| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Plantenziektenwet
BESLUIT
BESTRIJDING SCHADELIJKE ORGANISMEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 19 september 1991, houdende vaststelling
van het besluit bestrijding schadelijke organismen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van 7 januari 1991, nr. J. 9017757, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken;
Gelet op artikel 3, eerste lid, van de
Plantenziektenwet (Stb. 1951, 96);
Gehoord het Landbouwschap, het
Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, het Produktschap voor
Siergewassen, het Produktschap voor Groenten en Fruit, de Stichting
Bloembollenkeuringsdienst en de Pootaardappel Contactcommissie;
De Raad van State gehoord (advies van 10 juni
1991, nr. W11.91.0020);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 12 augustus
1991, nr. J. 9110143, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische
Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Definitiebepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. partij: hoeveelheid planten of plantaardige produkten, al dan
niet met aanhangende grond of andere cultuurmedia, of resten daarvan
of afval van deze planten of plantaardige produkten;
b. behandelen: toepassen van middelen of methoden ter voorkoming
van het optreden of van de verbreiding van schadelijke organismen of
ter bestrijding daarvan;
c. een door schadelijk organisme aangetaste partij: een partij
waarop of waarin op enigerlei wijze een schadelijk organisme
voorkomt;
d. aardappelcysteaaltje: Globodera pallida (Stone) Behrens
(Europese populaties) of Globodera rostochiensis (Wollenweber)
Behrens (Europese populaties);
e. perceel: ononderbroken grondoppervlak, waarvan de locatie en
de grootte op basis van de uitkomsten van onderzoek naar de
aanwezigheid van het aardappelcysteaaltje door Onze Minister worden
vastgesteld.
§ 2. Maatregelen bij aantasting of verdenking van aantasting van
partijen
Artikel 2
Het is de eigenaar of houder van een partij aan wie door Onze
Minister is medegedeeld, dat een nader onderzoek naar de aanwezigheid
van schadelijke organismen in of op die partij zal plaatsvinden, tot de
uitslag van het nader onderzoek aan hem is medegedeeld, verboden:
a. planten van deze partij te oogsten of te rooien, of
b. deze partij geheel of gedeeltelijk te verhandelen, te
verplaatsen, te vervoeren, te bewerken, te behandelen dan wel te
vernietigen of anderszins onschadelijk te maken;
c. het voor deze partij gebruikte verpakkingsmateriaal te
verplaatsen, te vervoeren, te bewerken, te behandelen dan wel te
vernietigen of anderszins onschadelijk te maken,
tenzij daartoe door Onze Minister toestemming is verleend en de
daarbij gegeven aanwijzingen worden opgevolgd.
Artikel 3
1.De eigenaar of houder van een partij, aan wie door Onze Minister
is medegedeeld, dat die partij geheel of gedeeltelijk door een
schadelijk organisme is aangetast of verdacht wordt daardoor te zijn
aangetast, is verplicht overeenkomstig de hem door Onze Minister
gedane aanzegging, op de daarbij voorgeschreven wijze en binnen dan
wel gedurende de daarbij gestelde termijn:
a. de planten van deze partij te oogsten of te rooien;
b. de planten of plantaardige produkten van deze partij een
door Onze Minister bepaalde bestemming te geven, of
c. deze partij, het daarvoor gebruikte verpakkingsmateriaal of
de schadelijke organismen afkomstig van deze partij te bewaren, te
verplaatsen, te vervoeren, te bewerken, te behandelen of te
vernietigen of anderszins onschadelijk te maken.
2.De eigenaar of houder van de partij, bedoeld in het eerste lid,
is verplicht de partij, voor zover deze niet te velde staat, alsmede
het daarvoor gebruikte verpakkingsmateriaal, als één geheel en
duidelijk afgescheiden van andere partijen opgeslagen te houden,
totdat aan de aanzegging gevolg wordt gegeven of een toestemming als
bedoeld in artikel 4, tweede lid, is verleend.
