BESLUIT van 16 januari 2006, houdende regels met
betrekking tot de financiële ondersteuning van eigenaren van beschermde
monumenten ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten (Besluit
rijkssubsidiëring instandhouding monumenten)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.C. van der Laan, van 23 februari 2005, nr. WJZ/2005/4471 (8138),
directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 34 van de Monumentenwet 1988;
De Raad van State gehoord (advies van 31 maart
2005, nr. W05.05.0049/III);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.C. van der
Laan, van 13 januari 2006, nr. WJZ/2006/294 (8138), directie Wetgeving
en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. wet: Monumentenwet 1988,
b. eigenaar: natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van
eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een beschermd monument,
c. subsidiabele kosten: kosten die naar het oordeel van Onze
minister noodzakelijk zijn om een beschermd monument in stand te
houden,
d. instandhoudingsplan: instandhoudingsplan als bedoeld in artikel
12,
e. drempelbedrag: bedrag aan subsidie waaronder geen subsidie wordt
verstrekt,
f. bouwkundig inspectierapport: rapport met betrekking tot een
beschermd monument dat de technische staat van dat monument
beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige
instantie,
g. woonhuizen: beschermde monumenten die in oorsprong primair zijn
vervaardigd voor bewoning of die oorspronkelijk een andere functie dan
bewoning hadden maar die thans primair voor bewoning in gebruik zijn,
met dien verstande dat kerkgebouwen, kastelen, buitenplaatsen,
landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens en gemalen niet als
woonhuizen worden aangemerkt,
h. boerderijen zonder agrarische functie: beschermde monumenten die
in oorsprong primair zijn vervaardigd ten behoeve van het agrarisch
bedrijf maar die dat thans niet meer als primaire functie hebben,
i. boerderijen met een agrarische functie: beschermde monumenten
met een agrarische functie, zoals blijkend uit het overzicht van de
gegevens zoals geregistreerd in het kader van de landbouwtelling,
bedoeld in artikel 24 van de Landbouwwet,
j. aangewezen organisaties voor monumentenbehoud: organisaties als
bedoeld in artikel 37, en
k. complex: samenstel van beschermde monumenten dat wordt
gekenmerkt door hun onderlinge samenhang die mede bepalend is voor hun
monumentale waarde, en dat als complex is ingeschreven in de ingevolge
de wet vastgestelde registers.
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt een eigenaar van een
beschermd monument aangemerkt als een eigenaar die geen recht op fiscale
aftrek van onderhoudskosten heeft, indien sprake is van:
a. een lichaam dat niet behoort tot de belastingplichtigen, bedoeld
in de artikelen 2 en 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
b. een lichaam dat is vrijgesteld van belasting op grond van
artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 waarop art 10.9 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing is,
c. een lichaam dat is vrijgesteld van belasting op grond van
artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969,
d. een lichaam dat is vrijgesteld van belasting op grond van
artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of
e. een natuurlijk persoon, niet zijnde ondernemer of genieter van
belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, die geen recht heeft
op aftrek van uitgaven voor monumentenpanden in de zin van artikel
6.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3. Voor de toepassing van dit besluit wordt onderscheid gemaakt
in categorieën van beschermde monumenten. De onderscheiden categorieën
van beschermde monumenten zijn:
a. woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie,
b. kerkgebouwen,
c. kastelen, buitenplaatsen en landhuizen,
d. molens en gemalen, en
e. overige beschermde monumenten.
