| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Penitentiaire
beginselenwet (Pbw)
REGELING
SELECTIE, PLAATSING EN OVERPLAATSING VAN
GEDETINEERDEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Justitie;
Gelet op artikel 13, derde lid, artikel 15,
zesde lid, artikel 25, vierde lid, en artikel 52, derde lid, van de
Penitentiaire beginselenwet;
Gezien op de adviezen van de Centrale Raad voor
Strafrechtstoepassing van 4 maart 1999, kenmerk 74766798, 27 september
1999, kenmerk 789741/99, 14 december 1999, kenmerk 805820/99, en 21
december 1999, kenmerk 796162/99;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet:
de Penitentiaire beginselenwet;
b. besluit:
de Penitentiaire maatregel;
c. maatschappelijk risico:
het risico dat de gedetineerde bij een eventuele ontvluchting
vormt voor de maatschappij, in termen van maatschappelijke onrust;
d. risicoprofiel:
de aanduiding van het vlucht- en maatschappelijk risico van een
gedetineerde;
e. zelfmelder:
een tot vrijheidsstraf veroordeelde die niet gedetineerd is op
het moment waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk wordt en
ten aanzien van wie geen aanhouding en plaatsing in een
penitentiaire inrichting is bevolen;
f. opgelegde vrijheidsstraf:
de opgelegde vrijheidsstraf, dan wel het totaal van de opgelegde
vrijheidsstraffen zonder aftrek van de vervroegde
invrijheidstelling;
g. sectordirecteur Gevangeniswezen:
de sectordirecteur Gevangeniswezen van de Dienst Justitiële
Inrichtingen van het Ministerie van Justitie;
h. Meldpunt-GRIP:
het Gedetineerden Recherche Informatiepunt van de Dienst
Nationale Recherche Informatie van het Korps Landelijke
Politiediensten;
i. forensische zorg: geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg
en verstandelijk gehandicaptenzorg verleend in een Penitentiair
Psychiatrisch Centrum als bedoeld inartikel 20c.
Artikel 1a
Indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk
is, wordt het strafrestant voor de toepassing van deze regeling berekend
op grond van de veroordeling waartegen het rechtsmiddel is aangewend.
Hoofdstuk II. Beveiligingsniveau
Artikel 2. Zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling
1.In zeer beperkt beveiligde inrichtingen of afdelingen kunnen
gedetineerden worden geplaatst:
a. die een te verwaarlozen vlucht- of maatschappelijk risico
vormen,
b. aan wie een vrijheidsstraf van ten minste zes maanden
opgelegd is,
c. die, ingeval de veroordeling onherroepelijk is, ten minste
de helft van de opgelegde vrijheidsstraf hebben ondergaan, dan
wel, ingeval de veroordeling nog niet onherroepelijk is, een tijd
in voorlopige hechtenis hebben doorgebracht waarvan de duur ten
minste gelijk is aan de helft van de opgelegde vrijheidsstraf,
d die geen veroordelingen tot betaling van een geldboete of
geldbedrag van meer dan € 226,– hebben openstaan,
e. die een strafrestant hebben van ten minste zes weken en ten
hoogste zes maanden, en
f. die beschikken over een aanvaardbaar verlofadres.
2.Voor plaatsing in een zeer beperkt beveiligde inrichting of
afdelingen komen niet in aanmerking gedetineerden ten aanzien van wie:
a. vaststaat dat zij na de detentie zullen worden uitgezet of
uitgeleverd, of
b. de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot
verpleging van overheidswege is opgelegd.
c. is geconstateerd dat zij deelname weigeren, dan wel hun
deelname weigeren voort te zetten aan een traject in het kader van
het programma Terugdringen Recidive.
3.In afwijking van het eerste lid kunnen tevens voor plaatsing in
een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling in aanmerking
komen, gedetineerden ten aanzien van wie een door de
selectiefunctionaris akkoord bevonden voorstel voor deelname aan een
penitentiair programma aanwezig is. Het verblijf in de zeer beperkt
beveiligde inrichting direct voorafgaande aan de plaatsing in het
penitentiair programma duurt maximaal zes maanden.
4.Het eerste lid, onderdelen b tot en met f, zijn niet van
toepassing op een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling die
is aangewezen in het kader van het experiment Elektronische
Detentiehuizen, bedoeld in artikel 2a.
Artikel 2a
1.Er is een experiment Elektronische Detentiehuizen dat loopt van 1
oktober 2001 tot 1 april 2002. De Minister van Justitie kan de duur
van het experiment met een periode van een half jaar verlengen. Het
experiment wordt geëvalueerd.
2.De Minister van Justitie wijst Elektronische Detentiehuizen aan
waar het experiment plaatsvindt.
3.In Elektronische Detentiehuizen kunnen gedetineerden worden
geplaatst die:
a. tenminste 90 procent van de opgelegde vrijheidsstraf hebben
ondergaan;
b. een strafrestant hebben van ten hoogste 60 dagen;
c. tijdens detentie hebben doen blijken van goed gedrag
4.De directeur kan besluiten dat het dagprogramma in een
Elektronisch Detentiehuis gedeeltelijk buiten de inrichting
plaatsvindt.
Artikel 3. Beperkt beveiligde inrichting of afdeling
1.In beperkt beveiligde inrichtingen of afdelingen kunnen
zelfmelders worden geplaatst die onherroepelijk zijn veroordeeld tot
een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van minder dan twee jaar.
2.Naast de in het eerste lid genoemde categorie kunnen in de
beperkt beveiligde inrichtingen of afdelingen gedetineerden worden
geplaatst die:
a. een beperkt vlucht- en maatschappelijk risico vormen,
b. een strafrestant hebben van maximaal achttien maanden, en
c. beschikken over een aanvaardbaar verlofadres.
3.Voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling
komen niet in aanmerking gedetineerden:
a. ten aanzien van wie vaststaat dat zij na de detentie zullen
worden uitgezet of uitgeleverd, of
b. aan wie de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot
verpleging van overheidswege is opgelegd.
4.Voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling
met regimesgebonden verlof komen niet in aanmerking gedetineerden die
deelname weigeren, dan wel hun deelname weigeren voort te zetten aan
een traject in het kader van het programma Terugdringen Recidive.
