BESLUIT van 17 augustus 1935 tot vaststelling van een
wachtgeldregeling voor militairen der Koninklijke landmacht beneden den
rang van officier
WIJ WILHELMINA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Defensie en van Binnenlandsche Zaken
van 4 April 1935, VIIIste Afdeeling, n°. 129, en van 12 April 1935,
n°. 489II, Afdeeling Pensioenen en Wachtgelden;
Gelet op artikel 12 van de Militaire
Ambtenarenwet 1931;
Overwegende, dat het wenschelijk is in Ons
besluit van den 30 December 1922 (Staatsblad n°. 774) tot
vaststelling van een wachtgeldregeling voor militairen der landmacht
beneden den rang van officier, zooals dat besluit laatstelijk is
gewijzigd en aangevuld bij Ons besluit van 4 Februari 1931 (Staatsblad
n°. 45), in te trekken en opnieuw vast te stellen;
Den Raad van State gehoord (advies van 14 Mei
1935, n°. 30);
Gezien het nader rapport van Onze Ministers van
Defensie en van Binnenlandsche Zaken van 30 Juli 1935, VIIIste Afdeeling,
n°. 1, en van 7 Augustus 1935, n°. 489III, Afdeeling Pensioenen en
Wachtgelden;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
A. in te
trekken ons besluit van 30 December 1922 (Staatsblad n°. 774)
tot vaststelling van een wachtgeldregeling voor militairen der landmacht
beneden den rang van officier, zooals dit besluit bij verschillende
besluiten is gewijzigd en aangevuld, laatstelijk bij besluit van 4
Februari 1931 (Staatsblad n°. 45);
B. te bepalen:
Artikel 1
1. Dit besluit verstaat onder "militairen" vrijwillig
dienende militairen der landmacht beneden den rang van officier, niet
behoorende tot het verlofspersoneel.
2. Aan den militair wiens dienstverband wordt verbroken of niet
verlengd ter zake van opheffing van zijne betrekking of wegens
verandering in de organisatie van het wapen of dienstvak, waartoe hij
behoort, wordt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, eerste
lid - tenzij hij op het tijdstip van dienstverlating 40 voor pensioen
geldige dienstjaren in den zin van de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad
1922, n°. 66) heeft, dan wel ter zake van ziekte of gebreken in de
termen valt om pensioen te genieten, of den leeftijd van zestig jaren
heeft bereikt of overschreden en uit dien hoofde in het genot van
pensioen kan worden gesteld - ten laste van het Rijk een wachtgeld
toegekend op den voet van de bepalingen van dit besluit.
3. Een zoodanig wachtgeld kan ook worden toegekend aan den
militair, die op verzoek wordt ontslagen, nadat hem is medegedeeld, dat
het voornemen bestaat tot zijn ontslag op grond van het bepaalde bij
artikel 19, tweede lid, onder c, van het Reglement voor de
militaire ambtenaren der Koninklijke landmacht en eveneens aan den
militair, die verbreking van zijn dienstverband vraagt en verkrijgt,
indien hij behoort tot een wapen of dienstvak, waarbij een overcompleet
aan militairen bestaat of spoedig zal zijn te wachten.
Artikel 2
Met betrekking tot den duur en het bedrag van het wachtgeld worden de
militairen onderscheiden in:
a. hen, die uit hoofde van den aard hunner bekwaamheden
redelijkerwijze geacht moeten worden een gelijkwaardige positie
anders dan in openbaren dienst niet binnen een redelijken termijn te
kunnen verkrijgen;
b. de overigen.
Artikel 3
1. Voor de toepassing van de verdere artikelen van dit besluit
wordt onder diensttijd verstaan de werkelijke diensttijd in den zin
van de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad 1922, n°.
66), volbracht bij het op wachtgeld stellen, met dien verstande dat,
wanneer de diensttijd ten gevolge van ontslag is onderbroken geweest,
de tijd vóór de onderbreking slechts medetelt, indien de
onderbreking minder dan een jaar heeft geduurd.
2. Bij de toepassing van het derde lid van artikel 4 wordt
niettemin de tijd vóór de onderbreking wel medegeteld, ook al heeft de
onderbreking een jaar of langer geduurd.
Artikel 4
1. Aan een militair, als bedoeld in artikel 2, onder a,
wordt het genot van wachtgeld toegekend gedurende een tijdvak, gelijk
aan zijn diensttijd.
2. Aan een militair, als bedoeld in artikel 2, onder b,
wordt het genot van wachtgeld toegekend gedurende drie maanden,
vermeerderd voor hem, die ten tijde van het ontslag kostwinner van een
gezin was met drie maanden en voor de overigen met anderhalve maand voor
elk jaar door hem volbrachten diensttijd.
3. Voor zooveel een militair ten tijde van het ontslag een
diensttijd van ten minste tien jaren heeft volbracht en het aantal jaren
van dien diensttijd tezamen met het aantal jaren van den leeftijd, dien
hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 55 of meer bedraagt, wordt
hem na afloop van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen een
verder genot van wachtgeld toegekend.
4. Het wachtgeld, bedoeld in het eerste lid, bedraagt:
a. indien de militair ten tijde van het ontslag kostwinner is van
een gezin, gedurende de eerste drie maanden de laatstelijk door hem
genoten bezoldiging, gedurende de volgende drie maanden 85, gedurende
de daarop volgende vijf jaren 70, gedurende de daaraan volgende vijf
jaren 60 en vervolgens 50 ten honderd van de laatstelijk genoten
bezoldiging;
b. in de overige gevallen gedurende de onder a bedoelde
termijnen onderscheidenlijk de laatstelijk genoten bezoldiging en 75,
60, 50 en 40 ten honderd daarvan;
een en ander voor zoover de termijn, waarover het genot van wachtgeld
is toegekend niet reeds eerder is geëindigd, en met dien verstande, dat
het wachtgeld niet daalt beneden het bedrag van het uitgesteld pensioen,
waarop de betrokkene terzake van het hem verleende ontslag uitzicht
heeft of indien uithoofde van eenigerlei omstandigheid, zoodanig
uitzicht niet of niet meer ten volle bestaat, anders zou hebben gehad.
5. Het wachtgeld, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. indien de militair ten tijde van het ontslag kostwinner is van
een gezin, gedurende de eerste drie maanden de laatstelijk genoten
bezoldiging, gedurende de volgende drie maanden 85, gedurende de
daaraan volgende 5 jaren 70 en vervolgens 60 ten honderd van die
bezoldiging;
b. in de overige gevallen onderscheidenlijk de laatstelijk genoten
bezoldiging en 75, 60 en 50 ten honderd daarvan gedurende de onder a
bedoelde termijnen;
een en ander met inachtneming van het bepaalde bij de laatste
zinsnede van het vorig lid.
6. Het wachtgeld, bedoeld in het derde lid, is gelijk aan het
bedrag van het uitgesteld pensioen, waarop betrokkene ter zake van het
hem verleende ontslag uitzicht heeft of, indien uit hoofde van
eenigerlei omstandigheid zoodanig uitzicht niet of niet meer ten volle
bestaat, anders zou hebben gehad, met dien verstande, dat, indien het
evenbedoelde bedrag minder bedraagt dan 40 ten honderd van de
laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede en derde
lid van artikel 6, het wachtgeld gedurende het eerste jaar op
laatstvermeld bedrag wordt gesteld.
7. Wanneer het derde lid niet van toepassing is, kan in
buitengewone gevallen het wachtgeld na afloop van de in het eerste en
tweede lid bedoelde termijnen voor een bepaalden tijd worden voortgezet;
dat wachtgeld bedraagt ten hoogste, naargelang de betrokkene ten tijde
van het ontslag al dan niet kostwinner was van een gezin,
onderscheidenlijk 50 of 40 ten honderd van de laatstelijk genoten
bezoldiging.
Artikel 5
1. Wij behouden Ons voor, om in de gevallen, waarin zulks door
Ons noodig wordt geoordeeld, aan belanghebbenden de verplichting op te
leggen eene verbintenis aan te gaan bij het reservepersoneel der
landmacht, zulks op de wijze nader door Ons te bepalen; zullende de
toekenning of verdere uitkeering van wachtgeld aan een militair,
gedurende den tijd bedoeld in artikel 4 van het sluiten dezer
verbintenis afhankelijk worden gesteld.
2. Van het aangaan van deze verbintenis wordt eene akte in
tweevoud opgemaakt volgens een daarvoor door Onzen Minister van Defensie
vast te stellen model.
3. Tijdens den duur van zoodanige verbintenis genieten de
belanghebbenden eene toelage ten bedrage van 5 ten honderd van de
laatstelijk genoten bezoldiging.
4. Indien het wachtgeld in de gevallen omschreven in de artikelen
7, 8 en 10 geheel wordt vervallen verklaard, vervallen tevens de
verbintenis bij het reservepersoneel en de deswege genoten toelage.
5. Geheele of gedeeltelijke schorsing van het wachtgeld doet een
verbintenis bij het reservepersoneel en ook de deswege genoten toelage
niet vervallen.
6. De hierbedoelde toelage wordt aan den reservist-wachtgelder
niet toegekend in de gevallen, waarin geen toelagen worden genoten door
het reservepersoneel, dat daarop overigens aanspraak heeft.
Artikel 6
1. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder laatstelijk
genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging welke op de dag voor het
ontslag in de verlaten betrekking bij plaatsing in Nederland werd
genoten of zou genoten zijn, vermeerderd met de tijdelijke
kindertoelage, de tijdelijke kindertoeslag, de vakantieuitkering en
eventuele in de pensioensgrondslag opgenomen inkomsten en baten.
2. Indien in de bezoldiging, de inkomsten en baten, in het
voorgaande lid bedoeld, anders dan wegens periodieke verhogingen
wijziging zou zijn gekomen, wanneer de belanghebbende op die bezoldiging
in dienst was gebleven, geldt van de datum van inwerkingtreding van die
wijziging het aldus gewijzigde bedrag als laatstelijk genoten
bezoldiging.
3. Voorts wordt, indien ter zake van pensioen van de militairen
eene bijdrage wordt gevorderd, bij de vaststelling van de laatstelijk
genoten bezoldiging voor hen, die vóór 1 Juli 1925 op wachtgeld zijn
gesteld, hierop tot 1 Januari 1930 een bedrag in mindering gebracht. Dit
bedrag wordt naar denzelfden maatstaf berekend als voor de militairen op
grond van artikel 15a van de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad
1922, n°. 66) plaats vindt, echter met dien verstande, dat deze
berekening geschiedt van de gezamenlijke inkomsten gedurende het laatste
jaar werkelijken dienst genoten, voor zoover deze inkomsten bij de
vaststelling van den pensioensgrondslag in aanmerking kwamen.
4. In afwijking van het gestelde in het eerste, tweede en derde
lid wordt voor het wachtgeld, toegekend krachtens het derde lid van
artikel 4 als laatstelijk genoten bezoldiging aangemerkt het bedrag van
den pensioensgrondslag, waarnaar het daarbedoelde wachtgeld is berekend.
