De Minister van
Justitie;
Gelet op artikel 35, vierde lid, van de
Penitentiaire beginselenwet;
Gezien het advies van de Centrale Raad voor
Strafrechtstoepassing van 19 mei 1998 (nr. 697460/98);
Besluit:
Artikel 1
In deze instructie wordt verstaan onder:
a. meerdere: de ambtenaar of medewerker die uit hoofde van
zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding
is belast of het bevel geeft over de taakuitvoering;
b. selectiefunctionaris: een persoon belast met de
plaatsing en overplaatsing van gedetineerden als bedoeld in artikel
15, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet;
c. eenheid: een eenheid bij de Landelijke Bijzondere
Bijstandsverlening van de Dienst Justitiële Inrichtingen;
d. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe
betekenis uitgeoefend op personen of zaken;
e. aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld of het
dreigen met geweld, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg
ter hand nemen van een vuurwapen;
f. geweldsmiddel:
1°. de semi-automatische uitvoering van de Heckler en Koch, type
A2 en type A3, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
2°. een semi-automatisch pistool van het merk Walther P5,
kaliber 9 maal 19 millimeter;
3°. een korte of lange wapenstok van een door de Minister van
Justitie goedgekeurd merk en type;
4°. CS-traangasgranaten of traangasverspreidende middelen van
een door de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type;
5°. pepperspray van een door de Minister van Justitie
goedgekeurd merk en type.
g. vrijheidsbeperkende middelen:
1°. handboeien van een door de Minister van Justitie goedgekeurd
merk en type;
2°. een broekstok;
3°. middelen als bedoeld in de bijlage bij de Regeling
toepassing mechanische middelen.
h. het gebruik van een vuurwapen: het trekken, het uit
voorzorg ter hand nemen, het richten, het gericht houden en het
daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen.
Artikel 2
1. Het gebruik van een geweldsmiddel is uitsluitend toegestaan
aan een daartoe door de directeur aangewezen ambtenaar of medewerker:
a. aan wie dat geweldsmiddel rechtens is toegekend,
b. voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog
waarop het geweldsmiddel hem is toegekend, en
c. die in het gebruik van dat geweldsmiddel is geoefend.
2. Aan het gebruik van een geweldmiddel gaat zo mogelijk een
waarschuwing vooraf.
Artikel 3
1. De inrichtingsdirecteur stelt een voor zijn inrichting
geldende dienstinstructie voor het personeel vast.
2. De directeur geeft daarin aan onder welke omstandigheden,
welke ambtenaren of medewerkers bevoegd zijn, binnen en buiten de
inrichting, jegens een gedetineerde geweld te gebruiken dan wel
vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden en van welk geweldsmiddel dan
wel vrijheidsbeperkend middel daarbij gebruik mag worden gemaakt.
Artikel 4
1. De directeur of de daartoe door hem aangewezen ambtenaar of
medewerker kan de eenheid inzetten.
2. De ambtenaar of medewerker zet de eenheid slechts in na
toestemming van de directeur.
Artikel 5
Het gebruik van een vuurwapen is slechts geoorloofd:
a. om een gedetineerde aan te houden ten aanzien van wie
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een (vuur)wapen bij
zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
b. om een gedetineerde aan te houden die zich aan zijn
vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken;
c. tot het beteugelen van woelingen, indien er sprake is van een
optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;
d. ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.
Artikel 6
De ambtenaar of medewerker mag in verband met zijn eigen veiligheid
of die van anderen slechts uit voorzorg een vuurwapen ter hand nemen
indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een situatie ontstaat
waarin hij bevoegd is het vuurwapen te gebruiken. Zodra blijkt dat een
dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het vuurwapen terstond
opgeborgen.
Artikel 7
1. De ambtenaar of medewerker geeft onmiddellijk voordat hij
gericht met een vuurwapen zal schieten een waarschuwing. De
waarschuwing kan worden vervangen door een waarschuwingsschot, wanneer
omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
2. Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden afgevuurd
dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.