5.Bij het bepalen van het strafrestant wordt de vervangende
hechtenis op grond van de artikelen 24c en 24d van het Wetboek van
Strafrecht en de gijzeling op grond van artikelen 28, eerste lid, Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften meegeteld.
Artikel 4. Normaal beveiligde inrichting of afdeling
In normaal beveiligde inrichtingen of afdelingen kunnen gedetineerden
worden geplaatst die niet in aanmerking komen voor plaatsing in een
inrichting of afdeling met een ander beveiligingsniveau.
Artikel 5. Uitgebreid beveiligde inrichting of afdeling
In uitgebreid beveiligde inrichtingen of afdelingen kunnen
gedetineerden worden geplaatst die een verhoogd vlucht- of
maatschappelijk risico vormen.
Artikel 6. Extra beveiligde inrichting
In extra beveiligde inrichting kunnen gedetineerden worden geplaatst
die:
a. een extreem vluchtrisico vormen en een onaanvaardbaar
maatschappelijk risico vormen in termen van recidivegevaar voor
ernstige geweldsdelicten, of
b. bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico
vormen, waarbij het vluchtrisico als zodanig hieraan ondergeschikt
is.
Hoofdstuk III. Regimes
Artikel 7. Regime van algehele gemeenschap
In een regime van algehele gemeenschap kunnen al dan niet
onherroepelijk veroordeelde gedetineerden worden geplaatst die:
a. gelet op hun persoonlijkheid en gedrag geschikt zijn om in een
gemeenschap te functioneren, en
b. geschikt en bereid zijn om deel te nemen aan het in de
inrichting of afdeling aangeboden activiteitenprogramma.
Artikel 8. Regime van beperkte gemeenschap
In het regime van beperkte gemeenschap kunnen gedetineerden worden
geplaatst ten aanzien van wie plaatsing in één van de overige regimes
niet geïndiceerd is.
Artikel 9 [Vervallen per 13-09-2004]
Artikel 10. Extra beveiligd regime van beperkte gemeenschap
Het extra beveiligd regime van beperkte gemeenschap is van toepassing
op gedetineerden die in de extra beveiligde inrichting zijn geplaatst.
Artikel 11. Individueel regime
In het individueel regime kunnen gedetineerden worden geplaatst die
op grond van hun persoonlijkheid, gedrag of andere persoonlijke
omstandigheden, de aard van het door hen gepleegde delict, of de aard
van het delict van het plegen waarvan zij worden verdacht een ernstig
beheersrisico vormen voor zichzelf of anderen en ten gevolge daarvan
niet in staat dan wel ongeschikt zijn in een regime van algehele of
beperkte gemeenschap te functioneren of te verblijven.
Hoofdstuk IIIa. Toewijzing verblijfsruimte in inrichting of afdeling
Artikel 11a
1.De directeur kan een gedetineerde die in een regime van algehele
of beperkte gemeenschap is geplaatst, een voor de gemeenschappelijke
onderbrenging van gedetineerden bestemde verblijfsruimte toewijzen,
tenzij de gedetineerde daarvoor ongeschikt wordt geacht.
2.Ongeschiktheid van een gedetineerde als bedoeld in het eerste lid
kan samenhangen met:
a. diens psychische gestoordheid;
b. diens verslavingsproblematiek;
c. diens gezondheidstoestand;
d. diens gedragsproblematiek;
e. de achtergrond van het door hem gepleegde delict;
f. de aan hem opgelegde beperkingen.
Hoofdstuk IV. Inrichtingen en afdelingen voor bijzondere opvang
Artikel 12. Pieter Baan Centrum (PBC)
In het Pieter Baan Centrum kunnen gedetineerden worden geplaatst ten
aanzien van wie een bevel tot overbrenging ten behoeve van observatie is
gegeven als bedoeld in artikel 198 juncto 196 Wetboek van
strafvordering.
Artikel 13 [Vervallen per 17-08-2011]
Artikel 14 [Vervallen per 17-08-2011]
Artikel 15 [Vervallen per 17-08-2011]
Artikel 16. Inrichtingen voor de bijzondere opvang van psychologisch
onvolwassenen (JOVO)
In de inrichtingen of afdelingen voor de bijzondere opvang van
psychologisch onvolwassenen worden gedetineerden geplaatst die:
a. een leeftijd hebben van 16 of 17 jaar en krachtens het
strafrecht voor meerderjarigen, al dan niet onherroepelijk, zijn
veroordeeld tot een vrijheidsstraf. Zij zullen tot een leeftijd van
18 jaar binnen een inrichting of afdeling voor psychologisch
onvolwassenen verblijven, tenzij plaatsing in een andere inrichting
of afdeling aangewezen is. Plaatsing in een andere inrichting of
afdeling is in ieder geval aangewezen als het gedetineerden betreft
als bedoeld in art. 20a.
b. een leeftijd hebben hoger dan 17 jaar en die zich door hun
gedrag kenmerken als psychologisch onvolwassenen.
Artikel 17. Inrichtingen of afdelingen voor moeders met kinderen
1.In de inrichtingen of afdelingen, bedoeld in artikel 12 van de
wet, worden vrouwelijke gedetineerden geplaatst:
a. ten aanzien van wie de plaatsing in het belang is van de
instandhouding van de moeder- kindrelatie,
b. die voldoende vaardigheden hebben om zelf verantwoordelijk
te kunnen zijn voor de opvoeding van het kind, of van wie
ingeschat wordt dat deze vaardigheden in voldoende mate zijn aan
te leren, en
c. voor wiens kind niet minstens gelijkwaardige
opvangmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden buiten de
inrichting.
2.Voor plaatsing in de inrichtingen of afdeling, bedoeld in artikel
12 van de wet, komen niet in aanmerking vrouwelijke gedetineerden:
a. met een strafrestant van minder dan drie maanden bij
plaatsing,
b. met een acute psychiatrische of psychische problematiek,
c. van wie het kind op de datum van vervroegde
invrijheidsstelling van de moeder een leeftijd heeft ouder dan de
bij de bestemmingsaanwijzing van de inrichting vastgestelde
maximale leeftijd van het kind,
d. van wie het kind een ernstig lichamelijk of geestelijk
gebrek heeft, waardoor intensieve begeleiding is vereist, of
e. ten aanzien van wie de plaatsing niet in het belang van het
kind is.
