| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Penitentiaire
beginselenwet (Pbw)
PENITENTIAIRE
MAATREGEL
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 februari 1998, houdende vaststelling
van de Penitentiaire maatregel en daarmee verband houdende wijziging van
enige andere regelingen (Penitentiaire maatregel)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Onze Minister van Justitie, van 8 juli 1997, nr.
640008/97/6;
Gelet op artikel 89 van de Grondwet, artikel 13
van het Wetboek van Strafrecht en voorts de artikelen 3, vijfde lid, 4,
tweede lid, 7, vierde lid, 32, tweede lid, 41, vierde lid, 42, vijfde
lid, 45, derde lid, 59, 61, vierde lid, 65, tweede lid, 67, vierde lid,
van de Penitentiaire beginselenwet en artikel 40, vierde lid, van de
Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden;
Gezien de adviezen van de Centrale Raad voor
Strafrechtstoepassing van 11 november 1996, nr. RA/98/96, 25 maart 1997,
nr. RA 20/97 en 6 juni 1997, nr. 631365/97, en het advies van de
Registratiekamer van 23 oktober 1996, nr. 96.A.495/1;
De Raad van State gehoord (advies van 26
november 1997, nr. W03.97 0476);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 16 februari 1998, nr. 680358/98/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Penitentiaire beginselenwet;
b. reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995;
c. executie-indicator: de aantekening van het openbaar ministerie
bij het aanbieden van een vonnis ter executie aan Onze Minister
waarin wordt aangegeven dat het openbaar ministerie wil adviseren
over te nemen besluiten inzake de verschillende vormen van te
verlenen vrijheden aan de betreffende gedetineerde.
Hoofdstuk 2. Opperbeheer inrichtingen en regime
Artikel 2
1.De directeur brengt jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister
een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het jaarplan omvat in ieder
geval een begroting van de kosten en opbrengsten voor dat jaar.
2.De directeur brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister
een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt
een jaarrekening gevoegd.
3.Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de
in het eerste en tweede lid genoemde stukken.
Artikel 3
1.Het dagprogramma voor een inrichting of afdeling wordt bepaald in
de huisregels en beslaat de periode tussen uitsluiting van de
gedetineerden in de ochtend en de insluiting van de gedetineerden voor
de nacht.
2.In het regime van algehele gemeenschap, bedoeld in artikel 20 van
de wet, duurt het dagprogramma minimaal 59 uren per week en worden
daarin tussen 18 uren en 63 uren per week aan activiteiten en bezoek
geboden.
3.In het regime van beperkte gemeenschap, bedoeld in artikel 21 van
de wet, worden tussen 18 uren en 63 uren per week aan activiteiten en
bezoek geboden.
4.Onze Minister stelt nadere regels omtrent de verschillende
regimes die in de daarbij aangeduide inrichtingen gelden.
Artikel 4 [Vervallen per 17-12-2008]
Hoofdstuk 3. Penitentiair programma
Artikel 5
1.Een penitentiair programma omvat minimaal 26 uur per week aan
activiteiten waaraan door de deelnemer aan dat penitentiair programma
wordt deelgenomen.
2.De activiteiten in een penitentiair programma zijn gericht op het
aanleren van bepaalde sociale vaardigheden, het vergroten van de kans
op arbeid na invrijheidstelling, het bieden van onderwijs, het bieden
van bijzondere zorg aan de deelnemer zoals verslavingszorg of
geestelijke gezondheidszorg, of geven op andere wijze invulling aan de
voorbereiding van de terugkeer in de maatschappij.
3.Van een penitentiair programma wordt een schriftelijke
omschrijving gemaakt. Deze omvat in ieder geval een beschrijving van
de activiteiten, een regeling van de verantwoordelijkheid voor de
uitvoering van het programma, de begeleiding van en het toezicht op de
deelnemer aan het penitentiair programma, de melding van bijzondere
voorvallen en de wijze en de frequentie van rapporteren over de
deelnemer aan het penitentiair programma.
4.Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure tot
erkenning van een penitentiair programma en over de kwaliteitseisen
waaraan een penitentiair programma moet voldoen.
5.De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens deelname aan een
penitentiair programma komen niet ten laste van Onze Minister.
Artikel 6
Voor deelname aan een penitentiair programma komen niet in
aanmerking:
a. gedetineerden ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een
tevens opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging
van overheidswege nog moet aanvangen;
b. gedetineerden die na de tenuitvoerlegging van de
vrijheidsstraf gevolg dienen te geven aan de op hen rustende
vertrekplicht of die uitgeleverd zullen worden;
c. gedetineerden die in een extra beveiligde inrichting
verblijven.
Artikel 7
1.Indien de directeur het verantwoord acht dat een gedetineerde in
aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma doet hij
een daartoe strekkende voordracht aan de selectiefunctionaris.
2.De directeur voegt bij zijn voordracht het advies van het
openbaar ministerie indien het openbaar ministerie ten aanzien van de
gedetineerde een executie-indicator heeft gegeven dan wel indien het
een gedetineerde betreft ten aanzien van wie een veroordeling tot
vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is geworden. Hij voegt daarbij
tevens het advies van de reclassering.
3.Bij zijn beslissing om een gedetineerde in de gelegenheid te
stellen deel te nemen aan een penitentiair programma betrekt de
selectiefunctionaris in ieder geval de volgende aspecten:
a. de aard, zwaarte en achtergronden van het gepleegde delict;
b. het huidige detentieverloop, waaronder het gedrag van de
gedetineerde, het nakomen van afspraken door de gedetineerde en
diens gemotiveerdheid;
c. het gevaar voor recidive;
d. de mate waarin de gedetineerde in staat zal zijn de met de
grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te kunnen
dragen;
e. een aanvaardbaar verblijfadres;
f. de geschiktheid van de gedetineerde voor een penitentiair
programma;
g. de mate van onzekerheid over de datum van
invrijheidstelling.