Hoofdstuk 2. Lening voor eigenaren van woonhuizen en boerderijen
zonder agrarische functie
Artikel 2. Lening
1. Onze minister draagt er zorg voor dat eigenaren van
woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie een lening kunnen
verkrijgen ter financiering van de kosten van de instandhouding van
het beschermd monument, met dien verstande dat:
a. de lening wordt verstrekt met als zekerheid het recht van
hypotheek op het beschermd monument,
b. de fiscaal aftrekbare onderhoudskosten zoals die door de
Belastingdienst worden gehanteerd, als grondslag dienen voor het
bepalen van de hoogte van de lening,
c. het maximumbedrag per lening en de voorwaarden waaronder de
lening wordt verstrekt, worden bekendgemaakt in de Staatscourant,
d. voor een eigenaar die recht op fiscale aftrek van
onderhoudskosten heeft, de lening maximaal 70% van de vastgestelde
fiscaal aftrekbare onderhoudskosten bedraagt, en
e. voor een eigenaar die geen recht op fiscale aftrek van
onderhoudskosten kan genieten, de lening maximaal 100% van de voor de
hoogte van de lening door de Belastingdienst fictief vastgestelde
fiscaal aftrekbare onderhoudskosten bedraagt.
2. Aangewezen organisaties voor monumentenbehoud en provincies,
gemeenten, waterschappen en openbare lichamen die zijn ingesteld met
toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, komen niet in
aanmerking voor een lening als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 3. Subsidie voor overige eigenaren
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 3. Subsidieaanspraak en subsidiabele kosten
1. Onze minister kan voor een periode van zes kalenderjaren aan
de eigenaar van een beschermd monument subsidie verstrekken ten
behoeve van de instandhouding van een beschermd monument. Het te
verstrekken subsidiebedrag bestaat uit zes gelijke bedragen.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven
omtrent de subsidiabele kosten.
Artikel 4. Aanspraak op subsidie
Voor subsidie op grond van dit hoofdstuk komen in aanmerking:
a. eigenaren van andere beschermde monumenten dan woonhuizen en
dan boerderijen zonder agrarische functie,
b. aangewezen organisaties voor monumentenbehoud,
c. provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen die
zijn ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke
regelingen, en
d. eigenaren van woonhuizen en boerderijen zonder agrarische
functie als bedoeld in artikel 7, tweede lid.
Artikel 5. Subsidieplafonds
Onze minister kan met betrekking tot ieder kalenderjaar
subsidieplafonds vaststellen voor subsidieverlening ten behoeve van
beschermde monumenten als bedoeld in artikel 6, eerste onderscheidenlijk
tweede lid, alsmede voor categorieën van beschermde monumenten waarvoor
subsidie kan worden verstrekt.
Artikel 6. Maximum subsidiabele kosten
1. Bij ministeriële regeling kan een maximumbedrag aan
subsidiabele kosten worden vastgesteld waarover per beschermd monument
subsidie kan worden verstrekt, voor:
a. woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie,
b. kerkgebouwen,
c. kastelen en landhuizen,
d. molens en gemalen, en
e. overige beschermde monumenten.
2. Indien de subsidiabele kosten van een beschermd monument € 700.000,–
of meer bedragen over een periode van zes jaar, is het eerste lid niet
van toepassing en bedraagt het maximumbedrag aan subsidiabele kosten
waarover per beschermd monument subsidie kan worden verstrekt, € 1
miljoen over de periode waarop het instandhoudingsplan betrekking heeft.
Artikel 7. Monument als complex beschermd
1. Op alle beschermde monumenten die deel uitmaken van een
beschermd complex, is het subsidiepercentage van toepassing dat geldt
voor de categorie waaronder het complex is ingeschreven.
2. Eigenaren van woonhuizen en boerderijen zonder agrarische
functie die deel uitmaken van een complex, komen in aanmerking voor
subsidie. In dat geval is artikel 2, eerste lid, niet van toepassing.
3. Op een kerkgebouw dat deel uitmaakt van een complex is het
subsidiepercentage van toepassing dat betrekking heeft op kerkgebouwen.
4. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op
complexen die als zodanig tot de categorie woonhuizen en boerderijen
zonder agrarische functie behoren.
Artikel 8. Subsidie noodzakelijk voor instandhouding; werkzaamheden
sober en doelmatig
Subsidie wordt slechts verleend voorzover deze noodzakelijk is voor
de instandhouding van het beschermd monument en voorzover de
werkzaamheden ter uitvoering van het instandhoudingsplan naar het
oordeel van Onze minister sober en doelmatig zijn.