Artikel 7
1. Wanneer de op wachtgeld-gestelde inkomsten gaat genieten uit
of in verband met arbeid of bedrijf, na het ontslag ter hand genomen,
wordt, behoudens het bepaalde in het zevende lid van dit artikel:
A. indien die inkomsten genoten worden in dienst van openbare
lichamen, zoodra en zoolang het wachtgeld vermeerderd met die
inkomsten de laatstelijk genoten bezoldiging zou overschrijden, het
wachtgeld met het bedrag dier overschrijding verminderd;
B. in de overige gevallen zoodra en zoolang die inkomsten meer
bedragen dan 30 ten honderd van de laatstelijk genoten bezoldiging,
het wachtgeld met de helft van dat meerdere verminderd, met dien
verstande evenwel, dat zoodra en zoolang die inkomsten, ook al
bedragen deze 30 of minder ten honderd van de laatstelijk genoten
bezoldiging, gezamenlijk met het wachtgeld meer beloopen dan de
laatstelijk genoten bezoldiging, het wachtgeld eveneens met de helft
van dat meerdere wordt verminderd en dat nimmer meer zal worden
gekort, dan wanneer de genoten inkomsten waren verkregen in dienst van
openbare lichamen;
C. bij het gelijktijdig genieten van inkomsten als bedoeld onder A
en B:
1. indien de inkomsten als bedoeld onder A grooter zijn dan het
verschil tusschen de laatstelijk genoten bezoldiging en het
wachtgeld, voor die inkomsten eene vermindering toegepast als onder
A is aangegeven; daarna wordt het wachtgeld nog verminderd met een
bedrag gelijk aan de helft voor de inkomsten als bedoeld onder B;
2. indien de inkomsten als bedoeld onder A gelijk of kleiner zijn
dan het verschil tusschen de laatstelijk genoten bezoldiging en het
wachtgeld, voor die inkomsten geen vermindering toegepast; van de
inkomsten als bedoeld onder B wordt het wachtgeld zoodra en zoolang
deze inkomsten meer bedragen dan 30 ten honderd van de laatstelijk
genoten bezoldiging met de helft van dat meerdere verminderd, met
dien verstande evenwel, dat zoodra en zoolang die inkomsten, ook al
bedragen deze 30 of minder ten honderd van de laatstelijk genoten
bezoldiging, gezamenlijk met het wachtgeld en de inkomsten, als
bedoeld onder A, meer beloopen dan de laatstelijk genoten
bezoldiging, het wachtgeld eveneens met de helft van dat meerdere
wordt verminderd.
Het hier bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
inkomsten, verkregen uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke
geacht moeten worden te zijn ter hand genomen gedurende verlof,
voorafgaande aan het ontslag.
2. Wanneer de op wachtgeld gestelde inkomsten genoot uit of in
verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór den dag, waarop
het verlof bedoeld onder 1 is ingegaan, of indien geen verlof is
genoten, vóór den dag, waarop het ontslag ter zake waarvan het
wachtgeld hem is verleend is ingegaan, en deze inkomsten zijn
vermeerderd, zijn ten aanzien van die vermeerdering de bepalingen van
dit artikel van overeenkomstige toepassing.
3. Van het ter hand nemen van eenigen arbeid of bedrijf doet de
op wachtgeld gestelde onverwijld mededeeling aan Onzen Minister van
Defensie. Daarbij doet hij voor zoover mogelijk opgave van de inkomsten,
die hij uit de ter hand genomen werkzaamheden zal trekken, terwijl hij
voorts verplicht is om, indien die inkomsten tijdelijk of blijvend
wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor de eerstvolgende uitbetaling
van het wachtgeld nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet vooraf
op te geven, dan doet hij tijdig vóór de eerstvolgende uitbetaling van
het wachtgeld opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen
der werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter
de aard der werkzaamheden ter beoordeeling van Onzen Minister van
Defensie mede, dat de inkomsten over een langeren termijn moeten worden
berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op het
wachtgeld een vermindering toegepast van een voorloopig vastgesteld
bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van den
evenbedoelden termijn.
4. Bij de vaststelling van het bedrag der vermindering kan van de
opgave van den betrokkene worden afgeweken. Indien de inkomsten
vrijwillig zonder voldoende reden worden prijs gegeven of door eigen
schuld verloren gaan, blijft niettemin de vermindering tot het
laatstelijk bepaalde bedrag toegepast.
5. Indien een op wachtgeld gestelde de in dit artikel bedoelde
opgave nalaat of ook onjuist of onvolledig doet kan het wachtgeld geheel
of ten deele worden geschorst of geheel worden vervallen verklaard.
6. De op wachtgeld gestelde wordt geacht door het aanvaarden van
het wachtgeld te bewilligen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel
der betrokken autoriteit in aanmerking komen, omtrent zijne
omstandigheden alle inlichtingen geven, die de betrokken autoriteit zal
dienstig oordeelen.
7. In geval van inkomsten uit overwerk in dienst van openbare
lichamen kan worden bepaald, dat voor die inkomsten de in het eerste lid
van dit artikel onder A en C bedoelde vermindering geheel of ten deele
tot wederopzegging achterwege blijft.
Artikel 8
1. Indien de op wachtgeld-gestelde een hem aangeboden ambt of
betrekking, die hem naar het oordeel van Onzen Minister van Defensie
in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijze
kan worden opgedragen, weigert te aanvaarden of ook anderszins, indien
hij in de gelegenheid komt om op een wijze, die in verband met zijn
persoonlijkheid en omstandigheden naar het oordeel van dien Minister
voor hem geen gebruik maakt, dan wordt niettemin het wachtgeld
verminderd met een zoodanig bedrag, alsof de verzuimde inkomsten wel
worden genoten.
2. De op wachtgeld-gestelde is voorts verplicht zich te gedragen
naar de voorschriften, die hem door dien Minister hetzij in het algemeen
hetzij voor eenig bijzonder geval worden gegeven, strekkende om tot het
verkrijgen van een ambt of betrekking of een andere bron van inkomsten
te geraken. Bij niet-nakoming van die voorschriften kan het wachtgeld
geheel of ten deele worden geschorst of geheel worden vervallen
verklaard.
3. De bepalingen van dit artikel vinden overeenkomstige
toepassing voor den militair, wien is medegedeeld, dat het voornemen
bestaat tot zijn ontslag op grond van het bepaalde bij artikel 19,
tweede lid, onder C van het Reglement voor de militaire ambtenaren der
Koninklijke landmacht, in dezer voege, dat, indien zoodanig militair een
ambt of betrekking weigert of niet van een gelegenheid gebruik maakt,
als bedoeld in het eerste lid, de toekenning van wachtgeld achterwege
blijft of slechts tot een verminderd bedrag geschiedt en dat bij
niet-opvolging van de voorschriften, als bedoeld in het tweede lid, de
toekenning van wachtgeld achterwege kan blijven of slechts tot een
verminderd bedrag geschieden.
Artikel 9
1. Voor de toepassing van de artikelen 7 en 8 van dit besluit
worden onder inkomsten of verzuimde inkomsten mede verstaan bedragen,
die ter zake van pensioenen ten laste van belanghebbende komen of
zouden gekomen zijn.
2. Als inkomsten, die genoten worden in dienst van een openbaar
lichaam worden ten deze ook aangemerkt inkomsten verbonden aan een
betrekking, welke aan de belanghebbende uitzicht geeft of kan geven op
pensioen krachtens de Pensioenwet 1922 (Stb. 240).
Artikel 10
1. Het wachtgeld vervalt:
a. wanneer de belanghebbende op eenigerlei wijze pensioen gaat
genieten, hetzij krachtens de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad
1922, n°. 66), hetzij krachtens de Pensioenwet 1922 (Staatsblad
n°. 240);
b. door vervallenverklaring ingeval de op wachtgeld-gestelde zich
zoodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn
ontslagen, of indien hij zich zonder toestemming van Onzen Minister
van Defensie in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
duurzaam te verblijven;
c. bij terugkeer in actieven dienst, hetzij bij het leger hier te
lande, bij het leger in Nederlandsch-Indië of de landmacht in
Suriname of Curaçao, dan wel bij de zeemacht;
d. op verzoek.
Wanneer het wachtgeld op een der bovenomschreven wijzen is vervallen,
dan is bij het eventueel verstrijken van den termijn, genoemd in het
eerste of het tweede lid van artikel 4, tevens vervallen het recht op
het wachtgeld, genoemd in het derde lid van dat artikel.
2. Het vervallen, schorsen, verminderen of vermeerderen van
wachtgeld gaat in met den dag, waarop de reden van het vervallen, de
schorsing, de vermindering of vermeerdering intreedt.
Artikel 11
Met den op wachtgeld-gestelde kan een regeling worden getroffen
krachtens welke het wachtgeld geheel of ten deele wordt vervangen door
een afkoopsom.