4.De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing over deelname aan
een penitentiair programma slechts indien de gedetineerde zich bereid
heeft verklaard tot deelname aan het programma en de daaraan verbonden
voorwaarden.
Artikel 7a
1.De deelnemer aan een penitentiair programma staat gedurende het
eerste derde deel van de totale duur van het programma onder
elektronisch toezicht. Voor het einde van deze periode wordt bezien of
het elektronisch toezicht kan vervallen. Op grond van het gedrag van
de deelnemer kan worden besloten dat het elektronisch toezicht wordt
voortgezet gedurende het tweede derde deel van het penitentiair
programma. In dat geval wordt voor het einde van het tweede deel
bezien of het elektronisch toezicht kan vervallen. Op grond van het
gedrag van de deelnemer kan worden besloten dat het elektronisch
toezicht wordt voortgezet gedurende het laatste deel van het
penitentiair programma. Indien het elektronisch toezicht is vervallen
kan de deelnemer wederom onder elektronisch toezicht worden gesteld,
indien het gedrag van de deelnemer daartoe aanleiding geeft.
2.De selectiefunctionaris is belast met de beslissingen, bedoeld in
het eerste lid. Hij kan bepalen dat geen elektronisch toezicht wordt
toegepast indien:
a. een andere vorm van vierentwintiguurstoezicht aanwezig is,
b. de duur van het penitentiair programma korter is dan negen
weken,
c. het elektronisch toezicht afbreuk doet aan de resocialisatie
van de deelnemer, of
d. bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Artikel 8
1.De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van
een penitentiair programma ligt bij de directeur van de inrichting of
afdeling waarin de deelnemer aan het penitentiair programma is
ingeschreven.
2.Degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het
programma houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het
penitentiair programma. Hij beoordeelt in eerste instantie of de
activiteiten naar behoren worden verricht en de voorwaarden naar
behoren worden nageleefd en kan in dat kader aanwijzingen geven aan de
deelnemer. Hij kan ten aanzien van de wijze of het tijdstip waarop de
activiteiten binnen het penitentiair programma worden uitgevoerd,
wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen stelt hij de directeur
schriftelijk op de hoogte.
Artikel 9
1. Aan een beslissing om een gedetineerde in de gelegenheid te
stellen deel te nemen aan een penitentiair programma worden, behoudens
nader door de directeur te stellen bijzondere voorwaarden, de volgende
algemene voorwaarden verbonden:
a. de deelnemer aan het penitentiair programma gedraagt zich
overeenkomstig de aanwijzingen van degene die is belast met zijn
begeleiding en toezicht en zal aan deze alle verlangde
inlichtingen verschaffen;
b. hij doet tevoren melding aan de directeur van een
verandering van betrekking of woonplaats;
c. hij maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Bij overtreding van de voorwaarden kan de directeur, afhankelijk
van de ernst van de overtreding, beslissen tot:
a. het geven van een waarschuwing aan de deelnemer aan het
penitentiair programma;
b. wijziging of aanvulling van de bijzondere voorwaarden
gesteld aan deelname aan een penitentiair programma;
c. het adviseren van de selectiefunctionaris de deelname aan
het penitentiair programma te beëindigen.
Hij neemt een dergelijke beslissing niet dan nadat hij advies heeft
ingewonnen bij degene die belast is met het toezicht op de
tenuitvoerlegging van het penitentiair programma. Deze kan ook
ongevraagd aan de directeur advies geven tot het nemen van een van de
in dit lid genoemde beslissingen.
3. De directeur geeft de deelnemer aan een penitentiair programma
van een beslissing als bedoeld in het tweede lid onverwijld
schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een
met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.
4. Van het stellen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van
de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het tweede lid doet de
directeur mededeling aan de selectiefunctionaris.
Artikel 10
1.De deelnemer aan een penitentiair programma kan bij de
beklagcommissie bij de inrichting of afdeling waarin hij is
ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in
artikel 9, tweede lid, onder a en b.
2.De artikelen 60, tweede en derde lid, 61, 62, 63, 64, 65, 67, met
uitzondering van het derde lid, het vijfde lid, tweede volzin, en het
zesde lid, 68, 69, 70 en 71 van de wet zijn van overeenkomstige
toepassing.
Hoofdstuk 4. Commissie van toezicht en beklagcommissie
Artikel 11
1.Bij elke inrichting of afdeling is een commissie van toezicht,
waarvan de leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij
kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.
2.De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste een door
Onze Minister vast te stellen aantal leden.
3.De commissie van toezicht is zo breed mogelijk samengesteld. Van
elke commissie maken in elk geval deel uit:
a. een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht;
b. een advocaat;
c. een medicus;
d. een deskundige uit de kring van het maatschappelijk werk.
Artikel 12
1.De leden van de commissie van toezicht worden door Onze Minister
benoemd. Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan.
2.Aan de commissie is een secretaris verbonden. Deze is geen lid
van de commissie. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en
ontslagen. De secretaris van de commissie van toezicht is tevens
secretaris van de beklagcommissie.
3.De commissie kan uit haar midden een of meer plaatsvervangende
secretarissen aanwijzen om, in overleg met de secretaris, bepaalde
secretariaatswerkzaamheden te verrichten en de secretaris bij diens
afwezigheid te vervangen. Onze Minister kan aan een commissie van
toezicht een of meer plaatsvervangende secretarissen toevoegen die
geen lid zijn van de commissie.
4.Onze Minister beslist binnen drie maanden op een verzoek tot
benoeming als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid.
Artikel 13
Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris
komen niet in aanmerking:
a. ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de
verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen,
niet zijnde ambtenaren bij het openbaar ministerie;
b. personeelsleden of medewerkers, werkzaam bij een inrichting;
c. personen, werkzaam bij een door Onze Minister gesubsidieerde
instelling die werkzaam is op het terrein van de tenuitvoerlegging
van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen, indien zij
in het kader van de uitoefening van hun functie te maken hebben met
de personen, ingesloten in de inrichting waarbij de commissie van
toezicht is ingesteld;
d. personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze
Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij
door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het
geding zou kunnen komen;
e. personen tegen wie bezwaren bestaan tegen de vervulling van de
functie die blijken uit de algemene documentatieregisters als
bedoeld in het Besluit justitiële gegevens of de politiegegevens,
bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet politiegegevens. De
bezwaren hebben betrekking op het vertrouwelijk karakter van de
functie alsmede de aan de functie verbonden bevoegdheden.
Artikel 14
1.Een lid van de commissie van toezicht wordt door Onze Minister
tussentijds ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking dat
onverenigbaar is met het lidmaatschap van een commissie van
toezicht;
c. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
d. wanneer hij naar het oordeel van Onze Minister door handelen
of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen
vertrouwen.
2.Aan een lid kan door Onze Minister tussentijds ontslag worden
verleend bij het verlies van de hoedanigheid of beëindiging van de
ambtsvervulling in verband waarmede de benoeming heeft plaatsgevonden.
3.Hangende de procedure voor ontslag kan Onze Minister het lid in
de uitoefening van zijn functie schorsen.
Artikel 15
1.De leden van de commissie van toezicht hebben te allen tijde
toegang tot alle plaatsen in de inrichting en tot alle plaatsen waar
de gedetineerden of deelnemers aan een penitentiair programma
verblijven.
2.De leden van de commissie van toezicht ontvangen van de directeur
en de ambtenaren of medewerkers bij de inrichting of afdeling of het
penitentiair programma alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien
van de gedetineerden onderscheidenlijk deelnemers aan een penitentiair
programma en kunnen alle op de wijze van tenuitvoerlegging van
vrijheidsbenemende straffen en maatregelen betrekking hebbende stukken
inzien. Zij zijn tot geheimhouding verplicht behoudens voor zover enig
wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of in verband met
de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking
voortvloeit. Dossiers die gedetineerden dan wel deelnemers aan een
penitentiair programma betreffen kunnen worden ingezien, tenzij de
betrokkene bezwaar maakt.
3.De directeur brengt alle voor de uitoefening van de taak der
commissie belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de
commissie.
Artikel 16
1.De commissie van toezicht vergadert, zo mogelijk, eenmaal in de
maand.
2.De directeur woont de vergaderingen van de commissie van toezicht
bij. Hij brengt op iedere vergadering een algemeen verslag uit over
hetgeen sedert de vorige vergadering in de inrichting of afdeling is
geschied.
3.De commissie kan besluiten buiten tegenwoordigheid van de
directeur te vergaderen.
4.Onze Minister is bevoegd vergaderingen van de commissie van
toezicht door een door hem aan te wijzen ambtenaar van zijn ministerie
te doen bijwonen.
5.In iedere vergadering van de commissie van toezicht wordt
mededeling gedaan van de grieven terzake waarvan werd bemiddeld, de
door de beklagcommissie behandelde klaagschriften, en de bijzondere
opmerkingen waartoe zij aanleiding geven.
Artikel 17
1.De maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, derde lid, tweede
volzin, van de wet houdt tenminste eenmaal per maand in de inrichting
of afdeling spreekuur. Dit spreekuur wordt tijdig bekend gemaakt en
kan worden bezocht door elke gedetineerde of deelnemer aan een
penitentiair programma die de wens daartoe te kennen geeft.
2.De maandcommissaris doet van zijn werkzaamheden verslag aan de
commissie van toezicht en informeert tevens de directeur hiervan.
Artikel 18
1.De beklagcommissie, of, indien artikel 62, tweede lid, van de wet
wordt toegepast, de voorzitter dan wel de door hem aangewezen persoon,
houdt zitting zo dikwijls als een onverwijlde behandeling en afdoening
van de klaagschriften dit noodzakelijk maken. Deze wordt bijgestaan
door een secretaris.
2.Indien de beklagcommissie zitting houdt treedt bij voorkeur als
voorzitter op een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke
macht.
Artikel 19
1.De commissie van toezicht brengt jaarlijks vóór 1 maart aan
Onze Minister en aan de sectie gevangeniswezen verslag uit over haar
werkzaamheden in het voorgaande jaar.
2.Zij schenkt in haar verslag in het bijzonder aandacht aan de
werkzaamheden van de beklagcommissie, onder meer door een overzicht
van de klaagschriften en de daarop genomen beslissingen. Onze Minister
kan een model vaststellen omtrent de inrichting van het verslag.
Artikel 20
1.De kosten van de commissie van toezicht worden door de Staat
gedragen.
2.De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van
reis- en verblijfskosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun
werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor
de burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld.
3.Voor zover de secretaris of de plaatsvervangend secretaris geen
ambtenaar is geniet deze tevens de in het tweede lid bedoelde
vergoeding.
Hoofdstuk 5. Gedwongen geneeskundige handelingen
Artikel 21
1.Voordat de directeur beslist dat de door de arts noodzakelijk
geachte geneeskundige handeling onder dwang zal worden toegepast,
pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de
afdeling waar de gedetineerde verblijft. Indien de handeling door een
andere arts wordt verricht, wordt bovendien met hem overlegd.
2.Indien de toepassing van een geneeskundige handeling onder dwang
noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit
een stoornis van de geestvermogens van de gedetineerde, pleegt de aan
de inrichting verbonden arts overleg met een psychiater.
3.In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt
nagegaan of het ernstige gevaar voor de gezondheid of de veiligheid
van de gedetineerde of van anderen niet op een andere wijze kan worden
afgewend. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt
steeds gekozen voor de voor de gedetineerde minst ingrijpende
handeling.
