|
BESLUIT van 3 april 2008, houdende regels betreffende het milieu met
betrekking tot mobiele installaties en onderzeese installaties (Besluit
algemene regels milieu mijnbouw)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Economische Zaken van 30 oktober 2007, nr. WJZ 7118005, in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 40, tweede lid en negende lid,
onderdeel a, van de Mijnbouwwet en de artikelen 8.40, 8.41 en
8.42 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 20
december 2007, nr. W10.07.0408/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Economische Zaken van 28 maart 2008, nr. WJZ 8027133, uitgebracht in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Economische Zaken;
b. mobiele installatie: een
verplaatsbare installatie voor het aanleggen, testen, onderhouden,
repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat;
c. onderzeese installatie: een geheel
boven en beneden de bodem van een oppervlaktewater gelegen
mijnbouwinstallatie die niet boven het oppervlaktewater uitsteekt;
d. uitvoerder: de in artikel 41,
vierde lid, van de Mijnbouwwet bedoelde persoon;
e. woning: een gebouw of deel van een
gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;
f. geluidsgevoelige gebouwen:
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel
1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van gebouwen behorende
bij de betreffende inrichting en gebouwen gelegen op een gezoneerd
industrieterrein;
g. geluidsgevoelige terreinen:
geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geluidhinder, met uitzondering van terreinen behorende bij de
betreffende inrichting en terreinen op een gezoneerd
industrieterrein;
h. ongewoon voorval: voorval als
bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer;
i. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat
bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een
ander besluit alsmede het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een
vergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 40, tweede lid,
van de Mijnbouwwet voor de betrokken inrichting of installatie te
verlenen;
j. maatwerkvoorschrift: voorschrift
dat nodig is ter bescherming van het milieu, inhoudende:
1°. een beschikking waarbij het
bevoegd gezag aanvullende eisen stelt; dan wel
2°. een ontheffing waarbij het
bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van
toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van
beperkingen of voorwaarden;
k. NRB: Nederlandse Richtlijn
Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, uitgegeven door
Infomil;
l. PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke
Stoffen;
m. motorrendement: het procentuele
aandeel van de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen, dat
bij de hoogste belasting waarbij de zuigermotor continu kan worden
bedreven, bij ISO-luchtcondities,in arbeid wordt omgezet;
n. ISO-luchtcondities: een
temperatuur van 288° Kelvin, een druk van 101,3 kPa en een
relatieve vochtigheid van 60 procent.
Artikel 2
Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen
tekst van:
a. de bij of krachtens dit besluit
genoemde niet publiekrechtelijke regelingen of normen;
b. de NRB.
Artikel 3
1.De uitvoerder die weet of
redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn van de
mobiele installatie dan wel onderzeese installatie en de in verband
met de mobiele installatie dan wel onderzeese installatie verrichte
werkzaamheden en activiteiten nadelige gevolgen voor het milieu
ontstaan of kunnen ontstaan die niet of onvoldoende worden voorkomen
of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde
regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet
mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden
gevergd.
2.Artikel 2.1, tweede en derde lid, van
het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied en
meldingen
Artikel 4
Als categorieën van mijnbouwwerken als
bedoeld in artikel 40, tweede lid, tweede volzin, van de Mijnbouwwet
worden aangewezen:
a. een mobiele installatie op land
met bijbehorend terrein met uitzondering van een mobiele installatie
die geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk;
b. een mobiele installatie in een
oppervlaktewater, met uitzondering van een mobiele installatie die
geplaatst is bij een voor winning bestemd mijnbouwwerk;
c. een onderzeese installatie die
niet is verbonden met een voor winning bestemd mijnbouwwerk.
Artikel 5
1. Dit besluit is van toepassing op de
volgende categorieën van installaties:
a. de installaties aangewezen in
artikel 4;
b. een mobiele installatie op land
of in een oppervlaktewater die geplaatst is binnen een voor
winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning verplicht is
op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
c. een onderzeese installatie die
verbonden is met een voor winning bestemd mijnbouwwerk waarvoor
een vergunning verplicht is op grond van artikel 2.1, eerste lid,
aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
d. een mobiele installatie op het
continentaal plat die geplaatst is bij een voor winning bestemd
mijnbouwwerk waarvoor een vergunning nodig is op grond van artikel
40, tweede lid, eerste volzin van de Mijnbouwwet;
e. een onderzeese installatie op
het continentaal plat die verbonden is met een voor winning
bestemd mijnbouwwerk waarvoor een vergunning nodig is op grond van
artikel 40, tweede lid, eerste volzin van de Mijnbouwwet.
2. Dit besluit is niet van toepassing
op:
a. werkzaamheden met behulp van een
mobiele installatie die plaatsvinden op een locatie die gelegen is
in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit
de kust) of d van punt 1 van onderdeel A van de bijlage, behorende
bij het Besluit milieueffectrapportage;
b. werkzaamheden met behulp van een
mobiele installatie op land indien uit de berekening van het
plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 44 van dit besluit
blijkt dat er een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het
Besluit externe veiligheid inrichtingen binnen de 10-6 per jaar
veiligheidscontour is gelegen.
Artikel 6
1.Het aanleggen, testen, onderhouden,
repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met behulp van een
mobiele installatie op land als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, of
artikel 5, eerste lid, onderdeel b, geschiedt in overeenstemming met
de voorschriften die zijn opgenomen in Hoofdstuk 3.
2.Het aanleggen, testen, onderhouden,
repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat met behulp van een
mobiele installatie in oppervlaktewater als bedoeld in artikel 4,
onderdeel b, of artikel 5, eerste lid, onderdelen b en d, geschiedt in
overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk
4.
3.Het aanleggen, testen, onderhouden en
repareren van een onderzeese installatie als bedoeld inartikel 4,
onderdeel c, of het gebruik van een onderzeese installatie als bedoeld
in artikel 5, eerste lid, onderdelen c en e, geschiedt in
overeenstemming met de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk
5.
4.De uitvoerder draagt er zorg voor dat
de voorschriften, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden
nageleefd.
Artikel 7
1.De uitvoerder die het voornemen heeft
om werkzaamheden uit te voeren op land met een mobiele installatie als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, meldt ten minste vier weken voor de
aanvang van die werkzaamheden schriftelijk of per elektronische post
aan Onze Minister:
a. het adres, de kadastrale
aanduiding en de ligging van de mobiele installatie met
bijbehorend terrein ten opzichte van de directe nabijheid van
geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen;
b. de naam dan wel nummer of
aanduiding van de mobiele installatie alsmede de eigenaar;
c. een samenvattende beschrijving
van de mobiele installatie alsmede een opgave van het
motorrendement van de bij de boring te gebruiken dieselmotoren en
de generatoren;
d. een samenvatting van de te
verrichten werkzaamheden;
e. de 10-6 per jaar
veiligheidscontour voortvloeiend uit de berekening van het
plaatsgebonden risico, als bedoeld in artikel 44;
f. de verwachte datum van de
aanvang en die van de beëindiging van de werkzaamheden;
g. de resultaten van een akoestisch
onderzoek als bedoeld in artikel 19, onderdeel f, waaruit blijkt
dat wordt voldaan aan de voorschriften ten aanzien van geluid, die
zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 19 of 20;
h. de resultaten van een onderzoek
naar de bodem op de plaats waar de mobiele installatie zal zijn of
is gelegen en is uitgevoerd door een persoon of instelling die
daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit
uitvoeringskwaliteit bodembeheer en is gericht op de
bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden met de mobiele
installatie een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de
plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden;
i. het aantal transportbewegingen
gedurende de dag (7.00–19.00), avond (19.00–23.00) en nacht
(23.00–7.00).
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het wijzigen van een mobiele installatie
en het wijzigen van de werkzaamheden.
3.Van de melding, bedoeld in het eerste
lid, wordt door Onze Minister openbaar kennis gegeven in de
Staatscourant en in één of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huisbladen.
4.Een afschrift van de melding wordt
door Onze Minister toegezonden aan burgemeester en wethouders van de
gemeente waarin de mobiele installatie zal zijn of is gelegen.
5.De in het eerste lid, onder c tot en
met i, vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, voor zover
Onze Minister reeds over die gegevens beschikt.
Artikel 8
1.De uitvoerder die het voornemen heeft
om werkzaamheden uit te voeren in oppervlaktewater met een mobiele
installatie als bedoeld in artikel 6, tweede lid , meldt ten minste
twee weken voor de aanvang van die werkzaamheden schriftelijk of per
elektronische post aan Onze Minister:
a. de coördinaten berekend volgens
het stelsel van de Europese vereffening;
b. de naam, dan wel aanduiding en
de eigenaar van de mobiele installatie;
c. een samenvattende beschrijving
van de mobiele installatie alsmede een opgave van het
motorrendement van de bij de boring te gebruiken dieselmotoren en
de generatoren;
d. een samenvatting van de te
verrichten werkzaamheden;
e. de verwachte datum van de
aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;
f. de resultaten van een akoestisch
onderzoek als bedoeld in artikel 19, onderdeel f, waaruit blijkt
dat wordt voldaan aan de voorschriften ten aanzien van geluid, die
zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 19 of 20 voor zover de
mobiele installatie is gelegen in provinciaal ingedeeld gebied.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot het veranderen van een mobiele
installatie en het veranderen van de werkzaamheden.
3.Van de melding, bedoeld in het eerste
lid, wordt door Onze Minister openbaar kennis gegeven in de
Staatscourant en in één of meer dag-,nieuws- of huis-aan-huisbladen,
in het geval dat de installatie in provinciaal ingedeeld gebied zal
zijn of is gelegen;
4.Indien de installatie in provinciaal
ingedeeld gebied is gelegen, wordt een afschrift van de melding door
Onze Minister toegezonden aan burgemeester en wethouders van de
gemeente waarin de mobiele installatie zal zijn of is gelegen.
5.De in het eerste lid, onder c tot en
met f, vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, voor zover
Onze Minister reeds over die gegevens beschikt.
Hoofdstuk 3. Werkzaamheden met mobiele
installaties op land
§ 1. Algemene voorschriften
Artikel 9
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
«terrein»: terrein waarop met een mobiele installatie werkzaamheden
plaatsvinden of hebben plaatsgevonden die samenhangen met de opsporing
of winning van delfstoffen of aardwarmte dan wel de opslag van stoffen
en dat ten behoeve van deze activiteiten in stand wordt gehouden.
Artikel 10
Indien zich op een mobiele installatie en
bijbehorend terrein een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan
waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te
ontstaan, meldt de uitvoerder het ongewoon voorval zo spoedig mogelijk
telefonisch aan de inspecteur-generaal der mijnen. De uitvoerder
bevestigt de melding binnen 24 uur schriftelijk.
Artikel 11
1.Op de buitengrens van het terrein is
een stevig minimaal twee meter hoog hekwerk geplaatst waarvan de
toegangsdeuren naar buiten opendraaien.
2.Toegang tot het terrein hebben
slechts personen die daartoe bevoegd zijn en de controle daarop vindt
plaats door de uitvoerder.
Artikel 12
1.Het terrein is schoon en er bevindt
zich geen materiaal op het terrein dat niet noodzakelijk is voor het
doel waarvoor het terrein is ingericht.
2.Op het terrein aanwezige begroeiing
wordt kort gehouden en dood hout, bladeren, afgesneden onkruid of gras
worden verwijderd.
3.Bij het schoon houden, kort houden
van begroeiing en verwijderen van dood hout, bladeren afgesneden,
onkruid of gras wordt op plaatsen waar gevaar voor explosieve
verbranding niet is uitgesloten geen apparatuur of gereedschap
gebruikt die vonken kan veroorzaken.
Artikel 13
De op het terrein aanwezige boorputten
zijn voorzien van een doeltreffende beveiliging tegen aanrijding en
vallende objecten.
Artikel 14
Op het terrein treft de uitvoerder
doeltreffende maatregelen en voorzieningen om laad- en loswerkzaamheden
lekvrij te doen geschieden en waardoor het wegvloeien van stoffen wordt
voorkomen.
Artikel 15
1.Het terrein is voorzien van
buitenverlichting voor zover die noodzakelijk is voor het verrichten
van werkzaamheden en het voorkomen van gevaar.
2.De hoogte van de installatie van de
buitenverlichting en het gebruik ervan gaat niet verder dan
noodzakelijk is voor het verrichten van de nodige werkzaamheden of het
handhaven van de veiligheid.
3.De verlichting is zodanig opgesteld
en ingericht en de lampen zijn zodanig afgeschermd dat hinderlijke
lichtstraling voor de omgeving en het milieu en directe instraling in
woningen wordt voorkomen.
Artikel 16
1.De uitvoerder stelt na overleg met de
commandant van de plaatselijke bandweer een brandbestrijdingsplan op
en zorgt er voor dat het plan tijdens het boren op de locatie aanwezig
is.
2.Bij ministeriële regeling worden
regels gegeven met betrekking tot de informatie die het
brandbestrijdingsplan bevat.
Artikel 17
De mobiele installatie wordt schoon
gehouden en verkeert steeds in goede staat van onderhoud.
§ 2. Geluid
Artikel 18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau: (LAr, LT) het gemiddelde van de afwisselende
niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een
bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de
Handleiding meten en rekenen industrielawaai;
b. maximaal geluidsniveau: (LAmax)
maximaal geluidsniveau, gemeten in de meterstand «F» of «fast»,
als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en
rekenen industrielawaai;
c. geluidsniveau: geluidsniveau in
dB(A) als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.
Artikel 19
Voor het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax),
veroorzaakt door de mobiele installatie en de in verband met de mobiele
installatie verrichte werkzaamheden en activiteiten geldt:
a. de niveaus op de in de tabel I
genoemde plaatsen en tijdstippen bedragen niet meer dan de in die
tabel aangegeven waarden:
Tabel I
|
|
07:00–19:00 uur |
19:00–23:00 uur |
23:00–07:00 uur |
|
LAr,LT, op een afstand van 300
meter vanaf de mobiele installatie |
60 dB(A) |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
|
LAr,LTin geluidsgevoelige gebouwen
op een afstand van 300 meter of minder vanaf de mobiele
installaties |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
|
LAmaxop een afstand van 300 meter
vanaf de mobiele installatie |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
b. de in tabel I opgenomen maximale
geluidsniveaus (LAmax) zijn niet van toepassing op het laden en
lossen, transportbewegingen, pipehandling en het verbranden van
(aard)gas in de open lucht;
c. de activiteiten, genoemd onder b,
vinden plaats tussen 07:00 en 19:00 uur, tenzij dit redelijkerwijs
niet mogelijk is;
d. de in de tabel aangegeven waarden
in geluidsgevoelige gebouwen gelden alleen indien de gebruiker ervan
toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
uitvoeren van geluidmetingen;
e. als er een geluidsgevoelig gebouw
aanwezig is binnen 300 meter vanaf het hart van de boorinstallatie,
monitort en registreert de uitvoerder het geluid continu. De
monitoring geschiedt zodanig dat een goede indicatie wordt verkregen
van het equivalent geluidsniveau op de gevel van de meest met geluid
belaste woning;
f. als er een geluidsgevoelig gebouw
aanwezig is binnen 300 meter vanaf het hart van de boorinstallatie
wordt voorafgaand aan de boring in een rapport van een akoestisch
onderzoek op grond van verrichte geluidsmetingen of
geluidsberekeningen aangetoond dat aan de geluidniveaus uit tabel I,
dan wel volgens een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 20,
kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke
voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de geldende
geluidniveaus worden overschreden. Het akoestisch onderzoek wordt
uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen met
industrielawaai. De resultaten van dit akoestische onderzoek worden
uiterlijk vier weken voorafgaand aan de boring bij de
inspecteur-generaal der mijnen ingediend.
