| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
AMBTSINSTRUCTIE
VOOR DE POLITIE, DE KONINKLIJKE
MARECHAUSSEE EN ANDERE OPSPORINGSAMBTENAREN
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 8 april 1994, houdende regels met
betrekking tot een nieuwe Ambtsinstructie voor de politie, de
Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar en de
maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen kunnen
worden onderworpen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van
8 december 1993, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 415284/93/6 en
nr. EA 93/U 3630, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie, nr. CWW 85/008;
Gelet op artikel 9 van de Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 28 maart
1994, nr. W03.93.0838);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 7
april 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 433019/94/6, nr. EA
94/U1149, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Defensie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder ambtenaar:
a. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder a, c
en d, van de Politiewet 2012;
b. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van
de Politiewet 2012 voor zover het betreft de artikelen 1 en 2,
hoofdstuk 5; In hoofdstuk 6 van dit besluit wordt onder ambtenaar
mede verstaan de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2,
onder b, van de Politiewet 2012, dan wel een andere persoon, voor
zover die ambtenaar van politie of die persoon tevens buitengewoon
opsporingsambtenaar is en door de korpschef is belast met de
verzorging van ingeslotenen.
c. degene die is benoemd tot adspirant voor de duur dat hij de
praktijkstage volgt;
d. de militair van de Koninklijke marechaussee in de uitvoering
van de politietaken, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
Politiewet 2012;
e. de militair van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 58,
eerste lid, en artikel 59 van de Politiewet 2012.
2. In dit besluit wordt verstaan onder meerdere:
a. de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens
beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel
heeft over de taakuitvoering;
b. indien op grond van het bepaalde onder a, geen meerdere kan
worden aangewezen de ambtenaar van politie die een hogere rang
heeft of, bij gelijkheid in rang, degene met de meeste
dienstjaren, dan wel bij optreden door militairen van de
Koninklijke marechaussee of van enig ander krijgsmachtonderdeel
degene die ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 67 van
het Wetboek van Militair Strafrecht de meerdere is.
3. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in de artikelen 11, 12 en
14 van de Politiewet 2012;
b. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe
betekenis uitgeoefend op personen of zaken;
c. aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld en het
dreigen met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen
van een vuurwapen;
d. geweldmiddel:
1°. de krachtens artikel 22 van de Politiewet 2012
toegelaten uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden
uitgeoefend, en.
2°. de door Onze Minister van Defensie ter beschikking
gestelde uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden
uitgeoefend in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in
de artikelen 4, 57, 58 en 59 van de Politiewet 2012;
e. hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting:
1º. de krachtens artikel 22 van de Politiewet 2012, aan de
ambtenaar van politie, bij of krachtens de Vreemdelingenwet
2000 belast met de grensbewaking of met het toezicht op
vreemdelingen, ter beschikking gestelde uitrusting ten behoeve
van de uitzetting van vreemdelingen, en
2º. de door Onze Minister van Defensie, in overeenstemming
met Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, aan de
ambtenaar van de Koninklijke marechaussee, bij of krachtens de
Vreemdelingenwet 2000 belast met de grensbewaking of met het
toezicht op vreemdelingen, ter beschikking gestelde uitrusting
ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen;
f. vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven:
vuurwapen waarmee met één druk op het afvuurmechanisme meer
schoten kunnen worden gelost dan wel een vuurwapen waarmee naar
keus hetzij één schot, hetzij meer schoten kunnen worden gelost;
g. de arts: de dienstdoend adviserend arts;
h. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon
opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering;
i. het gebruik van een vuurwapen: het richten, het gericht
houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen;
j. niet-penetrerende munitie: munitie die is ontworpen om bij
het treffen van een persoon niet het lichaam binnen te dringen;
k. AOE-hond: hond in eigendom van de politie met als doel in
politiedienst te worden ingezet bij het optreden van een
aanhoudings- en ondersteuningseenheid of een bijstandseenheid als
bedoeld in artikel 59 van de Politiewet 2012;
l. ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst: ambtenaar van
een bijzondere opsporingsdienst die is aangesteld voor de
uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de
bijzondere opsporingsdiensten.