Artikel 9. Uitgezonderd van subsidieverstrekking
1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht
wordt de subsidie in ieder geval niet verstrekt:
a. voorzover in de subsidiabele kosten subsidie is verstrekt op
grond van een andere rijkssubsidieregeling,
b. voorzover bij schade de subsidiabele kosten op grond van een
verzekering worden gedekt dan wel voorzover de subsidiabele kosten op
grond van de Wet op de omzetbelasting op verschuldigde belasting in
aftrek kunnen worden gebracht dan wel anderszins niet ten laste van de
aanvrager komen,
c. voorzover met de werkzaamheden is begonnen voordat Onze minister
de subsidie heeft verleend, of
d. ten behoeve van de instandhouding van archeologische monumenten.
2. Dit besluit is niet van toepassing voorzover subsidie kan
worden verstrekt op grond van een rijkssubsidieregeling voor historische
buitenplaatsen als bedoeld in het Besluit rijkssubsidiëring historische
buitenplaatsen.
Paragraaf 2. Subsidieaanvraag
Artikel 10. Subsidieaanvraag
1. Subsidie wordt per beschermd monument op aanvraag verleend.
2. De aanvraag kan van 1 april tot 1 september voorafgaand aan
het eerste kalenderjaar waarop het instandhoudingsplan betrekking heeft,
worden ingediend. Aanvragen die zijn ingediend vóór 1 april of na 1
september, worden niet in behandeling genomen.
3. Per beschermd monument kan slechts eenmaal voor een periode
waarop een instandhoudingsplan betrekking heeft subsidie worden
verleend.
Artikel 11. Vereisten subsidieaanvraag
1. De subsidieaanvraag wordt ingediend op een door Onze
minister vastgesteld formulier.
2. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van:
a. een instandhoudingsplan per beschermd monument of een
gecombineerd instandhoudingsplan als bedoeld in artikel 38,
b. een bouwkundig inspectierapport per beschermd monument dat is
opgesteld niet eerder dan twee jaren voorafgaande aan het eerste jaar
waarop de aanvraag betrekking heeft, en
c. andere in het formulier aangegeven bescheiden.
Artikel 12. Instandhoudingsplan
1. Het instandhoudingsplan omvat een overzicht van de aard en
omvang van de voorgenomen werkzaamheden alsmede een omschrijving van
de daarmee beoogde resultaten. Het instandhoudingsplan omvat tevens
een meerjarenplan en een meerjarenbegroting. In het meerjarenplan
wordt aangegeven in welk jaar de onderscheiden werkzaamheden
plaatsvinden.
2. Het instandhoudingsplan heeft betrekking op zes kalenderjaren.
3. Onze minister kan modellen vaststellen voor het
instandhoudingsplan.
Paragraaf 3. Subsidieverlening
Artikel 13. Verdeelcriterium
Onze minister verdeelt de beschikbare bedragen voor subsidieverlening
ten behoeve van beschermde monumenten als bedoeld in artikel 6, eerste
onderscheidenlijk tweede lid, in de volgorde van ontvangst van de
aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel
4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de
subsidieaanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende informatie
is ontvangen met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst
geldt.
Artikel 14. Financiële dekking
Subsidie wordt slechts verleend indien de financiële dekking van het
gedeelte van de subsidiabele kosten van de voorgenomen werkzaamheden dat
niet door subsidie kan worden gedekt, naar genoegen van Onze minister
zeker is gesteld.
Artikel 15. Begrotingsvoorbehoud
1. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is
vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel
4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in
artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de
op grond van dit besluit verleende subsidiebedragen verlaagd tot het
bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de
begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal
subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de
verleende subsidiebedragen.
Artikel 16. Beschikking op de subsidieaanvraag
1. Onze minister beslist binnen dertien weken op de
subsidieaanvraag.