Artikel 4
1.Het is de eigenaar of houder van de partij, bedoeld in artikel 3,
totdat gevolg is gegeven aan een aanzegging als bedoeld in artikel 3,
verboden:
a. planten van de partij te oogsten of te rooien;
b. de partij geheel of gedeeltelijk dan wel het voor deze
partij gebruikte verpakkingsmateriaal te verhandelen, te
verplaatsen, te vervoeren, te bewerken, te behandelen, te
vernietigen of anderszins onschadelijk te maken of
c. planten te gaan telen in de ruimte waar de partij zich
bevindt.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:
a. door Onze Minister toestemming tot de in het eerste lid
genoemde handelingen is verleend en de daarbij gegeven
aanwijzingen worden opgevolgd of,
b. de in het eerste lid genoemde handelingen verplicht zijn
gesteld ingevolge een aanzegging als bedoeld in artikel 3.
Artikel 5
De eigenaar of houder van ruimten, installaties, transportmiddelen,
werktuigen, gereedschappen, materialen of andere voorwerpen die kunnen
zijn of worden gebruikt voor de partij, bedoeld in artikel 3, is
verplicht, overeenkomstig de hem door Onze Minister gedane aanzegging,
op de daarbij voorgeschreven wijze en binnen de daarbij gestelde
termijn:
a. de ruimten te reinigen, te ontsmetten of daarin of daaraan
door Onze Minister voorgeschreven voorzieningen te treffen;
b. de installaties, transportmiddelen, werktuigen of
gereedschappen te reinigen of te ontsmetten, of
c. de gebruikte materialen of andere voorwerpen te reinigen, te
ontsmetten of te vernietigen.
Artikel 6
1.Het is de eigenaar of houder van de ruimten, installaties,
transportmiddelen, werktuigen, gereedschappen, materialen of andere
voorwerpen, bedoeld in artikel 5, totdat gevolg is gegeven aan een
aanzegging als bedoeld in artikel 5 verboden:
a. voor zover het betreft ruimten, planten te gaan telen in de
ruimte, of
b. de betreffende ruimten, installaties, transportmiddelen,
werktuigen, gereedschappen, materialen of andere voorwerpen te
gebruiken ten behoeve van een andere partij dan de partij, bedoeld
in artikel 5.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien door
Onze Minister toestemming tot de in het eerste lid genoemde
handelingen is verleend en de daarbij gegeven aanwijzingen worden
opgevolgd.
Artikel 7
Het is de eigenaar of houder van door Onze Minister aangewezen
planten verboden bloemen van de betrokken planten te verwijderen, tenzij
daartoe door Onze Minister toestemming is verleend en de daarbij gegeven
aanwijzingen worden opgevolgd.
§ 3. Maatregelen bij besmetting of verdenking van besmetting van
grond of andere cultuurmedia
Artikel 8
Het is de eigenaar of houder van een terrein, perceel of ruimte aan
wie door Onze Minister is medegedeeld, dat een nader onderzoek naar de
aanwezigheid van schadelijke organismen op of in grond of andere
cultuurmedia en resten daarvan op diens terrein, perceel of in diens
ruimte zal plaatsvinden, totdat de uitslag van het nader onderzoek aan
hem is medegedeeld, verboden:
a. deze grond of andere cultuurmedia en resten daarvan te
verhandelen, te verplaatsen, te vervoeren, te bewerken, te
behandelen, te vernietigen of anderszins onschadelijk te maken.
b. materialen waarin deze zijn verpakt of zijn verpakt geweest te
reinigen, te ontsmetten of te vernietigen.
tenzij daartoe door Onze Minister toestemming is verleend en de
daarbij gegeven aanwijzingen worden opgevolgd.
Artikel 9
De eigenaar of houder van een terrein, perceel of ruimte, aan wie
door Onze Minister is medegedeeld dat zich op diens terrein, perceel of
in diens ruimte grond of andere cultuurmedia en resten daarvan of
materialen bevinden die zijn besmet door een schadelijk organisme of
verdacht worden daarvoor te zijn besmet, is verplicht overeenkomstig de
hem door Onze Minister gedane aanzegging, op de daarbij voorgeschreven
wijze en binnen dan wel gedurende de daarbij gestelde termijn:
a. de grond of andere cultuurmedia en resten daarvan te
verplaatsen, te vervoeren, te bewerken, te behandelen, te
vernietigen of anderszins onschadelijk te maken;
b. de planten op of in de grond of andere cultuurmedia te
oogsten, te rooien, te bewaren, te verplaatsen, te vervoeren, te
bewerken, te behandelen, te vernietigen of anderszins onschadelijk
te maken;
c. de ruimte te reinigen, te ontsmetten of daarin of daaraan de
door Onze Minister voorgeschreven voorzieningen te treffen, of
d. de voor de grond of andere cultuurmedia en resten daarvan
gebruikte materialen te reinigen, te ontsmetten of te vernietigen.
Artikel 10
1. Het is de eigenaar of houder van het terrein, perceel of de
ruimte, bedoeld in artikel 9, totdat gevolg is gegeven aan een
aanzegging als bedoeld in artikel 9 verboden:
a. grond of andere cultuurmedia en resten daarvan, bedoeld in
artikel 9, te verhandelen, te verplaatsen, te vervoeren, te
bewerken of te behandelen, te vernietigen of anderszins
onschadelijk te maken, of
b. planten te gaan telen in de ruimte waar de besmette grond of
cultuurmedia en resten daarvan zich bevinden.
2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet indien:
a. door Onze Minister toestemming tot de in het eerste lid
genoemde handelingen is verleend en de daarbij gegeven
aanwijzingen worden opgevolgd, of
b. de in het eerste lid genoemde handelingen verplicht zijn
gesteld ingevolge een aanzegging als bedoeld in artikel 9.
Artikel 11
De eigenaar of houder van ruimten, installaties, transportmiddelen,
werktuigen, gereedschappen, materialen of andere voorwerpen die kunnen
zijn of worden gebruikt ten behoeve van de grond of andere cultuurmedia,
bedoeld in artikel 9, is verplicht, overeenkomstig de hem door Onze
Minister gedane aanzegging, op de daarbij voorgeschreven wijze en binnen
de daarbij gestelde termijn:
a. de ruimte te reinigen, te ontsmetten of daarin of daaraan de
door Onze Minister voorgeschreven voorzieningen te treffen;
b. de installaties, transportmiddelen, werktuigen of
gereedschappen te reinigen of te ontsmetten, of
c. de gebruikte materialen of andere voorwerpen te reinigen, te
ontsmetten of te vernietigen.
Artikel 12
1.Het is de eigenaar of houder van de ruimten, installaties,
transportmiddelen, werktuigen, gereedschappen, materialen of andere
voorwerpen, bedoeld in artikel 11, totdat gevolg is gegeven aan een
aanzegging als bedoeld in artikel 11 verboden:
a. voor zover het betreft ruimten, planten te gaan telen in de
ruimte of,
b. de betreffende ruimten, installaties, transportmiddelen,
werktuigen, gereedschappen, materialen of andere voorwerpen te
gebruiken voor andere grond of andere cultuurmedia dan de grond of
andere cultuurmedia, bedoeld in artikel 11.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien door
Onze Minister toestemming tot de in het eerste lid genoemde
handelingen is verleend en de daarbij gegeven aanwijzingen worden
opgevolgd.
§ 3a. Aardappelmoeheid
Artikel 12a
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de
omstandigheden die van belang zijn voor en criteria die worden
gehanteerd bij de vaststelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel e.
Artikel 12b
1. Het is verboden door Onze Minister aangewezen planten te telen
of te bewaren op grond waarvoor de gebruiksgerechtigde niet in het
bezit is van een door Onze Minister, na officieel onderzoek
overeenkomstig Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van de Europese Unie
van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het
aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PbEU
L 156), afgegeven verklaring, waaruit blijkt dat het perceel vrij is
of wordt geacht te zijn van besmetting met het aardappelcysteaaltje.
2. Het eerste lid is niet van toepassing in bij ministeriële
regeling te bepalen gevallen en onder bij ministeriële regeling te
bepalen voorwaarden, indien geen aanwijsbaar risico bestaat op de
aanwezigheid of verspreiding van het aardappelcysteaaltje.
3. De verklaring kan onder beperkende voorwaarden worden verleend
en te allen tijde worden ingetrokken.
§ 4. Overige bepalingen
Artikel 13
De eigenaar of houder van een ruimte, aan wie door Onze Minister is
medegedeeld dat zich in diens ruimte een schadelijk organisme bevindt,
is verplicht overeenkomstig de hem door Onze Minister gedane aanzegging,
op de daarbij voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor gestelde
termijn de ruimte te reinigen, te ontsmetten of daarin of daaraan de
door Onze Minister voorgeschreven voorzieningen te treffen.
Artikel 14
Onze Minister kan, ter voorkoming van het optreden en de verbreiding
van schadelijke organismen en ter bestrijding daarvan regels stellen
omtrent:
a. het toepassen van ontsmettingsmaatregelen door personen die
terreinen of ruimten betreden of verlaten;
b. het voor de teelt van planten te gebruiken of gebruikt water,
en
c. het treffen van voorzieningen in of aan ruimten;
d. het bewaren, voorhanden of in voorraad hebben, verhandelen,
verplaatsen, vervoeren, bewerken en behandelen van een partij.
Artikel 15
1.Onze Minister kan:
a. een partij als bedoeld in de artikelen 2 en 3 kenmerken of
onder verzegeling brengen, of
b. verpakkingsmateriaal als bedoeld in de artikelen 3 en 4
kenmerken of onder verzegeling brengen;
c. materialen als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 en 11
kenmerken of onder verzegeling brengen.
2.Het is anderen dan de ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de
Plantenziektenwet, verboden de kenmerken en zegels, bedoeld in het
eerste lid, te verwijderen, behoudens toestemming van Onze Minister.
Artikel 16
Een ieder die verschijnselen van aantasting van planten of
plantaardige produkten door schadelijke organismen, aangewezen door Onze
Minister, waarneemt is verplicht deze verschijnselen onverwijld te
melden bij een door Onze Minister aangewezen ambtenaar, dan wel een door
Onze Minister, op grond van artikel 9 van de Plantenziektenwet (Stb.
1951, 96) aangewezen instelling.
Artikel 17
1. Indien in een gebied, op een terrein, perceel of in een ruimte
de aanwezigheid van een door Onze Minister aangewezen schadelijk
organisme is aangetoond of wordt vermoed, kan Onze Minister met
betrekking tot dat gebied, dat terrein, perceel of die ruimte regels
stellen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Plantenziektenwet.
2. Krachtens het eerste lid kunnen worden aangewezen:
a. schadelijke organismen die de teelt en afzet van planten
nadelig kunnen beïnvloeden, of
b. planten die gevaar kunnen opleveren voor de vermeerdering of
de verspreiding van de krachtens het eerste lid aangewezen
schadelijke organismen.
Artikel 18
1.Het is verboden om door Onze Minister aangewezen schadelijke
organismen, die een ernstig gevaar kunnen opleveren voor de teelt van
planten, opzettelijk voorhanden of in voorraad te hebben.
2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor die instellingen
die in het bezit zijn van een door Onze Minister verleende vergunning.
3.Een vergunning als bedoeld in het tweede lid, wordt verleend
indien in een instelling de noodzakelijke voorzieningen zijn getroffen
ter voorkoming van de verbreiding van schadelijke organismen, bedoeld
in het eerste lid. Een vergunning dient te worden aangevraagd bij Onze
Minister. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
Zij kan onder beperkingen worden verleend.
Artikel 19
1.Onze Minister kan van het bij of krachtens dit besluit bepaalde
vrijstelling of ontheffing verlenen.
2.Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden
verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend. Zij kan te allen
tijde geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.
§ 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20
1. Aanzeggingen gedaan krachtens het bepaalde in de artikelen 3, 5
en 8 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 (Stb.
368), worden geacht te zijn gegeven op grond van het bepaalde
onderscheidenlijk in de artikelen 3 en 9.
2. Toestemmingen verleend krachtens het bepaalde in de artikelen 4,
6 en 8, tweede lid, van het Besluit bestrijding schadelijke organismen
1959, worden geacht te zijn gegeven op grond van het bepaalde
onderscheidenlijk in de artikelen 4, tweede lid, 9 en 10, tweede lid.
3. Aanwijzingen gedaan op grond van artikel 9 van het Besluit
bestrijding schadelijke organismen 1959 en nog van kracht bij het in
werking treden van dit besluit, worden geacht te zijn gegeven op grond
van artikel 17.
4. Na de inwerkingtreding van dit besluit worden de teeltverboden
vastgesteld op grond van artikel 9 van het Besluit bestrijding
schadelijke organismen 1959 en nog van kracht bij de inwerkingtreding
van dit besluit geacht te zijn gegeven op grond van artikel 17 van dit
besluit.
5. Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de regeling
teeltverboden knolcyperus (Stcrt. 1985, 79) en de Regeling
teeltverboden stengelaaltje (Stcrt. 1989, 95) op artikel 17 van dit
besluit.
6. Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling
aanwijzing schadelijke organismen 1984 (Stcrt. 248) op artikel 18 van
dit besluit.
7. Vrijstellingen en ontheffingen verleend op grond van artikel 10
van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 en nog van
kracht bij het in werking treden van dit besluit, worden geacht te
zijn gegeven op grond van artikel 19.
8. Verklaringen afgegeven krachtens artikel 5 van het Besluit
bestrijding aardappelmoeheid 1991, die nog van kracht zijn op het
tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 17 juni 2010,
houdende wijziging van het Besluit bestrijding schadelijke organismen
en intrekking van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991, in
verband met de implementatie van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van
de Europese Unie van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het
aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PbEU
L 156), worden geacht te zijn afgegeven op grond van artikel 12b en
zijn, tenzij ze voortijdig worden ingetrokken of de geldigheid
verstrijkt, geldig tot en met het moment dat op het voor de verklaring
relevante perceel voor de eerste maal door Onze Minister op grond van
artikel 12b aangewezen planten worden geteeld.
9. Aanwijzingen van terreinen gedaan krachtens artikel 6 van het
Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991, die nog van kracht zijn op
het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 17 juni 2010,
houdende wijziging van het Besluit bestrijding schadelijke organismen
en intrekking van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991 in
verband met de implementatie van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van
de Europese Unie van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het
aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PbEU
L 156), worden geacht te zijn gedaan op grond van het bepaalde bij of
krachtens artikel 17.
Artikel 21
1. De volgende besluiten worden ingetrokken:
a. Het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 (Stb.
1959, 368);
b. Het Kersenvliegbesluit (Stb. 1955, 243);
c. Het Besluit bestrijding Aspergevlieg (Stb. 1958, 224);
d. Het Besluit wering schadelijke organismen bij invoer van
planten 1971 (Stb. 346);
e. Het Besluit bestrijding iepeziekte (Stb. 1977, 445).
2. [Wijzigt het Besluit bestrijding bacterievuur 1983]
Artikel 22
Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de wet van 23 februari 1987 houdende wijziging van
de Plantenziektewet (Stb. 1951, 96).
Artikel 23
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit bestrijding
schadelijke organismen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 19 september 1991
BEATRIX
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij,
J.D. Gabor
Uitgegeven de achtentwintigste januari 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|