4.De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de
toepassing van artikel 32 van de wet, de resultaten van het overleg
alsmede de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd in
het medische dossier.
Artikel 22
1.De gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in een
daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de arts.
2.Van de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling wordt
onverwijld melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van
toezicht. Indien de geneeskundige handeling wordt toegepast ter
afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de
geestvermogens van de gedetineerde wordt tevens onverwijld melding
gedaan aan de bevoegde regionale inspecteur voor de gezondheidszorg.
3.De gedetineerde wordt gedurende de periode die volgt op de
gedwongen geneeskundige handeling zo vaak als nodig is bezocht door
een arts dan wel in diens opdracht door een verpleegkundige. Het
verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medische dossier.
Artikel 23
1.Zo spoedig mogelijk na de toepassing van de gedwongen
geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van
de aan de inrichting verbonden arts een plan opgesteld gericht op een
zodanige verbetering van de toestand van de gedetineerde dat de
toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden
beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in het medische dossier.
2.Indien de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling
als bedoeld in artikel 21, tweede lid, de duur van twee weken te boven
gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld bestaande uit
ten minste een afdelingshoofd, een arts of een psychiater en een
psycholoog.
3.De in het tweede lid bedoelde commissie brengt binnen twee dagen
na de in het tweede lid bedoelde termijn en, indien de gedwongen
geneeskundige handeling langer wordt voortgezet, om de twee weken,
advies uit aan de directeur over de voortzetting van de gedwongen
geneeskundige handeling.
Hoofdstuk 5a. Toezicht op telefoongesprekken
Artikel 23a
1. Telefoongesprekken die in verband met het toezicht, bedoeld in
artikel 39, tweede lid, van de wet worden opgenomen, worden bewaard
voor een periode van ten hoogste acht maanden.
2. Na het verstrijken van de periode, genoemd in het eerste lid,
wordt een opgenomen telefoongesprek gewist.
3. Indien bij de uitoefening van het toezicht blijkt dat een
telefoongesprek met een persoon als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
van de wet is opgenomen, wordt dit opgenomen gesprek terstond gewist.
4. De gedetineerde wordt van het opnemen van het telefoonverkeer op
de hoogte gesteld.
5. Opgenomen telefoongesprekken worden slechts verstrekt aan derden
die ingevolge de uitvoering van hen bij of krachtens de wet opgedragen
taken, tot kennisneming daarvan bevoegd zijn.
6. De verstrekking, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts
geschieden in verband met:
a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
b. de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;
c. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten;
d. de bescherming van slachtoffers van of anderszins
betrokkenen bij misdrijven.
Hoofdstuk 6. Geestelijke verzorging
Artikel 24
Aan een inrichting zijn geestelijke verzorgers van verschillende
godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval
geestelijke verzorgers van protestantse en rooms-katholieke gezindte en
geestelijke verzorgers behorend tot het humanistisch verbond.
Artikel 25
1.Bij het Ministerie van Justitie zijn een hoofdpredikant, een
hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistisch geestelijke verzorging
aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende
instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies
omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.
2.De hoofden, genoemd in het eerste lid, zijn in ieder geval belast
met het doen van voordrachten voor aanstelling van geestelijke
verzorgers behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.
Artikel 26
De aanstelling van een geestelijke verzorger van protestantse of
rooms-katholieke gezindte of een geestelijke verzorger behorend tot het
humanistisch verbond bij een inrichting geschiedt door of vanwege Onze
Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in
artikel 25, eerste lid.
Artikel 27
1.Een geestelijke verzorger van een andere dan de in artikel 24
genoemde gezindte of levensovertuiging kan door de directeur aan een
inrichting worden verbonden anders dan bij wijze van een aanstelling.
De directeur neemt deze beslissing niet dan na overleg met de reeds
aan de inrichting verbonden geestelijke verzorgers.
2.Onze Minister kan functievereisten vaststellen ten aanzien van
geestelijke verzorgers als bedoeld in de eerste volzin van het eerste
lid.
3.Een geestelijke verzorger die aan de inrichting is verbonden
anders dan bij wijze van aanstelling, ontvangt een bij regeling van
Onze Minister vast te stellen vergoeding voor zijn werkzaamheden en de
door hem gemaakte kosten.
Hoofdstuk 7. Beroep tegen medisch handelen
Artikel 28
1.Een gedetineerde kan een beroepschrift indienen tegen het medisch
handelen van de inrichtingsarts. Met de inrichtingsarts wordt in dit
hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere
hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan
gedetineerden zijn betrokken.
2.Onder medisch handelen als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan:
a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de
zorg die de in het eerste lid bedoelde personen in die
hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de
gedetineerde, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij
bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;
b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die
hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening
van de individuele gezondheidszorg.
Artikel 29
1.Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de gedetineerde een
schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van
Justitie om te bemiddelen terzake van de klacht. Dit verzoek dient
uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het medisch handelen
waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden te worden
ingediend.
2.De Medisch Adviseur stelt de betrokkene in de gelegenheid de
klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het
aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling
leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk
inlichtingen inwinnen.
3.De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd het
medisch dossier van de gedetineerde in te zien.
4.De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken een voor
beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.
5.De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling
van zijn bevindingen aan de gedetineerde en de arts. De gedetineerde
wordt gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een
beroepschrift alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit
gedaan moet worden.
6.Een afschrift van de mededeling zendt de Medisch Adviseur aan de
directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch
handelen de klacht zich richt is verbonden.
7.De Medisch Adviseur is bevoegd een klacht door te verwijzen naar
de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing van een klacht een
bericht aan de klager.
Artikel 30
1. Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door
de de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming benoemde
commissie van drie leden, bestaande uit één jurist en twee artsen,
die wordt bijgestaan door een secretaris.
