|
De Staatssecretaris van Economische Zaken;
Handelende in overeenstemming met de Ministers
van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer;
Gelet op de op 13 september 1983 te Bonn tot
stand gekomen Overeenkomst inzake samenwerking bij de bestrijding van
verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen
(Trb. 1983, 159; laatstelijk Trb. 1990, 100), de artikelen
9, derde lid, 11, vierde en vijfde lid, 14, 32, 40, zesde lid, 63,
vierde lid, 122, 123, tweede lid, van de Mijnbouwwet, en de artikelen 4,
vierde lid, 7, eerste lid, 12, tweede lid, 17, eerste lid, 18, eerste
lid, 19, eerste lid, 20, eerste lid, 23, tweede lid, 29, 44, eerste lid,
45, eerste lid, 51, vijfde en zesde lid, 52, zesde en achtste lid, 53,
derde lid, 66, eerste lid, 73, 77, 80, tweede en vierde lid, 81, derde
lid, 82, vierde lid, 83, eerste en derde lid, 93, derde lid, 114 en 144
van het Mijnbouwbesluit;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen,
vergunningen en ontheffingen en overige bepalingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. besluit: Mijnbouwbesluit;
b. minister: Minister van Economische
Zaken;
c. DIN: door het Deutsche Institut
für Normaliserung uitgegeven norm;
d. NEN: door de Stichting Nederlands
Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
e. hydraulische eenheid: een
hydraulisch verbonden poriënruimte waar drukdoorgave met technische
middelen kan worden gemeten en die is afgebakend door
stromingsbarrières zoals storingen, zoutkoepels, lithologische
grenzen, of door wigvormige uitloop of dagzomende aardlagen van de
formatie;
f. richtlijn nr. 2009/31/EG:
richtlijn nr. 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van
23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en
tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen
2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en
verordening (EG) nr. 1013/2006 (PbEG L 140) van het Europese
Parlement en de Raad.
Artikel 1.1.2
Waar in deze regeling producten dienen te
voldoen aan een bepaalde norm of eis, worden daaraan gelijkgesteld
producten die voldoen aan normen of eisen die worden gesteld in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is
bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die
tenminste een gelijkwaardig niveau waarborgen.
§ 1.2. Vergunningen en ontheffingen
Artikel 1.2.1
1.Aanvragen om vergunningen,
ontheffingen of andere besluiten bij of krachtens de wet en aanvragen
om wijziging daarvan, worden in tweevoud ingediend bij de minister,
tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.
2.De bij de aanvraag behorende stukken
worden door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de
aanvraag.
3.Indien de aanvrager gegevens eerder
heeft verstrekt, of indien gegevens reeds op andere wijze in bezit
zijn van de minister, kan daar naar worden verwezen, tenzij deze
gegevens gewijzigd zijn.
4.Op verzoek van de minister worden, in
aanvulling op de gegevens die in dit hoofdstuk worden vermeld, tevens
andere gegevens verstrekt of ter inzage gegeven, indien dat voor
beoordeling van de aanvraag van belang is.
Artikel 1.2.2
1.Indien bij een aanvraag ingevolge dit
hoofdstuk een plaats, traject of gebied moet worden vermeld, wordt dit
uitgedrukt in:
a. het coördinatenstelsel van de
Rijksdriehoeksmeting, indien de plaats, het traject of het gebied
zich aan de landzijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde
lijn bevindt, en
b. geografische coördinaten,
berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening, indien
de plaats, het traject of het gebied zich aan de zeezijde van de
in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn bevindt.
2.Van een gebied wordt het oppervlak
vermeld, uitgedrukt in km2.
3.Een plaats of een traject wordt,
onder vermelding van de coördinaten daarvan, aangegeven op een kaart.
4.De ligging van een gebied wordt,
onder vermelding van de coördinaten van de hoekpunten daarvan,
aangegeven op een kaart.
5.De kaarten, bedoeld in het derde en
vierde lid, worden in viervoud overgelegd en zijn getekend op een
schaal van 1:50.000.
6.Het eerste lid tot en met vijfde lid
geldt niet voor de gevallen, bedoeld in de artikelen 1.3.2 en 1.3.3,
tweede lid.
§ 1.3. Opsporings-, winnings- en
opslagvergunning
Artikel 1.3.1
1. Bij de aanvraag om een
opsporingsvergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25 van de wet
vermeldt de aanvrager:
a. voor welk tijdvak de vergunning
wordt gevraagd;
b. voor welk gebied de vergunning
wordt gevraagd, en
c. of de aanvraag betrekking heeft
op de opsporing van delfstoffen onder vermelding van de delfstof,
waarop de aanvraag betrekking heeft, de opsporing van aardwarmte
dan wel de opsporing van een CO2-opslagcomplex.
2. De aanvrager verstrekt bij de
aanvraag voorts:
a. de gegevens, opgenomen in
bijlage 1 bij deze regeling;
b. indien de aanvraag betrekking
heeft op koolwaterstoffen, tevens de gegevens, opgenomen in
bijlage 2 bij deze regeling;
c. een programma waarin is
aangegeven welke verkenningsonderzoeken en opsporingsactiviteiten
de aanvrager voornemens is uit te voeren, het daarbij behorende
tijdschema en welke technieken daarbij worden gebruikt;
d. een geologisch rapport, dat ten
minste bevat:
1°. een opgave van de voor de
onderbouwing van de aanvraag gebruikte verkenningsonderzoeken
en andere geologische gegevens, de interpretatie van deze
gegevens en de daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyse;
2°. een beschrijving van de
locale en regionale geologie;
3°. indien het een vergunning
voor koolwaterstoffen betreft: een beschrijving van de
verwachte hoeveelheid aanwezige delfstof per mogelijk aanwezig
voorkomen;
e. andere gegevens die de aanvrager
heeft gebruikt bij de onderbouwing van de aanvraag.
3. Indien de aanvraag wordt ingediend
door meerdere aanvragers gezamenlijk, worden de in het tweede lid,
onderdelen a en b, bedoelde gegevens ten aanzien van iedere aanvrager
afzonderlijk verstrekt. Tevens wordt aangegeven onder welke
voorwaarden de samenwerking tussen de aanvragers plaatsvindt.
Artikel 1.3.2
1.In een aanvraag om een
opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen voor een gebied aan de
zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde lijn wordt
opgegeven voor welk gebied, bestaande uit een of meer blokken als
aangegeven op de kaart, welke als bijlage 3 bij deze regeling is
gevoegd, de vergunning wordt aangevraagd. De desbetreffende op de
kaart aangegeven bloknummers worden daarbij vermeld.
2.Indien de aanvraag een blok betreft
waarvoor voor een deel al een opsporingsvergunning voor
koolwaterstoffen is verleend, geldt de aanvraag uitsluitend het nog
niet gegunde deel van het blok. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 1.3.3
1.Bij de aanvraag om een
winningsvergunning als bedoeld in artikel 6 van de wet verstrekt de
aanvrager de gegevens, bedoeld in artikel 1.3.1, eerste lid en tweede
lid, onderdelen a en b. Artikel 1.3.1, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2.Indien de aanvraag om een
winningsvergunning voor koolwaterstoffen betrekking heeft op een
gebied aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet vastgelegde
lijn, is artikel 1.3.2 van overeenkomstige toepassing.
3.Indien de aanvraag een
winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, verstrekt de
aanvrager naast de gegevens, bedoeld in het eerste lid:
a. een raming van de verwachte
hoeveelheid en de samenstelling van de aanwezige delfstoffen en de
daarbij gehanteerde onzekerheidsanalyses;
b. structuurkaarten van de
bovenzijde van de reservoirlagen waarin de aanwezigheid van
koolwaterstoffen is aangetoond of wordt vermoed;
c. een opgave van de overige
gegevens waarop de in onderdeel a bedoelde ramingen zijn
gebaseerd;
d. een beschrijving van de
onderzoeksmethoden die tot de in de onderdelen a en b bedoelde
gegevens hebben geleid, en
e. een meerjarenprogramma waarin de
te verrichten winningsactiviteiten worden beschreven, alsmede de
technieken die daarbij worden gebruikt, daaronder begrepen de in
het kader van de winning noodzakelijke behandeling van de gewonnen
delfstoffen en het vervoer daarvan tot het punt waar die
delfstoffen aan een ander worden overgedragen.
4.Het meerjarenprogramma omvat mede een
op de vermoedelijke periode van winning betrekking hebbende opgave van
de ramingen van:
1°. de jaarlijkse produktie;
2°. de investeringen per jaar, en
3°. de lopende kosten per jaar.
5.Indien de aanvraag een
winningsvergunning voor aardwarmte betreft, is het derde en vierde lid
van overeenkomstige toepassing.
6.Indien een aanvraag een
winningsvergunning voor delfstoffen anders dan koolwaterstoffen
betreft, verstrekt de aanvrager naast de gegevens, bedoeld in het
eerste lid:
a. een opgaaf van de verwachte
hoeveelheid delfstof die de aanvrager wil winnen en de
samenstelling van het te winnen delfstof;
b. een beschrijving van de
structuur van de delfstoflaag waaruit de aanvrager wil winnen en
de ligging van de delfstoflaag ten opzichte van andere aardlagen;
c. een beschrijving van de
onderzoeksmethoden die tot de in de onderdelen a en b bedoelde
gegevens hebben geleid, en
d. een programma overeenkomstig het
programma, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, en vierde lid.
Artikel 1.3.4
1.Bij de aanvraag om een
opslagvergunning als bedoeld in artikel 25 van de wet verstrekt de
aanvrager gegevens omtrent:
a. het tijdvak waarvoor de
vergunning wordt gevraagd;
b. het gebied waarvoor de
vergunning wordt gevraagd, en
c. de stoffen waarop de aanvraag
betrekking heeft.
2.Artikel 1.3.1, tweede lid, onderdelen
a en b, en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Bij de aanvraag verstrekt de
aanvrager tevens:
a. een programma waarin de te
verrichten opslagactiviteiten worden beschreven, alsmede de
technieken die daarbij worden gebruikt;
b. een kaart van de ondergrond waar
opslag plaatsvindt;
c. een beschrijving van de risico's
voor de veiligheid, en
d. de mogelijkheid van winning van
voorkomens van delfstoffen of aardwarmte in het gebied.
Artikel 1.3.4a
1. Onverminderdartikel 1.3.4 verstrekt
de aanvrager bij een aanvraag om een vergunning voor het permanent
opslaan van CO2bovendien:
a. een karakterisering en
beoordeling van het potentiële opslagcomplex met inbegrip van de
afdichtende laag en het omliggende gebied, inclusief de
hydraulisch verbonden gebieden, uitgevoerd en onderbouwd op de
voet van Bijlage I van de richtlijn nr. 2009/31/EG;
b. de beoogde plaats van de
injectiefaciliteiten;
c. de totale hoeveelheid stoffen
die zal worden opgeslagen uitgedrukt in kton;
d. een opgave van de afzonderlijke
bestanddelen van de stoffen die worden opgeslagen en hun aandeel
in de totale hoeveelheid van stoffen die worden opgeslagen, en
e. de gegevens waarop de beoogde
maximum toelaatbare snelheid en druk bij injectie van CO2 en de
beoogde maximum toelaatbare druk van de opgeslagen CO2zijn
gebaseerd.
2. De aanvraag bevat het ontwerp voor
een risicobeheerplan als bedoeld in artikel 29c van het besluit.
3. De aanvraag bevat het ontwerp voor
een plan voor het nemen van corrigerende maatregelen als bedoeld in
artikel 29d van het besluit.
4. De aanvraag bevat het ontwerp voor
een monitoringsplan als bedoeld in artikel 29f van het besluit dat
voldoet aan Bijlage II, onderdeel 1, van richtlijn nr. 2009/31/EG. Het
ontwerp strekt tot:
a. het vergelijken van het
feitelijk en het gemodelleerd gedrag van het CO2 en andere
opgeslagen stoffen en het formatiewater in het voorkomen;
b. het detecteren van significante
onregelmatigheden;
c. het detecteren van CO2 en andere
stoffen;
d. het detecteren van significante
negatieve effecten voor het omliggende milieu en voor met name het
drinkwater, de omwonende bevolking en de gebruikers van de
biosfeer in de omgeving;
e. het evalueren van de
doeltreffendheid van eventuele getroffen corrigerende maatregelen
als bedoeld in het vijfde lid, en
f. het actualiseren van de
veiligheids- en integriteitsbeoordeling van het opslagcomplex op
korte en lange termijn, met inbegrip van de beoordeling van de
vraag of het opgeslagen CO2 volledig en permanent is ingesloten.
5. De aanvraag bevat het ontwerp voor
een afsluitingsplan als bedoeld in artikel 29g van het besluit.
6. De aanvraag bevat:
a. de voor de ramingen, bedoeld in
artikel 29j, tweede lid, van het besluit benodigde gegevens
vergezeld van adequate cijfermatige onderbouwing en toelichting en
mogelijke vorm van zekerheid die zal worden gesteld;
b. het ontwerp voor een plan ter
voorkoming of beperking van schade door bodembeweging indien het
voorkomen voor het permanent opslaan van CO2 gelegen is aan de
landzijde van de lijn die in de bijlage bij de wet is vastgelegd
door bodembeweging als bedoeld in artikel 29h van het besluit
gebaseerd op een risico-analyse over bodembeweging, en
c. informatie die aantoont dat is
gezorgd voor professionele en technische ontwikkeling en training
van de exploitant en van alle personeel voorafgaande, tijdens en
na beëindiging van de injectie van CO2.
Artikel 1.3.4b
Bij een aanvraag om een vergunning voor
het permanent opslaan van CO2 in te trekken, verstrekt de
vergunninghouder de minister:
a. een verslag dat aantoont dat:
1°. het opgeslagen CO2 volledig
en permanent ingesloten blijft,
2°. het feitelijke gedrag van
het geïnjecteerde CO2 in overeenstemming is met het
gemodelleerde gedrag,
3°. er geen detecteerbare lekken
zijn,
4°. de opslaglocatie evolueert
naar een toestand van lange termijn stabiliteit, en
b. een geactualiseerde versie van de
documenten, bedoeld in de artikelen 29c, 29d, 29f en 29g, van het
besluit.
Artikel 1.3.5
1.Een opsporingsvergunning voor
koolwaterstoffen voor een gebied aan de zeezijde van de in de bijlage
bij de wet vastgelegde lijn kan slechts worden verleend voor een
gebied, bestaande uit een of meer blokken als aangegeven op de kaart
die als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd.
2.Indien voor een deel van een blok
reeds een door een ander gehouden opsporings- of winningsvergunning
voor koolwaterstoffen geldt, kan een opsporingsvergunning als in het
eerste lid bedoeld betrekking of mede betrekking hebben op dat deel
van het blok, waarvoor geen opsporings- of winningsvergunning geldt.
3.Indien in een deel van een blok zich
een voorkomen bevindt waarvoor reeds een door een ander gehouden
opslagvergunning geldt, kan een opsporingsvergunning als in het eerste
lid bedoeld betrekking of mede betrekking hebben op dat deel van het
blok, waarvoor geen opslagvergunning geldt.
Artikel 1.3.6
Het gebied als bedoeld in artikel 11,
derde lid, van de wet waarvoor een opsporings- of winningsvergunning
voor koolwaterstoffen wordt verleend, is, voor zover dat met een
doelmatige en voortvarende opsporing en winning van koolwaterstoffen
verenigbaar en op grond van de aantoning uit geologisch oogpunt
gerechtvaardigd is, in overeenstemming met de ingediende aanvraag.
Artikel 1.3.7
1.Bij de beslissing op een aanvraag om
een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen worden de
artikelen 1.3.8 tot en met 1.3.11 in acht genomen.
2.In afwijking van het eerste lid zijn
bij de beslissing op een aanvraag om een winningsvergunning op grond
van artikel 10, eerste lid, van de wet slechts de artikelen 1.3.8 tot
en met 1.3.10 van toepassing.
3.Bij de beslissing omtrent toestemming
tot overdracht van een opsporings- of winningsvergunning voor
koolwaterstoffen zijn de artikelen 1.3.8 tot en met 1.3.10 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.8
1.Een opsporings- of winningsvergunning
voor koolwaterstoffen wordt geweigerd indien de technische
mogelijkheden van de aanvrager niet toereikend zijn voor een goede
uitvoering van het opsporingsonderzoek of de winning in het gebied,
waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
2.Bij de beoordeling van de technische
mogelijkheden van de aanvrager worden in ieder geval betrokken:
a. de geologische en
mijnbouwkundige kennis van de aanvrager;
b. de ervaring met opsporing en
winning van de aanvrager, alsmede de wijze waarop deze
activiteiten door hem zijn uitgevoerd;
c. de technische mogelijkheden van
de rechtspersonen, waarvan de aanvrager de dochtermaatschappij is
of die behoren tot de groep, waartoe de aanvrager behoort, voor
zover blijkt dat deze technische mogelijkheden ter beschikking
staan of zullen staan van de aanvrager.
3.Indien de aanvraag wordt ingediend
door meerdere aanvragers gezamenlijk, worden bij de beoordeling,
bedoeld in het tweede lid, de gegevens betrokken ten aanzien van elk
van hen afzonderlijk, of, voor zover de aard van de gegevens dat
meebrengt, ten aanzien van hen gezamenlijk. Tevens wordt daarbij
betrokken de wijze waarop de samenwerking tussen hen zal plaatsvinden.
Artikel 1.3.9
1.Een opsporings- of winningsvergunning
voor koolwaterstoffen wordt geweigerd indien de financiële
mogelijkheden van de aanvrager niet toereikend zijn voor een goede
uitvoering van het opsporingsonderzoek of de winning in het gebied,
waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, en voor het nakomen van de
verplichtingen, die daaruit voortvloeien.
2.Bij de beoordeling van de financiële
mogelijkheden van de aanvrager worden in ieder geval betrokken:
a. de financiële middelen,
waarover de aanvrager beschikt;
b. de wijze, waarop de aanvrager
voornemens is het opsporingsonderzoek of de winning te
financieren;
c. de financiële mogelijkheden van
de rechtspersonen, waarvan de aanvrager de dochtermaatschappij is
of die behoren tot de groep, waartoe de aanvrager behoort, voor
zover blijkt dat deze financiële mogelijkheden ter beschikking
staan of zullen staan van de aanvrager.
3.Artikel 1.3.8, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.10
1.Een opsporings- of winningsvergunning
voor koolwaterstoffen wordt geweigerd indien de manier waarop de
aanvrager voornemens is het opsporingsonderzoek of de winning in het
gebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten het
belang van een doelmatige en voortvarende opsporing en winning in
onvoldoende mate verzekert.
2.Bij de beoordeling van de manier
waarop de aanvrager voornemens is het opsporingsonderzoek of de
winning te verrichten, kunnen onder meer worden betrokken:
a. de mate waarin het programma,
bedoeld in artikel 1.3.1, tweede lid, onderdeel c,
onderscheidenlijk artikel 1.3.3, derde lid, onderdeel e, en vierde
lid, bijdraagt aan een doelmatige en voortvarende opsporing en
winning;
b. de geologische onderbouwing van
het in onderdeel a bedoelde programma;
c. de praktische uitvoerbaarheid
van het in onderdeel a bedoelde programma;
d. de doelmatigheid in de
bedrijfsvoering en de verantwoordelijkheidszin, waarvan de
aanvrager eerder heeft blijkgegeven.
3.Artikel 1.3.8, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.11
1.Ingeval toepassing van de artikelen
1.3.8 tot en met 1.3.10 niet leidt tot weigering van de opsporings- of
winningsvergunning en door een of meer anderen overeenkomstig artikel
15, derde lid, van de wet een aanvraag is ingediend voor een
soortgelijke vergunning voor dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied,
wordt de vergunning geweigerd indien de verlening van de vergunning
aan een andere aanvrager in het belang is van een doelmatige en
voortvarende opsporing en winning.