Artikel 20
1.Onze Minister kan bij
maatwerkvoorschrift waarden stellen die hoger zijn dan de waarden die
zijn vermeld in Tabel I, indien de waarden in Tabel I naar het oordeel
van Onze Minister op basis van de best beschikbare techniek niet
haalbaar zijn.
2.Onze Minister kan bij
maatwerkvoorschrift waarden stellen die lager zijn dan de waarden die
vermeld zijn in Tabel I, indien naar het oordeel van Onze Minister
lagere waarden uit een oogpunt van bescherming van het milieu
noodzakelijk zijn voor zover die op basis van de best beschikbare
techniek technisch haalbaar zijn.
3.Van een beschikking als bedoeld in
het eerste en tweede lid wordt kennis gegeven in de Staatscourant en
in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan huis-bladen.
4.Indien een maatwerkvoorschrift als
bedoeld in het eerste lid waarden tot gevolg heeft die aanzienlijke
gevolgen voor het milieu kunnen hebben, is op de voorbereiding van het
maatwerkvoorschrift afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
Artikel 21
1.Voor de etmaalwaarde van de
verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie geldt een
streefwaarde van 50 dB(A).
2.Bij ministeriele regeling worden
regels gegeven betreffende de beoordeling van etmaalwaarden van de
verkeersbewegingen.
§ 3. Lucht
Artikel 22
1.Het terrein waarop de mobiele
installatie zich bevindt, is zodanig ingericht en onderhouden, dat
geurhinder wordt voorkomen.
2.Het gebruik van chemische stoffen is
verboden indien deze buiten het terrein waarop de mobiele installatie
zich bevindt geurhinder veroorzaken.
3.De aanwezigheid van flensverbindingen
in leidingen, waardoor geurverwekkende gassen of vloeistoffen worden
getransporteerd, wordt zoveel mogelijk vermeden.
Artikel 23
1.De uitworp van stikstofoxiden met het
rookgas van een zuigermotor voor de opwekking van elektriciteit wordt
binnen vier weken na aanvang van de werkzaamheden door een
afzonderlijke meting bepaald. Desgevraagd worden de meetgegevens aan
de inspecteur-generaal der mijnen overgelegd.
2.Bij ministeriële regeling worden
regels gegeven betreffende de meetmethoden van de meting bedoeld in
het eerste lid.
3.Een meting als bedoeld in het eerste
lid is niet nodig indien wordt aangetoond dat een dergelijke meting
binnen drie jaar voorafgaand aan de werkzaamheden verricht is en de
resultaten van de meting worden overgelegd.
Artikel 24
1.In geval van het gebruik van een
fakkel is deze ontworpen met het oog op optimale afgasverbranding met
een minimum rendement van 99%.
2.Minimaal 48 uur voorafgaand aan het
affakkelen wordt een fakkelprogramma ingediend bij de
inspecteur-generaal der mijnen, waarin aandacht wordt besteed aan:
a. duur van het fakkelen;
b. tijdstip waarop het fakkelen
plaats zal vinden;
c. maatregelen om geluidsbelasting
voor omwonenden te voorkomen, dan wel te beperken.
3.De inspecteur-generaal der mijnen kan
eisen stellen aan het affakkelen ter bescherming van het milieu en ter
voorkoming van geluidoverlast.
Artikel 25
Emissies van gassen die vrijkomen bij het
testen van boorgaten en het schoon produceren ervan en de hoeveelheid
verbrand gas/condensaat worden geregistreerd in een meet- en
registratiesysteem.
§ 4. Bodembescherming en water
Artikel 26
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. NEN: door de stichting Nederlands
Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
b. bodembeschermende maatregel: op de
gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening
toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak,
onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie
of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van
de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de
uitvoering is gewaarborgd;
c. bodembeschermende voorziening: een
vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of
verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter
voorkoming van immissies in de bodem;
d. lekbak: een voorziening waarvan de
bodembeschermende werking door de daarop afgestemde
bodembeschermende maatregelen is gewaarborgd, en die zich rondom of
onder een bodembedreigende activiteit bevindt en in staat is de bij
normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te
vangen;
e. vloeistofdichte vloer of
verharding: vloer of verharding direct op de bodem die waarborgt dat
geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer
kan komen.
