| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Monumentenwet
1998 (MW)
BESLUIT
ARCHEOLOGISCHE MONUMENTENZORG
Tekst zoals deze geldt op
23 juli 2011
|
|
|
BESLUIT van 9 augustus 2007, houdende regels ter
uitvoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg en enkele
technische wijzigingen van het Besluit indieningsvereisten aanvraag
bouwvergunning (Besluit archeologische monumentenzorg)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28
februari 2007, nr. WJZ/2007/2608 (8129), directie Wetgeving en
Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Ministers van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van
Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 34a, eerste en
tweede lid, en 48, eerste en tweede lid, van de Monumentenwet 1988,
artikel 40a van de Woningwet en de artikelen 49 en 190 van de
Mijnbouwwet;
De Raad van State gehoord (advies van 12 april
2007, W05.07.0055/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 augustus 2007, nr. WJZ/2007/11542
(8129), directie Wetgeving en Juridische Zaken, in overeenstemming met
Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en van Economische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
aanvraag:
1°. voor hoofdstuk 2: aanvraag voor een specifieke uitkering als
bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of
2°. voorhoofdstuk 3: aanvrager van een vergunning als bedoeld in
artikel 45 van de Monumentenwet 1988;
drempelbijdrage: deel van de kosten van het doen van opgravingen dat
ten laste komt van de gemeente of de provincie;
excessieve kosten: deel van de kosten van het doen van opgravingen
dat het bedrag dat wordt gevormd door de som van de drempelbijdrage en
het verstoordersdeel te boven gaat;
leidinggevende: degene die binnen de organisatie van de aanvrager,
bedoeld in hoofdstuk 3, daadwerkelijk leiding geeft aan het doen van de
opgravingen;
specifieke uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in artikel
34a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988;
vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 45 van de Monumentenwet
1988;
verstoordersdeel:
1°. deel van de kosten van het doen van opgravingen dat volgens
de aanvrager, bedoeld in hoofdstuk 2, ten laste blijft van degene
die door de aanvrager tot het doen van opgravingen is verplicht, of
2°. bedrag dat Onze minister op grond van artikel 6 heeft
vastgesteld;
wet: Monumentenwet 1988.
Hoofdstuk 2. Excessieve kosten archeologische opgravingen
§ 1. Berekening van de drempelbijdrage
Artikel 2
1.De drempelbijdrage bestaat uit het inwoneraantal van de
betreffende gemeente of provincie vermenigvuldigd met een door Onze
minister vast te stellen bedrag.
2.Voor de berekening van de drempelbijdrage is bepalend het
inwoneraantal van de gemeente of provincie op 1 januari van het jaar
waarin de aanvraag is ingediend.
§ 2. Aanvraag
Artikel 3
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. het besluit waarbij de verplichting tot het doen van de
betreffende opgravingen is opgelegd,
b. het besluit, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onder a, b of
c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 26 van
de Ontgrondingenwet, en het verzoek dat aan dat besluit ten
grondslag ligt,
c. een overzicht van de totale kosten van het doen van de
betreffende opgravingen, en
d. het programma van eisen met betrekking tot het doen van de
betreffende opgravingen.
§ 3. Uitkeringsplafond
Artikel 4
1.Onze minister stelt jaarlijks vast tot welk bedrag ten hoogste
verplichtingen kunnen worden aangegaan voor het verstrekken van
specifieke uitkeringen.
2.Onze minister verleent specifieke uitkeringen in de volgorde van
ontvangst van de aanvragen.
§ 4. Verlening van de specifieke uitkering
Artikel 5
Onze minister kan een specifieke uitkering verlenen voor de
excessieve kosten.
Artikel 6
Onze minister kan het verstoordersdeel anders vaststellen dan de
aanvrager, indien hij van oordeel is dat de aanvrager niet in
redelijkheid het desbetreffende bedrag heeft kunnen vaststellen.
Artikel 7
Het besluit tot verlening vermeldt in ieder geval het bedrag van de
te verlenen specifieke uitkering dat ten hoogste zal worden verleend.
Artikel 8
Onze minister kan voorschotten verlenen.