2.Bij de beoordeling van de gevolgen
voor een doelmatige en voortvarende opsporing en winning kunnen onder
meer worden betrokken:
a. de mate waarin de aanvrager kan
en wil bijdragen aan een doelmatige en voortvarende opsporing en
winning van koolwaterstoffen;
b. de mogelijkheden van de
aanvrager om de opsporing of winning tegen zo laag mogelijke
kosten te doen plaatsvinden.
3.Artikel 1.3.8, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
§ 1.4. Aanvraag mijnbouwmilieuvergunning
Artikel 1.4.1
Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt verstaan onder aanvraag: een aanvraag om een
mijnbouwmilieuvergunning als bedoeld in artikel 40 van de wet.
Artikel 1.4.2
Een aanvraag wordt in zesvoud ingediend.
Artikel 1.4.3
1.In of bij de aanvraag vermeldt de
aanvrager:
a. het adres, de kadastrale
aanduiding en de ligging of de coördinaten van het mijnbouwwerk;
b. de aard van het mijnbouwwerk;
c. de indeling, de uitvoering, de
activiteiten en de processen in het mijnbouwwerk en de ten behoeve
daarvan toe te passen technieken of installaties, waaronder
begrepen de wijze van energievoorziening, voor zover die
redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de
nadelige gevolgen voor het milieu, die het mijnbouwwerk kan
veroorzaken;
d. de voor de activiteiten en de
processen, bedoeld in onderdeel c, kenmerkende gegevens met
betrekking tot grond- en hulpstoffen, tussen-, neven- en
eindproducten;
e. de maximale capaciteit van het
mijnbouwwerk en het maximale motorische of thermische vermogen van
de tot het mijnbouwwerk behorende installaties;
f. de tijden en dagen, dan wel
perioden waarop het mijnbouwwerk of de te onderscheiden onderdelen
daarvan in bedrijf zullen zijn;
g. de aard en omvang van de
belasting van het milieu die het mijnbouwwerk tijdens normaal
bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen
worden veroorzaakt;
h. de maatregelen of voorzieningen
ten behoeve van:
1°. het voorkomen of beperken
van het ontstaan van afvalstoffen in het mijnbouwwerk;
2°. het hergebruiken of nuttig
toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of
nuttige toepassing van de afvalstoffen die in het mijnbouwwerk
ontstaan;
3°. het opslaan van de
afvalstoffen in het mijnbouwwerk;
4°. het zich ontdoen van de
afvalstoffen die in het mijnbouwwerk ontstaan;
i. de andere maatregelen of
voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen
voor het milieu die het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen
of te beperken:
1°. tijdens het in werking
zijn van het mijnbouwwerk of de te onderscheiden onderdelen
daarvan, waarbij, voor zover van toepassing, onderscheid wordt
gemaakt tussen proefdraaien, normaal bedrijf, schoonmaak-,
onderhouds- en herstelwerkzaamheden;
2°. ten gevolge van voorvallen
als bedoeld in artikel 82 van het besluit, die redelijkerwijs
mogelijk zijn te achten;
j. de wijze waarop gedurende het in
werking zijn van het mijnbouwwerk de belasting van het milieu die
het mijnbouwwerk veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd,
en
k. de voor de aanvrager
redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot het
mijnbouwwerk die voor de beslissing op de aanvraag van belang
kunnen zijn.
2.De minister kan bepalen dat het
eerste lid, onderdelen i, j en k, buiten toepassing blijft, indien die
gegevens niet nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, gezien de
aard of de omvang van de gevolgen die het mijnbouwwerk voor het milieu
kan veroorzaken.
3.De aanvraag gaat vergezeld van een
niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde
gegevens.
Artikel 1.4.4
Indien het mijnbouwwerk waarvoor de
mijnbouwmilieuvergunning wordt aangevraagd, naar zijn aard tijdelijk is,
vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag. Hij vermeldt daarbij tevens zo
mogelijk het tijdstip waarop het mijnbouwwerk buiten werking zal worden
gesteld.
Artikel 1.4.5
Voor zover die gegevens nodig zijn voor
de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van de
minister bij de aanvraag de resultaten van een onderzoek naar de
kwaliteit van de bodem op de plaats waar het mijnbouwwerk zal zijn of is
gelegen.
Artikel 1.4.6
De minister stelt de volgende
bestuursorganen in de gelegenheid binnen vier weken advies uit te
brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag indien het
mijnbouwwerk is gelegen op het land of de territoriale zee:
a. de directeur-generaal
Milieubeheer, indien sprake is van lozingen in de bodem;
b. burgemeester en wethouders van de
gemeente waarin het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen;
c. burgemeester en wethouders van de
gemeenten, waarvan de grens is gelegen op minder dan 200 meter van
de plaats waar het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen;
d. burgemeester en wethouders van de
gemeenten, waarvan de grens is gelegen op meer dan 200 meter en
minder dan 10 kilometer van de plaats waar het mijnbouwwerk zal zijn
of is gelegen, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat in
redelijkheid te verwachten is dat de invloed van de belasting van
het milieu, veroorzaakt door het mijnbouwwerk waarop de aanvraag
betrekking heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen;
e. gedeputeerde staten van de
provincie, waarin het mijnbouwwerk is gelegen;
f. de inspecteur-generaal der mijnen;
g. de hoofdingenieur-directeur van de
betrokken regionale directie van Rijkswaterstaat.
Artikel 1.4.7
De minister stelt de volgende
bestuursorganen in de gelegenheid binnen vier weken advies uit te
brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag indien het
mijnbouwwerk is gelegen op het continentaal plat:
a. de inspecteur-generaal der mijnen;
b. de hoofdingenieur-directeur van de
Directie Noordzee van Rijkswaterstaat, en
c. de directeur-generaal
Milieubeheer, indien sprake is van lozingen in de bodem.
§ 1.5. Aanvraag vergunningen en
ontheffingen bij verkenningsonderzoek
Artikel 1.5.1
Bij de aanvraag om een vergunning als
bedoeld in de artikelen 18 en 19 van het besluit verstrekt de aanvrager
gegevens omtrent:
a. het tijdvak waarvoor de vergunning
wordt gevraagd;
b. het gebied waarvoor de vergunning
wordt gevraagd, en
c. de wijze waarop het
verkenningsonderzoek zal worden verricht en de technieken en
hulpmiddelen die daarbij worden gebruikt.
Artikel 1.5.2
Bij de aanvraag om een vergunning als
bedoeld in artikel 22 van het besluit verstrekt de aanvrager gegevens
omtrent:
a. het tijdvak waarvoor de vergunning
wordt aangevraagd;
b. het gebied waarvoor de vergunning
wordt aangevraagd;
c. de aard, aanduiding en hoeveelheid
van de ontplofbare stoffen;
d. de wijze van gebruik van de in
onderdeel c bedoelde stoffen, en
e. de maatregelen die worden genomen
ter voorkoming van schade.
§ 1.6. Aanvraag vergunningen en
ontheffingen mijnbouwwerken
Artikel 1.6.1
Bij de aanvraag om een ontheffing als
bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede lid, van het
besluit verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:
a. het tijdvak waarvoor de ontheffing
wordt gevraagd;
b. de plaats waarvoor de ontheffing
wordt gevraagd, en
c. de datum waarop de
mijnbouwinstallatie wordt geplaatst, en
d. voorzieningen die worden getroffen
met het oog op het belang van de scheepvaart en de landsverdediging.
Artikel 1.6.2
Bij de aanvraag om een ontheffing als
bedoeld in artikel 51, vijfde lid, van het besluit geeft de aanvrager
aan waarom een helikopterdek niet noodzakelijk is.
Artikel 1.6.3
1.Aanvragen om een ontheffing als
bedoeld in artikel 52, zesde lid, van het besluit worden in tweevoud
ingediend bij de Minister van Verkeer en Waterstaat.
2.Bij de aanvraag geeft de aanvrager
aan waarom geluids- en lichtbakens niet noodzakelijk zijn.
§ 1.7. Aanvraag vergunning pijpleidingen
en kabels
Artikel 1.7.1
1.Bij de aanvraag om een vergunning tot
aanleg van een pijpleiding als bedoeld in artikel 94 van het besluit
verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:
a. het tijdvak waarvoor de
vergunning wordt gevraagd;
b. het traject van de pijpleiding;
c. de wijze waarop de pijpleiding
wordt aangelegd en de diepte waarop de pijpleiding in de bodem
wordt gelegd;
d. de resultaten van het onderzoek
van het voorgenomen traject in een strook van 600 meter, waarvan
de as van de strook samenvalt met het gekozen traject, en waarin
is beschreven:
1°. het profiel van de
zeebodem;
2°. de aanwezige obstakels;
3°. de ligging van bestaande
pijpleidingen en kabels;
4°. de grondmechanische
eigenschappen;
5°. de stratigrafie van de
zeebodem, en
6°. de analyse en kwaliteit
van de bodemmonsters en sonderingen;
e. een rapport van het voorontwerp
van de pijpleiding waarin is beschreven:
1°. de eigenschappen en
diameter van de pijpleiding;
2°. de stoffen die erin worden
vervoerd;
3°. een analyse van de
veiligheids- en milieurisico's, en
4°. de tijd gedurende welke de
pijpleiding wordt gebruikt voor het vervoer van die stoffen.
2.De gegevens, bedoeld in het eerste
lid, worden in viervoud ingediend.
Artikel 1.7.2
1.Bij de aanvraag om een vergunning tot
aanleg van een kabel als bedoeld in artikel 106 in samenhang met
artikel 94 van het besluit verstrekt de aanvrager gegevens omtrent:
a. het tijdvak waarvoor de
vergunning wordt gevraagd;
b. het traject van de kabel;
c. de eigenschappen van de kabel;
d. de samenstelling van de kabel,
en
e. het doel waarvoor de kabel zal
worden gebruikt.
2.Het traject van de kabel wordt op een
kaart ingetekend.
§ 1.8
Artikel 1.8.1
Bij de aanvraag tot splitsing om een
vergunning als bedoeld in artikel 135 van het besluit, verstrekt de
aanvrager de volgende gegevens:
a. de vergunning waarvan splitsing
wordt gevraagd;
b. een aanduiding van de
vergunninggebieden die door splitsing ontstaan;
c. de reden voor splitsing;
d. een kaart waarop de voorkomens van
delfstoffen of aardwarmte dan wel voor opslag in het
vergunninggebied zijn aangegeven;
e. de personen die overeenkomstig
artikel 22, vijfde lid, van de wet worden aangewezen voor de
afzonderlijke vergunningen die na splitsing zullen ontstaan.
Artikel 1.8.2
Bij de aanvraag om samenvoeging van twee
of meer vergunningen als bedoeld in artikel 137 van het besluit,
verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:
a. de vergunningen waarvan
samenvoeging wordt gevraagd;
b. de reden voor samenvoeging;
c. een kaart waarop de voorkomens van
delfstoffen of aardwarmte dan wel voor opslag in de samen te voegen
vergunninggebieden zijn aangegeven, en
d. de persoon die overeenkomstig
artikel 22, vijfde lid, van de wet dient te worden aangewezen voor
de vergunning die door samenvoeging zal ontstaan.
§ 1.9. Aanvraag vergunning winning
kalksteen of ander gebruik groeve
Artikel 1.9.1
Bij de aanvraag om een vergunning tot
winning van kalksteen als bedoeld in artikel 146 van het besluit
verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:
a. het tijdvak waarvoor de vergunning
wordt gevraagd;
b. een kaart van de bovengrond
waaronder de groeve zich zal uitstrekken, waarop is aangegeven:
1°. alle gebouwen, land-, spoor-
en waterwegen boven het gebied van de groeve;
2°. de plaats waar de
activiteiten zullen plaatsvinden, en
3°. de ingangen tot de groeve;
c. een kaart van de ondergrond waarin
de groeve zich zal uitstrekken, waarop is aangegeven de ligging,
hoogte en breedte van de te realiseren tunnels, schachten of andere
ondergrondse werken en het reeds bestaande ondergrondse
gangenstelsel, voor zover aanwezig;
d. een beschrijving van de wijze
waarop de winning zal plaatsvinden;
e. de afmeting van de pilaren;
f. de maatregelen bij het aantreffen
van aardpijpen;
g. de maatregelen bij het kruisen van
tunnels, schachten of andere ondergrondse werken;
h. andere maatregelen dan bedoeld in
onderdelen f en g die worden getroffen ter bescherming van de
veiligheid met oog op instorting, en i. een beschrijving van de
wijze waarop en de frequentie waarmee de metingen naar de
gesteentemechanische veiligheid van de groeve worden gedaan.
Artikel 1.9.2
Bij de aanvraag om een vergunning tot
gebruik van een groeve voor een ander doeleinde als bedoeld in artikel
151 van het besluit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:
a. het tijdvak waarvoor de vergunning
wordt gevraagd;
b. een kaart van de boven- en de
ondergrond van de groeve, waarop het voorgenomen gebruiksgebied is
aangegeven, met daarbij de gegevens, genoemd in artikel 1.9.1,
onderdelen b en c;
c. een omschrijving van het doeleinde
waarvoor de groeve zal worden gebruikt;
d. een beschrijving van de
voorgenomen wijzigingen van de groeve voor het voorgenomen gebruik;
e. een beschrijving van de wijze
waarop de niet gebruikte delen worden afgesloten;
f. een beschrijving van de wijze
waarop en frequentie waarmee de metingen naar de
gesteentemechanische veiligheid in de groeve worden gedaan, en
g. een beschrijving van de
maatregelen ter bescherming van de veiligheid met oog op instorting.
§ 1.10. Restrictiegebieden
Artikel 1.10.1
De delen van de territoriale zee en het
continentaal plat, bedoeld in artikel 16 van het besluit, bestaan uit de
delen van territoriale zee en het continentaal plat die gelegen zijn ten
zuiden van de lijn die gevormd wordt door de punten A, 2, 3, 4, 5, 6, 7
en I, aangeduid in bijlage 4 bij deze regeling en die niet liggen in:
a. het aanloopgebied Hoek van
Holland, de ankergebieden en de overige gebieden, aangeduid in
bijlage 4, en
b. het gemeentelijk ingedeeld gebied.
Artikel 1.10.2
De delen van de territoriale zee en het
continentaal plat, bedoeld in artikel 17 van het besluit, bestaan uit de
overige gebieden, aangeduid in bijlage 4.
Artikel 1.10.3
De delen van de territoriale zee en het
continentaal plat, bedoeld in artikel 18 van het besluit, bestaan uit de
ankergebieden, aangeduid in bijlage 4.
Artikel 1.10.4
De rede van Hoek van Holland, bedoeld in
artikel 20 van het besluit, komt overeen met het aanloopgebied Hoek van
Holland, aangeduid in bijlage 4.
Artikel 1.10.5
De gebieden, bedoeld in artikel 45,
eerste lid, van het besluit zijn de in bijlage 4 aangeduide:
a. ankergebieden;
b. aanloopgebied Hoek van Holland, en
c. overige gebieden.
Artikel 1.10.6
De gebieden, bedoeld in artikel 45,
eerste lid, van het besluit zijn de gebieden, aangeduid in bijlage 4.
Artikel 1.10.7
De delen van oppervlaktewater, bedoeld in
artikel 19 van het besluit, en de gebieden, bedoeld in artikel 44 van
het besluit, zijn de gebieden, aangeduid in bijlage 5 bij deze regeling.
§ 1.11. Werkplan
Artikel 1.11.1
Een werkplan als bedoeld in artikel 4 van
het besluit bevat voor een vergunningsgebied:
a. een overzicht van de voornaamste
mijnbouwactiviteiten die de komende vijf jaren worden voorzien;
b. een overzicht van de
mijnbouwactiviteiten die het eerstkomende jaar worden voorzien,
inhoudende:
1°. een beschrijving van
voorgenomen verkenningsonderzoek;
2°. een beschrijving van aan te
leggen boorgaten, putreparaties en stimulaties;
3°. een beschrijving van de
constructiewerkzaamheden, zoals nieuwbouw, wijzigingen van
bestaande mijnbouwwerken en aanleg van pijpleidingen;
4°. een opgave van activiteiten
in het kader van de externe veiligheid, waaronder de te houden
oefeningen;
5°. een samenvatting van de
activiteiten, bedoeld in onderdelen 1° tot en met 4°.
c. een actueel organisatieschema met
vermelding van de voor de mijnbouwactiviteiten verantwoordelijke
personen;
d. kaarten of tekeningen van de
oppervlakte en structuur van de ondergrond ter toelichting van de
gegevens, bedoeld in onderdeel b, onder 2° tot en met 4°;
e. een tijdschema waarin de
activiteiten, bedoeld in onderdeel b, onder 2° tot en met 5°,
worden weergegeven;
f. voor zover van toepassing:
1°. de naam van de onderneming
die verkenningsonderzoek verricht;
2°. de naam van het mijnbouwwerk
waarmee boorgaten worden aangelegd, en
3°. de namen van de locaties
waar boorgaten worden aangelegd.
Hoofdstuk 2. Verkenningsonderzoek
§ 2.1. Verkenningsonderzoek in
oppervlaktewater
Artikel 2.1.1
Indien verkenningsonderzoek plaatsvindt
in oppervlaktewater met gebruik van kunstmatig opgewekte trillingen,
wordt met een laag geluidsvolume begonnen en verloopt de versterking van
dat volume geleidelijk.
§ 2.2. Verkenningsonderzoek met gebruik
van ontplofbare stoffen
Artikel 2.2.1
De paragrafen 2.2. tot en met 2.8. zijn
van toepassing op verkenningsonderzoek met gebruik van ontplofbare
stoffen.
Artikel 2.2.2
De uitvoering van werkzaamheden met
ontplofbare stoffen geschiedt overeenkomstig een schriftelijke
instructie. Deze instructie en de wijzigingen ervan worden voor de
aanvang van de werkzaamheden op verzoek van de inspecteur-generaal der
mijnen aan hem ter beschikking gesteld.
Artikel 2.2.3
1.Het plaatsen van ladingen ontplofbare
stoffen geschiedt uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang.
2.Het plaatsen van ladingen ontplofbare
stoffen in de bodem van oppervlaktewateren geschiedt uitsluitend
indien het zicht ten minste 300 m bedraagt.
Artikel 2.2.4
1.Verkenningsonderzoek wordt niet
verricht binnen een afstand van 100 m van hoofdwaterkerende dijken.
2.Verkenningsonderzoek wordt zodanig
uitgevoerd dat de afstand op maaiveldhoogte tussen lading en gebouwen
of soortgelijke kunstwerken meer dan 50 m is. Indien zich kwetsbare
objecten binnen het uitwerkingsoppervlak van het onderzoek bevinden is
DIN 4150, deel 3, uitgave 1999-02, van toepassing dan wel een daarmee
vergelijkbare norm die tenminste eenzelfde resultaat biedt.
3.De minister kan van het eerste en
tweede lid ontheffing verlenen, indien de onderzoeker aantoont dat
schade wordt voorkomen.
§ 2.3. Opslag van ontplofbare stoffen
Artikel 2.3.1
Ontplofbare stoffen en ontstekers worden
bewaard in hiertoe geschikte en bestemde vonkvrije kisten.
Artikel 2.3.2
Indien ontstekers zich buiten een
ontstekerkist bevinden, is het zendgedeelte van een aanwezige
zendinstallatie uitgeschakeld, tenzij het zendvermogen van die
installatie niet groter is dan één Watt of de in gebruik zijnde
ontstekers vanwege hun constructie ongevoelig zijn voor
elektromagnetische straling.
