REGELING van de Minister van Justitie van 22 november
2004, nr. 5295956/04/DJI, houdende bepalingen met betrekking tot de
eisen voor erkenning van een penitentiair programma of een onderdeel
daarvan (Erkenningsregeling penitentiair programma 2004)
De Minister
van Justitie;
Gelet op artikel 4, derde en vijfde lid, van de
Penitentiaire beginselenwet en artikel 5, vierde lid, van de
Penitentiaire maatregel;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. DJI: Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van
Justitie;
b. sectordirectie Gevangeniswezen: de sectordirecteur
Gevangeniswezen van de DJI of diens plaatsvervanger;
c. deelnemer: degene die deelneemt aan het penitentiair
programma;
d. reclasseringsinstelling: een instelling als bedoeld in artikel
4 van de Reclasseringsregeling 1995;
e. derde-organisatie: een instelling op het terrein van
maatschappelijke hulp- en dienstverlening of opleiding en scholing
of een vrijwilligersorganisatie op het terrein van hulpverlening aan
justitiabelen, niet zijnde een inrichting of een
reclasseringsinstelling;
f. werkgever: het bedrijf waar de deelnemer arbeid verricht;
g. uitvoeringsverantwoordelijke instantie: de instantie die
verantwoordelijk is voor de uitvoering van een penitentiair
programma.
Artikel 2
1. De sectordirectie Gevangeniswezen kan een penitentiair
programma of een onderdeel daarvan erkennen.
2. De directeur, een reclasseringsinstelling of een
derde-organisatie kan een voordracht voor erkenning van een penitentiair
programma voorleggen aan de sectordirectie Gevangeniswezen.
Artikel 3
Voor erkenning kunnen worden voorgedragen:
a. een standaardprogramma;
b. modules, die onderdeel uitmaken van een penitentiair
programma.
Artikel 4
1. De erkenning geschiedt voor een periode van maximaal twee
jaren.
2. Op de aanvraag tot erkenning wordt binnen drie maanden
beslist.
3. De sectordirectie Gevangeniswezen zendt een afschrift van zijn
besluit aan de aanvrager. De sectordirectie Gevangeniswezen houdt tevens
een lijst bij van erkende penitentiaire programma’s.
4. De erkenning kan door de sectordirectie Gevangeniswezen
tussentijds worden ingetrokken indien:
a. voor het erkende standaardprogramma of module geen doelgroep
meer bestaat;
b. de voorwaarden, die bij de erkenning zijn gesteld, niet worden
nageleefd;
c. de gegevens, die in het kader van de aanvraag tot erkenning zijn
verstrekt zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanvraag een
ander besluit zou zijn gevolgd indien ten tijde van de beoordeling van
de aanvraag de juiste en volledige gegevens bekend zouden zijn
geweest;
d. de derde-organisatie niet bonafide blijkt te zijn.
5. De directeur van een penitentiaire inrichting, een
reclasseringsinstelling of de derde-organisatie dient desgewenst
uiterlijk drie maanden voor afloop van de termijn waarvoor de erkenning
is gegeven een verzoek tot verlenging in.
6. De sectordirectie Gevangeniswezen kan besluiten de erkenning
niet te verlengen indien één of meer omstandigheden zich voordoen als
bedoeld in het vierde lid, onder a tot en met d.
Artikel 5
1. Het standaardprogramma of de module van een penitentiair
programma dient een beschrijving te bevatten van de wijze waarop het
programma invulling geeft aan de verdere tenuitvoerlegging van de
vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis.
2. Een penitentiair programma bevat een samenstel van
activiteiten dat zo evenwichtig mogelijk is gespreid over de hierna
genoemde onderdelen, per week tenminste 26 uur omvat en ten minste uit
een van de volgende hoofdrubrieken is opgebouwd:
a. arbeidstoeleiding zoals werk, het verkrijgen van een vakdiploma
en gewenning aan het arbeidsproces;
b. stimuleren van de zelfredzaamheid zoals sociale vaardigheden,
budgettering, woonbegeleiding, alfabetisering en vergroten van
zelfdiscipline;
c. behandeling van een psychische stoornis of
verslavingsproblematiek.
