|
BESLUIT van 16 maart 1994, houdende vaststelling van
de algemene rechtspositie van de politie
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 november
1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie
Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening,
afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3170;
Gelet op artikel 50, eerste lid, van de
Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 7
februari 1994, nr. W04.93.0765);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare
Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs
en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr
EA94/418;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. aspirant: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als
aspirant en die is toegelaten tot een initiële opleiding;
c. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de
ambtenaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de
Politiewet 1993, met uitzondering van de aspirant gedurende het
theoretische opleidingsdeel;
d. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de
ambtenaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de
Politiewet 1993, waarbij voor de toepassing van dit besluit de
ambtenaar, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, van de
Wet op het LSOP en het politieonderwijs, werkzaam bij het LSOP en de
ambtenaar aangesteld bij een voorziening tot samenwerking, worden
gelijkgesteld met ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onderdeel b, van de Politiewet 1993;
e. bijzondere ambtenaar van politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, van de Politiewet 1993;
f. vakantiewerker: een scholier of student die ten tijde van
onderbreking van zijn opleiding wegens vakantie, voor een periode van
ten hoogste acht weken is aangesteld voor het verrichten van
ondersteunende werkzaamheden;
g. voorziening tot samenwerking: een publiekrechtelijke rechtspersoon
als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de Politiewet 1993;
h. het LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie,
bedoeld in artikel 2 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
i. ambtenaar: de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering
van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van
technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie,
de bijzondere ambtenaar van politie en de vakantiewerker;
j. volledige betrekking: een betrekking die een arbeidstijd van
gemiddeld 36 uur per week omvat;
k. deelbetrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld
minder dan 36 uur per week omvat;
l. bevoegd gezag:
1°. de korpsbeheerder, voor zover het betreft de aspirant, de
ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de
ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve
en andere taken ten dienste van de politie, die werkzaam is bij een
regionaal politiekorps;
2°. Onze Minister, voor zover het betreft de aspirant, de ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere
taken ten dienste van de politie, die werkzaam is bij het Korps
landelijke politiediensten;
3°. Onze Minister van Justitie, voor zover het betreft de bijzondere
ambtenaar van politie;
4°. de raad van toezicht van het LSOP, voor zover het betreft de
ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
op het LSOP en het politieonderwijs;
5°. het college van bestuur van het LSOP, voor zover het betreft de
ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
op het LSOP en het politieonderwijs;
6°. het algemeen bestuur van een voorziening tot samenwerking, voor
zover het betreft de ambtenaren aangesteld bij de desbetreffende
voorziening tot samenwerking;
m. salaris: hetgeen daaronder in het Besluit bezoldiging politie wordt
verstaan;
n. bezoldiging: hetgeen daaronder in het Besluit bezoldiging politie
wordt verstaan;
o. detachering: tijdelijke tewerkstelling elders dan bij het regionale
korps waarbij de ambtenaar is aangesteld, bij het Korps landelijke
politiediensten, bij het LSOP dan wel bij een voorziening tot
samenwerking;
p. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de
Arbeidsomstandighedenwet;
q. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet.
r. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
s. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19
van de Ziektewet;
t. arts: een in Nederland gevestigde arts, die als arts is ingeschreven
in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de
individuele gezondheidszorg;
u. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van
de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd;
v. plaats van tewerkstelling:
1. het gebouw, gebouwencomplex of terrein dat de ambtenaar voor de
normale uitoefening van zijn ambt is aangewezen;
2. de aangewezen aanlegplaats van het vaartuig dat de ambtenaar voor de
normale uitoefening van zijn taak gebruikt of
3. bij gebrek aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede
onderdeel, het gebouw, gebouwencomplex, of terrein, waar de ambtenaar
gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht, het gebouwencomplex waar hij
kantoor houdt, dan wel de aanlegplaats waar hij gewoonlijk het vaartuig
aanlegt;
w. hoofdplaats van tewerkstelling: de plaats van tewerkstelling, bedoeld
in artikel 10, tweede lid;
x. werkgebied:
1. Indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij een regionaal
politiekorps: de desbetreffende regio, het door het bevoegde gezag
aangewezen gedeelte van een regio waarin de plaats van tewerkstelling
van die ambtenaar is gelegen, een plaats van tewerkstelling waarover dit
bevoegde gezag het medebeheer uitoefent indien deze plaats van
tewerkstelling is gelegen buiten de regio, dan wel de regio's van de
desbetreffende samenwerkende regionale politiekorpsen tezamen indien de
ambtenaar werkzaam is ten behoeve van een bovenregionaal rechercheteam
als bedoeld in de Regeling nationale en bovenregionale recherche.
2. indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij het Korps
landelijke politiediensten, of een bijzondere ambtenaar van politie:
Nederland dan wel het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van
Nederland waarin de plaats van tewerkstelling is gelegen of
3. indien het betreft een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP of bij een
voorziening tot samenwerking: het door het bevoegd gezag aangewezen
gedeelte van Nederland waarin de plaats van tewerkstelling is gelegen;
y. beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in
de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en
die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
z. dienstongeval: een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak
vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in
de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en
dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
aa Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
bb. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld
in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
cc. AFUP-opbouwreglement: het reglement bedoeld in artikel 2.4b, tweede
lid, van het pensioenreglement;
dd. AFUP: de in het AFUP-opbouwreglement neergelegde regeling;
ee. initiële opleiding: een door Onze Minister in overeenstemming met
de Minister van Justitie aangewezen opleiding, gericht op de
voorbereiding van de uitvoering van algemene politietaken waarvoor in
het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14
van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, competentiegerichte
eindtermen zijn vastgesteld;
ff. theoretisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de
aspirant aan een opleidingsinstituut in het kader van de initiële
opleiding onderwijs volgt;
gg. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant
de politietaak bij een regionaal politiekorps of bij het Korps
landelijke politiediensten uitvoert in het kader van de initiële
opleiding.
2.Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of
echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de
levenspartner met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont – en met
het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke
huishouding voert op basis van een notarieel verleden
samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen
ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder
weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde
partner alsmede de achtergebleven partner. Tot gezinslid wordt in
voorkomend geval mede gerekend de geregistreerde partner alsmede de
levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of
echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Het bevoegd
gezag kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris
wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld
in de eerste volzin is gesloten.
Hoofdstuk II. Aanstelling
Artikel 2
1. De aanstelling geschiedt in tijdelijke of in vaste dienst.
2. Een aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of voor
onbepaalde tijd.
Artikel 2a
1.Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen
ambtenaar in de zin van dit besluit was, kan op zijn aanvraag en na
consultatie van de ondernemingsraad in zeer bijzondere gevallen een
aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd plaatsvinden waarbij
dit besluit gedeeltelijk, of andere algemene maatregelen van bestuur als
bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993, die specifiek
betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of
gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen worden verklaard.
2.Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten
minste 144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar
evenredigheid bij een andere betrekkingsomvang.
3.De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt voor een periode van ten hoogste drie jaar.
4.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.
Artikel 2b
1.Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen
ambtenaar in de zin van dit besluit was en hij krachtens de artikelen
25, 42, eerste lid, en 52 van de Politiewet 1993 bij koninklijk besluit
wordt benoemd, kan op zijn aanvraag aanstelling plaatsvinden in
tijdelijke dienst voor bepaalde tijd waarbij dit besluit gedeeltelijk,
of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 50,
eerste lid, van de Politiewet 1993, die specifiek betrekking hebben op
ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk, buiten
toepassing kunnen worden verklaard. Na benoeming wordt aan de
ondernemingsraad gemotiveerd aangegeven dat bij het werven zowel de
interne als de externe arbeidsmarkt in ogenschouw is genomen.
2.Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten
minste 144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar
evenredigheid bij een andere betrekkingsomvang.
3.De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid,
geschiedt voor een periode van ten hoogste zeven jaar.
4.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.
Artikel 3
1. De aanstelling van de aspirant geschiedt in tijdelijke dienst voor de
duur van de initiële opleiding met een maximum van twee jaar. In
bijzondere gevallen kan de maximale duur van de aanstelling in
tijdelijke dienst op aanvraag van de aspirant of ambtshalve worden
verlengd met een periode van maximaal één jaar.
2. Indien de aspirant voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen, wordt
hij aansluitend aan de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het
eerste lid, aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één
jaar, op aanvraag van de aspirant in bijzondere gevallen te verlengen of
zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar
de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht.
3. Na afloop van de proeftijd, bedoeld in het tweede lid, vindt
aanstelling in vaste dienst plaats, tenzij tegen een aanstelling in
vaste dienst bedenkingen bestaan.
4. In afwijking van het derde lid kan een aanstelling van een ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de initiële
opleiding alsmede de daarop volgende proeftijd heeft voltooid, in
tijdelijke dienst plaatsvinden:
a. ter vervanging van een wegens ziekte of uit andere hoofde afwezige
ambtenaar, of
b. ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter.
5. Zodra de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke
dienst als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, zich niet meer
voordoet, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst
aangesteld.
6. In het geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, wordt in ieder
geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot aanstelling in
tijdelijke dienst zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds
twee jaar zonder onderbreking van langer dan één maand in
politiedienst, waarvan laatstelijk gedurende ten minste één jaar in
zijn huidige betrekking, in dienst is. Dit geldt echter niet in die
gevallen waarin vaststaat dat zijn werkzaamheden in de door hem vervulde
betrekking binnen het jaar zullen worden beëindigd.
7. Bij ministeriële regeling worden criteria gegeven op grond waarvan
de in het zesde lid genoemde periode van twee jaar kan worden verlengd
tot vijf jaar.
Artikel 3a
Na het voltooien van de initiële opleiding wordt de aspirant aangesteld
als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.
Artikel 4
1. Een aanstelling van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van
technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie
kan in tijdelijke dienst plaatsvinden
a. voor een proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere gevallen op
aanvraag van de ambtenaar met één jaar te verlengen en zonodig
ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de
proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;
b. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige
ambtenaar;
c. ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter;
d. indien het een ambtenaar betreft die in dienst wordt genomen als
leerling ter opleiding tot een functie binnen de politieorganisatie dan
wel in verband met zijn verdere praktische opleiding of vorming, of
indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is
voorgenomen;
e. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is
voorgenomen, of
2. Zodra de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke
dienst als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, zich
niet meer voordoet, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in
vaste dienst aangesteld.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en e, wordt
in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot een
aanstelling in tijdelijke dienst zich niet meer voordoet, wanneer de
ambtenaar sinds twee jaar zonder onderbreking van langer dan één maand
in politiedienst, waarvan laatstelijk gedurende ten minste één jaar in
zijn huidige betrekking, in dienst is. Dit geldt echter niet in die
gevallen waarin vaststaat dat zijn werkzaamheden in de door hem vervulde
betrekking binnen het jaar zullen worden beëindigd.
4. Bij ministeriële regeling worden criteria gegeven op grond waarvan
de in het derde lid genoemde periode van twee jaar kan worden verlengd
tot vijf jaar.
Artikel 4a [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 5
De bijzondere ambtenaar van politie wordt in vaste dienst aangesteld.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 7
1. Voor de aanstelling als aspirant, ambtenaar, aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak, en bijzondere ambtenaar van politie komt
uitsluitend in aanmerking degene die:
a. Nederlander is;
b. de door Onze Minister vast te stellen minimum leeftijd heeft bereikt;
c. voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen eisen met
betrekking tot het opleidingsniveau, de psychologische keuring en een
geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op
de medische keuringen;
d. voldoet aan overige bij regeling van Onze Minister te stellen eisen.
2. Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het
eerste lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling
van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene
desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zo nodig aanvullen.
3. Onze Minister van Justitie kan ten aanzien van de aanstelling als
bijzondere ambtenaar van politie nadere regels vaststellen over het
aantal dienstjaren dat deze ambtenaar werkzaam moet zijn geweest als
ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
4. De betrokkene, die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is
onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een
andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien
betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen
dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.
5. Een migrerende beroepsbeoefenaar die in het bezit is van een
erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de
Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, (afgegeven ten aanzien
van de te vervullen functie,) kan worden aangesteld als ambtenaar voor
de uitvoering van de politietaak.
Artikel 8
1.Voor de aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van
technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie
komt in aanmerking degene die:
a. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking
tot het opleidingsniveau;
b. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking
tot een psychologische keuring, indien daaraan naar het oordeel van het
bevoegd gezag behoefte bestaat;
c. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking
tot een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de
Wet op de medische keuringen, indien aan de vervulling van de functie
bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden
gesteld.
Het bevoegd gezag stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de
medische geschiktheid noodzakelijk is;
d. voldoet aan overige door het bevoegd gezag te stellen eisen die
specifiek gerelateerd zijn aan de functie binnen het politiekorps dan
wel binnen het LSOP of een voorziening tot samenwerking.
2.Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het
eerste lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling
van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene
desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zonodig aanvullen.
3.De betrokkene die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is
onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een
andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien
betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen
dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.
Artikel 8a
1.Aanstelling als ambtenaar is slechts mogelijk, indien op grond van een
ten aanzien van de betrokkene ingesteld onderzoek naar de
betrouwbaarheid en geschiktheid geen bezwaar blijkt te bestaan tegen
diens aanstelling.
2.Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vraagt het
bevoegde gezag om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in
artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van
gegevens als bedoeld in artikel 4:3 van het Besluit politiegegevens.
3.Het tweede lid is niet van toepassing indien:
a het een aanstelling betreft in een functie waarin technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie worden
uitgevoerd, in een functie bij het LSOP of een voorziening tot
samenwerking als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of als vakantiewerker
en het bevoegde gezag heeft bepaald dat voor de functie slechts een
verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet
justitiële gegevens is vereist, of
b het een functie betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a,
van de Wet veiligheidsonderzoeken.
4.Een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid wordt ingesteld
nadat het bevoegde gezag de betrokkene overigens bekwaam en geschikt
acht.
Artikel 8b
1.Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de aard van de functie
of van de werkzaamheden hiertoe aanleiding geeft, kan ten aanzien van de
ambtenaar in de volgende gevallen opnieuw een onderzoek als bedoeld in
artikel 8a, eerste lid, worden uitgevoerd:
a. bij wijziging van werkzaamheden;
b. bij aanstelling in een andere functie;
c. bij de vervulling van een functie gedurende ten minste vijf
dienstjaren, of
d. bij een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim dat de
integriteit of de verantwoordelijkheid van de betrokkene raakt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het een functie als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet
veiligheidsonderzoeken, of een functie waarvan het bevoegd gezag heeft
bepaald dat slechts een verklaring omtrent het gedrag is vereist,
betreft.
Artikel 8c
Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het in de
artikelen 8a en 8b bedoelde onderzoek naar de betrouwbaarheid en
geschiktheid voor zover ten behoeve van dat onderzoek wordt gevraagd om
verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het
Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld
in artikel 4:3 van het Besluit politiegegevens. Deze nadere regels
bevatten in ieder geval waarborgen omtrent een voldoende bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.
Artikel 9
1.Voor de aanvaarding van zijn ambt legt de aspirant, de ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de bijzondere
ambtenaar van politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van
zuivering af:
«Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm
dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb
gegeven of beloofd.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te
laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of
geschenken zal aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!».
Daarna wordt door de aspirant, de politieambtenaar en de bijzondere
ambtenaar van politie de volgende eed of belofte afgelegd:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de
wetten van ons land.
Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde
voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de aan
mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en
de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim
zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet
begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik
volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar
betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat
ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!»
2.Voor de aanvaarding van zijn ambt, legt de ambtenaar, aangesteld voor
de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten
dienste van de politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van
zuivering af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm
dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb
gegeven of beloofd.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te
laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of
geschenken zal aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!»
Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de
wetten van ons land.
Ik zweer (beloof) dat ik de aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw
en nauwgezet zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt
kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het
vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen
dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling
verplicht ben.
Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar
betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat
ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!».
3.De korpschef van een regionaal korps of van het Korps landelijke
politiediensten, legt de eden dan wel verklaringen en beloften af ten
overstaan van de commissaris van de Koning respectievelijk van Onze
Minister.
4.De ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet op het LSOP en het politieonderwijs, leggen de eden dan wel de
verklaringen en beloften af ten overstaan van de voorzitter van de raad
van toezicht van het LSOP.
5.De bijzondere ambtenaren van politie leggen de eden dan wel
verklaringen en beloften af ten overstaan van Onze Minister van
Justitie.
6.De overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak en de overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van
technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie,
leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van het
bevoegd gezag.