Artikel 18. Penitentiair Selectie Centrum (PSC)
1.In het Penitentiair Selectie Centrum kunnen gedetineerden worden
geplaatst:
a. ten aanzien van wie een psychologisch advies is gevraagd ten
behoeve van de tenuitvoerlegging dan wel verdere tenuitvoerlegging
van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel,
b. met een strafrestant van ten hoogste 18 maanden die
psychotherapie of sociotherapie behoeven en niet of nog niet
geschikt zijn voor begeleiding in een niet-justitiële instelling,
of
c. die tijdelijk opvang behoeven vanwege een psychosociale
crisis.
2.Gedetineerden waarbij de in het eerste lid, onder b en c,
genoemde problematiek overheerst wordt door een
verslavingsproblematiek komen in beginsel niet voor plaatsing in het
Penitentiair Selectie Centrum in aanmerking.
Artikel 19. Justitieel Medisch Centrum (PZ)
In het Justitieel Medisch Centrum kunnen gedetineerden worden
geplaatst:
a. die medische behandeling behoeven waarvoor opname in een
ziekenhuis geïndiceerd is,
b. ten aanzien van wie het vermoeden bestaat dat zij voorwerpen
in hun lichaam hebben verborgen die een ernstig gevaar kunnen vormen
voor de gezondheid van de gedetineerde, of
c. die langdurig extra medische verzorging behoeven en ten
gevolge daarvan niet of zeer moeilijk in een reguliere inrichting of
afdeling kunnen verblijven.
Artikel 20 [Vervallen per 17-08-2011]
Artikel 20a. Terroristen Afdeling (TA)
In de Terroristen Afdeling worden gedetineerden geplaatst die:
a. verdacht worden van een terroristisch misdrijf;
b. al dan niet onherroepelijk veroordeeld zijn wegens een
terroristisch misdrijf;
c. voor of tijdens hun detentie een boodschap van radicalisering
verkondigen of verspreiden daaronder mede begrepen
wervingsactiviteiten voor doeleinden die in strijd zijn met de
openbare orde en veiligheid dan wel de orde of veiligheid in de
inrichting;
tenzij uit informatie van het GRIP of het Openbaar Ministerie
voortvloeit dat plaatsing op een Terroristen Afdeling niet is
geïndiceerd.
Artikel 20b. Inrichtingen voor strafrechtelijk gedetineerde
vreemdelingen
1. In de inrichtingen of afdelingen voor strafrechtelijk
gedetineerde vreemdelingen worden vreemdelingen geplaatst die na de
tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de maatregel tot plaatsing
in een inrichting voor stelselmatige daders geen rechtmatig verblijf
hebben in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000.
2. De inrichtingen of afdelingen voor strafrechtelijk gedetineerde
vreemdelingen kunnen worden onderscheiden in:
a. inrichtingen of afdelingen voor gedetineerden als bedoeld in
het eerste lid met een strafrestant van ten minste vier maanden;
b. inrichtingen of afdelingen voor gedetineerden als bedoeld in
het eerste lid met een strafrestant van minder dan vier maanden.
3. In de inrichtingen of afdelingen voor strafrechtelijk
gedetineerde vreemdelingen kunnen tevens gedetineerden als bedoeld in
het eerste lid worden geplaatst voor de tenuitvoerlegging van
voorlopige hechtenis vóór veroordeling in eerste aanleg.
4. Plaatsing in een andere inrichting of afdeling dan bedoeld in
dit artikel is in ieder geval aangewezen als het gedetineerden betreft
als bedoeld in artikel 20a.
Artikel 20c. Penitentiair Psychiatrisch Centrum
In het Penitentiair Psychiatrisch Centrum kunnen gedetineerden worden
geplaatst ten aanzien van wie:
a. in verband met een psychiatrische stoornis, een
persoonlijkheidsstoornis, psychosociale problematiek,
verslavingsproblematiek of een verstandelijke beperking, forensische
zorg is geïndiceerd;
b. in verband met de vraag of forensische zorg is geïndiceerd,
nadere observatie is vereist.
Hoofdstuk V. Selectie
Artikel 21. Aanwijzingen
Indien de selectiefunctionaris voornemens is van de aanwijzingen,
bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de wet af te wijken, stelt hij
het openbaar ministerie dan wel de autoriteiten die de straf of
maatregel hebben opgelegd daarvan schriftelijk en gemotiveerd op de
hoogte.
Artikel 22. Risicoprofiel
1.Ten behoeve van de eerste plaatsing van een gedetineerde, stelt
de selectiefunctionaris het risicoprofiel van de gedetineerde vast.
2.Voor de bepaling van het risicoprofiel worden de volgende
gegevens of indicatoren in onderlinge samenhang beschouwd:
a. de kenmerken en achtergronden van het delict waarvan de
gedetineerde wordt verdacht of waarvoor hij is veroordeeld,
b. de gegevens over een eventuele eerdere detentie in binnen-
dan wel buitenland, en
c. eventueel overige beschikbare informatie waaronder de
bevindingen van het meldpunt-GRIP na analyse van beschikbare
gegevens omtrent de gedetineerde.
3.Indien het Openbaar Ministerie geen gebruik heeft gemaakt van de
mogelijkheid om gegevens te verstrekken of indicatoren te onderbouwen,
dan volstaat de selectiefunctionaris bij de bepaling van het
risicoprofiel met de overige hem ter beschikking staande gegevens en
daaraan gerelateerde indicatoren.
4.De selectiefunctionaris plaatst een gedetineerde, zo mogelijk, in
een inrichting of afdeling met de mate van beveiliging die op grond
van het risicoprofiel voor betrokkene geïndiceerd is.
5.Indien het regime dan wel de bijzondere opvang die voor de
gedetineerde geïndiceerd is, niet wordt geboden in een inrichting of
afdeling met het voor de gedetineerde geïndiceerde
beveiligingsniveau, plaatst de selectiefunctionaris de gedetineerde in
een inrichting of afdeling met een hoger beveiligingsniveau.
Artikel 23. Selectie-adviescommissie
De sectordirecteur Gevangeniswezen kan ten behoeve van de selectie
van gedetineerden voor een bepaalde categorie inrichtingen of afdelingen
een selectie-adviescommissie instellen.
Er is in ieder geval:
-
een selectie-adviescommissie Extra Beveiligde Inrichting welke
adviseert over de plaatsing in een extra beveiligde inrichting;
-
een selectie-adviescommissie geestelijk gestoorde gedetineerden
welke adviseert over plaatsing krachtens artikel 41 van het besluit.
Artikel 24. Selectie en plaatsing van gedetineerden vóór
veroordeling in eerste aanleg
1.De eerste plaatsing van een voorlopig gehechte gedetineerde die
in afwachting is van berechting in eerste aanleg geschiedt in een huis
van bewaring, bij voorkeur gelegen in of toegewezen aan het
arrondissement van vervolging.
2.Op voorstel van de directeur dan wel op grond van een verzoek
bedoeld in artikel 18 van de wet, kan de selectiefunctionaris de
gedetineerde overplaatsen naar een ander huis van bewaring, al dan
niet met een ander niveau van beveiliging of een ander regime.
3.Indien de overplaatsing mede gebaseerd is op het risicoprofiel,
bedoeld in artikel 22, eerste lid, beoordeelt de selectiefunctionaris
of de informatie op basis waarvan het risicoprofiel is vastgesteld,
nog ongewijzigd van toepassing is. Zonodig wordt het risicoprofiel
aangepast aan de gewijzigde omstandigheden.
4.Indien de selectiefunctionaris voornemens is de gedetineerde te
selecteren voor een inrichting of afdeling waarvoor een
selectie-adviescommissie bestaat, legt de selectiefunctionaris zijn
voorgenomen besluit ter advisering aan deze commissie voor.
5.In spoedeisende gevallen kan het in het vierde lid genoemde
advies achterwege blijven. In dat geval spreekt de
selectie-adviescommissie zich in de eerstvolgende vergadering alsnog
uit over het plaatsingsbesluit.
Artikel 25. Selectie en plaatsing van al dan niet onherroepelijk
veroordeelden
1. De eerste plaatsing van een zelfmelder die onherroepelijk is
veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van minder dan
twee jaar geschiedt in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling.
2. Ten aanzien van een veroordeelde die niet behoort tot de
categorie, bedoeld in het eerste lid, beoordeelt de
selectiefunctionaris op grond van de beschikbare informatie omtrent
het gedrag, de persoon en persoonlijkheidskenmerken van de
veroordeelde welk regime het meest geëigend is voor de veroordeelde,
alsmede of de veroordeelde voor plaatsing in een inrichting of
afdeling voor bijzondere opvang in aanmerking komt. Met inachtneming
van het gestelde in artikel 21, plaatst de selectiefunctionaris de
veroordeelde vervolgens in een inrichting of afdeling die het meest
geïndiceerd is voor betrokkene. Indien de directeur voornemens is aan
de selectiefunctionaris een voorstel te doen tot plaatsing van een nog
niet onherroepelijk veroordeelde, dan wel van een onherroepelijk
veroordeelde bij wiens vonnis een executie-indicator is afgegeven, in
een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling als bedoeld in
artikel 2, of in een beperkt beveiligde inrichting of afdeling als
bedoeld in artikel 3, dan vraagt de directeur het Openbaar Ministerie
om advies.
3. Op voorstel van de directeur dan wel op grond van een verzoek
als bedoeld in artikel 18 van de wet, kan de selectiefunctionaris de
gedetineerde overplaatsen naar een andere inrichting of afdeling, al
dan niet met een ander beveiligingsniveau of regime.
4. Indien de plaatsing of overplaatsing van een veroordeelde mede
gebaseerd is op het risicoprofiel van betrokkene, bedoeld in artikel
22, eerste lid, beoordeelt de selectiefunctionaris of de informatie op
basis waarvan het risicoprofiel is vastgesteld, nog ongewijzigd van
toepassing is. Zo nodig wordt het risicoprofiel aangepast aan de
gewijzigde omstandigheden.
5. Indien de selectiefunctionaris voornemens is de veroordeelde te
selecteren voor een inrichting of afdeling waarvoor een
selectie-adviescommissie bestaat, legt de selectiefunctionaris zijn
voorgenomen besluit ter advisering aan deze commissie voor.
6. Indien het de selectie van een veroordeelde betreft met een al
dan niet onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf van 8 jaar of meer,
legt de selectiefunctionaris zijn voorgenomen besluit eerst ter
advisering voor aan het Penitentiair Selectie Centrum. De
selectie-adviescommissie baseert haar advies aan de
selectiefunctionaris in dat geval mede op het advies van het
Penitentiair Selectie Centrum.
7. In spoedeisende gevallen kunnen de in het vijfde en zesde lid
genoemde adviezen achterwege blijven. In dat geval spreekt de
selectie-adviescommissie zich in de eerstvolgende vergadering alsnog
uit over het plaatsingsbesluit.
8. Gedetineerden met een strafrestant tot vier maanden worden in
een gevangenis in het arrondissement van vestiging geplaatst, tenzij
een belang als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet zich daar
tegen verzet dan wel geen plaats in een gevangenis in het betreffende
arrondissement beschikbaar is.
Artikel 26. Plaatsing in een extra beveiligde inrichting (EBI)
1.In aanvulling op het gestelde in de artikelen 24 en 25 worden ten
aanzien van een plaatsing in een Extra Beveiligde Inrichting de
volgende voorwaarden in acht genomen:
a. Alvorens het selectievoorstel wordt voorgelegd aan de
selectie-adviescommissie Extra Beveiligde Inrichting wordt dit
voorzien van externe justitiële informatie, in ieder geval van
het meldpunt-GRIP en het Openbaar Ministerie, omtrent het vlucht-
en maatschappelijk risico van betrokkene.
b. De selectiefunctionaris hoort de betrokken gedetineerde
alvorens een beslissing omtrent de plaatsing te nemen. Eventueel
door de gedetineerde tegen de plaatsing aangevoerde argumenten
worden in het selectieadvies vastgelegd.
c. Indien binnen de selectie-adviescommissie Extra Beveiligde
Inrichting geen consensus wordt bereikt over het advies tot
plaatsing in een Extra Beveiligde Inrichting, gaat de
selectiefunctionaris enkel tot plaatsing in een Extra Beveiligde
Inrichting over met instemming van de sectordirecteur
Gevangeniswezen. In alle andere gevallen wordt de sectordirecteur
Gevangeniswezen door of namens de selectiefuntionaris
geïnformeerd over de genomen beslissing.
2.Indien feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die wijzen
op een onmiddellijk dreigend ontvluchtingsgevaar of een ernstig gevaar
voor personen of goederen, kan spoedshalve afgeweken worden van de in
het eerste lid gestelde procedure. In dat geval spreekt de
selectie-adviescommissie zich in de eerstvolgende vergadering alsnog
uit over het plaatsingsbesluit.
3.De selectiefunctionaris neemt ambtshalve elke zes maanden een
besluit omtrent de verlenging van het verblijf in een Extra Beveiligde
Inrichting. De eerste besluitvorming over verlenging of beëindiging
van het verblijf in een Extra Beveiligde Inrichting vindt plaats zes
maanden na de plaatsing van betrokkene in een Extra Beveiligde
Inrichting.
4.Bij het nemen van de beslissing, bedoeld in het derde lid, worden
de volgende voorwaarden in acht genomen:
a. Ten behoeve van de besluitvorming stelt de directeur van de
Extra Beveiligde Inrichting vijf maanden na de plaatsing dan wel
laatste beslissing omtrent de verlenging van het verblijf in de
Extra Beveiligde Inrichting, een schriftelijke (gedrags)rapportage
over de gedetineerde op.
b. Alvorens hij het voorstel indient, wint de directeur
beschikbare informatie over de betrokken gedetineerde in bij de
secretaris van de selectie-adviescommissie Extra Beveiligde
Inrichting. De secretaris van de selectie-adviescommissie Extra
Beveiligde Inrichting wendt zich vervolgens ter verkrijging van
externe justitiële informatie tot het meldpunt-GRIP en het
Openbaar Ministerie, verzamelt en analyseert de beschikbare
gegevens en informeert de directeur van de Extra Beveiligde
Inrichting schriftelijk dan wel in spoedeisende gevallen
telefonisch met schriftelijke bevestiging achteraf.
c. De directeur bespreekt de rapportage met de gedetineerde
alvorens deze naar de selectiefunctionaris te verzenden. Eventuele
opmerkingen van de gedetineerde worden in de rapportage
vastgelegd.
d. Indien de selectiefunctionaris overweegt de plaatsing in een
Extra Beveiligde Inrichting te verlengen hoort hij de
gedetineerde. Eventueel door de gedetineerde aangevoerde bezwaren
worden vastgelegd.
e. Indien de gedragsdeskundige informatie daartoe aanleiding
geeft, legt de selectiefunctionaris de beschikbare informatie ter
advisering voor aan het Penitentiair Selectie Centrum.
f. De selectiefunctionaris legt, de onder a tot en met c
bedoelde informatie, voorzien van zijn voorgenomen besluit ter
advisering voor aan de selectie-adviescommissie Extra Beveiligde
Inrichting. Indien binnen de selectie-adviescommissie Extra
Beveiligde Inrichting geen consensus wordt bereikt over het advies
tot verlenging van de plaatsing in een Extra Beveiligde
Inrichting, gaat de selectiefunctionaris enkel tot verlenging van
de plaatsing in een Extra Beveiligde Inrichting over met
instemming van de sectordirecteur Gevangeniswezen. In alle andere
gevallen wordt de hiervoor genoemde sectordirecteur
Gevangeniswezen door of namens de selectiefuntionaris
geïnformeerd over de genomen beslissing.
5.Een in een Extra Beveiligde Inrichting verblijvende gedetineerde
wiens strafrestant nog slechts anderhalf jaar of minder bedraagt wordt
uit de Extra Beveiligde Inrichting geplaatst, tenzij:
a. er sprake is van een uitlevering of dreigende uitlevering,
b. er nog immer sprake is van een onaanvaardbaar
maatschappelijk risico bij ontvluchting,
c. de betrokken gedetineerde in de voorafgaande periode van een
jaar ontvlucht is, een ontvluchtingspoging heeft gedaan of op
andere wijze de orde en veiligheid in de inrichting ernstig in
gevaar heeft gebracht, of
d. er nog steeds valide informatie van het meldpunt-GRIP dan
wel het Openbaar Ministerie aanwezig is omtrent een reëel
vluchtgevaar van de gedetineerde.
6.De directeur van een Extra Beveiligde Inrichting kan in verband
met nieuwe feiten de selectiefunctionaris tussentijds voorstellen de
gedetineerde over te plaatsen. De selectiefunctionaris kan, na
instemming van de sectordirecteur Gevangeniswezen, op basis van het
vastgestelde feitenmateriaal tot overplaatsing van de betrokken
gedetineerde besluiten. In dat geval wordt de selectie-adviescommissie
Extra Beveiligde Inrichting achteraf geïnformeerd.
Artikel 26a
Een in een Terroristen Afdeling verblijvende gedetineerde als bedoeld
in artikel 20a onder b die eenderde deel van de aan hem onherroepelijk
opgelegde vrijheidstraf of vrijheidsbenemende maatregel heeft ondergaan
en wiens strafrestant tenminste vier maanden en ten hoogste één jaar
bedraagt, wordt uit de Terroristen Afdeling geplaatst, tenzij:
a. er sprake is van een uitlevering of dreigende uitlevering;
b. er sprake is van een verhoogd maatschappelijk risico bij
ontvluchting;
c. er gedurende het laatste jaar van het verblijf op de
Terroristen Afdeling sprake is geweest van het verkondigen of
verspreiden van een boodschap van radicalisering daaronder mede
begrepen wervingsactiviteiten voor doeleinden die in strijd zijn met
de openbare orde en veiligheid dan wel de orde of veiligheid in de
inrichting.
Artikel 26b
De selectiefunctionaris neemt ten aanzien van gedetineerden als
bedoeld in art. 20a onder c ambtshalve elke twaalf maanden een besluit
omtrent de verlenging van het verblijf in een Terroristen Afdeling. De
eerste besluitvorming over verlenging of beëindiging van het verblijf
in een Terroristen Afdeling vindt plaats twaalf maanden na de plaatsing
van betrokkene in een Terroristen Afdeling.
Hoofdstuk VI. Plaatsing in een justitiële inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden
Artikel 27. Plaatsing van onherroepelijk veroordeelden tot een
vrijheidsstraf in een justitiële inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden, met toepassing van artikel 13, eerste lid, van
het Wetboek van Strafrecht
1.Indien overbrenging van een tot een onherroepelijke
vrijheidsstraf veroordeelde naar een justitiële inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden geïndiceerd is, zendt de
directeur van de inrichting van verblijf een daartoe strekkend advies,
met daarbij gevoegd het advies van de districtspsychiater, door
tussenkomst van de selectiefunctionaris naar het Penitentiair Selectie
Centrum. Het hoofd van Penitentiair Selectie Centrum zendt deze
stukken voorzien van zijn advies naar de Minister.
2.Zo nodig wordt de gedetineerde door de selectiefunctionaris
overgeplaatst naar het Penitentiair Selectie Centrum ten behoeve van
nader onderzoek.
3.De adviescommissie geestelijk gestoorde gedetineerden brengt op
basis van de desbetreffende stukken advies uit aan de Minister.
4.De Minister beslist over de plaatsing in een justitiële
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden.
5.Indien op grond van artikel 76, tweede lid van de wet, de termijn
voor plaatsing van een tot een onherroepelijke vrijheidstraf
veroordeelde in een justitiële inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden wordt verlengd, wordt de gedetineerde, in
overeenstemming met artikel 57 van de wet, gehoord althans daartoe in
de gelegenheid gesteld. De gedetineerde ontvangt onverwijld
schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een
met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling omtrent
de beslissing.
Artikel 28. Plaatsing van onherroepelijk veroordeelden tot een
vrijheidsstraf aan wie tevens de maatregel van terbeschikkingstelling
met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd in een
justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden,
met toepassing van artikel 13, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht
1.Tot vrijheidsstraf en terbeschikkingstelling met bevel tot
verpleging van overheidswege veroordeelden aan wie een
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd van ten hoogste 3 jaar
worden, nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden, op
het tijdstip, bepaald in artikel 42, eerste lid, van het besluit of zo
spoedig mogelijk daarna, geplaatst in een justitiële inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden, tenzij met inachtneming van
het bepaalde in artikel 43 van het besluit wordt besloten tot een
eerdere of latere plaatsing. In het geval dat de Minister een latere
plaatsing overweegt, vraagt hij de adviescommissie geestelijk
gestoorde gedetineerden daaromtrent om advies.
2.Ten aanzien van iedere veroordeelde tot vrijheidsstraf en
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege aan
wie een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd langer dan 3
jaar, brengt de selectiefunctionaris, gehoord de directeur van de
inrichting van verblijf, na ontvangst van de onherroepelijke
rechterlijke uitspraak, advies uit aan het hoofd van het Penitentiair
Selectie Centrum. Indien artikel 42, tweede lid, van het besluit van
toepassing is, kan het uitbrengen van advies door de
selectiefunctionaris achterwege blijven. In zijn advies betrekt de
selectiefunctionaris de vraag, op welk tijdstip de plaatsing van de
veroordeelde in een justitiële inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden is geïndiceerd. Met het advies worden
meegezonden de selectiebescheiden en het penitentiair dossier.
3.Indien het hoofd van het Penitentiair Selectie Centrum plaatsing
in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden geïndiceerd acht, brengt hij daarover advies uit aan de
adviescommissie geestelijk gestoorde gedetineerden.
4.De Minister, gehoord de adviescommissie geestelijk gestoorde
gedetineerden in de gevallen dat deze advies uitbrengt, beslist over
plaatsing van de onherroepelijk veroordeelde in een justitiële
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden.
5.Ten aanzien van veroordeelden tot vrijheidsstraf en
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege,
waarvan de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden vóór 2
oktober 1997, wordt, indien er een wachtlijst is voor plaatsing in de
inrichting voor ter beschikking gestelden waarvoor betrokkene is
geselecteerd, de tijd, nadat een derde van de opgelegde straf is
verstreken tot de datum van vervroegde invrijheidstelling, voor de
helft meegeteld voor de bepaling van de plaats op de wachtlijst van
betrokkene.
Artikel 29. Jaarlijkse beoordeling tijdens de tenuitvoerlegging van
de vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 44 van het besluit
1.In verband met de beoordeling, bedoeld in artikel 44, tweede lid,
van het besluit, brengt de directeur van de penitentiaire inrichting
van verblijf jaarlijks advies uit over de noodzaak tot vervroegde
plaatsing van de veroordeelde tot gevangenisstraf en
terbeschikkingstelling in een justitiële inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden. De directeur laat zich daarbij
adviseren door het psycho-medisch overleg van de inrichting van
verblijf van de veroordeelde en door de districtspsychiater. Indien de
districtspsychiater deel uitmaakt van het psycho-medisch overleg, kan
worden volstaan met een weergave van zijn visie in het advies van het
psycho-medisch overleg.
2.Ten behoeve van het aan de directeur uit te brengen advies, wordt
door de districtspsychiater onderzocht of er gronden aanwezig zijn de
veroordeelde, bedoeld in het eerste lid, met toepassing van artikel 13
van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 41 van het
besluit te plaatsen in een justitiële inrichting voor verpleging van
ter beschikking gestelden.
3.De directeur van de inrichting van verblijf zendt zijn advies,
met daarbij gevoegd het advies van de districtspsychiater, door
tussenkomst van de selectiefunctionaris naar het Penitentiair Selectie
Centrum. Het hoofd van het Penitentiair Selectie Centrum zendt deze
stukken tezamen met zijn advies naar de Minister. Indien wordt
overwogen van de termijn genoemd in artikel 42, eerste lid, van het
besluit af te wijken, zendt het hoofd van het Penitentiair Selectie
Centrum de desbetreffende stukken tezamen met zijn advies aan de
adviescommissie geestelijk gestoorde gedetineerden. In dat geval
brengt de adviescommissie geestelijke gestoorde gedetineerden op basis
van de desbetreffende stukken advies uit aan de Minister.
4.De Minister beslist binnen vier weken na de ontvangst van hetzij
het advies van het Penitentiair Selectie Centrum hetzij het advies van
de commissie geestelijk gestoorde gedetineerden, over plaatsing van
betrokkene in een justitiële inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden.
5.Indien plaatsing in een justitiële inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden niet geschiedt binnen de termijn als
bedoeld in artikel 42, eerste lid, van het besluit, wordt voortgegaan
met de jaarlijkse beoordeling ter bepaling van het tijdstip van
plaatsing in een justitiële inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden.