Artikel 27
Op het terrein waarop de mobiele
installatie zich bevindt, worden bodembeschermende voorzieningen en
bodembeschermende maatregelen, getroffen die voldoen aan eisen gesteld
in de NRB. Voor putkelders gelden de eisen van bodemrisico categorie A
en voor het overige gebied de eisen van bodemrisico categorie A of A*.
Artikel 28
1.Indien het terrein niet voldoet aan
de eisen van bodemrisicocategorie A, maar aan die van A*, worden vier
grondwaterpeilbuizen geïnstalleerd die zodanig zijn geplaatst dat
bodemverontreiniging door (hulp)stoffen die bij het uitvoeren van
boringen worden gebruikt, kunnen worden gesignaleerd.
2.De grondwaterpeilbuizen, bedoeld in
het eerste lid, worden zo vaak als de omstandigheden daartoe
aanleiding geven, doch in ieder geval voorafgaande aan de
werkzaamheden, binnen zes maanden na beëindiging van de werkzaamheden
en daarna iedere vijf jaren bemonsterd en geanalyseerd volgens NEN
5744.
3.De resultaten van de bemonstering en
analyse worden ten minste vijf jaar bewaard en worden op verzoek
getoond aan de inspecteur-generaal der mijnen.
4.De installatie van een
grondwaterpeilbuis als bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede de
bemonstering en analyse als bedoeld in het tweede lid, vinden plaats
door een persoon of instelling, die voor deze werkzaamheid beschikt
over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 29
Indien uit een onderzoek als bedoeld in
artikel 28 blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten op het
terrein is aangetast of verontreinigd, dan wel door welke andere oorzaak
dan ook bodemverontreiniging is ontstaan:
a. draagt de uitvoerder er zorg voor
dat het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van de
verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan,
geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een
erkenning op grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer;
b. zorgt de uitvoerder onverwijld
voor melding ervan aan de inspecteur-generaal der mijnen;
c. meldt de uitvoerder de afronding
van de werkzaamheden, bedoeld onder a, direct aan de
inspecteur-generaal der mijnen door middel van een verklaring van de
persoon of instelling, bedoeld onder a.
Artikel 30
1.De controle, het onderhoud en het
beheer van bodembeschermende voorzieningen wordt in eenduidige interne
bedrijfsprocedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem
vastgelegd, waarin tenminste is aangegeven op welke wijze:
a. de staat en goede werking wordt
gecontroleerd van bodembeschermende voorzieningen en verpakkingen
en apparatuur waarin vloeibare bodembedreigende stoffen worden
opgeslagen of getransporteerd;
b. er voor zorg wordt gedragen dat
zo vaak als de omstandigheden daarom vragen inspecties op
morsingen en lekkages plaatsvinden en
c. is gewaarborgd dat gemorst of
gelekte stoffen direct worden opgeruimd.
2.De uitvoerder draagt er zorg voor dat
de medewerkers die binnen de inrichting bodembedreigende activiteiten
verrichten, op de hoogte zijn van de interne bedrijfsprocedures en
werkinstructies als bedoeld in het eerste lid, dat deze worden
nageleefd en op het terrein zodanig aanwezig zijn dat een ieder
daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen.
3.De controle, het onderhoud en het
beheer van bodembeschermende voorzieningen vinden zodanig plaats dat
vrijgekomen stoffen zijn verwijderd voordat deze in de bodem kunnen
geraken.
4.Morsingen en lekkages worden
overeenkomstig de interne bedrijfsprocedures en werkinstructies als
bedoeld in het eerste lid, verholpen en opgeruimd.
5.De uitvoerder draagt er zorg voor dat
de in het kader van de interne bedrijfsprocedures en werkinstructies
noodzakelijke middelen ter bescherming van de bodem binnen het terrein
in voldoende mate aanwezig zijn en dat er voldoende, in het gebruik
van deze middelen, geïnstrueerd personeel aanwezig is.
6.Bevindingen van controles van of
onderhoud aan bodembeschermende voorzieningen, alsmede acties genomen
na incidenten met bodembedreigende stoffen worden opgenomen in een
logboek dat te allen tijde beschikbaar is voor de inspecteur-generaal
der mijnen.
Artikel 31
1.Een bodembeschermende voorziening is
zo uitgevoerd dat gemorste of weggelekte vloeibare bodembedreigende
stoffen effectief worden opgevangen en kunnen worden opgeruimd.
2.Een vloeistofdichte vloer of
verharding, een lekbak of een andere opvangbak, die wordt gebruikt als
bodembeschermende voorziening is bestand tegen de inwerking van de
desbetreffende vloeibare bodembedreigende stoffen en de condities
waaronder deze stoffen worden gebruikt of opgeslagen.
3.Lekbakken en andere opvangbakken zijn
zodanig uitgevoerd dat er geen hemelwater in terecht kan komen, tenzij
het hemelwater direct wordt verwijderd op een zodanige wijze dat de
bodembeschermende werking van de voorziening niet negatief wordt
beïnvloed.
4.Lekbakken en andere opvangbakken
waarin vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking of in een
opslagtank worden opgeslagen, hebben een opvangcapciteit die ten
minste gelijk is aan het volume van de inhoud van de grootste
verpakkingseenheid of opslagtank vermeerderd met 10%, met dien
verstande dat de opvangcapaciteit ten minste 10% is van het volume van
alle opgeslagen stoffen.
Artikel 32
Bedrijfsafvalwater wordt opgevangen en
afgevoerd naar een daartoe bevoegde verwerker, dan wel, indien de
beheerder van het vuilwaterriool daartoe toestemming geeft, via het
vuilwaterriool.
Artikel 33
Voordat het terrein waarop de mobiele
installatie zich bevindt, wordt verlaten, wordt door een persoon of
instelling die daartoe op grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer is erkend, een eindsituatie-onderzoek van de bodem verricht.
§ 5. Afvalstoffen en gevaarlijke stoffen
Artikel 34
In deze paragraaf wordt onder ADR
verstaan de op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese
Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke
stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
Artikel 35
Het ontstaan van afvalstoffen wordt
zoveel mogelijk voorkomen of beperkt.
Artikel 36
1.Afvalstoffen zijn in goed gesloten,
niet lekkend, tegen weersinvloeden bestendig en zonodig geurhinder
voorkomend verpakkingsmateriaal verpakt en worden zo spoedig mogelijk
afgevoerd.
2.Oliehoudend boorgruis wordt afgevoerd
in goed afgesloten vloeistofdichte containers.
Artikel 37
1.Bij ministeriële regeling aangewezen
gevaarlijke afvalstoffen worden van elkaar en van andere afvalstoffen
gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.
2.Andere dan de in het eerste lid
bedoelde afvalstoffen worden gescheiden, gescheiden gehouden en
gescheiden afgegeven, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
Artikel 38
1.Opslag van vloeibare en vaste
verpakte gevaarlijke stoffen, die zijn ingedeeld in de klassen 3, 5.1,
6.1, 8 en 9 van het ADR, vindt plaats volgens hoofdstuk 3 van PGS 15.
2.Opslag van gasvormige gevaarlijke
stoffen in gasflessen, spuitbussen en gaspatronen die zijn ingedeeld
in klasse 2 van het ADR vindt plaats volgens de hoofdstukken 6 en 7
van PGS 15.
Artikel 39
Opslag van dieselolie vindt plaats
volgens PGS 30.
§ 6. Energiegebruik
Artikel 40
1.Bij het inwerking hebben van de
mobiele installatie streeft de uitvoerder naar een zo hoog mogelijke
energie-efficiency.
2.Onze Minister kan met betrekking tot
de energie-efficiency van de bij een boring te gebruiken dieselmotoren
en generatoren maatwerkvoorschriften stellen.
§ 7. Verkeer
Artikel 41
Tijdens het transport van de mobiele
installatie en het bij het gebruik van de mobiele installatie benodigde
en vrijkomende materiaal van en naar een terrein worden de vorming en
verspreiding van stof voorkomen. De aan-en afvoerroute van de mobiele
installatie en het benodigde en vrijkomende materiaal wordt in
overeenstemming met de gemeente en de wegbeheerder vastgesteld.
§ 8. Documenten
Artikel 42
Voor zover documenten met betrekking tot:
a. de monitoring van het geluid, de
registratie van luchtemissies, de bemonstering van het grondwater en
de registratie met betrekking tot bodembeschermende voorzieningen op
basis van deartikelen 19, 23, 25, 28 en 30,
b. onderhoudscontracten met
betrekking tot op de mobiele installatie aanwezige installaties,
c. certificaten of bewijzen van:
1°. tanks, filters en andere
voorzieningen,
2°. onderhoud of keuringen van
op de mobiele installatie aanwezige voorzieningen en
installaties,
d. de veiligheidsinformatiebladen die
behoren bij de op de mobiele installatie.
e. aanwezige gevaarlijke stoffen,
voor de mobiele installatie zijn
afgegeven dan wel voorgeschreven, zijn die documenten of een kopie
daarvan gedurende de werkzaamheden op de mobiele installatie aanwezig of
binnen een termijn die wordt gesteld door degene die toeziet op de
naleving van dit besluit voor deze beschikbaar.
Artikel 43
1.Er is een handleiding op de mobiele
installatie aanwezig waarin regels zijn gesteld door de uitvoerder ten
aanzien van transportbewegingen, pipehandling, het verbranden van
aardgas in de openlucht en andere geluidsintensieve activiteiten.
2.De regels, bedoeld in het eerste lid,
beperken de schade aan milieu en overlast voor de omgeving zo goed
mogelijk.