§ 2.4. Het boren van schietgaten
Artikel 2.4.1
1.De diepte van een schietgat is,
gemeten vanaf het maaiveld tot aan de bovenkant van de lading,
tenminste het aantal meters als vermeld achter de hieronder vermelde
hoeveelheid ontplofbare stoffen:
|
a. 50 t/m 100 gram |
2,0 meter |
|
b. 101 t/m 200 gram |
2,5 |
|
c. 201 t/m 300 gram |
3,0 |
|
d. 301 t/m 400 gram |
4,0 |
|
e. 401 t/m 500 gram |
5,0 |
|
enzovoort tot 1000 gram |
enzovoort tot 10,0 |
2.De diepte van een schietgat bij
ladingen van 1000 gram of groter bedraagt tenminste 10 m.
Artikel 2.4.2
De voor een schietgat benodigde
ontplofbare stoffen en ontstekers worden tijdens het boren van de
schietgaten op een afstand van ten minste 10 m daarvan en onder toezicht
bewaard.
§ 2.5. Het gereed maken van de lading
Artikel 2.5.1
Bij activiteiten met ontplofbare stoffen
zijn alleen die personen aanwezig, die daarmee zijn belast.
Artikel 2.5.2
1.Ontplofbare stoffen en ontstekers
worden gescheiden van elkaar van de plaats waar ze worden bewaard naar
de schietgaten gebracht, tenzij gebruik wordt gemaakt van hiertoe
geschikte, vonkvrije kisten.
2.Het gereedmaken van de lading
geschiedt in de directe nabijheid van de schietgaten en onmiddellijk
vóór het inbrengen in de schietgaten.
Artikel 2.5.3
Tijdens werkzaamheden met ontplofbare
stoffen wordt niet meer dan één lading tegelijk gereed gemaakt.
Artikel 2.5.4
Zolang een lading nog niet op zijn plaats
in het schietgat is aangebracht, wordt geen volgende lading
gereedgemaakt.
Artikel 2.5.5
Ontplofbare stoffen worden slechts in de
vorm en de verpakking, waarin zij door de fabrikant zijn geleverd,
gebruikt.
§ 2.6. Het laden van schietgaten
Artikel 2.6.1
Een ontstekingscircuit van een lading
wordt met een daarvoor geschikt meetinstrument getest.
Artikel 2.6.2
Indien bij het trekken van de pijp
waarmee een schietgat wordt geboord, de pijp blijft vastzitten of de
lading meekomt, wordt de pijp niet verder getrokken en wordt de lading
afgevuurd.
Artikel 2.6.3
Ladingen worden beveiligd tegen het
verwijderen door onbevoegden.
Artikel 2.6.4
Schietgaten worden over de gehele lengte
opgevuld met daarvoor geschikt materiaal.
§ 2.7. Niet tot ontploffing gekomen
ladingen
Artikel 2.7.1
1.Indien een lading niet tot
ontploffing is gekomen en gebleken dat het ontstekingscircuit in takt
is, wordt de lading zo mogelijk alsnog tot ontploffing gebracht.
2.Indien een lading niet tot
ontploffing is gekomen en gebleken dat het ontstekingscircuit niet in
takt is, wordt de in het eerste lid bedoelde poging ondernomen door
het afvuren van een geschikte lading in een nieuw schietgat dat is
geboord op tenminste 0,5 m afstand van het oorspronkelijk schietgat
tot de diepte van de bovenkant van de niet ontplofte lading.
§ 2.8. Rapportage
Artikel 2.8.1
De schietmeester houdt een schietregister
bij, waarin van dag tot dag zijn vermeld:
a. het aantal en de soort van de
gebruikte patronen en ontstekers, onder vermelding van de datum van
gebruik en de gebruikte hoeveelheid;
b. het aantal ladingen dat tot
ontploffing is gebracht;
c. het aantal ladingen dat niet tot
ontploffing is gekomen, en
d. de bijzonderheden, die zich bij
activiteiten met ontplofbare stoffen hebben voorgedaan.
Hoofdstuk 3. Het winnen en het opslaan
van stoffen
Artikel 3.1
Voor de opgave van hoeveelheden stoffen,
bedoeld in de artikelen 24, 25, 26 en 27 van het besluit, worden de
volgende eenheden gebruikt:
a. vaste stoffen: in m3 of tonnen;
b. vloeibare stoffen, anders dan
pekel: in tonnen en in m3 bij een absolute druk van 101,325 kPa en
een temperatuur van 15 graden Celsius;
c. gasvormige stoffen: in 1000 m3 bij
een absolute druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 0 graden
Celsius;
d. pekel: in m3.
Artikel 3.2
1. Het register over CO2-stromen,
bedoeld in artikel 31f van de wet, bevat met ingang van de dag van
eerste injectie van stoffen een opgave van:
a. de hoeveelheden stoffen
uitgedrukt in kton die per uur zijn geleverd, geïnjecteerd of
weggelekt en
b. de samenstelling van de stoffen
en iedere wijziging in de samenstelling ervan met vermelding van
de datum en tijdstip van wijziging;
2. De samenstelling van de stoffen
bevat een opgave van de afzonderlijke stoffen en hun volume- en
gewichtsaandeel met een voldoende nauwkeurigheid met het oog op de
belangen van milieu en veiligheid.
3. Het register wordt tenminste
wekelijks bijgewerkt.
Hoofdstuk 4 [Vervallen per 31-10-2009]
Afdeling 4.1 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 4.1 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.1.1 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 4.2 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.2.1 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.2.2 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 4.3 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.3.1 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.3.2 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.3.3 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 4.4 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.4.1 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.4.2 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.4.3 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.4.4 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.4.5 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.4.6 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.4.7 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.4.8 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 4.5 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.5.1 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 4.6 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.6.1 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.6.2 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.6.3 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 4.7 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.7.1 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.7.2 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 4.8 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.8.1 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 4.8.2 [Vervallen per 31-10-2009]
Hoofdstuk 5. Herkenningstekens,
geluidsbakens en lichtbakens
Artikel 5.1
Tenminste een van de herkenningstekens,
bedoeld in artikel 52, vierde lid, onderdelen a en b, van het besluit
is, ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, bij
dag en nacht zichtbaar.
Artikel 5.2
1.Geluidsbakens als bedoeld in artikel
52, eerste lid, onderdeel b, van het besluit zijn van zodanige sterkte
en zodanig geplaatst dat de veiligheid van de scheepvaart en van de
mijnbouwinstallatie is gewaarborgd.
2.De geluidsbakens zijn niet lager dan
6 m en niet hoger dan 30 m boven gemiddeld zeeniveau geplaatst.
3.Bij een zicht van minder dan 3600 m
geven de geluidsbakens een synchroon geluidssignaal af overeenkomend
met dat van de Morse-letter U, met een periode van 30 seconden,
verdeeld als volgt: signaal 3/4 seconde, stilte 1 seconde, signaal 3/4
seconde, stilte 1 seconde, signaal 2½ seconde, stilte 24 seconden.
Artikel 5.3
1.Een boven het oppervlaktewater
uitstekende mijnbouwinstallatie is voorzien van een of meer witte
lichten.
2.De lichten branden van zonsondergang
tot zonsopkomst en wanneer tussen zonsopkomst en zonsondergang het
zicht van de mijnbouwinstallatie minder dan 1500 m bedraagt. De
lichten branden synchroon en hebben een Morsekarakter overeenkomend
met dat van de Morse-letter U, met een periode van 15 seconden,
verdeeld als volgt: helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder ½
seconde, duister ½ seconde, helder 1½ seconde, duister 11½ seconde.
3.De lichten hebben elk een sterkte van
ten minste 1400 candelas.
4.De lichten zijn zodanig geplaatst,
dat ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd,
tenminste één licht zichtbaar is. De lichten zijn niet lager dan 12
m en niet hoger dan 30 m boven gemiddeld zeeniveau geplaatst.
5.De lichtbundel is in het verticale
vlak zodanig verdeeld, dat het licht vanaf de grootste afstand van
zichtbaarheid tot in de onmiddellijke nabijheid van de
mijnbouwinstallatie op een hoogte van 5 meter boven gemiddeld
zeeniveau zichtbaar is.
6.De Minister van Verkeer en Waterstaat
kan op verzoek van de uitvoerder afwijkende eisen stellen voor het
plaatsen van de lichten voor de periode van plaatsing of verwijdering
van de mijnbouwinstallatie.
Artikel 5.4
1.1. Een boven het oppervlaktewater
uitstekende mijnbouwinstallatie met een grootste horizontale afmeting
van meer dan 15 meter is tevens voorzien van op de uiteinden van de
installatie aangebrachte vaste witte lichten.
2.De lichten branden van zonsondergang
tot zonsopkomst of wanneer tussen zonsopkomst en zonsondergang het
zicht van de mijnbouwinstallatie minder dan 1500 m bedraagt.
3.De lichten hebben elk een sterkte van
ten minste 200 candelas.
4.De lichten zijn zodanig geplaatst dat
de scheepvaart vanuit iedere aanloopkoers tenminste twee lichten kan
waarnemen.
5.De verplichting voor het plaatsen van
lichten als bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien de in artikel
5.3 bedoelde lichten op die uiteinden zijn geplaatst.
6.In geval de mijnbouwinstallatie
samengesteld is uit meerdere delen die ieder in het oppervlaktewater
geplaatst zijn en fysiek met elkaar verbonden, zijn een of meerdere
extra lichten geplaatst tussen de uiteinden van de
mijnbouwinstallatie.
Artikel 5.5
1.Een mijnbouwinstallatie met een
hoogte van meer dan 30 meter boven gemiddeld zeeniveau is tevens
voorzien van een vast, rood licht op het hoogste punt van de
installatie.
2.Het in het eerste lid bedoelde licht
is zo geplaatst dat het zichtbaar is vanuit ieder punt boven de
horizon.
3.Een mijnbouwinstallatie met een
hoogte van meer dan 45 meter boven het gemiddeld zeeniveau is tevens
voorzien van een zodanig aantal vaste, rode lichten, die halverwege
tussen het in het eerste lid genoemde licht en het gemiddeld zeeniveau
zijn geplaatst, dat vanuit ieder punt boven de horizon ten minste
één daarvan zichtbaar is.
4.De lichten, bedoeld in het eerste en
derde lid, branden van zonsondergang tot zonsopkomst en wanneer tussen
zonsopkomst en zonsondergang het zicht van de mijnbouwinstallatie
minder dan 1500 m bedraagt.
5.De lichten, bedoeld in het eerste en
derde lid, hebben elk een sterkte van ten minste 10 candelas.
Hoofdstuk 6. Communicatiemiddelen en
meteorologische apparatuur
§ 6.1. Algemeen
Artikel 6.1.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op
mijnbouwinstallaties die boven het wateroppervlak uitsteken.
§ 6.2. Communicatiemiddelen
Artikel 6.2.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. telecommunicatiemiddel: een
inrichting of samenstel van inrichtingen, bestemd voor overdracht,
uitzending of ontvangst van gegevens van welke aard dan ook door
middel van kabels, langs radio-elektrische weg of door middel van
optische of andere elektromagnetische systemen;
b. radiotelefonie-inrichting: een
radio-elektrische zend- en ontvanginrichting met inbegrip van de
antenne-inrichting en het voedingsgedeelte;
c. DSC: een techniek (digital
selective calling) waarbij met gebruikmaking van digitale codes door
een radiostation een verbinding tot stand wordt gebracht en
informatie wordt uitgewisseld met een of meer andere stations en die
voldoet aan de van toepassing zijnde aanbevelingen van het
Internationale Comité inzake Radioaangelegenheden (CCIR);
d. maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting: een radiotelefonie-inrichting voor
gebruik op de kanalen bestemd voor de maritieme dienst in de
frequentieband tussen 156 en 162.650MHz (marifoon);
e. MF-radiotelefonie-inrichting: een
radiotelefonie-inrichting voor nood-, spoed- en
veiligheidsdoeleinden met gebruik van DSC alsmede voor het gebruik
op de frequenties bestemd voor de maritieme dienst in de
frequentieband tussen 1605 en 2850 kHz;
f. VHF-DSC-wachtontvanger: een
radio-elektrische ontvanginrichting die geschikt is om een
ononderbroken DSC-wacht te houden op kanaal 70;
g. MF-DSC-wachtontvanger: een
radio-elektrische ontvanginrichting die geschikt is om een
ononderbroken DSC-wacht te houden op de frequentie van 2187,5 kHz;
h. VHF-radiotelefonie-inrichting voor
de aëronautische dienst: een radiotelefonie-inrichting voor het
gebruik op de kanalen bestemd voor de aëronautische dienst in de
frequentieband tussen 118 en 137 MHz;
i. HF-radiotelefonie-inrichting voor
de aëronautische dienst: een radiotelefonie-inrichting voor het
gebruik op de kanalen bestemd voor de aëronautische dienst in de
frequentieband tussen 3 en 5 MHz;
j. directe verbinding met het
openbaar telefoonnet: een automatisch werkende telefoonvoorziening
op een mijnbouwinstallatie waarmee onder normale omstandigheden te
allen tijde telefoonverbindingen kunnen worden gevormd tussen de
betrokken mijnbouwinstallatie en het Nederlands openbaar
telefoonnet;
k. niet-afhankelijke
mijnbouwinstallatie: een mijnbouwinstallatie vanaf welke
rechtstreekse communicatie mogelijk is met de vaste wal, vaartuigen
en luchtvaartuigen;
l. afhankelijke mijnbouwinstallatie:
een mijnbouwinstallatie vanaf welke anders dan door een directe
verbinding met het openbare telefoonnet slechts door tussenkomst van
een niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie communicatie mogelijk is
met de vaste wal, vaartuigen en luchtvaartuigen;
m. gevaarlijk gebied: hetgeen
daaronder wordt verstaan in de norm NEN-EN-IEC 60079-10, "Electrisch
materieel voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan
heersen", deel 10: Indeling van gevaarlijke gebieden; juli
1997;
n. zeegebied A1: een gebied binnen
het radiotelefoniebereik van tenminste een VHF-radiokuststation,
waarin een ononderbroken DSC-alarmering beschikbaar is;
o. zeegebied A2: een gebied, met
uitzondering van het zeegebied A1, binnen het radiotelefoniebereik
van tenminste een MF-radiokuststation, waarin een ononderbroken
DSC-alarmering beschikbaar is.
Artikel 6.2.2
De bepalingen die van toepassing zijn op
mijnbouwinstallaties in het zeegebied A1 gelden ook voor
mijnbouwinstallaties die geplaatst zijn in binnenwateren.
Artikel 6.2.3
1.Een bemande niet-afhankelijke
mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 met een directe verbinding met het
openbaar telefoonnet is uitgerust met:
a. een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;
b. twee
VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;
c. een VHF-DSC-wachtontvanger, en
d. een hulpmiddel voor het op
instrumenten aanvliegen van helikopters.
2.Een bemande niet-afhankelijke
mijnbouwinstallatie in zeegebied Al zonder directe verbinding met het
openbaar telefoonnet is uitgerust met:
a. twee maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC;
b. twee
VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;
c. een VHF-DSC-wachtontvanger, en
d. een hulpmiddel voor het op
instrumenten aanvliegen van helikopters.
3.Een bemande niet-afhankelijke
mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 met een directe verbinding met het
openbaar telefoonnet is uitgerust met:
a. een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;
b. twee
VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;
c. een MF-radiotelefonie-inrichting
of een satelliet telefoon die geheel onafhankelijk is van de
hierboven genoemde directe verbinding met het openbaar
telefoonnet;
d. een VHF-DSC-wachtontvanger;
e. een MF-DSC-wachtontvanger, en
f. een hulpmiddel voor het op
instrumenten aanvliegen van helikopters.
4.Een bemande niet-afhankelijke
mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe verbinding met het
openbaar telefoonnet is uitgerust met:
a. een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;
b. twee
MF-radiotelefonie-inrichtingen;
c. een VHF-DSC-wachtontvanger;
d. een MF-DSC-wachtontvanger;
e. twee
VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;
f. een HF-radiotelefonie-inrichting
voor de aëronautische dienst, en
g. een hulpmiddel voor het op
instrumenten aanvliegen van helikopters.
5.Van de in het eerste tot en met
vierde lid VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische
dienst kan er één van een draagbaar type zijn.
Artikel 6.2.4
1.Een bemande afhankelijke vast
opgestelde mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 met een directe
verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:
a. een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC, en
b. een VHF-DSC-wachtontvanger of
een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel.
2.Een bemande afhankelijke vast
opgestelde mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 zonder directe
verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:
a. twee maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichtingen waarvan tenminste één met DSC,
en
b. een VHF-DSC-wachtontvanger of
een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel.
3.Een bemande afhankelijke vast
opgestelde mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 met een directe
verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:
a. een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC, en
b. een VHF-DSC-wachtontvanger of
een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel.
4.Een bemande afhankelijke vast
opgestelde mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe
verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:
a. een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;
b. een MF-radiotelefonie-inrichting;
c. een VHF-DSC-wachtontvanger of
een ander gelijkwaardig telecommunicatiemiddel, en
d. een MF-DSC-wachtontvanger.
Artikel 6.2.5
1.Indien een mijnbouwinstallatie is
voorzien van een verblijf dat permanent is ingericht voor de
voorlopige verzorging van gewonden of zieken, is dit verblijf
uitgerust met een telecommunicatiemiddel waarmee rechtstreeks een
tweezijdige telefonische of radio-telefonische verbinding met de vaste
wal mogelijk is.
2.Het telecommunicatiemiddel is
voorzien van een microfoon, een telefoon en een luidspreker. De
bediening van de microfoon, de bediening van de zend- en
ontvangschakelaar en het aan- en uitschakelen van de luidspreker
moeten in dit verblijf kunnen plaatsvinden.
Artikel 6.2.6
1.Indien een of meer personen aanwezig
zijn op een niet-bemande niet-afhankelijke voor de winning bestemde
mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 of A2 met een directe verbinding
met het openbaar telefoonnet is deze uitgerust met:
a. een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC, en
b. een
VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst.
2.Indien een of meer personen aanwezig
zijn op een niet-bemande niet-afhankelijke voor de winning bestemde
mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 zonder directe verbinding met het
openbaar telefoonnet is deze uitgerust met:
a. twee maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC, en
b. een
VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst.
3.Indien een of meer personen aanwezig
zijn op een niet-bemande niet-afhankelijke voor de winning bestemde
mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe verbinding met het
openbaar telefoonnet, maar binnen het VHF-bereik van een bemande
niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie, is deze uitgerust met:
a. twee maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC, en
b. een
VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst.
4.Indien een of meer personen aanwezig
zijn op een niet-bemande niet-afhankelijke voor de winning bestemde
mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe verbinding met het
openbaar telefoonnet en buiten het VHF-bereik van een bemande
niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie, is deze uitgerust met:
a. een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;
b. een
VHF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst, en
c. een MF-radiotelefonie-inrichting.
Artikel 6.2.7
1.Indien een of meer personen aanwezig
zijn op een niet-bemande afhankelijke voor de winning bestemde
mijnbouwinstallatie met een directe verbinding met het openbaar
telefoonnet, is deze uitgerust met een maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC.
2.Indien een of meer personen aanwezig
zijn op een niet-bemande afhankelijke voor de winning bestemde vast
opgestelde mijnbouwinstallatie zonder directe verbinding met het
openbaar telefoonnet is deze uitgerust met twee maritieme
VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC.
Artikel 6.2.8
1.Indien meerdere personen aanwezig
zijn op een mijnbouwinstallatie, is één persoon belast met de
bediening van de in deze paragraaf voorgeschreven
communicatiemiddelen. De persoon die in noodsituaties is belast met de
bediening van de communicatiemiddelen wordt in zulke situaties niet
belast met andere taken.