2. Onze minister deelt de beschikking, bedoeld in het eerste lid,
dan wel een beschikking tot wijziging of intrekking van die beschikking
mee aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar het beschermd
monument is gelegen, en aan gedeputeerde staten van de provincie waar
het beschermd monument is gelegen.
Artikel 17. Rekening-courantfaciliteit
Onze minister draagt er zorg voor dat de aanvrager aan wie subsidie
is verleend, in aanmerking komt voor een rekening-courantfaciliteit.
Paragraaf 4. Hoogte subsidies
Artikel 18. Hoogte subsidie eigenaren van andere beschermde
monumenten dan woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie met
recht op fiscale aftrek van onderhoudskosten
De subsidie voor eigenaren van andere beschermde monumenten dan
woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie die recht op fiscale
aftrek van onderhoudskosten hebben, niet zijnde eigenaren als bedoeld in
de artikelen 20 en 21, bedraagt het volgende percentage van de
subsidiabele kosten:
a. bij kerkgebouwen: 55%,
b. bij kastelen, buitenplaatsen en landhuizen: 50%,
c. bij molens en gemalen: 50%, en
d. bij overige beschermde monumenten: 40%.
Artikel 19. Hoogte subsidie eigenaren van andere beschermde
monumenten dan woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie
zonder recht op fiscale aftrek van onderhoudskosten
De subsidie voor eigenaren van andere beschermde monumenten dan
woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie die geen recht op
fiscale aftrek van onderhoudskosten hebben, niet zijnde eigenaren als
bedoeld in de artikelen 20 en 21, bedraagt het volgende percentage van
de subsidiabele kosten:
a. bij kerkgebouwen: 65%,
b. bij kastelen, buitenplaatsen en landhuizen: 60%,
c. bij molens en gemalen: 60%, en
d. bij overige beschermde monumenten: 50%.
Artikel 20. Hoogte subsidie aangewezen organisaties voor
monumentenbehoud
Voor aangewezen organisaties voor monumentenbehoud bedraagt de
subsidie het volgende percentage van de subsidiabele kosten:
a. bij woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie: 25%,
b. bij kerkgebouwen: 65%,
c. bij kastelen, buitenplaatsen en landhuizen: 60%,
d. bij molens en gemalen: 60%, en
e. bij overige beschermde monumenten: 50%.
Artikel 21. Hoogte subsidie decentrale overheden
Voor provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen die
zijn ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen,
bedraagt de subsidie 30% van de subsidiabele kosten.
Artikel 22. Drempelbedrag
Subsidies worden niet verstrekt indien het bedrag dat overeenkomstig
de bepalingen van dit besluit zou worden verstrekt, lager is dan € 1.200.
Paragraaf 5. Verplichtingen
Artikel 23. Verplichtingen afhankelijk van de aard van het object en
de aard van de werkzaamheden
Onze minister kan de eigenaar verplichten:
a. mee te werken aan een onderzoek naar de bouwgeschiedenis van
het beschermd monument,
b. de aanbesteding en de gunning van de werkzaamheden waarvoor
subsidie is verleend, op een door Onze minister te bepalen wijze te
doen plaatsvinden,
c. Onze minister tussentijds te rapporteren over de voortgang van
werkzaamheden, of
d. binnen drie maanden na afloop van de periode waarover subsidie
is verleend, een door een architect gewaarmerkt volledig stel
revisietekeningen aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te
zenden.
Artikel 24. Relevante omstandigheden melden
De eigenaar doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze
minister indien er zich omstandigheden voordoen die van invloed kunnen
zijn op de subsidieverstrekking, onder overlegging van de relevante
stukken.
Artikel 25. Verzekering
Onze minister kan de eigenaar verplichten:
a. voor de duur van de werkzaamheden waarvoor subsidie is
verleend, een Casco-All-Risks verzekering af te sluiten, of
b. vanaf de aanvang van de werkzaamheden waarvoor subsidie is
verleend, op zijn kosten het beschermd monument te verzekeren dan
wel verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na
afloop van de werkzaamheden daartegen verzekerd te houden.