4. In dit besluit wordt onder ingeslotene verstaan degene die
rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Onder ingeslotene wordt mede
verstaan degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het
politie- of brigadebureau is ondergebracht.
Artikel 2
De ambtenaar legitimeert zich met het legitimatiebewijs dat aan hem
is verstrekt:
a. bij optreden in burgerkleding ongevraagd, tenzij bijzondere
omstandigheden dit onmogelijk maken, en
b. bij optreden in uniform, op verzoek daartoe.
Artikel 3
De ambtenaar die bijstand verleent ingevolge de bepalingen van
hoofdstuk 5 van de Politiewet 2012 staat onder bevel van het bevoegd
gezag ter plaatse of een door deze aangewezen ambtenaar.
Hoofdstuk 2. Geweld
§ 1. Algemeen
Artikel 4
Het gebruik van een geweldmiddel is uitsluitend toegestaan aan een
ambtenaar:
a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, voor zover hij
optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het
geweldmiddel hem is toegekend, en
b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend.
Artikel 5
1.Indien de ambtenaar, al of niet in gesloten verband, onder
leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, zal hij geen
geweld aanwenden dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De
meerdere geeft daarbij aan van welk geweldmiddel gebruik wordt
gemaakt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing in het geval de meerdere,
bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald.
3.Het eerste lid is evenmin van toepassing in een geval als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, voor zover de last
redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.
Artikel 6
1. De korpschef of de daartoe door hem aangewezen ambtenaar van
politie zet de mobiele eenheid of de aanhoudings- en
ondersteuningseenheid slechts in na toestemming van het bevoegd gezag.
2. De door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar zet de eenheden,
bedoeld in de artikelen 57 en 58 van de Politiewet 2012 slechts in na
toestemming van het bevoegd gezag.
§ 2. Vuurwapens
Artikel 7
1.Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee
automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven,
is slechts geoorloofd:
a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk
gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen
personen zal gebruiken;
b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding,
voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te
onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is
veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf
1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en
2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke
integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of
3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is
of kan zijn.
c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere
ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht
van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder
leiding van een meerdere;
d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen,
andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de
militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de
minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem
belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van
een meerdere optreedt.
2.Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het
eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en
vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.
3.In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt
van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de
aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te
achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
4.Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid,
onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen,
bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 8
1.Het gebruik van een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden
afgegeven, is slechts geoorloofd tegen personen en tegen
vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden, in een
situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke
aanranding van eigen of eens anders lijf.
2.Een vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven mag
slechts worden meegevoerd ten behoeve van de opleiding dan wel voor:
a. het verrichten van een aanhouding van een persoon van wie
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk
gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen
personen zal gebruiken,
b. de bewaking en beveiliging van personen en objecten.
3.Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden
afgegeven in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder a, is slechts
toegestaan na schriftelijke toestemming van de officier van justitie.
Indien wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan
worden gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden gevraagd en
verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen
vierentwintig uur schriftelijk bevestigd. De officier van justitie
doet van het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan
worden afgegeven zo mogelijk vooraf mededeling aan de betrokken
burgemeester.
4.Het meevoeren van vuurwapens waarmee automatisch vuur kan worden
afgegeven in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder b, is slechts
mogelijk na schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag. Indien
wegens de vereiste spoed de toestemming niet schriftelijk kan worden
gevraagd of verleend, kan deze ook mondeling worden gevraagd en
verleend. De toestemming die mondeling is verleend, wordt binnen
vierentwintig uur schriftelijk bevestigd.
Artikel 9
1. Het gebruik van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur
kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd bij zeer ernstige
misdrijven ter afwending van direct gevaar voor het leven van
personen.
2. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats onder bevel
van de commandant van een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59
van de Politiewet 2012.
3. Een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden
afgegeven mag slechts worden meegevoerd ten behoeve van de opleiding
dan wel ten behoeve van de daadwerkelijke bestrijding van zeer
ernstige misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende
omstandigheden.
4. Het meevoeren van een vuurwapen waarmee lange
afstandsprecisievuur kan worden afgegeven ten behoeve van de
daadwerkelijke bestrijding van zeer ernstige misdrijven waarbij sprake
is van direct levensbedreigende omstandigheden, is slechts toegestaan
na schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag. Aan de toestemming
kunnen voorwaarden worden verbonden. Indien wegens de vereiste spoed
de toestemming niet schriftelijk kan worden gevraagd of verleend, kan
deze ook mondeling worden gevraagd en verleend. De toestemming die
mondeling is verleend, wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk
bevestigd.
Artikel 10
1.De ambtenaar mag slechts een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen
waarmee automatisch vuur of lange-afstandsprecisievuur kan worden
afgegeven, ter hand nemen:
a. in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is
toegestaan, of
b. in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat,
waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken.
2.Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
zich niet of niet meer voordoet, bergt de ambtenaar terstond het
vuurwapen op.
Artikel 10a
1.De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een
vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee lange
afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, zal schieten, met luide
stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden,
indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze
waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden door een
waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de
omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
2.Een waarschuwingsschot moet op zodanige wijze worden gegeven, dat
gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.
§ 2a. Niet-penetrerende munitie
Artikel 11
De artikelen 7 tot en met 10a zijn niet van toepassing op het gebruik
en het ter hand nemen van een vuurwapen dat is geladen met
niet-penetrerende munitie.
Artikel 11a
Het gebruik van een vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende
munitie is slechts geoorloofd:
a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk
gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen personen zal
gebruiken; of
b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding,
voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te
onttrekken of heeft onttrokken.
Artikel 11b
De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een
vuurwapen dat is geladen met niet-penetrerende munitie zal schieten, met
luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal
worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze
waarschuwing blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de
waarschuwing niet toelaten.
Artikel 11c
De artikelen 11a en 11b zijn van overeenkomstige toepassing indien de
niet-penetrerende munitie wordt afgegeven met een ander hulpmiddel dan
een vuurwapen.
§ 2b. Pepperspray
Artikel 12a
1.Het gebruik van pepperspray is slechts geoorloofd:
a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk
gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen een persoon
zal gebruiken;
b. om een persoon aan te houden die zich aan aanhouding,
voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te
onttrekken of heeft onttrokken;
c. ter verdediging tegen of voor het onder controle brengen van
agressieve dieren.
2.Pepperspray wordt niet gebruikt tegen:
a. personen die zichtbaar jonger dan 12 of ouder dan 65 jaar
zijn;
b. vrouwen die zichtbaar zwanger zijn;
c. personen voor wie dit gebruik als gevolg van een voor de
ambtenaar zichtbare ademhalings- of andere ernstige
gezondheidsstoornis onevenredig schadelijk kan zijn;
d. groepen personen.
Artikel 12b
De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht pepperspray
tegen een persoon zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te
verstane wijze dat pepperspray gebruikt zal worden, indien niet
onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing blijft
achterwege indien de omstandigheden de waarschuwing redelijkerwijs niet
toelaten.
Artikel 12c
Pepperspray wordt tegen een persoon per geval ten hoogste twee maal
voor de duur van niet langer dan ongeveer een seconde gebruikt en op een
afstand van ten minste een meter.
§ 3. Overige geweldmiddelen
Artikel 13
1.Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd:
a. in gesloten ruimten ter aanhouding van een persoon indien
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die persoon een voor
onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dat
tegen personen zal gebruiken dan wel ander levensbedreigend geweld
tegen personen zal gebruiken;
b. anders dan in gesloten ruimten ter verspreiding van
samenscholingen of volksmenigten die een ernstige en onmiddellijke
bedreiging vormen voor de veiligheid van personen of voor zaken.
2.Het gebruik van CS-traangas is slechts geoorloofd in opdracht van
de meerdere na vooraf verkregen toestemming van het bevoegd gezag.
3.De meerdere die bevel geeft tot het verspreiden van CS-traangas
geeft bij dit bevel aan hoeveel CS-traangasgranaten worden gebruikt.
Artikel 14
Het gebruik van een waterwerper is slechts geoorloofd bij optreden
van de mobiele eenheid in opdracht van de meerdere en na verkregen
toestemming van het bevoegd gezag.
Artikel 15
1. Het inzetten van een politie-surveillancehond is slechts
geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider
bij:
a. de surveillancedienst, en
b. het optreden van de mobiele eenheid na toestemming van het
bevoegd gezag.