Artikel 10
1. Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk voor de aanvaarding van zijn
ambt, maar in ieder geval binnen een maand na aanvang van zijn
werkzaamheden, een akte van aanstelling door of vanwege het bevoegd
gezag uitgereikt waarin in elk geval worden vermeld:
a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;
b. of de aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst al dan
niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij,
indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, bovendien in de
akte wordt vermeld of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en, zo
ja, voor hoe lang - of voor onbepaalde tijd en de toepasselijke grond
voor aanstelling in tijdelijke dienst.
c. de functie waarin de ambtenaar wordt aangesteld;
d. de plaats of de plaatsen van tewerkstelling en het werkgebied;
e. de datum van ingang van de aanstelling;
f. voor zover van toepassing, de rang waarin hij wordt aangesteld;
g. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht
genomen regels, alsmede het salarisnummer en het salaris die de
ambtenaar zijn toegekend of, indien het een aspirant betreft, het
salaris;
h. de arbeidstijd die zijn betrekking omvat en
i. het gegeven dat de eden dan wel de verklaringen en beloften zijn
afgelegd, en de datum waarop dit is gebeurd.
j. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak;
k. de duur van de ontslag- respectievelijk opzegtermijnen of de wijze
waarop die termijnen worden vastgesteld.
2. Indien aan de ambtenaar meerdere plaatsen als plaats van
tewerkstelling zijn aangewezen, wordt in de akte van aanstelling tevens
een hoofdplaats van tewerkstelling vermeld.
3. Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie en een door
het bevoegd gezag aangewezen functie vervult waaraan het deelnemerschap
in het specifiek deel van het AFUP-opbouwreglement is verbonden, wordt
dit in de akte van aanstelling vermeld. Het bevoegd gezag wijst de in de
eerste zin bedoelde functies aan in overeenstemming met bij regeling van
Onze Minister te stellen regels.
4. Voor zover deze gegevens niet reeds in de akte van aanstelling zijn
vermeld, deelt het bevoegd gezag de ambtenaar zo spoedig mogelijk
schriftelijk andere hem mogelijk toegekende voordelen mee, onder
verwijzing naar de regeling waarop de toekenning berust en de eventuele
voorwaarden die aan de toekenning verbonden zijn.
5. Indien de aanstelling afloopt voor het einde van de termijn van een
maand vanaf het begin van het dienstverband, moeten de gegevens, bedoeld
in het eerste lid, uiterlijk bij het aflopen van de aanstelling worden
verstrekt.
6. Wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt de
ambtenaar binnen een maand schriftelijk medegedeeld, behoudens de
wijziging van een algemeen verbindend voorschrift waarnaar is verwezen.
Artikel 11
1. De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk door het bevoegd
gezag op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.
2. Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, worden op een
voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd.
Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken.
3. De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en
instructies, die hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te
leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk
toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos hiervan
afschriften maken.
4. Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt
de ambtenaar schriftelijk op de hoogte gesteld.
Hoofdstuk III. Arbeids- en rusttijden
Artikel 12
1. Het bevoegd gezag stelt de arbeids- en rusttijden vast.
2. Het bevoegd gezag kan in een regeling als bedoeld in artikel 1:4,
eerste lid, van de Arbeidstijdenwet afspraken maken inzake rusttijd en
pauze, de arbeidstijd, arbeid op zondag en arbeid in nachtdienst, met
dien verstande dat in die regeling geen afspraken worden opgenomen die
afwijken van het bepaalde in dit artikel en de krachtens het zeventiende
lid vastgestelde landelijke regels inzake arbeidstijden.
3. De arbeidstijd bedraagt gemiddeld 36 uur per week.
4. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te
werken uren per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met:
a. het aantal zaterdagen en zondagen, en
b. Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, de
beide kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt
gevierd, en 5 mei, voor zover deze dagen niet vallen op een zaterdag of
een zondag, vermenigvuldigd met 7,2.
5. Het in het vierde lid berekende product wordt verhoogd met 1%.
6. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige
betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar een evenredig
deel van het aantal te werken uren volgens de systematiek van de in het
vierde en vijfde lid opgenomen berekeningswijze.
7. Het aantal te werken uren, bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt
rekenkundig op hele uren afgerond.
8. Het bevoegd gezag stelt aan het begin van elk kalenderjaar en
halverwege het lopende jaar voor de bij hem werkzame ambtenaren een
indicatief rooster op waarin voor iedere ambtenaar wordt aangegeven op
welke dagen hij zal werken en op welke dagen hij vrij zal zijn. Het
halfjaarlijkse rooster omvat telkens een periode van 26 weken. De
ambtenaar kan aan dit indicatieve rooster geen rechten ontlenen.
9. Uiterlijk 28 dagen voor aanvang van de periode van 28 dagen waarop
het betrekking heeft, maakt het bevoegd gezag het perioderooster bekend
waarin op grond van artikel 4:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet de
vrije zondagen en wekelijkse rust worden vastgesteld. Een verschuiving
van een vastgestelde vrije zondag of wekelijkse rust wordt vastgesteld
in het dienstrooster, bedoeld in het tiende lid.
10. Uiterlijk zeven dagen voor aanvang van de periode van 28 dagen
waarop het betrekking heeft, maakt het bevoegd gezag het dienstrooster
bekend waarin wordt vastgesteld op welke dagen arbeid wordt verricht en
welke dagen vrije dagen zijn. Een verschuiving van een vastgestelde
vrije dag wordt vastgesteld in het dagrooster, bedoeld in het twaalfde
lid.
11. Een vrije dag, als bedoeld in het tiende lid, is een kalenderdag
waarop geen dienst dan wel activiteiten door het bevoegd gezag zijn
vastgesteld. Een kalenderdag waarop vakantie of verlof, bedoeld in
artikel 27, achtste lid, van het Besluit bezoldiging politie is
vastgesteld en geen dienst dan wel activiteiten zijn vastgesteld wordt
gelijkgesteld aan een vrije dag, als bedoeld in het tiende lid.
12. Uiterlijk vier dagen voor de dag waarop dienst moet worden gedaan,
maakt het bevoegd gezag het dagrooster bekend waarin wordt vastgesteld
welke de tijdstippen zijn van aanvang en einde van de dienst. Een
verschuiving van de vastgestelde tijdstippen van aanvang en einde van de
dienst binnen deze vier dagen kan uitsluitend:
a. met instemming van de betrokken ambtenaar en na schriftelijke
vastlegging of
b. indien op grond van artikel 2:2 of 2:5 van de Arbeidstijdenwet die
wet niet van toepassing is.
13. Een verschuiving als bedoeld in het twaalfde lid heeft niet tot
gevolg dat in het dagrooster een minder aantal te werken uren wordt
opgenomen dan het voorafgaande aan die verschuiving in het dagrooster
reeds vastgestelde aantal te werken uren.
14. Indien het bevoegd gezag de ambtenaar niet houdt aan het verrichten
van de dienst, zoals vastgesteld in het dagrooster, of indien het
bevoegd gezag die dienst verkort zonder instemming van de ambtenaar,
wordt de ambtenaar geacht de volledige dienst te hebben verricht.
15. De dienst voorafgaand aan een vrije dag dient uiterlijk om 23.00 uur
te eindigen en na een vrije dag kan de dienst niet eerder beginnen dan
om 07.00 uur. Het tijdstip van 07.00 uur kan door het bevoegd gezag in
overeenstemming met de ondernemingsraad worden vervroegd naar 06.00 uur.
16. De ambtenaar heeft in een kalenderjaar recht op tenminste 26 vrije
zondagen waarvan 22 aansluitend aan een vrije dag, dan wel op tenminste
22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen waarbij de
aaneengesloten periode een zaterdag of een zondag omvat.
17. Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels
stellen.
Artikel 12a
1. Op aanvraag van de ambtenaar kent het bevoegd gezag een
werktijdenmodaliteit toe, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich
daartegen verzet.
2. Een werktijdenmodaliteit is een patroon van arbeidstijden dat leidt
tot een herkenbaar patroon van vrije tijd, uitgedrukt in uren of in
dagen.
3. Indien het bevoegd gezag voornemens is de aanvraag niet of niet
volledig in te willigen, vraagt het bevoegd gezag binnen vier weken
advies van een door Onze Minister in te stellen commissie.
4. De commissie wordt paritair samengesteld en brengt binnen zes weken
na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk advies uit aan het
bevoegd gezag en aan de betrokken ambtenaar.
5. Het bevoegd gezag besluit binnen zes weken nadat het in het vierde
lid bedoelde advies is uitgebracht. Indien binnen genoemde termijn nog
geen besluit is bekendgemaakt, wordt de aanvraag voor zover het advies
strekt tot toekenning van de aanvraag, door het bevoegd gezag toegekend
voor twaalf maanden, ingaand uiterlijk zes weken na dagtekening van het
advies.
Artikel 13
1. In afwijking van artikel 12, derde lid, kan de ambtenaar met een
volledige betrekking, bij het bevoegd gezag een arbeidstijd aanvragen
van gemiddeld 38 of gemiddeld 39,6 uur per week.
2. Het bevoegd gezag beoordeelt een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid overeenkomstig artikel 2, vijfde en negende lid, van de Wet
aanpassing arbeidsduur.
3. Tenzij de nieuw aan te stellen ambtenaar vóór zijn aanstelling
verzoekt om een arbeidstijd van gemiddeld 36 of gemiddeld 38 uur per
week, vindt de aanstelling in een volledige betrekking in afwijking van
artikel 12, derde lid, plaats met een arbeidstijd van gemiddeld 39,6 uur
per week.
4. De aanstelling van de aspirant, bedoeld in artikel 3, vindt in
afwijking van het derde lid plaats met een arbeidstijd van gemiddeld
37,8 uur per week.
Artikel 13a
1.Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt op aanvraag van
de ambtenaar
a. van 55 jaar en ouder de gemiddelde arbeidstijd per week met 11,1%
verminderd;
b. van 58 jaar en ouder de gemiddelde arbeidstijd per week met 33,3%
verminderd.
2.Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt op aanvraag van
de ambtenaar de gemiddelde arbeidstijd per week voor een lager
percentage verminderd dan genoemd in het eerste lid, met dien verstande
dat het aantal uren waarmee de arbeidstijd wordt verminderd ten minste 2
uren per week bedraagt.
3.De ingevolge het eerste en tweede lid verminderde arbeidstijd wordt
rekenkundig afgerond.
4.De uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd,
worden aangemerkt als verlof.
5.Over de uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt
verminderd, wordt 50% ingehouden van het door de ambtenaar over die uren
genoten salaris. De inhouding op het salaris bedraagt 25% indien de
ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, op 15 maart 1999 ten
minste de 49-jarige leeftijd heeft bereikt.
6.Bij regeling van Onze Minister worden omtrent de verrekening van extra
inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste en
tweede lid bedoelde ambtenaar regels vastgesteld.
Hoofdstuk III.a [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 13b [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 13c [Vervallen per 01-04-2010]
Hoofdstuk IV. Vakantie
Artikel 14
1. Het LSOP roostert voor de aspirant gedurende de initiële opleiding
172,8 vakantie-uren per kalenderjaar in. Per kalenderjaar worden ten
minste twee kalenderweken aaneengesloten ingeroosterd.
2. Indien het bevoegd gezag ingeroosterde vakantie-uren intrekt en deze
uren niet op een ander tijdstip in dat kalenderjaar kunnen worden
genoten, wordt de aspirant voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft
genoten een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur.
Ten hoogste 21,6 niet genoten vakantie-uren kunnen worden vergoed of
vervallen bij een volledige betrekking, dan wel, indien de aspirant een
andere betrekking dan een volledige betrekking heeft, een evenredig deel
hiervan. Door andere omstandigheden niet genoten vakantie-uren vervallen
aan het einde van het desbetreffende kalenderjaar.
3. Na afloop van het laatste opleidingsjaar zullen de niet ingeroosterde
vakantie-uren die nog resteren in dat kalenderjaar bij voortzetting van
de aanstelling in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden
opgenomen.
4. De aspirant die in deeltijd is aangesteld, heeft recht op een
evenredig aantal vakantie-uren.
Artikel 15
1. Aan de ambtenaar wordt, al dan niet op zijn aanvraag, in elk
kalenderjaar vakantie met behoud van bezoldiging verleend met
inachtneming van de regels, gesteld in dit hoofdstuk.
2. Deze vakantie wordt verleend door het bevoegd gezag.
Artikel 16 [Vervallen per 22-12-2001]
Artikel 17
De aanspraak op vakantie bedraagt 172,8 uren per kalenderjaar.
Artikel 18
1.De volgens artikel 17 vastgestelde aanspraak op vakantie wordt,
afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende
kalenderjaar bereikt, verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
|
leeftijd
|
verhoging
|
|
18 jaar en jonger
|
21,6 uren
|
|
19 jaar
|
14,4 uren
|
|
20 jaar
|
7,2 uren
|
|
van 45 tot en met 49 jaar
|
7,2 uren
|
|
van 50 tot en met 54 jaar
|
14,4 uren
|
|
van 55 tot en met 59 jaar
|
21,6 uren
|
|
60 jaar en ouder
|
28,8 uren
|
2.De ambtenaar wiens arbeidstijd met toepassing van artikel 13a is
verminderd, heeft aanspraak op een verhoging als bedoeld in het eerste
lid, naar de mate waarin zijn arbeidstijd met een lager percentage is
verminderd dan het bij zijn leeftijd behorende percentage, genoemd in
artikel 13a, eerste lid.
3.De ingevolge het tweede lid tot stand gekomen verhoging wordt
rekenkundig afgerond op tienden van uren.
Artikel 19
1.Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige
betrekking wordt de ingevolge de artikelen 17 en 18 geldende aanspraak
op vakantie vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een
volledige betrekking.
2.Indien de diensttijd van de ambtenaar in de loop van een kalenderjaar
wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over het resterend
gedeelte van het jaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de
nieuwe diensttijd. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van
de diensttijd verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd.
3.Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een
kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie als bedoeld in de artikelen
17, eerste lid, en 18 vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die
de ambtenaar in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.
4.Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in het geheel geen
dienst verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij
geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de
ambtenaar gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op
vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van het aantal uren waarop
hij feitelijk dienst verricht.
5.Het vierde lid is niet van toepassing indien:
a. geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:
1°. teveel gewerkte uren;
2°. verleende vakantie;
3°. niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar te wijten ziekte,
gedurende de periode van de eerste 26 weken waarin geen dienst wordt
verricht, dan wel 52 weken in geval van ziekte als gevolg van een
dienstongeval of beroepsziekte, waarbij een hervatting van de
dienstverrichting gedurende dertig kalenderdagen of minder geen nieuwe
periode van 26 respectievelijk 52 weken inluidt;
4°. ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 41;
5°. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 55;
6°. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;
7°. verlof van korte duur verleend op basis van de artikelen 31, 33,
35, 36 of 37;
8°. adoptieverlof als bedoeld in artikel 41a;
9°. partieel uittreden als bedoeld in artikel 13a;
10°. minder werken als bedoeld in artikel 28b;
b. het bevoegd gezag daartoe aanleiding aanwezig acht.
Artikel 20
De ambtenaar heeft geen aanspraak op vakantie voor de tijd gedurende
welke hij:
a. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het bevoegd
gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop zijn gericht
om hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten; of
b. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen,
evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 21 [Vervallen per 06-06-1997]
Artikel 22
1.Over de tijdstippen waarop de vakantie zal ingaan, alsmede over de
tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het
bevoegd gezag in goed overleg met de ambtenaar.
2.De ambtenaar met een volledige betrekking dient in elk kalenderjaar
ten minste 108 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 72 uur over
een aaneengesloten periode. Voor een ambtenaar met een andere betrekking
dan een volledige betrekking wordt het aantal in de eerste volzin
genoemde uren vastgesteld op een evenredig deel van het aantal uren bij
een volledige betrekking.
Artikel 23
1.Indien de ambtenaar in een kalenderjaar de aanspraak op vakantie niet
geheel heeft genoten, wordt de niet genoten vakantie naar het volgende
kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de
ambtenaar over een vol kalenderjaar berekend volgens de artikelen 17 tot
en met 19, verminderd met het minimaal op te nemen aantal uren vakantie,
genoemd in artikel 22, tweede lid.
2.In individuele gevallen kan het bevoegd gezag toestaan dat in een
bepaald jaar wordt afgeweken van de overeenkomstig het eerste lid
maximaal naar een volgend kalenderjaar over te boeken
vakantie-aanspraken.
3.Indien het bevoegd gezag ingeroosterde vakantie-uren intrekt dan wel
de ambtenaar de overeenkomstig artikel 22, tweede lid, minimaal op te
nemen vakantie niet of niet geheel kan verlenen vanwege ernstige
bezwaren voor de bedrijfsvoering, is het eerste lid niet van toepassing.
Artikel 24
1.Indien de ambtenaar in een kalenderjaar meer vakantie heeft genoten
dan hem ingevolge dit hoofdstuk toekomt, wordt dit meerdere verrekend
met de hem over een of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie.