2.Een radiotelefonie-inrichting wordt
bediend door personen die met goed gevolg een door de Minister van
Verkeer en Waterstaat vastgesteld examen ter verkrijging van een
certificaat van bediening voor de desbetreffende
radiotelefonie-inrichting hebben afgelegd.
Artikel 6.2.9
1.De in deze paragraaf voorgeschreven
communicatiemiddelen zijn zo aangelegd en worden zo onderhouden dat
zij in goede staat verkeren en goed werken.
2.Indien een van de
communicatiemiddelen niet of niet goed werkt, wordt dit onverwijld
hersteld of vervangen.
3.De in deze paragraaf voorgeschreven
communicatiemiddelen zijn:
a. op een bemande
mijnbouwinstallatie vast opgesteld, en
b. op een niet-bemande
mijnbouwinstallatie bij gebruik vast opgesteld.
Artikel 6.2.10
1.Behoudens het tweede lid worden alle
op een mijnbouwinstallatie aanwezige communicatiemiddelen en
bijbehoren aangelegd en gebruikt buiten een gevaarlijk gebied.
2.Indien de aanleg of het gebruik van
een communicatiemiddel en bijbehoren binnen een gevaarlijk gebied niet
kan worden vermeden, voldoen dit communicatiemiddel en bijbehoren aan
de eisen, gesteld in het Besluit explosieveilig materieel.
3.De in deze paragraaf voorgeschreven
communicatiemiddelen worden zo geplaatst dat:
a. het binnendringen van water
zoveel mogelijk wordt voorkomen, en
b. deze gemakkelijk toegankelijk
zijn voor inspectie, reparatie en onderhoud.
Artikel 6.2.11
1.Een bedieningsruimte voor een
radiotelefonie-inrichting is zo ingericht dat een goede
berichtenwisseling niet kan worden gestoord door hinderlijk lawaai.
2.In de bedieningsruimte is een
instructie aanwezig met duidelijke beschrijvingen van de normale
radiotelefonieprocedures, van de radiotelefonie noodprocedures alsmede
van de te gebruiken frequenties of kanalen.
3.De in het eerste lid bedoelde ruimte
is voorzien van een noodverlichting die op een zodanige plaats vast is
aangebracht dat de bedieningsinstrumenten van de
radiotelefonie-inrichtingen en de in het tweede lid bedoelde
beschrijvingen goed worden verlicht.
4.In de in het eerste lid bedoelde
ruimte evenals erbuiten in de directe nabijheid van de toegangsdeur is
een draagbaar blusapparaat opgesteld, gevuld met een brandblusmiddel
dat elektrische stroom niet geleidt en de werking van de
voorgeschreven telecommunicatiemiddelen zo min mogelijk verstoort.
5.In de in het eerste lid bedoelde
ruimte bevinden zich uitsluitend personen die daarin van dienstwege
aanwezig zijn.
Artikel 6.2.12
Het geluidssignaal dat door de
VHF-DSC-wachtontvanger, de MF-DSC-wachtontvanger of een ander
gelijkwaardig telecommunicatiemiddel als bedoeld in artikel 6.2.4 wordt
afgegeven, kan te allen tijde worden gehoord door de dienstdoende
radiotelefonist.
Artikel 6.2.13
1.Een mijnbouwinstallatie is uitgerust
met een of meer noodkrachtbronnen die bij uitval van de normale
krachtbron zorgdragen voor de gelijktijdige voeding van alle in deze
paragraaf voorgeschreven communicatiemiddelen, de noodverlichting en
eventuele apparatuur die het geluidssignaal, bedoeld in artikel
6.2.12, doorgeeft.
2.De in het eerste lid bedoelde
verplichting geldt niet voor een van de twee in artikel 6.2.3, vierde
lid, onderdeel b, voorgeschreven MF-radiotelefonie-inrichtingen en
voor de in artikel 6.2.3, vierde lid, onderdeel f, voorgeschreven
HF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst.
Artikel 6.2.14
1.Een noodkrachtbron kan onder alle
omstandigheden gedurende tenminste zes uur het volledig benodigde
vermogen leveren, ook indien de voorgeschreven communicatiemiddelen,
de noodverlichting en het geluidssignaal, bedoeld in artikel 6.2.12,
gelijktijdig in werking zijn, uitgaande van een zend/ontvangverhouding
van 1:1.
2.Een noodkrachtbron en de daarbij
behorende schakel- en verdeelinrichtingen zijn zo aangelegd dat bij
het uitvallen van de overige krachtbronnen op de mijnbouwinstallatie
de in deze paragraaf voorgeschreven communicatiemiddelen, de
noodverlichting en het geluidssignaal, bedoeld in artikel 6.2.12, naar
behoren kunnen blijven functioneren.
3.De normale krachtbron en de
noodkrachtbron zijn elektrisch van elkaar gescheiden of kunnen op een
eenvoudige wijze van elkaar worden gescheiden. Het niet naar behoren
functioneren van de normale krachtbron heeft geen invloed op de
beschikbaarheid van de noodkrachtbron.
Artikel 6.2.15
1.Op een bemande niet-afhankelijke
mijnbouwinstallatie is aanwezig:
a. "List of Coast Stations,
List IV", uitgegeven door de Internationale Unie voor
Telecommunicatie (IUT);
b. "List of Ship Stations,
List V", uitgegeven door de IUT;
c. "List of Call Signs and
Numerical Identities of Stations Used by the Maritime Mobile and
Maritime Mobile-Satellite Services, List VIIA", uitgegeven
door de IUT;
d. International Aeronautical and
Maritime Search and Rescue Manual Volume III (IAMSAR III) en de
lijst van reddingsseinen, bedoeld in artikel 98, eerste lid, van
het Schepenbesluit 1965;
e. het "Handboek algemene
maritieme radiocommunicatie", en f. het "Handboek
beperkte maritieme radiocommunicatie".
2.Indien een mijnbouwinstallatie is
uitgerust met een satellietcommunicatie-inrichting is tevens op een
daarvoor geschikte plaats aanwezig het voor de betrokken inrichting
relevante "INMARSAT Maritime Communications Handbook",
uitgegeven door de Internationale Maritieme Satelliet Organisatie.
3.Indien een mijnbouwinstallatie niet
is uitgerust met een MF-radiotelefonie-inrichting is de aanwezigheid
van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde lijst en het in dat
lid, onderdeel e, genoemde boek niet verplicht.
§ 6.3. Meteorologische en
oceanografische apparatuur
Artikel 6.3.1
1.De apparatuur bedoeld in artikel 52,
derde lid, van het besluit is geschikt voor het waarnemen en
registreren van:
a. horizontaal zicht, in bijzonder
het meteorologische optisch bereik;
b. mate van bewolking en hoogte
wolkenbasis;
c. actueel weer, met inbegrip van
de neerslag;
d. windrichting en -snelheid; e.
temperatuur van de lucht en van het zeewater;
f. relatieve vochtigheid, dan wel
dauwpunttemperatuur;
g. luchtdruk, en
h. hoogte, periode, dan wel
spectrum en richting van de golven.
2.De apparatuur, bedoeld in het eerste
lid, is betrouwbaar, werkt nauwkeurig en is op een geschikte plaats
opgesteld. De apparatuur en opstelling behoeven voor gebruik de
goedkeuring van de directeur van het Koninklijk Nederlands
Meteorologisch Instituut.
3.Met de in het eerste lid genoemde
apparatuur worden op continuebasis waarnemingen verricht, op grond
waarvan tenminste eenmaal per tien minuten een waarneemrapport, met
daarin het tijdstip van waarnemen, wordt opgemaakt. Dit rapport wordt
binnen vijf minuten doorgegeven aan de directeur van het Koninklijk
Nederlands Meteorologisch Instituut met gebruikmaking van een
standaardformaat. Als standaardformaat wordt gebruikt de Manual on
codes/international codes van de World Meteorological Organisation No.
306, dan wel een vergelijkbare, door de directeur goedgekeurde
standaard.
Hoofdstuk 7. Onderzoek naar sterkte
mijnbouwinstallaties en wijze van verwijdering van onder het
oppervlaktewater gelegen mijnbouwinstallaties
Artikel 7.1
Dit hoofdstuk heeft betrekking op
mijnbouwinstallaties die voor de winning of de opslag zijn bestemd.
Artikel 7.2
1.Het onderzoeksprogramma, bedoeld in
artikel 53, eerste en tweede lid, van het besluit bevat een overzicht
van:
a. de onderdelen van de
mijnbouwinstallatie;
b. het jaar waarin die onderdelen
worden onderzocht op technische integriteit, en
c. indien bepaalde onderdelen niet
jaarlijks op technische integriteit worden onderzocht, een
motivering daarvan.
2.Het onderzoeksprogramma is gericht op
de volgende onderdelen:
a. een inspectie van de zeebodem
om:
1°. de mate van uitschuring
ten opzichte van een vast referentiepunt vast te stellen; de
toelaatbare mate van uitschuring dient binnen de grenzen van
de ontwerpcriteria te blijven;
2°. te constateren of er afval
dan wel vreemde voorwerpen op de bodem liggen, die invloed
kunnen uitoefenen dan wel gevaar kunnen opleveren voor de
constructie;
b. een inspectie van de
onderwaterstaalconstructie en daarmee verbonden pijpleidingen om
te constateren dat:
1°. alle constructiedelen
aanwezig zijn en niet beschadigd of gecorrodeerd;
2°. alle pijpleidingen op hun
plaats zitten, op de juiste manier geborgd en niet beschadigd
of gecorrodeerd zijn;
3°. het
corrosiebestrijdingssysteem aanwezig is en in goede staat
verkeert; indien de staat van de pijpleidingborgklemmen niet
afdoende kan worden beoordeeld, worden deze plaatsen eerst
schoongemaakt alvorens zij worden geïnspecteerd;
c. een inspectie om de mate van
onderwater aangroeiing aan de staalconstructie en daarmee
verbonden pijpleidingen vast te stellen. Indien de aangroeiing de
maximale dikte overschrijdt, zoals opgenomen in de oorspronkelijke
ontwerpberekeningen, dient deze aangroeiing te worden verwijderd;
d. een inspectie van verrichte
reparaties of getroffen noodvoorzieningen;
e. een inspectie van de
putgeleidebuizen en de dragende staalconstructie boven water en in
het zogeheten spatgebied alsmede de ondersteuningen van daarmee
verbonden pijpleidingen, corrosiebeschermingssystemen, trappen en
bordessen die zich in de wind- en waterzone bevinden;
f. de mate van de werking van het
corrosiebeschermingssysteem en:
1°. bij onvoldoende werking
van het corrosiebeschermingssysteem worden diktemetingen
uitgevoerd ter vaststelling van de mate van corrosie in de
niet voldoende beschermde gebieden alsmede een onderzoek om de
oorzaak van de corrosie vast te stellen;
2°. indien de mate van
corrosie de in de ontwerpberekeningen opgenomen
corrosietoeslagen overschrijdt, worden maatregelen genomen in
overleg met de ter zake deskundige instelling;
3°. indien aan de primaire
constructiegedeelten of putgeleidebuizen onder en boven water
corrosie is geconstateerd, worden eveneens wanddiktemetingen
verricht alsmede een algemeen onderzoek om de oorzaak van de
corrosie vast te stellen;
g. inspectie en onderzoek van een
aantal kritische lassen van knooppunten, zoals van tevoren in het
vijfjarig inspectieplan is aangegeven, alsmede een onderzoek naar
de materiaaldikte van knooppunten en aansluitende verbindingen.
Artikel 7.3
De uitvoerder doet tenminste acht weken
voor de verwijdering van een geheel onder oppervlaktewater gelegen
mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63 van het besluit mededeling
aan de inspecteur-generaal der mijnen omtrent:
a. het vermoedelijke tijdstip van
verwijdering;
b. de wijze waarop het verwijderen
van de mijnbouwinstallatie en van schroot en ander materiaal als
bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet plaats zal vinden, en
c. de wijze waarop zal worden
aangetoond dat de plaats waarop de mijnbouwinstallatie op de
zeebodem stond vrij van schroot en ander materiaal is.
Hoofdstuk 8. Boorgaten en putten
Afdeling 8.1. Algemeen
Artikel 8.1.1
1.In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
a. put: boorgat dat na aanleg,
inrichting en afwerking in gebruik is genomen;
b. spuitend produceerbare put: een
put waaruit door in de productieve laag of lagen heersende drukken
zonder kunstmatige opvoermethoden kan worden geproduceerd;
c. niet-spuitend produceerbare put:
een put waaruit slechts kan worden geproduceerd met gebruikmaking
van kunstmatige opvoermethoden;
d. spuitkruis (x-mas tree):
bovengrondse afwerking met afsluiters en zijuitlaten, al dan niet
geïntegreerd, die wordt geïnstalleerd nadat het boorgat is
aangelegd;
e. hoofdbedieningsverdeelwerk:
samenstel van opslagvaten, voorraadtank, pompen en verdeel- en
regelkleppen met inbegrip van de leidingen met behulp waarvan de
boorgatbeveiliging wordt bediend;
f. bedieningspaneel: hulpmiddel
voor het op afstand bedienen van het hoofdbedieningsverdeelwerk;
g. compressielichaamafsluiter:
gereedschap waarin zich een elastisch lichaam bevindt, dat zodanig
kan worden vervormd door uitzetting, dat het een boorgat kan
afsluiten, ook waar boorgereedschap aanwezig is;
h. afgehangen verbuizing:
verbuizing die niet geheel doorloopt tot aan het aardoppervlak;
i. mechanische plug: een op afstand
te bedienen constructie die in een boorgat wordt ingelaten tot op
een vooraf bepaalde plaats en, na activering, het boorgat volledig
en duurzaam afdicht;
j. drukhoudende serie der
verbuizing: verbuizing bedoeld om ingesloten drukken uit het
boorgat te beheersen.
2.Voorts wordt in deze afdeling onder
zeebodem mede begrepen: de bodem van oppervlaktewater.
Afdeling 8.2. Werkprogramma's voor
boorgaten en putten alsmede rapportages voor boorgaten
§ 8.2.1. Werkprogramma voor aanleg van
boorgaten
Artikel 8.2.1.1
1.Een werkprogramma voor de aanleg van
een boorgat bevat:
a. voor boorgaten op zee:
1°. de letter- en
nummeraanduiding van het blok waarin het boorgat zal worden
aangelegd;
2°. het nummer en/of naam van
het boorgat:
3°. de plaats van het
aanzetpunt van het boorgat uitgedrukt in geografische
coördinaten, berekend volgens de Europese vereffening;
4°. een opgave van de hoogte
van de boortafel of van een ander, nader aan te geven,
referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde
waterstand als de zeebodem;
b. voor boorgaten op land:
1°. de naam van de gemeente
waarin het boorgat zal worden aangelegd;
2°. de benaming van het
boorgat;
3°. de plaats van het
aanzetpunt daarvan uitgedrukt in het coördinatenstelsel van
de Rijksdriehoeksmeting.
2.Voorts bevat het werkprogramma ten
minste:
a. de precieze locatie waar een
boorgat het voorkomen zal binnendringen en de voorgenomen diepte
van het boorgat;
b. een schematische opgave van:
1°. van de selectiecriteria
waarop de verbuizingsdiepten zijn gekozen inclusief de
veiligheidsmarges tegen ongewenste instroming (kick tolerance);
2°. de geologische formaties,
welke vermoedelijk zullen worden doorboord;
3°. de in het boorgat te
verwachten drukken, voor zover afwijkend van de hydrostatische
drukverdeling, en
4°. elke plaats waar
spoelingverliezen kunnen optreden, waar een plastisch
gesteente is te verwachten dat zich als gevolg van de
formatiedruk kan vervormen en waar koolwaterstofaccumulatie
aanwezig kan zijn;
c. het type van de te gebruiken
boorinstallatie;
d. een beschrijving:
1°. met tekeningen van elke
verbuizingsserie met vermelding van de diameter;
2°. van de soort materiaal,
het gewicht per lengte eenheid, en de diepte waarop het
inbouwen van elk serie wordt voorzien, en
3°. van de voorgenomen
diameter van het boorgat over het boortraject tot elk van de
onder 2° bedoelde diepten;
e. een opgave van de aan te brengen
cementatie van elke verbuizingsserie met vermelding van de
voorgenomen diepte van de top van de annulaire cementkolom;
f. een opgave van de
beproevingsdruk van elke verbuizingsserie;
g. een opgave van de te houden
petrofysische metingen;
h. een opgave van de toe te passen
methodes van formatiesterkte testen;
i. een opgave van de te nemen
kerntrajecten;
j. een opgave van de te gebruiken
boorspoeling alsmede een gedetailleerde toelichting op de gemaakte
keuze;
k. indien een
boorgruisreiningingssysteem zal worden gebruikt: een opgave van
het systeem dat zal worden gebruikt alsmede van de eventueel
daarbij te gebruiken chemicaliën;
l. een situatietekening van het
voorgenomen verloop van het boorgat en een opgave van de met
betrekking tot het verloop van het boorgat toe te passen
meettechniek;
m. indien het boorgat op zodanige
plaats nabij een of meer, al dan niet buiten gebruik gestelde,
bestaande boorgaten zal worden aangelegd dat gevaar voor het
boorgat of een ander reeds bestaand boorgat niet is uitgesloten:
een aanduiding van de plaats van die bestaande boorgaten en het
verloop ervan op de onder 1 bedoelde tekening;
n. een beschrijving van de ten
behoeve van elke verbuizingsserie te gebruiken
beveiligingsinstallatie, met vermelding van:
1°. het type van elk onderdeel
waaruit de installatie bestaat, en
2°. de maximale druk die elk
onderdeel kan weerstaan en die waarop elk onderdeel wordt
getest;
o. indien het boorgat wordt getest
een beschrijving van:
1°. de te volgen werkwijze;
2°. de inrichting van het
boorgat, en
3°. de daarmee samenhangende
bovengrondse uitrusting;
p. een opgave van de te gebruiken
technische hulp- en andere beveiligingsinstallaties en van de
tijdstippen waarop deze worden opgesteld, en
q. een beschrijving met tekening
van de voorgenomen afwerking van het boorgat.
Artikel 8.2.1.2
1.Het werkprogramma voor de aanleg van
een boorgat is tenminste vier weken voor de aanvang van de betrokken
werkzaamheden in het bezit van de inspecteur-generaal der mijnen.
2.Ingrijpende wijzigingen worden in een
werkprogramma niet aangebracht dan nadat hiervan schriftelijk
mededeling is gedaan aan de inspecteur-generaal der mijnen.
3.Indien onvoorziene omstandigheden
verhinderen dat de voorafgaande schriftelijke mededeling tijdig wordt
gegeven, wordt de inspecteur-generaal der mijnen van de wijziging
onmiddellijk telefonisch of anderszins in kennis gesteld, welke
kennisgeving onmiddellijk schriftelijk wordt bevestigd.
§ 8.2.2
Artikel 8.2.2.1
1.Een dagrapport van het verloop van
elk boorgat wordt tijdens werkdagen uiterlijk om 10.00 uur volgend op
de dag waarop het rapport betrekking heeft ter kennis van de
inspecteur-generaal der mijnen gebracht.
2.Het dagrapport bevat de gegevens,
aangegeven in bijlage 11, en is in overeenstemming met die bijlage
ingericht.
Artikel 8.2.2.2
Het eindrapport over de aanleg, reparatie
en buitengebruikstelling van een boorgat bevat de gegevens, aangegeven
in bijlage 12, en is in overeenstemming met die bijlage ingericht.