Artikel 12
Aan hem, die op wachtgeld zal worden of is gesteld, kan, indien hij
elders arbeid of bedrijf gaat ter hand nemen, ter zake van de kosten,
die voor hem aan de daartoe noodige verhuizing zijn verbonden, een
bedrag worden toegekend, indien bij gebreke van die toekenning die
arbeid of dat bedrijf door hem redelijkerwijze niet zou zijn te
aanvaarden.
Artikel 13
1. Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt
naar boven tot een vollen gulden afgerond. Het wordt uitbetaald in
maandelijksche termijnen. Met toestemming van den op wachtgeld
gestelde kan de uitbetaling in langere termijnen geschieden.
2. Bij overlijden wordt het wachtgeld niet langer uitbetaald dan
tot en met den dag van overlijden.
3. Behoudens het bepaalde in het vierde lid wordt zoo spoedig
mogelijk na het overlijden van een wachtgelder aan zijn weduwe een
bedrag uitgekeerd, gelijkstaande met het wachtgeld van den overledene
over een tijdvak van zes weken.
Laat de overledene geen weduwe na, dan geschiedt de uitkeering ten
behoeve van de minderjarige wettige of erkende natuurlijke kinderen van
den wachtgelder. Ontbreken ook zoodanige kinderen, dan geschiedt de
uitkeering, indien de overledene kostwinner was van ouders, broers,
zusters of meerderjarige kinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.
4. Indien den door den overleden wachtgelder nagelaten
betrekkingen, als bedoeld in het derde lid, uit hoofde van door den
overledene genoten inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf,
tengevolge waarvan op het wachtgeld eene vermindering werd toegepast als
in artikel 7 bij het genot van inkomsten in dienst van een openbaar
lichaam is bepaald, een uitkeering of daarmee gelijk te stellen bedrag
ter zake van zijn overlijden wordt toegekend, dan wordt een bedrag
uitgekeerd, gelijkstaande met het verminderd wachtgeld over een tijdvak
van zes weken. Dit bedrag wordt, indien de ter zake van vorenbedoelde
betrekking toe te kennen uitkeering of het daarmee gelijk te stellen
bedrag minder bedraagt dan zes weken van de bezoldiging in die
betrekking, verhoogd met het evenredig deel van het mindere als
vorenbedoelde vermindering staat tot die bezoldiging.
5. Indien een overleden wachtgelder geen betrekkingen, als
bedoeld in het derde lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het
bevoegd gezag geheel of ten deele worden uitgekeerd voor de betaling van
de kosten der laatste ziekte en der begrafenis, zoo de nalatenschap van
den overledene voor de betaling dier kosten ontoereikend is.
6. Ten aanzien van de toelage, bedoeld in artikel 5, derde lid,
wordt in overeenkomstigen zin gehandeld.
Artikel 14
1. De ter uitvoering van dit besluit te nemen beslissingen
worden genomen door Onzen Minister van Defensie met medewerking van
Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.
2. De Commissie, door Ons ingesteld ingevolge het bepaalde bij
artikel 12 van Ons besluit van 3 Augustus 1922 (Staatsblad n°.
479) brengt advies uit omtrent door belanghebbenden nopens de toepassing
van dit besluit in het midden gebrachte bezwaren en wordt in dat geval
uitgebreid met twee door Ons aan te wijzen officieren of gewezen
officieren van de landmacht.
3. Aan een verzoek om het advies van de in het vorig lid bedoelde
commissie in te winnen zal slechts worden voldaan, indien dat verzoek
bij het Departement van Defensie is ingekomen binnen 30 dagen na den
datum, waarop de ter zake betrekkelijke beslissing is verzonden.
Artikel 15
Dit besluit treedt in werking met ingang van den tweeden dag na dien
der dagteekening van het Staatsblad, waarin het is geplaatst.
Onze Ministers van Defensie en van
Binnenlandsche Zaken zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, belast met de
uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van
State.
St. Fillans, den 17den Augustus 1935
WILHELMINA
De Minister van Defensie,
L.N. Deckers
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
J.A. de Wilde
Uitgegeven den twintigsten September 1935
De Minister van Justitie,
Van Schaik