2.Het eerste lid geldt met dien verstande dat uit dien hoofde in een
kalenderjaar de vakantie niet met meer dan een derde gedeelte van
hetgeen de ambtenaar ingevolge de artikelen 17 tot en met 19 toekomt,
mag worden verminderd.
Artikel 25
1.Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen
van dienstbelang dat noodzakelijk maken.
In dat geval komt een dag, waarop de ambtenaar dientengevolge slechts
gedeeltelijk vakantie heeft genoten, niet in aanmerking bij het
berekenen van het aantal genoten vakantie-uren.
2.Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie
geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.
Artikel 26
1.Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft
op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft
opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur
dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.
2.Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel
vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie
een bedrag schuldig ten bedrage van het salaris per uur.
Artikel 27 [Vervallen per 06-06-1997]
Artikel 28
Het bevoegd gezag kan nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk
vaststellen.
Hoofdstuk IV.A. Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden
Artikel 28a
1.De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om
gedurende het eerstvolgende kalenderjaar meer uren te werken dan het
aantal uren dat op grond van artikel 12, vijfde en zesde lid, voor hem
is vastgesteld.
2.Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
uren dat meer gewerkt kan worden ten hoogste 200 uren per kalenderjaar.
Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige
betrekking wordt dit maximum vastgesteld op een evenredig deel van het
maximaal aantal uren bij een volledige betrekking. Voor de ambtenaar mag
het aantal te werken uren op jaarbasis gemiddeld per week niet meer dan
40 uur bedragen.
3.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag
toegewezen tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan. Artikel 2,
negende lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur is van toepassing.
4.Per meer te werken uur ontvangt de ambtenaar maandelijks een
vergoeding ter grootte van zijn salaris per uur.
Artikel 28b
1.De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om
gedurende het eerstvolgende kalenderjaar minder uren te werken dan het
aantal uren dat op grond van artikel 12, vijfde en zesde lid, voor hem
is vastgesteld.
2.Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
uren dat minder kan worden gewerkt ten hoogste 80 uren per kalenderjaar.
Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige
betrekking wordt dit maximum vastgesteld op een evenredig deel van het
maximaal aantal uren bij een volledige betrekking.
3.De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag
toegewezen tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan. Artikel 2,
achtste lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur is van toepassing.
4.Per minder te werken uur wordt maandelijks een inhouding op het
salaris van de ambtenaar toegepast ter grootte van zijn salaris per uur.
Artikel 28c
1.Artikel 28a is niet van toepassing op de ambtenaar:
a. van wie de gemiddelde wekelijkse werktijd met toepassing van artikel
13a is verminderd;
b. die op grond van artikel 13b non-activiteit geniet dan wel direct
voorafgaande aan de non-activiteit verlof geniet;
c. die betaald ouderschapsverlof geniet als bedoeld in artikel 41;
d. die buitengewoon verlof van lange duur geniet als bedoeld in de
artikelen 42, 43, 46 en 47, of
e. die gedeeltelijk ontslag is verleend als bedoeld in artikel 87a.
2.Artikel 28b is niet van toepassing op de ambtenaar:
a. die op grond van artikel 13b non-activiteit geniet dan wel direct
voorafgaande aan de non-activiteit verlof geniet, of
b. die buitengewoon verlof van lange duur geniet als bedoeld in de
artikelen 42, 43, 46 en 47.
Artikel 28d
1.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks vast voor welke datum een aanvraag
als bedoeld in de artikelen 28a en 28b, moet worden ingediend.
2.Het bevoegd gezag beslist op alle aanvragen die zijn ingediend voor de
datum, bedoeld in het eerste lid, binnen drie maanden na die datum, doch
uiterlijk een maand voor het kalenderjaar waarop de aanvraag ziet.
Artikel 28e
Onze minister stelt een Regeling ruilmogelijkheden arbeidsvoorwaarden
politie vast waarin, met inachtneming van de geldende fiscale
bepalingen, de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden is geregeld.
Artikel 28f
Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit
hoofdstuk.
Hoofdstuk V. Verlof
Artikel 29
Onverminderd hoofdstuk VII van dit besluit en hoofdstuk 9 van het
Besluit bezoldiging politie geniet verlof:
a. de ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is;
b. de ambtenaar die zich bevindt in één der omstandigheden, bedoeld in
artikel 37 van het Besluit bezoldiging politie of
c. de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is
dienst te verrichten.
Artikel 30 [Vervallen per 01-10-1998]
Artikel 31 [Vervallen per 01-10-1998]
Hoofdstuk VI. Buitengewoon verlof
§ 1. Algemene bepaling
Artikel 32
1. Aan de ambtenaar wordt in de gevallen en onder de voorwaarden,
genoemd in de volgende artikelen van dit hoofdstuk, buitengewoon verlof
verleend.
2. Buitengewoon verlof wordt verleend door het bevoegd gezag.
§ 2. Buitengewoon verlof van korte duur
Artikel 33
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt, voor
zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst
niet mogelijk is, buitengewoon verlof verleend:
a. voor de uitoefening van het kiesrecht of
b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting.
Artikel 34
1.Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie
waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet
bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding
toegepast over de tijd dat hij verlof geniet. Deze inhouding gaat
hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de
met verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven.
2.Onze Minister kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid
vaststellen.
Artikel 35
1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire
organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties
waarbij deze verenigingen zijn aangesloten, of van internationale
ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:
a. voor zover het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren
als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of
bestuurslid van een onderdeel daarvan;
b. voor zover het betreft vergaderingen van centrale organisaties
waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid
van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid
van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;
c. voor zover het betreft vergaderingen van een internationale
ambtenarenorganisatie, als bestuurslid van deze organisatie dan wel als
afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten
vereniging van ambtenaren.
2. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot
ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle
bezoldiging verleend aan de ambtenaar die door een bond, vereniging of
centrale als bedoeld in artikel 2, tweede lid, 12, tweede en zesde lid,
dan wel door een bond, vereniging of centrale waarmee ingevolge artikel
22, 22a of 22b overleg wordt gepleegd, van het Besluit overleg en
medezeggenschap politie 1994 is aangewezen om bestuurlijke of
vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn bond,
vereniging of centrale dan wel binnen de organisatie van de werkgever,
die ertoe strekken de doelstellingen van zijn bond, vereniging of
centrale te ondersteunen. Onder de activiteiten, bedoeld in de vorige
zin, worden mede begrepen activiteiten met het oog op individuele
belangenbehartiging.
3. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan
de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging
verleend voor het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een
organisatie van ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, met dien
verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaar bedraagt.
4. Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid,
alsmede op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wet op de
ondernemingsraden aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt
tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten
hoogste 320 uren worden verleend aan leden van hoofdbesturen van de in
het tweede lid bedoelde organisaties.
5. Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt
slechts verleend aan ambtenaren die lid zijn van de in het tweede lid
bedoelde organisaties.
6. Tenzij zwaarwegende belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor
het bijwonen van vergaderingen van de commissies, bedoeld in de
artikelen 2, eerste lid, 12, eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid,
22a, eerste lid en 22b, eerste lid, alsmede voor vergaderingen van de
werkgroepen, bedoeld in artikel 18 van het Besluit overleg en
medezeggenschap politie 1994. Dit geldt eveneens voor één
voorvergadering per in de eerste volzin bedoelde vergadering.
7. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige
betrekking wordt de ingevolge dit artikel geldende aanspraak op verlof
vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige
betrekking.
8. Dit artikel is van toepassing voor zover artikel 35a geen toepassing
heeft gevonden.
Artikel 35a
Onze Minister kan, in overeenstemming met een of meer hoofdbesturen van
de verenigingen van ambtenaren die zijn toegelaten tot het overleg met
de commissie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, 12, eerste lid, 21,
eerste lid, 22, eerste lid, 22a, eerste lid, en 22b, eerste lid, van het
Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, regels stellen inzake
het toekennen van buitengewoon verlof voor vakbondsfaciliteiten,
waaronder mede begrepen worden faciliteiten voor individuele
belangenbehartiging.
Artikel 36
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
a. voor het zoeken van een woning, indien het dienstbelang verhuizing
vordert: ten hoogste twee dienstdagen;
b. voor verhuizing uit hoofde van dienstbelang: ten hoogste twee
dienstdagen, zonodig, indien de ambtenaar een eigen huishouding heeft,
te verlengen tot drie dienstdagen en in zeer bijzondere gevallen tot
vier dienstdagen.
Artikel 37
1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan
de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging
verleend:
a. bij zijn huwelijk: 3 dienstdagen;
b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de
eerste en tweede graad: 1 dienstdag;
c. bij overlijden van
1. zijn echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders,
kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: vier
dienstdagen;
2. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dienstdagen;
d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste vijf dienstdagen;
e. bij zijn 25- of 40-jarig ambtsjubileum: één dienstdag.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede verstaan
het aangaan van een geregistreerd partnerschap alsmede het sluiten van
een samenlevings-contract als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
3.Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid
wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is
ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op dezelfde wijze
verleend aan de ambtenaar met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van
zijn geregistreerde partner alsmede aan de ambtenaar, die ongehuwd
samenwoont als bedoeld in artikel 1, tweede lid, met betrekking tot
dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner.
Artikel 38
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de
ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:
a. voor het afleggen van een examen voor het behalen van een diploma dat
voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht of
b. voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied voor ten
hoogste tien dienstdagen per kalenderjaar.
Artikel 39
1. Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van
bezoldiging, kan bovendien worden verleend, indien het bevoegd gezag van
oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen in welke gevallen het eerste
lid kan worden toegepast.
Artikel 40
Het bevoegd gezag kan nadere procedurele regels stellen omtrent het
aanvragen en verlenen van buitengewoon verlof van korte duur.
Artikel 40a
1.De ambtenaar heeft aanspraak op buitengewoon verlof met behoud van
zijn volledige bezoldiging voor de opvang bij calamiteiten in zijn
persoonlijke levenssfeer.
2.Onder calamiteit wordt verstaan:
a. ziekte of andere onverwachte gebeurtenissen waardoor een noodsituatie
ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid
bedoelde personen;
b. een onverwachte gebeurtenis waardoor het noodzakelijk is dat de
ambtenaar zelf onverwijld maatregelen moet treffen ter voorkoming of
beperking van schade of onheil.
3.Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van
noodzakelijke voorzieningen en bedraagt ten hoogste 1 dienstdag per
calamiteit voor ten hoogste 3 calamiteiten per jaar.
4.De personen voor wie verzorging kan worden verleend als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, zijn: de echtgenote of echtgenoot, ouders,
stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen,
pleegkinderen of aangehuwde kinderen van de ambtenaar.
5.De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van
het verlof onder vermelding van de reden.
6.Het bevoegd gezag kan verlangen dat de ambtenaar achteraf aannemelijk
maakt dat daadwerkelijk sprake was van een calamiteit. Indien de
ambtenaar daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren
in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.
7.Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 40b
1.Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de
ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de
noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:
a. de echtgenote of echtgenoot;
b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een
familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot;
d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem
duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.
2.Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de
ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de
noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van:
a. ouders;
b. stiefouders;
c. pleegouders;
d. schoonouders;
e. een niet-inwonend kind tot wie de ambtenaar in een familierechtelijke
betrekking staat;
f. een niet-inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot.
3.Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt per
kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.
4.De ambtenaar meldt vooraf onder opgave van de reden aan het bevoegd
gezag dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt.
Indien deze melding voorafgaand aan het verlof niet mogelijk is,
geschiedt dit zo spoedig mogelijk. Bij de melding geeft de ambtenaar ook
de omvang, de wijze van opnemen en de vermoedelijke duur van het verlof
aan.
5.Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij
aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met
de noodzakelijke verzorging, bedoeld in het eerste en tweede lid. Indien
de ambtenaar daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen
uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.
6.Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
1.De ambtenaar die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat
tot een kind, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien de ambtenaar
met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in een
familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van
ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof.
2.De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de
verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft
genomen, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien het op hetzelfde
tijdstip meer dan één kind betreft, bestaat aanspraak op
ouderschapsverlof als betrof het één kind. Indien de ambtenaar met het
oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en
opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten
aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof.
3.Geen aanspraak op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop het
kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
4.Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens
dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd.
5.Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar ten hoogste recht heeft,
bedraagt dertien maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn
arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. Indien de
arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof wijzigt, wordt de
aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de
mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode
gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.
6.Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van
ten hoogste zes maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. De
ambtenaar kan het bevoegd gezag verzoeken in afwijking van de eerste
volzin het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het
verlof op te delen in ten hoogste drie niet aaneengesloten perioden,
waarbij iedere periode ten minste één maand bedraagt. Het bevoegd
gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen van
dienstbelang zich daartegen verzetten.
7.Over de uren waarop de ambtenaar verlof is verleend, behoudt hij 75%
van zijn bezoldiging.
8.De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de
genoten verlofuren wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een
jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel
niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of
omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen
vier weken binnen de politiedienst wordt niet als ontslag beschouwd.
9.Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de
ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond
van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van
dienstbelang zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag behoeft aan de
aanvraag niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan
vier weken na de aanvraag. In het geval het verlof met toepassing van de
eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet,
vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.
10.Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van
de verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen van
dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van
het verlof.
11.Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen over de wijze waarop
ouderschapsverlof wordt aangevraagd.
Artikel 41a
1. De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind recht op
verlof voor ten hoogste vier aaneengesloten weken. Het recht bestaat
gedurende een tijdvak van achttien weken, gerekend vanaf twee weken
vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang
heeft genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de
werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een
kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
2. De ambtenaar die recht heeft op adoptieverlof, maakt aanspraak op
doorbetaling van de bezoldiging gedurende een periode van ten hoogste
vier weken.
3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer
kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op
verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.
4. De ambtenaar meldt aan het bevoegd gezag het verlof in verband met
adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder
opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten
gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden
opgenomen.
5. Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend, gedurende dat verlof
of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op
een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt
gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de
bezoldiging, bedoeld in het tweede lid, toegepast die overeenkomt met
het bedrag van deze financiële tegemoetkoming.
6. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een
financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar
geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen
aanvraag heeft ingediend, kan het bevoegde gezag het vijfde lid op
overeenkomstige wijze toepassen, mits de ambtenaar schriftelijk is
gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag. In dat
geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan
de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben
ingediend.
§ 3. Buitengewoon verlof van lange duur
Artikel 42
De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, is met
buitengewoon verlof van lange duur.
Artikel 43
1. Aan de ambtenaar kan op zijn aanvraag buitengewoon verlof worden
verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder
bepaalde voorwaarden.
2. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan na
aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de
ambtenaar.
Artikel 44
Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, uitsluitend strekt tot het
persoonlijk belang van de ambtenaar, kan hem dit slechts worden verleend
zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden.
Artikel 45
Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in
de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen en met
verlofverlening naar het oordeel van het bevoegd gezag niet uitsluitend
het persoonlijk belang van de ambtenaar, maar ook het algemeen belang
wordt gediend, kan het verlof in beginsel voor ten hoogste een jaar,
zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.
Artikel 46
1. Aan de ambtenaar, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een vereniging
van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie
van zodanige verenigingen, kan uit dien hoofde voor ten hoogste twee
jaren buitengewoon verlof, zonder behoud van bezoldiging, worden
verleend.
2. Artikel 35, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 47
Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in
de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst hetzij een functie
in dienst van een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij ten
behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel als deskundige
tijdelijk ten behoeve van een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met
verlofverlening naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang
in overwegende mate wordt gediend, kan het verlof voor een door het
bevoegd gezag te bepalen periode, al dan niet met behoud van
bezoldiging, worden verleend.
Artikel 47a
Onze Minister stelt regels ten aanzien van levensloopverlof.
Artikel 48
1. De ambtenaar die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof
van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet hervat,
wordt gelijk behandeld als de ambtenaar die een aanvraag tot ontslag
heeft ingediend.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een
redelijke termijn ten genoege van het bevoegd gezag aannemelijk maakt
dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten in welk geval
het verlof wordt verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde geldige
redenen hebben opgehouden te bestaan.
Hoofdstuk VII. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en
enkele overige bepalingen in verband met ziekte en zwangerschap
§ 1. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen
Artikel 49
De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk
geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.
Artikel 49a
1.Het bevoegd gezag verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding
van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet en de bepalingen in dit hoofdstuk.
2.Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze
waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de
arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen
procedures.
Artikel 49b
1.Het bevoegd gezag is verplicht tijdig de maatregelen te treffen en
voorschriften te geven die redelijkerwijs nodig zijn om de ambtenaar die
wegens ziekte ongeschikt is zijn arbeid te verrichten in staat te
stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten.
2.Uit hoofde van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt het
bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op
als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het plan van aanpak wordt met
medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
bijgesteld.
3.Indien vaststaat dat de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is zijn
arbeid te verrichten en binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag
geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert dat gezag de
inschakeling van de ambtenaar in voor hem passende arbeid in een of meer
functies bij een andere werkgever.
4.De ambtenaar mag de eigen of andere passende arbeid eerst verrichten
nadat de deskundige persoon of de arbodienst een op de desbetreffende
ambtenaar betrekking hebbend medisch advies heeft gegeven.
Artikel 49c
De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte, is verplicht:
a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd
gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te
werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag
aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 49b,
eerste lid;
b. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
bijstellen van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 49b, tweede lid;
c. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de
gelegenheid stelt.
Artikel 50
1.De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig
onderzoek te ondergaan:
a. indien het bevoegd gezag gegronde redenen heeft om te twijfelen aan
de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;
b. indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het
verrichten van zijn arbeid;
c. ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak
waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in
het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen
welke arbeid wenselijk wordt geacht;
d. voor zover dit noodzakelijk is ter voorbereiding van een beslissing
naar aanleiding van de aanvraag om een hernieuwd onderzoek als bedoeld
in artikel 51;
e. indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan
met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet
bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken, een
aangifteplicht geldt;
f. om te beoordelen of de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij
het Korps landelijke politiediensten lichamelijk en psychisch in staat
is de functie van vlieger te blijven uitoefenen, nadat hij de voor zijn
functie vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt;
g. als, gelet op artikel 88c, de deskundige persoon of de arbodienst van
oordeel is dat dit noodzakelijk is;
h. om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
94, derde lid;
i. om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig
ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, zijn arbeid mag
hervatten;
j. voor zover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;
k. indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan
bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, of hij is benoemd in
een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundige keuring is
vereist als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c.
2.Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de
Arbeidsomstandighedenwet dan wel een arbeidsgezondheidskundig onderzoek
als bedoeld in het eerste lid, wanneer blijkt dat sprake is van een
zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de
ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten van de arbeid
betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid
blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld, indien
hem andere passende arbeid kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar
buiten dienst wordt gesteld, wordt hij aangemerkt als ambtenaar die
wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, in welk
geval hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging politie van toepassing
is.
Artikel 50a
1. De ambtenaar kan worden verplicht een test af te leggen ter
vaststelling van zijn fysieke conditie. Onze Minister stelt terzake van
de test en voor welke categorieën ambtenaren dit geldt nadere regels
vast.
2. Bij ministeriële regeling zullen de gevolgen van het blijkens de
afgelegde test uit het eerste lid niet beschikken over voldoende fysieke
conditie voor de uitoefening van politietaken worden vastgesteld.
Artikel 51
1. Het advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst wordt
uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek
als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 50
van dit besluit, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en het
bevoegd gezag bekendgemaakt.
2. De ambtenaar kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen vijf
dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd
onderzoek vragen indien hij bedenkingen heeft tegen het medisch advies.
Gedurende de behandeling van zijn bedenkingen, behoeft de ambtenaar aan
het medisch advies geen gevolg te geven. De deskundige persoon of de
arbodienst stelt het bevoegd gezag in kennis van een ingediend verzoek
om een hernieuwd onderzoek.
3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek om een hernieuwd
onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd
onderzoek door een commissie van drie artsen plaats.
4. Op verzoek van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de
gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de
commissie van drie artsen kenbaar te maken.
5. De kosten van het hernieuwde onderzoek komen voor rekening van het
bevoegd gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden
hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.
6. Bij de bekendmaking van het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt
de ambtenaar schriftelijk gewezen op de in het tweede lid genoemde
mogelijkheid, met vermelding van de termijn waarbinnen het hernieuwde
onderzoek kan worden gevraagd en het orgaan waaraan het verzoek moet
worden gericht.
Artikel 52
1.De leden van de commissie bedoeld in artikel 51, derde en vierde lid,
worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door het
bevoegd gezag. De arts die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan
herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.
2.De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:
a. de ambtenaar,
b. het bevoegd gezag, en
c. de behandelend arts, bedoeld in artikel 51, vierde lid.
§ 2. Overige bepalingen
Artikel 53
In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden
verleend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte
die de ambtenaar voor zichzelf en zijn medebelanghebbenden heeft
gemaakt, indien hierin niet ingevolge een andere regeling wordt voorzien
en deze kosten redelijkerwijze niet te zijnen laste kunnen blijven. Het
bevoegd gezag kan over de uitvoering van dit artikel regels vaststellen.
Artikel 54
1.In geval van dienstongeval of beroepsziekte worden aan de
desbetreffende ambtenaar vergoed de noodzakelijk gemaakte kosten van
geneeskundige behandeling of verzorging.
2.Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere voorschriften
vaststellen met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 54a
1.In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een
beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed
tot een netto maximum bedrag van € 136 100,-.
2.In geval de ambtenaar is komen te overlijden ten gevolge van een
dienstongeval, wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden
ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde een netto bedrag van € 68
100,- uitgekeerd.
3.Artikel 46, derde en vierde lid, van het Besluit bezoldiging politie
is van overeenkomstige toepassing.
4.Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de
uitkering, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 55
1.De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak
op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
2.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op zwangerschapsverlof vanaf de
dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een
verloskundige waarin de vermoedelijke datum van de bevalling wordt
aangegeven, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof begint in
ieder geval vier weken vóór deze datum. Het verlof wordt verlengd met
het aantal dagen dat de werkelijke datum van bevalling later ligt dan de
vermoedelijke datum van bevalling.
3.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op bevallingsverlof van tien
aaneengesloten weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Het
bevallingsverlof wordt verlengd met het aantal dagen dat het
zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling
minder dan zes weken heeft bedragen of tot ten hoogste zes weken met het
aantal dagen dat de werkelijke datum van bevalling eerder ligt dan de
vermoedelijke datum van bevalling.
4.Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de
vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.
5.Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende
dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis
van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is
van samenloop een inhouding op de doorbetaling van de bezoldiging als
bedoeld in het vierde lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van
de financiële tegemoetkoming.
6.Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende
dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis
van de Wet arbeid en zorg, maar geen financiële tegemoetkoming is
toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend,
kan het bevoegde gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze
toepassen, mits zij schriftelijk is gewezen op de mogelijkheid van
indienen van de aanvraag. In dat geval wordt rekening gehouden met de
financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn
toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
Hoofdstuk VII.a. Integriteit
§ 1. Regels omtrent goed ambtelijk handelen
Artikel 55a
1.De ambtenaar is verplicht aan het bevoegd gezag, op een door dit gezag
te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling,
kunnen raken.
2.Het bevoegd gezag voert een registratie op grond van de ingevolge het
eerste lid gedane opgaven.
3.De door de ambtenaren die deel uitmaken van de leiding van een
regionaal politiekorps of het Klpd, van het College van Bestuur van het
LSOP, of van de directie ITO gemelde nevenwerkzaamheden worden openbaar
gemaakt met vermelding van eventueel door het desbetreffende bevoegd
gezag aan het verrichten van nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
4.Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor
de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de
dienst, voor zover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet
in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod,
bedoeld in het vierde lid.
Artikel 55b
1.Het bevoegd gezag wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten
waaraan in het bijzonder het risico van financiële
belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
koersgevoelige informatie is verbonden. De aangewezen ambtenaar meldt de
financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten
die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn
functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
2.Het bevoegd gezag voert een registratie van de op grond van het eerste
lid gedane meldingen.
3.De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking
tot de financiële belangen of het bezit van of de transactie met
effecten, indien daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag of de
door dit gezag aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid,
aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken
feiten of omstandigheden.
4.Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede
vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de openbare
dienst, voor zover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet
in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod,
bedoeld in het vierde lid.
Artikel 55c
Het is de ambtenaar verboden in zijn ambt geld, geschenken, diensten of
kortingen te bedingen of, anders dan met goedvinden van het bevoegd
gezag, aan te nemen.
§ 2 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 55d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 55e [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 55f [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 55g [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 55h [Vervallen per 01-01-2010]
Hoofdstuk VII.b. Voorzieningen bij reorganisaties
Artikel 55i
1. Bij een reorganisatie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van
toepassing.
2. Onder reorganisatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een
wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van
een regionaal politiekorps, twee of meer regionale politiekorpsen die
een duurzaam samenwerkingsverband in stand houden of gaan houden, het
Korps landelijke politiediensten, het LSOP, een voorziening tot
samenwerking of een onderdeel daarvan alsmede het organisatieonderdeel
waarin bijzondere ambtenaren van politie werkzaam zijn, die belangrijke
gevolgen heeft voor de werkgelegenheid in kwantitatieve en kwalitatieve
zin.
3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing
op de overgang van een ambtenaar vanwege een privatisering of
verzelfstandiging van een dienstonderdeel van de politie als gevolg
waarvan ambtenaren overgaan naar een private onderneming of enig ander
bestuursorgaan, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is
bepaald.
4. Onder reorganisatiegebied wordt verstaan:het gebied waarbinnen een
reorganisatie als bedoeld in het tweede of derde lid plaatsvindt of zal
plaatsvinden.
5. Indien geen sprake is van een reorganisatie, maar wel van een
wijziging van de plaats van tewerkstelling waardoor een geheel team of
een gehele afdeling een andere plaats van tewerkstelling krijgt, worden
bij ministeriële regeling aangegeven extra reiskosten beschikbaar
gesteld.
Artikel 55j
1. Het bevoegd gezag meldt, door tussenkomst van Onze Minister, tijdig
een voorgenomen besluit tot een reorganisatie bij de Commissie voor
georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken, bedoeld in het Besluit
overleg en medezeggenschap politie 1994.
2. Door of namens het bevoegd gezag wordt de betrokken ondernemingsraad
tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
3. Onder tijdig melden dan wel informeren als bedoeld in het eerste
onderscheidenlijk tweede lid wordt verstaan melden dan wel informeren
voordat een reorganisatie onomkeerbare personele gevolgen heeft. Van
onomkeerbare personele gevolgen is in elk geval sprake zodra voorgenomen
besluiten tot plaatsing bekend zijn gemaakt.
Artikel 55ja
1. Het bevoegd gezag kan tijdens de voorbereiding van een reorganisatie
individuele ambtenaren die behoren tot het reorganisatiegebied alsmede
groepen ambtenaren die eenzelfde, vergelijkbare of uitwisselbare functie
binnen het verwachte reorganisatiegebied vervullen, aanwijzen als
pre-herplaatsingskandidaat.
2. Aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is mogelijk nadat het
bevoegd gezag de betrokken ondernemingsraad, overeenkomstig artikel 31a,
zesde lid, van de Wet op de ondernemingsraden, heeft ingelicht.
3. De inlichting, bedoeld in het tweede lid, gebeurt schriftelijk en
bevat in ieder geval de redenen van de aanwijzing en de daarmee beoogde
doelen.
4. De ambtenaar die behoort tot het reorganisatiegebied, kan bij het
bevoegd gezag schriftelijk een aanvraag doen hem aan te wijzen als
pre-herplaatsingskandidaat.
5. De ambtenaar wordt over zijn aanwijzing als
pre-herplaatsingskandidaat schriftelijk geïnformeerd.
6. Aanwijzing vindt plaats voor een objectief bepaalbare duur.
7. Onverminderd het vorig lid, eindigt een aanwijzing als
pre-herplaatsingskandidaat altijd:
a. op het moment dat definitief over de rechtspositie van de individuele
ambtenaar in het kader van dit hoofdstuk een besluit is genomen; of
b. op het moment dat het bevoegd gezag de aanwijzing schriftelijk
intrekt.
8. Op aanvraag van de pre-herplaatsingskandidaat wordt gedurende de
periode van aanwijzing door het bevoegd gezag toepassing gegeven aan
één of meer flankerende voorzieningen.
9. De ambtenaar die is aangewezen als pre-herplaatsingskandidaat, kan
gedurende de periode van aanwijzing het bevoegd gezag vragen om:
a. bij het vrijwillig aanvaarden van een nieuwe functie overeenkomstige
toepassing te geven aan artikel 55r, tweede en derde lid;
b. bij het aanvaarden van een functie bij een andere werkgever
overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 55t;
c. bij het aanvaarden van een functie bij een andere werkgever
overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 75, derde lid, onder a.
Artikel 55jb
1. Bij het besluit om te reorganiseren kan het bevoegd gezag een functie
aanmerken als een sleutelfunctie, zijnde een nieuwe functie met een
groot organisatorisch belang.
2. Bij de invulling van een sleutelfunctie is artikel 55l, eerste lid,
niet van toepassing.
3. De vervulling van een sleutelfunctie geschiedt met inachtneming van
het door het bevoegd gezag gehanteerde vacaturebeleid, bedoeld in
artikel 27, eerste lid, onder e, van de Wet op de ondernemingsraden.
4. Het derde lid is niet van toepassing als er geen vacaturebeleid is
vastgesteld.
5. De voorrangspositie van pre-herplaatsingskandidaten is niet van
toepassing bij de invulling van een sleutelfunctie.
Artikel 55k
De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd
en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, van wie de functie in
verband met een reorganisatie is opgeheven, wordt aangewezen als te
herplaatsen ambtenaar, hierna te noemen: herplaatsingkandidaat.
Artikel 55l
1. De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een
proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, die in verband met
een reorganisatie boventallig zijn, dan wel de aspirant worden
aangewezen als herplaatsingkandidaat. Van boventalligheid is sprake
indien de binnen de te reorganiseren organisatie of een onderdeel
daarvan, meer ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare functie
vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd
dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren resteren.
2. De ambtenaar die het geringste aantal jaren in overheidsdienst heeft
doorgebracht, wordt als eerste als herplaatsingskandidaat aangewezen. In
het geval dat twee ambtenaren, werkzaam bij één en dezelfde
organisatie als bedoeld in artikel 55i, tweede lid en derde lid, een
gelijk aantal jaren in overheidsdienst hebben doorgebracht, wordt degene
met het minst aantal jaren in politiedienst, als eerste tot
herplaatsingskandidaat aangewezen. Voor de berekening van het aantal in
overheidsdienst of politiedienst doorgebrachte jaren wordt mede in
aanmerking genomen de tijd gewijd aan de verzorging van tot het
huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief-of
pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.
3. De ambtenaar die niet als herplaatsingskandidaat is aangewezen en een
functie bezet binnen het gezagsbereik, wordt op diens aanvraag door het
bevoegd gezag aangewezen als herplaatsingskandidaat, indien op de
hierdoor vrijkomende formatieplaats een herplaatsingskandidaat wordt
herplaatst.
4. Het bevoegd gezag kan van de volgorde in het tweede lid afwijken,
nadat hij hiervoor de instemming heeft verkregen van de
reorganisatiecommissie. Het bevoegd gezag dient een gemotiveerd verzoek
in bij de reorganisatiecommissie.
Artikel 55la
De reorganisatiecommissie wordt paritair samengesteld en bestaat uit
drie leden. De reorganisatiecommissie brengt binnen zes weken na
ontvangst van het verzoek, bedoeld inartikel 55l, vierde lid, een
schriftelijk oordeel uit aan het bevoegd gezag.
Artikel 55lb
1. De ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie wordt in
het kader van een reorganisatie geplaatst op deze vergelijkbare of
uitwisselbare functie al dan niet in een andere plaats van
tewerkstelling, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55l.
2. Onverminderdartikel 55l, geschiedt de plaatsing in de situatie dat de
in het eerste lid bedoelde functie voorkomt op meerdere plaatsen van
tewerkstelling, zoveel mogelijk in volgorde van voorkeur van de
betrokken ambtenaar. Indien er sprake is van meerdere voorkeuren op
één en dezelfde plaats van tewerkstelling wordt als volgt gehandeld:
a. als eerste wordt geplaatst de ambtenaar die in de bestaande
organisatie op diezelfde plaats van tewerkstelling was geplaatst;
b. indien er dan nog te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als
eerste geplaatst de ambtenaar die het dichtst bij de oorspronkelijke
plaats van tewerkstelling woont;
c. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt
als eerste geplaatst, de ambtenaar met het grootste aantal jaren in
overheidsdienst;
d. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt
als eerste geplaatst de ambtenaar met het grootste aantal jaren in
politiedienst.
3. Het bevoegde gezag houdt bij de plaatsing op vergelijkbare of
uitwisselbare functies rekening met het gestelde in artikel 55o, eerste
lid. In elk geval dient het bevoegd gezag bij de plaatsing rekening te
houden met het gestelde, als bedoeld in artikel 55o, vierde lid, onder
d.
4. Met een beroep op de in het derde lid gebleken feiten en
omstandigheden kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag
indienen hem in afwijking van artikel 55l, tweede lid, als
herplaatsingskandidaat aan te wijzen.
Artikel 55m
De ambtenaar wordt over zijn aanwijzing als herplaatsingkandidaat
schriftelijk geïnformeerd.
Artikel 55n
1.Onverminderd artikel 91 is het bevoegd gezag verplicht om de
herplaatsingkandidaat binnen een periode van twaalf maanden, te rekenen
vanaf het moment dat de aanwijzing als herplaatsingkandidaat bekend is
gemaakt of het moment waarover de herplaatsingkandidaat schriftelijk is
geïnformeerd, ten minste twee maal een passende functie aan te bieden.
2.Het bevoegd gezag kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen
of opschorten, indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe
aanleiding geven.
3.Indien het bevoegd gezag na twaalf maanden kan aantonen dat in het
geheel geen passende functie kan worden aangeboden, wordt de termijn van
twaalf maanden niet verlengd.
4.De ambtenaar wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als
herplaatsingkandidaat schriftelijk geïnformeerd over de aanvang en het
einde van de periode bedoeld in het eerste lid.
5.Het bevoegd gezag informeert de herplaatsingkandidaat schriftelijk
over het verlengen of opschorten van de periode.
6.Onverminderd het bepaalde in dit artikel is het bevoegd gezag, voor de
duur van het dienstverband van de herplaatsingkandidaat, gehouden de
herplaatsingkandidaat een passende functie aan te bieden.
Artikel 55o
1. Een passende functie is elke functie die voor de krachten en
bekwaamheden van de herplaatsingkandidaat is berekend, tenzij
aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard
niet van hem kan worden gevergd. Een passende functie is mogelijk zowel
binnen het bereik van het bevoegd gezag als bij een andere werkgever.
2. Tevens is een passende functie elke functie waarvoor naar het oordeel
van het bevoegd gezag de herplaatsingkandidaat binnen een termijn van
twee jaar om-, her- of bijgeschoold kan worden.
3. Onder een passende functie wordt ook verstaan een functie, als
bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, waarin op aanvraag van de
ambtenaar de mogelijkheid tot telewerken is opgenomen tenzij het belang
van de dienst zich ertegen verzet. Per roosterperiode van vier weken
wordt afgesproken hoeveel dagen de ambtenaar zal telewerken. Het bevoegd
gezag waar de passende functie zich voordoet, beslist over de aanvraag
tot telewerken.
4. Niet als passende functie wordt beschouwd:
a. indien de voor functie geldende salarisschaal meer dan twee schalen
lager is dan de salarisschaal die behoort bij de huidige functie van de
herplaatsingskandidaat;
b. indien de voor functie geldende salarisschaal meer dan één schaal
lager is dan de salarisschaal die behoort bij de huidige functie van de
herplaatsingskandidaat, ingedeeld in salarisschaal 4 of 5 van bijlage I
van het Besluit bezoldiging politie;
c. indien de voor functie geldende salarisschaal lager is dan de
salarisschaal die behoort bij de huidige functie van de
herplaatsingskandidaat, ingedeeld in salarisschaal 3 of lager van
bijlage I van het Besluit bezoldiging politie;
d. indien de reistijd van en naar de plaats van tewerkstelling van de
functie meer dan drie uur per dag bedraagt, tenzij de gebruikelijke
reistijd voor de herplaatsingkandidaat van en naar de plaats van
tewerkstelling al meer dan drie uur per dag bedraagt.
5. Voor de toepassing van het derde lid, onderdelen a, b en c, dient
voor een passende functie bij een andere werkgever het maximaal te
genieten salaris te worden vergeleken met het maximumsalaris van een
salarisschaal van bijlage I van het Besluit bezoldiging politie.
Artikel 55p
1. Het bevoegd gezag kan de naar zijn oordeel meest geschikte
herplaatsingkandidaat, voor wie de functie als passend wordt aangemerkt,
herplaatsen in die functie.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als er maar één
herplaatsingkandidaat is waarvoor de functie passend is.
Artikel 55q
1. Onverminderd artikel 55n is de herplaatsingkandidaat verplicht, voor
zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, om zelf een
passende functie te zoeken.
2. Wanneer het belang van de dienst dat vordert, is de
herplaatsingskandidaat verplicht, behoudens het eerste aanbod, een
passende functie te aanvaarden, in het geval van een herplaatsing in het
kader van een reorganisatie.
Artikel 55r
1.De herplaatsingkandidaat die slechts in een voor hem passende functie
kan worden herplaatst na om- her- of bijscholing kan hiertoe worden
verplicht, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
2.Aan de ambtenaar die op grond van het eerste lid is verplicht om
scholing te volgen, wordt een volledige vergoeding van de noodzakelijk
te maken scholingskosten toegekend.
3.Aan de ambtenaar die op grond van het eerste lid is verplicht om
scholing te volgen, wordt studieverlof met behoud van bezoldiging
verleend, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich hier tegen verzet.
Artikel 55ra
1. Individuele en persoonsgebonden rechten, toegekend bij besluit van
het bevoegd gezag, blijven bij aanwijzing als herplaatsingskandidaat of
plaatsing of herplaatsing van de ambtenaar in stand.
2. De ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak
behoudt bij de plaatsing of herplaatsing op een administratief
technische functie in het kader van een reorganisatie als bedoeld in
artikel 55i zijn aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de
politietaak.
Artikel 55s
Het mobiliteitscentrum Nederlandse politie stelt in overleg met het
bevoegd gezag van de herplaatsingkandidaat een inventarisatie op van
zijn competenties en mogelijkheden voor een passende functie.
Artikel 55t
1.De herplaatsingkandidaat die een passende functie aanvaardt bij een
andere werkgever wordt een loonsuppletie toegekend indien het genoten
loon van die functie lager is dan het loon in de oorspronkelijke
functie.
2.De loonsuppletie wordt toegekend gedurende vijf jaar. Afhankelijk van
het aantal dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van vijf jaar
verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
|
dienstjaren:
|
verlenging:
|
|
25 of meer dienstjaren
|
één jaar
|
|
30 of meer dienstjaren
|
twee jaren
|
|
35 of meer dienstjaren
|
drie jaren
|
|
40 of meer dienstjaren
|
vier jaren
|
3.Na afloop van een kalenderjaar vraagt de herplaatsingkandidaat, die
herplaatst is bij een andere werkgever, de loonsuppletie aan. De
aanvraag is vergezeld van een door de werkgever verstrekte jaaropgave
van het loon.
4.De suppletie is ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het in de
oorspronkelijke functie genoten jaarloon en het jaarloon van de nieuwe
functie.
5.De loonsuppletie wordt eenmaal per jaar vastgesteld en uitgekeerd. Het
bevoegd gezag kan maandelijks een voorschot van de suppletie
verstrekken.
Artikel 55u
Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van dit hoofdstuk
met inbegrip van regels over het proces van reorganisatie en flankerende
voorzieningen voor ambtenaren.
Artikel 55v
Indien de toepassing van dit hoofdstuk of de nadere regels ter
uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot
onbillijkheden van overwegende aard of indien er sprake is van een
bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, kan het
bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de
organisatie, afwijken van dit hoofdstuk of de nadere regels ter
uitvoering van dit hoofdstuk worden afgeweken.
Artikel 55w
Van dit hoofdstuk en van de nadere regels ter uitvoering van dit
hoofdstuk kan, in overeenstemming met de Commissie voor georganiseerd
overleg in politieambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2 van het Besluit
overleg en medezeggenschap politie 1994, uitsluitend worden afgeweken
bij reorganisaties waarbij naast de arbeidsvoorwaarden van de sector
Politie ook arbeidsvoorwaarden van andere sectoren of rechtspersonen
betrokken zijn.
Artikel 55x
1. Voor de ambtenaar die voor de inwerkingtreding van het Besluit
landelijk sociaal statuut politie als herplaatsingskandidaat was
aangewezen en nog niet was herplaatst op een passende functie, is het
sociaal statuut van toepassing dat gold op het moment dat de ambtenaar
werd aangewezen als herplaatsingskandidaat.
2. Indien voor de herplaatsingskandidaat, bedoeld in het eerste lid, op
een onderdeel toepassing van het Besluit landelijk sociaal statuut
politie of de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk
sociaal statuut politie gunstiger is, geldt op verzoek van de
herplaatsingskandidaat voor dat onderdeel het Besluit landelijk sociaal
statuut politie of de nadere regels ter uitvoering van het Besluit
landelijk sociaal statuut politie.
3. In het geval dat voor de inwerkingtreding van het Besluit landelijk
sociaal statuut politie is besloten dat het Besluit landelijk sociaal
statuut politie en de nadere regels ter uitvoering van het Besluit
landelijk sociaal statuut politie worden toegepast indien deze ten
opzichte van de voor inwerkingtreding van het Besluit landelijk sociaal
statuut politie geldende sociale statuten en regelingen op een onderdeel
gunstiger zijn, dan wordt op verzoek van de ambtenaar het Besluit
landelijk sociaal statuut politie en de nadere regels ter uitvoering van
het Besluit landelijk sociaal statuut politie toegepast, ook indien het
gaat om al bestaande toekenningen.
4. Als er sprake is van een verzoek als bedoeld in het tweede of derde
lid, is de in het verzoek gemaakte keuze bindend.
Artikel 55y
1. Op aanvraag van de herplaatsingskandidaat en van de
pre-herplaatsingskandidaat aan wie, nadat hij tot
pre-herplaatsingskandidaat of herplaatsingskandidaat is aangewezen, van
wie door het bevoegd gezag is vastgesteld dat er voor hem geen passende
functie meer beschikbaar zal zijn, op eigen verzoek ontslag verleend
wordt op grond van artikel 87 en die, behoudens de vrijwillige politie,
buiten de politie werkzaam gaat zijn wordt een vertrekstimuleringspremie
toegekend.
2. De vertrekstimuleringspremie bedraagt:
a. één-twaalfde bruto maandsalaris voor iedere maand dat een ambtenaar
in politiedienst is geweest, tot en met een maximum van 120 maanden en
b. één-zestiende bruto maandsalaris voor iedere maand boven de 120
maanden,
met dien verstande dat de premie nooit meer kan bedragen dan het totaal
van de bezoldiging tot aan het bereiken van de leeftijd waarop op grond
van de Algemene ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat.
3. De vertrekstimuleringspremie bedraagt in alle gevallen maximaal:
– gedurende het eerste jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat
het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal
één-zesendertigste deel van€ 125.000,
– gedurende het tweede jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat
het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal
één-zesendertigste deel van€ 100.000,
– gedurende het derde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat
het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal
één-zesendertigste deel van€ 75.000,
– gedurende het vierde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat
het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal
één-zesendertigste deel van€ 50.000,
– gedurende het vijfde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat
het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal
één-zesendertigste deel van€ 25.000,
4. Gedurende het zesde jaar en volgende jaren van aanwijzing als
herplaatsingskandidaat bestaat geen recht op toekenning van een
vertrekstimuleringspremie.
5. Voor de berekening van de vertrekstimuleringspremie wordt uitgegaan
van het laatstgenoten salaris, verhoogd met het percentage van de
eindejaarsuitkering en de vakantieuitkering op de datum waarop het
ontslag ingaat. De fiscale consequenties die aan deze premie zijn
verbonden, komen voor rekening van de herplaatsingskandidaat dan wel de
pre-herplaatsingskandidaat. De berekening van het maandsalaris is een
gewogen salaris op grond van de aanstellingen van de ambtenaar in het
verleden.
6. Op verzoek van de ambtenaar kan de vertrekstimuleringspremie
rechtstreeks betaald worden aan een pensioenfonds of een
verzekeringsmaatschappij of gestort worden in een bankspaarregeling.
7. Aan de ambtenaar aan wie een terugkeergarantie als omschreven in
artikel 55bb van dit besluit is verleend, wordt de
vertrekstimuleringspremie toegewezen onder voorwaarde dat de ambtenaar
geen gebruik maakt van de terugkeergarantie. Uitkering van de
vertrekstimuleringspremie vindt in dat geval plaats nadat is gebleken
dat aan deze voorwaarde is voldaan.
Artikel 55z
Aan de herplaatsingskandidaat en de preherplaatsingskandidaat die een
functie buiten de politie heeft aanvaard, wordt kwijtschelding verleend
van de terugbetalingsverplichtingen, opgenomen in de regelgeving van de
rechtspositie van de ambtenaar.
Artikel 55aa
1. De ambtenaar die niet als herplaatsingskandidaat of
pre-herplaatsingskandidaat is aangewezen, wordt door het bevoegd gezag
op diens verzoek ontheven van werkzaamheden, met behoud van aanspraken
tot het einde van zijn loopbaan indien
a. op de vrijkomende formatieplaats een pre-herplaatsingskandidaat kan
worden geplaatst of een herplaatsingskandidaat kan worden herplaatst en
b. er op het moment van ontheffen een ontslagbesluit is genomen met een
ingangsdatum maximaal 18 maanden na het moment van ontheffen, dan wel
c. de ambtenaar binnen 18 maanden na het moment van ontheffen, gebruik
maakt van de levensloopregeling in de vorm van einde loopbaanverlof en
daarbij is vastgelegd dat het levensloopverlof wordt voortgezet tot aan
het moment van ontslag.
2. De inkomsten van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die de
ambtenaar geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
bedrijf en aangevangen met ingang van de dag waarop hij is ontheven van
zijn werkzaamheden, worden in mindering gebracht op de bezoldiging,
tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten, dan wel een
gedeelte daarvan geen verband houden met verhoogde werkzaamheid.
3. De ambtenaar is verplicht om vanaf het moment waarop hij wordt
ontheven van zijn werkzaamheden, aan het bevoegd gezag opgave te doen
van de inkomsten, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 55bb
1. Aan de ambtenaar aan wie eervol ontslag op eigen verzoek wordt
verleend om een functie te aanvaarden op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht, kan op diens verzoek een terugkeergarantie worden
gegeven.
2. De garantie geldt voor de duur van de wettelijke proeftijd die is
opgenomen in de arbeidsovereenkomst en is in te roepen als de ambtenaar
buiten eigen schuld of toedoen in de proeftijd wordt ontslagen. Indien
de ambtenaar bij de nieuwe werkgever binnen de proeftijd wordt
ontslagen, meldt de ambtenaar dit binnen drie werkdagen bij zijn
oorspronkelijke korps.
3. De hernieuwde aanstelling gaat in binnen drie werkdagen na melding
van het ontslag bij het oorspronkelijke korps.
4. Gegarandeerd wordt uitsluitend een hernieuwde aanstelling bij het
oorspronkelijke korps met een bezoldiging overeenkomstig de bezoldiging
bij vertrek, tenzij de ambtenaar weigert.
5. De ambtenaar die was aangewezen als herplaatsingskandidaat op het
moment van ontslag op eigen verzoek, wordt bij terugkeer aangewezen als
herplaatsingskandidaat voor de op het moment van ontslag resterende
termijn, met een minimum van drie maanden.
Hoofdstuk VIII. Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Artikel 56
1. De verstrekking van uniformkleding aan de aspirant, de ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere
taken ten dienste van de politie, die door het bevoegd gezag is
aangewezen, geschiedt door de zorg van het bevoegd gezag. De
verstrekking van uniformkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister kan
ter zake van de verstrekking van uniformkleding nadere regels
vaststellen, alsmede ter zake van het onderhoud van uniformkleding
regels vaststellen.
2. De verstrekking van dienstkleding aan de aspirant, de ambtenaar,
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de bijzondere
ambtenaar van politie en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van
technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie,
die door het bevoegd gezag is aangewezen, geschiedt door de zorg van het
bevoegd gezag. De verstrekking van dienstkleding geschiedt kosteloos.
Onze Minister kan ter zake van de verstrekking van dienstkleding nadere
regels vaststellen, alsmede ter zake van het onderhoud van dienstkleding
regels vaststellen.
3. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is verplicht het uniform en
de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit voor hem
voorgeschreven is.
4. Het buiten dienst gekleed gaan in uniform is geoorloofd, behalve
tijdens het vervullen van een nevenbetrekking of bij het verrichten van
werkzaamheden ten behoeve van derden, in welke vorm dan ook. Van dit
verbod kan alleen ten aanzien van uit de openbare kas bezoldigde ambten
door Onze Minister ontheffing worden verleend.
Artikel 57
1. Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden in
dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van dienstwege zijn
verstrekt of voorgeschreven.
2. Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden bij
gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te
dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven
of tot het dragen daarvan door het bevoegd gezag vergunning is verleend.
Artikel 58
1.Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of
voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten
dienste van de politie en de bijzondere ambtenaar van politie kunnen
studiefaciliteiten worden verleend.
2.Het bevoegd gezag kent studiefaciliteiten toe voor functiegerichte
opleidingen tenzij zwaarwegende redenen van dienstbelang zich hiertegen
verzetten.
3.Het bevoegd gezag kan studiefaciliteiten toekennen voor opleidingen
die niet functiegericht zijn of voor opleidingen die zijn gericht op een
functie buiten de politieorganisatie.
4.Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot het tweede
en derde lid.
Artikel 59
De aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van
technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie,
die opsporingsbevoegdheid bezit, of de bijzondere ambtenaar van politie
kunnen zich niet beroepen op de omstandigheid niet in dienst te zijn, in
die gevallen, waarin hun optreden redelijkerwijze is vereist.
Artikel 60
Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij
verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo spoedig mogelijk
mededeling te doen op de door het bevoegd gezag aangegeven wijze.
Artikel 60a
1.Het bevoegd gezag verstrekt op aanvraag van de ambtenaar, bedoeld
inartikel 1, eerste lid onder c en d, die in verband met zijn Turkse
nationaliteit verplicht is om zijn militaire dienstplicht in Turkije te
vervullen, faciliteiten om hem in de gelegenheid te stellen deze
dienstplicht af te kopen.
2.Onze Minister stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast.
Artikel 61
1. De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen in of
nabij de gemeente waarbinnen de plaats van tewerkstelling is gelegen,
indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in
verband met de goede vervulling van zijn functie.
2. De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in
het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig
mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd,
daaraan gevolg te geven.
Artikel 62
1.Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst, in overeenstemming
met de ambtenaar, met ingang van een door het ter zake bevoegd gezag te
bepalen tijdstip, een ambtenaar detacheren:
a. bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met Onze
Minister plaatsvindt;
b. bij het Ministerie van Justitie, mits de detachering, indien het een
ambtenaar, werkzaam bij een regionaal politiekorps of bij het Korps
landelijke politiediensten betreft, op aanvraag van of in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie plaatsvindt;
c. bij een regionaal politiekorps of bij het Korps landelijke
politiediensten, mits de detachering op aanvraag van of in
overeenstemming met de desbetreffende korpsbeheerder respectievelijk
Onze Minister plaatsvindt;
d. bij het LSOP, mits de detachering op aanvraag van of in
overeenstemming met de bestuursraad van het instituut plaatsvindt;
e. bij een voorziening tot samenwerking, mits de detachering op aanvraag
van of in overeenstemming met de voorzitter van het algemeen bestuur van
de desbetreffende voorziening tot samenwerking plaatsvindt;
f. bij een door Onze Minister aan te wijzen organisatie.
2.Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij koninklijk besluit
is aangesteld, is voor de detachering de instemming van Onze Minister
vereist.
3.Onze Minister stelt bij ministeriele regeling een modelovereenkomst
vast die wordt gebruikt indien een ambtenaar wordt gedetacheerd.
Artikel 63
1.De ambtenaar die in een deelbetrekking is aangesteld en die op
aanwijzing of met goedkeuring van het bevoegd gezag een opleiding volgt,
is verplicht aan die opleiding deel te nemen als ware hij in een
volledige betrekking aangesteld.
2.Voor zolang het eerste lid meebrengt dat de arbeidstijd die de
betrekking van de ambtenaar omvat, wordt overschreden, wordt hem een
vergoeding toegekend met toepassing van artikel 27 van het Besluit
bezoldiging politie.
3.De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet ten aanzien van
die opleidingen, waarvoor een programma is vastgesteld dat uitdrukkelijk
voorziet in de mogelijkheid van deelname door ambtenaren, die een
deelbetrekking vervullen.
Artikel 64
Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is
de ambtenaar verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen
plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen
werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem
aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem
aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is
aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid,
omstandigheden en vooruitzichten.
Artikel 64a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 65
Op aanvraag van de ambtenaar kan hem een andere functie worden
opgedragen, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van
tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, of
kan hem op aanvraag worden opgedragen zijn functie op een andere dan de
aangewezen plaats van tewerkstelling dan wel een ander dan het
aangewezen werkgebied uit te oefenen.
Artikel 65a [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 66 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 66a [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 67
1.Van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geheel of gedeeltelijk op
kosten van de regio, het Rijk, het LSOP of een voorziening tot
samenwerking een opleiding hebben verkregen, kunnen deze kosten geheel
of gedeeltelijk worden teruggevorderd indien:
a. de opleiding niet met goed gevolg is afgerond door toedoen van de
ambtenaar of in het geval het niet met goed gevolg afronden aan eigen
schuld van de ambtenaar is te wijten;
b. de opleiding voortijdig wordt beëindigd door toedoen van de
ambtenaar of in het geval de beëindiging aan eigen schuld van de
ambtenaar is te wijten;
c. de ambtenaar binnen een periode van drie jaar na afronding van de
opleiding de politie verlaat tenzij de ambtenaar het vertrek niet is toe
te rekenen.
2.In beginsel geldt de verplichting uit het eerste lid niet bij een
ontslag op grond van artikel 91.
3.Tot terugvordering van de kosten, bedoeld in het eerste lid, kan
slechts worden overgegaan indien de ambtenaar schriftelijk heeft
verklaard bekend te zijn met de mogelijkheid van terugvordering en de
kosten die voor de terugvordering in aanmerking kunnen komen.
4.De terugvordering, bedoeld in het eerste lid onder c, geschiedt binnen
drie maanden na de datum waarop de ambtenaar de politie heeft verlaten.
Bij de berekening van de terug te betalen kosten wordt rekening gehouden
met het reeds verstreken deel van de periode van drie jaar.
5.Onze Minister stelt over de uitvoering van het eerste lid nadere
regels vast.
Artikel 68
1.Het bevoegd gezag kan de ambtenaar verplichten de door de dienst
geleden schade, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of
gedeeltelijk te vergoeden. Ten aanzien van gevallen waarin de schade
minder bedraagt dan € 226,89 kan de korpschef dan wel, indien het een
aspirant betreft, de directeur van een instelling, de in de eerste
volzin bedoelde bevoegdheid uitoefenen.
2.Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan nadat de
ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te
verantwoorden.
Artikel 69
1. Aan de ambtenaar wordt de schade aan zijn goederen vergoed die hij
buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst,
voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage van die
goederen.
2. De ambtenaar heeft geen aanspraak, bedoeld in het eerste lid, indien
hij ter zake van die schade rechten tegenover derden kan doen gelden.
Indien de ambtenaar zijn rechten tegenover derden aan de regio, het
Rijk, het LSOP dan wel aan een voorziening tot samenwerking cedeert,
wordt hij in het genot gesteld van het in geld uitgedrukte bedrag van de
schade.
3. Aan de ambtenaar wordt de immateriële schade die hij ten gevolge van
de uitoefening van zijn dienst lijdt in geld vergoed, voor zover hij
terzake van deze schade op basis van een onherroepelijke rechterlijke
uitspraak tegenover derden rechten op betaling van een geldsom kan doen
gelden en mits hij deze rechten binnen zes maanden na de definitieve
rechterlijke uitspraak cedeert aan de regio, de Staat der Nederlanden
dan wel aan het LSOP.
4. Indien de regio, het Rijk, het LSOP dan wel een voorziening tot
samenwerking ter zake van de door voornoemde cessies verkregen rechten
een civiele vordering instelt, worden de kosten die hieruit voor de
regio, het Rijk, het LSOP dan wel een voorziening tot samenwerking
voortvloeien, niet op de ambtenaar verhaald.
5. Onze Minister stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels
vast.
Artikel 69a
1.Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak
aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt
aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een
tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar
het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel
opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof
nalatig is geweest.
2.Indien de ambtenaar schadevergoeding vordert op grond van
onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd tijdens de uitoefening van de
politietaak, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten
van rechtskundige hulp toe, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat
de vordering kennelijk onvoldoende grond heeft of kennelijk onredelijk
is.
3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
indien de rechtskundige hulp aan de ambtenaar is verleend, op grond van
zijn lidmaatschap, door een centrale of een vereniging als bedoeld in
artikel 2, tweede lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap
politie 1994, met dien verstande dat de tegemoetkoming in de kosten van
rechtskundige hulp rechtstreeks wordt betaald aan voornoemde centrale of
vereniging.
4.Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van
rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de
rechtskundige hulp terugvorderen, indien
a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het
gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk
wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of
b indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.
5.In bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de
omstandigheden van de ambtenaar, kan het bevoegd gezag, overwegend dat
de handeling geen gevolg is van de taakuitoefening van de ambtenaar,
besluiten tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.
6.Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot
tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.
Artikel 70
1.De ambtenaar die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met
een persoon die een ziekte heeft waarvoor krachtens de
Infectieziektenwet een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst
niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en
-terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze
toestemming slechts kan verlenen na een positief medisch advies als
bedoeld in hoofdstuk VII.
2.De ambtenaar die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste lid,
is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige
persoon of de arbodienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de
vanwege de deskundige persoon of de arbodienst gegeven aanwijzingen,
waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig
onderzoek.
3.Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge dit artikel zijn
dienst niet verricht, geniet hij volle bezoldiging.
Artikel 71
1.Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde
regels wordt met de ambtenaar ten minste een maal per jaar een gesprek
gehouden over de vervulling van zijn functie in de afgelopen en komende
periode en de voortgang van een persoonlijk ontwikkelingsplan als
bedoeld in artikel 72. In het gesprek wordt ook aandacht besteed aan
integriteitsaspecten in relatie tot het functioneren van de ambtenaar en
het functioneren van het dienstonderdeel waar hij werkzaam is. De
hoofdzaken van dit gesprek worden in overeenstemming met de ambtenaar in
een door de ambtenaar medeondertekend document vastgelegd. De ambtenaar
ontvangt een afschrift van dit document.
2.Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde
regels wordt de ambtenaar die een aanvraag daartoe indient dan wel ten
aanzien van wie dit door het bevoegd gezag nodig wordt geacht,
beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie vervult en zijn
gedragingen tijdens de uitoefening van die functie. Aan de aanvraag van
de ambtenaar om overeenkomstig dit lid te worden beoordeeld, wordt niet
eerder voldaan dan na het verstrijken van één jaar sedert de
vastlegging van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling.
3.Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde
regels worden toekomstverwachtingen opgemaakt over de ambtenaar die in
beschouwing wordt genomen voor een naar verwachting binnen afzienbare
tijd vrijkomende hogere functie in het korps dan wel binnen het LSOP of
een voorziening tot samenwerking. Ook kunnen toekomstverwachtingen
worden opgemaakt voor een ambtenaar die in de nabije toekomst een
verplaatsing naar een andere niet hogere functie in het korps dan wel
binnen het LSOP of een voorziening tot samenwerking aanvraagt of ten
aanzien van wie een dergelijke verplaatsing wenselijk wordt geacht, mits
de mogelijkheid tot een dergelijke verplaatsing reëel aanwezig is en de
korpschef, de directie van het LSOP dan wel de voorzitter van het
algemeen bestuur van een voorziening tot samenwerking instemt met de
wens van de ambtenaar.
4.Onder toekomstverwachting wordt in dit verband verstaan: een
systematische bezinning op de behoeften en potentiële capaciteiten van
de ambtenaar, bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het
desbetreffende korps, het LSOP dan wel een voorziening tot samenwerking,
welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede het daarop tijdig
actie ondernemen.
5.De ambtenaar wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte
beoordeling, bedoeld in het tweede lid, of de over hem opgemaakte
toekomstverwachting, bedoeld in het derde en vierde lid, in kennis
gesteld nadat deze door het bevoegd gezag is bekrachtigd. Hij ontvangt
een afschrift van het document dat de over hem opgemaakte beoordeling of
de toekomstverwachting bevat. Hij ondertekent dit document voor
kennisgeving van de inhoud en voor ontvangst ervan.
Hij kan zijn bezwaren tegen de over hem opgemaakte beoordeling of
toekomstverwachting overeenkomstig de door het bevoegd gezag
vastgestelde regels aan het bevoegd gezag kenbaar maken en om herziening
verzoeken.
6.Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels
vaststellen.
Artikel 72
Met inachtneming van de door Onze Minister ter zake vastgestelde
gespreksleidraad wordt met de ambtenaar ten minste eenmaal per drie jaar
een gesprek gehouden over een persoonlijk ontwikkelingsplan. Op aanvraag
van de ambtenaar dan wel in overleg met de ambtenaar kan het bevoegd
gezag bepalen dat een gesprek over een persoonlijk ontwikkelingsplan
plaatsvindt met een grotere frequentie dan eenmaal per drie jaar, doch
met een maximum van eenmaal per jaar. De hoofdzaken van dit gesprek
worden in overeenstemming met de ambtenaar in een door de ambtenaar
medeondertekend document vastgelegd. De ambtenaar ontvangt een afschrift
van dit document.
Artikel 72a
Een diploma verbonden aan het voltooien van een initiële opleiding, die
de ambtenaar is begonnen vóór 1 januari 2002, wordt voor wat betreft
de benoembaarheid van de ambtenaar in een functie, bij nader door Onze
Minister te stellen regels, gelijkgesteld aan een diploma verbonden aan
een voltooide initiële opleiding van na 1 januari 2002.
Artikel 73
1. Aan de ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de
dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf
aldaar, worden ontzegd.
2. Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die
ten aanzien van het verblijf op voornoemde plaatsen zijn vastgesteld.
Artikel 74
1. De ambtenaar kan wegens buitengewone toewijding of bijzonder
loffelijke dienstverrichtingen worden beloond.
2. De beloningen zijn:
a. tevredenheidsbetuiging;
b. extra verlof;
c. gratificatie;
d. verhoging van het salaris tot het naasthogere bedrag in de
salarisschaal of
e. indeling in een hogere salarisschaal.
Artikel 75
1.Het bevoegd gezag verstrekt aan de ambtenaar bij zijn twaalfeneenhalf-,
25-, 40-, of 50-jarig ambtsjubileum een huldeblijk, bestaande uit een
gratificatie of geschenk, dan wel uit een combinatie van beide.
2.De aan het huldeblijk verbonden uitgaven bedragen bij de in het eerste
lid genoemde ambtsjubilea respectievelijk niet meer dan vijfentwintig,
vijftig, honderd en honderd procent van de som van de bezoldiging en de
vakantieuitkering van de ambtenaar. Voor de gedeeltelijk
arbeidsongeschikte ambtenaar worden de in de eerste volzin vermelde
percentages genomen van de bezoldiging en de vakantie-uitkering die de
ambtenaar zou hebben genoten indien er geen sprake zou zijn geweest van
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
3.Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die een diensttijd bij de
politie heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op
grond van:
a. artikel 91,
b. artikel 94, eerste lid, onderdeel e, of
c. artikel 94, eerste lid, onderdeel f, voor zover dit ontslag is
verleend in verband met het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid
bij een andere werkgever dan een overheidswerkgever, een gratificatie
toe, tenzij bij voortduring van het dienstverband niet binnen een
termijn van vijf jaar aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum
zou bestaan. De gratificatie bedraagt een in verhouding tot de
doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van de eerstvolgende
gratificatie bij ambtsjubileum waarop hij bij het voortduren van het
dienstverband aanspraak zou maken.
4.Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die de zestigjarige leeftijd
heeft bereikt en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 88 een
gratificatie toe op voet van het tweede lid, indien hij bij het
voortduren van het dienstverband tot het bereiken van de 65-jarige
leeftijd aanspraak zou maken op een gratificatie bij 40- of 50-jarig
ambtsjubileum.
5.Onze Minister stelt regels over de diensttijd die voor de vaststelling
van de in het eerste lid genoemde ambtsjubilea in aanmerking komt.
Hoofdstuk IX. Straffen
Artikel 76
1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden
gestraft.
2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het
doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Artikel 77
1.De straffen die kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag en de voor de
ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen en vrije dagen zonder beloning
of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes
uren met een maximum van drie uren per dag;
c. vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met ten hoogste
een vierde gedeelte van het aantal uren, bedoeld in artikel 17, waarop
in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;
d. geldboete van ten hoogste € 22;
e. gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste
het salaris over een halve maand;
f. vermindering van het salarisnummer met ten hoogste twee jaren, voor
de tijd van niet langer dan twee jaren;
g. het niet meetellen van een verdere diensttijd van ten hoogste vier
jaren voor de vaststelling van het salarisnummer;
h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke
inhouding van de bezoldiging of
i. plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris
geldt;
j. ontslag.
2.Aan aspiranten kan tevens worden opgelegd de straf van verwijdering
voor ten hoogste veertien dagen van de instelling waar de aspirant zijn
opleiding geniet, met dien verstande dat deze straf niet wordt opgelegd
op de dagen waarop de opleidingsresultaten van de aspiranten volgens de
ter zake vastgestelde regels worden getoetst of beoordeeld.
3.Onverminderd het vierde lid, worden de straffen, bedoeld in het eerste
lid, opgelegd door het bevoegd gezag, met dien verstande dat van de
bevoegdheid tot het opleggen van de straffen, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen a tot en met g, mandaat kan worden verleend aan de korpschef,
het college van bestuur van het LSOP dan wel aan de voorzitter van het
algemeen bestuur van de voorziening tot samenwerking.
4.Indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is
benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot
en met f, opgelegd door het bevoegd gezag en worden de straffen, bedoeld
in het eerste lid, onderdelen h tot en met j, opgelegd bij koninklijk
besluit.
Indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij een regionaal
politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of bij een
voorziening tot samenwerking, die bij koninklijk besluit is benoemd,
worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g,
opgelegd door Onze Minister. Indien het een bijzondere ambtenaar van
politie betreft, die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de
straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd door
Onze Minister van Justitie. Indien het een ambtenaar betreft, werkzaam
bij het LSOP, die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd door Onze
Minister van Justitie en Onze Minister.
5.Indien een straf als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, is
opgelegd, kan het bevoegd gezag de positie van de ambtenaar met ingang
van een bepaald tijdstip geheel of ten dele in overeenstemming brengen
met de positie zoals deze zonder strafoplegging zou zijn geweest, indien
het verdere gedrag van de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd
gezag daartoe aanleiding heeft gegeven.
Artikel 78
1. Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat deze niet ten
uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende de bij het
opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan
soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch
aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen
van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.
2. Indien met toepassing van het eerste lid de straf van ontslag wordt
opgelegd, kan tegelijk met deze straf één van de in artikel 77, eerste
lid, onderdelen a tot en met e genoemde straffen worden opgelegd.
Artikel 79
1. Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid zich te
verantwoorden in het geval dat het bevoegd gezag voornemens is hem een
straf op te leggen, geschiedt de verantwoording ten overstaan van het
gezag dat tot strafoplegging bevoegd is. Indien de bevoegdheid tot
strafoplegging bij Ons berust, geschiedt de verantwoording bij Onze
Minister en Onze Minister van Justitie. Het gezag ten overstaan waarvan
de verantwoording plaats zal hebben, bepaalt of deze verantwoording
mondeling of schriftelijk zal plaatsvinden. Bij schriftelijke
verantwoording wordt de ambtenaar op zijn verzoek de gelegenheid gegeven
tot nadere mondelinge toelichting.
2. Van de mondelinge verantwoording wordt direct een verslag opgemaakt,
dat na voorlezing wordt getekend door degene tegenover wie de
verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar. Indien de
ambtenaar het verslag weigert te ondertekenen, wordt dit in het verslag,
zo mogelijk met opgave van de redenen, vermeld. De ambtenaar ontvangt
een afschrift van het verslag.
3. Indien de ambtenaar dit verlangt, worden hem of zijn raadsman
afschriften verstrekt van de ambtelijke rapporten of andere geschriften
die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.
Artikel 80
1.De ambtenaar kan niet worden gestraft wegens overtreding van artikel
125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet, dan nadat daarover advies is
ingewonnen van de commissie bedoeld in artikel 2 van het Besluit van 13
oktober 1992, houdende regelen met betrekking tot de instelling, de
taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie bedoeld in de
artikelen 82a, eerste lid, en 97b, eerste lid, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, de artikelen 117a, eerste lid, en artikel 128,
eerste lid van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, en artikel 55a,
eerste lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 565) .
2.Het bevoegd gezag geeft bij zijn besluit tot strafoplegging te kennen
of dit in overeenstemming is met het ingewonnen advies.
Artikel 81
De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake
strafoplegging te doen blijken door onmiddellijke terugzending van een
door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.
Artikel 82
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij
het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer
wordt gelegd.
Hoofdstuk X. Schorsing en ontslag
Artikel 83
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem
rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsontneming het
gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere
opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de
volksgezondheid.
Artikel 84
1.Onverminderd artikel 77, eerste lid, onderdeel h , kan de ambtenaar in
zijn ambt worden geschorst:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf
tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem door het bevoegd gezag dan wel door Ons, indien het een
ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, het voornemen
tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel
wanneer hem die straf is opgelegd of
c. wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag dan wel naar Ons
oordeel indien het betreft een ambtenaar die bij koninklijk besluit is
benoemd, het belang van de dienst dit vereist.
2.Tenzij bij wet is bepaald dat schorsing bij koninklijk besluit
geschiedt, geschiedt schorsing door het bevoegd gezag. In afwachting van
de schorsing kan de ambtenaar buiten functie worden gesteld door het
bevoegd gezag, met dien verstande dat ten aanzien van de bij koninklijk
besluit benoemde ambtenaren die werkzaam zijn bij een regionaal
politiekorps of bij een voorziening tot samenwerking machtiging van Onze
Minister is vereist en ten aanzien van de bij koninklijk besluit
benoemde ambtenaren die werkzaam zijn bij het LSOP machtiging van Onze
Minister van Justitie en Onze Minister is vereist.
3.De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden.
In uitzonderlijke gevallen kan deze termijn nog eenmaal met drie maanden
worden verlengd.
Artikel 85
1. Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor een derde gedeelte
worden ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding,
ook van het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden. Geen
inhouding vindt plaats ingeval van een schorsing in het belang van de
dienst als bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdeel c, van opneming
in een psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 1 van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel van
politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57 van
het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door
inbewaringstelling.
2. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de
ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door
een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van
artikel 94, eerste lid, onderdeel d. Op de aldus uit te keren
bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten die de ambtenaar
sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de
schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dit naar het oordeel van het
bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.
3. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste
ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan
de bezoldiging in de zin van artikel 1, onderdeel s, van het Besluit
bezoldiging politie dan wel ingeval van schorsing tijdens ziekte van de
ambtenaar, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk 10 van het
Besluit bezoldiging politie wordt verstaan.
Artikel 86
1.Tenzij bij wet is bepaald dat ontslag wordt gegeven bij koninklijk
besluit, wordt ontslag gegeven door het bevoegd gezag.
2.Aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 89, artikel 90, artikel 91,
eerste lid, artikel 92 of artikel 94, eerste lid, onderdeel e, f of g,
wordt schriftelijk medegedeeld dat toekenning van een bovenwettelijke
uitkering als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke
werkloosheidsuitkering politie, pas plaatsvindt, nadat door hem een
aanvraag daartoe is ingediend.
Artikel 87
1.De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.
2.Behoudens het geval, bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt dit
ontslag verleend met ingang van een dag die niet vroeger dan een maand
of later dan drie maanden ligt na de dag waarop de aanvraag om ontslag
is ontvangen.
3.Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een strafrechtelijke
vervolging ter zake van een misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of
indien wordt overwogen de straf van ontslag op te leggen.
4.Van het tweede lid kan worden afgeweken:
a. indien wordt overwogen de ambtenaar een straf als bedoeld in artikel
77 op te leggen;
b. indien het belang van de dienst dit vereist, met dien verstande dat
de termijn van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, tot ten hoogste
zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid
met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden, of
c. op aanvraag van de ambtenaar.
5.Indien een ontslag op aanvraag wordt verleend aan een aspirant, gaat
dit ontslag, in afwijking van het tweede lid, onmiddellijk in.
6.Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend.
Artikel 87a
1.Onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel,
genoemd in dit artikel, wordt verstaan de overeenkomst, die is aangegaan
op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel.
Onder het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd
in dit artikel, wordt verstaan het reglement van die stichting dat is
vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de Wet privatisering ABP.
2.Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op
grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel
3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en
artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
ABP, wordt ontslag verleend indien:
a. het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds
ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na
dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van de
Regeling flexibel pensioen en uittreden en
b. in het jaar voorafgaande aan de beoogde ontslagdatum geen gespaard
verlof als bedoeld in de Regeling verlofsparen politie is genoten.
3.Het ontslag, bedoeld in het tweede lid, gaat niet eerder in dan met
ingang van de dag waarop het recht ontstaat op een uitkering als bedoeld
in het tweede lid.
4.Op aanvraag van de ambtenaar kan het ontslag, bedoeld in het tweede
lid, ook voor een gedeelte van zijn arbeidstijd worden verleend, tenzij
het belang van de dienst zich hiertegen verzet. Het gedeelte van dit
ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de betrekking.
Ontslag voor een gedeelte uit een betrekking waaruit reeds eerder
gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het tweede lid bedoelde
uitkering heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste 10% van de
oorspronkelijke arbeidstijd.
5. Artikel 87, tweede tot en met vierde en zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 88
1.Aan de ambtenaar die op 1 januari 2001 50 jaar of ouder was en die op
12 maart 1999 en op 31 december 2000 was aangesteld voor
a. de uitvoering van technische administratieve en andere taken ten
dienste van de politie in een door het bevoegd gezag aangewezen functie
waaraan bij door Onze Minister gestelde regels tot 1 januari 2001 een
leeftijdsgrens was verbonden, of
b. de uitvoering van de politietaak, wordt met ingang van de eerste dag
van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt,
eervol ontslag verleend. Indien de in de eerste volzin bedoelde
ambtenaar de functie heeft van vlieger bij het Korps landelijke
politiediensten, wordt aan hem met ingang van de eerste dag van de maand
volgend op die waarin hij de 55-jarige leeftijd bereikt, eervol ontslag
verleend.
2.Het in het eerste lid bedoelde ontslag op zestigjarige leeftijd kan op
verzoek van de ambtenaar worden uitgesteld, mits met toepassing van
artikel 88c dan wel met toepassing van artikel 50, eerste lid, onderdeel
g, is vastgesteld dat hiertegen geen bezwaar bestaat.
3.Na het in het tweede lid bedoelde uitstel vindt op aanvraag van de
ambtenaar eervol ontslag plaats.
4.Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van
de eerste dag van een maand. Dit ontslag wordt niet eerder verleend dan
een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om
ontslag is ontvangen.
5.Indien de ambtenaar na het in het tweede lid bedoelde uitstel blijkens
de uitslag van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek lichamelijk en
psychisch niet meer in staat kan worden geacht zijn functie te blijven
vervullen, vindt eervol ontslag plaats.
6.Het ontslag, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend met ingang van
de eerste dag van een maand.
7.Indien de ambtenaar na het in het tweede lid bedoelde uitstel
ongeschikt wordt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, vindt
met ingang van de eerste dag van een maand eervol ontslag plaats indien
sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte gedurende een ononderbroken
periode van 52 weken. Voor het bepalen van de periode van 52 weken
worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld,
indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen.
8.De ambtenaar aan wie op grond van het eerste, derde, vijfde of zevende
lid, ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig
door Onze Minister te stellen regels.
9.Het ontslag op grond van het eerste, derde, vijfde of zevende lid, is
een ontslag als bedoeld in artikel 87a, tweede lid, indien ten aanzien
van dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde
voorwaarden. Uit fiscale overwegingen maakt het bevoegd gezag bij het
verlenen van het ontslag onderscheid tussen:
a. ontslag met een onbelaste uitkering op grond van artikel 38c van de
Wet op de loonbelasting 1964, indien de ambtenaar voor 1 januari 2005 de
leeftijd van 55 jaar heeft bereikt;
b. ontslag met een op grond van artikel 32aa van de Wet op de
loonbelasting 1964 belaste uitkering, indien de ambtenaar niet voor 1
januari 2005 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
Artikel 88a
1.Aan de ambtenaar die op grond van artikel B3, eerste en tweede lid,
van het AFUP-opbouwreglement deelnemer is aan de AFUP en de functie
heeft van vlieger bij het Korps landelijke politiediensten en direct
voorafgaande aan ontslag op grond van dit artikel een diensttijd van ten
minste tien jaren als zodanig heeft, wordt met ingang van de eerste dag
van de maand volgend op die waarin hij de 55-jarige leeftijd bereikt,
eervol ontslag verleend.
2.Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het
eerste lid alsmede het ontslag bedoeld in artikel 88, eerste lid, aan de
ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij het Korps landelijke
politiediensten, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien,
indien de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij
blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst
ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 50,
eerste lid, onderdeel f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden
geacht de functie van vlieger te blijven vervullen.
3.Indien niet meer wordt voldaan aan een of beide van de voorwaarden
genoemd in het tweede lid, vindt eervol ontslag plaats.
4.Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van
de eerste dag van een maand. Indien dit ontslag plaats vindt op aanvraag
van de ambtenaar wordt dit ontslag niet eerder verleend dan een maand en
niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is
ontvangen.
5.De ambtenaar aan wie op grond van het eerste of derde lid ontslag is
verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister
te stellen regels.
6.Het ontslag op grond van het eerste of derde lid, is een ontslag als
bedoeld in artikel 87a, tweede lid, indien ten aanzien van dat ontslag
wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden.
Artikel 88b
1.Aan de ambtenaar die op 1 januari 2001 jonger was dan 50 jaar en die
op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 was aangesteld voor
a. de uitvoering van technische administratieve en andere taken ten
dienste van de politie in een door het bevoegd gezag aangewezen functie
waaraan bij door Onze Minister gestelde regels tot 1 januari 2001 een
leeftijdsgrens was verbonden, of
b. de uitvoering van de politietaak, en die ontslag vraagt met het oog
op een uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement, wordt eervol
ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig
vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de
Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag
hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een
uitkering op grond van het AFUP-opbouwreglement. Het ontslag gaat niet
eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op de ingevolge de
eerste volzin bedoelde uitkering ontstaat.
2.De ambtenaar aan wie op grond van het eerste lid ontslag is verleend,
heeft recht op een aanvulling op de uitkering op grond van het
AFUP-opbouwreglement overeenkomstig door Onze Minister te stellen
regels.
Artikel 88c
1.Indien de ambtenaar bedoeld in de eerste volzin van artikel 88, eerste
lid, te kennen heeft gegeven dat hij na het bereiken van de leeftijd van
zestig jaar zijn functie wil blijven uitoefenen, is hij indien hij is
ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 10, verplicht om
uiterlijk één jaar voor het bereiken van de leeftijd van zestig jaar
een vragenlijst met betrekking tot zijn gezondheidstoestand in te
vullen.
2.Aan de hand van de beantwoorde vragenlijst bepaalt het bevoegd gezag,
daartoe geadviseerd door de deskundige persoon of de arbodienst, of het
noodzakelijk is dat de ambtenaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek
moet ondergaan teneinde vast te stellen of de ambtenaar lichamelijk en
psychisch in staat is zijn functie te blijven uitoefenen, nadat hij de
leeftijd van zestig jaar heeft bereikt.
3.Onze Minister stelt regels met betrekking tot de inhoud van de in het
eerste lid genoemde vragenlijst en de procedures omtrent de vragenlijst.
Artikel 89
1.Aan de aspirant die aan het einde van de aanstelling in tijdelijke
dienst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet voldoet aan de gestelde
kwalificatie-eisen, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag,
volgend op die waarop de aanstelling in tijdelijke dienst is verstreken.
2.Aan de aspirant en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid,
wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die
waarop de proeftijd is verstreken.
3.Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve of andere taken ten dienste van politie, die tegen het
einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a,
niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol
ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de
proeftijd is verstreken.
4.Aan de aspirant die gedurende de initiële opleiding en aan de
ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak dan wel de
ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve
of andere taken ten dienste van de politie, die gedurende de proeftijd
niet de geschiktheid blijkt te bezitten die voor de dienst wordt
vereist, kan eervol ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn
in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is
geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf
maanden ononderbroken in dienst is geweest of
c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is
geweest.
5.Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan
vóór de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag
van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de
opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de
laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantieuitkering,
berekend op voet van hoofdstuk 6 van het Besluit bezoldiging politie.
6.Aan de aspirant die is aangesteld op grond van artikel 3, tweede of
derde lid, en die aan het einde van de initiële opleiding niet aan de
gestelde kwalificatie-eisen voldoet, wordt eervol ontslag verleend met
ingang van de dag, volgend op die waarop de initiële opleiding is
verstreken.
Artikel 90
1. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,
die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd,
als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en aan de ambtenaar, aangesteld
voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten
dienste van de politie, die blijkens zijn akte van aanstelling is
benoemd voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdelen b, c, d en e, is, tenzij het tegendeel blijkt, van rechtswege
eervol ontslag verleend zodra die tijd is verstreken. Bij voortduring
van het dienstverband na het verstrijken van de bepaalde tijd is de
ambtenaar van rechtswege aangesteld voor onbepaalde tijd.
2. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of
voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten
dienste van de politie, die is aangesteld voor onbepaalde tijd, kan
ontslag worden verleend mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is
geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand ten minste zes maanden doch korter dan twaalf
maanden ononderbroken in dienst is geweest of
c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct
daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is
geweest.
3. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden gedurende
de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar noch gedurende het verlof
bedoeld in artikel 55 noch, indien zij de dienst heeft hervat, gedurende
een periode van zes weken volgend op dat verlof. Ter staving van de
zwangerschap kan het bevoegd gezag een verklaring van een arts of van
een verloskundige verlangen.
4. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft
gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
5. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar geplaatst is op een kandidatenlijst als
bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch vanwege
het lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde
lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een
commissie van die raad.
6. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar door een Centrale als bedoeld in artikel
1, onder i, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 of
door een daarbij aangesloten bond of vereniging is aangewezen om
bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen
zijn Centrale of een daarbij aangesloten bond of vereniging, dan wel
binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij
aangesloten bonden of verenigingen te ondersteunen.
7. Opzegging als bedoeld in het derde lid kan niet geschieden wegens de
omstandigheid dat de ambtenaar zijn recht op ouderschapsverlof geldend
maakt.
8. Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan
ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de
bepaalde tijd. In dat geval zijn het derde tot en met achtste lid van
overeenkomstige toepassing.
9. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan
vóór de afloop van de opzeggingstermijn.
Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over
de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag betaald
gelijk aan de laatst genoten bezoldiging, vermeerderd met de
vakantie-uitkering, berekend op de voet van het Besluit bezoldiging
politie.
Artikel 91
1.De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie eervol ontslag
worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken een passende
functie aan te bieden.
2.De ontslagverlening op grond van het eerste lid kan betrekking hebben
op een gedeelte van de tijd waarvoor de ambtenaar is aangesteld.
3.Bij herplaatsing in een passende functie bij een andere werkgever
wordt de ambtenaar eervol ontslag verleend.
4.De ambtenaar die heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van
hoofdstuk VII.Bopgelegde verplichting, kan in verband daarmee ontslag
worden verleend.
5.De ontslagverlening op grond van het eerste lid vindt niet eerder
plaats dan vijf jaar nadat de ambtenaar is aangewezen als
herplaatsingkandidaat, als bedoeld inhoofdstuk VII.B. Afhankelijk van
het aantal dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van vijf jaar
verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
|
dienstjaren:
|
verlenging:
|
|
25 of meer dienstjaren
|
één jaar
|
|
30 of meer dienstjaren
|
twee jaren
|
|
35 of meer dienstjaren
|
drie jaren
|
|
40 of meer dienstjaren
|
vier jaren
|
6.Bij een ontslag op grond van het vierde lid wordt een
opzeggingstermijn van één maand in acht genomen.
Artikel 92
1. Aan de ambtenaar die een benoeming als minister of staatssecretaris
aanvaardt, wordt met ingang van de dag van het aanvaarden van deze
betrekking, eervol ontslag verleend.
2. Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
een publiekrechtelijk college waarin hij is aangesteld of verkozen,
tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij
ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag
verleend.
3. Tenzij artikel 48, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol
ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar die na afloop van het verlof,
verleend met toepassing van artikel 45 dan wel van artikel 47, eerste
lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan
worden hersteld.
Artikel 93
Indien een ontslag als bedoeld in artikel 125e, tweede lid, van de
Ambtenarenwet door het bevoegd gezag of bij koninklijk besluit wordt
verleend, is de medewerking vereist van Onze Minister en Onze Minister
van Justitie.
Artikel 94
1.Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of
ingevolge artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en
Europees Parlement, artikel 88, 89, 90, 91, 92, of 93 kan de ambtenaar
worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een
regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor
de aanvang van het ambt geldt;
b. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar
onder curatele is gesteld;
c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
geworden rechterlijke uitspraak;
d. onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens
misdrijf;
e. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
f. het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere
werkgever op grond vanartikel 49b;
g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt,
anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
h. het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene
Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat;
i. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van
onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot
indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar
aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, of
j. het zonder deugdelijke grond weigeren gevolg te geven of medewerking
te verlenen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 49c.
2.Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e, f, g en h
wordt steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de
dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst
aanwezig was, met dien verstande dat een ontslag op grond van het eerste
lid, onderdeel g, eerst kan ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit
aan de ambtenaar is bekendgemaakt, tenzij sprake is van dringende
redenen.
3.Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan slechts
plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de
in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. na een zorgvuldig onderzoek is gebleken dat binnen het gezagsbereik
van het bevoegd gezag of bij een andere werkgever geen passende arbeid
voorhanden is.
4.Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan, behoudens
wederzijds goedvinden, slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de
in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. de betrokkene in dienst treedt van de andere werkgever.
5.Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde
lid, onderdeel a, en het vierde lid, onderdeel a, worden perioden van
ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte
tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en
perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of
bevallingsverlof, bedoeld in artikel 55, niet in aanmerking genomen.
6.Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, anders
dan bedoeld in het vijfde lid, worden samengeteld indien zij elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps-
of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 55, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
7.Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het
derde lid, onderdelen a en b, en het vierde lid, onderdelen a en b,
vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe door de
uitvoeringsinstelling, die de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar,
aangewezen arts.
8.De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een
door het bevoegd gezag aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit
wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.
9.Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat
de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld. Daarbij wijst
het bevoegd gezag de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn
keuze te laten deelnemen aan de procedure.
10.De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet eerder
dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden
ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Het vijfde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
11.De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn
bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het bevoegd gezag.
Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar.
12.Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onder c,
plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor
de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op
het meerdere aantal uren.
13.Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel f, en de ambtenaar bij de andere werkgever voor minder uren
arbeid verricht dan het aantal waarvoor hij was aangesteld, heeft het
ontslag uitsluitend betrekking op het aantal uren dat hij passend werk
verricht bij de andere werkgever.
14.Alvorens op grond van het eerste lid, onderdeel j, ontslag te
verlenen, vraagt het bevoegd gezag advies aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Artikel 95
1.Een ambtenaar kan ook op andere gronden, dan die welke in artikel 94
zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, worden
ontslagen. Voor een ontslagverlening als bedoeld in de eerste volzin,
van een ambtenaar werkzaam bij een regionaal politiekorps, bij het Korps
landelijke politiediensten, bij het LSOP of bij een voorziening tot
samenwerking is de medewerking vereist van Onze Minister, indien bij wet
is bepaald dat ontslag bij koninklijk besluit wordt verleend. Voor een
ontslagverlening, bedoeld in de eerste volzin, van een bijzondere
ambtenaar van politie is de medewerking vereist van Onze Minister van
Justitie, indien bij wet is bepaald dat ontslag bij koninklijk besluit
wordt verleend.
Het ontslag wordt eervol verleend.
2.In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt een regeling
getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering wordt toegekend die met het
oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal in
geen geval minder mogen zijn dan die welke de ambtenaar op grond van
artikel 97 zou toekomen in geval van ontslag als daar bedoeld.
3.De regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt getroffen:
a. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie, indien het een korpschef
van een regionaal politiekorps, dan wel een lid van de leiding van een
regionaal politiekorps, dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor de
recherchefunctie, betreft, alsmede indien het de korpschef, dan wel een
lid van de leiding van het Korps landelijke politiediensten betreft;
b. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, indien het
een andere ambtenaar dan die bedoeld in onderdeel a betreft, werkzaam
bij een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten
of bij een voorziening tot samenwerking, die bij koninklijk besluit is
benoemd;
c. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Justitie
in overeenstemming met Onze Minister, indien het een bijzonder ambtenaar
van politie betreft, die bij koninklijk besluit is benoemd;
d. door Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij
een regionaal politiekorps, bij het Korps landelijke politiediensten of
bij een voorziening tot samenwerking die niet bij koninklijk besluit is
benoemd en
e. door Onze Minister van Justitie, indien het een bijzonder ambtenaar
van politie betreft, die niet bij koninklijk besluit is benoemd.
f. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Justitie
en van Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij het
LSOP die bij koninklijk besluit is benoemd;
g. het college van bestuur van het LSOP, indien het een ambtenaar
betreft, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op
het LSOP en het politieonderwijs, die niet bij koninklijk besluit is
benoemd.
Artikel 96 [Vervallen per 18-07-2001]
Artikel 97
Aan de ambtenaar die als gevolg van een ontslag op grond van de
artikelen 89, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 90, met
uitzondering van het tweede lid, 91, eerste lid, 92, of artikel 94,
eerste lid, onderdeel e, f of g, van dit besluit, werkloos is geworden
in de zin van de Werkloosheidswet, kan een bovenwettelijke aanvulling op
zijn WW-uitkering worden toegekend krachtens het Besluit bovenwettelijke
werkloosheidsuitkering politie. Bij samenloop van het Besluit
bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie met het Besluit suppletie
gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie, wordt laatstgenoemd
besluit uitgevoerd. Het recht op grond van het Besluit bovenwettelijke
werkloosheidsuitkering politie leidt in dat geval niet tot uitkering en
de berekening van de periode daarvan wordt niet gewijzigd.
Artikel 98 [Vervallen per 01-01-2001]
Hoofdstuk XI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 99
1.Een ambtenaar die op grond van afdeling 1, hoofdstuk 2, artikel 1, van
de Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel het Korps
landelijke politiediensten is overgegaan en die op de dag voorafgaande
aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 aanspraken had
op grond van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het
Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, de
Rechtstoestandsregeling opleiding ter verkrijging van het diploma van
inspecteur van gemeentepolitie of van officier der rijkspolitie, of
artikel VII van het Besluit van 24 juni 1992, houdende wijziging van het
Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement
voor de gemeentepolitie 1958, het Bezoldigingsreglement politie 1958,
het Besluit geneeskundige verzorging politie 1984 en het Besluit overleg
en medezeggenschap politie in verband met het tot stand brengen van een
eenvormige rechtspositie voor alle politieambtenaren, behoudt deze
aanspraken.
2.Een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP, die op de dag voorafgaande aan
de datum van inwerkingtreding van de LSOP-wet aanspraken op grond van
het Ambtenarenreglement LSOP had, behoudt deze aanspraken.
Artikel 99a
Ten aanzien van degene die voor 1 april 1994 op grond van artikel 7 van
de Rechtspositieregeling opleiding ter verkrijging van het diploma van
inspecteur van gemeentepolitie of van officier der rijkspolitie benoemd
was door Onze Minister als ambtenaar in tijdelijke dienst, is met ingang
van 1 april 1994 Onze Minister het bevoegd gezag gedurende de tijd dat
deze ambtenaar zijn opleiding volgt.
Artikel 99b [Vervallen per 18-02-2011]
Artikel 99c
1. Voor degene die op 30 juni 2007 met toepassing van artikel 4a is
aangesteld in tijdelijke dienst, blijven de artikelen 1, 3, 4, 4a en 90,
zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing tot het tijdstip dat hij
hernieuwd in vaste dienst wordt aangesteld. Indien voor hem tijdens die
aanstelling in tijdelijke dienst gedurende vier jaar of korter een
hogere salarisschaal heeft gegolden dan de salarisschaal die voor hem
gold gedurende de onmiddellijk daaraan voorafgaande aanstelling in vaste
dienst, blijft artikel 4a, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing
tot het moment waarop de in dat artikel bedoelde inspanningsverplichting
vervalt.
2. Voor degene die met toepassing van artikel 4a hernieuwd in vaste
dienst is aangesteld en ten opzichte van wie het bevoegde gezag op grond
van dat artikel op 30 juni 2007 een inspanningsverplichting heeft,
blijft dat artikel, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing voor
de resterende duur van die inspanningsverplichting.
3. Een in de periode tussen 3 september 1999 en 1 juli 2007 gegeven
toepassing aan de artikelen 64, 65 en 65a behoudt haar geldigheid na 30
juni 2007.
4. Degene die in de periode van 1 juli 2007 tot 1 januari 2008 op grond
vanartikel 4a, zoals dat gold op 30 juni 2007, tijdelijk is aangesteld
of op grond van artikel 62 is gedetacheerd ter vervulling van een hoger
gewaardeerde functie dan de salarisschaal waarin hij bezoldigd is en
deze functie langer dan twee jaar na aanstellen of detachering
onafgebroken heeft bekleed, heeft recht op behoud van die hogere
salarisschaal, bij beëindiging van de tijdelijke aanstelling of
detachering.
Artikel 99d
[Wijzigt dit besluit.]
Artikel 99e
1. De artikelen 55i tot en met 55v, artikel 67, tweede lid, en artikel
91 zijn tot en met 31 december 2006 niet van toepassing op een
reorganisatie, anders dan een reorganisatie aangaande bovenregionale
samenwerkingen, een voorziening tot samenwerking als bedoeld in de
artikelen 47 en 47a van de Politiewet 1993 (Stb. 2005, 242) of
veranderingen in de landelijke organisatie van de politie.
2. De artikelen 67 en 91, zoals deze luidden op 31 december 2005, zijn
tot en met 31 december 2006 van toepassing op een reorganisatie, anders
dan een reorganisatie aangaande bovenregionale samenwerkingen, een
voorziening tot samenwerking als bedoeld in de artikelen 47 en 47a van
de Politiewet 1993 (Stb. 2005, 242) of veranderingen in de landelijke
organisatie van de politie, genoemd in het eerste lid.
Artikel 99f
1.De betrekkingsomvang van de ambtenaar die op 30 juni 2011 is
aangesteld met een betrekkingsomvang van gemiddeld 38 uur per week,
wordt met ingang van 1 juli 2011 gewijzigd in een volledige betrekking,
tenzij de ambtenaar kiest voor een betrekkingsomvang van gemiddeld 38
uur per week.
2.De betrekkingsomvang van de ambtenaar aangesteld in een volledige
betrekking op 30 juni 2011, wijzigt niet met ingang van 1 juli 2011,
tenzij de ambtenaar ervoor kiest zijn volledige betrekking uit te
breiden naar een betrekkingsomvang van gemiddeld 38 uur per week.
3.De keuze kan vanaf 1 mei 2011 worden gemaakt doch dient uiterlijk op
30 juni 2011 aan het bevoegd gezag kenbaar te worden gemaakt. Indien de
ambtenaar binnen deze termijn geen keuze kenbaar maakt, wordt zijn
betrekkingsomvang bepaald op een volledige betrekking.
Artikel 99g
1.De betrekkingsomvang van de ambtenaar die op 30 juni 2011 in een
deeltijdbetrekking is aangesteld, wijzigt niet, tenzij de ambtenaar
ervoor kiest zijn deeltijdbetrekking uit te breiden naar evenredigheid
van de uitbreiding van 36 uur naar 38 uur per week.
2.De keuze kan vanaf 1 mei 2011 worden gemaakt doch dient uiterlijk op
30 juni 2011 aan het bevoegd gezag kenbaar te worden gemaakt.
Artikel 99h
Met ingang van 1 juli 2021 wordt de betrekkingsomvang van de ambtenaar
die is aangesteld met een arbeidstijd van gemiddeld meer dan 36 uur per
week gewijzigd in een betrekkingsomvang van gemiddeld 36 uur per week,
tenzij hij vóór 1 juli 2021 een aanvraag indient om de
betrekkingsomvang ongewijzigd te laten.
Artikel 99i [Vervallen per 20-08-2011]
Artikel 99j
1.Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 12, vierde lid,
onderdeel b, voor 1 januari 2007 een of meer feest- of gedenkdagen had
aangewezen anders dan Goede Vrijdag, wordt voor de ambtenaren van dat
korps het aantal te werken uren per jaar verminderd:
a. met 75% van 7,2 uur in 2009 en de daaropvolgende twee jaren
respectievelijk met 50% en 25% van 7,2 uur, vanwege de eerste aangewezen
feest- of gedenkdag
b. met 100% van 7,2 uur in 2009 tot en met 2011 en met 85% van 7,2 uur
in 2012 en de daaropvolgende vier jaren respectievelijk met 65%, 50%,
35% en 15% van 7,2 uur, vanwege de tweede aangewezen feest- of
gedenkdagen.
2.Indien het bevoegd gezag aangewezen feest- of gedenkdagen anders dan
Goede Vrijdag voor 1 januari 2007 heeft toegevoegd aan de aanspraak op
vakantie op grond van artikel 17, eerste lid, van dit besluit, is het
eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3.Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige
betrekking wordt de in het eerste en tweede lid bedoelde vermindering
van het aantal te werken uren per jaar naar evenredigheid toegepast.
Artikel 100
1. De artikelen 12, 12a, 13, eerste tot en met derde lid, 15 tot en met
25, 28, 43 tot en met 48, 58, 61, 62, 64, 71 en 72 zijn op de aspirant
niet van toepassing, met dien verstande dat artikel 12 en 12a wel van
toepassing zijn op de aspirant gedurende het praktische opleidingsdeel.
2. De artikelen 13, 15 tot en met 28, 43 tot en met 48, 58, 59, 61, 64,
en 71 zijn op de vakantiewerker niet van toepassing.
Artikel 101
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen genoemd
in dit besluit, met uitzondering van die, genoemd in artikel 51, tweede
en derde lid.
Artikel 102
Het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het
Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, het Besluit
benoemingseisen politieambtenaren 1958, het Besluit bevorderingseisen
hoger politiepersoneel 1958, het Besluit bekwaamheidseisen bevordering
politie 1964, en de Rechtspositieregeling opleiding ter verkrijging van
het diploma van inspecteur van gemeentepolitie of officier der
rijkspolitie worden ingetrokken.
Artikel 103
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Artikel 104
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene rechtspositie politie.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 16 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
E. van Thijn
Uitgegeven de negenentwintigste
maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van
Thijn
|