Artikel 9
Artikel 4:34, eerste, derde en vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Weigering van de specifieke uitkering
Artikel 10
1. Onze minister kan een specifieke uitkering weigeren geheel of
gedeeltelijk te verlenen:
a. indien de op te graven monumenten uit een oogpunt van
cultuurbehoud onvoldoende esthetische, cultuurhistorische of
wetenschappelijke waarde hebben, of
b. indien het doen van de betreffende opgravingen kennelijk
niet in overeenstemming is met het beleid van Onze minister op het
terrein van het behoud van monumenten.
2. Onze minister weigert een specifieke uitkering voor zover het
uitkeringsplafond, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor het
desbetreffende jaar door verlening van die specifieke uitkering zou
worden overschreden.
Artikel 11
Aanvragen die op grond van artikel 10, tweede lid, zijn geweigerd,
komen in de volgorde van ontvangst in een volgend jaar opnieuw in
aanmerking voor verlening van een specifieke uitkering.
§ 6. Verplichtingen verbonden aan de specifieke uitkering
Artikel 12
De ontvanger van een specifieke uitkering doet zo spoedig mogelijk
schriftelijk mededeling aan Onze minister van omstandigheden die van
belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van
een specifieke uitkering. Daarbij worden de relevante stukken
overgelegd.
§ 7. Verantwoording over de specifieke uitkering
Artikel 13
Voor zover niet uit de jaarrekening van de gemeente of provincie over
het jaar waarin het doen van opgravingen is afgerond, alsmede uit de
accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, behorend bij die
jaarrekening krachtens artikel 213 van de Gemeentewet of artikel 217 van
de Provinciewet, blijkt dat een specifieke uitkering rechtmatig is
besteed, kan het bedrag waarvan de rechtmatige besteding niet vaststaat,
worden teruggevorderd.
§ 8. Vaststelling van de specifieke uitkering
Artikel 14
1.Binnen vier maanden na ontvangst van de jaarrekening, bedoeld in
artikel 13, geeft Onze minister een beschikking tot vaststelling van
de specifieke uitkering.
2.De artikelen 4:46, 4:49, 4:52, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op het eerste lid.
Hoofdstuk 3. Archeologische opgravingsvergunning
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 15
Met de vergunningseisen ter zake van het doen van opgravingen als
bedoeld in dit besluit worden gelijkgesteld vergunningseisen die worden
gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat,
niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een
daartoe strekkend verdrag of mede daartoe strekkend verdrag dat
Nederland bindt, en die een vergunningsniveau waarborgen dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt
nagestreefd.
Artikel 16
Een vergunning is niet overdraagbaar.
§ 2. Vergunningverlening
Artikel 17
1. Onze minister verleent de vergunning indien de aanvrager
genoegzaam aantoont dat zijn organisatie zodanig is ingericht dat een
goed kwaliteitsniveau van het doen van opgravingen is gewaarborgd.
2. De organisatie van de aanvrager voldoet ten minste aan het
volgende:
a. de organisatie voorziet in voldoende faciliteiten om
vondsten te conserveren,
b. de organisatie voorziet in voldoende faciliteiten om
vondsten tijdelijk op te slaan,
c. de aanvrager verkeert niet in staat van faillissement en is
niet in surseance van betaling,
d. de leidinggevende beschikt over
1°. het getuigschrift van een masteropleiding in het
wetenschappelijk onderwijs op het terrein van de archeologie,
afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en het
wetenschappelijk onderzoek,
2°. het getuigschrift van een opleiding in het
wetenschappelijk onderwijs op het terrein van de archeologie
als bedoeld in artikel 7.3 van de Wet op het hoger onderwijs
en het wetenschappelijk onderzoek, zoals die wet op 31
augustus 2002 luidde, of
3°. een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet
erkenning EG-beroepsopleidingen of de Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma's,
e. de leidinggevende heeft voldoende werkervaring, en
f. de leidinggevende is in de vier jaar voorafgaand aan de
aanvraag niet onherroepelijk veroordeeld wegens het plegen van:
1°. een strafbaar feit als bedoeld in de artikelen 61 en
62 van de wet, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van
de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
2°. een overtreding van artikel 11, 45, eerste lid, 53,
eerste lid, of 56 van de wet; of
3°. een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en
onder f of h, 2.3, aanhef en onder b, 2.3a, 2.24, eerste lid,
of 2.25, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht voor zover die overtreding betrekking heeft op
een beschermd monument als bedoeld in die wet of een beschermd
stads- of dorpsgezicht.