§ 8.2.3. Werkprogramma voor reparatie
van putten
Artikel 8.2.3.1
1.Een werkprogramma voor de reparatie
van een put bevat:
a. voor putten op zee:
1°. de letter en
nummeraanduiding van het blok waarbinnen de te repareren put
zich bevindt;
2°. het nummer en/of naam van
de put;
3°. de plaats van het
aanzetpunt van de put uitgedrukt in geografische coördinaten,
berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening en
4°. een opgave van de hoogte
van de boortafel of van een ander, nader aan te geven
referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde
waterstand als de zeebodem;
b. voor putten op land:
1°. de naam van de gemeente
waarbinnen de te repareren put zich bevindt;
2°. de benaming van de put;
3°. De plaats van het
aanzetpunt van de put uitgedrukt in het coördinatenstelsel
van de Rijksdriehoeksmeting en
4°. een opgave van de hoogte
van zowel het maaiveld als de boortafel of een ander, nader
aan te geven referentiepunt, een en ander in meters ten
opzichte van N.A.P.
2.Voorts bevat het werkprogramma ten
minste:
a. de reden van de reparatie
alsmede een kort overzicht van het gedrag van en problemen met de
put sinds de aanleg of, indien deze eerder is gerepareerd, de
laatste reparatie;
b. de datum van de oorspronkelijke
afwerking of van de laatste reparatie;
c. een schets van de deviatie,
indien van toepassing;
d. een opgave van het
referentievlak van waaruit de dieptematen worden opgegeven;
e. een beschrijving met tekeningen
van:
1°. de productieverbuizing met
specificaties;
2°. de cementatiediepte, en
3°. de diepte van de top van
de annulaire cementkolommen;
f. een beschrijving met tekeningen
van de afwerking boven of onder oppervlaktewater, inclusief
specificaties van het spuitkruis;
g. een beschrijving van de
ondergrondse afwerking van de put;
h. de verwachte maximale ingesloten
bovengrondse druk en de drukken in de diverse annulaire ruimtes;
i. de formatiedruk en de
referentiediepte;
j. de ondergrondse en bovengrondse
temperatuur van de put;
k. de inhoud van de opvoerserie en
van de annulaire ruimten;
l. het productiemechanisme;
m. de maximale productiecapaciteit
(open flow potential);
n. de naam of typeaanduiding van de
installatie waarmee de putreparatie wordt uitgevoerd alsmede de
naam van de drilling contractor;
o. een beschrijving van de te
gebruiken beveiligingsinstallatie voor de afsluiting van de put in
de diverse fasen;
p. een chronologisch overzicht van
de voorgenomen opeenvolgende reparatiewerkzaamheden, waarbij
zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met van tevoren aangenomen
alternatieve mogelijkheden voorzien van in het bijzonder een
toelichting op uit veiligheidsoverwegingen of anderszins kritische
operaties;
q. gezien de ligging van de te
repareren put en voor zover van toepassing: de methode waarop
putten in de nabijheid worden veiliggesteld;
r. een opgave van de afwerking van
de put na de reparatie, en
s. de geschatte tijdsduur van de
reparatie.
Artikel 8.2.3.2
1.Het werkprogramma voor de reparatie
van een put is tenminste twee weken vóór de aanvang van de betrokken
werkzaamheden in het bezit van de inspecteur-generaal der mijnen.
2.Artikel 8.2.1.2, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.2.3.3
Deze paragraaf is van overeenkomstige
toepassing op boorgaten.
§ 8.2.4. Werkprogramma voor buiten
gebruik stellen van putten
Artikel 8.2.4.1
1.Een werkprogramma voor het buiten
gebruik stellen van een put bevat:
a. voor putten op zee:
1°. de letter- en
nummeraanduiding van het blok waarbinnen de buiten gebruik te
stellen put zich bevindt;
2°. het nummer en/of naam van
de put;
3°. De plaats van het
aanzetpunt van de put uitgedrukt in geografische coördinaten,
berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening
4°. een opgave van de hoogte
van de boortafel of van een ander nader aan te geven
referentiepunt in meters ten opzichte van zowel de gemiddelde
waterstand als de zeebodem;
b. voor putten op land:
1°. de naam van de gemeente
waarbinnen de buiten gebruik te stellen put zich bevindt;
2°. de benaming van de put;
3°. de plaats van het
aanzetpunt van de put daarvan uitgedrukt in het
coördinatenstelsel van de Rijksdriehoeksmeting en
4°. een opgave van de hoogte
van zowel het maaiveld als de boortafel of een ander, nader
aan te geven referentiepunt, een en ander in meters ten
opzichte van N.A.P.
2.Voorts bevat het werkprogramma ten
minste:
a. de reden voor het buiten gebruik
stellen van de put;
b. de datum van de oorspronkelijke
afwerking of, indien de put eerder is gerepareerd, de laatste
reparatie;
c. een schets van de deviatie,
indien van toepassing;
d. een opgave van het
referentievlak van waaruit de dieptematen worden opgegeven;
e. een beschrijving met tekeningen
van:
1°. verbuizingen;
2°. de cementatiedieptes, en
3°. de dieptes van de top van
de annulaire cementkolommen;
f. de diepte waarop de put is
afgewerkt en de diepte van het geperforeerde deel van de
productieverbuizing;
g. een beschrijving van de
afwerking van de put boven of onder oppervlaktewater, inclusief
specificaties van het spuitkruis;
h. een beschrijving van de
ondergrondse afwerking van de put;
i. de verwachte maximale ingesloten
bovengrondse druk en de annulaire drukken;
j. de formatiedruk en de
referentiediepte;
k. de ondergrondse en bovengrondse
temperatuur van de put;
l. de inhoud van de opvoerserie en
van de annulaire ruimten;
m. de naam of typeaanduiding van de
installatie waarmee de put buiten gebruik wordt gesteld alsmede de
naam van de drilling contractor;
n. een beschrijving van de te
gebruiken beveiligingsinstallatie voor de afsluiting van de put;
o. een chronologisch overzicht van
de opeenvolgende werkzaamheden, waarbij zoveel mogelijk rekening
wordt gehouden met van tevoren aangenomen alternatieve
mogelijkheden voorzien van in het bijzonder een toelichting op uit
veiligheidsoverwegingen of anderszins kritische operaties;
p. gezien de ligging van de buiten
gebruik te stellen put en voor zover van toepassing: de methode
waarop putten in de nabijheid worden veiliggesteld;
q. een beschrijving met tekeningen
van de afwerking van de put na het buitengebruik stellen, en
r. de geschatte tijdsduur van het
buiten gebruik stellen.
Artikel 8.2.4.2
1.Het werkprogramma voor het
buitengebruik stellen van een put is tenminste vier weken vóór de
aanvang van de betrokken werkzaamheden in het bezit van de
inspecteur-generaal der mijnen.
2.Artikel 8.2.1.2, tweede en derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.2.4.3
Deze paragraaf is van overeenkomstige
toepassing op boorgaten.
Afdeling 8.3. Regels bij aanleg van
boorgaten alsmede gebruik en reparatie van putten
§ 8.3.1. Beveiligingen bij aanleg van
boorgaten
Artikel 8.3.1.1
Deze afdeling is niet van toepassing op
boorgaten waarmee wordt beoogd de aanwezigheid van zout aan te tonen dan
wel te winnen, mits de uitvoerder in het document, bedoeld in artikel
37, tweede lid, van het besluit, heeft aangetoond dat er geen gevaar
bestaat voor schadelijke uitstroming van ondergrondse gassen of
vloeistoffen.
Artikel 8.3.1.2
1.Gedurende de boorwerkzaamheden die
voorafgaan aan het inbouwen en cementeren van de eerste drukhoudende
serie der verbuizing worden voorzieningen getroffen voor het direct en
met zo gering mogelijke belemmering afvoeren van vrijkomend gas of
vrijkomende vloeistof, afkomstig uit een formatie met gas of vloeistof
onder een hogere druk dan de boorvloeistofkolom.
2.De voorzieningen, bedoeld in het
eerste lid, bestaan uit:
a. een afsluiter die het boorgat
kan afsluiten rondom het boorgereedschap dat zich in het boorgat
bevindt, en
b. een spoelstuk met een inwendige
diameter die tenminste gelijk is aan de in onderdeel a bedoelde
afsluiter en tenminste is voorzien van één zijuitlaat met een
afsluiter waarvan de bediening gekoppeld is aan de in onderdeel a
bedoelde afsluiter, maar waarvan de werking tegengesteld is aan
die van deze afsluiter.
3.De voor deze voorzieningen benodigde
afvoerleidingen hebben een inwendige diameter van ten minste 250 mm en
worden met een zo gering mogelijk aantal bochten geïnstalleerd. Op de
plaats van de bochten worden inwendige voorzieningen aangebracht die
het eroderen van de leidingen zoveel mogelijk voorkomen.
4.Het hulpmiddel voor de besturing van
de voorzieningen wordt op een voor de boormeester goed bereikbare
plaats opgesteld.
5.Het eerste tot en met vierde lid is
niet van toepassing indien de uitvoerder in het document, bedoeld in
artikel 37, tweede lid, van het besluit heeft aangetoond dat bij de
boorwerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, geen gevaar bestaat voor
schadelijke uitstroming van onderaardse gassen of vloeistoffen.
Artikel 8.3.1.3
1.Het boorgat wordt na het inbouwen en
cementeren van de eerste drukhoudende serie der verhuizing voorzien
van een beveiligingsinstallatie waarmee het boorgat onder alle
omstandigheden kan worden afgesloten.
2.De in het eerste lid bedoelde
beveiligingsinstallatie is opgebouwd uit:
a. boorgatafsluiters;
b. een hoofdbedieningsverdeelwerk;
c. twee bedieningspanelen;
d. een smoorverdeelstuk;
e. leidingen tussen de hiervoor
genoemde onderdelen, en
f. boorgereedschapafsluiters.
3.De beveiligingsinstallatie, met
uitzondering van het bedieningsgedeelte en de in artikel 8.3.1.4,
eerste lid, onderdeel a, bedoelde compressielichaamafsluiter, kan te
allen tijde tenminste de aan de bovenzijde van het boorgat te
verwachten maximale druk weerstaan.
4.Indien enig vermoeden bestaat dat er
zwavelwaterstofhoudend gas aanwezig is, is de beveiligingsinstallatie
bestand tegen blootstelling aan zwavelwaterstofhoudend gas.
Artikel 8.3.1.4
1.De in artikel 8.3.1.3, eerste lid,
bedoelde beveiligingsinstallatie bevat in ieder geval de volgende
boorgatafsluiters:
a. een compressielichaamafsluiter;
b. een schuifafsluiter die een
boorgat kan afsluiten rondom het boorgereedschap dat zich in het
boorgat bevindt, en
c. een schuifafsluiter die een
boorgat kan afsluiten waarin zich geen boorgereedschap bevindt.
2.Na het inbouwen en cementeren van de
tweede drukhoudende serie der verbuizing wordt, voordat de
boorwerkzaamheden worden hervat, de beveiligingsinstallatie uitgebreid
met:
a. een tweede schuifafsluiter als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
b. een voorziening ten behoeve van
de schuifafsluiter, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, om
boorgereedschap dat zich in het boorgat ter hoogte van deze
afsluiter bevindt, door te snijden.
3.De in het eerste lid, onderdeel a,
bedoelde afsluiter is geschikt voor het inlaten van boorgereedschap,
wanneer in het bovenste gedeelte van het boorgat een hogere dan
atmosferische druk heerst.
4.De in het eerste lid, onderdelen a, b
en c, bedoelde afsluiters kunnen met behulp van een afstandsbediening
worden gesloten en geopend.
5.De in het eerste lid, onderdelen b en
c, bedoelde afsluiters kunnen worden geborgd tegen onbedoeld openen.
6.De minister kan ontheffing verlenen
van het eerste lid.
Artikel 8.3.1.5
1.Het hoofdbedieningsverdeelwerk:
a. wordt opgesteld op een goed
bereikbare plaats gelegen buiten de boorvloer;
b. bevat een zodanige hoeveelheid
bedieningsvloeistof dat met uitgeschakelde pompen en onder
heersende atmosferische condities alle in artikel 8.3.1.4, eerste
lid, onderdelen a, b en c, bedoelde afsluiters gesloten en geopend
kunnen worden en vervolgens de afsluiter, bedoeld in artikel
8.3.1.4, eerste lid, onderdeel a, en, onderdelen b of c, nogmaals
onder heersende atmosferische condities gesloten kunnen worden, en
c. wordt zo ingericht en
onderhouden dat te allen tijde een zodanige hoeveelheid elektrisch
vermogen, luchtdruk en bedieningsvloeistof aanwezig is dat het
boorgat kan worden afgesloten.
2.De minister kan ontheffing verlenen
van het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 8.3.1.6
1.Een van de in artikel 8.3.1.3, tweede
lid, bedoelde bedieningspanelen wordt opgesteld op de boorvloer op een
voor de boormeester goed bereikbare plaats.
2.Het tweede bedieningspaneel wordt
opgesteld op een plaats die ook tijdens calamiteiten voor een ieder
goed bereikbaar is.
3.Met behulp van de in het eerste en
tweede lid bedoelde bedieningspanelen kunnen de in artikel 8.3.1.4,
eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde boorgatafsluiters worden
bediend.
4.Het bedieningspaneel, bedoeld in het
eerste lid, is voorzien van visuele indicatoren die aangeven in welke
stand de bijbehorende verdeelklep in het hoofdbedieningsverdeelwerk
staat.
5.Het vierde lid geldt niet, indien het
hoofdbedieningsverdeelwerk op de boorvloer is opgesteld op een voor de
boormeester goed bereikbare plaats.
Artikel 8.3.1.7
1.Het smoorverdeelstuk is goed
bereikbaar.
2.Het smoorverdeelstuk is voorzien van
tenminste twee verstelbare knijpstukken:
a. welke, wanneer het verdeelstuk
in werking is, zonder gevaar afzonderlijk kunnen worden
verwisseld, en
b. waarvan tenminste een op afstand
kan worden versteld.
Artikel 8.3.1.8
1.De van het hoofdbedieningsverdeelwerk
deel uitmakende leidingen naar de boorgatafsluiters zijn zo flexibel
dat beschadiging door het bewegen van de boorinstallatie niet
plaatsvindt.
2.De in het eerste lid bedoelde
leidingen kunnen te allen tijde de maximale druk weerstaan die in het
hoofdbedieningsverdeelwerk kan optreden.
3.Het smoorverdeelstuk en de hiermee
verbonden aan- en afvoerleidingen zijn zo verankerd dat krachten
tengevolge van het aan- en afvoeren van gassen of vloeistoffen kunnen
worden opgenomen zonder schade te veroorzaken aan het verdeelstuk of
aan de aan- of afvoerleidingen.
4.De leidingen van de
beveiligingsinstallatie en de erbij behorende afsluiters voor en
direct achter de smoorverdeelstukken kunnen tenminste dezelfde
werkdruk weerstaan als de in artikel 8.3.1.4, eerste lid, onderdelen b
en c, bedoelde boorgatafsluiters.
Artikel 8.3.1.9
1.Het in de boortafel afgehangen
boorgereedschap kan worden afgesloten met behulp van een
afsluitmechanisme, dat op de boorvloer aanwezig is op een zodanige
plaats dat dit onmiddellijk in of op het boorgereedschap kan worden
geplaatst.
2.Het aandrijvend gedeelte van het
boorgereedschap is voorzien van twee afsluiters om hol boorgereedschap
inwendig af te kunnen sluiten.
3.Indien gebruik gemaakt wordt van een
meeneemstang als aandrijvend gedeelte, wordt van de in het tweede lid
bedoelde afsluiters één boven en één onder de meeneemstang
aangebracht. Indien van een ander aandrijvend gedeelte gebruik wordt
gemaakt, is tenminste een van die afsluiters op afstand te bedienen.
Artikel 8.3.1.10
De annulaire ruimte tussen de laatst
geplaatste drukhoudende serie der verbuizing en het zich hierin
bevindende boorgereedschap is voorzien van tenminste twee zijuitlaten,
elk met twee afsluiters die afzonderlijk kunnen functioneren met een
zodanige doorlaat van tenminste 50 mm nominaal, dat de te verwachten
hoeveelheid vloeistof of gas goed kan worden afgevoerd.
Artikel 8.3.1.11
1.De beveiligingsinstallatie is zo
ingericht, dat vloeistoffen ook op een andere wijze dan via het
boorgereedschap in het boorgat kunnen worden gepompt, terwijl
gelijktijdig gas of vloeistof via het smoorverdeelstuk afgevoerd kan
worden.
2.In elke leiding voor het inpompen van
vloeistof in het boorgat en voor het afvoeren van gas of vloeistof
zijn zo dicht mogelijk bij de boorgatafsluiters twee afsluiters
geplaatst. Ten minste een van die afsluiters kan met behulp van het in
artikel 8.3.1.6, eerste lid, bedoelde bedieningspaneel worden bediend.
3.De leiding voor het inpompen van
vloeistof in het boorgat is voorzien van een terugslagklep.
4.De leiding voor het afvoeren van gas
of vloeistof heeft een doorlaat van tenminste 75 mm nominaal.
5.Andere openingen van de
boorgatafsluiters dan die waarop een leiding als bedoeld in het tweede
lid is aangesloten, worden afgesloten met behulp van:
a. twee afsluiters;
b. een geheel gesloten plaat, of
c. een afsluitplug.
§ 8.3.2. Testen van boorgat- en
schuifafsluiters
Artikel 8.3.2.1
Bij een persproef tot de maximale druk
die zich naar berekening in de serie der verbuizing kan voordoen,
treedt, na het stilzetten van de perspompen en na de stabilisatie van de
druk, geen lekkage op gedurende een periode van ten minste:
a. 10 minuten, indien het volume dat
wordt beproefd 3 m3 of minder bedraagt, of
b. 20 minuten, indien het volume dat
wordt beproefd groter is dan 3 m3.
Artikel 8.3.2.2
1.De aangesloten boorgatafsluiters,
smoorverdeelstukken en leidingen worden op een goede afsluitende
werking getest met behulp van een persproef:
a. tenminste eenmaal per drie weken
gedurende vijf minuten op 2,5 MPa en aansluitend gedurende de
periode, genoemd in artikel 8.3.2.1, onderdelen a of b, op
tenminste 50% van de te verwachten maximale druk die aan de
bovenzijde van het boorgat onder de meest ongunstige condities kan
optreden, en
b. gedurende vijf minuten op 2,5
MPa en aansluitend gedurende de periode, genoemd in artikel
8.3.2.1, onderdelen a of b, op de te verwachten maximale druk die
aan de bovenzijde van het boorgat onder de meest ongunstige
condities kan optreden:
1°. binnen een week voor het
mogelijk aanboren van een formatie waarvan verwacht kan worden
dat deze productief is, en overigens
2°. tenminste eenmaal per zes
weken.
2.Indien aan de beveiligingsinstallatie
reparatiewerkzaamheden zijn verricht of wijzigingen zijn aangebracht,
worden de betrokken gedeelten van de installatie en de delen die
direct daarmee in verbinding staan getest overeenkomstig het eerste
lid.
3.Voor de test van de
compressielichaamafsluiter met daarin het boorgereedschap met de
kleinste in gebruik zijnde diameter is de testdruk in alle gevallen
ten hoogste 70% van de maximaal toelaatbare werkdruk.
4.De minister kan ontheffing verlenen
van het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 8.3.2.3
1.Alle schuifafsluiters worden
wekelijks op hun mechanische werking getest.
2.De aanwezigheid van voldoende
bedieningsvloeistof wordt eenmaal per week onder werkdruk getest voor
de in gebruik zijnde boorgatafsluiters.
3.Tenminste eenmaal per vier weken
worden, met de bedieningsvloeistof onder maximaal gereduceerde druk,
de in gebruik zijnde schuifafsluiters getest op hun functioneren.
4.Direct nadat werkzaamheden aan het
bedieningsgedeelte van de beveiligingsinstallatie hebben
plaatsgevonden, worden de van toepassing zijnde testen, bedoeld in het
eerste, tweede en derde lid, voor dat gedeelte en de delen die direct
daarmee in verbinding staan herhaald onder de werkdruk, bedoeld in
artikel 8.3.1.8, tweede lid.
5.De test, bedoeld in het eerste lid,
vindt plaats door afwisselend elk van de bedieningspanelen te
gebruiken.
Artikel 8.3.2.4
1.De boorgatafsluiters worden gedurende
de periode, genoemd in artikel 8.3.2.1, onderdelen a of b, tot de
maximaal toelaatbare werkdruk getest met behulp van een persproef:
a. voor het in gebruik nemen;
b. direct na het verstrijken van
dertien weken waarin de boorgatafsluiters operationeel zijn, en
c. vervolgens telkens direct na het
verstrijken van zesentwintig weken na de laatst uitgevoerde test.
2.Voor de test van de
compressielichaamafsluiter met daarin het boorgereedschap met de
kleinste in gebruik zijnde diameter is de testdruk in alle gevallen
ten hoogste 70% van de maximaal toelaatbare werkdruk.
Artikel 8.3.2.5
1.De resultaten van de in de artikelen
8.3.2.2 en 8.3.2.4 bedoelde testen worden schriftelijk vastgelegd.
2.Van de in artikel 8.3.2.3 genoemde
testen worden de gegevens schriftelijk vastgelegd met gebruikmaking
van een formulier, waarvan een model is opgenomen in bijlage 13.
Artikel 8.3.2.6
1.De boorgatafsluiters worden tenminste
eenmaal per twaalf gebruiksmaanden of tenminste eenmaal per
vierentwintig maanden geïnspecteerd en gecontroleerd met inachtneming
van de voorschriften van de fabrikant.
2.Alle delen van een
beveiligingsinstallatie worden tenminste eenmaal per vijf jaar
gereviseerd conform de aanwijzingen van de fabrikant.
3.Een beschrijving van de in het eerste
en tweede lid bedoelde werkzaamheden wordt in een schriftelijk rapport
vastgelegd.
4.De in het eerste lid bedoelde
voorschriften en de in het derde lid bedoelde rapporten worden op het
boorwerk respectievelijk de mijnbouwinstallatie ter inzage van de
inspecteur-generaal der mijnen gelegd. Deze voorschriften en rapporten
worden daartoe tenminste zes jaar bewaard.
§ 8.3.3 Periodieke
beveiligingsoefeningen in verband met boorgaten en putten
Artikel 8.3.3.1
1.Wanneer bij een boring of
werkzaamheden aan een produceerbare put de putbeveiligingsinstallatie
is aangebracht, nemen alle direct bij de werkzaamheden aan de put
betrokken personen ten minste eenmaal per week aan een van de onder
artikel 8.3.3.2 genoemde putbeveiligingsoefeningen deel.
2.Van personen als in het eerste lid
bedoeld en van de door hen gehouden putbeveiligingsoefeningen wordt
aantekening gehouden in het dagelijks boorregister.
Artikel 8.3.3.2
1.De oefeningen worden gehouden door
tijdens het werk afwisselend een situatie te simuleren die ten doel
heeft een ongecontroleerde spuiter tijdig te onderkennen alsmede de
juiste handelingen uit te voeren met pijpen in het boorgat.
2.De in het eerste lid bedoelde
oefeningen bestaan ten minste uit:
a. het onderkennen van
drukverschil, toename of verlies van vloeistof in de put;
b. op de juiste hoogte afhangen van
de pijpen in de putbeveiligingsinstallatie;
c. het aanbrengen van een
veiligheidsafsluiter op de pijpen in de put;
d. het observeren van het
vloeistofniveau in de put;
e. het insluiten van de put, en f.
het opnemen van de benodigde tijd.
3.Voor de uitvoering van een
putbeveiligingsoefening is een procedure opgesteld, die bij de put
voorhanden is.
§ 8.3.4. Reparatie van een put
Artikel 8.3.4.1
1.Bij het vervangen van het spuitkruis
(X-mas tree) door de boorgatafsluiters worden de artikelen 8.3.1.3 tot
en met 8.3.2.6, met uitzondering van artikel 8.3.1.6, tweede lid, in
acht genomen, met dien verstande dat, in afwijking van artikel
8.3.1.3, tweede lid, onderdeel c, kan worden volstaan met één
bedieningspaneel.
2.Tijdens het verwijderen en het
terugplaatsen van het spuitkruis is een spuitend producerende put
tenminste drievoudig beveiligd tegen uitstroming en zijn
niet-spuitende, producerende putten tenminste tweevoudig beveiligd.
3.Andere werkzaamheden dan die bedoeld
in het eerste lid worden slechts verricht indien de put onder alle
omstandigheden onder controle kan worden gebracht en gehouden.
4.De minister kan ontheffing verlenen
van het tweede lid.
Afdeling 8.4. Inrichting van putten
Artikel 8.4.1
1.Een spuitend produceerbare put is
voorzien van een op een diepte van ten minste 50 meter onder het
aardoppervlak of de bodem van oppervlaktewater aangebrachte
beveiligingsinstallatie ter voorkoming van het ongecontroleerd spuiten
van de put. Deze beveiligingsinstallatie is van boven het
aardoppervlak of oppervlaktewater bedienbaar.
2.Zodra bediening van de in het
voorgaande lid bedoelde beveiligingsinstallatie niet meer mogelijk is,
wordt de put automatisch ingesloten.
3.De goede werking van de
beveiligingsinstallatie wordt met behulp van periodieke testen
aangetoond. De frequentie van de testen en de resultaten hiervan
worden vastgelegd.
4.De voorziening waarmee de opvoerserie
is afgehangen (tubing hanger) is uitgevoerd met een inwendig profiel
waarin een plug of afsluiter geïnstalleerd kan worden voor het
verkrijgen van een volledige afsluiting van de opvoerserie.
5.De minister kan van het eerste lid
ontheffing verlenen, mits is aangetoond dat op andere wijze tenminste
een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt.
Artikel 8.4.2
1.Van een op het land of boven
oppervlaktewater afgewerkte put zijn alle zijuitlaten van de annulaire
ruimten, die bedoeld zijn voor het inpompen van vloeistoffen of gassen
dan wel voor het afvoeren van vloeistoffen of gassen, voorzien van
twee afsluiters met een diameter van nominaal ten minste 50 mm.
2.De in het eerste lid bedoelde
annulaire ruimten zijn voorzien van tenminste één zijuitlaat. Het
opvoerseriehuis (tubing head housing) is voorzien van tenminste twee
zijuitlaten, elk voorzien van twee afsluiters met een diameter van
nominaal ten minste 50 mm.
3.Indien de in het eerste lid bedoelde
ruimten tussen twee opeenvolgende verbuizingsseries niet in open
verbinding staan met de ondergrond of niet gebruikt worden voor
injectie of winning, kan het betreffende huis zijn voorzien van één
zijuitlaat met één afsluiter met een diameter van nominaal ten
minste 50 mm, met dien verstande dat die afsluiter is voorzien van een
flens en afdichtkraan als aansluiting voor een manometer met
afblaasmogelijkheid. Elke verdere zijuitlaat wordt overeenkomstig de
eerste volzin uitgerust dan wel voorzien van een blinde flens.
4.Afsluiters als bedoeld in het eerste
en derde lid kunnen drukvrij worden gemaakt teneinde te worden
verwisseld.
Artikel 8.4.3
1.Van een onder oppervlaktewater
afgewerkte put staan de ruimten tussen twee opeenvolgende drukhoudende
verbuizingsseries niet in open verbinding met de ondergrond. De eerste
zin is niet van toepassing op de annulaire ruimte van de productie
verbuizingserie, die in open verbinding kan staan met de ondergrond
voor expansie door temperatuurschommelingen tijdens productie. De
productie annulaire ruimte is dan afgedicht bij de afhangconstructie.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde
ruimten zijn afgedicht bij de afhangingsconstructie van de
verbuizingsserie, wordt deze afdichting direct na het installeren op
deugdelijkheid beproefd.
3.De ruimte tussen de opvoerserie(s) en
de opeenvolgende verbuizing is toegankelijk door middel van een
zijuitlaat die ten minste nominaal 50 mm is. Deze zijuitlaat is
voorzien van:
a. ten minste een op afstand
bedienbare afsluiter (bidirectional type) met een diameter van ten
minste nominaal 50 mm, indien een permanente verbinding met andere
faciliteiten voor de winning van delfstoffen aanwezig is, of
b. ten minste twee afsluiters met
een diameter van ten minste nominaal 50 mm.
4.De minister kan ontheffing verlenen
van het eerste en derde lid, mits is aangetoond dat op andere wijze
tenminste een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt.
Artikel 8.4.4
1.Bij producerende, injecterende en
ingesloten putten worden de drukken in de tubing/casing annulus en in
de eerste casing/casing annulus gecontroleerd. De geconstateerde
afwijkingen in het in de eerste volzin bedoelde drukpatroon worden
geregistreerd. Bij een onder oppervlaktewater afgewerkte put is de
tweede volzin niet van toepassing op het controleren en registeren van
de druk in de annulaire ruimte van de productie verbuizingsserie, die
in verbinding staat met de ondergrond en waarbij de annulaire ruimte
is afgedicht bij de afhangconstructie.
2.Ten aanzien van annulaire drukken
wordt op zo kort mogelijke termijn een diagnose gesteld van de oorzaak
van die druk.
3.Indien afwijkingen in annulaire
drukken ontstaan als bedoeld in het eerste lid, wordt de
inspecteur-generaal der mijnen schriftelijk ingelicht onder het
overleggen van een actieprogramma voor het in te stellen onderzoek en
eventueel te nemen maatregelen. In urgente gevallen wordt onmiddellijk
telefonisch melding van die afwijkingen gedaan.
Artikel 8.4.5
1.Het spuitkruis van een spuitend
produceerbare put bestaat ten minste uit:
a. twee hoofdafsluiters waarmee de
put kan worden afgesloten. De bovenste afsluiter is op afstand
bedienbaar, en
b. een afsluiter aan de top van het
spuitkruis met voorziening voor het aansluiten van een manometer
voorzien van afdichtkraan met afblaasmogelijkheid.
2.Indien het spuitkruis onder
oppervlaktewater is gelegen, is het voorzien van:
a. twee hoofdafsluiters waarmee de
put kan worden afgesloten, waarvan de bovenste afsluiter op
afstand bedienbaar is;
b. ten minste een mogelijkheid tot
het aflaten van druk aan de top van het spuitkruis;
c. een spuitarm, voorzien van een
op afstand bedienbare afsluiter, en
d. een injectiearm met een op
afstand bedienbare afsluiter, indien een injectiearm is
aangebracht.
3.Op afstand bedienbare afsluiters
kunnen zonder noemenswaardige vertraging worden geactiveerd.
4.De minister kan ontheffing verlenen
van het tweede lid, mits is aangetoond dat op andere wijze tenminste
een zelfde niveau van veiligheid wordt bereikt.
Artikel 8.4.6
Het spuitkruis en de spuitstukken tot en
met de eerste afsluiter, gelegen na de reduceerklep (smoorstuk) van een
put, zijn berekend op een werkdruk die ten minste gelijk is aan de
maximaal aan de putmond mogelijk optredende druk.
Artikel 8.4.7
Een onder oppervlaktewater gelegen
putafwerking heeft een zodanige constructie dat de putafwerking niet
wordt beschadigd door visserijmateriaal en het visserijmateriaal niet
door de putafwerking.
Artikel 8.4.8
1.Een spuitend produceerbare put wordt
voorzien van een afdichtconstructie die de annulaire ruimte tussen de
verbuizing en de opvoerserie(s) zo diep mogelijk afsluit van de
productieve zone(s). In het eerste lid wordt na ‘de opvoerserie(s)’
ingevoegd: zo diep mogelijk.
2.De afdichting of een pijpstuk onder
deze afdichting wordt zo uitgevoerd dat hierin ter isolatie van de
productieve zone of zones naar het spuitkruis ten minste een plug of
veiligheidsklep aangebracht kan worden.
3.De minister kan ontheffing verlenen
van het eerste en tweede lid.
Artikel 8.4.9
1.In de spuitleiding van een put is een
beveiligingsinstallatie aanwezig die de put bij breuk van de leiding
automatisch afsluit.
2.Bij beschadiging van het spuitkruis
of de spuitleiding van niet-spuitend produceerbare putten wordt de
energietoevoer ten behoeve van het opvoermechanisme automatisch
afgesloten.
3.Bij een niet-spuitende produceerbare
put, waarbij gebruik wordt gemaakt van een gasliftmethode, wordt aan
de putaansluiting een beveiligingsinstallatie aangebracht teneinde bij
breuk van de gasliftinjectieleiding ongecontroleerde gasuitstroming
daaruit te voorkomen.
Artikel 8.4.10
Putten waaruit aardolie wordt
geproduceerd met gebruikmaking van een pompinstallatie zijn zo ingericht
dat vrijkomend gas in de annulaire ruimte tussen de opvoerserie en de
laatste serie der verbuizing zonder gevaar kan worden afgevoerd.
Afdeling 8.5. Het buiten gebruik stellen
van putten en boorgaten
§ 8.5.1. Algemeen
Artikel 8.5.1.1
Deze afdeling is mede van toepassing op
boorgaten.
Artikel 8.5.1.2
1.Voordat een put buiten gebruik wordt
gesteld, is deze gevuld met een vloeistof van een zodanig soortelijk
gewicht dat iedere in de put te verwachten druk kan worden weerstaan
en van een zodanige samenstelling dat corrosie wordt voorkomen en geen
schade kan worden toegebracht aan eventuele delfstofvoorkomens.
2.Elke in de put gebruikte afsluiting
is duurzaam en volledig.
3.Waar in deze paragraaf een
"cementplug" wordt voorgeschreven, kan een ander middel
worden gebruikt, mits dat resulteert in ten minste een gelijkwaardige
afsluiting.
§ 8.5.2. Regels over buiten gebruik
stellen
Artikel 8.5.2.1
1.Elke afsluiting van een put die
buitengebruik wordt gesteld, wordt getest met behulp van:
a. een gewichtstest van ten minste
100 kN (10 250 kg),
b. een beproevingsdruk van ten
minste vijftigmaal 100.000 Pa (vijftig bar) gedurende een tijd van
vijftien minuten, of
c. onderdruk in de put waarbij
geconstateerd wordt dat geen vloeistof of gas vanuit het reservoir
de put instroomt.
2.De afsluiting doorstaat de testen
goed.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op een afsluiting als bedoeld in artikel 8.5.2.7,
tweede lid.
Artikel 8.5.2.2
1.Indien een gedeeltelijk onverbuisde
put buiten gebruik wordt gesteld, wordt in de diepste verbuizingsserie
vanaf de schoen naar de oppervlakte een afsluiting aangebracht die
bestaat uit:
a. een cementplug van ten minste
honderd meter lengte, of
b. een mechanische plug met daarop
een cementplug van vijftig meter lengte.
2.Indien een put buiten gebruik wordt
gesteld waarvan het onverbuisde deel zich in een reservoir bevindt,
wordt dit reservoir met behulp van cementpluggen ter hoogte van of
boven het reservoir volledig afgesloten.
3.Indien het in het tweede lid bedoelde
onverbuisde gedeelte meer dan één reservoir doorsnijdt, worden deze
reservoirs van elkaar geïsoleerd met behulp van cementpluggen. De
lengte van de cementplug is 100 meter of gelijk aan de natuurlijke
afstand tussen de reservoirs.
Artikel 8.5.2.3
1.Indien een put buiten gebruik wordt
gesteld waarvan de verbuizing is geperforeerd, wordt ter hoogte van of
boven het geperforeerde gedeelte een afsluiting aangebracht die
bestaat uit:
a. een cementplug die zich honderd
meter uitstrekt boven het geperforeerde gedeelte;
b. een mechanische plug, geplaatst
zo dicht mogelijk boven het geperforeerde gedeelte, met daarop een
cementplug van vijftig meter lengte, of
c. een mechanische plug, geplaatst
boven het geperforeerde gedeelte, waardoor in de verbuizing een
cementplug van vijftig meter lengte over de gehele lengte van het
geperforeerde deel is geperst met direct op de mechanische plug
een cementplug van vijftig meter lengte.
2.Indien in de verbuizing perforaties
ter hoogte van verschillende reservoirs zijn aangebracht, worden deze
reservoirs van elkaar geïsoleerd met behulp van één van de
afsluitingen, bedoeld in het eerste lid. De cementplug, bedoeld in het
eerste lid, onderdelen a of b, kan in dit geval vijftig meter korter
zijn dan in het eerste lid is aangegeven of even lang zijn als de
natuurlijke afstand tussen de reservoirs.
Artikel 8.5.2.4
Indien een put buiten gebruik wordt
gesteld waarin zich een gecementeerde afgehangen verbuizing bevindt,
wordt ter hoogte van de bovenzijde van deze verbuizing een afsluiting
aangebracht bestaande uit:
a. een cementplug die zich uitstrekt
over ten minste vijftig meter onder de bovenzijde van de afgehangen
verbuizing tot ten minste vijftig meter daarboven;
b. een mechanische plug geplaatst
circa tien meter onder de bovenzijde van de afgehangen verbuizing
met daarop een cementplug van ten minste zestig meter, of
c. twee mechanische pluggen, waarvan
één geplaatst dicht onder de bovenzijde van de afgehangen
verbuizing en de ander dicht boven dit punt.
Artikel 8.5.2.5
1.In elke annulaire ruimte tussen de
series van de verbuizing van een buiten gebruik te stellen put wordt
een afsluiting aangebracht over een lengte van tenminste honderd meter
vanaf de schoen van de daaraan direct voorafgaande verbuizing. In het
in artikel 8.2.4.1 bedoelde werkprogramma wordt aangegeven op welke
wijze wordt vastgesteld dat deze afsluiting afdoende is aangebracht.
2.Indien niet aangetoond kan worden dat
de annulaire ruimte tussen twee series is afgesloten:
a. wordt de kleinste verbuizing die
de annulaire ruimte begrenst, over een zo groot mogelijke lengte
teruggewonnen, met dien verstande dat de afsnijding van deze serie
zo dicht mogelijk boven de schoen van de daaraan direct
voorafgaande verbuizing geschiedt, terwijl het gedeelte dat in de
put achterblijft overeenkomstig artikel 8.5.2.4 wordt afgesloten,
of
b. wordt de verbuizing ter hoogte
van de daaraan direct voorafgaande schoen geperforeerd, in de
annulaire ruimte een cement plug over een lengte van tenminste
honderd meter geplaatst en de afsluiting van de annulaire ruimte
door een drukproef gecontroleerd.
Artikel 8.5.2.6
Indien een buiten gebruik te stellen put
door een reservoir gaat, waarvan de inhoud mogelijk naar het oppervlak
kan stromen, wordt ter hoogte van de annulaire afsluiting, bedoeld in
artikel 8.5.2.5, eerste lid, die zich het dichtst boven het reservoir
bevindt, in zowel de put als alle annulaire ruimten op hetzelfde niveau
een cementplug van ten minste honderd meter aangebracht.
Artikel 8.5.2.7
1.De verbuizing van een buiten gebruik
te stellen put wordt verwijderd:
a. tot ten minste drie meter onder
het maaiveld, of
b. tot ten minste zes meter onder
de zeebodem.
2.In de verbuizing van de buiten
gebruik te stellen put wordt zo dicht mogelijk onder het in het eerste
lid bedoelde punt een afsluiting aangebracht, bestaande uit:
a. een cementplug van ten minste
honderd meter, of
b. een mechanische plug met direct
erop een cementplug van ten minste vijftig meter.
3.De minister kan ontheffing verlenen
van het eerste en tweede lid.