Hoofdstuk VII. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, een
verslavingskliniek, dan wel een ziekenhuis
Artikel 30. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in
artikel 15, vijfde lid, van de wet
1. Indien plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis geïndiceerd
is, dient de directeur van de inrichting waar de gedetineerde
verblijft, na overleg met de districtspsychiater, een daartoe
strekkend advies in bij de selectiefunctionaris.
2. Het advies van de directeur is onderbouwd met:
a. een schriftelijk advies van het psycho-medisch overleg van
de inrichting betreffende de psychiatrische problematiek en de
wenselijkheid van opname,
b. een inschatting van het vlucht- en maatschappelijk risico
dat aan de plaatsing verbonden is, en
c. een schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie zolang
de vrijheidsbeneming is gebaseerd op het bevel tot voorlopige
hechtenis dan wel indien bij het vonnis een executie-indicator is
gegeven.
3. Indien de behandeling van een persoonlijkheidsstoornis bij de
gedetineerde ten grondslag ligt aan het advies tot plaatsing in een
psychiatrisch ziekenhuis, laat de selectiefunctionaris zich omtrent de
wenselijkheid van de detentievervangende behandeling van de
gedetineerde nader adviseren door het Penitentiair Selectie Centrum.
Indien gewenst plaatst de selectiefunctionaris de gedetineerde over
naar het Penitentiair Selectie Centrum ten behoeve van nader
onderzoek.
4. Het in het derde lid genoemde advies kan achterwege blijven
indien op grond van de `Indicatiestelling in de forensische zorg' in
het betreffende ressort een forensisch deskundige Geestelijke
Gezondheidszorg-indicatiecommissie is ingesteld, die over de noodzaak
tot opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis heeft
geadviseerd.
5. Indien de detentievervangende behandeling van een
persoonlijkheidsstoornis van de gedetineerde ten grondslag ligt aan de
plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis wordt de gedetineerde
gedurende het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis administratief
ingeschreven in het Penitentiair Selectie Centrum. In de overige
gevallen blijft de gedetineerde administratief ingeschreven in de
inrichting van herkomst.
6. De inrichting of afdeling alwaar de gedetineerde administratief
is ingeschreven volgt gedurende het verblijf in het psychiatrisch
ziekenhuis het behandelingsverloop en treedt als aanspreekpunt dan wel
intermediair op bij eventuele bijzonderheden en incidenten.
7. De gedetineerde kan in het kader van de behandeling, na advies
van het Openbaar Ministerie, met instemming van de
selectiefunctionaris, in een dagbehandeling geplaatst worden. De
directeur van de inrichting al waar betrokkene administratief is
ingeschreven pleegt hieromtrent overleg met de selectiefunctionaris en
het Openbaar Ministerie. Voorwaarde voor plaatsing in een
dagbehandeling is dat voorzien is in de kosten van het levensonderhoud
van betrokkene.
8. Indien een langer verblijf van betrokkene in het psychiatrisch
ziekenhuis zich niet meer verdraagt met de ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming dan wel op andere gronden
niet meer wenselijk is, dient de directeur van de inrichting alwaar de
gedetineerde administratief is ingeschreven bij de
selectiefunctionaris een verzoek tot overplaatsing van de gedetineerde
in.
9. Indien feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die wijzen
op een onmiddellijk dreigend ontvluchtingsgevaar of een ernstig gevaar
voor personen of goederen, kan spoedshalve afgeweken worden van de in
het achtste lid gestelde procedure. In dat geval kan de directeur van
de inrichting of afdeling alwaar betrokkene administratief is
ingeschreven, na overleg met het psychiatrisch ziekenhuis, tot
terugplaatsing in de penitentiaire inrichting over gaan. De
selectiefunctionaris wordt zo spoedig mogelijk van de plaatsing op de
hoogte gesteld, waarna de selectiefunctionaris alsnog over het
plaatsingsbesluit beslist.
Artikel 31. Plaatsing in een verslavingskliniek op grond van 43,
derde lid, van de wet
1. De directeur kan, na instemming van de selectiefunctionaris,
besluiten een al dan niet onherroepelijk veroordeelde gedetineerde in
een verslavingskliniek te plaatsen, indien de klinische opname in de
verslavingskliniek als detentievervangende behandeling geïndiceerd is
en de overbrenging zich verdraagt met de ongestoorde tenuitvoerlegging
van de vrijheidsbeneming. Een gedetineerde kan voor plaatsing in
aanmerking komen indien het strafrestant maximaal twaalf maanden
bedraagt.
2. Voor de plaatsing als bedoeld in het eerste lid is advies van
het Openbaar Ministerie vereist, zolang de vrijheidsbeneming is
gebaseerd op het bevel tot voorlopige hechtenis dan wel indien op het
vonnis een executie-indicator is gegeven.
3. Gedurende het verblijf in de verslavingskliniek blijft
betrokkene administratief ingeschreven in de inrichting van herkomst.
4. De inrichting alwaar de gedetineerde administratief is
ingeschreven volgt gedurende het verblijf in de verslavingskliniek het
behandelingsverloop en treedt als aanspreekpunt dan wel intermediair
op bij eventuele bijzonderheden en incidenten.
5. De gedetineerde kan in het kader van de behandeling, na advies
van het Openbaar Ministerie, met instemming van de
selectiefunctionaris, in een dagbehandeling geplaatst worden. De
directeur van de inrichting alwaar betrokkene administratief is
ingeschreven pleegt hieromtrent overleg met de selectiefunctionaris en
het Openbaar Ministerie. Voorwaarde voor plaatsing in een
dagbehandeling is dat voorzien is in de kosten van het levensonderhoud
van betrokkene.
6. Bij omstandigheden waardoor een langer verblijf van betrokkene
in de verslavingskliniek zich niet meer verdraagt met de ongestoorde
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming dan wel op andere gronden
niet meer geïndiceerd is, kan de directeur, na instemming van de
selectiefunctionaris, tot terugplaatsing van de gedetineerde in de
inrichting besluiten.
7. Indien feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die wijzen
op een onmiddellijk dreigend ontvluchtingsgevaar of een ernstig gevaar
voor personen of goederen, kan spoedshalve afgeweken worden van de in
het zesde lid gestelde procedure. In dat geval kan de directeur van de
inrichting alwaar betrokkene administratief is ingeschreven, na
overleg met de verslavingskliniek, tot terugplaatsing in de
penitentiaire inrichting over gaan. De selectiefunctionaris wordt zo
spoedig mogelijk van de plaatsing op de hoogte gesteld.