2. Het inzetten van een AOE-hond is slechts geoorloofd onder het
direct en voortdurend toezicht van een geleider bij het, na
toestemming van het bevoegd gezag, optreden van een AOE of een
bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59 van de Politiewet 2012.
3. De geleider dient in het bezit te zijn van een krachtens artikel
22 van de Politiewet 2012 vastgesteld certificaat.
Artikel 16
Het gebruik van een elektrische wapenstok is slechts geoorloofd als
afweermiddel tegen agressieve dieren na toestemming van de meerdere.
§ 4. Melding geweld
Artikel 17
1. De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt de feiten en
omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld
aan zijn meerdere.
2. De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de meerdere
terstond vastgelegd op een daartoe door Onze Minister vastgestelde
wijze.
3. De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt door de politiechef
binnen 48 uur ter kennis gebracht van de officier van justitie in het
arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waarbinnen het geweld is
aangewend, dan wel door de commandant van de Koninklijke marechaussee
van de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken
ingeval het een militair betreft, indien:
a. de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het
oordeel van de politiechef of de commandant aanleiding geven,
b. het aanwenden van geweld lichamelijk letsel van meer dan
geringe betekenis dan wel de dood heeft veroorzaakt, of
c. gebruik is gemaakt van een vuurwapen en daarmee één of
meer schoten zijn gelost.
Artikel 18 [Vervallen per 31-08-2001]
Artikel 19
De meerdere licht de ambtenaar zo spoedig mogelijk in over de
afhandeling van de melding. Desgevraagd worden aan de ambtenaar
tussentijds inlichtingen verstrekt.
Hoofdstuk 3. Veiligheidsfouillering
Artikel 20
1. Het onderzoek, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de
Politiewet 2012, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de
kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van
hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
2. Het onderzoek, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de
Politiewet 2012 wordt uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde
geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
Artikel 21
De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 7, derde of
vierde lid, van de Politiewet 2012 heeft uitgevoerd, meldt dit
onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen
die tot dit onderzoek hebben geleid.
Hoofdstuk 4. Handboeien
Artikel 22
1.De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is
beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.
2.De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden
getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs
vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog
op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens
van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.
3.De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen
slechts gelegen zijn in:
a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of
b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de
vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in
samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer
plaatsvindt.
Artikel 23
De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien als bedoeld in
artikel 22, eerste lid, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de
meerdere, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van
handboeien hebben geleid.
Hoofdstuk 4a. Hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van
vreemdelingen
Artikel 23a
1.De ambtenaar, bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 belast
met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, kan een
vreemdeling bij diens uitzetting per luchtvaartuig met hulpmiddelen
ten behoeve van uitzetting in zijn bewegingsvrijheid beperken, ten
behoeve van een goed verloop van de uitzetting.
2.De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden
getroffen indien:
a. de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met
het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar
voor de veiligheid of het leven van de vreemdeling, van de
ambtenaar of van derden, dan wel met het oog op gevaar voor een
ernstige verstoring van de openbare orde, en
b. de toepassing van het hulpmiddel redelijkerwijs geen gevaar
kan opleveren voor de gezondheid van de vreemdeling.
3.Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onder leiding van
een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, zal hij geen gebruik
maken van hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting dan na
uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan
van welk hulpmiddel gebruik wordt gemaakt.
4.Het gebruik van een hulpmiddel ten behoeve van uitzetting is
uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar die in het gebruik van dat
hulpmiddel is geoefend.
Artikel 23b
1.De ambtenaar die ten aanzien van een vreemdeling die wordt
uitgezet gebruik heeft gemaakt van een hulpmiddel ten behoeve van
uitzetting als bedoeld inartikel 23a, eerste lid, meldt dit onverwijld
schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de aard van het
hulpmiddel, de redenen die tot het gebruik hebben geleid en de daaruit
voortvloeiende gevolgen.
2.De meerdere draagt zorg voor registratie van de melding, bedoeld
in het eerste lid.
Hoofdstuk 5. Hulpverlening
Artikel 24
1.De ambtenaar draagt er zorg voor personen met lichte
verwondingen, ziekteverschijnselen en personen ten aanzien van wie
twijfel op dit punt bestaat, de weg te wijzen naar een huisarts of
naar een E.H.B.O.-afdeling van een ziekenhuis. Indien dat noodzakelijk
is, verleent de ambtenaar bemiddeling bij het verkrijgen van passend
vervoer.
2.De ambtenaar draagt er zorg voor dat personen met ernstige
verwondingen en bewustelozen, waar onder mede worden verstaan personen
die niet wekbaar of niet aanspreekbaar zijn, per ambulance naar het
ziekenhuis worden vervoerd. De gegevens omtrent aard en omstandigheden
van de gebeurtenis die tot de ziektetoestand heeft geleid, alsmede de
op de persoon aangetroffen medische gegevens en geneesmiddelen, worden
door hem ter beschikking van de medische hulpverleners gesteld.
Artikel 25
1.De ambtenaar draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat personen die
door drankgebruik, dan wel door andere oorzaken, onmiddellijk
gevaarlijk zijn, hetzij voor de openbare orde, veiligheid, of
gezondheid, hetzij voor zichzelf, op de meest geschikte wijze van
openbare plaatsen als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare
manifestaties, worden verwijderd. Onder openbare plaatsen worden mede
verstaan vervoermiddelen die zich bevinden op deze plaatsen, een en
ander voor zover niet gebezigd als woning.
2.De ambtenaar draagt personen als bedoeld in het eerste lid over
aan het eigen zorgkader, voor zover de omstandigheden zulks toelaten.
Zij kunnen bij het ontbreken van opvangmogelijkheden elders, bij wijze
van hulpverlening, op het politie- of brigadebureau worden
ondergebracht, indien dit nodig is voor hun bescherming en dit niet
tegen hun wil geschiedt.
3.Voor personen als bedoeld in het eerste lid, van wie bekend is
dat zij geestelijk gestoord zijn of die geestelijk gestoord lijken,
waarschuwt de ambtenaar de arts, nadat zo mogelijk getracht is contact
te zoeken met de eigen huisarts.
Hoofdstuk 6. Maatregelen jegens ingeslotenen
§ 1. Algemeen
Artikel 26
1. De korpschef treft voorzieningen opdat de ingeslotene in ieder
geval beschikt over:
a. slaapgelegenheid,
b. eten en drinken in overeenstemming met medische en
levensbeschouwelijke of godsdienstige eisen,
c. sanitair,
d. de noodzakelijke medische zorg en
e. informatie over de gang van zaken in het
politiecellencomplex.
2. Tenzij het politiecellencomplex geen luchtplaats heeft, draagt
de korpschef er zorg voor dat de ingeslotene tweemaal daags wordt
gelucht.
3. In verband met het eerste lid, onder d, treft de korpschef een
regeling met artsen ten einde van hulp verzekerd te zijn voor de
medische zorg van ingeslotenen.
4. Met inachtneming van het bij of krachtens de wet bepaalde treft
de korpschef een regeling met betrekking tot het roken, de
ontspanning, het telefoneren en het ontvangen van bezoek van de
ingeslotene.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de
inrichting van een politiecellencomplex.
6. Bij ministeriële regeling worden de gegevens over ingeslotenen
aangewezen die door de ambtenaar worden geregistreerd.
7. In geval van overlijden of poging tot zelfdoding van een
ingeslotene draagt de korpschef er zorg voor dat het openbaar
ministerie hiervan onverwijld in kennis wordt gesteld.
8. De ambtenaar handelt jegens de ingeslotene overeenkomstig het
bepaalde bij of krachtens dit artikel.
Artikel 27
1.Voor zover het bij of krachtens het Wetboek van Strafvordering
bepaalde zich hiertegen niet verzet stelt de ambtenaar een familielid
of een huisgenoot van een ingeslotene zo spoedig mogelijk op de hoogte
van de insluiting. In het geval de ingeslotene minderjarig is, doet
hij dit uit eigen beweging, indien de ingeslotene meerderjarig is,
doet hij dit slechts op verzoek van de ingeslotene.
2.Indien de omstandigheden de uitvoering van het eerste lid niet
toelaten bij een ingeslotene die geen ingezetene is, wordt de
ambassade of het consulaat van het land waarin de ingeslotene
ingezetene is, op de hoogte gesteld van de insluiting.