Artikel 8.5.2.8
1.Indien redelijkerwijs het vermoeden
bestaat dat een mechanische plug in contact kan komen met een
corrosief medium of, indien de mechanische plug dient ter afsluiting
van een hogedruk-reservoir als bedoeld in het tweede lid. wordt direct
boven die plug een cementplug over een lengte van ten minste vijftig
meter geplaatst.
2.Als een hogedruk-reservoir wordt
aangemerkt een reservoir waarvan de druk, benodigd om evenwicht te
creëren ten tijde van het buiten gebruik stellen, gelijk is aan of
hoger dan 1,4 maal de hydrostatische druk, gebaseerd op een soortelijk
gewicht van 1,0.
Hoofdstuk 9. Gebruik en lozen van
oliehoudende mengsels en chemicaliën
§ 9.1. Oliehoudende mengsels
Artikel 9.1.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. Ospar-akkoord 2005-15: het
Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het gedispergeerde
oliegehalte van een oliehoudend mengsel;
b. toepassing van Ospar-akkoord
2005-15 ter bepaling van het opgeloste oliegehalte van een
oliehoudend mengsel: bepaling van het opgeloste oliegehalte van een
oliehoudend mengsel, waarbij in het volgens Ospar-akkoord 2005-15
verkregen gaschromatogram de afzonderlijke oppervlakken van de
pieken van benzeen, tolueen, ethylbenzeen en de drie isomeren van
xyleen worden gemeten;
c. gedispergeerde oliegehalte: het
gehalte aan olie, bepaald volgens Ospar-akkoord 2005-15;
d. opgeloste oliegehalte: de som van
de gehalten aan benzeen, tolueen, ethylbenzeen en de drie isomeren
van xyleen, verkregen door de door toepassing van Ospar-akkoord
2005-15 ter bepaling van het opgeloste oliegehalte van een
oliehoudend mengsel gemeten piekoppervlakken te kwantificeren ten
opzichte van een serie van standaardoplossingen van genoemde
aromaten in n-pentaan;
e. totale oliegehalte: de som van het
gedispergeerde en opgeloste oliegehalte van een oliehoudend mengsel;
f. Ospar-verdrag: verdrag inzake de
bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de
Atlantische Oceaan, met bijlagen en aanhangsels (Trb. 1993, 16 en
Trb. 1993, 141).
Artikel 9.1.2
1.Deze paragraaf is van toepassing op
mijnbouwinstallaties die boven het wateroppervlak uitsteken.
2.Deze paragraaf is van toepassing op
de volgende oliehoudende mengsels:
a. oliehoudende mengsels die zijn
vrijgekomen bij de winning, de zuivering van aardolie, het brengen
van aardolie in een opslagtank of het ontzouten van aardolie;
b. oliehoudende mengsels die zijn
vrijgekomen bij de winning of de zuivering van aardgas, en
c. hemel-, schrob- of spoelwater
dat olie in welk gehalte dan ook bevat.
3.De uitvoerder draagt er zorg voor dat
bij lozing van oliehoudende mengsels de daarin aanwezige
gedispergeerde oliegehalten, genoemd in artikel 9.1.5, niet worden
overschreden.
Artikel 9.1.3
1.Het debiet van een oliehoudend
mengsel als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdelen a, b of
c, dat wordt geloosd vanaf een mijnbouwinstallatie, wordt gemeten met
behulp van een debietmeter die de totale hoeveelheid geloosd
oliehoudend mengsel aangeeft met een maximaal toelaatbare fout van
vijf procent in plus of in min. De debietmeter wordt stroomafwaarts
van de laatste olie/waterscheider geplaatst op een plaats waar de
stroming zo homogeen mogelijk is.
2.De minister kan ontheffing verlenen
van het eerste lid.
Artikel 9.1.4
1.Op een bemande mijnbouwinstallatie
wordt per lozingspunt binnen uiterlijk vier uur na het begin van een
lozing van een oliehoudend mengsel een representatief monster van het
mengsel genomen en geanalyseerd. Nadien geschieden monsterneming en
analyse volgens de onderstaande tabel.
|
(a) Per lozingspunt |
Frequentie
monsterneming en analyse |
|
oliehoudende mengsels als bedoeld
in artikel 9.1.2, tweede lid, onder a en b |
|
|
Gedispergeerde olie |
|
|
>= 2000 kilogram gedispergeerde
olie per kalenderjaar |
Om de dag |
|
< 2000 kilogram gedispergeerde
olie per kalenderjaar |
1 maal per week |
| |
|
|
Opgeloste olie |
|
|
>= 2000 kilogram opgeloste olie
per kalenderjaar |
1 maal per week |
|
>= 200, < 2000 kilogram
opgeloste olie per kalenderjaar |
1 maal per kwartaal |
|
< 200 kilogram opgeloste olie
per kalenderjaar |
2 maal per jaar |
| |
|
|
oliehoudende mengsels als bedoeld
in artikel 9.1.2, tweede lid, onder c |
|
|
Gedispergeerde olie |
|
|
>= 2000 kg gedispergeerde olie
per kalenderjaar |
Om de dag |
|
< 2000 kg gedispergeerde olie
per kalenderjaar |
1 maal per week |
| |
|
|
Opgeloste olie |
2 maal per jaar |
2.Op een niet-bemande
mijnbouwinstallatie wordt bij een bezoek van langer dan acht uur van
een lozing van een oliehoudend mengsel een representatief monster
genomen en geanalyseerd. Bij een verblijf op een niet-bemande
mijnbouwinstallatie van vijf etmalen of meer is de tweede volzin van
het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3.Onverminderd het tweede lid wordt
op een niet-bemande mijnbouwinstallatie van een lozing van een
oliehoudend mengsel in ieder geval eens per drie maanden ten minste
één representatief monster genomen en geanalyseerd.
4.Een monster wordt stroomafwaarts
van de laatste olie/waterscheider genomen. Het monster wordt binnen
twaalf uur na het nemen daarvan geanalyseerd indien de analyse op de
mijnbouwinstallatie plaatsvindt en binnen zeven dagen indien de
analyse elders geschiedt.
5.Voor de bepaling van het
gedispergeerde oliegehalte geschiedt de analyse van het monster
volgens Ospar-akkoord 2005-15. Analyse van het gedispergeerde
oliegehalte volgens een alternatieve methode is toegestaan, mits
daarvoor voorafgaande instemming van de minister is verkregen en de
resultaten van de analyse worden gekalibreerd volgens Ospar-akkoord
2006-06.
6.Indien uit analyses van het
gedispergeerde oliegehalte van een monster bij een lozingspunt van
een mijnbouwinstallatie waar per kalenderjaar minder dan 2000
kilogram gedispergeerde olie wordt geloosd en eenmaal per week
monsterneming plaatsvindt blijkt, dat gedurende twee opeenvolgende
kalendermaanden het maandelijks gemiddelde gedispergeerde
oliegehalte 30 milligram per liter of meer is, dient onmiddellijk
nadien monsterneming om de dag en analyse overeenkomstig de tweede
volzin van het vierde lid plaats te vinden. De minister wordt
hiervan terstond mededeling gedaan.
7.Indien uit analyses van het
gedispergeerde oliegehalte van een monster bij een lozingspunt van
een mijnbouwinstallatie waar per kalenderjaar minder dan 2000
kilogram gedispergeerde olie wordt geloosd en waar volgens het zesde
lid om de dag monsterneming plaatsvindt, blijkt dat gedurende twee
opeenvolgende kalendermaanden het maandelijks gemiddelde
gedispergeerde oliegehalte minder dan 30 milligram per liter is, kan
worden volstaan met monsterneming en analyse van eenmaal per week.
De minister wordt hiervan terstond mededeling gedaan.
8.Voor de bepaling van het opgeloste
oliegehalte geschiedt de analyse van het monster door toepassing van
Ospar-akkoord 2005-15 ter bepaling van het opgeloste oliegehalte van
een oliehoudend mengsel. Analyse van het opgeloste oliegehalte
volgens een alternatieve methode, daaronder mede begrepen een
methode van kalibreren, is toegestaan, mits daarvoor voorafgaande
instemming van de minister is verkregen en de resultaten van de
analyse worden gekalibreerd volgens de opgegeven methode.
9.In afwijking van het eerste lid
wordt op een bemande mijnbouwinstallatie waarvan de gegevens,
bedoeld in artikel 9.1.6, een periode beslaan van minder dan drie
aaneengesloten kalendermaanden per lozingspunt binnen uiterlijk vier
uur na het begin van een lozing van een oliehoudend mengsel een
representatief monster van het mengsel genomen en geanalyseerd en
vervolgens om de dag totdat de periode van drie kalendermaanden is
gecompleteerd. Nadien is de tweede volzin van het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 9.1.5
1.Het in artikel 80, eerste lid, van
het besluit bedoelde verbod geldt niet ten aanzien van een oliehoudend
mengsel:
a. waarvan het gedispergeerde
oliegehalte niet meer bedraagt dan 100 milligram olie per liter en
het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte niet meer
dan 30 milligram olie per liter, of
b. voor zover het het opgeloste
oliegehalte van het mengsel betreft.
2.Het eerste lid, onderdeel a, geldt
voor elk van de in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdelen a, b en c,
bedoelde oliehoudende mengsels afzonderlijk. De minister kan
ontheffing verlenen van de eerste volzin.
3.Het is verboden een oliehoudend
mengsel als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid, onderdeel a, te
verdunnen om te kunnen voldoen aan het gestelde in het eerste lid,
onderdeel a, van dit artikel.
4.In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, is het lozen van een oliehoudend mengsel als bedoeld in
artikel 9.1.2, tweede lid, onderdelen a en b, met een gedispergeerde
oliegehalte van meer dan 100 milligram olie per liter gedurende vier
uur toegestaan na het starten van de produktie na een onderbreking,
mits de te lozen hoeveelheid olie zoveel mogelijk wordt beperkt. Bij
de bepaling van het maandelijks gemiddelde gedispergeerde oliegehalte
van een oliehoudend mengsel wordt het gedispergeerde oliegehalte van
een monster dat genomen is binnen vier uur na het starten van de
produktie niet meegerekend.
Artikel 9.1.6
1.Een register wordt bijgehouden over
de lozingen van oliehoudende mengsels.
2.Het in het eerste lid bedoelde
register is aanwezig op:
a. iedere bemande
mijnbouwinstallatie en
b. de mijnbouwinstallatie vanaf
welke leiding wordt gegeven aan de werkzaamheden in geval van een
niet-bemande mijnbouwinstallatie.
3.Het in het eerste lid bedoelde
register bevat de gegevens per maand en per dag, aangegeven in bijlage
14 bij deze regeling.
4.Een afschrift van het in het eerste
lid bedoelde register wordt schriftelijk of elektronisch voor 1 maart
van het jaar, volgend op het kalenderjaar waarop het register
betrekking heeft, aan de inspecteur-generaal der mijnen toegezonden.
Artikel 9.1.7
1.De in artikel 82, tweede lid, van het
besluit bedoelde mededeling wordt onverwijld telefonisch aan de
inspecteur-generaal der mijnen en de Kustwacht gedaan en binnen 24 uur
per telefax bevestigd door invulling van het "Pollution
Observation Report on Polluters and Combatible Spills", zoals
opgenomen in het "Bonn Agreement Counter Pollution Manual",
hoofdstuk IV, annex 2, 4 oktober 1993.
2.Op een daartoe strekkend verzoek van
de inspecteur-generaal der mijnen wordt hem binnen twee weken een
rapport toegezonden dat een samenhangend overzicht geeft van alle
feiten die hebben bijgedragen tot het voorval.
§ 9.2. Gebruik en lozing van
chemicaliën
Artikel 9.2.1
In de paragrafen 9.2 en 9.3 wordt
verstaan onder:
a. ASTM: American Society for Testing
and Materials;
b. BCF: bioconcentratie factor,
bepaald volgens OECD 305 of ASTM E 1022;
c. boorgruis: mengsel van vaste
materialen, vrijgekomen tijdens het aanleggen van het boorgat, dat
boorvloeistof in welk gehalte dan ook bevat;
d. boorvloeistof: vloeistof voor het
aanleggen van een boorgat, waaraan stoffen of preparaten in welk
gehalte dan ook zijn toegevoegd;
e. CHARM-model: het model ter
beoordeling van chemische gevaren en risico's, als bedoeld in
Ospar-besluit 2000/2;
f. chemicaliën: stoffen of
preparaten die opzettelijk worden gebruikt bij de opsporing en
winning van delfstoffen op zee, zoals in elk geval genoemd in
Ospar-akkoord 2002-6;
g. dieselolie: minerale oliën met
een vlampunt kleiner dan 100 graden Celcius, waarvan het gehalte aan
monocyclische aromaten meer is dan 0,5% per gewichtseenheid en
waarvan het gehalte van polycyclische aromaten meer dan 1 milligram
per kilogram bedraagt;
h. EC50: de concentratie van een
teststof, die resulteert in een 50% respons wat betreft het effect,
gemeten door de test, binnen een gedefinieerde blootstellingsperiode;
i. HOCNF-formulier: geharmoniseerd
notificatie-formulier als bedoeld in Ospar-aanbeveling 2000/5;
j. LC50: de mediane letale
concentratie;
k. OECD: Organisation for Economic
Co-operation and Development;
l. OBF-vloeistoffen: laag aromatische
en paraffineachtige oliën alsmede vloeistoffen op basis van
minerale oliën, die noch synthetisch zijn, noch van een categorie
waarvan het gebruik anderszins is verboden;
m. OPF-vloeistoffen: organische
boorvloeistoffen, welke bestaan uit een emulsie van water en andere
toevoegingen, waarin de continue fase bestaat uit een niet met water
vermengbare organische vloeistof van dierlijke, plantaardige of
minerale oorsprong;
n. Osparverdrag: het verdrag, bedoeld
in artikel 9.1.1, onderdeel d;
o. PEC/PNEC-verhouding: de generieke
verhouding tussen de verwachte concentratie in het mariene milieu en
de concentratie zonder verwachte effecten van chemicaliën, berekend
volgens het CHARM-model, uitgaande van standaardlozingen;
p. Plonor-lijst: lijst van stoffen,
genoemd in Ospar-akkoord 2004-10, die worden gebruikt en geloosd bij
mijnbouwactiviteiten op zee en die aangemerkt worden als geen of
geringe schade toebrengend aan het milieu;
q. pow: de verdelingscoëfficiënt
van een stof tussen N-octanol en water, gemeten of berekend volgens
het HOCNF-formulier;
r. synthetische vloeistof: een
organische vloeistof die is ontstaan bij de synthese van oliën van
dierlijke, plantaardige of minerale oorsprong.
Artikel 9.2.2
Deze paragraaf is van toepassing op het
gebruik en de lozing van chemicaliën op mijnbouwinstallaties met in
begrip van pijpleidingen als bedoeld in artikel 92, onder a, van het
besluit op zee.
Artikel 9.2.2a
De uitvoerder draagt er zorg voor dat het
gebruik of de lozing van chemicaliën als bedoeld in paragraaf 9.2
beperkt blijft tot hetgeen strikt noodzakelijk is bij
mijnbouwactiviteiten op zee.
Artikel 9.2.2b
De Minister neemt een aanvraag om
ontheffing en een melding als bedoeld in deze paragraaf slechts in
behandeling wanneer de chemicaliën waarvoor de ontheffing wordt
gevraagd respectievelijk waarvan melding wordt gemaakt zijn
geregistreerd overeenkomstig paragraaf 9.3.
Artikel 9.2.3
1.Het gebruik van de volgende
chemicaliën is verboden:
a. boorvloeistof die op dieselolie
is gebaseerd, en
b. OPF-vloeistof, indien de
OPF-vloeistof wordt gebruikt in het gedeelte van een boorgat met
een doorsnede van meer dan 12¼ inch (= 298,9 mm).
2.De minister kan op aanvraag van de
uitvoerder ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in het eerste
lid, onderdeel b, indien:
a. dat noodzakelijk is vanwege
veiligheid of geologische omstandigheden, en
b. de uitvoerder aantoont dat de
beginselen zijn toegepast van de best beschikbare technieken en de
beste milieupraktijk, als bedoeld in bijlage 1 bij Ospar-besluit
2000/3.
3.De Minister beslist binnen acht weken
na ontvangst van de aanvraag.
4.Op gebruik van OPF-vloeistof in een
boorgat met een kleinere doorsnede dan bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, zijn de artikelen 9.2.5 en 9.2.6 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 9.2.4
1.De lozing van de volgende
chemicaliën is verboden:
a. OPF-vloeistoffen, al dan niet
gemengd met boorgruis, en
b. boorgruis dat vervuild is met
synthetische vloeistoffen.
2.De minister kan op aanvraag van de
uitvoerder ontheffing verlenen van het verbod gesteld in het eerste
lid, onderdeel b, indien uit de aanvraag blijkt dat:
a. de schade aan het mariene milieu
zoveel mogelijk wordt beperkt, en
b. de uitvoerder aantoont dat de
beginselen zijn toegepast van de best beschikbare technieken en de
beste milieupraktijk, als bedoeld in bijlage 1 bij het
Ospar-besluit 2000/3.
3.De Minister beslist binnen acht weken
na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 9.2.5
1.Onverminderd artikel 9.2.6, eerste
lid, is het verboden andere chemicaliën dan genoemd in de artikelen
9.2.3 en 9.2.4 te gebruiken respectievelijk te lozen zonder ontheffing
van de Minister.
2.De aanvraag om ontheffing wordt
uiterlijk acht weken voor aanvang van het beoogde gebruik of de
beoogde lozing ingediend bij de Minister
3.Bij de aanvraag wordt in elk geval
opgegeven, in onderlinge samenhang:
a. de locatie waar het gebruik of
de lozing zal plaatsvinden,
b. de periode of perioden waarin
het gebruik of de lozing zal geschieden,
c. de verwachte hoeveelheden aan
chemicaliën die in de onder b bedoelde periode of perioden zullen
worden gebruikt of geloosd,
d. de doeleinden waarvoor de te
gebruiken of te lozen chemicaliën zullen worden toegepast, en
e. het registratienummer dat aan de
chemicaliën is toegekend en andere gegevens voor zover deze bij
de kennisgeving, bedoeld in artikel 9.3.2, derde lid, zijn
opgenomen.
4.Voorts wordt bij de aanvraag
voldoende beargumenteerd ingegaan op veiligheids- en
gezondheidsaspecten en financiële factoren die gemoeid zijn met het
gebruik of het lozen van chemicaliën alsmede op de technische
prestaties van de chemicaliën.
5.De Minister beslist binnen acht weken
na ontvangst van de aanvraag.
6.De ontheffing wordt verleend voor ten
hoogste drie jaar.
7.De ontheffing kan onder beperkingen
worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden in
verband met risico op schade aan het mariene milieu, veiligheids- en
gezondheidsaspecten en de technische prestaties van de chemicaliën.
Artikel 9.2.6
1.Indien een aanvraag om ontheffing als
bedoeld in artikel 9.2.5, tweede lid, betrekking heeft:
a. op chemicaliën als bedoeld in
onderdeel a wordt de aanvraag geweigerd;
b. op chemicaliën als bedoeld in
de onderdelen b tot en met e wordt de aanvraag geweigerd indien
een vervangend middel beschikbaar is dat minder schadelijk is voor
het mariene milieu en de technische prestaties ervan vergelijkbaar
zijn met die van de chemicaliën waarvoor de aanvraag werd
ingediend.