Artikel 32. Plaatsing in het Justitieel Medisch Centrum
1. Indien plaatsing in het Justitieel Medisch Centrum medisch
geïndiceerd is, wordt de indicatie door de medische dienst van de
inrichting van verblijf schriftelijk voorgelegd aan het hoofd van de
medische dienst van het Justitieel Medisch Centrum.
2. Nadat de directeur van het Justitieel Medisch Centrum de
directeur van de inrichting alwaar de gedetineerde verblijft heeft
gemeld dat een opname kan worden gerealiseerd, kan de directeur van de
inrichting alwaar betrokkene verblijft de gedetineerde in het
Justitieel Medisch Centrum plaatsen. Indien een langer verblijf in het
Justitieel Medisch Centrum niet meer geïndiceerd is, plaatst de
directeur van de inrichting van herkomst de gedetineerde terug in zijn
inrichting.
3. Indien de plaatsing in het Justitieel Medisch Centrum is
gebaseerd op één van de gronden als genoemd in artikel 19 onder a en
b, blijft de gedetineerde administratief ingeschreven in de inrichting
van herkomst.
4. Indien een plaatsing in het Justitieel Medisch Centrum
geïndiceerd is als bedoeld in artikel 19, onder c, plaatst de
selectiefunctionaris, op voorstel van de directeur van de inrichting
van herkomst en de directeur van het Justitieel Medisch Centrum, de
gedetineerde over naar het Justitieel Medisch Centrum. Indien een
langer verblijf in het Justitieel Medisch Centrum niet langer
geïndiceerd is, plaatst de selectiefunctionaris de gedetineerde, op
voorstel van de directie van het Justitieel Medisch Centrum, over.
5. Indien een spoedeisende plaatsing in het Justitieel Medisch
Centrum geïndiceerd is, kan, met instemming van de directeur van het
Justitieel Medisch Centrum, afgeweken worden van de in dit artikel
gestelde procedure.
Artikel 33. Plaatsing in een algemeen ziekenhuis op grond van artikel
42, vierde lid, van de wet
1. De directeur gaat tot plaatsing in een algemeen ziekenhuis over
indien de opname in een ziekenhuis medisch geïndiceerd en opname in
het Justitieel Medisch Centrum niet mogelijk of wenselijk is.
2. Indien de plaatsing een voorlopig gehechte gedetineerde betreft,
vraagt de directeur toestemming aan het Openbaar Ministerie. Ten
aanzien van een onherroepelijk veroordeelde gedetineerde wordt de
visie van het Openbaar Ministerie gevraagd indien op het vonnis een
executie-indicator is gegeven.
3. Indien het verblijf in een ziekenhuis zonder toezicht, gelet op
het vlucht- of maatschappelijk risico van betrokkene, onverantwoord
is, treft de directeur maatregelen welke noodzakelijk zijn voor de
bewaking van de gedetineerde.
4. De inrichting van herkomst volgt gedurende het verblijf in het
ziekenhuis het behandelingsverloop en treedt als aanspreekpunt dan wel
intermediair op bij eventuele bijzonderheden en incidenten.
5. Indien spoedeisende medische zorg geboden is, kan afgeweken
worden van de in dit artikel gestelde procedure.
Artikel 34 [Vervallen per 17-08-2011]
Hoofdstuk IIX. Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 35
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- 05-11-1999, 798621/99/DJI. Wijziging criteria POI-plaatsing.
- 01-02-1999, 744495/99/DJI. Herziening selectie en
plaatsingsprocedure gedetineerden.
- 16-09-1998, 713085/98/DJI. Selectie van gedetineerden behorend
tot de categorie arrestant.
- 24-03-1998, 673100/98/DJI. Wijziging criteria HOI-plaatsing.
- 26-09-1997, 653291/97/DJI. De Regeling plaatsing veroordeelden
gevangenisstraf en TBS.
- 22-08-1997, 646188/97/DJI. Herziening Selectie- en
Plaatsingsprocedure extra beveiligde inrichting.
- 18-07-1997, 638818/97/DJI. Sober regime.
- 25-01-1996, 536910/96/DJI. Plaatsingsprocedure IBA's HvB.
- 04-08-1995, 505887/95/DJI. Selectie en (over)plaatsing van
jeugdigen.
- 30-12-1994, 442883/94/DJI. Selectie & detentiebegeleiding
langgestraften.
- 12-08-1994, 451672/94/DJ. Detentiefasering; overplaatsing van
gedetineerden naar halfopen inrichtingen in de laatste fase van de
detentie.
- 28-07-1993, 377359/93/DJ. Detentiefasering; overplaatsing van
gedetineerden naar halfopen inrichtingen in de laatste fase van de
detentie.
- 25-02-1993, 229622/93/DJ. 1. Dagdetentie Groningen; 2.
Beleidskader dagdetentie.
- 14-02-1992, 017877/92/DJ. Uitbreiding van begeleiding van het
experiment dagdetentie naar een aantal grotere gemeenten.
- 02-12-1991, 168236/91/DJ. Onderbrenging kortgestrafte
volwassenen in het ressort Amsterdam - HvB Het schouw te Amsterdam.
- 26-09-1990, 294469 DJ 90. Herziening selectie en
plaatsingsprocedure Open inrichtingen.
- 17-04-1990, 141139 DJ 90. Voortzetting experiment dagdetentie
te Rotterdam.
- 12-05-1987, 214/387. Regeling begrip `werkelijke straftijd'.
- 18-05-1981, 331/381. Differentiatie inrichtingen voor
vrouwelijke gedetineerden.
- 02-04-1979, 275/379. Richtlijnen voor de selectie en plaatsing
van kortgestrafte jeugdigen en van kortgestrafte volwassenen.
- 07-06-1978, 133/378. Richtlijnen voor de selectie- en
detentiebegeleiding van langgestraften en van tot gevangenisstraf
veroordeelden die tevens ter beschikking van de regering zijn
gesteld.
Artikel 36. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 2000.
Artikel 37. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling selectie, plaatsing en
overplaatsing van gedetineerden.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.
|
|
|