Artikel 26. Installatie ter voorkoming van blikseminslag
Onze minister kan de eigenaar verplichten het beschermd monument te
voorzien van een of meer installaties ter voorkoming van brand of
blikseminslag ter bescherming van de monumentale waarde van het
monument.
Artikel 27. Overleg met RDMZ
Onze minister kan de eigenaar verplichten om overleg te voeren met de
Rijksdienst voor de Monumentenzorg alvorens met de werkzaamheden ter
uitvoering van het instandhoudingsplan wordt gestart indien de
monumentale waarde van het beschermd monument daartoe aanleiding vormt.
Artikel 28. Begeleiding
Onze minister kan de eigenaar verplichten om de werkzaamheden onder
nader door hem te stellen voorwaarden te doen begeleiden indien voor de
uitvoering van het instandhoudingsplan specifieke kennis is vereist.
Artikel 29. Onderhoudsplicht
De eigenaar is verplicht na afloop van de werkzaamheden waarvoor
subsidie is verleend, het beschermd monument te bewaren en te
onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden waarvoor
subsidie is verleend, is gebracht.
Artikel 30. Voortgangsrapportage
1. Onze minister kan na de verlening van de subsidie over de
uitgevoerde werkzaamheden een voortgangsrapportage van de
subsidieontvanger verlangen die bestaat uit een overzicht van de
werkelijk uitgevoerde werkzaamheden ten opzichte van de volgens het
instandhoudingsplan voorgenomen werkzaamheden en de gedane uitgaven.
2. Onze minister bepaalt de wijze waarop de voortgangsrapportage
geschiedt.
Artikel 31. Bbm-verklaring
Onze minister kan de eigenaar die geen recht op fiscale aftrek van
onderhoudskosten heeft, verplichten een verklaring van de
Belastingdienst waarbij is vastgesteld dat geen aftrek mogelijk is, te
overleggen.
Paragraaf 6. Subsidievaststelling
Artikel 32. Vaststelling
1. Uiterlijk op 31 maart na afloop van het laatste kalenderjaar
waarover de subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger een
aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij Onze minister. De
aanvraag gaat vergezeld van de desbetreffende originele rekeningen en
betalingsbewijzen.
2. Indien rekeningen en betalingsbewijzen betrekking hebben op
kosten van personeel dat in loondienst is bij de eigenaar, gaat de
aanvraag tot vaststelling tevens vergezeld van een verklaring van een
registeraccountant of een accountant-administratieconsulent waaruit
blijkt hoeveel uren door dat personeel is besteed aan subsidiabele
werkzaamheden.
3. Onze minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot
vaststelling van de subsidie.
4. Een afschrift van de beschikking tot vaststelling van de
subsidie zendt Onze minister aan burgemeester en wethouders van de
gemeente waar het beschermd monument is gelegen, en aan gedeputeerde
staten van de provincie waar het beschermd monument is gelegen.
Artikel 33. Accountantsverklaring
1. In afwijking van artikel 32, eerste lid, tweede volzin, gaat
de aanvraag tot vaststelling van aangewezen organisaties voor
monumentenbehoud indien het subsidiebedrag meer bedraagt dan € 60.000,–,
vergezeld van een mededeling dat de subsidie rechtmatig is besteed,
afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De minister kan nadere voorschriften opleggen in verband met
de inrichting van die mededeling.
3. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de aangewezen
organisatie voor monumentenbehoud dat aan de accountant die door Onze
minister is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening,
op diens verzoek:
a. inzage wordt geboden in de controlerapporten en de
controledossiers van de accountant,
b. gelegenheid wordt gegeven om uit het controlerapport en
controledossier voldoende controle-informatie te verzamelen die
noodzakelijk is voor het eigen oordeel over de verrichte werkzaamheden
van de accountant, en
c. kopieën worden verstrekt van de controlerapporten en
controledossiers of delen daarvan.