Artikel 8
1. Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd:
a. in gesloten ruimten ter aanhouding van een gedetineerde indien
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die een vuurwapen bij zich
heeft en dat tegen personen zal gebruiken, dan wel ander ernstig
geweld tegen personen zal gebruiken;
b. anders dan in gesloten ruimten ter verspreiding van menigten van
gedetineerden die een ernstige en onmiddellijke bedreiging vormen voor
de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
2. Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd in opdracht
van de directeur.
3. De directeur die bevel geeft tot het verspreiden van
CS-traangas geeft bij dit bevel aan hoeveel CS-traangasgranaten worden
gebruikt.
Artikel 8a
1. Het gebruik van pepperspray is slechts geoorloofd voorzover
dit noodzakelijk is ter aanhouding van een gedetineerde indien
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij ernstig geweld tegen
personen zal gebruiken.
2. Pepperspray wordt tegen een persoon per geval ten hoogste twee
maal voor ten hoogste enkele seconden gebruikt op een afstand van ten
minste een meter.
3. Pepperspray mag niet worden gebruikt tegen:
a. gedetineerden die zichtbaar jonger dan 12 of ouder dan 65 jaar
zijn;
b. gedetineerde vrouwen die zichtbaar zwanger zijn;
c. gedetineerden voor wie dit gebruik als gevolg van zichtbare
ademshalings- of andere ernstige gezondheidsstoornis onevenredig
schadelijk kan zijn;
d. groepen personen.
4. Pepperspray mag niet worden gebruikt in de nabijheid van baby’s.
5. De ambtenaar of medewerker die pepperspray heeft gebruikt is
verantwoordelijk voor het verlenen van nazorg.
Artikel 9
1. De ambtenaar of medewerker die geweld heeft gebruikt of
vrijheidsbeperkende middelen heeft aangewend, meldt dit onverwijld
schriftelijk aan de directeur van de betrokken inrichting of de
selectiefunctionaris. De schriftelijke melding dient duidelijkheid te
verschaffen over de redenen die tot het aanwenden van geweld hebben
geleid, de daaruit voortvloeiende gevolgen en op wiens last dit
aanwenden van geweld heeft plaatsgevonden.
2. Indien de aanwending van het geweld bij een gedetineerde heeft
geleid tot lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis en in alle
gevallen waarin van een vuurwapen, een wapenstok of CS-traangasgranaten
of traangasverspreidende middelen gebruik is gemaakt, dient deze melding
tevens ter kennis te worden gebracht van het hoofd van de Dienst
Justitiële Inrichtingen en het Openbaar Ministerie. De directeur van de
betrokken inrichting of de selectiefunctionaris dient in een dergelijk
geval tevens zo spoedig mogelijk schriftelijk advies in te winnen bij
een arts.
3. De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt in
de vorm van een rapport indien:
a. de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel
van de meerdere, aanleiding geven, of
b. gebruik is gemaakt van enig geweldsmiddel en lichamelijk letsel
dan wel de dood veroorzaakt is.
Artikel 10
De ambtenaar of medewerker kan een gedetineerde ten behoeve van het
vervoer, een broekstok, of ten behoeve van het vervoer of interne
verplaatsing, handboeien aanleggen.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Geweldsinstructie penitentiaire
inrichtingen.
Artikel 12
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1999.
Artikel 13
De Geweldsinstructie gestichtspersoneel van 25 mei 1966, nr. GW 12,
met de bijbehorende handleiding van 30 juni 1966, van de Directie
Gevangeniswezen/ Bureau Beveiliging, de besluiten van 31 mei 1985, nr.195/
P385, van de Directie Gevangeniswezen, Staf. J.Z., tot wijziging van de
Geweldsinstructie gestichtspersoneel, en het besluit van 19 maart 1991,
nr. 47988/91 DJ, van de Dir. D&J, worden ingetrokken.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.