| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Overgangswet
elektriciteitsproductiesector
UITVOERINGSREGELING
OVERGANGSWET ELEKTRICITEITSPRODUCTIESECTOR
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Economische Zaken van
20 januari 2005, nr. WJZ 4081042, tot vaststelling van regels
over tegemoetkoming van de elektriciteitsproductiesector
(Uitvoeringsregeling Overgangswet elektriciteitsproductiesector)
De Minister
van Economische Zaken;
Gelet op artikel 8, eerste lid, van de
Overgangswet elektriciteitsproductiesector;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Economische Zaken;
b. wet: Overgangswet elektriciteitsproductiesector;
c. rechtspersoon: rechtspersoon als vermeld in bijlage 1 bij
deze regeling.
2.Onder de overige in deze regeling gebruikte termen wordt verstaan
hetgeen daaronder verstaan wordt in de Elektriciteitswet 1998.
§ 2. Tegemoetkoming
Artikel 2
1.Aan een rechtspersoon wordt een tegemoetkoming verstrekt in de
kosten die voortvloeien uit de overeenkomsten met betrekking tot
stadsverwarmingsprojecten als bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van
de wet. In bijlage 1 bij deze regeling zijn de in de eerste volzin
bedoelde projecten per rechtspersoon vermeld.
2.De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend aan
de hand van de in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen formule.
3.Op de tegemoetkoming worden in mindering gebracht:
a. het in het voorafgaande jaar verkregen batig saldo van een
stadsverwarmingsproject, en
b. te verstrekken of verstrekte subsidies of fiscale
maatregelen ten behoeve van de kosten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3
De hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7, onderdeel b,
van de wet die aan de B.V. Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor
en N.V. NUON Energy Trade & Wholesale wordt verstrekt, komt overeen
met het verschil tussen de netto vermogenswaarde van de N.V. Demkolec,
berekend overeenkomstig de overdrachtsbalans behorende bij de notariële
akte, verleden op 2 oktober 2001, en de overeengekomen koopsom,
respectievelijk met hetgeen de staat verschuldigd mocht zijn uit de
overeenkomst gesloten op 2 oktober 2001 met N.V. NUON Energy Trade &
Wholesale.
Artikel 4
1. Het totale bedrag aan door de minister te verstrekken
voorschotten op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, zal niet
groter zijn dan 80% van de verwachte tegemoetkoming over dat jaar.
2. Een voorschot bedraagt € 500.000 of een veelvoud daarvan.
3. Jaarlijks kan ten hoogste tweemaal een aanvraag om een voorschot
worden ingediend, de eerste aanvraag niet eerder dan 1 april.
4. Een aanvraag tot bevoorschotten wordt ingediend met
gebruikmaking van een door de aanvrager te ondertekenen formulier,
waarvan het model is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling.
5. De minister geeft een beschikking binnen acht weken na ontvangst
van de aanvraag om een voorschot.
Artikel 5
Een rechtspersoon voert een zodanig ingerichte administratie dat
daaruit te allen tijde in elk geval kunnen worden nagegaan de door hem
verkregen opbrengsten, bijdragen, gemaakte kosten en het nadelige of
batige saldo van een stadsverwarmingsproject als bedoeld bij deze
regeling.
Artikel 6
Van de beëindiging van een overeenkomst met betrekking tot een
project als opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, of wijziging
daarvan die van invloed is of kan zijn op de desbetreffende kosten,
wordt de minister door de onderscheiden rechtspersonen terstond op de
hoogte gebracht.
Artikel 7
1.De rechtspersoon verstrekt de minister binnen twaalf weken na het
einde van elk boekjaar een opgave van de door hem verkregen
opbrengsten, daaronder mede begrepen het nadelige of batige saldo van
het stadsverwarmingsproject, van de bijdragen, bedoeld in artikel 2,
derde lid, onderdeel b, en van de gemaakte, relevante kosten, met
gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier,
opgenomen als bijlage 4 bij deze regeling.
2.De in het eerste lid bedoelde opgave gaat vergezeld van:
a. een door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijke wetboek, met inachtneming van
het in bijlage 5 bij deze regeling opgenomen protocol,
ondertekende origineel van een verklaring waarvan het model is
opgenomen in dat protocol, en
b. een door een accountant als bedoeld in onderdeel a van de
betrokken leverancier van stadsverwarming ondertekende verklaring
omtrent het door de leverancier genoten voordeel aan
niet-verschuldigde regulerende energiebelasting als bedoeld in de
Wet belastingen op milieugrondslag.
3.In afwijking van het eerste lid verstrekt de rechtspersoon de
minister de opgave van de door hem verkregen opbrengsten in 2001,
2002, 2003 respectievelijk 2004 voor 1 april 2005 met gebruikmaking
van een formulier als bedoeld in dat lid.
Artikel 8
1.De minister geeft een beschikking over de hoogte van de
tegemoetkoming voor een stadsverwarmingsproject binnen acht weken na
ontvangst van de in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, bedoelde
documenten.
2.Indien de beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven,
stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij
een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden
gezien.
3.De minister beslist in ieder geval afwijzend indien de
desbetreffende rechtspersoon niet voldoet aan deze regeling.
Artikel 9
1.Indien in enig jaar blijkt dat bij een beschikking als bedoeld in
artikel 8 de tegemoetkoming te hoog is vastgesteld, vordert de
minister het teveel betaalde terug, verhoogd met een rentepercentage
als bedoeld in het tweede lid over dat bedrag met ingang van de dag
waarop de onjuiste beschikking is bekendgemaakt. De bevoegdheid tot
terugvordering verjaart door verloop van tien jaar na de dag waarop de
onjuiste beschikking, bedoeld in de eerste volzin, is bekendgemaakt.
De verjaringstermijn wordt gestuit door een schriftelijke mededeling
van de minister omtrent de onjuiste beschikking.
2.Het rentepercentage, bedoeld in het eerste lid, is ten minste
gelijk aan het percentage zoals dat jaarlijks bekend wordt gemaakt in
het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 10
1.Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 2001.
2.De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, wordt uitsluitend
verstrekt voor kosten die betrekking hebben op het tijdvak van 1
januari 2001 tot en met 31 december 2010 met dien verstande dat het
maximale bedrag voor het verstrekken van de tegemoetkomingen aan de
gezamenlijke rechtspersonen in het genoemde tijdvak wordt vastgesteld
op € 507.000.000.
3.Indien aannemelijk is dat door het totaal aan tegemoetkomingen
over een kalenderjaar het maximumbedrag, genoemd in het tweede lid,
zal worden overschreden, worden de beschikkingen over de hoogte van de
tegemoetkomingen over dat kalenderjaar gelijktijdig genomen; die
tegemoetkomingen worden indien nodig gekort door ze te
vermenigvuldigen met het quotiënt van het nog voor tegemoetkoming
beschikbare bedrag en het totaal van de tegemoetkomingen die over dat
kalenderjaar zouden worden verstrekt indien geen rekening zou worden
gehouden met het maximumbedrag.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Overgangswet
elektriciteitsproductiesector.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage
worden gelegd bij de Directie Communicatie van het ministerie van
Economische Zaken, Bezuidenhoutseweg 30, Den Haag.
Den Haag, 20 januari 2005.
De Minister van Economische Zaken,
L.J. Brinkhorst.
Bijlage 1
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Economische Zaken te Den Haag]
Bijlage 2
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Economische Zaken te Den Haag]
Bijlage 3
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Economische Zaken te Den Haag]
Bijlage 4
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Economische Zaken te Den Haag]
Bijlage 5
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Economische Zaken te Den
Haag]
|
|
|