| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Natuurschoonwet 1928
(NSW)
RANGSCHIKKINGSBESLUIT
NATUURSCHOONWET 1928
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 november 1990 tot vaststelling van het
Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 4 mei 1990, nr. J. 905759, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris
van Financiën;
Gelet op de artikelen 1, derde lid, en 2, tweede lid, van de
Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989, 252);
De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 1990,
nr. W11.90.0201);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij van 8 november 1990, nr. J. 9013303,
uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. landgoed: landgoed als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, van de Natuurschoonwet 1928;
b. houtopstanden: houtopstanden niet zijnde kweekgoed,
kerstboomteelten, laagstamboomgaarden of snijgrienden;
c. buitenplaats: onroerende zaak met daarop gelegen een in
oorsprong versterkt huis, een kasteel, een buitenhuis of een
landhuis, eventueel met bijgebouwen, met een architectonisch
daarmee verbonden historische tuin of historisch park van ten
minste één hectare waarvan de aanleg dateert van vóór 1850 en
herkenbaar aanwezig is, indien dit complex, dan wel ten minste
één van de onderdelen daarvan, een beschermd monument is dat is
ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
van de Monumentenwet 1988;
d. natuurterreinen:
1°. heidevelden, hoogvenen, laagveenmoerassen,
zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, slufters,
schorren, gorzen, slikken, groene stranden, rietlanden,
ruigten, struwelen, moerassen, vennen, poelen, beken, kleine
rivieren, wielen, afgesloten rivierlopen, kreken, bronnen en
sprengen, voor zover deze gronden niet in gebruik zijn als
landbouwgrond;
2°. kalkgraslanden, bloemrijke graslanden van het
heuvelland, van het zand- en het veengebied, of van het
rivieren- en zeekleigebied, natte schraalgraslanden,
dotterbloemgraslanden van beekdalen, of van veen- en
kleigebieden, natte matig voedselrijke graslanden, droge
schraalgraslanden van de hogere gronden, droge kalkarme
duingraslanden, droge kalkrijke duingraslanden en binnendijkse
zilte graslanden, voor zover deze gronden slechts in gebruik
zijn voor begrazing of als hooiland en begroeid zijn met voor
deze graslanden kenmerkende vegetatietypen;
e. Onze Ministers: Onze Ministers van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en van Financiën;
f. economische eigendom: economische eigendom als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Natuurschoonwet 1928.
2.In dit besluit wordt onder natuurterreinen mede verstaan
landbouwgrond die voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
a. de desbetreffende landbouwgrond wordt ingericht of
anderszins genoegzaam geschikt gemaakt voor de ontwikkeling tot
natuurterrein;
b. die ontwikkeling tot natuurterrein geschiedt overeenkomstig
een door Onze Ministers goedgekeurd natuurinrichtingsplan, waarin
tevens de tijdsduur is bepaald waarbinnen die ontwikkeling in
hoofdzaak zal worden voltooid;
c. elk gebruik van de grond dat de ontwikkeling tot
natuurterrein kan belemmeren, is blijkens een schriftelijke
verklaring gestaakt.
Artikel 2
1.Om als een landgoed te kunnen worden aangemerkt, dient een
onroerende zaak te voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. de oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt ten minste 5
hectare;
b. terreinen en wateren behorende tot de onroerende zaak vormen
een aaneengesloten gebied;
c. de oppervlakte van de onroerende zaak is voor ten minste 30
percent bezet met houtopstanden of natuurterreinen en
d. het soort gebruik dat van de onroerende zaak wordt gemaakt,
maakt geen inbreuk op het natuurschoon.
2.Voor zover tot de onroerende zaak behorende terreinen, opstallen
of wateren, of het soort gebruik dat daarvan wordt gemaakt, inbreuk
maken op het natuurschoon, worden die terreinen, die opstallen en die
wateren niet gerekend tot de als landgoed aan te merken onroerende
zaak.
3.De terreinen en wateren behorende tot een onroerende zaak worden
mede als een aaneengesloten gebied aangemerkt, indien:
a. de terreinen en wateren gescheiden worden door:
1°. onverharde wegen,
2°. verharde wegen niet breder dan vijf meter,
3°. waterlopen niet breder dan 25 meter, of
4°. niet-geëlektrificeerde enkelsporen; of
b. de terreinen en wateren gescheiden worden door een weg,
dijk, spoorweg of waterloop, voor zover er een landschappelijke of
functionele samenhang is tussen de terreinen en deze samenhang
herkenbaar aanwezig is, of voor zover er een nauwe historische
band bestaat tussen de terreinen.
4.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, worden tot de
met houtopstanden bezette oppervlakte van de onroerende zaak mede
gerekend kapvlakten, waarop een herplantplicht rust ingevolge de
Boswet en welke niet groter zijn dan 15 percent van de oppervlakte van
de met houtopstanden bezette terreinen tot ten hoogste 5 hectare, met
dien verstande dat een kapvlakte van 0,5 hectare of minder wordt
aangemerkt als een met houtopstanden bezet terrein.
Artikel 3
1.Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een
buitenplaats of een deel daarvan.
2.Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op een
buitenplaats met een oppervlakte van minder dan vijf hectare of een
deel daarvan.
3.Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een
onroerende zaak met een oppervlakte van minder dan vijf hectare doch
groter dan één hectare, indien:
a. de onroerende zaak grenst aan een onroerende zaak die als
landgoed is aangemerkt en de oppervlakte van beide onroerende
zaken gezamenlijk ten minste vijf hectare bedraagt, of de
onroerende zaak met één aangrenzende nog niet als landgoed
aangemerkte onroerende zaak, gezamenlijk een oppervlakte van ten
minste vijf hectare heeft; en
b. tussen beide onroerende zaken een nauwe historische band
bestaat.
4.Artikel 2, eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing
op een onroerende zaak met een oppervlakte van ten hoogste één
hectare, indien:
a. op de onroerende zaak een opstal is gelegen die vóór 1
januari 1940 is gebouwd en die na deze datum uiterlijk zijn
karakter heeft behouden;
b. de onroerende zaak grenst aan een onroerende zaak die als
landgoed is aangemerkt en de oppervlakte van beide onroerende
zaken gezamenlijk ten minste vijf hectare bedraagt; en
c. een nauwe historische band bestaat tussen de opstal, bedoeld
in onderdeel a, en de onroerende zaak die als landgoed is
aangemerkt, bedoeld in onderdeel b.
5.Opstallen, gelegen op onroerende zaken met een oppervlakte van
minder dan vijf hectare die met toepassing van het derde of vierde lid
als landgoed kunnen worden aangemerkt, maken slechts deel uit van het
landgoed voor zover het betreft:
a. beschermde monumenten die zijn ingeschreven in een register
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988;
b. opstallen voor het technisch beheer van het landgoed,
ongeschikt voor verblijf, met een oppervlakte van ten hoogste 20
m2 en een nokhoogte van ten hoogste 3 meter; of,
c. opstallen die vóór 1 januari 1940 zijn gebouwd en die na
deze datum uiterlijk hun karakter hebben behouden, voor zover een
nauwe historische band bestaat tussen de opstal en het landgoed.
6.In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, kan een
onroerende zaak, die nog niet voor ten minste 30 percent van de
oppervlakte bestaat uit houtopstanden of natuurterreinen, als landgoed
worden aangemerkt, indien, blijkens een beplantingsplan en blijkens
het begin van de feitelijke uitvoering daarvan, het voornemen bestaat
om de onroerende zaak in voldoende mate met houtopstanden te bezetten,
mits de onroerende zaak naar het oordeel van Onze Ministers na afloop
van de in artikel 3a, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 genoemde
termijn aan alle voorwaarden voor aanmerking als landgoed zal voldoen.
7.Het in het vierde lid, onderdeel a, het vijfde lid, onderdeel c,
en artikel 5, eerste lid, onderdeel d, genoemde jaartal wordt telkens
na het verstrijken van een periode van tien jaren na inwerkingtreding
van dit lid met tien jaren verhoogd.
Artikel 3a
De hoofdgerechtigde van een onroerende zaak die de onroerende zaak
heeft bezwaard met het beperkt recht van erfpacht zonder de economische
eigendom over te dragen wordt aangemerkt als de eigenaar van die
onroerende zaak, indien die onroerende zaak een oppervlakte heeft van
minder dan vijf hectaren.
Artikel 4
Als inbreuk makend op het natuurschoon, bedoeld in artikel 2, tweede
lid, wordt in ieder geval beschouwd de omstandigheid dat terreinen die
tot de onroerende zaak behoren, zijn ingericht of worden gebruikt:
a. voor industriële doeleinden;
b. voor intensieve veehouderij;
c. voor winning van bodemmaterialen of mijnbouw;
d. voor glastuinbouw;
e. als stortplaats voor afval;
f. als opslagplaats voor andere materialen dan die afkomstig uit
of bestemd voor de land- en bosbouw op de onroerende zaak;
g. voor auto- of motorsport;
h. voor intensieve dag- of verblijfsrecreatie anders dan
terreinen die zijn ingericht met inachtneming van het bepaalde in
artikel 6, tweede lid.
Artikel 5
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 4 wordt als inbreuk makend
op het natuurschoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, in ieder geval
niet beschouwd de omstandigheid dat op de onroerende zaak:
a. parken of tuinen zijn gelegen, die behoren bij een
buitenplaats;
b. landschappelijk aangelegde parken of landschapsstructuren
die vanouds behoren bij een buitenplaats zijn gelegen, waarvan de
aanleg dateert van vóór 1850 en herkenbaar aanwezig is, en
voorts op die onroerende zaak een beschermd monument dat is
ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
van de Monumentenwet 1988 is gelegen;
c. terreinen zijn gelegen, die vanouds het vrije uitzicht
mogelijk maken op of vanuit een op die onroerende zaak gelegen
opstal daterend van vóór 1850, voor zover die terreinen aan
weerszijden worden begrensd door houtopstanden;
d. opstallen zijn gelegen, die vóór 1 januari 1940 zijn
gebouwd en die na de genoemde datum uiterlijk hun karakter hebben
behouden;
e. andere opstallen dan die bedoeld in onderdeel d zijn
gelegen, indien zij grotendeels functioneel zijn voor de
instandhouding of voor het beheer van de onroerende zaak, en die,
ingeval zij door hun verschijningsvorm inbreuk maken op het
natuurschoon, aan het oog zijn onttrokken door beplanting;
f. waterpartijen voorkomen, dan wel waterlopen die noodzakelijk
zijn voor de waterhuishouding van de onroerende zaak;
g. terreinen zijn gelegen, die worden gebruikt voor de landbouw
voor zover elk van die terreinen:
1°. een oppervlakte van 5 hectare niet te boven gaat, of,
zo dit meer is, die oppervlakte niet meer bedraagt dan 5
percent van de oppervlakte van de onroerende zaak tot een
maximale oppervlakte van 20 hectare, en de omtrek van dat
terrein voor ten minste 75 percent is omgeven door
houtopstanden, dan wel de omtrek van dat terrein voor ten
minste 50 percent is omgeven door een nagenoeg aaneengesloten
houtopstand en voorts visueel van de aangrenzende terreinen is
gescheiden door een of meer bomen die bepalend zijn voor het
landschap;
2°. tezamen met een of meer aangrenzende, niet door
houtopstanden gescheiden, voor de landbouw gebruikte terreinen
een oppervlakte van 20 hectare niet te boven gaat en de
gezamenlijke omtrek van die terreinen voor 100 percent is
omgeven door houtopstanden;
h. parkeerterreinen van beperkte omvang zijn gelegen, voor
zover deze zijn bestemd voor gebruik door de eigenaar, door de
gebruiker of door de bezoekers van de onroerende zaak.
2.Onder in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde houtopstanden
worden mede begrepen houtopstanden die niet zijn gelegen op de
onroerende zaak zelf maar daaraan direct grenzen.
Artikel 6
1.Als inbreuk makend op het natuurschoon, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, wordt niet beschouwd de omstandigheid dat op de onroerende
zaak een of meer kampeerterreinen zijn gelegen, mits:
a. op een onroerende zaak met een oppervlakte van ten minste 25
hectare niet meer dan één kampeerterrein is gelegen;
b. op een onroerende zaak met een oppervlakte van ten minste
100 hectare niet meer dan twee kampeerterreinen zijn gelegen;
c. op een onroerende zaak met een oppervlakte van ten minste
250 hectare niet meer dan drie kampeerterreinen zijn gelegen.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder kampeerterrein
verstaan een terrein dat is ingericht of kennelijk duurzaam wordt
gebruikt voor het kamperen en:
a. waarvan de oppervlakte niet groter is dan 1 hectare;
b. dat niet is gelegen op een natuurterrein, dan wel in een
historisch park of in een historische tuin;
c. dat, wat betreft een onroerende zaak met een oppervlakte van
tenminste 100 hectare, op meer dan 500 meter van een ander
kampeerterrein op die onroerende zaak is gelegen;
d. waarop geen andere voorzieningen zijn aangebracht dan die
voor de toevoer van gas, electriciteit en water en voor sanitaire
behoeften;
e. waarop geen vaste standplaatsen zijn aangelegd.