§ 2. In bewaring nemen van kleding en voorwerpen
Artikel 28
1. De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de
insluiting, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de
aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor
de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen.
2. Bij het aantreffen van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid,
neemt de ambtenaar deze in bewaring.
3. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zoveel mogelijk
uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die
aan het onderzoek wordt onderworpen.
Artikel 29
1.De ambtenaar kan slechts van de ingeslotene verlangen dat deze
zich ontkleedt indien:
a. de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de
veiligheid van betrokkene of van anderen kan vormen en een
hulpofficier van justitie daarvoor toestemming heeft gegeven;
b. de kleding tijdens de insluiting naar het oordeel van de
arts een gevaar voor de gezondheid van betrokkene of van anderen
kan vormen.
2.De ambtenaar neemt de kleding, bedoeld in het eerste lid, in
bewaring en draagt zorg voor vervangende kleding.
Artikel 30
1.De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 28, eerste
lid, heeft uitgevoerd, maakt hiervan onverwijld schriftelijk rapport
op ten behoeve van de meerdere.
2.De ambtenaar tekent nauwkeurig alle voorwerpen en kledingstukken
die hij in bewaring heeft genomen, op. Bij voorwerpen van een geringe
omvang en waarde kan worden volstaan met een globale aanduiding.
3.Een afschrift van de aantekening, bedoeld in het tweede lid,
wordt door de ingeslotene en de ambtenaar ondertekend en aan de
ingeslotene overhandigd.
§ 3. Permanente camera-observatie
Artikel 31
1.De ambtenaar kan de ingeslotene na toestemming van de
hulpofficier van justitie aan permanente camera-observatie
onderwerpen.
2.De maatregel, bedoeld in het eerste lid, is slechts geoorloofd in
die gevallen waarin sprake is van een zodanige dreiging van gevaar
voor het leven of de veiligheid van de betrokkene dat doorlopende
controle ter afwending van dit gevaar noodzakelijk is.
3.De ambtenaar doet aan de betrokkene mededeling van de permanente
camera-observatie en maakt aantekening van de permanente
camera-observatie.
§ 4. Medische bijstand
Artikel 32
1.In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische
bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn
aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt
eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand
of medicijnen vraagt.
2.In het geval de ingeslotene vraagt om medische bijstand van zijn
eigen arts, stelt de ambtenaar die arts daarvan op de hoogte.
3.In het geval de ingeslotene te kennen geeft geen medische hulp te
willen hebben, terwijl er aanwijzingen zijn dat medische bijstand
gewenst is, waarschuwt de ambtenaar de arts en deelt hij deze de
houding van de ingeslotene mee.
Artikel 33
De ambtenaar mag aan de arts bij het onderzoek en de behandeling geen
beperkingen opleggen. Hij volgt de aanwijzingen op die de arts over de
zorg voor de gezondheid van de ingeslotene geeft en registreert de door
de arts gegeven aanwijzingen.
Artikel 34
1.De ambtenaar controleert de ingeslotene regelmatig met dien
verstande dat:
a. in het geval de arts is gewaarschuwd, de ingeslotene ten
minste elk kwartier in de cel wordt gadegeslagen;
b. in het geval medische hulp is verstrekt, de ingeslotene zo
vaak wordt geobserveerd als de arts heeft voorgeschreven;
c. in het geval geen medische hulp noodzakelijk wordt geacht,
de ingeslotene eenmaal per twee uur wordt gadegeslagen.
2.In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b,
observeert de ambtenaar in de cel en aan de persoon, waarbij hij
vooral acht slaat op de mate waarin de ingeslotene wekbaar en
aanspreekbaar is. Personen die in een toestand geraken waarin zij niet
wekbaar of aanspreekbaar zijn, worden terstond per ambulance naar een
ziekenhuis vervoerd.
3.De ambtenaar registreert de observaties, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 35
Bij overplaatsing van de ingeslotene geeft de ambtenaar de
geneesmiddelen, de registraties, bedoeld in de artikelen 26, tweede lid,
33 en 34, derde lid, voor zover die van belang kunnen zijn, en de
rapportage van de arts, die bestemd is voor een arts die de behandeling
zal overnemen, mee.
§ 5. Invrijheidstelling
Artikel 36
De ambtenaar zorgt ervoor dat bij de invrijheidstelling van een
persoon die zichzelf niet kan verplaatsen, vervoer en begeleiding voor
die persoon beschikbaar is.
Hoofdstuk 6a. Ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst
Artikel 36a
1. De ambtenaarvan een bijzondere opsporingsdienst handelt
overeenkomstig de artikelen 2, 4, 5, 7, eerste lid, aanhef en onder a
en b, tweede, derde en vierde lid, 10, 10a, 12a,12b, 12c, 15, eerste
lid, aanhef en onder a, en tweede lid, 16,17, 19,20, eerste lid, 21,
22 en 23 van dit besluit. In artikel 17, derde lid, wordt voor «de
politiechef» gelezen: het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst.
In artikel 20, eerste lid, wordt voor«artikel 7, derde lid, van de
Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de
bijzondere opsporingsdiensten. In artikel 21 wordt voor «artikel 7,
derde of vierde lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6,
derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:
a. bevoegd gezag: de officier van justitie;
b. de meerdere: de ambtenaar van een bijzondere
opsporingsdienst die uit hoofde van zijn functie met de leiding is
belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;
c. geweldmiddel: de wapens en de uitrusting, waarmee geweld kan
worden uitgeoefend, die krachtens artikel 3a, derde lid, van de
Wet wapens en munitie zijn toegestaan.
Artikel 36b
De ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst maakt bij de
uitoefening van zijn dienst uitsluitend gebruik van het door Onze
Minister van Justitie voorgeschreven geweldmiddel of handboeien.
Hoofdstuk 7. Buitengewoon opsporingsambtenaar
Artikel 37
1. Indien Onze Minister ingevolge artikel 7, zevende lid, van de
Politiewet 2012, heeft bepaald dat een buitengewoon
opsporingsambtenaar bevoegd is tot de uitoefening van bevoegdheden,
bedoeld in het eerste en derde lid van dat artikel, handelt de
desbetreffende buitengewoon opsporingsambtenaar overeenkomstig de
artikelen 5, 17, 19, 20, eerste lid, en 21 van dit besluit. In artikel
17, derde lid, wordt voor «de politiechef» gelezen: de meerdere.
2. Indien de aanwijzing mede omvat het gebruik van een wapen, een
surveillancehond dan wel handboeien handelt de desbetreffende
buitengewoon opsporingsambtenaar mede overeenkomstig de artikelen 4,
7, eerste lid, aanhef en onder a en b, tweede, derde en vierde lid, 8,
9, 10, 10a, 12a, 12b,12c, 15, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede
lid, 16 respectievelijk 22 en 23 van dit besluit.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt verstaan
onder:
a. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in artikel 12 van de
Politiewet 2012;
b. de meerdere: de direct toezichthouder, bedoeld in artikel 1
van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.
c. geweldmiddel: de wapens en de uitrusting, waarmee geweld kan
worden uitgeoefend, die krachtens artikel 3a, eerste tot en met
derde lid van de Wet wapens en munitie zijn toegestaan.
Artikel 38
De buitengewoon opsporingsambtenaar die bevoegd is tot het gebruik
van een wapen of handboeien, maakt bij de uitoefening van zijn dienst
uitsluitend gebruik van het door Onze Minister voorgeschreven
geweldmiddel of handboeien.
Artikel 39
De buitengewoon opsporingsambtenaar is niet eerder bevoegd tot de
uitoefening van de in artikel 7, eerste en derde lid, van de Politiewet
2012 bedoelde bevoegdheden dan nadat die bevoegdheid is aangetekend op
de akte van beëdiging en is gebleken van zijn bekwaamheid in de
uitoefening daarvan.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 39a
Dit besluit berust op artikel 7, zevende lid, en artikel 9 van de
Politiewet 2012 en artikel 6, vijfde lid, van de Wet op de bijzondere
opsporingsdiensten.
Artikel 40
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de
Politiewet 1993 in werking treedt.
Artikel 41
Dit besluit wordt aangehaald als: Ambtsinstructie voor de politie, de
Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 8 april 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
Uitgegeven de eenentwintigste april 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|