2. Het met redenen omklede beroepschrift wordt uiterlijk op de
zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de
mededeling van de Medisch Adviseur ingediend. De directeur draagt zorg
dat een gedetineerde die beroep wenst in te stellen daartoe zo spoedig
mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
3. De indiening van het beroepschrift kan door tussenkomst van de
directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft geschieden.
De directeur draagt in dat geval zorg dat het beroepschrift, of,
indien het beroepschrift zich in een envelop bevindt, de envelop, van
een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.
4. Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch
handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.
5. Indien de gedetineerde de Nederlandse taal niet voldoende
beheerst kan hij het beroepschrift in een andere taal indienen. De
voorzitter van de beroepscommissie kan bepalen dat het beroepschrift
in de Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de
vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van
artikel 45.
Artikel 31
1.De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de
behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de
klager in te zien.
2.De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het openbaar
plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel is dat de
niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder
verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
3.De secretaris van de beroepscommissie zendt de arts een afschrift
van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de bemiddeling op
bij de Medisch Adviseur.
4.De beroepscommissie stelt de klager en de arts in de gelegenheid
omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk opmerkingen te
maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk,
kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De beroepscommissie kan
bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de
commissie, bedoeld in het derde lid, kunnen worden gemaakt.
5.De klager en de arts kunnen de voorzitter van de beroepscommissie
de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien.
6.De beroepscommissie kan de arts en de klager buiten elkaars
aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld
vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt
de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de
voorzitter van de beroepscommissie aan de klager onderscheidenlijk de
arts mondeling medegedeeld.
7.De beroepscommissie kan ook bij andere personen mondeling of
schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen
worden ingewonnen, zijn het vijfde en zesde lid, tweede volzin, van
overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat
ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden
ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden
gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon
gesteld wensen te zien.
8.De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een
rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe
van de beroepscommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de
klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de
vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens regelen te stellen
bij algemene maatregel van bestuur.
9.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst,
draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning
van de tolk en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten
geschieden met overeenkomstige toepassing van artikel 45.
10.Tijdens de beroepsprocedure staat de beroepscommissie aan de
klager op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.
Artikel 32
1.De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De
uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij wordt door de
voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij verhindering
van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan
de klager en de arts wordt onverwijld en kosteloos een afschrift van
de beslissing van de beroepscommissie toegezonden of uitgereikt.
2.Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en
niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de
voorzitter van de beroepscommissie zorg voor een vertaling van de
uitspraak, bedoeld in het eerste lid. De vergoeding van de voor de
vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van
artikel 45.
3.De secretaris zendt van alle uitspraken van de beroepscommissie
een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op
kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift
daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens
bevat waaruit de identiteit van de gedetineerde kan worden afgeleid.
Met betrekking tot de kosten van het ontvangen van een afschrift is
het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
1.De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of
gedeeltelijke:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
b. ongegrondverklaring van het beroep;
c. gegrondverklaring van het beroep.
2.Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk
gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of enige
tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming,
die geldelijk van aard kan zijn, vast.
Artikel 34
1.De in de artikelen 28 tot en met 31 aan de gedetineerde
toegekende rechten kunnen, behoudens ingeval de Medisch Adviseur of de
beroepscommissie van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de
gedetineerde zich daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door:
a. de curator, indien de gedetineerde onder curatele is
gesteld;
b. de mentor, indien ten behoeve van de gedetineerde een
mentorschap is ingesteld;
c. de ouders of voogd, indien de gedetineerde minderjarig is.
2.De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde
personen op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt.
Hoofdstuk 8. Dossiers
Artikel 35
Met uitzondering van personen in vreemdelingenbewaring wordt van
iedere gedetineerde en deelnemer aan een penitentiair programma een
penitentiair dossier aangelegd.
Artikel 36
1.Het penitentiair dossier wordt op zorgvuldige wijze volgens een
vaste standaardindeling opgebouwd. In de navolgende volgorde worden in
het penitentiair dossier opgenomen:
a. een overzicht van de periodes en inrichtingen van verblijf;
b. selectie- en plaatsingsvoorstellen;
c. registratiekaarten;
d. de in artikel 37 genoemde bescheiden, gerangschikt per
inrichting.
2.Het dossier wordt in een afsluitbare ruimte in de inrichting
bewaard.
Artikel 37
1.In het penitentiair dossier worden tevens opgenomen:
a. een eindrapportage van de inrichting bij invrijheidstelling
van de gedetineerde dan wel een eindrapportage van het
penitentiair programma bij invrijheidstelling vanuit het
penitentiair programma van de deelnemer daaraan;
b. een kopie van een selectieadvies onderscheidenlijk een
overplaatsingsvoorstel onderscheidenlijk een voorstel tot deelname
aan een penitentiair programma of de beëindiging daarvan met de
daarbij behorende adviezen;
c. de meest recente registratiekaart;
d. andere belangrijke justitiële documenten, waaronder:
1° het extract van het vonnis;
2° formulieren betreffende verlof en de daarop genomen
beslissing;
3° verzoeken onderscheidenlijk machtigingen tot plaatsing
en overplaatsing en deelname aan een penitentiair programma;
4° gratieverzoeken en de daarop genomen beslissing;
5° verzoeken om strafonderbreking en de daarop genomen
beslissing;
6° mededelingen omtrent de voorwaardelijke
invrijheidstelling.
e. uitslagen van urinecontroles, dan wel een samenvattend
overzicht daarvan;
f. kopieën van strafrapporten, meldingen van bijzondere
voorvallen en interne meldingen;
g. documenten betreffende beklagzaken en beroepszaken;
h. kopieën van correspondentie van de inrichting over de
gedetineerde;
i. een kopie van het intakeformulier per inrichting van
verblijf;
j. samenvattingen van periodieke besprekingen over de
gedetineerde in inrichtingsoverleggen.