§ 3. Vergunningaanvraag
Artikel 18
1.De aanvraag van een vergunning gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een organisatieplan,
b. een recente verklaring van de rechtbank op basis van de
registers, bedoeld in de artikelen 19 en 222a van de
Faillissementswet, waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan
artikel 17, tweede lid, onderdeel c,
c. een afschrift van het getuigschrift of de EG-verklaring,
bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel d,
d. bewijsstukken waaruit de werkervaring, bedoeld inartikel 17,
tweede lid, onderdeel e, blijkt, en
e. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28
van de Wet justitiλle en strafvorderlijke gegevens van
leidinggevenden die niet ouder is dan 6 maanden.
2.De aanvrager beschrijft in het organisatieplan, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, in ieder geval op welke wijze:
a. de aanvrager voldoet aan artikel 17, eerste lid,
b. binnen de organisatie voor voldoende leidinggevenden wordt
zorg gedragen, en
c. de aanvrager zal voldoen aan de voorschriften, bedoeld in
artikel 25.
3.De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geldt niet
voor een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon.
§ 4. Beperkingen
Artikel 19
1. Onze minister kan een vergunning beperken tot:
a. bepaalde archeologische werkzaamheden in het kader van het
doen van opgravingen,
b. een bepaald doel,
c. een bepaalde tijd, of
d. een bepaald gebied.
2. Indien de organisatie van de aanvrager niet voldoet aan artikel
17, eerste lid, maar de verwachting bestaat dat dit binnen afzienbare
termijn het geval zal zijn, verleent Onze minister een tijdelijke
vergunning.
Artikel 20
Een vergunning voor een organisatieonderdeel van het Rijk wordt
uitsluitend verleend voor het doen van opgravingen in het kader van
ontwikkeling en innovatie van kennis over het behouden en beheren van
archeologische monumenten of voor de aanwijzing, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de wet.
Artikel 21
Een vergunning voor een gemeente of een provincie wordt uitsluitend
verleend voor het doen van opgravingen binnen het grondgebied van de
desbetreffende gemeente of provincie.
Artikel 22
Een vergunning voor een universiteit als bedoeld in de onderdelen a,
b of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek wordt uitsluitend verleend voor het doen van
opgravingen in verband met wetenschappelijk onderwijs of
wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van
die wet.
Artikel 23
Een vergunning voor het doen van opgravingen buiten de territoriale
wateren wordt uitsluitend voor een bepaald gebied en voor een bepaalde
tijd verleend.
§ 5. Voorschriften
Artikel 24
1. Bij de naleving van de voorschriften, bedoeld in artikel 46,
tweede tot en met vierde lid, van de wet, of bij het doen van
opgravingen houdt de vergunninghouder zich aan de normen die in de
archeologische beroepsgroep gelden voor het doen van opgravingen.
2. Indien de vergunninghouder voldoet aan een door Onze minister
aan te wijzen versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie of
onderdelen daarvan, is het aannemelijk dat hij voldoet aan het eerste
lid.
Artikel 25
De vergunninghouder zorgt ervoor dat een ieder in zijn organisatie
die zich daadwerkelijk bezighoudt met het doen van opgravingen:
a. zijn kennis en vaardigheden onderhoudt, en
b. zich bij zijn archeologische handelen laat leiden door actuele
en in brede archeologische kring aanvaarde wetenschappelijke
inzichten.
Hoofdstuk 4. Wijzigingen
van andere algemene
maatregelen van bestuur
Artikel 26
[Wijzigt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning]
Artikel 27
[Wijzigt het Mijnbouwbesluit]
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 28
De hoofdstukken van dit besluit treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
hoofdstukken of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 29
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit archeologische
monumentenzorg.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 9 augustus 2007
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H.A. Plasterk
Uitgegeven de achtentwintigste augustus 2007
De minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|