3.De uitvoerder draagt er zorg voor dat
een ieder die werkzaam is op de mobiele installatie bekend is met de
handleiding en de regels, bedoeld in het eerste lid, naleeft.
§ 9. Externe veiligheid
Artikel 44
De uitvoerder berekent het plaatsgebonden
risico voorafgaand aan de boring, overeenkomstig het Besluit externe
veiligheid inrichtingen.
Artikel 45
Het boren en het afwerken van de put zijn
niet toegestaan indien zich een kwetsbare bestemming, zoals gedefinieerd
in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, binnen de contour van
10-6/jaar van de volgens artikel 44 berekende waarde van het
plaatsgebonden risico bevindt.
Hoofdstuk 4. Werkzaamheden met mobiele
installaties in oppervlaktewater
§ 1. Algemene voorschriften
Artikel 46
Indien zich op een mobiele installatie
een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan waardoor nadelige
gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt de
uitvoerder het ongewoon voorval zo spoedig mogelijk telefonisch aan de
inspecteur-generaal der mijnen. De uitvoerder bevestigt de melding
binnen 24 uur schriftelijk.
Artikel 47
1.De buitenverlichting op de mobiele
installatie blijft ter bescherming van het milieu beperkt tot het
niveau dat noodzakelijk is voor het verrichten van de nodige
werkzaamheden of ter voorkoming van gevaar.
2.De lampen van de buitenverlichting
branden uitsluitend voor zover dat voor het verrichten van
werkzaamheden of in verband met de veiligheid noodzakelijk is.
Artikel 48
De mobiele installatie wordt schoon
gehouden, verkeert steeds in goede staat van onderhoud en wordt
vrijgehouden van voor de werking van de installatie onnodig materiaal,
zodat geen verontreinigende stoffen in het milieu kunnen komen.
Artikel 49
1.Doeltreffende maatregelen zijn
genomen om laad- en loswerkzaamheden lekvrij te doen geschieden.
2.Op plaatsen waar laad- en
loswerkzaamheden worden verricht zijn zodanige voorzieningen getroffen
of maatregelen genomen dat het weglekken van stoffen door opvang of
anderszins wordt voorkomen.
§ 2. Geluid
Artikel 50
De mobiele installatie wordt zodanig in
bedrijf gehouden en onderhouden dat de geluidemissie tot een minimum
wordt beperkt.
Artikel 51
Voor zover de mobiele installatie is
gelegen in provinciaal ingedeeld gebied zijn de artikelen 18, 19 en 20
van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Lucht
Artikel 52
1.Een zuigermotor met een asvermogen
van meer dan 130 kW waarin het aandeel van gasvormige brandstoffen in
de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen minder dan 50 procent
bedraagt, wordt zodanig gebruikt dat, teruggerekend op
ISO-luchtcondities, de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas,
betrokken op de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof, niet meer
bedraagt dan 2722 g/GJ (=9.8 g/kWh).
2.Het eerste lid geldt niet voor een
zuigermotor voor de aandrijving van een noodstroomgenerator.
Artikel 53
1.De uitworp van stikstofoxiden met het
rookgas van een zuigermotor voor de opwekking van elektriciteit wordt
binnen vier weken na aanvang van de werkzaamheden door een
afzonderlijke meting bepaald. Desgevraagd worden de meetgegevens aan
de inspecteur-generaal der mijnen overgelegd.
2.Bij ministeriële regeling worden
regels gegeven betreffende de meetmethoden van de meting bedoeld in
het eerste lid.
3.Een meting als bedoeld in het eerste
lid is niet nodig indien kan worden aangetoond dat een dergelijke
meting binnen drie jaar voorafgaand aan de werkzaamheden verricht is
en de resultaten van de meting kunnen worden overgelegd.
Artikel 54
1.In het geval van het testen van
boorgaten en het schoonproduceren ervan wordt minimaal 48 uur
voorafgaand aan het verbranden een testprogramma afgegeven bij de
inspecteur-generaal der mijnen, waarin aandacht wordt besteed aan:
a. de duur van de test;
b. het tijdstip waarop het
verbranden plaats zal vinden;
c. maatregelen ter voorkoming van
vogelsterfte.
2.In voorkomend geval kan de
inspecteur-generaal der mijnen in het belang van het milieu
aanvullende eisen stellen aan het testprogramma.
Artikel 55
De continue en incidentele emissies van
de stoffen als bedoeld in de artikelen 53en 54 die bij de werkzaamheden
vrijkomen en de hoeveelheid verbrand gas/condensaat worden geregistreerd
in een meet- en registratiesysteem.
Artikel 56
1. Installaties op een mijnbouwwerk die
een koudemiddel bevatten en zich bevinden op het continentaal plat
worden onderhouden in overeenstemming met het Uitvoeringsbesluit
EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen.