2.De overige op de gedetineerde betrekking hebbende stukken worden
verzameld in een inrichtingsdossier. Zij worden gerangschikt naar
onderwerp in chronologische volgorde.
Artikel 38
1.Indien de directeur een voorstel tot selectie van een
gedetineerde doet, zendt hij daarbij het penitentiair dossier mee aan
de selectiefunctionaris.
2.De directeur zendt het penitentiair dossier gelijktijdig met de
formele overplaatsing van de gedetineerde aan de directeur van de
inrichting of afdeling waar de gedetineerde verder zal verblijven.
3.Indien een gedetineerde in de gelegenheid wordt gesteld deel te
nemen aan een penitentiair programma zendt de directeur het
penitentiair dossier aan de directeur bedoeld in artikel 8, eerste
lid.
4.Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van een
gedetineerde zendt de directeur het penitentiair dossier naar Onze
Minister.
Artikel 39
1.Onze Minister bewaart het penitentiair dossier gedurende een
termijn van tien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van ontvangst
van het dossier.
2.Na de in het eerste lid genoemde termijn worden de bescheiden,
opgenomen in het penitentiair dossier, vernietigd, ofwel zodanig
bewerkt dat deze niet meer tot de gedetineerde kunnen worden herleid,
tenzij dit in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan
de gedetineerde.
3.Indien de gedetineerde vóór de afloop van de in het eerste lid
bedoelde termijn opnieuw wordt gedetineerd vervalt de bewaartermijn.
4.Het inrichtingsdossier, bedoeld in artikel 37, tweede lid, wordt
zes maanden na beëindiging van het verblijf van de gedetineerde in de
inrichting vernietigd. Indien de gedetineerde vóór de afloop van
deze termijn opnieuw in die inrichting wordt gedetineerd vervalt de
bewaartermijn.
Artikel 40
1.De directeur kan, in geval van weigering van inzage door de
gedetineerde van diens dossier op een van de gronden van artikel 43
van de Wet bescherming persoonsgegevens, een door de gedetineerde
gemachtigd lid van de commissie van toezicht doen kennis nemen van de
gegevens waarvan de kennisneming aan de gedetineerde onthouden wordt.
De artikelen 57 en 58 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
2.Aan Onze Minister en de door deze aan te wijzen ambtenaren of
medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt voor
zover dat noodzakelijk is voor:
a. de behandeling van verzoeken de gedetineerde betreffende;
b. de behandeling van procedures de gedetineerde betreffende;
c. het beheer van de dossiers;
d. de behandeling van overige beslissingen de gedetineerde
betreffende.
Hetzelfde geldt voor de selectiefunctionaris, de directeur en de
door hen aangewezen ambtenaren of medewerkers.
Hoofdstuk 9. Overplaatsing naar een justitiële inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden
Artikel 41
1. De beslissing tot plaatsing, bedoeld in artikel 13 of 19 van het
Wetboek van Strafrecht, geschiedt door Onze Minister.
2. Onze Minister kan beslissen dat het verblijf in de justitiële
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden wordt
beëindigd. Het hoofd van de inrichting waarin de betrokkene is
geplaatst, wordt hierover om advies gevraagd.
3. Bij het voorstel tot plaatsing of beëindiging daarvan wordt het
in artikel 13, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde
advies overgelegd.
Artikel 42
1. De plaatsing van een veroordeelde tot gevangenisstraf die tevens
de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van
overheidswege is opgelegd, geschiedt indien het ten uitvoer te leggen
gedeelte van de gevangenisstraf is ondergaan.
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister bepalen dat de
plaatsing op een eerder tijdstip plaatsvindt, indien:
a. er dringende medische redenen aanwezig zijn die plaatsing op
een eerder tijdstip noodzakelijk maken;
b. de veroordeelde jonger is dan 23 jaar en plaatsing op een
eerder tijdstip met het oog op zijn ontwikkeling noodzakelijk is;
c. het advies van de rechter, bedoeld in artikel 37b, tweede
lid, van het Wetboek van Strafrecht, daartoe aanleiding geeft.
Artikel 43 [Vervallen per 04-08-2010]
Artikel 44
1.Ten aanzien van veroordeelden tot gevangenisstraf die tevens de
maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege
is opgelegd wordt zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van
de rechterlijke uitspraak een plaatsingsadvies uitgebracht. Onze
Minister geeft nadere regels over de te volgen procedure bij
plaatsingsadviezen.
2.Ten aanzien van de in het eerste lid genoemde veroordeelden vindt
jaarlijks, voor de eerste maal een jaar na het onherroepelijk worden
van de rechterlijke uitspraak, een beoordeling plaats omtrent de
noodzaak tot plaatsing in een justitiële inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden. Onze Minister geeft nadere regels voor
de te volgen procedure bij de beoordelingen.
Artikel 44a
Aan de gedetineerde wordt van de beslissing van Onze Minister tot
plaatsing in een inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden en tot beëindiging van zijn verblijf in die inrichting
onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem
begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende
mededeling gedaan. Daarbij wordt de gedetineerde gewezen op de
mogelijkheid van het instellen van beroep, bedoeld in hoofdstuk XVI van
de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, en de wijze
waarop en de termijn waarbinnen dit dient te geschieden.
Hoofdstuk 9A. Bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden
tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige
daders
Artikel 44b
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. maatregel: plaatsing in een inrichting voor stelselmatige
daders als bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht;
b. inrichting: inrichting voor stelselmatige daders als bedoeld
in artikel 10a van de wet;
c. betrokkene: persoon aan wie de maatregel is opgelegd tot
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders;
d. college van burgemeester en wethouders: college van
burgemeester en wethouders van de gemeente die deelneemt aan de
tenuitvoerlegging van de maatregel, als bedoeld in artikel 38o,
derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
e. verblijfsplan: verblijfsplan als bedoeld in artikel 18a,
eerste lid, van de wet;
f. evaluatie: evaluatie als bedoeld in artikel 18c van de wet.
Artikel 44c
Hoofdstuk 3 is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van de
maatregel.
Artikel 44d
1.De tenuitvoerlegging van de maatregel vindt plaats in een
inrichting.
2.De directeur kan betrokkene overeenkomstig bij regeling van Onze
Minister te stellen nadere regels toestemming verlenen om de
inrichting tijdelijk te verlaten.
3.De tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel kan
plaatsvinden buiten de inrichting.
Artikel 44e
1.De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de
laatste fase van de maatregel buiten de inrichting ligt bij de
directeur.
2.De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de laatste fase
van de maatregel buiten de inrichting ligt bij het college van
burgemeester en wethouders.
Artikel 44f
1.Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders maken
nadere afspraken over de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de
maatregel buiten de inrichting. Daarin worden in ieder geval afspraken
gemaakt over:
a. huisvesting;
b. arbeid;
c. dagbesteding van de betrokkene.
2.De kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de
maatregel, voor zover die betrekking hebben op het verblijf buiten de
inrichting, komen ten laste van de gemeente, onverminderd het recht
van betrokkene op een socialezekerheidsuitkering.
Artikel 44g
1.Het verblijfsplan bestrijkt de wijze van tenuitvoerlegging van de
maatregel. Het plan wordt in zijn geheel of in gedeelten vastgesteld
door de directeur. Het verblijfsplan voor de laatste fase van de
maatregel buiten de inrichting wordt vastgesteld door de directeur en
het college van burgemeester en wethouders.
2.Indien een programma als bedoeld in artikel 44j wordt aangeboden,
wordt bij de opstelling van het verblijfsplan het oordeel ingewonnen
van degenen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de
onderdelen van dat programma.
Artikel 44h
1.Het verblijfsplan kan worden gewijzigd. Bij een wijziging wordt
het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 18c, derde lid, van de wet,
betrokken.
2.Een wijziging in het verblijfsplan wordt zo veel mogelijk in
overleg met betrokkene vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het
ingaan daarvan meegedeeld.
3.Artikel 44g is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44i
1.In het verblijfsplan worden in ieder geval opgenomen:
a. een diagnose van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid
van betrokkene;
b. een individueel begeleidingsplan.
2.Indien een programma wordt aangeboden, wordt in het verblijfsplan
ook opgenomen:
a. het programma;
b. de voorwaarden die zijn verbonden aan deelneming aan het
programma, de afspraken met betrokkene over deelneming daaraan en
de gevolgen van het niet nakomen van die afspraken;
c. de naam van de trajectcoördinator, bedoeld in artikel 44k.
3.De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde afspraken houden in
ieder geval in dat betrokkene zich schriftelijk bereid verklaart deel
te nemen aan het programma en te voldoen aan de daaraan verbonden
voorwaarden.
4.Het verblijfsplan wordt opgenomen in het penitentiair dossier.
Artikel 44j
1.Gedurende het verblijf wordt een programma aangeboden, indien
aannemelijk is dat betrokkene in staat en bereid is aan een programma
deel te nemen.
2.Indien ten aanzien van de betrokkene een specifieke problematiek
bestaat waarmee het plegen van strafbare feiten samenhangt, wordt in
het programma met die problematiek rekening gehouden.
3.Het programma is in ieder geval gericht op de ontwikkeling van
vaardigheden van betrokkene ten aanzien van:
a. zelfzorg en hygiëne;
b. arbeid;
c. scholing;
d. besteding van vrije tijd;
e. beheer van financiën;
f. zelfstandig wonen;
g. sociale omgang.
Artikel 44k
Indien een programma wordt aangeboden, wijst de directeur voor de
betrokkene een trajectcoördinator aan.
De trajectcoördinator heeft tot taak:
a. betrokkene gedurende het gehele verblijf te begeleiden;
b. toezicht uit te oefenen op de naleving van de afspraken met
betrokkene en op het voldoen aan de voorwaarden voor deelneming aan
het programma;
c. over het verblijfsplan te rapporteren en te adviseren aan de
directeur en, wat de laatste fase buiten de inrichting betreft, ook
aan het college van burgemeester en wethouders;
d. verbindingen te leggen tussen de instanties die
verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het programma.
Artikel 44l
1.De selectiefunctionaris beslist over plaatsing buiten de
inrichting in de laatste fase op de grondslag van een advies van de
directeur en het college van burgemeester en wethouders. Alvorens te
adviseren winnen de directeur en het college van burgemeester en
wethouders het oordeel van de trajectcoördinator in.
2.Bij de beslissing over plaatsing buiten de inrichting in de
laatste fase worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
a. het verloop van de tenuitvoerlegging, waaronder het gedrag
van betrokkene, het nakomen van afspraken door hem en zijn
gemotiveerdheid;
b. het gevaar voor recidive;
c. de mate waarin hij in staat zal zijn de met de grotere
vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te dragen.
3.Aan de plaatsing buiten de inrichting in de laatste fase worden,
behoudens nader door de directeur of het college van burgemeester en
wethouders te stellen bijzondere voorwaarden, de volgende algemene
voorwaarden gesteld:
a. betrokkene gedraagt zich overeenkomstig de aanwijzingen van
de trajectcoördinator en degenen die verantwoordelijk zijn voor
de uitvoering van het programma en verschaft aan dezen alle
verlangde inlichtingen;
b. hij doet tevoren melding aan de trajectcoördinator van een
verandering van betrekking of woonplaats;
c. hij maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
d. hij onthoudt zich van het gebruik van een middel, vermeld op
de bij de Opiumwet behorende lijst I.
4.Van het stellen van bijzondere voorwaarden doet de directeur
mededeling aan de selectiefunctionaris.
5.Betrokkene heeft het recht bij de selectiefunctionaris een met
redenen omkleed verzoekschrift in te dienen strekkende tot plaatsing
buiten de inrichting in de laatste fase. Artikel 18, tweede en derde
lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44m
1.Indien betrokkene niet of niet meer in staat of bereid is deel te
nemen aan het programma in de laatste fase buiten de inrichting dan
wel te voldoen aan de daaraan verbonden voorwaarden, kan de
selectiefunctionaris hem op de grondslag van een advies van de
directeur terugplaatsen in de inrichting.
2.Alvorens te adviseren aan de selectiefunctionaris wint de
directeur het oordeel van het college van burgemeester en wethouders-
en de trajectcoördinator in.
3.Betrokkene heeft het recht een met redenen omkleed bezwaarschrift
in te dienen tegen de beslissing, bedoeld in het eerste lid. Artikel
17, tweede tot en met vijfde lid, van de wet is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 44n
1.Bij overtreding van de in artikel 44l, derde lid, bedoelde
voorwaarden kan de directeur beslissen tot:
a. het geven van een waarschuwing aan betrokkene;
b. wijziging of aanvulling van de aan plaatsing buiten de
inrichting gestelde bijzondere voorwaarden.
2.De directeur neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid
niet dan nadat hij het oordeel van de trajectcoördinator heeft
ingewonnen en heeft overlegd met het college van burgemeester en
wethouders.
De directeur geeft betrokkene van een beslissing als bedoeld in het
eerste lid onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem
begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en
ondertekende mededeling.
Van de overtreding van de voorwaarden en een beslissing als bedoeld
in het eerste lid doet de directeur mededeling aan de
selectiefunctionaris.
Artikel 44o
De artikelen 15, eerste en tweede lid, en 17, eerste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van de laatste fase
van de maatregel buiten de inrichting.
Artikel 44p
1.Betrokkene kan bij de beklagcommissie beklag doen over een
beslissing als bedoeld in artikel 44n, eerste lid.
2.De artikelen 60, tweede en derde lid, 61 tot en met 65, 67, met
uitzondering van het derde lid, het vijfde lid, tweede volzin, en het
zesde lid, en 68 tot en met 71 van de wet zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 44q
1.De directeur voert de evaluatie uit van het verloop van het
verblijf in de inrichting. De directeur en het college van
burgemeester en wethouders voeren de evaluatie uit van het verloop van
het verblijf buiten de inrichting in de laatste fase.
2.In het evaluatieverslag wordt een visie op de persoon van
betrokkene gegeven.
Daarbij wordt in ieder geval aandacht besteed aan de volgende
aspecten ten aanzien van hem:
a. zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid en het herstel
daarvan;
b. de ontwikkeling van zijn vaardigheden met het oog op zijn
terugkeer in de maatschappij en de beëindiging van zijn recidive;
c. de ontwikkeling van zijn motivatie tot gedragsverandering;
d. zijn oordeel over het verblijf;
e. incidenten waarbij hij betrokken is geweest;
f. punten die van belang zijn voor de nazorg.
3.Het verslag komt tot stand in samenwerking met de
trajectcoördinator, indien deze is aangewezen, en degenen die
verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het programma.
Hoofdstuk 10. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
Artikel 45
1.De beloning van de tolk of de vertaler en de vergoeding van de
door hen gemaakte kosten, bedoeld in artikel 61, vierde lid, 65,
tweede lid, en 67, vierde lid, van de wet geschieden volgens het
bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.
2.De secretaris van de beklag- of beroepscommissie stelt op basis
van de in het eerste lid bedoelde bepalingen de hoogte van de beloning
en vergoeding vast. Met de uitbetaling is de directeur belast.
Hoofdstuk 11. Kosten en aansprakelijkheid directeur
Artikel 46
De gedetineerde ontvangt bij invrijheidstelling reisgeld voor een
reis of reisgelegenheid naar zijn woon- of verblijfplaats binnen
Nederland.
Artikel 47
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten komen ten laste van de Staat de kosten van geneeskundige
verzorging van de gedetineerde die in een inrichting gevangenisstraf of
hechtenis ondergaat.
Artikel 48
Bij overlijden van een gedetineerde komen de kosten van begrafenis of
crematie, voor zover die redelijkerwijs noodzakelijk kunnen worden
geacht, ten laste van de Staat.
Artikel 49
Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de
aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een gedetineerde
ingevolge artikel 45, tweede lid, van de wet onder zich heeft, beperkt
tot € 500 per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.
Hoofdstuk 12. Wijziging andere regelgeving
Artikel 50
[Wijzigt het Besluit politieregisters]
Artikel 51
[Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994]
Artikel 52
[Wijzigt het Besluit buitengewoon strafrecht]
Artikel 53
[Wijzigt het Besluit van 9 juni 1982, omtrent het regiem voor
militairen die in het huis van bewaring en de gevangenis van het
Militair Penitentiair Centrum «Nieuwersluis» voorlopig arrest,
respectievelijk gevangenisstraf, hechtenis of militaire detentie
ondergaan]
Artikel 54
[Wijzigt het Besluit van 22 februari 1896 tot invoering van
signalementkaarten]
Artikel 55
[Wijzigt het Dienstplichtbesluit]
Artikel 56
[Wijzigt het Reglement verpleging ter beschikking gestelden]
Artikel 57
[Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit]
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Artikel 58
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de wet en dit
besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor
wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift
terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht
tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk
voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de
uitvoering van dit besluit de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 59
De Gevangenismaatregel wordt ingetrokken.
Artikel 60
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 61
Dit besluit wordt aangehaald als: Penitentiaire maatregel.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 februari 1998
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de vijfde maart 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|