3. De aanvraag tot erkenning van een penitentiair programma of
een module van een penitentiair programma bevat ten minste een
beschrijving van:
a. de tijdsduur en opbouw van het standaardprogramma of de module,
b. de doelgroep,
c. de leerdoelen en programma-activiteiten;
d. de contra-indicaties voor deelname aan het standaardprogramma of
de module;
e. de te gebruiken methodiek, inclusief de achtergronden en
eventuele theoretische-wetenschappelijke verantwoording ter zake;
f. de wijze waarop inhoudelijk en procedureel uitvoering wordt
gegeven aan de activiteiten en de wijze waarop het programma kan
worden ingepast in een breder traject van penitentiair programma’s
of modules daarvan;
g. de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma of
de module;
h. de wijze van toezicht, begeleiding en evaluatie; en
i. de kosten aan de hand van een gedetailleerde begroting van de
vaste en variabele personele en materiële kosten.
4. Indien de aanvraag tot erkenning door een derde-organisatie
wordt ingediend, legt hij bij de aanvraag een verklaring over waarin is
vermeld dat hij zal voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. accepteren van toezicht op de gemaakte afspraken en evaluatie
ervan;
b. zorg dragen voor toezicht op de deelnemer;
c. periodiek rapporteren over de voortgang van de deelnemer;
d. melden van bijzondere voorvallen;
e. medewerken aan of zorg dragen voor controle op het gebruik van
niet toegelaten gedragsbeïnvloedende middelen;
f. in acht nemen en waar nodig naleven van de voorwaarden die aan
de deelnemer worden gesteld.
Artikel 6
1. De activiteiten in het kader van een penitentiair programma
kunnen worden uitgevoerd door een inrichting, een
reclasseringsinstelling, een derde-organisatie of een werkgever.
2. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte
daarvan uitgevoerd wordt door een derde-organisatie die:
a. op grond van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische
ziekenhuizen als zorginstelling is aangemerkt;
b. een instelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen die is toegelaten
voor het verlenen van zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel
6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
c. door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is
erkend als onderwijsinstelling; of
d. op grond van de Reclasseringsregeling van 1995 is erkend als
reclasseringsinstelling, dan vermeldt de organisatie dit bij de
aanvraag om erkenning van een penitentiair programma of een module
daarvan.
3. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte
daarvan wordt uitgevoerd door een derde-organisatie, die niet door een
in het tweede lid genoemd Ministerie of krachtens een daar genoemde wet
of regeling erkend of toegelaten is, wordt bij de voordracht voor
erkenning van het penitentiair programma de betrouwbaarheid van de
derde-organisatie getoetst.
4. Indien het penitentiair programma of een substantieel gedeelte
daarvan uitgevoerd wordt door een werkgever, wordt door de directeur van
de inrichting of een reclasseringsinstelling de betrouwbaarheid van de
werkgever getoetst.
Artikel 7
1. De sectordirectie Gevangeniswezen wijst per hofressort één
of meer inrichtingen aan waarbij de deelnemers administratief worden
ingeschreven.
2. Alleen inrichtingen en reclasseringsinstellingen kunnen
aangemerkt worden als uitvoeringsverantwoordelijke instantie.
3. De selectiefunctionaris wijst bij zijn besluit tot deelname
aan een penitentiair programma tevens de uitvoeringsverantwoordelijke
instantie aan.
4. De uitvoeringsverantwoordelijke instantie houdt toezicht op de
feitelijke begeleiding van de deelnemer aan het programma. Onder
toezicht wordt in ieder geval verstaan:
a. het toezien op de daadwerkelijke deelname aan de
programmaonderdelen;
b. het toezien op het nakomen van de procedures die ter zake van
het penitentiair programma zijn overeengekomen;
c. het toezien op de begeleiding door de werkgever of de
derde-organisatie van de deelnemer aan het penitentiair programma;
d. het beoordelen en aanbrengen van kleine aanpassingen in het
penitentiair programma van de deelnemer;
e. het beoordelen van de ernst van een overtreding en het melden
van die overtreding aan de directeur van de inrichting;
f. het signaleren van vorderingen en ontwikkelingen van de
deelnemer aan een penitentiair programma;
g. het tijdig opstellen van tussen- en eindrapportages.
5. De uitvoeringsverantwoordelijke instantie sluit een
overeenkomst met de werkgever of derde-organisatie. In elk geval worden
afspraken gemaakt over de te verrichten werkzaamheden, de financiering
en het toezicht door de uitvoeringsverantwoordelijke instantie op inhoud
en kwaliteit van het programma.
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Erkenningsregeling penitentiair
programma 2004.
Artikel 10
De Erkenningsregeling penitentiair programma wordt ingetrokken.
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner.