaterialen van
constante samenstelling zijn;
b. de productie van zuiveringsslib
of compost onafgebroken gedurende het gehele jaar plaatsvindt; en
c. het stikstofgehalte, het
fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte ten minste eenmaal per
kalendermaand wordt vastgesteld door middel van analyse van een
representatief monster bestaande uit deelmonsters die volgens
algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit
de in die kalendermaand geproduceerde hoeveelheid zijn genomen.
4. Het monster wordt verpakt in een
monsterverpakking die het monster niet verontreinigt of de
samenstelling ervan anderszins beïnvloedt.
5. Het monster wordt door de producent
uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een
laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
6. Indien het monster afkomstig is uit
een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de
betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de
analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in
artikel 92b, tweede lid, bedoelde berekening.
Artikel 92b
1. Het laboratorium, bedoeld in artikel
92a, analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst
overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage Ia, onderdeel
A, of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen
omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het
monster overeenkomstig artikel 92a, zesde lid, is aangegeven, berekent
het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het
gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen
twaalf maanden overeenkomstig de in bijlage Ia, onderdeel B, opgenomen
berekeningsmethode.
3. Het laboratorium voorziet de
analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende
gemiddelde gehalten van een uniek analysenummer van ten hoogste twaalf
posities.
4. Indien het monster afkomstig is uit
een afzonderlijk geproduceerde partij zendt het laboratorium de
analyseresultaten uiterlijk tien werkdagen na analyse elektronisch aan
de Dienst Regelingen en aan de producent van de desbetreffende
meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in
het derde lid.
5. Indien het monster afkomstig is uit
een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, zendt het
laboratorium de in het tweede lid bedoelde gehaltes, uiterlijk tien
werkdagen na afloop van de desbetreffende kalendermaand elektronisch
aan de Dienst Regelingen en aan de producent van de desbetreffende
meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in
het derde lid en het unieke analysenummer dat betrekking heeft op het
in voorgaande kalendermaand met betrekking tot de desbetreffende
hoeveelheid berekende gemiddelde.
6. Het laboratorium bewaart de monsters
totdat tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door het
laboratorium zijn verstreken.
Artikel 92c
Ingeval een hoeveelheid vloeibaar
zuiveringsslib die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar
zuiveringsslib als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van het besluit of
in artikel 51, vierde lid, en die rechtstreeks van de desbetreffende
onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, komt het stikstofgehalte
en het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte van de desbetreffende
hoeveelheid zuiveringsslib, in afwijking van artikel 68, eerste lid van
het besluit, overeen met het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte
onderscheidenlijk het drogestofgehalte zoals dat voor de in de
desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met
gebruikmaking van het inartikel 46, eerste lid, of artikel 51, vijfde
lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde
andere gegevensdragers is berekend en zoals dat voordat de afvoer
plaatsvond, overeenkomstigartikel 48, vijfde lid, of 52, vijfde lid, aan
de Dienst Regelingen is verstrekt.
Artikel 93
1. Het gewicht van de van een bedrijf
of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld
afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan
meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een
intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan
dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel
68, eerste lid, van het besluit, wordt bepaald door middel van weging
met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader
waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf
of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een
intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan
dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel
68, eerste lid, van het besluit, worden bepaald overeenkomstig artikel
17 door bemonstering en analyse.
3. In voorkomend geval geldt dat het
gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte,
van de in eerste en tweede lid bedoelde meststoffen overeenkomen met
het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende
document bij de desbetreffende meststoffen.
4. Artikel 68, eerste lid, van het
besluit in samenhang met het eerste en tweede lid, is niet van
toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde
hoeveelheid meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen,
zuiveringsslib of compost, naar een afnemer, niet zijnde een
landbouwer of een ondernemer.
§ 4. Voorraden meststoffen
Artikel 94
1. Het gewicht van de op een bedrijf
opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68,
derde lid, van het besluit, wordt bepaald op basis van meting van het
volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen.
2. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke
meststoffen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van het besluit, worden
bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire
onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in
artikel 68, vijfde lid, van het besluit, komt overeen met de
onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in artikel
46, eerste lid, genoemde formulier, respectievelijk in artikel 46,
tweede lid, genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Onverminderd het eerste tot en met
het derde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen
hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het
voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke
meststoffen.
Artikel 95
1. Het gewicht van de op een bedrijf
opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel
68, vierde en vijfde lid, van het besluit, wordt bepaald op basis van
meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen.
2. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid
zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vierde en vijfde
lid, van het besluit worden bepaald op basis van de best beschikbare
gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het
kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen hoeveelheid
zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vijfde lid, van het
besluit, komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met
gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, of artikel 51, vijfde
lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde
andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Het gewicht, onderscheidenlijk het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf of een
onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld
opgeslagen meststoffen anders dan dierlijke meststoffen,
zuiveringsslib of compost, bedoeld in artikel 68, vierde en vijfde
lid, van het besluit, komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk
het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de
verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende
meststoffen. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende meststoffen
wordt het gewicht bepaald op basis van meting van het volume en het
soortelijk gewicht van deze meststoffen
5. Onverminderd het eerste tot en met
het vierde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen
hoeveelheid in deze leden genoemde meststoffen, gelijk aan de aan het
einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid in deze
leden genoemde meststoffen.
§ 5. Gasvormige verliezen
Artikel 96
Als forfaitaire stikstofgehalten als
bedoeld in artikel 67, vijfde lid, van het besluit worden vastgesteld de
gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in
bijlage D, tabel I, kolom D, voor de onderscheiden diersoorten en
diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
§ 6. Diervoeders
Artikel 97
1. De ondernemer in het kader van wiens
onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met
staldieren, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het besluit:
a. bepaalt het gewicht van de
desbetreffende hoeveelheid diervoeders door middel van weging met
behulp van een weegwerktuig; en
b. stelt het stikstofgehalte, het
fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in
de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig
artikel 98.
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig
diervoeder zoals vermeld in bijlage J betreft, kunnen in afwijking van
het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het
volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als
het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die
voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn
vermeld in bijlage J.
Artikel 98
1. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien
procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in
bijlage K, onderdeel I, op basis van:
a. de resultaten van de
overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage K,
onderdeel II, uitgevoerde bemonstering en analyse van de
diervoeders; of
b. indien het mengvoeder betreft,
de berekeningen uitgaande van de bekende gehalten van de
nutriënten in de grondstoffen waaruit de diervoeders zijn bereid
en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct en rekening
houdend met de aard van het productieproces.
2. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte kleiner dan of
gelijk aan veertien procent wordt vastgesteld:
a. door middel van analyse van een
uit de desbetreffende diervoeders volgens de algemeen geldende
bemonsteringsprincipes genomen representatief monster; of
b. indien het mengvoeder betreft,
de berekeningen uitgaande van de bekende gehalten van de
nutriënten in de grondstoffen waaruit de diervoeders zijn bereid
en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct en rekening
houdend met de aard van het productieproces.
3. De analyse, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, en het tweede lid, geschiedt binnen één week na
ontvangst van het monster door een laboratorium dat voldoet aan de
norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm, volgens
de toepasselijke onderzoekmethode voor de bepaling van het ruw
eiwitgehalte, het fosforgehalte en het droge stofgehalte in
diervoeders.
4. De in het derde lid bedoelde
toepasselijke methoden zijn de methoden die ten minste dezelfde
waarborgen bieden als de methoden zijn voorgeschreven in Richtlijn
93/28/EEG van de Commissie van 4 juni 1993 (Pb.EG L 179) tot wijziging
van bijlage I bij Derde Richtlijn 72/199/EEG betreffende de
vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële
controle van diervoerders, voor het ruw eiwitgehalte en in de Tweede
Richtlijn 71/393/EEG van de Commissie van 18 november 1971 betreffende
de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor officiële
controle van veevoeders (Pb.EG L 279) voor het fosforgehalte.
5. Het resultaat van de analyse wordt
door het laboratorium beoordeeld in het licht van de herhaalbaarheid,
aangegeven in de betreffende analysemethode. Indien de norm voor
herhaalbaarheid wordt overschreden, voert het laboratorium een
herhalingsonderzoek op het monster uit.
6. Het laboratorium zendt de resultaten
van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de
ondernemer, bedoeld in artikel 97, tweede lid.
Artikel 99
1. De ondernemer, bedoeld in artikel
97, vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het
etiket of het begeleidend document:
a. het overeenkomstig artikel 97 in
samenhang met artikel 98 vastgestelde stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in het product;
b. voor diervoeder met een
vochtgehalte groter dan veertien procent, het droge stofgehalte
dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in de droge stof van het desbetreffende diervoeder;
c. voor mengvoeder de diersoort
waarvoor het diervoeder is bestemd;
d. de datum van levering;
e. de naam, het adres en de
woonplaats van de desbetreffende afnemer;
f. de naam van de ondernemer die de
diervoeders heeft afgeleverd; en
g. de hoeveelheid diervoeder in
kilogrammen.
2. Het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte worden vermeld met een nauwkeurigheid van tiende
grammen per kilogram.
3. Indien het diervoeder met een
vochtgehalte groter dan veertien procent betreft, kunnen de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, in afwijking van het
eerste lid, schriftelijk binnen twee weken na aflevering aan het
desbetreffende bedrijf verstrekt worden.
Artikel 100
Het gewicht, onderscheidenlijk het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of
afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in
artikel 67, eerste lid, van het besluit, anders dan ruwvoer en
enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J, komen overeen met het
gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte,
zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de
desbetreffende diervoeders, bedoeld in artikel 99, eerste lid, dan wel
met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge
artikel 99, derde lid, schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van
bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de
aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het
volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
Artikel 101
1. Het gewicht van het in artikel 67,
eerste lid, van het besluit bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde
ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in bijlage J, wordt
bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan
wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het
in artikel 67, tweede lid, van het besluit bedoelde op het bedrijf
geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in
bijlage J, wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden
soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het
fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de
aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in
artikel 67, eerste lid, van het besluit, en het op het bedrijf
geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in artikel
67, tweede lid, van het besluit, worden vastgesteld het
stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die
voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn
vermeld in bijlage J.
§ 7. Staldieren en eieren
Artikel 102
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en
fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in
artikel 67, derde lid, van het besluit worden voor de onderscheiden
diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten
die zijn vermeld in bijlage D, tabel III.
2. De bepaling van de hoeveelheden
stikstof en fosfaat in staldieren, bedoeld in artikel 67, derde lid,
van het besluit, wordt gebaseerd op de in het eerste lid bedoelde
forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram levend
gewicht. Ingeval van een dier geen gegevens over het gewicht
beschikbaar zijn, worden de hoeveelheden stikstof en fosfaat in dat
dier bepaald op basis van de in het eerste lid bedoelde forfaitaire
stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier.
Artikel 102a
Voor de toepassing van artikel 20 van de
Meststoffenwet, worden bij de vaststelling van het dagelijkse aanwezige
aantal vleeskalkoenen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het
besluit, de hanen van een bepaalde mestronde aangemerkt als tegelijk
voor de slacht afgeleverd met de laatste voor de slacht afgeleverde
hennen van die mestronde.
Artikel 103
Als forfaitaire stikstofgehalten en
fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in artikel 67, vierde
lid, van het besluit worden voor de onderscheiden soorten eieren
vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in bijlage D,
tabel IV.
§ 8. Fosfaattoestand van de bodem
Artikel 103a
1. De fosfaattoestand van de bodem,
bedoeld in artikel 69a van het besluit, wordt vastgesteld door een
laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar
voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025, door middel van bemonstering
en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen
protocol.
2. Het laboratorium stelt ter zake van
de bemonstering en analyse een analyserapport op, dat voor ieder
bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens bevat:
a. de naam en het adres van de
landbouwer wiens perceel is bemonsterd;
b. de datum van de monstername;
c. het gehanteerde
bemonsteringsprotocol;
d. de exacte locatie van het
bemonsterde perceel dan wel de delen van het perceel, vastgesteld
met behulp van GPS-gegevens;
e. het aantal steken dat uit de
bodemlaag werd genomen;
f. de diepte waarop de
bodemmonsters zijn gestoken;
g. een schema of een tekening van
de locaties waar de bodemmonsters zijn gestoken;
h. het codenummer van het
mengmonster dan wel de mengmonsters dat is onderscheidenlijk die
zijn samengesteld uit de bodemmonsters;
i. de waarnemingen tijdens de
monstername die mogelijk van invloed zijn op de uitkomsten van de
vaststelling;
j. de gebruikte analysemethode;
k. de analysedatum van het
mengmonster dan wel de mengmonsters;
l. de resultaten van de analyses;
m. bijzondere waarnemingen, die
tijdens de analyse van het mengmonster dan wel de mengmonsters
zijn gedaan; en
n. alle niet in bijlage L
voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van
het mengmonster dan wel de mengmonsters hebben beïnvloed.
3. Het analyserapport is geldig tot
vier jaar na de datum van de monstername, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b.
4. Als vaststelling van de
fosfaattoestand van de bodem als bedoeld in het eerste lid, wordt
tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem
die is verricht door een laboratorium dat blijkens accreditatie door
de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 door
middel van:
a. analyse van monsters die in de
periode van 16 mei 2006 tot 1 november 2009 uit de desbetreffende
bodem zijn genomen door dat laboratorium of onder de
verantwoordelijkheid van dat laboratorium door een monsternemer
die een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het bedrijf
waar de monsters worden genomen; of
b. bemonstering en analyse van de
bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol met
uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven
vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel
dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover
het betreft monsters die in de periode van 1 november 2009 tot 1
januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
Artikel 103b
1. Het laboratorium dat de in artikel
103a bedoelde vaststelling heeft verricht, verstrekt de landbouwer het
analyserapport en verstrekt desgevraagd gegevens over die vaststelling
aan de Dienst Regelingen.
2. De landbouwer meldt de
fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op
grond van artikel 103a, derde lid, geldige analyserapport, uiterlijk
15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.
3. De landbouwer bewaart het
analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel
32 van het besluit.
Artikel 103c
1. In afwijking van artikel 103a,
eerste en tweede lid, kan het laboratorium het nemen van monsters uit
de bodem van een perceel uitbesteden aan een derde indien:
a. de monstername geschiedt onder
verantwoordelijkheid van het laboratorium dat de analyse uitvoert;
b. het laboratorium zorg draagt
voor de kwaliteitseisen conform NEN-EN-ISO/IEC 17025;
c. de uitbesteding van de
werkzaamheden schriftelijk is overeengekomen;
d. de derde een onafhankelijke
positie heeft ten opzichte van het bedrijf waar de monsters worden
genomen;
e. degene die de monstername
verricht, daartoe is geschoold en door het laboratorium is
voorzien van deugdelijke instructies; en
f. het laboratorium in het
analyserapport de naam vermeldt van degene die de werkzaamheden
heeft verricht.
§ 9. Gewasopbrengst
Artikel 103d
1. De gewasopbrengst in een
kalenderjaar wordt bepaald door de hoeveelheid van het gewas die in
dat jaar is geoogst van de met het desbetreffende gewas beteelde
oppervlakte tot het bedrijf behorende landbouwgrond, te verminderen
met het door de afnemer van het desbetreffende gewas vastgestelde
tarragewicht.
2. De gewasopbrengst wordt uitgedrukt
in tonnen per hectare per jaar.
Hoofdstuk 10. Overgang van een
productierecht en de verplaatsing van een varkens-, kippen- of
kalkoenhouderij binnen een bedrijf
§ 1. Kennisgeving van overgang
Artikel 104
1. De kennisgeving van overgang,
bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet geschiedt bij de Dienst
Regelingen.
2. Bij de kennisgeving van overgang
worden door partijen in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. de door de Dienst Regelingen ter
identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummers;
b. het aantal varkenseenheden of
pluimvee-eenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft;
c. het gedeelte van het
productierecht, dat in het desbetreffende kalenderjaar op het
bedrijf van de vervreemder niet wordt benut voor het houden van
dieren.
3. Voor de toepassing van artikel 26,
zevende lid, van de Meststoffenwet worden bij de kennisgeving van
overgang tevens de volgende gegevens verstrekt:
a. een civielrechtelijke titel die
het exclusieve gebruiksgenot verschaft van de installatie waarin
de mestverwerking of mestvergisting plaatsvindt;
b. de aard en de capaciteit van de
installatie waarin de mestverwerking of mestvergisting
plaatsvindt;
c. de wijze en het moment waarop de
dierlijke meststoffen worden vergist of verwerkt en de techniek
van de bij de mestverwerking of mestvergisting gebruikte systemen;
d. een volledige beschrijving van
het mestverwerkingsproces of mestvergistingsproces;
e. de hoeveelheid en de aard van de
dierlijke meststoffen die zullen worden verwerkt;
f. een beschrijving van de
eindproducten die bij de mestverwerking of mestvergisting ontstaan
en het moment waarop de eindproducten worden afgezet;
g. gegevens of bescheiden op grond
waarvan is verzekerd dat de producten, bedoeld in onderdeel f,
worden afgezet buiten de markt voor dierlijke mest, en
h. een afschrift van de
omgevingsvergunning voor de verwerkingsinstallatie of
vergistingsinstallatie, die mede betrekking heeft op de
bijbehorende voorzieningen.
Artikel 104a
Voor de toepassing van artikel 26,
zevende lid, van de wet geeft het bedrijf waarbinnen de verplaatsing van
de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij plaatsvindt, van de verplaatsing
vooraf kennis aan de Dienst Regelingen en verstrekt de overeenkomstige
gegevens bedoeld, in artikel 104, tweede en derde lid.
§ 2. Blokkaderecht
Artikel 105
1. Alvorens de minister een
kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze
kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die
het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister
voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld,
indien overeenkomstig artikel 106, eerste lid, registratie door de
minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de
kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na
dagtekening van deze mededeling.
2. De termijn van 30 dagen wordt
verlengd tot negentig dagen na dagtekening van de mededeling, indien
een hypotheekhouder binnen de termijn van 30 dagen een verzoek aan de
minister bij de Dienst Regelingen indient.
3. De termijn van negentig dagen wordt
eenmalig met negentig dagen verlengd, indien de hypotheekhouder die
het in het tweede lid bedoelde verzoek heeft gedaan een verzoek
daartoe aan de minister bij de Dienst Regelingen indient onder
gelijktijdige overlegging van:
a. een rechterlijke uitspraak
waaruit blijkt dat degene op wiens bedrijf het verzoek betrekking
heeft de desbetreffende overgang geen doorgang kan laten vinden;
of
b. een schriftelijke verklaring van
een notaris, waarin deze stelt dat hij van de hypotheekhouder op
grond van artikel 268, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek de opdracht heeft ontvangen om het desbetreffende
registergoed, of in voorkomend geval de desbetreffende
registergoederen in het openbaar te verkopen.
4. Na afloop van de overeenkomstig het
derde lid verlengde termijn wordt de kennisgeving van de overgang
onherroepelijk door de minister in behandeling genomen.
5. In afwijking van het eerste lid,
onderscheidenlijk het tweede tot en met het vierde lid, wordt de
kennisgeving van overgang door de minister in behandeling genomen
voordat de termijn van 30 dagen, onderscheidenlijk de verlengde
termijn is verstreken, zodra hij van elke hypotheekhouder die het
bedrijf heeft laten registreren, onderscheidenlijk elke
hypotheekhouder die om verlenging van de desbetreffende termijn heeft
verzocht, een verklaring heeft ontvangen waaruit blijkt dat tegen in
behandeling neming geen bezwaar bestaat.
Artikel 106
1. De aanmelding ter registratie,
bedoeld in artikel 105, eerste lid, geschiedt bij de Dienst
Regelingen.
2. Bij de aanmelding, bedoeld in het
eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. het adres waar de
hypotheekhouder is gevestigd;
b. het door de Dienst Regelingen
ter identificatie verstrekte relatienummer van het bedrijf waarop
het verzoek betrekking heeft; en
c. het correspondentieadres van het
in onderdeel b bedoelde bedrijf.
3. De in het eerste lid bedoelde
aanmelding wordt voor akkoord medeondertekend door degene op wiens
bedrijf de registratie betrekking heeft.
Artikel 107
1. Indien de aanmelding, bedoeld in
artikel 106, eerste lid, niet voor akkoord is medeondertekend door
degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het
bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het
verzoek tevens een uittreksel van het in artikel 260, eerste lid, van
boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare register overlegt,
waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een
hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie,
bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens
bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen
na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de
geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van artikel
105 de volgende leden.
3. De minister neemt een kennisgeving
van overgang, gedaan door degene op wiens bedrijf de registratie
betrekking heeft, niet in behandeling zolang de hypotheekhouder de
registratie niet laat doorhalen, doch hoogstens gedurende negentig
dagen na dagtekening van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het
tweede lid.
4. De termijn, bedoeld in het derde
lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de
hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek
doet aan de minister bij de Dienst Regelingen, onder gelijktijdige
overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een
notaris als bedoeld in artikel 105, derde lid.
5. De registratie wordt doorgehaald na
afloop van de in het derde, dan wel in voorkomend geval in het vierde
lid bedoelde termijn.
6. Ter zake van een bedrijf, waarvan
overeenkomstig het vijfde lid de registratie is doorgehaald, wordt
door de minister geen nieuw verzoek tot registratie van dezelfde
hypotheekhouder in behandeling genomen, tenzij deze voor akkoord is
medeondertekend door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking
heeft. Dit voor akkoord medeondertekende verzoek tot registratie geldt
tevens als intrekking van het niet-medeondertekende verzoek tot
registratie, indien deze registratie nog niet is doorgehaald.
Artikel 108
1. Op verzoek van de hypotheekhouder
wordt de registratie van het bedrijf voor de toepassing van deze
paragraaf door de minister doorgehaald.
2. Indien het recht van hypotheek op
grond waarvan de registratie van het bedrijf plaatsvond is
tenietgegaan, wordt de registratie van het bedrijf voor de toepassing
van deze paragraaf door de minister doorgehaald.
3. De hypotheekhouder doet van het
tenietgaan van het recht van hypotheek binnen 30 dagen mededeling aan
de Dienst Regelingen.
4. Indien de in het tweede lid bedoelde
mededeling niet binnen 30 dagen na het tenietgaan van het recht van
hypotheek door de minister is ontvangen, kan de minister ten aanzien
van de hypotheekhouder besluiten hem of haar voor de duur van ten
hoogste twee jaar van de toepassing van deze paragraaf uit te sluiten.
Artikel 109
Aan de hypotheekhouder die een bedrijf
voor de toepassing van deze paragraaf heeft laten registreren, kunnen
ter zake van het bedrijf waarop de registratie betrekking heeft door de
minister de volgende gegevens worden verstrekt:
a. gegevens over het geregistreerde
productierecht;
b. gegevens over het aantal
varkenseenheden, onderscheidenlijk pluimvee-eenheden waarop de
kennisgeving betrekking heeft;
c. de dagtekening van de mededeling,
bedoeld in artikel 107, tweede lid; en
d. de indiening of het achterwege
blijven van de verklaring bedoeld in artikel 107, tweede lid.
§ 3. Vervallen van een productierecht
Artikel 110
1. De kennisgeving, bedoeld in artikel
31, tweede lid, van de wet, geschiedt bij de Dienst Regelingen.
2. Bij de kennisgeving, bedoeld in het
eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. het door de Dienst Regelingen
ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer; en
b. indien een gedeelte van het
productierecht komt te vervallen, het aantal varkenseenheden,
onderscheidenlijk pluimvee-eenheden dat komt te vervallen.
§ 4. Leges
Artikel 111
1. Een kennisgeving van overgang,
bedoeld in artikel 104, eerste lid, wordt eerst geregistreerd nadat de
verwerver een bedrag van € 250 aan de Dienst Regelingen heeft
voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie,
bedoeld in artikel 105, eerste lid, wordt voor de toepassing van
paragraaf 2 eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35
aan de Dienst Regelingen is voldaan.
3. Indien de minister op grond van
artikel 29, eerste lid, van de wet niet tot registratie overgaat,
wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, aan de betaler
gerestitueerd.
4. Het bedrag, bedoeld in het tweede
lid, geldt per verzoek per bedrijf.
§ 4a. Versoepeling compartimentering bij
mestverwerking of mestvergisting
Artikel 111a
1. Artikel 26, zevende lid, van de
Meststoffenwet is van toepassing indien wordt voldaan aan de volgende
voorwaarden:
a. de mestverwerking of
mestvergisting geschiedt in een installatie die overeenkomstig
artikel 23, eerste lid, of 24, eerste lid, van verordening (EG)
nr. 1069/2009 geregistreerd respectievelijk erkend is;
b. ten aanzien van de installatie
is een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de
Wet milieubeheer of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht afgegeven;
c. de mestverwerking of
mestvergisting van de dierlijke meststoffen geschiedt in een
installatie op een naar het oordeel van de minister adequate
wijze;
d. de installatie waarin de
dierlijke meststoffen worden verwerkt of vergist, heeft naar het
oordeel van de minister voldoende capaciteit om de met de overgang
of verplaatsing gemoeide hoeveelheid dierlijke meststoffen te
verwerken, onderscheidenlijk te vergisten;
e. de hoeveelheid in een
kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen,
in verband met de overgang of verplaatsing, wordt uiterlijk in het
daarop volgende kalenderjaar in de installatie verwerkt of vergist
en uiterlijk in het daarop volgende kalenderjaar worden de
eindproducten die bij de mestverwerking of de mestvergisting
ontstaan, afgezet;
f. de geproduceerde hoeveelheid
dierlijke mestststoffen, in verband met de overgang of
verplaatsing, wordt verwerkt door middel van mestverwerking of
mestvergisting in een mestverwerkingsinstallatie of
mestvergistingsinstallatie die behoort tot het bedrijf waarnaar
het productierecht, of gedeelte daarvan, zal overgaan, of
waarbinnen de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij zal worden
verplaatst;
g. de eindproducten die bij de
mestverwerking of mestvergisting ontstaan, worden niet binnen de
markt voor dierlijke mest afgezet;
h. indien de mestverwerking of de
vergisting van de dierlijke meststoffen niet op een adequate wijze
kan geschieden als gevolg van een storing van de installatie, doet
de landbouwer hiervan binnen drie dagen melding aan de Dienst
Regelingen, en
i. wijzigingen in de ingevolge
artikel 104 verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de
datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst
Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte
relatienummer, gemeld aan deze dienst.
2. Indien niet wordt voldaan aan de
voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt van het op dat bedrijf
rustende varkensrecht onderscheidenlijk pluimveerecht dat deel buiten
beschouwing gelaten dat volgens artikel 26, zevende lid, van de
Meststoffenwet is overgegaan van een bedrijf dat geheel of
gedeeltelijk is gelegen buiten dat concentratiegebied naar een bedrijf
dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het concentratiegebied.
Artikel 111b
Een productierecht, of een gedeelte
daarvan, dat is overgegaan ingevolge het bepaalde in artikel 26, zevende
lid, van de wet kan niet overgaan naar een ander bedrijf binnen het
concentratiegebied.
§ 5. Uitbreiding buiten rechten
Artikel 112
1. De minister kan indien naar zijn
oordeel is voldaan aan deze paragraaf ontheffing verlenen van het
verbod, bedoeld in de artikelen 19 en 20, eerste lid, van de wet.
2. De ontheffing geldt voor het
overeenkomstig artikel 113 te bepalen gemiddeld aantal varkens
onderscheidenlijk kippen en kalkoenen dat in een kalenderjaar ten
hoogste mag worden gehouden.
3. Het gemiddeld aantal varkens
onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in het tweede lid,
wordt uitgedrukt in varkenseenheden onderscheidenlijk in
pluimvee-eenheden, overeenkomstig de in bijlage II van de wet daarvoor
opgenomen normen.
Artikel 113
1. Het gemiddeld aantal varkens
onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in artikel 112, tweede
lid, komt overeen met het verschil in omvang van het op het bedrijf
rustende productierecht op het tijdstip, bedoeld in artikel 119,
tweede lid, en op het tijdstip waarop de ontheffing is verleend,
verminderd met de omvang van de verkleiningen van het op het bedrijf
rustende productierecht die in de periode vanaf het tijdstip waarop de
ontheffing is verleend, hebben plaatsgevonden als gevolg van een
registratie van een kennisgeving van een overgang van een
productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 27, tweede
lid, van de wet, en bedraagt ten hoogste de ingevolge artikel 115,
eerste lid, onderdeel a, bedoelde omvang van de voorgenomen vergroting
van het varkensrecht, onderscheidenlijk pluimveerecht.
2. Het totale aantal diereenheden,
waarvoor ingevolge deze paragraaf ontheffing wordt verleend bedraagt
ten hoogste 270.270. Van dit aantal zijn 135.135 diereenheden
gereserveerd voor ontheffingen in het kader van mestverbranding en het
resterende aantal is gereserveerd voor ontheffingen in het kader van
mestverwerking. Van het laatstbedoelde aantal is 81.081 gereserveerd
voor varkenseenheden.
Artikel 114
Aanvragen voor een ontheffing kunnen
onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van
het desbetreffende bedrijf verstrekte relatienummer vanaf 1 maart 2006
tot en met 30 april 2006 bij de Dienst Regelingen worden ingediend:
a. door een landbouwer die voornemens
is:
1°. het op het bedrijf rustende
productierecht met ten hoogste 100 procent te vergroten; en
2°. de op het bedrijf door de
diersoort waarop de aanvraag betrekking heeft geproduceerde
hoeveelheid dierlijke meststoffen te verwerken of te laten
verwerken door middel van mestverbranding of mestverwerking; en
b. ten aanzien van een door deze
landbouwer gevoerd bedrijf:
1°. dat op 13 april 2005 op naam
van de desbetreffende landbouwer was geregistreerd bij de Dienst
Regelingen;
2°. dat op de datum, genoemd
onder 1°, beschikte over een varkensrecht of een pluimveerecht,
voor zover de aanvraag betrekking heeft op varkenseenheden
onderscheidenlijk op pluimvee-eenheden; en
3°. waarvan het productierecht
na de datum, genoemd onder 1°, niet is verkleind, als gevolg
van een registratie van een kennisgeving van een overgang van
een productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel
27, tweede lid, van de wet, tenzij deze verkleining nadien is
ongedaan gemaakt door een vergroting van het productierecht als
gevolg van een registratie van een kennisgeving van een overgang
van een productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in
artikel 27, tweede lid, van de wet.
Artikel 115
1. Bij de aanvraag worden in ieder
geval de volgende gegevens verstrekt:
a. de omvang van de voorgenomen
vergroting van het varkensrecht, onderscheidenlijk pluimveerecht;
b. de aard en de capaciteit van de
installatie waarin de mestverbranding of de mestverwerking
plaatsvindt;
c. de wijze waarop de dierlijke
meststoffen worden bewerkt of verwerkt en de techniek van de bij
de mestverwerking gebruikte systemen;
d. een volledige beschrijving van
het mestverwerkingsproces;
e. de hoeveelheid en de aard van de
dierlijke meststoffen die zullen worden verbrand of verwerkt;
f. een beschrijving van de
eindproducten die bij de mestverbranding of mestverwerking
ontstaan;
g. gegevens of bescheiden op grond
waarvan is verzekerd dat de producten, bedoeld in onderdeel f,
niet worden afgevoerd naar of op of in de bodem worden gebracht op
in Nederland gelegen landbouwgrond of natuurterrein; en
h. indien de verbrandings- of
verwerkingsinstallatie nog niet operationeel is, gegevens waarmee
aannemelijk wordt gemaakt dat de installatie wordt gerealiseerd
vóór 1 mei 2009, onderscheidenlijk 1 november 2007.
2. Indien de dierlijke meststoffen niet
op het eigen bedrijf worden verbrand of verwerkt gaat de aanvraag
vergezeld van een verklaring van de intermediair met wie de landbouwer
voornemens is een overeenkomst aan te gaan tot mestverbranding of
mestverwerking, waarin deze dit voornemen bevestigt, onder vermelding
van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van de
intermediair verstrekte relatienummer.
3. Door of namens de minister kunnen
nadere gegevens worden gevraagd.
Artikel 116
1. De minister beslist in volgorde van
de datum van ontvangst op de volledig ingediende aanvragen.
2. Indien dit noodzakelijk is in
verband met het bereiken van de in artikel 113, tweede lid, bedoelde
aantallen wordt door middel van loting beslist over de rangschikking
van de op één datum ontvangen aanvragen.
Artikel 117
De ontheffing wordt slechts verleend
indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. de omvang van de voorgenomen
vergroting van het productierecht bedraagt ten hoogste 100 procent
van het op het bedrijf rustende productierecht;
b. het op het bedrijf rustende
productierecht is in de periode vanaf het tijdstip waarop de
ontheffing is aangevraagd, niet verkleind, als gevolg van een
registratie van een kennisgeving van een overgang van een
productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 27,
tweede lid, van de wet,
c. de verbranding of de verwerking
van de dierlijke meststoffen geschiedt op een naar het oordeel van
de minister adequate wijze; en
d. de installatie waarin de dierlijke
meststoffen worden verbrand of verwerkt, heeft naar oordeel van de
minister voldoende capaciteit om de betrokken hoeveelheid dierlijke
meststoffen te verbranden, onderscheidenlijk te verwerken.
Artikel 118
1. Aan de ontheffing worden de volgende
voorschriften verbonden:
a. de installatie is overeenkomstig
artikel 23, eerste lid of 24, eerste lid, van verordening (EG) nr.
1069/2009 geregistreerd respectievelijk erkend;
b. ten aanzien van de installatie
is een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de
Wet milieubeheer of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht afgegeven;
c. de installatie voldoet steeds
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 117, onderdelen c en d;
d. de totale hoeveelheid in een
kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen
afkomstig van de diersoort waarop de ontheffing betrekking heeft,
wordt uiterlijk in het daarop volgende kalenderjaar in de
installatie verbrand of verwerkt en in datzelfde jaar worden de
eindproducten die bij de mestverbranding of de mestverwerking
ontstaan afgezet;
e. de eindproducten die bij de
mestverbranding of de mestverwerking ontstaan worden niet
afgevoerd naar of op of in de bodem gebracht op in Nederland
gelegen landbouwgrond of natuurterrein;
f. indien de dierlijke meststoffen
op het eigen bedrijf worden verbrand of verwerkt, beschikt de
landbouwer over schriftelijke overeenkomsten die voor ten minste
één jaar zijn aangegaan met de afnemers van de in onderdeel e,
bedoelde eindproducten, op grond waarvan deze afnemers verplicht
zijn de totale hoeveelheid in een kalenderjaar geproduceerde
eindproducten af te nemen;
g. indien de dierlijke meststoffen
niet op het eigen bedrijf worden verbrand of verwerkt, beschikt de
landbouwer over schriftelijke overeenkomsten die voor ten minste
drie jaar zijn aangegaan met de verbrander of de verwerker op
grond waarvan hij verplicht is de totale hoeveelheid dierlijke
meststoffen die in een kalenderjaar door de dieren behorend tot de
diersoort waarop de ontheffing betrekking heeft kan worden
geproduceerd, ter verbranding onderscheidenlijk ter verwerking van
deze meststoffen af te leveren aan deze verbrander of verwerker;
h. in de in onderdeel g bedoelde
situatie voert de landbouwer de hoeveelheid dierlijke meststoffen
die hij ingevolge de overeenkomst verplicht is te leveren
daadwerkelijk af aan de verbrander of de verwerker, die de
meststoffen ter verbranding of verwerking in zijn installatie
afneemt;
i. indien de verbranding of de
verwerking van de dierlijke meststoffen niet op een adequate wijze
kan geschieden als gevolg van een storing van de installatie, doet
de landbouwer hiervan binnen drie dagen melding aan de Dienst
Regelingen; en
j. Wijzigingen in de ingevolge
artikel 115 verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de
datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst
Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte
relatienummer, gemeld aan deze dienst..
2. De landbouwer bewaart een afschrift
van de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en g,
als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het
besluit.
3. Aan de ontheffing kunnen nadere
voorschriften worden verbonden.
Artikel 119
1. De ontheffing geldt voor een periode
van 10 jaar.
2. De periode vangt aan op het tijdstip
waarop blijkens een aan de Dienst Regelingen te overleggen verklaring
voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 118.
Artikel 120
1. De ontheffing kan geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken indien in strijd wordt gehandeld met
één of meer bij of krachtens artikel 118 gestelde voorschriften of
indien overigens in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens de
Meststoffenwet.
2. De ontheffing wordt ingetrokken
indien de producent, die de aanvraag om ontheffing heeft ingediend,
het bedrijf ten aanzien waarvan de ontheffing is verleend, niet langer
voert.
3. In afwijking van het tweede lid,
gaan indien het gehele bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet door een
andere landbouwer de rechten en voorschriften verbonden aan de
ontheffing op hem over indien partijen zulks ter zake van de
registratie van de overgang van het op dat bedrijf rustende
productierecht aan de Dienst Regelingen hebben gemeld.
4. De ontheffing vervalt indien niet
binnen 36 of 18 maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop over de
aanvraag is beslist met de mestverbranding onderscheidenlijk
mestverwerking is begonnen.
Artikel 121
Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt bij de bepaling van de omvang van het op een bedrijf rustende
productierecht de beperking van de verkleining en de vergroting die
ingevolge artikel 28, derde lid, van de wet plaatsvindt in het jaar
waarin de kennisgeving van de overgang van een productierecht wordt
geregistreerd, buiten beschouwing gelaten.
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Artikel 122
1. De in artikel 26, eerste lid, van
het besluit en de in de artikelen 25, eerste, tweede, derde, vierde en
zevende lid, 32, eerste lid, 35a, derde, vierde en vijfde lid, 37,
eerste, tweede en vierde lid, 41, 42, 45, eerste, tweede en achtste
lid, 48, 50, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 52, 103b, tweede
lid, 104, eerste lid, artikel 105, eerste lid, artikel 110, eerste
lid, artikel 114, artikel 115 en artikel 119, tweede lid, bedoelde
meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen,
aanmeldingen ter registratie en aanvragen tot ontheffing geschieden
door indiening bij de Dienst Regelingen van het ingevulde en
ondertekende daartoe bestemde formulier, dat door deze dienst wordt
verstrekt.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde
handelingen op elektronische wijze geschieden, wordt gebruik gemaakt
van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde
elektronische portaal.
3. De in de artikelen 55, vierde lid,
56, 81, eerste lid, en 92b, vierde en vijfde lid, bedoelde
elektronische verzending van gegevens, de in deartikelen 48, vijfde
lid, 52, 57a en 58 bedoelde elektronische mededelingen en
verstrekkingen van gegevens, de in de artikelen 28a, onderdeel e, en
35f, tweede lid, bedoelde elektronische aanmelding en de in de
artikelen 64 en 69a, bedoelde elektronische indiening van gegevens
geschieden met gebruikmaking van het door de Dienst Regelingen daartoe
ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt
door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke
gebruikerscode, die overeenkomstig artikel 123 door de minister op
naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
Artikel 123
1. De aanvraag tot registratie van een
persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in artikel 122, derde lid,
geschiedt bij de Dienst Regelingen.
2. De Dienst Regelingen zendt de
aanvrager een bevestiging van de registratie.
Artikel 124
1. Degene die ingevolge deze regeling
gegevens in de administratie moet opnemen of uit de administratie moet
verstrekken, doet dit volledig en naar waarheid.
2. Het opnemen in of verstrekken uit de
administratie van de in het eerste lid bedoelde gegevens geschiedt,
voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, onverwijld nadat de
gegevens bekend zijn bij degene die ze ingevolge deze regeling moet
opnemen in of verstrekken uit de administratie.
3. De in het eerste lid bedoelde
gegevens worden niet gewijzigd in de administratie en worden bewaard
als onderdeel van de administratie, bedoeld in de artikelen 32, 39 of
44 van het besluit.
Artikel 125
Met een laboratorium als bedoeld in de
artikelen 17, tweede lid, 18, tweede lid, 19, tweede lid, 20, tweede
lid, 21, derde lid, 22, tweede lid, 27, eerste lid, 32, tweede lid, 81,
derde lid, 92a, vijfde lid, 99, derde lid, en 103a, eerste lid wordt
gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere
lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is
bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een
verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een
kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau
dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Artikel 126
1. Het verbod, bedoeld in artikel 7 van
de wet, is niet van toepassing op bedrijven, of delen van bedrijven,
waarop de verbruiksdoelstellingen voor stikstof en fosfaat als bedoeld
in bijlage 1 van het Besluit glastuinbouw van toepassing zijn.
2. Op het bedrijf, of deel van het
bedrijf, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste 170 kilogram
stikstof in de vorm van dierlijke meststoffen op of in de bodem
gebracht.
3. Op bedrijven met open grondteelt die
mede glastuinbouwactiviteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel d,
van het Besluit glastuinbouw, uitoefenen op een kleiner oppervlak dan
2500 m2 aan permanente opstand van glas of kunststof is voor deze
glastuinbouwactiviteiten het verbod, bedoeld in artikel 7 van de wet,
niet van toepassing.
4. Op bedrijven als bedoeld in het
derde lid, zijn voor de glastuinbouwactiviteiten de
verbruiksdoelstellingen voor stikstof en fosfaat, genoemd in bijlage
1, van het Besluit glastuinbouw, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 127
De voldoening aan de voorwaarden 30, 35,
43, 44, 92a, derde lid, en 126, tweede lid, wordt desgevraagd ten
genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
Artikel 128
1. Ter uitvoering van:
a. de artikelen 43 en 45, eerste en
vijfde lid, van het besluit en de artikelen 50, tweede en derde
lid, en 74, derde lid, voor zover deze artikelen betrekking hebben
op ondernemers in het kader van wier onderneming van bedrijven
afgenomen koemelk wordt verwerkt, en
b. artikel 42, derde lid,
wordt medewerking gevorderd van het
bestuur van het Productschap Zuivel.
2. De in het eerste lid bedoelde
medewerking bestaat uit:
a. het registreren van de in het
eerste lid bedoelde ondernemers en het ten behoeve van deze
registratie inwinnen van de in de artikelen 43 van het besluit
bedoelde gegevens; en
b. het vaststellen van de totale
hoeveelheid in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde
koemelk, bedoeld in de artikelen 42, derde lid, en 74, derde lid,
en het gemiddelde ureumgehalte van deze hoeveelheid koemelk en het
ten behoeve van deze vaststelling inwinnen van de noodzakelijke
gegevens.
3. De in het eerste lid bedoelde
medewerking bestaat voorts uit het verrichten van de noodzakelijke
werkzaamheden en het ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
ondernemers bij verordening stellen van nadere regels, inzake:
a. de overige bij de aanmelding,
bedoeld in artikel 43 van het besluit, te verstrekken gegevens, de
wijze waarop de aanmelding geschiedt en de wijze waarop en de
termijn waarbinnen de doorgifte van wijzigingen geschiedt;
b. de wijze waarop de
administratie, bedoeld in de artikelen 33 en 44 van het besluit,
wordt gevoerd, en de termijn waarbinnen wijzigingen in deze
administratie worden doorgevoerd;
c. de overige gegevens die de
administratie, bedoeld in de artikelen 33 en 44 van het besluit,
bevat;
d. de gegevens die ingevolge
artikel 45, eerste lid, van het besluit en artikel 42, derde lid,
verstrekt worden, de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze
gegevens verstrekt worden;
e. de wijze waarop de op het
bedrijf, bedoeld in artikel 42, derde lid, geproduceerde
hoeveelheid koemelk wordt bepaald;
f. de wijze waarop de door de in
het eerste lid bedoelde ondernemers van bedrijven afgenomen
hoeveelheden koemelk in kilogrammen per bedrijf per kalenderjaar
en het ureumgehalte van deze hoeveelheden worden bepaald; en
g. de ten behoeve van de bepaling
van de hoeveelheden koemelk en het ureumgehalte in de koemelk,
bedoeld in de onderdelen e en f, te verrichten vaststellingen
waaronder:
1°. de methode van bepaling,
bemonstering en analyse;
2°. de ten behoeve van de
vaststelling te gebruiken apparatuur;
3°. de bevoegdheid tot het
doen van de vaststelling;
4°. de plaats, het moment en
de frequentie van de vaststelling; en
5°. de verantwoording van de
vaststellingen.
4. Het productschap verstrekt de
minister, al dan niet op verzoek, alle mededelingen of inlichtingen,
afschriften van uitgestuurde stukken daaronder begrepen, dan wel
verleent medewerking aan al hetgeen van belang is of zou kunnen zijn
voor de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van het
besluit en de regeling.
5. Het productschap draagt er zorg voor
dat aan de landbouwer die 50 procent of meer van de geproduceerde
koemelk levert aan een koper als bedoeld in de Regeling superheffing
en melkpremie 2004, jaarlijks vóór 1 februari gegevens over de
totale hoeveelheid in het voorafgaande kalenderjaar op het bedrijf
geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte van deze
hoeveelheid koemelk worden verstrekt.
Artikel 129
Met het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens de Meststoffenwet zijn belast de ambtenaren
van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie.
Artikel 130
De hoogte van de bestuurlijke boete die
overeenkomstig artikel 51 van de Meststoffenwet kan worden opgelegd,
wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in bijlage M voor de
desbetreffende overtreding is vermeld.
Artikel 131
[Wijzigt de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990]
Artikel 132
De volgende regelingen worden
ingetrokken:
a. de Vrijstellingsregeling mestbe- en
verwerking Meststoffenwet;
b. de Vaststellingsregeling
aanvraagformulieren Besluit erkenning tussenpersonen, mestverwerkers en
exporteurs Meststoffenwet;
c. de Regeling uitvoering heffingen en
verrekening Meststoffenwet;
d. de Regeling landbouwgrond en
natuurterrein Meststoffenwet;
e. de Regeling vrijstelling van de
heffingen Meststoffenwet voor kleine bedrijven, tuinbouwbedrijven en
tuincentra;
f. de Vrijstellingsregeling gestarte en
uitgebreide bedrijven Meststoffenwet;
g. de Vaststellingsregeling formulier
grondgebruikersverklaring;
h. de Vaststellingsregeling formulier
vrijstelling gestarte en uitgebreide bedrijven;
i. de Beleidsregels bestuurlijke boeten
Bureau Heffingen 1999;
j. de Beleidsregels Algemene wet
bestuursrecht Bureau Heffingen;
k. de Vrijstellingsregeling gebruik
dierlijke meststoffen 2005; en
l. de regeling van de Minister van
Landbouw en Visserij van 17 december 1986, nr. J9110, houdende
aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren Meststoffenwet (Stcrt. 246).
Artikel 133
Indien een hypotheekhouder een bedrijf
voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig artikel 5 van de
Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij of
artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten, zoals deze
artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking
van artikel 106, eerste lid, voor de toepassing van artikel 105, zonder
voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de Dienst Regelingen.
Artikel 134 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 135
Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van artikel 134, dat in
werking treedt met ingang van 1 december 2005.
Artikel 136
Deze regeling wordt aangehaald als:
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Deze regeling zal met toelichting
in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 4 november 2005.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|