2. Installaties met een inhoud gelegen
tussen 3 kg en 30 kg dan wel meer dan 30 kg koudemiddel op een
mijnbouwinstallatie die vanuit het buitenland de Nederlandse wateren
binnenkomt, worden zo spoedig mogelijk onderworpen aan een periodieke
keuring, tenzij een dergelijke keuring reeds heeft plaatsgevonden in
de voorafgaande twaalf respectievelijk drie maanden.
§ 4. Afvalstoffen en gevaarlijke stoffen
Artikel 57
De uitvoerder neemt maatregelen om het
ontstaan van afvalstoffen en gevaarlijke stoffen of afvalstoffen zoveel
mogelijk te voorkomen.
Artikel 58
1.Afvalstoffen zijn in goed gesloten,
niet lekkend, tegen weersinvloeden bestendig en zonodig geurhinder
voorkomend verpakkingsmateriaal verpakt en worden zo spoedig mogelijk
afgevoerd.
2.Oliehoudend boorgruis wordt afgevoerd
in goed afgesloten vloeistofdichte containers.
Artikel 59
De uitvoerder houdt een register bij
waarin onder vermelding van de datum van afvoer nauwkeurig aantekening
wordt gehouden van de soort en hoeveelheid van de van de mobiele
installatie afgevoerde afvalstoffen.
Artikel 60
De richtlijnen van de «Opslag van
verpakte gevaarlijke stoffen» (PGS 15,) zijn van overeenkomstige
toepassing op de opslag van gevaarlijke stoffen in emballage.
§ 5. Energieverbruik
Artikel 61
1.Bij het inwerking hebben van de
mobiele installatie streeft de uitvoerder naar een zo hoog mogelijke
energie-efficiency.
2.Onze Minister kan met betrekking tot
de energie-efficiency van de bij een boring te gebruiken dieselmotoren
en generatoren maatwerkvoorschriften stellen.
§ 6. Documenten
Artikel 62
Voor zover:
a. documenten met betrekking tot de
registratie van luchtemissies en de registratie van afvalstoffen op
basis van de artikelen 55 en 59,
b. onderhoudscontracten met
betrekking tot op de mobiele installatie aanwezige installaties,
c. certificaten of bewijzen van:
1°. de tanks, filters en andere
voorzieningen,
2°. onderhoud of keuringen van
op de mobiele installatie aanwezige voorzieningen en
installaties,
d. de veiligheidsinformatiebladen,
die behoren bij de op de mobiele installatie aanwezige gevaarlijke
stoffen,
voor de mobiele installatie zijn
afgegeven, zijn die documenten of een kopie daarvan gedurende de
werkzaamheden op de mobiele installatie aanwezig of binnen een door
degene die toeziet op de naleving van dit besluit te stellen termijn
beschikbaar.
Hoofdstuk 5. Het oprichten en in stand
houden van onderzeese installaties
§ 1. Onderhoud
Artikel 63
De onderzeese installatie verkeert in
goede staat van onderhoud.
§ 2. Lozingen
Artikel 64
Lozing van stoffen is verboden, met
uitzondering van stoffen die vrijkomen bij de bediening van de kleppen
van de onderzeese installatie. De uitvoerder treft maatregelen zodat
lozing van deze stoffen zo goed mogelijk wordt beperkt.
§ 3. Ongewoon voorval
Artikel 65
Indien zich op een onderzeese installatie
een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige
gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan meldt de
uitvoerder het ongewoon voorval zo spoedig mogelijk telefonisch aan de
inspecteur-generaal der mijnen. De uitvoerder bevestigt de melding
binnen 24 uur schriftelijk.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 66
1.Voor een installatie als bedoeld in
artikel 4en artikel 5, eerste lid, waarvoor op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit reeds een vergunning als bedoeld in
artikel 8.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer of artikel
40, tweede lid, eerste volzin, van de Mijnbouwwet is verleend, blijven
de voorschriften met betrekking tot geluid van die vergunning
gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit op die installatie van toepassing als maatwerkvoorschrift als
bedoeld in artikel 20, eerste of tweede lid. Onze Minister kan voor
afloop van de termijn van drie jaar deze voorschriften wijzigen of
intrekken.
2.Indien voor het tijdstip waarop dit
besluit in werking treedt, een aanvraag om een vergunning als bedoeld
in artikel 8.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer of
artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet voor het oprichten van een
installatie als bedoeld in artikel 4 of artikel 5, eerste lid, bij
Onze Minister is ingediend maar de vergunning nog niet is verleend en
in werking getreden, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als
een melding overeenkomstig artikel 7 of 8.
Artikel 67
Indien een niet publiekrechtelijke norm
waarnaar in dit besluit wordt verwezen of de NRB wijzigt kan bij
ministeriële regeling overgangsrecht worden opgenomen waarbij kan
worden bepaald dat de oude norm voor bestaande installaties al dan niet
tijdelijk blijft gelden.
Artikel 68
Dit besluit treedt in werking met ingang
van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 69
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
algemene regels milieu mijnbouw.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 april 2008
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
M.J.A. van der Hoeven
Uitgegeven de tweeëntwintigste
april 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|