Artikel 7
1. Een verzoek aan Onze Ministers om een onroerende zaak aan te
merken als een landgoed wordt ingediend met gebruikmaking van een
daartoe bestemd formulier en bevat ten minste:
a. een overzicht van de als landgoed aan te merken kadastrale
percelen, waarbij per perceel de (geschatte) oppervlakte wordt
vermeld;
b. een beschrijving van:
1°. de vanuit het oogpunt van natuurschoon kenmerkende
structuren en elementen van de onroerende zaak;
2°. de hoedanigheid van de terreinen, de opstallen en het
soort gebruik dat van die terreinen en van die opstallen wordt
gemaakt; en
3°. de historische ontwikkeling van de onroerende zaak.
2. Bij het verzoek worden in ieder geval overgelegd:
a. actuele uittreksels uit de basisregistratie kadaster die op
de onroerende zaak betrekking hebben;
b. kleurenfoto’s van de opstallen;
c. een topografische kaart van de onroerende zaak, waarop de in
het eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, bedoelde gegevens
zijn aangegeven;
d. voor zover het betreft een aanvraag ten aanzien van een
onroerende zaak als bedoeld in artikel 3, eerste, tweede of vijfde
lid, onderdeel a, een afschrift van de beschikking waarbij de
onroerende zaak is aangewezen als beschermd monument.
e. in geval een verzoek wordt gedaan om de onroerende zaak aan
te merken als een landgoed met toepassing van artikel 3, derde of
vierde lid, bewijsstukken waaruit de nauwe historische band als
bedoeld in deze artikelleden en, indien van toepassing, artikel 3,
vijfde lid, blijkt;
3. In geval tot de onroerende zaak landbouwgrond als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, behoort, worden tevens bewijsstukken overgelegd
waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, genoemd in artikel
1, tweede lid
4. Een verzoek om een onroerende zaak als landgoed aan te merken
met toepassing van artikel 3, derde lid, wordt ingediend tezamen met
het verzoek van de eigenaar van de in dat lid bedoelde nog niet als
landgoed aangemerkte aangrenzende onroerende zaak om die zaak als
landgoed aan te merken. Bij de verzoeken wordt tevens een gezamenlijke
verklaring van de eigenaren van de onroerende zaken gevoegd, waarin
zij om toepassing van artikel 3, derde lid, verzoeken. Indien beide
onroerende zaken ieder een oppervlakte van minder dan 5 hectare hebben
en één van de gezamenlijk ingediende verzoeken wordt afgewezen,
wordt ook het andere verzoek afgewezen.
5. Bij een verzoek om een onroerende zaak als landgoed aan te
merken met toepassing van artikel 3, zesde lid, worden tevens
overgelegd:
a. een beplantingsplan, waarvan het model door Onze Ministers
wordt vastgesteld; en
b. een duidelijke kaart of plattegrond, waarop de tot de
onroerende zaak behorende percelen die geheel of gedeeltelijk met
houtopstanden bezet zullen worden, zijn aangegeven, onder
vermelding van de kadastrale nummers.
6. Indien met betrekking tot een onroerende zaak regelen als
bedoeld artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 inzake
openstelling voor het publiek ter goedkeuring aan Onze Ministers
worden voorgelegd, worden bij het verzoek tot goedkeuring op een
afzonderlijke topografische kaart de wegen en paden die voor het
publiek toegankelijk zijn, alsmede de plaatsaanduiding van de
toegangsborden, aangegeven.
7. De topografische kaart, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c,
onderscheidenlijk het zesde lid, heeft een schaal van 1 : 10.000, met
dien verstande dat voor een onroerende zaak kleiner dan vijf hectare
de schaal 1 : 2500 bedraagt.
8. Bij regeling van Onze Ministers kan worden afgeweken van het
eerste en tweede lid ten aanzien van bij die regeling aangewezen
categorieën van verzoeken.
9. Onze minister besluit binnen een termijn van zestien weken na
ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8
De voorwaarden, bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van
de Gemeentewet, zijn:
a. ten minste 30 percent van de oppervlakte van het landgoed is
bezet met houtopstanden; of
b. de oppervlakte van het landgoed is voor ten minste 20 percent
met houtopstanden bezet waarbij de oppervlakte voorts voor ten
minste 50 percent bestaat uit natuurterreinen.
Artikel 9
1.Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
2.Dit besluit kan worden aangehaald als: Rangschikkingsbesluit
Natuurschoonwet 1928.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 23 november 1990
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.D. Gabor
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort
Uitgegeven de eenendertigste december 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|