| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Plantenziektenwet
REGELING
INVOER, UITVOER EN VERKEER VAN PLANTEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De
Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 2 van de Plantenziektenwet en
op artikel 14, aanhef en onder d, van het Besluit bestrijding
schadelijke organismen 1991;
Gelet op Richtlijn 77/93/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 21 december 1976 betreffende de beschermende
maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap
van voor planten of voor plantaardige produkten schadelijke organismen (PbEG
1977, L 26) en de daarop gebaseerde richtlijnen;
Gezien de adviezen van het Landbouwschap, het
Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, het Produktschap voor
Siergewassen en het Produktschap voor Groenten en Fruit;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemene Bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
richtlijn 2000/29/EG:
richtlijn van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende
maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de
Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten
schadelijke organismen (PbEG L 169);
richtlijn 92/90/EEG:
richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3
november 1992 tot vaststelling van de verplichtingen van producenten
en importeurs van planten, plantaardige produkten of andere
materialen, en van nadere bepalingen inzake registratie(PbEG L 344);
richtlijn 92/105/EEG:
richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3
december 1992 tot een zekere mate van standaardisering van
plantenpaspoorten voor het verkeer van bepaalde planten, plantaardige
produkten of andere materialen in de Gemeenschap, en tot vaststelling
van nadere regels voor de afgifte van deze paspoorten en van de
voorwaarden en nadere regels voor de vervanging ervan(PbEG L 4);
verordening 690/2008:
Verordening (EG) Nr. 690/2008 van de Commissie van 4 juli 2008 tot
erkenning van beschermde gebieden in de Gemeenschap waar bijzondere
plantenrisico’s bestaan (PbEU L 193).
richtlijn 2008/61/EG:
Richtlijn 2008/61/EG van de Commissie van 17 juni 2008 tot
vaststelling van de voorwaarden waaronder bepaalde in bijlagen I tot
en met V bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad vermelde schadelijke
organismen, planten, plantaardige producten en andere materialen voor
proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor
selectiewerkzaamheden in de Gemeenschap of in bepaalde beschermde
gebieden daarvan mogen worden binnengebracht of naar een andere plaats
overgebracht (PbEU L 158).
richtlijn 2004/103/EG:
richtlijn 2004/103/EG van de Commissie van 7 oktober 2004
betreffende de controles van de identiteit en de fytosanitaire
controles van de in deel B van bijlage V bij richtlijn nr. 2000/29/EG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen opgenomen planten,
plantaardige producten en andere materialen die kunnen worden
uitgevoerd op een andere plaats dan de plaats van binnenkomst in de
Gemeenschap of op een dichtbijgelegen plaats en tot vaststelling van
de eisen met betrekking tot deze controles (PbEU L 313);
beschikking 2006/464/EG:
beschikking 2006/464/EG van de Europese Commissie van 27 juni 2006
tot vaststelling van voorlopige noodmaatregelen om het binnenbrengen
en de verspreiding in de Gemeenschap van Dryocosmus kuriphilus
Yasumatsu te voorkomen (PbEU L 183);
communautair douanewetboek:
verordening (EEG) nr. 2913 van de Raad van de Europese
gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het
communautair douanewetboek (PbEG L 302);
zending:
hoeveelheid goederen die vergezeld gaat van één document ten
behoeve van douane- of andere formaliteiten, zoals een fytosanitair
certificaat of een ander document of merkteken; een zending kan uit
één of meer partijen bestaan;
in het verkeer brengen:
verkopen, te koop aanbieden of afleveren, alsmede in- en uitvoeren
van en naar Lid-Staten;
vrijmaken:
op grond van douanebepalingen ter beschikking stellen van een
zending aan degene die de zending bij de ambtenaar der invoerrechten
en accijnzen heeft aangegeven;
importeur:
persoon of rechtspersoon die een zending invoert of doet invoeren,
doorvoer uitgezonderd, danwel handelingen verricht waaruit blijkt dat
de ingevoerde zending voor de eerste maal wordt geaccepteerd;
doorvoer:
vervoer van een zending tussen derde landen over het grondgebied
van een of meer Lid-Staten;
producent:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die planten teelt, danwel
plantaardige produkten vervaardigt met het oogmerk deze in het verkeer
te brengen;
handelaar:
persoon of rechtspersoon die beroepshalve een partij planten of
plantaardige produkten splitst in meerdere partijen of partijen
planten of plantaardige produkten samenvoegt, danwel op andere wijze
handelingen verricht, waardoor het gezondheidsniveau van de planten of
plantaardige produkten kan wijzigen;
commercieel koper:
natuurlijk persoon of rechtspersoon die planten of plantaardige
produkten verhandelt of levert aan de consument;
beschermd gebied:
gebied in de Europese Gemeenschappen als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder h, van richtlijn 2000/29/EG en genoemd in
verordening 690/2008;
Lid-Staat:
tot de Europese Gemeenschappen behorende staat, waarvan
uitgezonderd de Franse Overzeese Departementen alsmede de Canarische
eilanden, Ceuta en Melilla;
derde land:
niet tot de Europese Gemeenschappen behorende staat, alsmede de
Franse Overzeese Departementen, de Canarische eilanden, Ceuta en
Melilla;
andere materialen:
zaken, niet zijnde planten of plantaardige produkten, die drager
kunnen zijn van schadelijke organismen;
plantenpaspoort:
label, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van
richtlijn 2000/29/EG;
fytosanitair certificaat:
certificaat overeenkomstig het in bijlage VII A bij richtlijn
2000/29/EG opgenomen model;
fytosanitair certificaat voor wederuitvoer:
certificaat overeenkomstig het in bijlage VII B bij richtlijn
2000/29/EG opgenomen model;
officiële constatering of verklaring:
constatering gedaan door een vertegenwoordiger van de officiële
dienst voor plantenbescherming of door een vertegenwoordiger van een
onder verantwoordelijkheid van die dienst functionerende instelling.
voor opplant bestemde planten:
planten die reeds zijn geplant en die bestemd zijn om geplant te
blijven of opnieuw te worden geplant nadat zij zijn binnengebracht, of
planten die nog niet zijn geplant op het ogenblik van binnenbrengen,
maar die bestemd zijn om daarna te worden geplant;
plaats van binnenkomst:
plaats waar planten, plantaardige producten of andere materialen
voor het eerst in het douanegebied van de Gemeenschap worden
binnengebracht: de luchthaven in het geval van luchtvervoer, de haven
in het geval van zee- of binnenvaartvervoer, het station in het geval
van railvervoer en in alle andere gevallen de plaats waar het
douanekantoor is gevestigd dat verantwoordelijk is voor het gebied
waar de op land gelegen buitengrens van de Gemeenschap is
overschreden;
Commissie:
Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 2
1. Het is verboden planten, plantaardige produkten of andere
materialen in het verkeer te brengen of in te voeren uit derde landen,
tenzij is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 13 en
16.
2. de Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Zij kan onder beperkingen worden verleend.
3. de Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van het
bepaalde in het eerste lid ten behoeve van proefnemingen,
wetenschappelijke doeleinden of selectiewerkzaamheden. Een ontheffing
wordt alleen verleend indien is voldaan aan het bepaalde in richtlijn
2008/61/EG.
Artikel 2 bis
Op kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten,
voedingsmiddelen of diervoeders, voor zover verband houdende met planten
of plantaardige producten, en andere materialen, bestemd voor gebruik
door de eigenaar of ontvanger voor niet-industriële en niet
commerciële doeleinden of voor verbruik tijdens het vervoer, zijn, mits
er geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organisme in de
Europese Unie, niet van toepassing de artikelen 4, eerste lid, onderdeel
d, 4, tweede lid, 5, tweede lid, onderdeel c, 5, derde lid, 9, 10,
eerste lid, onderdeel b, 11, eerste lid, voor zover wordt verwezen naar
de artikelen 5, onderdeel c, 12 en 13.
Artikel 3
De artikelen 4 tot en met 20 gelden, voor zover niet anders is
bepaald, voor hout:
a. slechts indien dit, geheel of gedeeltelijk, zijn natuurlijke
ronde oppervlak, met of zonder schors, heeft behouden, dan wel de
vorm heeft van plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, restanten
en afval van hout,
b. in de vorm van een stuwmateriaal, tussenschotten, laadborden
of verpakkingsmateriaal die worden gebruikt bij het vervoer van
voorwerpen van allerlei aard, voor zover het hout vanuit
plantenziektenkundig oogpunt een gevaar inhoudt.
Paragraaf 2. Regelen betreffende het in het verkeer brengen van
planten.
Artikel 4
1. Planten, plantaardige produkten of andere materialen, die in het
verkeer worden gebracht moeten:
a. vrij zijn van schadelijke organismen, genoemd in bijlage I,
deel A, bij richtlijn 2000/29/EG;
b. voor zover genoemd in bijlage II, deel A, bij richtlijn
2000/29/EG vrij zijn van de daarbij in dat deel van die bijlage
genoemde schadelijke organismen;
c. vrij zijn van schadelijke organismen, voor zover deze een
acuut gevaar voor planten of plantaardige produkten opleveren;
d. voldoen aan de bijzondere eisen, genoemd in bijlage IV, deel
A, rubriek II, bij richtlijn 2000/29/EG, die daarbij in dat deel
van die bijlage worden genoemd.
e. voorzover het tomatenplanten (Lycopersicon lycopersicum (L.)
Karsten ex Farw.) bestemd voor opplant betreft, met uitzondering
van zaden en van planten waarvoor uit de verpakking of anderszins
blijkt dat deze zijn bestemd voor verkoop aan de eindconsument en
niet voor beroepsmatige teelt, tot en met 31 januari 2004 voldoen
aan de bijzondere eisen, bedoeld in punt 3 van de bijlage bij
beschikking nr. 2003/64/EG van de Commissie van 28 januari 2003
betreffende voorlopige maatregelen met betrekking tot voor opplant
bestemde tomatenplanten om het binnenbrengen en de verspreiding in
de gemeenschap van het pepinomozaïekvirus te voorkomen (PbEG L
24), en voorzover het betreft zaden van tomaten, aan de bijzondere
eisen, bedoeld in punt 4 van genoemde bijlage;
f. voorzover het planten van het geslacht Brugmansia Pers. spp.
en de soort Solanum jasminoides Paxton, bestemd voor opplant, met
inbegrip van zaad, met uitzondering van kleine hoeveelheden
planten voor gebruik door de eigenaar of ontvanger voor
niet-commerciële doeleinden mits er geen risico van verspreiding
van het schadelijk organisme bestaat, betreft, voldoen aan de
bijzondere eisen, bedoeld in punt 2 van de bijlage bij beschikking
nr. 2007/410/EG van de Commissie van 12 juni 2007 tot vaststelling
van maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de
Gemeenschap van potato spindle tuber viroid te voorkomen (PbEG L
155). Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing;
g. voor zover het planten of delen van planten van het geslacht
Castanea Mill., bestemd voor opplant, met uitzondering van
vruchten en zaden, betreft, voldoen aan artikel 4 van beschikking
2006/464/EG.
2. Op planten, plantaardige producten of andere materialen, genoemd
in bijlage V, deel A, bij richtlijn nr. 2000/29/EG, en zaad, genoemd
in bijlage IV bij richtlijn nr. 2000/29/EG dan wel op de verpakkingen
waarin of de vervoermiddelen waarmee zij worden vervoerd, die
beroepshalve in het verkeer worden gebracht, het plaatselijk verkeer
uitgezonderd, is een plantenpaspoort aangebracht.
3. Onder plaatselijk verkeer als bedoeld in het tweede lid wordt
verstaan het verkeer door degene, die niet uit hoofde van zijn beroep
of bedrijf bij de produktie van planten is betrokken, van hout van
Castanea Mill en hout, ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde
oppervlak niet heeft behouden, van Platanus L naar de eindverbruiker,
die uit hoofde van zijn beroep of bedrijf evenmin bij de produktie van
planten is betrokken.
Artikel 5
1.Het is verboden planten, plantaardige produkten of andere
materialen genoemd in bijlage III, deel B, bij richtlijn 2000/29/EG in
de daarbij in die bijlage genoemde beschermde gebieden te brengen,
indien deze van oorsprong zijn uit de daarbij genoemde landen.
2.Onverminderd de eisen, genoemd in artikel 4 worden in beschermde
gebieden uitsluitend die planten, plantaardige producten of andere
materialen in het verkeer gebracht die:
a. vrij zijn van schadelijke organisme, genoemd in bijlage I,
deel B, bij richtlijn nr. 2000/29/EG;
b. vrij zijn van schadelijke organismen, genoemd in bijlage II,
deel B bij richtlijn nr. 2000/29/EG;
c. voldoen aan de eisen genoemd, in bijlage IV, deel B, bij
richtlijn nr. 2000/29/EG.
3.Op de planten, plantaardige producten of andere materialen,
genoemd in bijlage V, deel A, bij richtlijn nr. 2000/29/EG, en zaad,
genoemd in bijlage IV bij richtlijn nr. 2000/29/EG, die beroepshalve
in het verkeer worden gebracht in een beschermd gebied, dan wel op de
verpakkingen waarin of de vervoermiddelen waarmee zij worden vervoerd,
is een plantenpaspoort aangebracht.
4.In afwijking van het derde lid kunnen planten, plantaardige
produkten of andere materialen via een beschermd gebied naar een
eindbestemming buiten dat gebied worden vervoerd zonder een
plantenpaspoort voor het betreffende beschermde gebied, indien is
voldaan aan de volgende vereisten:
a. de gebruikte verpakking, dan wel het voertuig waarin deze
planten, plantaardige produkten of andere materialen worden
vervoerd, moet schoon zijn en vrij van schadelijke organismen,
genoemd bij het betreffende beschermde gebied in richtlijn 92/76/EEG,
en moet van zodanige aard zijn dat er geen gevaar bestaat voor
verspreiding van deze schadelijke organismen;
b. zodra deze planten, plantaardige produkten of andere
materialen zijn verpakt, moet de verpakking, dan wel het voertuig
waarin zij worden vervoerd, overeenkomstig strenge fytosanitaire
normen en ten genoegen van de Minister zo worden gesloten en
tijdens het vervoer door het betrokken beschermd gebied gesloten
blijven, dat er geen gevaar bestaat voor de verspreiding van
schadelijke organismen in het betrokken beschermde gebied en dat
hun identiteit gegarandeerd is en
c. de planten, plantaardige produkten of andere materialen
moeten vergezeld gaan van een in het handelsverkeer normaal
gebruikt document waarin is aangegeven dat de produkten niet van
oorsprong zijn uit het betrokken beschermde gebied en een
bestemming hebben buiten dat beschermde gebied.
Artikel 5bis
Bacterievuurwaardplanten voldoen uitsluitend aan de bijzondere eisen,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, indien zij zijn
aangewezen door de Minister en worden geteeld in door hem aangewezen
gebieden.
Artikel 6
1. Een plantenpaspoort wordt door de minister afgegeven, indien na
grondig onderzoek van planten, plantaardige producten of andere
materialen, genoemd in bijlage V, deel A, bij richtlijn nr.
2000/29/EG, en zaad, genoemd in bijlage IV bij richtlijn nr.
2000/29/EG, alsmede van de verpakking daarvan geheel of gedeeltelijk
aan de hand van een representatief monster en zonodig aan de gebruikte
vervoermiddelen is gebleken dat de planten, plantaardige producten of
andere materialen, genoemd in bijlage V, deel A, bij richtlijn nr.
2000/29/EG, en zaad, genoemd in bijlage IV bij richtlijn nr.
2000/29/EG:
a. niet zijn aangetast door de in bijlage I, deel A, rubriek
II, bij richtlijn 2000/29/EG genoemde schadelijke organismen;
b. voor zover genoemd in bijlage II, deel A, rubriek II, bij
richtlijn 2000/29/EG niet zijn aangetast door de schadelijke
organismen, die daarbij in dat deel van die bijlage worden
genoemd;
c. voldoen aan de bijzondere eisen gesteld in bijlage IV, deel
A, rubriek II bij richtlijn 2000/29/EG, die daarbij in dat deel
van die bijlage worden genoemd;
d. voor zover het planten of delen van planten van het geslacht
Castanea Mill., bestemd voor opplant, met uitzondering van
vruchten en zaden, betreft, deze niet zijn aangetast door de
Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan van afgifte van
een plantenpaspoort voor zaad worden afgezien overeenkomstig een door
de Commissie genomen besluit.
3. Een plantenpaspoort wordt niet verstrekt indien uit het
onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de planten,
plantaardige produkten of andere materialen:
a. zijn aangetast door de in bijlage I, deel A, rubriek I, bij
richtlijn 2000/29/EG genoemde schadelijke organismen, of
b. voor zover genoemd in bijlage II, deel A, rubriek I, bij
richtlijn 2000/29/EG, zijn aangetast door de schadelijke
organismen, die daarbij in dat deel van die bijlage worden
genoemd;
c. voor zover het planten of delen van planten van het geslacht
Castanea Mill., bestemd voor opplant, met uitzondering van
vruchten en zaden, betreft, deze zijn aangetast door de Dryocosmus
kuriphilus Yasumatsu.
4. Met betrekking tot beschermde gebieden zijn het eerste en tweede
lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uit het
onderzoek tevens moet zijn gebleken, dat de planten en plantaardige
produkten of ander materialen voldoen aan de eisen, gesteld in artikel
5, tweede lid.
5. Wanneer uit onderzoek van de planten, plantaardige produkten of
andere materialen blijkt, dat een deel van de planten of plantaardige
produkten, die door de producent worden geteeld, geproduceerd of
gebruikt, of die anderszins op zijn bedrijf aanwezig zijn danwel een
deel van het op het bedrijf gebruikte groeimedium, geen gevaar voor
verspreiding van schadelijke organismen kunnen opleveren wordt, in
afwijking van het eerste en tweede lid, uitsluitend voor dat deel een
plantenpaspoort afgegeven.
6. Een onderzoek als bedoeld in het eerste lid geschiedt
uitsluitend bij de natuurlijke of rechtspersoon, die in het officiële
register, bedoeld in artikel 18, is opgenomen.
7. In afwijking van het tweede lid wordt voor planten, plantaardige
produkten of andere materialen waarvoor een ontheffing als bedoeld in
artikel 2, derde lid, is verleend, een plantenpaspoort verstrekt
indien, behoudens het onderwerp van de ontheffing, de planten,
plantaardige produkten of andere materialen voldoen aan het bepaalde
in het eerste lid. Op het plantenpaspoort wordt vermeld: Dit materiaal
wordt op grond van richtlijn 2008/61/EG naar een andere plaats
overgebracht.
Artikel 7
1.Een plantenpaspoort als bedoeld in artikel 6 bestaat uit een
label en een begeleidend document, waarop de gegevens, voorgeschreven
in de bijlage van richtlijn 92/105/EEG, staan vermeld, waarbij op het
label minimaal de in de punten 1 tot en met 5 en op het begeleidend
document minimaal de in de punten 1 tot en met 10 van de bijlage bij
richtlijn 92/105/EEG genoemde gegevens zijn aangegeven, danwel alleen
een label, mits daarop alle in de punten 1 tot en met 10 van de
bijlage bij richtlijn 92/105/EEG genoemde gegevens zijn vermeld.
2.Een plantenpaspoort moet zijn gesteld in een der officiële talen
van de Europese Gemeenschappen.
3.Een plantenpaspoort is slechts geldig, indien is voldaan aan de
vereisten gesteld in artikel 1, tweede lid, onderdelen a en c, artikel
2, tweede lid en artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/105/EEG.
4.Een plantenpaspoort kan door een ander plantenpaspoort worden
vervangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, derde lid, van
richtlijn 2000/29/EG.
5.Een plantenpaspoort wordt aangemaakt, gedrukt of nadien bewaard
door de Plantenziektenkundige Dienst, een door de Minister aangewezen
instantie, dan wel door een geregistreerde producent, handelaar of
importeur die daartoe schriftelijke toestemming van de Minister heeft
gekregen.
6.Een producent, handelaar of importeur, welke toestemming heeft
verkregen overeenkomstig het vijfde lid, kan het plantenpaspoort
gebruiken wanneer het plantenpaspoort is afgegeven overeenkomstig
artikel 6, eerste lid, indien genoemde producent, handelaar of
importeur daartoe schriftelijke toestemming van de Minister heeft
gekregen.
Artikel 8
Commerciële kopers van planten, plantaardige producten of andere
materialen bewaren, als eindgebruikers die uit hoofde van hun beroep bij
de plantaardige productie betrokken zijn, de desbetreffende
plantenpaspoorten ten minste één jaar en vermelden de
referentiegegevens in hun administratie.
Artikel 9
Alvorens zaad, genoemd in bijlage IV, deel A, rubriek II, bij
richtlijn 2000/29/EG in het verkeer wordt gebracht, stelt de
Plantenziektenkundige Dienst of een onder haar verantwoordelijkheid
functionerende instelling een onderzoek in ten einde zekerheid te
verkrijgen dat het zaad voldoet aan de bijzondere eisen die daarop
betrekking hebben en in dat deel van die bijlage worden vermeld.
Paragraaf 3. Regelen betreffende in- en uitvoer van en naar derde
landen
Artikel 10
1.Planten, plantaardige produkten of andere materialen, mogen
slechts worden ingevoerd uit derde landen, indien zij voldoen aan:
a. de vereisten, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdelen
a, b en c;
b. de bijzondere eisen, genoemd in bijlage IV, deel A, rubriek
I, bij richtlijn 2000/29/EG, die daarbij in dat deel van die
bijlage worden genoemd.
2.Het is verboden planten, plantaardige produkten of andere
materialen genoemd in bijlage III, deel A, bij richtlijn 2000/29/EG
uit derde landen in te voeren, indien deze van oorsprong zijn uit de
daarbij genoemde landen.
3.Het tweede lid vindt geen toepassing bij doorvoer, voor zover
geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organismen.
4.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op
hout, in de vorm van stuwmateriaal, tussenschotten, laadborden of
verpakkingsmateriaal dat daadwerkelijk gebruikt wordt bij het vervoer
van voorwerpen van allerlei aard.
Artikel 11
1.In beschermde gebieden mogen uitsluitend die planten,
plantaardige produkten of andere materialen worden gebracht uit derde
landen, die voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 5, tweede
lid.
2.Artikel 5, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
1.Onverminderd artikel 37, eerste lid, van het communautair
douanewetboek worden planten, plantaardige producten of andere
materialen, van herkomst uit een derde land en genoemd in bijlage V,
deel B, van richtlijn nr. 2000/29/EG onder één van de
douaneregelingen, vermeld in artikel 4, zestiende lid, onderdelen a,
d, e, f, en g van het communautair douanewetboek geplaatst als deze
voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. de planten, plantaardige producten of andere materialen
zijn, blijkens onderzoek, niet besmet met in bijlage I, deel A,
bij richtlijn nr. 2000/29/EG genoemde schadelijke organismen;
b. de planten en plantaardige producten zijn, blijkens
onderzoek, niet besmet met in bijlage II, deel A, bij richtlijn
nr. 2000/29/EG genoemde schadelijke organismen;
c. de planten, plantaardige producten of andere materialen,
blijkens onderzoek, voldoen aan de eisen genoemd in bijlage IV,
deel A;
d. de planten, plantaardige producten of ander materialen gaan,
blijkens onderzoek, vergezeld van een fytosanitair certificaat of
een fytosanitair certificaat voor wederuitvoer als bedoeld in
artikel 13
2.Indien de zending bestemd is voor een beschermd gebied, dan is
het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat
het onderzoek zich tevens richt op de in deel B van bijlagen I, II en
IV bij richtlijn 2000/29/EG genoemde schadelijke organismen en
bijzondere eisen.
3.Controle op de identiteit van de zending, alsmede op het
inachtnemen van artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede lid, en
artikel 13 wordt uitgevoerd op het tijdstip dat de zending wordt
ingevoerd.
4.De controles van de documenten, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, worden afgewikkeld op de plaats van binnenkomst.
5.De controles van de identiteit en de fytosanitaire controles,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c en het tweede
lid, worden uitgevoerd op de plaats van binnenkomst of op een andere
dichtbij gelegen plaats die door de douaneautoriteiten en door de
minister is erkend overeenkomstig richtlijn nr. 2004/103/EG.
6.In afwijking van het vijfde lid kunnen de controles van de
identiteit en de fytosanitaire controles, als bedoeld in het eerste
lid, onderdelen a tot en met c en het tweede lid, worden uitgevoerd op
de plaats van bestemming die door de douaneautoriteiten en door de
minister is erkend overeenkomstig richtlijn nr. 2004/103/EG.
7.In afwijking van het vijfde lid kunnen, in het geval van
douanevervoer van niet-communautaire goederen de controles van de
identiteit en de fytosanitaire controles, als bedoeld in het eerste
lid, onderdelen a tot en met c en het tweede lid, worden uitgevoerd
overeenkomstig artikel 13 quater, tweede lid, onderdeel c, van
richtlijn nr. 2000/29/EG en overeenkomstig richtlijn nr. 2004/103/EG.
8.De minister erkent de plaats als bedoeld in het vijfde tot en met
zevende lid.
9.Een aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij de
Plantenziektenkundige Dienst.
10.De zending wordt op de plaats van onderzoek bijeen en duidelijk
afgescheiden van andere planten en de grond gehouden totdat de
minister schriftelijk heeft verklaard, dat dit niet meer wordt
verlangd.
11.Onverminderd het eerste lid, onderdeel d, is dit artikel is
tevens van toepassing op planten, plantaardige producten of andere
materialen, van herkomst uit een derde land en genoemd in bijlage V,
deel B, van richtlijn nr. 2000/29/EG die onder één van de
douanebestemmingen, vermeld in artikel 4, vijftiende lid, onderdelen
b, c, d, en e of onder een van de douaneregelingen vermeld in artikel
4, zestiende lid, onderdelen b en c van het communautair douanewetboek
worden geplaatst indien er gevaar voor verspreiding van schadelijke
organismen bestaat.
12.In afwijking van het eerste lid kan voor een deel van de
zendingen, overeenkomstig een door de Commissie genomen besluit,
afkomstig uit derde landen de vrijgave als bedoeld in het tiende lid
worden afgeven na het uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in het
eerste lid, onder d.
13.Dit artikel is niet van toepassing bij doorvoer en het
binnenbrengen in de Gemeenschap van planten, plantaardige producten of
andere materialen welke zonder enige wijziging in hun douanestatus via
het grondgebied van een derde land worden overgebracht van een plaats
in de gemeenschap naar een andere plaats in de Gemeenschap.
Artikel 12a
Onverminderd de bepalingen van artikel 12 gelden voor knollen van
Solanum tuberosum L., andere dan bestemd voor opplant, van oorsprong uit
Egypte, de volgende bepalingen:
a. de aardappelen worden alleen binnengebracht in Eemshaven,
Harlingen, Beverwijk, Amsterdam, Rotterdam, Vlissingen en Hansweert;
b. de aardappelen worden op de plaats van binnenkomst
gecontroleerd;
c. de aardappelen worden gecontroleerd overeenkomstig de
bijzondere eisen genoemd in punt 2, eerste alinea, en punt 3, eerste
alinea, van de bijlage bij beschikking 2004/4/EG van de Commissie
van 22 december 2003 houdende machtiging van de lidstaten om ten
aanzien van Egypte tijdelijk aanvullende maatregelen te nemen tegen
de verspreiding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith (PbEU L
2) en
d. de aardappelen worden gecontroleerd op aanwezigheid van de in
punt 1, onderdeel b, sub iv en xi, van de in onderdeel c genoemde
bijlage, bedoelde documenten en officiële fytosanitaire
certificaten.
Artikel 12b
Artikel 12, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op
snijbloemen van Orchidaceae van oorsprong uit Thailand, met dien
verstande dat het onderzoek, bedoeld in onderdeel d, mede omvat het
onderzoek of de zending vergezeld gaat van een fytosanitair certificaat
dat voldoet aan de bijzondere eisen van beschikking 98/109/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 februari 1998 tot
machtiging van de lidstaten om ten aanzien van Thailand tijdelijk
spoedmaatregelen te nemen tegen de verspreiding van Thrips palmi Karny.
Artikel 12c
1.Het is verboden Anaplophora gabripennis (Motschulsky) in te
voeren en binnen Nederland te verspreiden.
2.Onverminderd de bepalingen van artikel 12 mag hout van oorsprong
uit China (met uitzondering van Hongkong), behalve hout van coniferen
(Coniferales), in de vorm van:
-
kisten, bakken, kratten, vaten en gelijksoortige verpakkingen,
laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor
laadborden, die worden gebruikt voor het vervoer van allerhande
voorwerpen of
-
hout dat wordt gebruikt om ladingen vast te zetten of te
ondersteunen, met inbegrip van hout dat zijn natuurlijke ronde
oppervlak niet heeft behouden slechts worden ingevoerd indien:
a. het hout is ontschorst en vrij is van insectenboorgaten
met een diameter van meer dan 3 mm of;
b. volgens een passend tijd- en temperatuurschema
kunstmatig is gedroogd tot een vochtgehalte van minder dan
20%, berekend op de droge stof.
Artikel 12d
Onverminderd artikel 12 geldt tot en met 31 januari 2004 voor
tomatenplanten (Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.) bestemd
voor opplant, met uitzondering van zaden dat bedoelde planten moeten
voldoen aan de bijzondere eisen, bedoeld in punt 1 van de bijlage bij
beschikking nr. 2003/64/EG van de Commissie van 28 januari 2003
betreffende voorlopige maatregelen met betrekking tot voor opplant
bestemde tomatenplanten om het binnenbrengen en de verspreiding in de
gemeenschap van het pepinomozaïekvirus te voorkomen (PbEG L 24), en
voorzover het betreft zaden van tomaten, aan de bijzondere eisen,
bedoeld in punt 2 van genoemde bijlage.
Artikel 12e
1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder vatbaar
hout: verpakkingshout dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit onbewerkt
naaldhout (Coniferales), ander dan Thuja L., in de vorm van kisten,
bakken, kratten, vaten of gelijksoortige verpakkingen, laadborden,
laadkisten of andere laadplateaus, of opzetranden voor laadborden, al
dan niet daadwerkelijk gebruikt voor het vervoer van allerhande
voorwerpen.
2.Vatbaar hout, van oorsprong uit Canada, Japan of de Verenigde
Staten van Amerika, verzonden op of na 1 oktober 2001, mag
onverminderd de bepalingen van artikel 12, alleen worden ingevoerd
indien:
a. het een warmtebehandeling heeft ondergaan of kunstmatig is
gedroogd, waarbij de kerntemperatuur gedurende ten minste 30
minuten ten minste 56°C bedraagt, in een gesloten ruimte of in
een oven die voor dat doel is getest, geëvalueerd en officieel
goedgekeurd en het vatbaar hout een officieel goedgekeurd
merkteken draagt waaruit kan worden afgeleid dat het vorengenoemde
behandeling heeft ondergaan en waar en door wie deze is verricht,
of
b. het onder druk geïmpregneerd is met een goedgekeurde
chemische stof volgens een officieel erkende technische
specificatie en het vatbaar hout een officieel goedgekeurd
merkteken draagt waaruit kan worden afgeleid dat het vorengenoemde
behandeling heeft ondergaan en waar en door wie deze is verricht,
of
c. het gefumigeerd is met een chemische stof volgens een
officieel erkende technische specificatie en het vatbaar hout een
officieel goedgekeurd merkteken draagt waaruit kan worden afgeleid
dat het vorengenoemde behandeling heeft ondergaan en waar en door
wie deze is verricht.
3.Vatbaar hout van oorsprong uit China, verzonden op of na 1
oktober 2001, mag, onverminderd de bepalingen van artikel 12, alleen
worden ingevoerd indien het is onderworpen aan een van de maatregelen
genoemd in het tweede lid en vergezeld gaat van het in de artikelen 7
en 8 van richtlijn 2000/29/EG bedoelde certificaat waarin de
uitgevoerde maatregelen worden bevestigd.
4.Onverminderd de bepalingen van bijlage IV bij richtlijn
2000/29/EG zijn de in het tweede lid genoemde maatregelen niet van
toepassing op vatbaar hout, indien het vatbaar hout afkomstig is uit
gebieden in China die voorkomen op de lijst die door de Commissie is
opgesteld op basis van door China uitgevoerd onderzoek waaruit blijkt
dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. in
die gebieden niet voorkomt.
5.De eisen die zijn vermeld in deel A, rubriek 1, punt 1.3, van
bijlage IV bij richtlijn 2000/29/EG zijn niet van toepassing op het
eerste tot en met het derde lid.
Artikel 12f
1.Onverminderd artikel 1 wordt voor de toepassing van dit artikel
verstaan onder:
a. het schadelijke organisme:
Phytophthora ramorum Werres, De Cock & Man in 't Veld sp.
nov.;
b. gevoelige planten:
planten, met uitzondering van vruchten en zaden, van Acer
macrophyllum Pursh., Aesculus californica Nutt., Arbutus menziesii
Pursch., Arctostaphylos spp. Adans, Heteromeles arbutifolia (Lindley)
M. Roemer, Lithocarpus densiflorus (H & A), Lonicera hispidula (Dougl.),
Quercus spp. L., Rhamnus californica (Esch), Rhododendron spp. L.,
andere dan Rhododendron simsii Planch., Umbellularia californica (Pursch.),
Vaccinium ovatum (Hook & Arn) Nutt. en Viburnum spp. L.;
c. gevoelig hout:
hout van Acer macrophyllum Pursh., Aesculus californica Nutt.,
Lithocarpus densiflorus (H & A) en Quercus L.;
d. gevoelige schors:
aparte schors van Acer macrophyllum Pursh., Aesculus californica
Nutt., Lithocarpus densiflorus (H & A) en Quercus L.;
e. beschikking nr. 2002/757/EG:
beschikking nr. 2002/757/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 19 september 2002 houdende voorlopige
fytosanitaire noodmaatregelen om het binnenbrengen en de
verspreiding in de Gemeenschap van Phytophthora ramorum Werres, De
Cock & Man in 't Veld sp. nov. te voorkomen (PbEG L 252/37).
2.Het binnenbrengen in de Gemeenschap en de verspreiding in de
Gemeenschap van niet-Europese of Europese isolaten van het schadelijke
organisme is verboden.
3.Gevoelige planten en gevoelig hout worden slechts op het
grondgebied van de Gemeenschap binnengebracht indien zij voldoen aan
de punten la en 2 van de bijlage bij beschikking nr. 2002/757/EG, en
indien zij bij binnenkomst in de Gemeenschap overeenkomstig artikel
13, eerste lid, onder a), van richtlijn nr. 2000/29/EG zijn onderzocht
op de aanwezigheid van niet-Europese isolaten van het schadelijke
organisme en daarbij vrij van het schadelijke organisme worden
bevonden.
4.Het bepaalde in de punten 1a en 2 van de bijlage bij beschikking
nr. 2002/757/EG is slechts van toepassing op, op of na 1 november 2002
verzonden, voor de Gemeenschap bestemde gevoelige planten en gevoelig
hout van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika.
5.De in deel A, rubriek I, punt 3, van bijlage IV bij richtlijn nr.
2000/29/EG vastgestelde maatregelen ten aanzien van hout van Quercus
L., met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlakte
heeft behouden, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika,
zijn niet van toepassing op gevoelig hout van Quercus L. dat aan de
vereisten van punt 2, onder b), van de bijlage bij beschikking nr.
2002/757/EG voldoet.
6.Gevoelige planten van oorsprong uit de Verenigde Staten van
Amerika worden alleen binnen de Gemeenschap vervoerd als zij vergezeld
gaan van een plantenpaspoort.
7.Met ingang van 1 november 2002 worden planten van Rhododendron
spp., andere dan Rhododendron simsii Planch, en planten van Viburnum
spp., met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit derde
landen, andere dan de Verenigde Staten van Amerika, nadat zij op het
grondgebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, alleen binnen de
Gemeenschap vervoerd indien zij vergezeld gaan van een
plantenpaspoort.
8.Gevoelige schors van oorsprong uit de Verenigde Staten van
Amerika wordt niet op het grondgebied van de Gemeenschap toegelaten.
9.Met ingang van 1 november 2002 verlaten planten van Rhododendron
spp., andere dan Rhododendron simsii Planch., en planten van Viburnum
spp., met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit de
Gemeenschap, de plaats van productie niet, tenzij zij voldoen aan de
voorwaarden van punt 3 van de bijlage bij beschikking nr. 2002/757/EG.
De producenten van deze planten worden geregistreerd overeenkomstig §
4.
Artikel 12h
1.Onverminderd artikel 1 wordt voor de toepassing van dit artikel
verstaan onder:
a. schadelijk organisme: Potato spindle tuber viroid;
b. gevoelige planten: planten van het geslacht Brugmansia Pers.
spp. en de soort Solanum jasminoides Paxton, bestemd voor opplant,
met inbegrip van zaad, en
c. beschikking nr. 2007/410/EG: beschikking nr. 2007/410/EG van
de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 2007 tot
vaststelling van maatregelen om het binnenbrengen en de
verspreiding in de Gemeenschap van potato spindle tuber viroid te
voorkomen (PbEG L 155).
2.Gevoelige planten worden slechts op het grondgebied van de
Gemeenschap binnengebracht indien zij voldoen aan punt 1 van de
bijlage bij beschikking nr. 2007/410/EG, en indien zij bij binnenkomst
in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 12 zijn onderzocht op het
schadelijke organisme en daarvan vrij worden bevonden.
Artikel 12i
1. Onverminderd artikel 1 wordt onder toepassing van dit artikel
verstaan onder:
a. het schadelijke organisme: Anoplophora chinensis (Forster);
b. gevoelige planten: voor opplant bestemde planten, met
uitzondering van zaden, van Acer spp., Aesculus hippocastanum,
Alnus spp., Betula spp., Carpinus spp., Citrus spp., Corylus spp.,
Cotoneaster spp., Fagus spp., Lagerstroemia spp., Malus spp.,
Platanus spp., Populus spp., Prunus spp., Pyrus spp., Salix spp.,
en Ulmus spp.;
c. beschikking nr. 2008/840/EG: beschikking nr. 2008/840/EG van
de Commissie van 7 november 2008 tot vaststelling van
noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de
Gemeenschap van Anoplophora chinensis (Forster) te voorkomen (PbEU
L 300/36).
2. Gevoelige planten afkomstig uit derde landen, met uitzondering
van gevoelige planten afkomstig uit China, waarvan bekend is dat het
schadelijke organisme er voorkomt, mogen slechts in de Gemeenschap
worden binnengebracht als:
a. zij voldoen aan de specifieke invoervoorschriften van
bijlage I, onderdeel I, onder A, sub 1, bij beschikking nr.
2008/840/EG; en
b. zij, onverminderd artikel 12, bij binnenkomst in de
Gemeenschap overeenkomstig bijlage I, onderdeel I, onder A, sub 2,
bij beschikking nr. 2008/840/EG worden geïnspecteerd op de
aanwezigheid van het schadelijke organisme en geen tekenen van
aanwezigheid van dat schadelijke organisme zijn gevonden.
3. Voor opplant bestemde planten van Acers spp, met uitzondering
van zaden daarvan, afkomstig uit China mogen tot de datum, genoemd in
artikel 2 bis, tweede lid, eerste alinea, van beschikking nr.
2008/840/EG niet in de Gemeenschap worden binnengebracht.
4. Onverminderd het derde lid mogen gevoelige planten afkomstig uit
China slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht als:
a. zij voldoen aan de specifieke invoervoorschriften van
bijlage I, onderdeel I, onder B, sub 1, bij beschikking nr.
2008/840/EG,
b. zij, onverminderd artikel 12, bij binnenkomst in de
Gemeenschap overeenkomstig bijlage I, onderdeel I, onder B, sub 2,
bij beschikking nr. 2008/840/EG worden geïnspecteerd op de
aanwezigheid van het schadelijke organisme en geen tekenen van
aanwezigheid van dat schadelijke organisme zijn gevonden, en
c. zij voldoen aan artikel 2 bis, eerste lid, onderdeel c, van
beschikking nr. 2008/840/EG.
Artikel 12j
Onverminderd de artikelen 10, tweede lid, en 12, mogen planten of
delen van planten van het geslacht Castanea Mill., bestemd voor opplant,
met uitzondering van vruchten en zaden, afkomstig uit derde landen,
slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht indien zij voldoen aan
bijlage I, onderdeel 1, bij beschikking 2006/464/EG en indien ze bij
binnenkomst in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 13bis, lid 1, van
richtlijn nr. 2000/29/EG zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van
Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu en daarvan vrij zijn bevonden.
Artikel 13
1.Planten, plantaardige produkten of andere materialen, van
herkomst uit een derde land en genoemd in bijlage V, deel B, rubriek
I, bij richtlijn 2000/29/EG die tevens genoemd zijn in bijlage IV,
deel A, rubriek I, bij richtlijn 2000/29/EG moeten bij invoer
vergezeld zijn van een bij die zending behorend fytosanitair
certificaat, afgegeven door de officiële dienst voor
plantenbescherming van het land van oorsprong. Het bepaalde in de
eerste volzin is niet van toepassing:
a. wat hout betreft, indien het krachtens de bijzondere eisen
van bijlage IV bij richtlijn 2000/29/EG voldoende is dat het hout
van de bast is ontdaan;
b. in de overige gevallen, voor zover ook op andere plaatsen
dan de plaatsen van oorsprong kan worden voldaan aan de bijzondere
eisen van bijlage IV bij richtlijn 2000/29/EG.
2.Planten, plantaardige produkten of andere materialen, van
herkomst uit een derde land en genoemd in bijlage V, deel B, rubriek
I, bij richtlijn 2000/29/EG waarop het bepaalde in het eerste lid niet
van toepassing is, moeten bij invoer vergezeld zijn van een bij die
zending behorend fytosanitair certificaat, afgegeven door de
officiële dienst voor plantenbescherming van het land van oorsprong
danwel door de officiële dienst van de plantenbescherming van het
land van herkomst.
3.Indien een zending als bedoeld in het eerste of tweede lid in een
ander land dan het land van oorsprong naar het oordeel van de
officiële dienst voor plantenbescherming van dat land aan een
fytosanitair risico is blootgesteld geweest, ongeacht het feit of die
zending is opgesplitst, opgeslagen of overgepakt, moet de zending bij
invoer vergezeld zijn van een door de officiële dienst voor
plantenbescherming van het land van oorsprong afgegeven fytosanitair
certificaat of een officieel gewaarmerkte copie daarvan alsmede van
een fytosanitair certificaat, afgegeven door de officiële dienst voor
plantenbescherming van het andere land.
4.Indien een zending als bedoeld in het eerste lid in een ander
land dan het land van oorsprong is opgesplitst, opgeslagen of
overgepakt en in dat land naar het oordeel van de officiële dienst
voor plantenbescherming van dat land niet aan een fytosanitair risico
is blootgesteld geweest, moet de zending bij invoer vergezeld zijn van
een door de officiële dienst voor plantenbescherming van het land van
oorsprong afgegeven fytosanitair certificaat of een officiële
gewaarmerkte copie daarvan alsmede van een fytosanitair certificaat
voor wederuitvoer afgegeven door de officiële dienst voor
plantenbescherming van het andere land.
5.Indien een zending als bedoeld in het tweede lid in een ander
land dan het land van oorsprong is opgesplitst, opgeslagen of
overgepakt en in dat land naar oordeel van de officiële dienst voor
plantenbescherming van dat land niet aan een fytosanitair risico is
blootgesteld geweest, moet de zending bij invoer vergezeld zijn van
een door de officiële dienst voor plantenbescherming van het land van
oorsprong afgegeven fytosanitair certificaat of een officiëel
gewaarmerkte copie daarvan en van een door de officiële dienst voor
plantenbescherming van het andere land afgegeven fytosanitair
certificaat voor wederuitvoer dan wel van een fytosanitair certificaat
afgegeven door de officiële dienst voor plantenbescherming van het
andere land.
6.Dit artikel is niet van toepassing indien planten, plantaardige
produkten en andere materialen worden ingevoerd vanuit een andere
Lid-Staat via een derde land, voor zover er geen gevaar bestaat voor
verspreiding van schadelijke organismen.
Artikel 14
1.De invoer van schadelijke organismen genoemd in bijlage I of II
bij richtlijn 2000/29/EG in geïsoleerde toestand is verboden.
2.De Minister kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van het
bepaalde in het eerste lid voor proefnemingen wetenschappelijke
doeleinden of voor selectiewerkzaamheden. Een ontheffing wordt alleen
verleend indien is voldaan aan het bepaalde in richtlijn 2008/61/EG.
Artikel 15
1.Ten behoeve van planten en plantaardige produkten, bestemd voor
uitvoer, wordt een fytosanitair certificaat door de Minister slechts
afgegeven, indien na onderzoek van de zending, alsmede aan de
verpakking daarvan danwel geheel of gedeeltelijk aan de hand van een
representatief monster en zonodig aan de gebruikte of te gebruiken
vervoermiddelen, is gebleken dat voldaan is aan de fytosanitaire
bepalingen van het land van bestemming.
2.Een fytosanitair certificaat voor wederuitvoer wordt door de
Minister slechts afgegeven, indien na onderzoek is gebleken, dat
voldaan is aan de fytosanitaire invoerbepalingen van het land waarvoor
de zending bestemd is.
3.Een certificaat als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt
afgegeven onder de voorwaarde dat het vervoermiddel waarmee de zending
wordt vervoerd slechts zendingen bevat die voldoen aan de
fytosanitaire invoereisen van het land van bestemming als aangegeven
op het afgegeven certificaat.
Artikel 16
1.Een certificaat als bedoeld in artikel 15 moet zijn gesteld in
een der officiële talen van de Europese Gemeenschappen.
2.Een certificaat is niet eerder opgemaakt dan 14 dagen voor de
datum waarop de betrokken planten, plantaardige producten of andere
materialen, het derde land van afgifte hebben verlaten.
3.Een certificaat moet op eerste vordering bij een ambtenaar van de
Plantenziektenkundige Dienst, een beambte van een onder
verantwoordelijkheid van de Plantenziektenkundige Dienst
functionerende instelling, of een ambtenaar van de Belastingdienst
bevoegd inzake douane worden ingeleverd.
Paragraaf 4. Regelen met betrekking tot registratie
Artikel 17
1.Een plantenpaspoort wordt slechts verstrekt ten behoeve van
partijen planten, plantaardige producten of andere materialen, genoemd
in bijlage V, deel A, bij richtlijn nr. 2000/29/EG, en zaad, genoemd
in bijlage IV bij richtlijn nr. 2000/29/EG, afkomstig van een
importeur die is geregistreerd in een door de minister bijgehouden
register.
2.Distributeurs en verpakkers laten opslagplaatsen en
verzendingscentra, waar knollen van Solanum tuberosum L., andere dan
pootaardappelen, afkomstig van meerdere producenten zijn opgeslagen of
worden verpakt, opnemen in het register, bedoeld in het eerste lid.
3.Registratie vindt plaats indien de aanvrager heeft voldaan aan de
verplichtingen genoemd in artikel 2, tweede en derde lid, en artikel 3
van richtlijn 92/90/EEG.
Artikel 18
1.Registratie, bedoeld in artikel 17, geschiedt door toezending van
een volledig en naar waarheid ingevuld registratieformulier aan de
directeur danwel een door deze aangewezen instantie.
2.Een registratieformulier kan op aanvraag worden verkregen bij de
directeur dan wel de door deze aangewezen instantie.
3.De directeur dan wel de door deze aangewezen instantie stelt de
aanvrager als bedoeld in artikel 17, eerste lid, in kennis van de
inschrijving in het register onder vermelding van het aan de aanvrager
toegekende individuele registratienummer.
4.In het register wordt in ieder geval vermeld:
a. het individueel registratienummer;
b. de naam en de aard van de onderneming waarop de registratie
betrekking heeft;
c. het volledige adres van de geregistreerde;
d. de voorwaarden of beperkingen waaronder de inschrijving is
verleend;
e. de produkten waarop de registratie betrekking heeft.
f. datum van eerste aanvraag.
Artikel 19
1.Van iedere wijziging van de in artikel 18, vierde lid, genoemde
gegevens dient binnen vier weken nadat deze wijziging zich heeft
voorgedaan mededeling gedaan te worden aan de door de directeur dan
wel de door deze aangewezen instantie.
2.Indien blijkt dat aan de verplichtingen genoemd in artikel 17,
tweede lid, niet meer wordt voldaan kan door de directeur beslist
worden, dat de registratie wordt doorgehaald. Doorhaling geschiedt
niet dan na voorafgaande waarschuwing door of namens de directeur en
na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn waarbinnen aan
de vorenbedoelde voorschriften dient te zijn voldaan.
3.Het tweede lid geldt tevens indien aan het vereiste in het eerste
lid van dit artikel niet wordt voldaan.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Artikel 20
1.Een aanvraag tot een onderzoek als bedoeld in de artikelen 6 en
15 moet door de exporteur of diens gemachtigde ten minste 24 uur –
zaterdagen, zondagen, Goede Vrijdag en algemeen erkende feestdagen
niet meegerekend – voor het tijdstip van de voorgenomen uitvoer bij
het Districtshoofd van de Plantenziektenkundige Dienst, onder wie de
plaats van het onderzoek ressorteert, of een door de Minister
aangewezen instantie geschieden.
2.Het in het eerste lid bedoelde onderzoek vindt niet plaats op
zaterdagen, zondagen, Goede Vrijdag en algemeen erkende feestdagen. Op
andere dagen geschiedt het onderzoek uitsluitend tussen 8.00 en 17.00
uur. Op de plaats van onderzoek dient een goede verlichting aanwezig
te zijn, moet de aangemelde zending goed toegankelijk zijn en dient de
zending op een overzichtelijke wijze te worden aangeboden, zodat het
onderzoek naar behoren kan plaatsvinden; een en ander ter beoordeling
van de met het onderzoek belaste ambtenaar.
Tevens dienen alle vereiste bescheiden te worden overgelegd en
dient de gevraagde medewerking en noodzakelijke outillage te worden
verleend aan de met het onderzoek belaste ambtenaar.
3.Door de Minister kan, indien naar zijn oordeel van een bijzonder
geval sprake is, onder door hem te stellen voorwaarden worden
afgeweken van het in het eerste en tweede lid bepaalde.
Artikel 20a
1.De ontvanger van een zending aan wie een vergunning is verleend
voor elektronische aangifte als bedoeld in artikel 1:11 van de
Algemene Douaneregeling kan overeenkomstig die vergunning, de zending
op elektronische wijze aanbieden aan de Plantenziektenkundige Dienst
voor het onderzoek, bedoeld in artikel 12, eerste lid.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een
gemachtigde als bedoeld in artikel 2:1 van de Algemene wet
bestuursrecht, aan wie vergunning is verleend voor elektronische
aangifte als bedoeld in artikel 1:11 van de Algemene Douaneregeling.
3.Het aanbieden voor onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede
lid, geschiedt via een daarvoor bestemd elektronisch systeem met
behulp van een door de Minister beschikbaar gestelde toegang.
4.De Minister kan besluiten de verstrekte toegang te blokkeren,
indien de indiener of een met hem geassocieerd bedrijf of organisatie
in het verleden een elektronische aanbieding voor onderzoek heeft
ingediend in strijd met deze regeling.
5.De Minister kan een elektronische aanbieding voor onderzoek
weigeren, indien dit niet overeenkomstig deze regeling is ingediend.
6.De Minister kan elektronisch verschafte gegevens en bescheiden
weigeren voor zover de aanvaarding daarvan tot een onevenredige
belasting voor de Minister zou leiden.
7.De Minister kan een elektronisch verzonden bericht weigeren voor
zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van dit bericht
onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en de inhoud van het
bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.
8.De Minister deelt een weigering op grond van dit artikel zo
spoedig mogelijk aan de afzender mede.
9.Als tijdstip waarop een elektronisch bericht door de
Plantenziektenkundige Dienst elektronisch is ontvangen, geldt het
tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft
bereikt.
10.De Minister kan besluiten de elektronische aanbieding voor
onderzoek niet te behandelen, indien het elektronisch bericht geheel
of gedeeltelijk is geweigerd op grond van het vijfde, zesde en zevende
lid. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20b
1.Indien een zending overeenkomstig artikel 20a aan de
Plantenziektenkundige Dienst voor onderzoek is aangeboden, stelt de
Plantenziektenkundige Dienst de ontvanger van de zending of diens
gemachtigde via het systeem, bedoeld in artikel 20a, derde lid, op de
hoogte van de toepassing van artikel 12, elfde lid, dan wel van de
onverkorte toepassing van artikel 12, eerste lid. De ontvanger van de
zending of diens gemachtigde doet bij de elektronische aangifte ten
invoer, bedoeld in artikel 1:11 van de Algemene Douaneregeling,
mededeling aan de douane over de toepassing van artikel 12, elfde lid.
2.Indien een zending overeenkomstig artikel 20a aan de
Plantenziektenkundige Dienst voor onderzoek is aangeboden en aan
artikel 12, twaalfde lid, toepassing is gegeven, kan het besluit
bedoeld in artikel 12, tiende lid, worden bekendgemaakt door
elektronische toezending aan degene aan wie vergunning is verleend
voor elektronische aangifte als bedoeld in artikel 1:11 van de
Algemene Douaneregeling.
Artikel 21
1.Een wijziging van een of meer onderdelen van de in artikel 1
genoemde richtlijnen treedt voor de toepassing van de artikelen uit
deze regeling, waarin naar die onderdelen wordt verwezen, in werking
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
2.Van de mogelijkheid om op grond van een beschikking, inhoudende
een machtiging van de Raad of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen op grond van artikel 15, eerste lid, van richtlijn
2000/29/EG, af te wijken van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, en
van artikel 12, eerste lid, onderdelen c en d, kan gebruik worden
gemaakt, zodra de Minister dit in de Staatscourant bekend heeft
gemaakt.
3.de Minister doet van een wijziging als bedoeld in het eerste lid
mededeling in de Staatscourant.
Artikel 22
De Regeling invoer, uitvoer en vervoer van planten wordt ingetrokken.
Artikel 23
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1993.
2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling invoer,
uitvoer en verkeer van planten.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 26 mei 1993.
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
voor deze,
de plv. secretaris-generaal,
M. Brabers.
|
|
|