2.De chemicaliën, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, zijn:
a. de chemicaliën, genoemd in
Ospar-akkoord 2004–12;
b. chemicaliën die anorganisch
zijn en een LC50 of EC50 van minder dan 1 mg/l hebben;
c. chemicaliën die een
biodegradatie hebben van minder dan 20% gedurende 28 dagen;
d. chemicaliën die voldoen aan
twee van de volgende drie criteria:
1°. niet snel bio-afbreekbaar
(een biodegradatie in 28 dagen minder dan
70% (OECD 301A,301E, of een
gelijkwaardige test) of minder dan
60% (OECD 301B, 301C, 301F, 306
of een gelijkwaardige test));
2°. groot potentieel voor
bio-accumulatie log Pow ≥ 3 of BCF > 100 en het
molecuulgewicht in aanmerking genomen (M < 600);
3°. zeer toxisch (LC50 < 10
mg/l of EC50 < 10 mg/l);
e. de chemicaliën waarvan de door
de uitvoerder berekende PEC/PNEC-verhouding 3 of meer is.
3.Als geen vervangend middel als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar is, kan de
Minister voor ten hoogste drie jaar ontheffing verlenen indien het
risico op schade aan het mariene milieu dat toelaat. Bij de
beoordeling van de aanvraag om ontheffing wordt de door de uitvoerder
berekende PEC/PNEC-verhouding van de chemicaliën in aanmerking
genomen.
4.Bij de aanvraag geeft de uitvoerder
voldoende beargumenteerd aan waarom voor de chemicaliën geen
vervangende middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
beschikbaar zijn.
5.[Wijzigt deze regeling.]
Artikel 9.2.6a
Met ingang van 1 januari 2017 wordt een
aanvraag om ontheffing om te lozen als bedoeld in artikel 9.2.5, tweede
lid, voor:
a. chemicaliën die anorganisch zijn
en een LC50 of EC50 van minder dan 1 mg/l hebben,
b. chemicaliën die een biodegradatie
hebben van minder dan 20% gedurende 28 dagen, of
c. chemicaliën die voldoen aan twee
van de volgende drie criteria:
1°. niet snel bio-afbreekbaar
(een biodegradatie in 28 dagen minder dan
70% (OECD 301A,301E, of een
gelijkwaardige test) of minder dan
60% (OECD 301B, 301C, 301F, 306
of een gelijkwaardige test)),
2°. groot potentieel voor
bio-accumulatie log Pow ≥ 3 of BCF > 100 en het
molecuulgewicht in aanmerking genomen (M < 600), en
3°. zeer toxisch (LC50 < 10
mg/l of EC50 < 10 mg/l),
geweigerd, tenzij de uitvoerder bij de
aanvraag heeft aangetoond dat vanwege technische aspecten of
veiligheidsaspecten geen minder schadelijke vervangende middelen
beschikbaar zijn. In dat geval kan de minster ontheffing verlenen voor
ten hoogste drie jaar.
Artikel 9.2.7
1.Het gebruiken of het lozen van andere
chemicaliën dan die genoemd in de artikelen 9.2.5, eerste lid en
9.2.6, tweede lid, is toegestaan, mits de uitvoerder aan de Minister:
a. dit ten minste acht weken voor de
aanvang van het gebruik of de lozing schriftelijk meldt en
b. heeft aangetoond dat de PEC/PNEC-verhouding
van de chemicaliën gelijk is aan of kleiner dan 1.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing indien de PEC/PNEC-verhouding van de chemicaliën, bedoeld
in het eerste lid, gelijk of kleiner is dan 3, maar groter dan 1, mits
de uitvoerder naar het oordeel van de Minister bij de melding
voldoende beargumenteerd is ingegaan op veiligheids- en
gezondheidsaspecten en financiële factoren die gemoeid zijn bij het
gebruik of het lozen van de chemicaliën alsmede op de technische
prestaties ervan en verder heeft aangegeven waarom voor de
chemicaliën geen minder schadelijke vervangende middelen beschikbaar
zijn.
3.Artikel 9.2.5, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing op een melding.
Artikel 9.2.8
1.Het gebruiken of het lozen van
chemicaliën is toegestaan, mits deze chemicaliën:
a. uitsluitend bestaan uit stoffen
die zijn opgenomen op de Plonor-lijst of
b. anorganisch zijn en een LC50 of
EC50 van 1 mg/l of meer hebben, mits de uitvoerder dit ten minste
acht weken voor de aanvang van het gebruik of de lozing aan de
Minister schriftelijk meldt.
2.Artikel 9.2.5, derde lid, is van
toepassing.
Artikel 9.2.9
1.De uitvoerder doet jaarlijks opgaaf
van de hoeveelheden en soorten chemicaliën die zijn gebruikt en
geloosd.
2.De in het eerste lid bedoelde opgaaf
wordt ingediend bij de inspecteur-generaal der mijnen voor 1 april van
het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de opgaaf
betrekking heeft.
§ 9.3. Registratie van chemicaliën
Artikel 9.3.1
Een HOCNF-formulier is een gegeven als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid
van bestuur.
Artikel 9.3.2
1.De Minister draagt zorg voor de
registratie van chemicaliën.
2.De Minister kan chemicaliën voor ten
hoogste drie jaar in het register opnemen, ingaande op het tijdstip
waarop de registratie heeft plaats gevonden.
3.Nadat registratie heeft
plaatsgevonden wordt degene die een aanvraag tot registratie als
bedoeld in artikel 9.3.3 om registratie heeft aangevraagd hiervan in
kennis gesteld waarbij in elk geval het nummer wordt vermeld dat aan
de geregistreerde chemicaliën is toegekend.
Artikel 9.3.3
Een aanvraag tot registratie van
chemicaliën wordt tezamen met een HOCNF-formulier, ingevuld volgens
Ospar-akkoord 2005-13, door de producent of leverancier bij de minister
ingediend.
Artikel 9.3.4
De toxiciteitstest waarvan het resultaat
wordt opgenomen in het HOCNF-formulier wordt op stofbasis verricht met
inachtneming van de Ospar-akkoorden 2005-11 en 2005-12.
Hoofdstuk 10. Pijpleidingen
Artikel 10.1
De eigenschappen, de aanleg en de ligging
van alsmede het onderhoud aan een stalen pijpleiding voldoen in elk
geval aan de in artikel 93, eerste en tweede lid, van het besluit
bedoelde eisen, indien kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan NEN
3650, 1ste druk, van september 1992, zoals deze laatstelijk is gewijzigd
bij NEN 3650/C1 van april 1996.
Artikel 10.2
De eigenschappen, de aanleg en de ligging
van alsmede het onderhoud aan een flexibele pijpleiding voldoen in elk
geval aan de in artikel 93, eerste en tweede lid, van het besluit
bedoelde eisen, indien kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan:
a. API (American Petroleum Institute)
Specification 17J, second edition, november 1999, zoals deze
laatstelijk is vastgesteld in juni 2002, en
b. NEN 3650, genoemd in artikel 10.1,
met uitzondering van het gedeelte omtrent het sterktetechnisch
ontwerp.
Hoofdstuk 11. Verstrekking, beheer en
gebruik van gegevens
§ 11.1. Te verstrekken gegevens
Artikel 11.1.1
De resultaten van geofysisch onderzoek
als bedoeld in artikel 108, onderdeel a, van het besluit bevatten de
resultaten van de eerste finale bewerking van signaal-, navigatie- en
snelheidsgegevens en de bijbehorende rapporten van verkrijging en
bewerking en de veldgegevens.
Artikel 11.1.2
1.Een profiel van een boorgat, als
bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdeel a, bevat:
a. voor boorgaten in
oppervlaktewater:
1°. de naam van de
mijnonderneming;
2°. de letter- of
nummeraanduiding van het blok, voor zover het boorgat is
gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij de wet
vastgelegde lijn;
3°. het nummer van het
boorgat;
4°. de geografische
coördinaten en het geografisch stelsel van de plaats van het
boorgat;
5°. de datum van aanvang van
de aanleg van het boorgat;
6°. de hoogte van de boortafel
of van een ander, nader aan te geven referentiepunt, en
7°. de hoogte van de top van
de bodemflens in meters ten opzichte van het middenstandsvlak
(gemiddelde waterstand);
b. voor boorgaten op land:
1°. de naam van de
mijnonderneming;
2°. de naam en het nummer van
het boorgat;
3°. de geografische
coördinaten en het geografisch stelsel van de plaats van het
boorgat;
4°. de datum van aanvang van
de aanleg van het boorgat;
5°. de hoogte van de boortafel
of van een ander, nader aan te geven referentiepunt, en
6°. de hoogte van de top van
de bodemflens in meters ten opzichte van het NAP.
2.Voorts bevat het profiel:
a. een overzicht van alle
elektrische en andere boorgatmetingen, waarbij de datum van de
meting en het gemeten traject worden aangegeven;
b. een elektrisch of ander diagram
en een lithologische kolom met een diepteschaal van 1:1000 of
1:500, welke op representatieve wijze weergeven de aard van de
doorboorde lagen en gesteenten;
c. een beschrijving van de
doorboorde lithologie;
d. ten aanzien van de elektrische
metingen: de gebruikte typen elektrische curves met de gebruikte
schaalverdeling;
e. het type en de eigenschappen van
de spoeling per boortraject;
f. de spoelingverliezen met
vermelding van plaats of traject en hoeveelheid in m3;
g. de aangebrachte
verbuizingsseries, onder vermelding van de diameter van elke serie
en de diepte waarop elke serie is verankerd;
h. de top van de cement achter elke
verbuizingsserie en het traject teruggewonnen verbuizing;
i. de ondergrondse afwerking van
het boorgat met vermelding van traject, type verloren verbuizing,
perforaties en open gat;
j. de in het boorgat aangebrachte
pluggen, onder vermelding, indien van toepassing, van de
trajecten, waarover deze pluggen zich uitstrekken, en de gegevens
van plaatsing;
k. de productieve intervallen;
l. de totale diepte van het boorgat
na voltooiing van de boring in meters ten opzichte van het NAP of
het middenstandsvlak en de datum waarop de boring werd voltooid,
en
m. de deviatiemetingen en een
situatietekening met de horizontale afwijking van het boorgat,
onder opgave van de verticale diepten.
3.Verder bevat het profiel, voor zover
beschikbaar:
a. stratigrafische en
paleontologische trajecten met grenzen of correlatiepunten;
b. indicaties van delfstoffen;
c. kerntrajecten en wandkernen;
d. formatietesten, onder vermelding
van het beproefde traject, en
e. de resultaten van de in
onderdeel d genoemde testen.
Artikel 11.1.3
De resultaten van de metingen als bedoeld
in artikel 109, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit bevatten
de meetgegevens en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de
meetgegevens verkregen zijn.
Artikel 11.1.4
De resultaten van verrichte productie- of
injectietesten als bedoeld in artikel 109, eerste lid, onderdeel d, van
het besluit bevatten:
a. gegevens van druk- en
temperatuurmetingen in het boorgat;
b. hoeveelheden per tijdseenheid van
olie, condensaat, gas en water die zijn geproduceerd of
geïnjecteerd;
c. gebruiks- en meetcondities;
d. gegevens over de gebruikte
meetinstrumenten;
e. gegevens omtrent de verbuizing en
perforaties van de verbuizing, en
f. gegevens over de sequentie van
meetstappen.
Artikel 11.1.5
De uitvoerder verstrekt van
gesteentemonsters als bedoeld in artikel 110, eerste lid, van het
besluit:
a. een deel van de boorwandkernen;
b. een exemplaar van
biostratigrafische en palynologische preparaten;
c. een segment of een kunstharsplak
van de hele lengte van de kern, en
d. in geval van boorgruis: tenminste
250 gram daarvan.
Artikel 11.1.6
De uitvoerder doet de minister opgaaf van
de verkregen vloeistof- en gasmonsters, bedoeld in artikel 110, tweede
lid, binnen vier weken na de verkrijging ervan. Daarbij worden gegevens
met betrekking tot de bron, de kwaliteit en het gebruikte meetprogramma
vermeld.
§ 11.2. Wijze van gegevens verstrekking
aan de minister
Artikel 11.2.1
De gegevens die op grond van de artikelen
11.1.1 tot en met 11.1.6 aan de minister worden verstrekt zijn voorzien
van:
a. een unieke object-identificatie;
b. een aanduiding van de opsporings-,
winnings- of opslagvergunning waarmee de gegevens verkregen zijn;
c. aanduiding van de locatie en
diepte of geografische bereik van de meting, en
d. de datum van verwerving.
Artikel 11.2.2
1.Een gesteentemonster als bedoeld in
artikel 11.1.5 wordt voorts verstrekt onder aanduiding van:
a. het boorgat waaruit het is
verkregen;
b. de diepte van verkrijging;
c. de datum van verkrijging;
d. het type;
e. indien beschikbaar: een
verwijzing naar de logmeting en het volgordenummer bij de
boorwandkern;
f. het type kernmethode, en
g. administratieve gegevens van de
opslagkisten.
2.De resultaten van metingen op
gesteentemonsters worden, indien beschikbaar, gerapporteerd in
elektronische vorm.
§ 11.3. Te gebruiken eenheden
Artikel 11.3.1
Voor de opgave van hoeveelheden stoffen
als bedoeld in dit hoofdstuk worden de volgende eenheden gebruikt:
a. vaste stoffen in m3 of tonnen;
b. vloeibare stoffen anders dan pekel
in tonnen en in m3 bij een absolute druk van 101,325 kPa en een
temperatuur van 15 graden Celsius;
c. gasvormige stoffen in 1000 m3 bij
een absolute druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 0 graden
Celsius;
d. pekel: m3.
§ 11.4. Aan te wijzen instelling
Artikel 11.4.1
Als instelling als bedoeld in artikel
123, tweede lid, van de wet wordt aangewezen het instituut TNO Bouw en
Ondergrond.
Hoofdstuk 12. Financiële bepaling
Artikel 12.1
1.Het gewogen gemiddelde van de waarde
van de in Nederland ingevoerde ruwe olie, bedoeld in de eerste volzin
van artikel 63, vierde lid, van de wet, in een bepaald kalenderjaar
wordt door de Minister van Economische Zaken op basis van gegevens van
het Centraal Bureau voor de Statistiek berekend door:
a. voor iedere maand van het
betrokken kalenderjaar het totaal van de in die maand geloste
hoeveelheden ruwe aardolie in aantallen vaten te vermenigvuldigen
met het gewogen maandgemiddelde van de gemiddelde prijs daarvan
uitgedrukt in US-dollars per vat;
b. het resultaat van de berekening
in onderdeel a uit te drukken in euro's op basis van de gemiddelde
€/US-dollarkoers in die maand en
c. de maandelijkse resultaten,
bedoeld in onderdeel b, te sommeren en te delen door het totaal
van de in het betrokken kalenderjaar geloste hoeveelheden ruwe
aardolie in aantallen vaten.
2.Indien het gewogen gemiddelde,
bedoeld in het eerste lid, in een bepaald kalenderjaar meer bedraagt
dan € 25 per vat, maakt de minister dit binnen twee maanden na
afloop van het desbetreffende kalenderjaar bekend in de Staatscourant.
Hoofdstuk 13. Technische Commissie
Bodembeweging
Artikel 13.1
De adviesaanvraag als bedoeld in artikel
114, tweede lid, onderdeel d, van de wet bevat de volgende gegevens:
a. naam en adres van verzoeker;
b. dagtekening van het verzoek;
c. een zo gedetailleerd mogelijke
beschrijving van de schade;
d. voor zover mogelijk een schatting
van de hoogte van het schadebedrag;
e. de geografische aanduiding van de
plaats waar de schade is opgetreden;
f. het tijdstip waarop de schade
waarschijnlijk is opgetreden;
g. het tijdstip waarop de schade voor
het eerst is vastgesteld;
h. de mijnbouwactiviteit die de
schade mogelijk heeft veroorzaakt;
i. afschrift van de
aansprakelijkstelling, bedoeld in artikel 116, eerste lid, van de
wet en de definitieve reactie van de mijnbouwonderneming daarop;
j. de reden dat geen overeenstemming
als bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de wet, is bereikt met
de mijnbouwondernemer, met daarbij afschrift van eventuele
correspondentie;
k. indien van toepassing het bedrag,
bedoeld in artikel 117, vierde lid, van de wet, dat de
mijnondernemer bereid was te betalen.
hoofdstuk 14. Overgangsbepalingen
§ 14.1 [Vervallen per 31-10-2009]
Artikel 14.1.1 [Vervallen per 31-10-2009]
§ 14.2. Overgangsbepalingen met
betrekking tot boorgaten en putten
Artikel 14.2.1
1.Een ontheffing als bedoeld in artikel
2, derde lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en
Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een
buitentoepassingverklaring als bedoeld in artikel 8.3.1.1.
2.Een ontheffing als bedoeld in artikel
6, zesde lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en
Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een
ontheffing als bedoeld in art. 8.3.1.4, zesde lid.
3.Een ontheffing als bedoeld in artikel
7, tweede lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en
Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een
ontheffing als bedoeld in art. 8.3.1.5, tweede lid.
4.Een ontheffing als bedoeld in artikel
15, vierde lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en
Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een
ontheffing als bedoeld in art. 8.3.2.2, vierde lid.
5.Een ontheffing als bedoeld in artikel
20, vierde lid, van de Nadere regelen Mijnreglement 1964 en
Mijnreglement continentaal plat beveiliging boorgaten geldt als een
ontheffing als bedoeld in art. 8.3.4.1, vierde lid.
Artikel 14.2.2
1.Ontheffingen met betrekking tot de
inrichting van putten, welke zijn verkregen voor inwerkingtreding van
deze regeling, gelden als ontheffingen als bedoeld in hoofdstuk 8,
afdeling 8.4.
2.Ontheffingen met betrekking tot de
verbuizing van een buiten gebruik te stellen put, welke zijn verkregen
voor inwerkingtreding van deze regeling, gelden als ontheffingen als
bedoeld in artikel 8.5.2.7, derde lid.
§ 14.3. Overgangsbepalingen met
betrekking tot oliehoudende mengsels en andere chemicaliën
Artikel 14.3.1
1.Een ontheffing als bedoeld in artikel
3, tweede lid, van de Regeling lozing van oliehoudende mengsels geldt
als een ontheffing als bedoeld in artikel 9.1.3, tweede lid.
2.Een ontheffing als bedoeld in artikel
4, vierde lid, van de Regeling lozing van oliehoudende mengsels geldt
als een ontheffing als bedoeld in artikel 9.1.4, vierde lid.
3.Een ontheffing als bedoeld in artikel
5, tweede lid, van de Regeling lozing van oliehoudende mengsels geldt
als een ontheffing als bedoeld in artikel 9.1.5, tweede lid.
Artikel 14.3.2
Op mijnbouwinstallaties die geplaatst
zijn voor 1 januari 1988 zijn de in artikel 9.1.5, eerste lid, onderdeel
a, genoemde normen van toepassing met ingang van 1 oktober 2003, mits
tot dat tijdstip op deze installaties de best beschikbare technieken,
bedoeld in aanhangsel 1 bij het Osparverdrag, worden toegepast om het
alifatische oliegehalte niet meer dan 100 milligram olie per liter en
het maandelijks gemiddelde alifatische oliegehalte niet meer dan 40
milligram olie per liter te laten bedragen.
Hoofdstuk 15. Slotbepalingen
Artikel 15.1
Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 2003, met dien verstande dat:
a. de artikelen 9.2.3, eerste lid,
onderdelen a en b, 9.2.4, eerste lid, onderdelen a en b, en 9.2.5,
eerste lid, met ingang van 1 juli 2003 in werking treden;
b. artikel 9.3.2 met ingang van 1
januari 2004 in werking treedt.
Artikel 15.2
Deze regeling wordt aangehaald als:
Mijnbouwregeling.
Deze regeling
zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van bijlage 16, die ter inzage wordt gelegd,
zoals bepaald in artikel 9.3.2, tweede lid.
Den Haag, 16 december 2002.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
J.G. Wijn.
Bijlagen niet opgenomen
|