4. De minister kan een controleprotocol opstellen voor het
onderzoek door de accountant. De subsidieontvanger bedingt bij de
accountant dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het
controleprotocol.
5. Elke aangewezen organisatie voor monumentenbehoud verschaft
toegang aan de accountant die door Onze minister is belast met het
onderzoek van de ministeriële jaarrekening, met het oog op het
verrichten van dat onderzoek.
Artikel 34. Lager vaststellen bij werkzaamheden in strijd met de wet
Onverminderd artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
subsidie in ieder geval lager dan de verlening worden vastgesteld indien
werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht in strijd met
het bij of krachtens de wet bepaalde.
Artikel 35. Tussentijdse vaststelling bij eigendomsoverdracht
1. Indien de subsidieontvanger de eigendom van een beschermd
monument overdraagt aan een andere eigenaar, dient de
subsidieontvanger binnen drie maanden na de eigendomsoverdracht een
aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij Onze minister. De
artikelen 32, 33 en 34 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan Onze
minister op verzoek van de eigenaar aan wie de eigendom is overgedragen,
aan die eigenaar subsidie verstrekken ten behoeve van de afronding van
het instandhoudingsplan. Artikel 13 is niet van toepassing.
Paragraaf 7. Betaling
Artikel 36. Voorschotten
1. Nadat subsidie is verleend, kan Onze minister aan de
eigenaar op basis van door de eigenaar ingediende overzichten van
gemaakte kosten, die vergezeld gaan van de desbetreffende originele
rekeningen en in voorkomend geval betalingsbewijzen, jaarlijks
voorschotten verstrekken tot ten hoogste een zesde gedeelte van het
totaal verleende subsidiebedrag. Artikel 32, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
2. Onze minister keert de voorschotten uit voorzover de
rekeningen werkzaamheden betreffen die in overeenstemming zijn met het
instandhoudingsplan.
Hoofdstuk 4. Aanwijzing organisaties voor monumentenbehoud
Artikel 37. Aanwijzing organisaties voor monumentenbehoud
1. Onze minister wijst op aanvraag organisaties die zich de
instandhouding van monumenten ten doel stellen, aan als een
organisatie voor monumentenbehoud indien:
a. de organisatie een privaatrechtelijke rechtspersoon is die
zonder winstoogmerk in hoofdzaak het in stand houden van beschermde
monumenten ten doel heeft,
b. de organisatie ten minste 20 beschermde monumenten in eigendom
heeft, en
c. de organisatie naar het oordeel van Onze minister beschikt over
voldoende professionele deskundigheid.
2. Onze minister kan de aanwijzing intrekken indien een
organisatie niet meer voldoet aan een van de in het eerste lid bedoelde
voorwaarden.
Artikel 38. Gecombineerd instandhoudingsplan
1. In afwijking van artikel 12 kan een aangewezen organisatie
voor monumentenbehoud instandhoudingsplannen samenvoegen tot een
gecombineerd instandhoudingsplan dat betrekking heeft op meerdere
beschermde monumenten. In dat plan wordt per beschermd monument de
aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden over de periode waarop
het plan betrekking heeft, aangegeven. Het gecombineerde
instandhoudingsplan omvat geen meerjarenplan als bedoeld in artikel
12.
2. Een aangewezen organisatie voor monumentenbehoud kan de
subsidie aanwenden voor uitvoering van werkzaamheden aan alle monumenten
waar het instandhoudingsplan betrekking op heeft met dien verstande dat
deze werkzaamheden strekken tot uitvoering van het instandhoudingsplan
en dat ten minste 50% van het maximumbedrag aan subsidiabele kosten als
bedoeld in artikel 6, per beschermd monument wordt besteed.
Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen
Artikel 39. Gevestigde aanspraken op grond van Brrm 1997
1. Subsidie, verleend op grond van het Besluit
rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997, wordt afgehandeld
overeenkomstig dat besluit.
2. De rechten en verplichtingen, die op het tijdstip van de
inwerkingtreding van dit besluit krachtens een beschikking op grond van
het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 gelden,
blijven gelden voorzover bij of krachtens dit besluit niet anders is
bepaald.
Artikel 40. Gevestigde aanspraken op grond van Brom
1. Subsidie, verleend op grond van hoofdstuk III van het
Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten, wordt afgehandeld
overeenkomstig dat besluit.
2. De rechten en verplichtingen, die op het tijdstip van de
inwerkingtreding van dit besluit krachtens een beschikking op grond van
het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten gelden, blijven
gelden voorzover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald.
Artikel 41. Gefaseerde inwerkingtreding
1. Onze minister wijst bij ministeriële regeling de beschermde
monumenten aan waarop, en de kalenderjaren waarin, eigenaren van
beschermde monumenten in aanmerking komen voor subsidie.
2. Voorzover dit besluit op grond van het eerste lid nog niet van
toepassing is, blijft het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud
monumenten van toepassing.
3. De eigenaar van een beschermd monument waarop dit besluit van
toepassing is, komt in aanmerking voor subsidie met ingang van 1 januari
van het eerste jaar waarop het instandhoudingsplan van toepassing is.
4. Aanvragen op grond van de artikelen 8 en 9 van het Besluit
rijkssubsidiëring onderhoud monumenten blijven mogelijk tot 1 april van
het eerste jaar waarop de eigenaar van een beschermd monument in
aanmerking komt voor subsidie, en worden afgehandeld overeenkomstig het
Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten.
Artikel 42. Vastgestelde budgetten
1. Ten laste van de budgetten die zijn vastgesteld op grond van
het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997, kunnen tot
1 oktober 2006 aanvragen op grond van dat besluit worden ingediend.
2. Aanvragen als bedoeld in het eerste lid, kunnen met
inachtneming van artikel 15 van het Besluit rijkssubsidiëring
restauratie monumenten 1997 tot 1 januari 2007 aan Onze minister worden
doorgezonden.
3. Budgetten als bedoeld in het eerste lid ten laste waarvan geen
subsidie is verleend na toepassing van het eerste en tweede lid, zijn
beschikbaar ten behoeve van de toepassing van dit besluit.
4. Aanvragen als bedoeld in het eerste lid, worden afgehandeld
overeenkomstig het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten
1997.
Artikel 43. Subsidie voor wegwerken restauratieachterstand
1. In dit artikel wordt verstaan onder restauratie: het
verrichten van die werkzaamheden, de normale instandhouding te boven
gaand, die voor het herstel van een beschermd monument noodzakelijk
zijn.
2. Onverminderd artikel 3, eerste lid, kan Onze minister aan een
eigenaar als bedoeld in artikel 4 subsidie verstrekken in de kosten ten
behoeve van de restauratie van een beschermd monument voorzover de
begrotingswetgever daartoe middelen ter beschikking heeft gesteld.
3. Subsidie als bedoeld in dit artikel wordt per beschermd
monument op aanvraag verleend.
4. De gefaseerde inwerkingtreding, bedoeld in artikel 41, geldt
niet voor subsidieverlening op grond van dit artikel.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het verstrekken van subsidie op grond van dit artikel.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 44. Wijziging van het Brom
[Wijzigt het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten.]
Artikel 45. Intrekking Brrm 1997, Brom en Besluit
buitenwerkingstelling restauratie-behoefteraming
Het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997, het
Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten en het Besluit
buitenwerkingstelling restauratie-behoefteraming worden ingetrokken met
inachtneming van hoofdstuk 5.
Artikel 46. Evaluatie
Onze minister zendt binnen 7 jaar na de inwerkingtreding van dit
besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en
de effecten van dit besluit in de praktijk.
Artikel 47. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 48. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rijkssubsidiëring
instandhouding monumenten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 16 januari 2006
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
M.C. van der Laan
Uitgegeven de eenendertigste januari 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner