St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Politiewet 2012

 

BESLUIT  ALGEMENE  RECHTSPOSITIE  POLITIE  (BARP)

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 16 maart 1994, houdende vaststelling van de algemene rechtspositie van de politie

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3170;
     Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993;
     De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nr. W04.93.0765);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr EA94/418;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepaling

Artikel 1

1. In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

b. aspirant: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als aspirant en die is toegelaten tot een initiële opleiding;

c. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gelijk wordt gesteld aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012;

d. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, werkzaam bij het LSOP en de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche, wordt gelijkgesteld met ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012;

e. ambtenaar van de rijksrecherche: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Politiewet 2012;

f. vakantiewerker: een scholier of student die ten tijde van onderbreking van zijn opleiding wegens vakantie, voor een periode van ten hoogste acht weken is aangesteld voor het verrichten van ondersteunende werkzaamheden;

g. [vervallen;]

h. het LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;

i. ambtenaar: de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de ambtenaar van de rijksrecherche en de vakantiewerker;

j. volledige betrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week omvat;

k. deelbetrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 36 uur per week omvat;

l. bevoegd gezag:

1. Onze Minister voor zover het betreft de korpschef;

2. de korpschef, voor zover het betreft de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die werkzaam is bij een eenheid zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 2012;

3. de raad van toezicht van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;

4. het college van bestuur van het LSOP, voor zover het betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;

5. het College van procureurs-generaal, voor zover het betreft de ambtenaar van de rijksrecherche;

m. salaris: hetgeen daaronder in het Besluit bezoldiging politie wordt verstaan;

n. bezoldiging: hetgeen daaronder in het Besluit bezoldiging politie wordt verstaan;

o. detachering: tijdelijke tewerkstelling elders buiten het gezagsbereik van het bevoegd gezag;

p. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;

q. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet.

r. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

s. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de Ziektewet;

t. arts: een in Nederland gevestigde arts, die als arts is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

u. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

v. plaats van tewerkstelling:

1. het gebouw, gebouwencomplex of terrein dat de ambtenaar voor de normale uitoefening van zijn ambt is aangewezen;

2. de aangewezen aanlegplaats van het vaartuig dat de ambtenaar voor de normale uitoefening van zijn taak gebruikt of

3. bij gebrek aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede onderdeel, het gebouw, gebouwencomplex, of terrein, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht, het gebouwencomplex waar hij kantoor houdt, dan wel de aanlegplaats waar hij gewoonlijk het vaartuig aanlegt;

w. hoofdplaats van tewerkstelling: de plaats van tewerkstelling, bedoeld in artikel 10, tweede lid;

x. werkgebied:

1. indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij een regionale eenheid : het gebied of het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte daarvan dat de desbetreffende regionale eenheid bestrijkt;

2. indien het betreft een ambtenaar die werkzaam is bij een landelijke eenheid of een ambtenaar van de rijksrecherche: Nederland dan wel het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van Nederland waarin de plaats van tewerkstelling is gelegen, of

3. indien het betreft een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP of een ondersteunende dienst: het door het bevoegd gezag aangewezen gedeelte van Nederland waarin de plaats van tewerkstelling is gelegen.

y. beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

z. dienstongeval: een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

aa Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

bb. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;

cc. [vervallen;]

dd. [vervallen;]

ee. initiële opleiding: een door Onze Minister aangewezen opleiding, gericht op de voorbereiding van de uitvoering van algemene politietaken waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, competentiegerichte eindtermen zijn vastgesteld;

ff. theoretisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant aan een opleidingsinstituut in het kader van de initiële opleiding onderwijs volgt;

gg. praktische opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant de politietaak bij een regionale eenheid of een landelijke eenheid uitvoert in het kader van de initiële opleiding;

hh. functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het daartoe bevoegde gezag is opgedragen, of het samenstel van door de ambtenaar te verrichten opgedragen werkzaamheden, zoals vastgelegd in het LFNP;

ii. LFNP: Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie: het door Onze Minister vastgestelde geheel van functiebeschrijvingen, onderverdeeld naar vakgebieden, inclusief de waardering, en de aan het gebouw verbonden en omschreven werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten;

jj. vakgebied: een clustering van in essentie gelijkgerichte activiteiten, resultaten en beoogde effecten op basis van voor dat vakgebied geldende processen;

kk. werkterrein: een verbijzondering van het vakgebied, waarvoor een specifieke inzet en inbreng geldt. Voor deze inzet kunnen nadere opleiding- en certificeringeisen worden gesteld;

ll. aandachtsgebied: een verbijzondering van een werkterrein, dat wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan onderwerpen, waarvoor een specifieke inzet en inbreng geldt. Voor deze inzet kunnen nadere opleiding- en certificeringeisen worden gesteld;

mm. specifieke functionaliteit: een verbijzondering van een vakgebied door – direct in operationeel verband toe te passen – vereiste expliciete specialistische inzet en inbreng door gebruikmaking van specifieke (hulp)middelen of geweldsmiddelen waarbij uitgesproken specialistische vaardigheden en deskundigheid aan de orde is;

nn. korpschef: korpschef, bedoeld in artikel 27, Politiewet 2012;

oo. OVW punten: Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden punten, zoals deze met toepassing van het functiewaarderingssysteem op grond van artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie, worden vastgesteld.

2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de levenspartner met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont – en met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven partner. Tot gezinslid wordt in voorkomend geval mede gerekend de geregistreerde partner alsmede de levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.

Hoofdstuk II. Aanstelling

Artikel 2

1. De aanstelling geschiedt in tijdelijke of in vaste dienst.

2. Een aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.

Artikel 2a

1. Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar in de zin van dit besluit was, kan op zijn aanvraag en na consultatie van de ondernemingsraad in zeer bijzondere gevallen een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd plaatsvinden waarbij dit besluit gedeeltelijk, of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen worden verklaard.

2. Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten minste 144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar evenredigheid bij een andere betrekkingsomvang.

3. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor een periode van ten hoogste drie jaar.

4. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.

Artikel 2b

1. Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar in de zin van dit besluit was en hij krachtens de artikelen 28, eerste en derde lid, 38, tweede lid, en artikel 45, tweede lid, van de Politiewet 2012 bij koninklijk besluit wordt benoemd, kan op zijn aanvraag aanstelling plaatsvinden in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd waarbij dit besluit gedeeltelijk, of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen worden verklaard. Na benoeming wordt aan de ondernemingsraad gemotiveerd aangegeven dat bij het werven zowel de interne als de externe arbeidsmarkt in ogenschouw is genomen.

2. Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten minste 144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar evenredigheid bij een andere betrekkingsomvang.

3. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor een periode van ten hoogste zeven jaar.

4. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.

Artikel 3

1. De aspirant wordt gedurende het eerste leerjaar van de initiële opleiding tijdelijk aangesteld voor de duur van één jaar.

2. Indien de aspirant aan het eind van het eerste leerjaar een positief studieadvies ontvangt, dan wel door middel van vrijstelling door een eerder gevolgde opleiding instroomt in het tweede leerjaar, wordt hij aangesteld in tijdelijke dienst voor maximaal twee jaar bij het volgen van de driejarige of kortere opleiding.

3. Na het voltooien van de driejarige initiële opleiding, wordt de aspirant aangesteld in vaste dienst als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak tenzij het bevoegd gezag anders beslist.

4. Indien de aspirant een vierjarige initiële opleiding volgt, wordt hij nadat hij aan het eind van het eerste leerjaar een positief studieadvies ontvangt, aangesteld in tijdelijke dienst voor twee jaar voor het tweede en derde leerjaar.

5. Aan het eind van het derde leerjaar van de aspirant, bedoeld in het vierde lid, wordt de aspirant vast aangesteld als aspirant, tenzij het bevoegd gezag anders beslist. Na het voltooien van de vierjarige initiële opleiding wordt de aanstelling gewijzigd in aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

6. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen, van het bepaalde in dit artikel afwijken.

Artikel 3a [Vervallen per 01-11-2013]

Artikel 4

1. Een aanstelling van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie kan in tijdelijke dienst plaatsvinden

a. voor een proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar met één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;

b. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar;

c. ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter;

d. indien het een ambtenaar betreft die in dienst wordt genomen als leerling ter opleiding tot een functie binnen de politieorganisatie dan wel in verband met zijn verdere praktische opleiding of vorming, of indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is voorgenomen;

e. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is voorgenomen, of

2. Zodra de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, zich niet meer voordoet, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld.

3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en e, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds twee jaar zonder onderbreking van langer dan één maand in politiedienst, waarvan laatstelijk gedurende ten minste één jaar in zijn huidige betrekking, in dienst is. Dit geldt echter niet in die gevallen waarin vaststaat dat zijn werkzaamheden in de door hem vervulde betrekking binnen het jaar zullen worden beëindigd.

4. Bij ministeriële regeling worden criteria gegeven op grond waarvan de in het derde lid genoemde periode van twee jaar kan worden verlengd tot vijf jaar.

Artikel 4a [Vervallen per 01-07-2007]

Artikel 5

De ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, wordt in vaste dienst aangesteld.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2001]

Artikel 7

1. Voor de aanstelling als aspirant, ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak komt uitsluitend in aanmerking degene die:

a. Nederlander is;

b. de door Onze Minister vast te stellen minimum leeftijd heeft bereikt;

c. voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen eisen met betrekking tot het opleidingsniveau, de psychologische keuring en een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen;

d. voldoet aan overige bij regeling van Onze Minister te stellen eisen.

2. Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zo nodig aanvullen.

3. Onze Minister kan ten aanzien van de aanstelling als ambtenaar van de rijksrecherche, die is aangesteld voor de politietaak, nadere regels vaststellen over het aantal dienstjaren dat deze ambtenaar werkzaam moet zijn geweest als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

4. De betrokkene, die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.

5. Een migrerende beroepsbeoefenaar die in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, (afgegeven ten aanzien van de te vervullen functie,) kan worden aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

Artikel 8

1. Voor de aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie komt in aanmerking degene die:

a. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot het opleidingsniveau;

b. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot een psychologische keuring, indien daaraan naar het oordeel van het bevoegd gezag behoefte bestaat;

c. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen, indien aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld.

Het bevoegd gezag stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de medische geschiktheid noodzakelijk is;

d. voldoet aan de overige door het bevoegd gezag te stellen eisen die specifiek gerelateerd zijn aan de functie binnen het landelijk politiekorps, de rijksrecherche dan wel binnen het LSOP.

2. Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zonodig aanvullen.

3. De betrokkene die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.

Artikel 8a

1. Aanstelling als ambtenaar is slechts mogelijk, indien op grond van een ten aanzien van de betrokkene ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid geen bezwaar blijkt te bestaan tegen diens aanstelling.

2. Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vraagt het bevoegde gezag om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 4:3 van het Besluit politiegegevens.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien:

a het een aanstelling betreft in een functie waarin technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of de rijksrecherche worden uitgevoerd, in een functie bij het LSOP of bij een ondersteunende dienst of als vakantiewerker en het bevoegd gezag heeft bepaald dat voor de functie slechts een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële gegevens is vereist, of

b het een functie betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

4. Een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid wordt ingesteld nadat het bevoegde gezag de betrokkene overigens bekwaam en geschikt acht.

Artikel 8b

1.Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de aard van de functie of van de werkzaamheden hiertoe aanleiding geeft, kan ten aanzien van de ambtenaar in de volgende gevallen opnieuw een onderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, worden uitgevoerd:

a. bij wijziging van werkzaamheden;

b. bij aanstelling in een andere functie;

c. bij de vervulling van een functie gedurende ten minste vijf dienstjaren, of

d. bij een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim dat de integriteit of de verantwoordelijkheid van de betrokkene raakt.

2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het een functie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, of een functie waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat slechts een verklaring omtrent het gedrag is vereist, betreft.

Artikel 8c

Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het in de artikelen 8a en 8b bedoelde onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid voor zover ten behoeve van dat onderzoek wordt gevraagd om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 4:3 van het Besluit politiegegevens. Deze nadere regels bevatten in ieder geval waarborgen omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

Artikel 9

1. Voor de aanvaarding van zijn ambt legt de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar van rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af:

«Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!».

Daarna wordt door de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar van rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak de volgende eed of belofte afgelegd:

«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten van ons land.

Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.

Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!»

2. Voor de aanvaarding van zijn ambt, legt de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af:

«Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!»

Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:

«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten van ons land.

Ik zweer (beloof) dat ik de aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.

Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!».

3. De overige ambtenaren van politie die op grond van artikel 28, derde lid, van de Politiewet 2012 deel uitmaken van de leiding van de politie, de politiechef en de korpschef leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van Onze Minister.

4. De ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, leggen de eden dan wel de verklaringen en beloften af ten overstaan van de voorzitter van de raad van toezicht van het LSOP.

5. De ambtenaren van de rijksrecherche leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van Onze Minister.

6. De overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van het bevoegd gezag.

Artikel 10

1. Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk voor de aanvaarding van zijn ambt, maar in ieder geval binnen een maand na aanvang van zijn werkzaamheden, een akte van aanstelling door of vanwege het bevoegd gezag uitgereikt waarin in elk geval worden vermeld:

a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;

b. of de aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst al dan niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij, indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, bovendien in de akte wordt vermeld of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en, zo ja, voor hoe lang - of voor onbepaalde tijd en de toepasselijke grond voor aanstelling in tijdelijke dienst.

c. de functie waarin de ambtenaar wordt aangesteld;

d. de plaats of de plaatsen van tewerkstelling en het werkgebied;

e. de datum van ingang van de aanstelling;

f. voor zover van toepassing, de rang waarin hij wordt aangesteld;

g. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regels, alsmede het salarisnummer en het salaris die de ambtenaar zijn toegekend of, indien het een aspirant betreft, het salaris;

h. de arbeidstijd die zijn betrekking omvat en

i. het gegeven dat de eden dan wel de verklaringen en beloften zijn afgelegd, en de datum waarop dit is gebeurd.

j. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak;

k. de duur van de ontslag- respectievelijk opzegtermijnen of de wijze waarop die termijnen worden vastgesteld.

2. Indien aan de ambtenaar meerdere plaatsen als plaats van tewerkstelling zijn aangewezen, wordt in de akte van aanstelling tevens een hoofdplaats van tewerkstelling vermeld.

3. Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of van de rijksrecherche en een door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult waaraan volgens door Onze Minister te stellen criteria de aanspraak op de toelage bezwarende functie, bedoeld in artikel 12c, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie, is verbonden, wordt dit in de akte van aanstelling vermeld. Het bevoegd gezag wijst de in de eerste zin bedoelde functies aan in overeenstemming met bij regeling van Onze Minister te stellen regels.

4. Voor zover deze gegevens niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, deelt het bevoegd gezag de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk andere hem mogelijk toegekende voordelen mee, onder verwijzing naar de regeling waarop de toekenning berust en de eventuele voorwaarden die aan de toekenning verbonden zijn.

5. Indien de aanstelling afloopt voor het einde van de termijn van een maand vanaf het begin van het dienstverband, moeten de gegevens, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk bij het aflopen van de aanstelling worden verstrekt.

6. Wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt de ambtenaar binnen een maand schriftelijk medegedeeld, behoudens de wijziging van een algemeen verbindend voorschrift waarnaar is verwezen.

7. De akte van aanstelling van de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger is, vermeldt ook:

a. de eventuele verplichting tot verhuizing vanwege het woonplaatsvereiste;

b. de eventuele toekenning van een periodieke toelage, als bedoeld in artikel 20a van het Besluit bezoldiging politie; en

c. de toekenning van de tegemoetkoming representatiekosten, als bedoeld in artikel 20 van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel 11

1. De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk door het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.

2. Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, worden op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken.

3. De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies, die hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken.

4. Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte gesteld.

Hoofdstuk III. Arbeids- en rusttijden

Artikel 12

1. Het bevoegd gezag stelt de arbeids- en rusttijden vast.

2. Het bevoegd gezag kan in een regeling als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet afspraken maken inzake rusttijd en pauze, de arbeidstijd, arbeid op zondag en arbeid in nachtdienst, met dien verstande dat in die regeling geen afspraken worden opgenomen die afwijken van het bepaalde in dit artikel en de krachtens het zeventiende lid vastgestelde landelijke regels inzake arbeidstijden.

3. De arbeidstijd bedraagt gemiddeld 36 uur per week. De arbeidstijd van de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger is, bedraagt gemiddeld 39,6 uur per week.

4. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met:

a. het aantal zaterdagen en zondagen, en

b. Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, de beide kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, en 5 mei, voor zover deze dagen niet vallen op een zaterdag of een zondag, vermenigvuldigd met 7,2.

5. Het in het vierde lid berekende product wordt verhoogd met 1%.

6. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar een evenredig deel van het aantal te werken uren volgens de systematiek van de in het vierde en vijfde lid opgenomen berekeningswijze.

7. Het aantal te werken uren, bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond.

8. Het bevoegd gezag stelt aan het begin van elk kalenderjaar en halverwege het lopende jaar voor de bij hem werkzame ambtenaren een indicatief rooster op waarin voor iedere ambtenaar wordt aangegeven op welke dagen hij zal werken en op welke dagen hij vrij zal zijn. Het halfjaarlijkse rooster omvat telkens een periode van 26 weken. De ambtenaar kan aan dit indicatieve rooster geen rechten ontlenen.

9. Uiterlijk 28 dagen voor aanvang van de periode van 28 dagen waarop het betrekking heeft, maakt het bevoegd gezag het perioderooster bekend waarin op grond van artikel 4:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet de vrije zondagen en wekelijkse rust worden vastgesteld. Een verschuiving van een vastgestelde vrije zondag of wekelijkse rust wordt vastgesteld in het dienstrooster, bedoeld in het tiende lid.

10. Uiterlijk zeven dagen voor aanvang van de periode van 28 dagen waarop het betrekking heeft, maakt het bevoegd gezag het dienstrooster bekend waarin wordt vastgesteld op welke dagen arbeid wordt verricht en welke dagen vrije dagen zijn. Een verschuiving van een vastgestelde vrije dag wordt vastgesteld in het dagrooster, bedoeld in het twaalfde lid.

11. Een vrije dag, als bedoeld in het tiende lid, is een kalenderdag waarop geen dienst dan wel activiteiten door het bevoegd gezag zijn vastgesteld. Een kalenderdag waarop vakantie of verlof, bedoeld in artikel 27, achtste lid, van het Besluit bezoldiging politie is vastgesteld en geen dienst dan wel activiteiten zijn vastgesteld wordt gelijkgesteld aan een vrije dag, als bedoeld in het tiende lid.

12. Uiterlijk vier dagen voor de dag waarop dienst moet worden gedaan, maakt het bevoegd gezag het dagrooster bekend waarin wordt vastgesteld welke de tijdstippen zijn van aanvang en einde van de dienst. Een verschuiving van de vastgestelde tijdstippen van aanvang en einde van de dienst binnen deze vier dagen kan uitsluitend:

a. met instemming van de betrokken ambtenaar en na schriftelijke vastlegging of

b. indien op grond van artikel 2:2 of 2:5 van de Arbeidstijdenwet die wet niet van toepassing is.

13. Een verschuiving als bedoeld in het twaalfde lid heeft niet tot gevolg dat in het dagrooster een minder aantal te werken uren wordt opgenomen dan het voorafgaande aan die verschuiving in het dagrooster reeds vastgestelde aantal te werken uren.

14. Indien het bevoegd gezag de ambtenaar niet houdt aan het verrichten van de dienst, zoals vastgesteld in het dagrooster, of indien het bevoegd gezag die dienst verkort zonder instemming van de ambtenaar, wordt de ambtenaar geacht de volledige dienst te hebben verricht.

15. De dienst voorafgaand aan een vrije dag dient uiterlijk om 23.00 uur te eindigen en na een vrije dag kan de dienst niet eerder beginnen dan om 07.00 uur. Het tijdstip van 07.00 uur kan door het bevoegd gezag in overeenstemming met de ondernemingsraad worden vervroegd naar 06.00 uur.

16. Een ambtenaar heeft in een kalenderjaar recht op:

a. ten minste 21 vrije zondagen welke aansluiten op een vrije dag, dan wel

b. 22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen waarbij de aaneengesloten periode een zaterdag of één van de 21 hierboven genoemde vrije zondagen omvat.

Het bevoegd gezag verdeelt de te werken zondagen zo evenredig mogelijk over de ambtenaren. Deze verdeling wordt jaarlijks bezien.

17. Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.

Artikel 12a

1. De ambtenaar doet jaarlijks voor 1 oktober bij het bevoegd gezag een aanvraag voor een werkmodaliteit. Het bevoegd gezag kent deze toe, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

2. Een werktijdenmodaliteit is een patroon van arbeidstijden dat leidt tot een herkenbaar patroon van vrije tijd, uitgedrukt in uren of in dagen.

3. Indien het bevoegd gezag voornemens is de aanvraag niet of niet volledig in te willigen, vraagt het bevoegd gezag binnen vier weken advies van een door Onze Minister in te stellen commissie.

4. De commissie wordt paritair samengesteld en brengt binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag en aan de betrokken ambtenaar.

5. Het bevoegd gezag besluit binnen zes weken nadat het in het vierde lid bedoelde advies is uitgebracht. Indien binnen genoemde termijn nog geen besluit is bekendgemaakt, wordt de aanvraag voor zover het advies strekt tot toekenning van de aanvraag, door het bevoegd gezag toegekend voor twaalf maanden, ingaand uiterlijk zes weken na dagtekening van het advies.

Artikel 13

1. In afwijking van artikel 12, derde lid, kan de ambtenaar met een volledige betrekking, bij het bevoegd gezag een arbeidstijd aanvragen van gemiddeld 38 of gemiddeld 39,6 uur per week.

2. Het bevoegd gezag beoordeelt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig artikel 2, vijfde en negende lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur.

3. Tenzij de nieuw aan te stellen ambtenaar vóór zijn aanstelling verzoekt om een arbeidstijd van gemiddeld 36 of gemiddeld 38 uur per week, vindt de aanstelling in een volledige betrekking in afwijking van artikel 12, derde lid, plaats met een arbeidstijd van gemiddeld 39,6 uur per week.

4. De aanstelling van de aspirant, bedoeld in artikel 3, vindt in afwijking van het derde lid plaats met een arbeidstijd van gemiddeld 37,8 uur per week.

Artikel 13a

1.Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt op aanvraag van de ambtenaar

a. van 55 jaar en ouder de gemiddelde arbeidstijd per week met 11,1% verminderd;

b. van 58 jaar en ouder de gemiddelde arbeidstijd per week met 33,3% verminderd.

2.Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt op aanvraag van de ambtenaar de gemiddelde arbeidstijd per week voor een lager percentage verminderd dan genoemd in het eerste lid, met dien verstande dat het aantal uren waarmee de arbeidstijd wordt verminderd ten minste 2 uren per week bedraagt.

3.De ingevolge het eerste en tweede lid verminderde arbeidstijd wordt rekenkundig afgerond.

4.De uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd, worden aangemerkt als verlof.

5.Over de uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd, wordt 50% ingehouden van het door de ambtenaar over die uren genoten salaris. De inhouding op het salaris bedraagt 25% indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, op 15 maart 1999 ten minste de 49-jarige leeftijd heeft bereikt.

6.Bij regeling van Onze Minister worden omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar regels vastgesteld.

Hoofdstuk III.a [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 13b [Vervallen per 01-04-2010]

Artikel 13c [Vervallen per 01-04-2010]

Hoofdstuk IV. Vakantie

Artikel 14

1. Het LSOP roostert voor de aspirant gedurende de initiële opleiding 172,8 vakantie-uren per kalenderjaar in. Per kalenderjaar worden ten minste twee kalenderweken aaneengesloten ingeroosterd.

2. Indien het bevoegd gezag ingeroosterde vakantie-uren intrekt en deze uren niet op een ander tijdstip in dat kalenderjaar kunnen worden genoten, wordt de aspirant voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft genoten een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur. Ten hoogste 21,6 niet genoten vakantie-uren kunnen worden vergoed of vervallen bij een volledige betrekking, dan wel, indien de aspirant een andere betrekking dan een volledige betrekking heeft, een evenredig deel hiervan. Door andere omstandigheden niet genoten vakantie-uren vervallen aan het einde van het desbetreffende kalenderjaar.

3. Na afloop van het laatste opleidingsjaar zullen de niet ingeroosterde vakantie-uren die nog resteren in dat kalenderjaar bij voortzetting van de aanstelling in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden opgenomen.

4. De aspirant die in deeltijd is aangesteld, heeft recht op een evenredig aantal vakantie-uren.

Artikel 15

1. Aan de ambtenaar wordt, al dan niet op zijn aanvraag, in elk kalenderjaar vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van de regels, gesteld in dit hoofdstuk.

2. Deze vakantie wordt verleend door het bevoegd gezag.

Artikel 16 [Vervallen per 22-12-2001]

Artikel 17

De aanspraak op vakantie bedraagt 172,8 uren per kalenderjaar.

Artikel 18

1.De volgens artikel 17 vastgestelde aanspraak op vakantie wordt, afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

leeftijd

verhoging

18 jaar en jonger

21,6 uren

19 jaar

14,4 uren

20 jaar

7,2 uren

van 45 tot en met 49 jaar

7,2 uren

van 50 tot en met 54 jaar

14,4 uren

van 55 tot en met 59 jaar

21,6 uren

60 jaar en ouder

28,8 uren

2.De ambtenaar wiens arbeidstijd met toepassing van artikel 13a is verminderd, heeft aanspraak op een verhoging als bedoeld in het eerste lid, naar de mate waarin zijn arbeidstijd met een lager percentage is verminderd dan het bij zijn leeftijd behorende percentage, genoemd in artikel 13a, eerste lid.

3.De ingevolge het tweede lid tot stand gekomen verhoging wordt rekenkundig afgerond op tienden van uren.

Artikel 19

1. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de ingevolge de artikelen 17 en 18 geldende aanspraak op vakantie vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking.

2. Indien de diensttijd van de ambtenaar in de loop van een kalenderjaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over het resterend gedeelte van het jaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe diensttijd. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de diensttijd verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd.

3. Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, en 18 vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die de ambtenaar in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.

4. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in het geheel geen dienst verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van het aantal uren waarop hij feitelijk dienst verricht.

5. Het vierde lid is niet van toepassing indien:

a. geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:

1°. teveel gewerkte uren;

2°. verleende vakantie;

3°. niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar te wijten ziekte, gedurende de periode van de eerste 26 weken waarin geen dienst wordt verricht, dan wel 52 weken in geval van ziekte als gevolg van een dienstongeval of beroepsziekte, waarbij een hervatting van de dienstverrichting gedurende dertig kalenderdagen of minder geen nieuwe periode van 26 respectievelijk 52 weken inluidt;

4°. ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 41;

5°. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 55;

6°. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;

7°. verlof van korte duur verleend op basis van de artikelen 31, 33, 35, 36 of 37;

8°. adoptieverlof als bedoeld in artikel 41a;

9°. partieel uittreden als bedoeld in artikel 13a;

10°. minder werken als bedoeld in artikel 28b;

b. het bevoegd gezag daartoe aanleiding aanwezig acht.

Artikel 20

De ambtenaar heeft geen aanspraak op vakantie voor de tijd gedurende welke hij:

a. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop zijn gericht om hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten; of

b. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Artikel 21 [Vervallen per 06-06-1997]

Artikel 22

1.Over de tijdstippen waarop de vakantie zal ingaan, alsmede over de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het bevoegd gezag in goed overleg met de ambtenaar.

2.De ambtenaar met een volledige betrekking dient in elk kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode. Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt het aantal in de eerste volzin genoemde uren vastgesteld op een evenredig deel van het aantal uren bij een volledige betrekking.

Artikel 23

1.Indien de ambtenaar in een kalenderjaar de aanspraak op vakantie niet geheel heeft genoten, wordt de niet genoten vakantie naar het volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar over een vol kalenderjaar berekend volgens de artikelen 17 tot en met 19, verminderd met het minimaal op te nemen aantal uren vakantie, genoemd in artikel 22, tweede lid.

2.In individuele gevallen kan het bevoegd gezag toestaan dat in een bepaald jaar wordt afgeweken van de overeenkomstig het eerste lid maximaal naar een volgend kalenderjaar over te boeken vakantie-aanspraken.

3.Indien het bevoegd gezag ingeroosterde vakantie-uren intrekt dan wel de ambtenaar de overeenkomstig artikel 22, tweede lid, minimaal op te nemen vakantie niet of niet geheel kan verlenen vanwege ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering, is het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 24

1.Indien de ambtenaar in een kalenderjaar meer vakantie heeft genoten dan hem ingevolge dit hoofdstuk toekomt, wordt dit meerdere verrekend met de hem over een of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie.

2.Het eerste lid geldt met dien verstande dat uit dien hoofde in een kalenderjaar de vakantie niet met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de ambtenaar ingevolge de artikelen 17 tot en met 19 toekomt, mag worden verminderd.

Artikel 25

1.Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken.

In dat geval komt een dag, waarop de ambtenaar dientengevolge slechts gedeeltelijk vakantie heeft genoten, niet in aanmerking bij het berekenen van het aantal genoten vakantie-uren.

2.Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.

Artikel 26

1.Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.

2.Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag schuldig ten bedrage van het salaris per uur.

Artikel 27 [Vervallen per 06-06-1997]

Artikel 28

Het bevoegd gezag kan nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk vaststellen.

Hoofdstuk IV.A. Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden

Artikel 28a

1. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om gedurende het eerstvolgende kalenderjaar meer uren te werken dan het aantal uren dat op grond van artikel 12, vijfde en zesde lid, voor hem is vastgesteld.

2. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal uren dat meer gewerkt kan worden ten hoogste 200 uren per kalenderjaar. Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt dit maximum vastgesteld op een evenredig deel van het maximaal aantal uren bij een volledige betrekking. Voor de ambtenaar mag het aantal te werken uren op jaarbasis gemiddeld per week niet meer dan 40 uur bedragen.

3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag toegewezen tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan. Artikel 2, negende lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur is van toepassing.

4. Per meer te werken uur ontvangt de ambtenaar maandelijks een vergoeding ter grootte van zijn salaris per uur.

Artikel 28b

1. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om gedurende het eerstvolgende kalenderjaar minder uren te werken dan het aantal uren dat op grond van artikel 12, vijfde en zesde lid, voor hem is vastgesteld.

2. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal uren dat minder kan worden gewerkt ten hoogste 80 uren per kalenderjaar. Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt dit maximum vastgesteld op een evenredig deel van het maximaal aantal uren bij een volledige betrekking.

3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag toegewezen tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan. Artikel 2, achtste lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur is van toepassing.

4. Per minder te werken uur wordt maandelijks een inhouding op het salaris van de ambtenaar toegepast ter grootte van zijn salaris per uur.

Artikel 28c

1. Artikel 28a is niet van toepassing op de ambtenaar:

a. van wie de gemiddelde wekelijkse werktijd met toepassing van artikel 13a is verminderd;

b. die betaald ouderschapsverlof geniet als bedoeld in artikel 41;

c. die buitengewoon verlof van lange duur geniet als bedoeld in de artikelen 42, 43, 46 en 47;

d. die levensloopverlof geniet als bedoeld in artikel 47a; of

e. aan wie gedeeltelijk ontslag is verleend als bedoeld in artikel 87a, vierde lid, of artikel 88d, derde lid.

2. Artikel 28b is niet van toepassing op de ambtenaar die buitengewoon verlof van lange duur geniet als bedoeld in de artikelen 42, 43, 46 en 47.

Artikel 28d

1.Het bevoegd gezag stelt jaarlijks vast voor welke datum een aanvraag als bedoeld in de artikelen 28a en 28b, moet worden ingediend.

2.Het bevoegd gezag beslist op alle aanvragen die zijn ingediend voor de datum, bedoeld in het eerste lid, binnen drie maanden na die datum, doch uiterlijk een maand voor het kalenderjaar waarop de aanvraag ziet.

Artikel 28e

Onze Minister stelt een Regeling ruilmogelijkheden arbeidsvoorwaarden politie vast waarin, met inachtneming van de geldende fiscale bepalingen, de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden is geregeld.

Artikel 28f

Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk V. Verlof

Artikel 29

Onverminderd hoofdstuk VII van dit besluit en hoofdstuk 9 van het Besluit bezoldiging politie geniet verlof:

a. de ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is;

b. de ambtenaar die zich bevindt in één der omstandigheden, bedoeld in artikel 37 van het Besluit bezoldiging politie of

c. de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten.

Artikel 30 [Vervallen per 01-10-1998]

Artikel 31 [Vervallen per 01-10-1998]

Hoofdstuk VI. Buitengewoon verlof

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 32

1. Aan de ambtenaar wordt in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de volgende artikelen van dit hoofdstuk, buitengewoon verlof verleend.

2. Buitengewoon verlof wordt verleend door het bevoegd gezag.

§ 2. Buitengewoon verlof van korte duur

Artikel 33

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst niet mogelijk is, buitengewoon verlof verleend:

a. voor de uitoefening van het kiesrecht of

b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting.

Artikel 34

1.Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de met verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven.

2.Onze Minister kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.

Artikel 35

1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij deze verenigingen zijn aangesloten, of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:

a. voor zover het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan;

b. voor zover het betreft vergaderingen van centrale organisaties waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;

c. voor zover het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie, als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.

2. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar die door een bond, vereniging of centrale als bedoeld in artikel 2, tweede lid, 22ab, eerste lid en vijfde lid, dan wel door een bond, vereniging of centrale waarmee ingevolge artikel 22a overleg wordt gepleegd van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn bond, vereniging of centrale dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die ertoe strekken de doelstellingen van zijn bond, vereniging of centrale te ondersteunen. Onder de activiteiten, bedoeld in de vorige zin, worden mede begrepen activiteiten met het oog op individuele belangenbehartiging.

3. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaar bedraagt.

4. Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid, alsmede op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend aan leden van hoofdbesturen van de in het tweede lid bedoelde organisaties.

5. Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren die lid zijn van de in het tweede lid bedoelde organisaties.

6. Tenzij zwaarwegende belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van de commissies, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, alsmede voor vergaderingen van de werkgroepen, bedoeld in artikel 22ah van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in de eerste volzin bedoelde vergadering.

7. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de ingevolge dit artikel geldende aanspraak op verlof vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking.

8. Dit artikel is van toepassing voor zover artikel 35a geen toepassing heeft gevonden.

Artikel 35a

Onze Minister kan, in overeenstemming met een of meer hoofdbesturen van de verenigingen van ambtenaren die zijn toegelaten tot het overleg met de commissie, artikel 22a, eerste lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, regels stellen inzake het toekennen van buitengewoon verlof voor vakbondsfaciliteiten, waaronder mede begrepen worden faciliteiten voor individuele belangenbehartiging.

Artikel 36

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

a. voor het zoeken van een woning, indien het dienstbelang verhuizing vordert: ten hoogste twee dienstdagen;

b. voor verhuizing uit hoofde van dienstbelang: ten hoogste twee dienstdagen, zonodig, indien de ambtenaar een eigen huishouding heeft, te verlengen tot drie dienstdagen en in zeer bijzondere gevallen tot vier dienstdagen.

Artikel 37

1.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

a. bij zijn huwelijk: 3 dienstdagen;

b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: 1 dienstdag;

c. bij overlijden van

1. zijn echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: vier dienstdagen;

2. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dienstdagen;

d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste vijf dienstdagen;

e. bij zijn 25- of 40-jarig ambtsjubileum: één dienstdag.

2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede verstaan het aangaan van een geregistreerd partnerschap alsmede het sluiten van een samenlevings-contract als bedoeld in artikel 1, tweede lid.

3.Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op dezelfde wijze verleend aan de ambtenaar met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn geregistreerde partner alsmede aan de ambtenaar, die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel 1, tweede lid, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner.

Artikel 38

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:

a. voor het afleggen van een examen voor het behalen van een diploma dat voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht of

b. voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied voor ten hoogste tien dienstdagen per kalenderjaar.

Artikel 39

1. Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, kan bovendien worden verleend, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat.

2. Onze Minister kan nadere regels stellen in welke gevallen het eerste lid kan worden toegepast.

Artikel 40

Het bevoegd gezag kan nadere procedurele regels stellen omtrent het aanvragen en verlenen van buitengewoon verlof van korte duur.

Artikel 40a

1.De ambtenaar heeft aanspraak op buitengewoon verlof met behoud van zijn volledige bezoldiging voor de opvang bij calamiteiten in zijn persoonlijke levenssfeer.

2.Onder calamiteit wordt verstaan:

a. ziekte of andere onverwachte gebeurtenissen waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid bedoelde personen;

b. een onverwachte gebeurtenis waardoor het noodzakelijk is dat de ambtenaar zelf onverwijld maatregelen moet treffen ter voorkoming of beperking van schade of onheil.

3.Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van noodzakelijke voorzieningen en bedraagt ten hoogste 1 dienstdag per calamiteit voor ten hoogste 3 calamiteiten per jaar.

4.De personen voor wie verzorging kan worden verleend als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn: de echtgenote of echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen van de ambtenaar.

5.De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder vermelding van de reden.

6.Het bevoegd gezag kan verlangen dat de ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake was van een calamiteit. Indien de ambtenaar daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.

7.Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40b

1. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:

a. de echtgenote of echtgenoot;

b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;

c. een inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot;

d. een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

2. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van volledige bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van:

a. ouders;

b. stiefouders;

c. pleegouders;

d. schoonouders;

e. een niet-inwonend kind tot wie de ambtenaar in een familierechtelijke betrekking staat;

f. een niet-inwonend kind van de echtgenote of echtgenoot.

3. Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt per kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.

4. De ambtenaar meldt vooraf onder opgave van de reden aan het bevoegd gezag dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt. Indien deze melding voorafgaand aan het verlof niet mogelijk is, geschiedt dit zo spoedig mogelijk. Bij de melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opnemen en de vermoedelijke duur van het verlof aan.

5. Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging, bedoeld in het eerste en tweede lid. Indien de ambtenaar daar redelijkerwijs niet in slaagt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.

6. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 37, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41

1. De ambtenaar die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in een familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof.

2. De ambtenaar die blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op ouderschapsverlof. Indien het op hetzelfde tijdstip meer dan één kind betreft, bestaat aanspraak op ouderschapsverlof als betrof het één kind. Indien de ambtenaar met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op ouderschapsverlof.

3. Geen aanspraak op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.

4. Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd.

5. Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar ten hoogste recht heeft, bedraagt dertien maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.

6. Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. De ambtenaar kan het bevoegd gezag verzoeken in afwijking van de eerste volzin het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen in ten hoogste drie niet aaneengesloten perioden, waarbij iedere periode ten minste één maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten.

7. Over de uren waarop de ambtenaar verlof is verleend, behoudt hij 75% van zijn bezoldiging.

8. De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten verlofuren wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen vier weken binnen de politiedienst wordt niet als ontslag beschouwd.

9. Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag behoeft aan de aanvraag niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na de aanvraag. In het geval het verlof met toepassing van de eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.

10. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.

11. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen over de wijze waarop ouderschapsverlof wordt aangevraagd.

Artikel 41a

1. De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind recht op verlof voor ten hoogste vier aaneengesloten weken. Het recht bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken, gerekend vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

2. De ambtenaar die recht heeft op adoptieverlof, maakt aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging gedurende een periode van ten hoogste vier weken.

3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.

4. De ambtenaar meldt aan het bevoegd gezag het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

5. Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend, gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging, bedoeld in het tweede lid, toegepast die overeenkomt met het bedrag van deze financiële tegemoetkoming.

6. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan het bevoegde gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toepassen, mits de ambtenaar schriftelijk is gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

§ 3. Buitengewoon verlof van lange duur

Artikel 42

De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, is met buitengewoon verlof van lange duur.

Artikel 43

1. Aan de ambtenaar kan op zijn aanvraag buitengewoon verlof worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.

2. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de ambtenaar.

Artikel 44

Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, uitsluitend strekt tot het persoonlijk belang van de ambtenaar, kan hem dit slechts worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden.

Artikel 45

Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen en met verlofverlening naar het oordeel van het bevoegd gezag niet uitsluitend het persoonlijk belang van de ambtenaar, maar ook het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof in beginsel voor ten hoogste een jaar, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.

Artikel 46

1. Aan de ambtenaar, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, kan uit dien hoofde voor ten hoogste twee jaren buitengewoon verlof, zonder behoud van bezoldiging, worden verleend.

2. Artikel 35, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 47

Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst hetzij een functie in dienst van een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij ten behoeve van Sint Maarten, Curaçao, Aruba of Bonaire, Sint Eustatius en Saba dan wel als deskundige tijdelijk ten behoeve van een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met verlofverlening naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, kan het verlof voor een door het bevoegd gezag te bepalen periode, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend.

Artikel 47a

Onze Minister stelt regels ten aanzien van levensloopverlof.

Artikel 48

1. De ambtenaar die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet hervat, wordt gelijk behandeld als de ambtenaar die een aanvraag tot ontslag heeft ingediend.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoege van het bevoegd gezag aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten in welk geval het verlof wordt verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.

Hoofdstuk VII. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte en zwangerschap

§ 1. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen

Artikel 49

De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.

Artikel 49a

1.Het bevoegd gezag verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en de bepalingen in dit hoofdstuk.

2.Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

Artikel 49b

1. Het bevoegd gezag is verplicht tijdig de maatregelen te treffen en voorschriften te geven die redelijkerwijs nodig zijn om de ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is zijn arbeid te verrichten in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten. In het kader van het vaststellen van passende arbeid is de eigen of een andere functie uit het LFNP, of een deel van één of meerdere functies uit het LFNP bepalend.

2. Uit hoofde van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

3. Indien vaststaat dat de ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is zijn arbeid te verrichten en binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert dat gezag de inschakeling van de ambtenaar in voor hem passende arbeid in een of meer functies bij een andere werkgever.

4. De ambtenaar mag de eigen of andere passende arbeid eerst verrichten nadat de deskundige persoon of de arbodienst een op de desbetreffende ambtenaar betrekking hebbend medisch advies heeft gegeven.

Artikel 49c

De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, is verplicht:

a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 49b, eerste lid;

b. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 49b, tweede lid;

c. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt.

Artikel 50

1. De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:

a. indien het bevoegd gezag gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;

b. indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid;

c. ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht;

d. voor zover dit noodzakelijk is ter voorbereiding van een beslissing naar aanleiding van de aanvraag om een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel 51;

e. indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken, een aangifteplicht geldt;

f. om te beoordelen of de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij een landelijke eenheid lichamelijk en psychisch in staat is de functie van vlieger te blijven uitoefenen, nadat hij de voor zijn functie vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt;

g. als, gelet op artikel 88c, de deskundige persoon of de arbodienst van oordeel is dat dit noodzakelijk is;

h. om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 94, derde lid;

i. om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, zijn arbeid mag hervatten;

j. voor zover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;

k. indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, of hij is benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundige keuring is vereist als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c.

2. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet dan wel een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, wanneer blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld, indien hem andere passende arbeid kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij aangemerkt als ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging politie van toepassing is.

Artikel 50a

1. De ambtenaar kan worden verplicht een test af te leggen ter vaststelling van zijn fysieke conditie. Onze Minister stelt terzake van de test en voor welke categorieën ambtenaren dit geldt nadere regels vast.

2. Bij ministeriële regeling zullen de gevolgen van het blijkens de afgelegde test uit het eerste lid niet beschikken over voldoende fysieke conditie voor de uitoefening van politietaken worden vastgesteld.

Artikel 51

1. Het advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 50 van dit besluit, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en het bevoegd gezag bekendgemaakt.

2. De ambtenaar kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen vijf dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij bedenkingen heeft tegen het medisch advies. Gedurende de behandeling van zijn bedenkingen, behoeft de ambtenaar aan het medisch advies geen gevolg te geven. De deskundige persoon of de arbodienst stelt het bevoegd gezag in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.

3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie artsen plaats.

4. Op verzoek van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie artsen kenbaar te maken.

5. De kosten van het hernieuwde onderzoek komen voor rekening van het bevoegd gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

6. Bij de bekendmaking van het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt de ambtenaar schriftelijk gewezen op de in het tweede lid genoemde mogelijkheid, met vermelding van de termijn waarbinnen het hernieuwde onderzoek kan worden gevraagd en het orgaan waaraan het verzoek moet worden gericht.

Artikel 52

1.De leden van de commissie bedoeld in artikel 51, derde en vierde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door het bevoegd gezag. De arts die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.

2.De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:

a. de ambtenaar,

b. het bevoegd gezag, en

c. de behandelend arts, bedoeld in artikel 51, vierde lid.

§ 2. Overige bepalingen

Artikel 53

In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden verleend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte die de ambtenaar voor zichzelf en zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt, indien hierin niet ingevolge een andere regeling wordt voorzien en deze kosten redelijkerwijze niet te zijnen laste kunnen blijven. Het bevoegd gezag kan over de uitvoering van dit artikel regels vaststellen.

Artikel 54

1.In geval van dienstongeval of beroepsziekte worden aan de desbetreffende ambtenaar vergoed de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

2.Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere voorschriften vaststellen met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 54a

1. In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 150.000,–.

2. In geval de ambtenaar is komen te overlijden ten gevolge van een dienstongeval, wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde een netto bedrag van € 75.000,– uitgekeerd.

3. Artikel 46, derde en vierde lid, van het Besluit bezoldiging politie is van overeenkomstige toepassing.

4. Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.

5. De bedragen genoemd in het eerste en tweede lid worden per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriele regeling gewijzigd overeenkomstig de consumentenprijsindex.

Artikel 55

1.De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof.

2.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige waarin de vermoedelijke datum van de bevalling wordt aangegeven, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof begint in ieder geval vier weken vóór deze datum. Het verlof wordt verlengd met het aantal dagen dat de werkelijke datum van bevalling later ligt dan de vermoedelijke datum van bevalling.

3.De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op bevallingsverlof van tien aaneengesloten weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Het bevallingsverlof wordt verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling minder dan zes weken heeft bedragen of tot ten hoogste zes weken met het aantal dagen dat de werkelijke datum van bevalling eerder ligt dan de vermoedelijke datum van bevalling.

4.Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.

5.Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in het vierde lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van de financiële tegemoetkoming.

6.Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan het bevoegde gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toepassen, mits zij schriftelijk is gewezen op de mogelijkheid van indienen van de aanvraag. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

Hoofdstuk VII.a. Integriteit

§ 1. Regels omtrent goed ambtelijk handelen

Artikel 55a

1. De ambtenaar is verplicht aan het bevoegd gezag, op een door dit gezag te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.

2. Het bevoegd gezag voert een registratie op grond van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven.

3. Nevenwerkzaamheden die gemeld zijn door de korpschef, de leiding van de politie, de ambtenaren die deel uitmaken van de leiding van de landelijke eenheden, de politiechefs, de ambtenaren die deel uitmaken van de leiding van de ondersteunende eenheden of het College van Bestuur van het LSOP worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door het desbetreffende bevoegd gezag aan het verrichten van nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.

4. Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de dienst, voor zover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

5. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 55abis

De ambtenaren die behoren tot de leiding van de politieorganisatie, zowel op landelijke als op regionale eenheden, onthouden zich van gedragingen die de goede uitoefening of het aanzien van het ambt schaden of kunnen schaden.

Artikel 55b

1.Het bevoegd gezag wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie is verbonden. De aangewezen ambtenaar meldt de financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.

2.Het bevoegd gezag voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.

3.De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transactie met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag of de door dit gezag aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.

4.Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

5.Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 55c

Het is de ambtenaar verboden in zijn ambt geld, geschenken, diensten of kortingen te bedingen of, anders dan met goedvinden van het bevoegd gezag, aan te nemen.

§ 2 [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 55d [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 55e [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 55f [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 55g [Vervallen per 01-01-2010]

Artikel 55h [Vervallen per 01-01-2010]

Hoofdstuk VII.b. Voorzieningen bij reorganisaties

Artikel 55i

1. Bij een reorganisatie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.

2. onder reorganisatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een wijziging in de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een regionale of landelijke eenheid, twee of meer regionale of landelijke eenheden, het LSOP, een ondersteunende dienst of een onderdeel daarvan alsmede het organisatieonderdeel waar de ambtenaren van de rijksrecherche werkzaam zijn, die belangrijke gevolgen heeft voor de werkgelegenheid in kwantitatieve en kwalitatieve zin.

3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op de overgang van een ambtenaar vanwege een privatisering of verzelfstandiging van een dienstonderdeel van de politie als gevolg waarvan ambtenaren overgaan naar een private onderneming of enig ander bestuursorgaan, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald.

4. Onder reorganisatiegebied wordt verstaan:het gebied waarbinnen een reorganisatie als bedoeld in het tweede of derde lid plaatsvindt of zal plaatsvinden.

5. Indien geen sprake is van een reorganisatie, maar wel van een wijziging van de plaats van tewerkstelling waardoor een geheel team of een gehele afdeling een andere plaats van tewerkstelling krijgt, worden bij ministeriële regeling aangegeven extra reiskosten beschikbaar gesteld.

Artikel 55ia

1. In dit hoofdstuk wordt onder de reorganisatie Politiewet 2012 verstaan de reorganisatie in verband met de totstandkoming van de politie als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Politiewet 2012, welke aanvangt tussen 1 januari 2014 en 31 december 2014.

2. Onder de reorganisatie bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan een collectieve verplaatsing tijdens de in het eerste lid bedoelde periode waarbij de reistijd van ambtenaren zodanig toeneemt dat zij meer dan drie uur per dag moeten reizen terwijl deze reistijd voor de verplaatsing minder dan drie uur per dag was.

3. Onder reorganisatiegebied tijdens de reorganisatie bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

a. in eerste instantie de aparte deelreorganisatiegebieden zijnde:

– de niet- operationele functies zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I, exclusief bijzondere functiegroepen;

– de operationele functies zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage II per eenheid, exclusief bijzondere functiegroepen, of

– een bijzondere functiegroep.

b. nadat in de deelreorganisatiegebieden is bepaald wie als functievolgers kunnen worden geplaatst, wordt het deelreorganisatiegebied voor het vervullen van de overgebleven vacante functies vergroot tot landelijk reorganisatiegebied.

4. Een bijzondere functiegroep uit het vorige lid wordt aangewezen door het bevoegd gezag, nadat het bevoegd gezag hierover overleg heeft gevoerd met de Commissie voor centraal georganiseerd overleg in politie- en ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2 in het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994.

Artikel 55j

1. Het bevoegd gezag meldt, door tussenkomst van Onze Minister, tijdig een voorgenomen besluit tot een reorganisatie bij de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken, bedoeld in het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994.

2. Door of namens het bevoegd gezag wordt de betrokken ondernemingsraad tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.

3. Onder tijdig melden dan wel informeren als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid wordt verstaan melden dan wel informeren voordat een reorganisatie onomkeerbare personele gevolgen heeft. Van onomkeerbare personele gevolgen is in elk geval sprake zodra voorgenomen besluiten tot plaatsing bekend zijn gemaakt.

Artikel 55ja

1. Het bevoegd gezag kan tijdens de voorbereiding van een reorganisatie individuele ambtenaren die behoren tot het reorganisatiegebied alsmede groepen ambtenaren die eenzelfde, vergelijkbare of uitwisselbare functie binnen het verwachte reorganisatiegebied vervullen, aanwijzen als pre-herplaatsingskandidaat.

2. Aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is mogelijk nadat het bevoegd gezag de betrokken ondernemingsraad, overeenkomstig artikel 31a, zesde lid, van de Wet op de ondernemingsraden, heeft ingelicht.

3. De inlichting, bedoeld in het tweede lid, gebeurt schriftelijk en bevat in ieder geval de redenen van de aanwijzing en de daarmee beoogde doelen.

4. De ambtenaar die behoort tot het reorganisatiegebied, kan bij het bevoegd gezag schriftelijk een aanvraag doen hem aan te wijzen als pre-herplaatsingskandidaat.

5. De ambtenaar wordt over zijn aanwijzing als pre-herplaatsingskandidaat schriftelijk geïnformeerd.

6. Aanwijzing vindt plaats voor een objectief bepaalbare duur.

7. Onverminderd het vorig lid, eindigt een aanwijzing als pre-herplaatsingskandidaat altijd:

a. op het moment dat definitief over de rechtspositie van de individuele ambtenaar in het kader van dit hoofdstuk een besluit is genomen; of

b. op het moment dat het bevoegd gezag de aanwijzing schriftelijk intrekt.

8. Op aanvraag van de pre-herplaatsingskandidaat wordt gedurende de periode van aanwijzing door het bevoegd gezag toepassing gegeven aan één of meer flankerende voorzieningen.

9. De ambtenaar die is aangewezen als pre-herplaatsingskandidaat, kan gedurende de periode van aanwijzing het bevoegd gezag vragen om:

a. bij het vrijwillig aanvaarden van een nieuwe functie overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 55r, tweede en derde lid;

b. bij het aanvaarden van een functie bij een andere werkgever overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 55t;

c. bij het aanvaarden van een functie bij een andere werkgever overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 75, derde lid, onder a.

Artikel 55jb

1. Bij het besluit om te reorganiseren kan het bevoegd gezag een functie aanmerken als een sleutelfunctie, zijnde een functie met een groot organisatorisch belang.

2. Bij de invulling van een sleutelfunctie is artikel 55l, eerste lid, niet van toepassing.

3. De vervulling van een sleutelfunctie geschiedt met inachtneming van het door het bevoegd gezag gehanteerde vacaturebeleid, bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder e, van de Wet op de ondernemingsraden.

4. Het derde lid is niet van toepassing als er geen vacaturebeleid is vastgesteld.

5. De voorrangspositie van pre-herplaatsingskandidaten is niet van toepassing bij de invulling van een sleutelfunctie.

Artikel 55jc

Tijdens de reorganisatie Politiewet 2012 is dit hoofdstuk niet van toepassing op de procedure voor het benoemen en vervullen van de functies sectorhoofd, teamchef B en teamchef C. Deze functies worden vervuld op grond van een in de Commissie als bedoeld in artikel 2 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, vastgestelde selectie- en benoemingsprocedure.

Artikel 55k

De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, van wie de functie in verband met een reorganisatie is opgeheven, wordt aangewezen als te herplaatsen ambtenaar, hierna te noemen: herplaatsingkandidaat.

Artikel 55l

1. De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, die in verband met een reorganisatie boventallig zijn worden aangewezen als herplaatsingkandidaat. Van boventalligheid is sprake indien de binnen de te reorganiseren organisatie of een onderdeel daarvan, meer ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren resteren.

2. De ambtenaar die het geringste aantal jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht, wordt als eerste als herplaatsingskandidaat aangewezen. In het geval dat twee ambtenaren, werkzaam bij één en dezelfde organisatie als bedoeld in artikel 55i, tweede lid en derde lid, een gelijk aantal jaren in overheidsdienst hebben doorgebracht, wordt degene met het minst aantal jaren in politiedienst, als eerste tot herplaatsingskandidaat aangewezen. Voor de berekening van het aantal in overheidsdienst of politiedienst doorgebrachte jaren wordt mede in aanmerking genomen de tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.

3. De ambtenaar die niet als herplaatsingskandidaat is aangewezen en een functie bezet binnen het gezagsbereik, wordt op diens aanvraag door het bevoegd gezag aangewezen als herplaatsingskandidaat, indien op de hierdoor vrijkomende formatieplaats een herplaatsingskandidaat wordt herplaatst.

4. Het bevoegd gezag kan van de volgorde in het tweede lid afwijken, nadat hij hiervoor de instemming heeft verkregen van de reorganisatiecommissie. Het bevoegd gezag dient een gemotiveerd verzoek in bij de reorganisatiecommissie.

5. Voor de reorganisatie Politiewet 2012, wordt, in afwijking van het tweede lid, de ambtenaar met de minste aantal jaren in politiedienst, als eerste als herplaatsingkandidaat aangewezen. In geval dat twee ambtenaren een gelijk aantal jaren in politiedienst hebben doorgebracht, wordt degene met het minst aantal jaren in overheidsdienst, als eerste tot herplaatsingkandidaat aangewezen. Voor het berekenen van het aantal in politiedienst of overheidsdienst doorgebrachte jaren wordt mede in aanmerking genomen de tijd gewijd aan verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.

Artikel 55la

De reorganisatiecommissie wordt paritair samengesteld en bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De reorganisatiecommissie brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 55l, vierde lid, een schriftelijk oordeel uit aan het bevoegd gezag.

Artikel 55lb

1. De ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie wordt in het kader van een reorganisatie geplaatst op deze vergelijkbare of uitwisselbare functie al dan niet in een andere plaats van tewerkstelling, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55l.

2. Onverminderd artikel 55l, geschiedt de plaatsing in de situatie dat de in het eerste lid bedoelde functie voorkomt op meerdere plaatsen van tewerkstelling, zoveel mogelijk in volgorde van voorkeur van de betrokken ambtenaar. Indien er sprake is van meerdere voorkeuren op één en dezelfde plaats van tewerkstelling wordt als volgt gehandeld:

a. als eerste wordt geplaatst de ambtenaar die in de bestaande organisatie op diezelfde plaats van tewerkstelling was geplaatst;

b. indien er dan nog te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst de ambtenaar die het dichtst bij de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling woont;

c. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst, de ambtenaar met het grootste aantal jaren in overheidsdienst;

d. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst de ambtenaar met het grootste aantal jaren in politiedienst.

3. Het bevoegde gezag houdt bij de plaatsing op vergelijkbare of uitwisselbare functies rekening met het gestelde in artikel 55o, eerste lid. In elk geval dient het bevoegd gezag bij de plaatsing rekening te houden met het gestelde, als bedoeld in artikel 55o, vierde lid, onder d.

4. Met een beroep op de in het derde lid gebleken feiten en omstandigheden kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen hem in afwijking van artikel 55l, tweede lid, als herplaatsingskandidaat aan te wijzen.

5. In afwijking van het tweede lid wordt voor plaatsing in de reorganisatie Politiewet 2012, onverminderd artikel 55l, als volgt gehandeld:

a. als eerste wordt geplaatst de ambtenaar die in de bestaande organisatie op diezelfde plaats van tewerkstelling was geplaatst;

b. indien er dan nog te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst de ambtenaar wiens plaats van tewerkstelling in de bestaande organisatie het dichtst bij de nieuwe plaats van tewerkstelling is gelegen;

c. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst, de ambtenaar met het grootst aantal jaren in politiedienst;

d. indien er dan nog steeds te plaatsen ambtenaren overblijven, wordt als eerste geplaatst degene met het grootst aantal jaren in overheidsdienst.

Artikel 55m

De ambtenaar wordt over zijn aanwijzing als herplaatsingkandidaat schriftelijk geïnformeerd.

Artikel 55n

1. Onverminderd artikel 91 is het bevoegd gezag verplicht om de herplaatsingkandidaat binnen een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf het moment dat de aanwijzing als herplaatsingkandidaat bekend is gemaakt of het moment waarover de herplaatsingkandidaat schriftelijk is geïnformeerd, ten minste twee maal een passende functie aan te bieden.

2. Het bevoegd gezag kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen of opschorten, indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.

3. Indien het bevoegd gezag na twaalf maanden kan aantonen dat in het geheel geen passende functie kan worden aangeboden, wordt de termijn van twaalf maanden niet verlengd.

4. De ambtenaar wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als herplaatsingkandidaat schriftelijk geïnformeerd over de aanvang en het einde van de periode bedoeld in het eerste lid.

5. Het bevoegd gezag informeert de herplaatsingkandidaat schriftelijk over het verlengen of opschorten van de periode.

6. Onverminderd het bepaalde in dit artikel is het bevoegd gezag, voor de duur van het dienstverband van de herplaatsingkandidaat, gehouden de herplaatsingkandidaat een passende functie aan te bieden.

Artikel 55v

Onze minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van dit hoofdstuk.

Artikel 55o

1. Een passende functie is elke functie die voor de krachten en bekwaamheden van de herplaatsingkandidaat is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Een passende functie is mogelijk zowel binnen het bereik van het bevoegd gezag als bij een andere werkgever.

2. Tevens is een passende functie elke functie waarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag de herplaatsingkandidaat binnen een termijn van twee jaar om-, her- of bijgeschoold kan worden.

3. Onder een passende functie wordt ook verstaan een functie, als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, waarin op aanvraag van de ambtenaar de mogelijkheid tot telewerken is opgenomen tenzij het belang van de dienst zich ertegen verzet. Per roosterperiode van vier weken wordt afgesproken hoeveel dagen de ambtenaar zal telewerken. Het bevoegd gezag waar de passende functie zich voordoet, beslist over de aanvraag tot telewerken.

4. Niet als passende functie wordt beschouwd:

a. indien de voor functie geldende salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die behoort bij de huidige functie van de herplaatsingskandidaat;

b. indien de voor functie geldende salarisschaal meer dan één schaal lager is dan de salarisschaal die behoort bij de huidige functie van de herplaatsingskandidaat, ingedeeld in salarisschaal 4 of 5 van bijlage I van het Besluit bezoldiging politie;

c. indien de voor functie geldende salarisschaal lager is dan de salarisschaal die behoort bij de huidige functie van de herplaatsingskandidaat, ingedeeld in salarisschaal 3 of lager van bijlage I van het Besluit bezoldiging politie;

d. indien de reistijd van en naar de plaats van tewerkstelling van de functie meer dan drie uur per dag bedraagt, tenzij de gebruikelijke reistijd voor de herplaatsingkandidaat van en naar de plaats van tewerkstelling al meer dan drie uur per dag bedraagt.

5. Voor de toepassing van het derde lid, onderdelen a, b en c, dient voor een passende functie bij een andere werkgever het maximaal te genieten salaris te worden vergeleken met het maximumsalaris van een salarisschaal van bijlage I van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel 55oa

1. De ambtenaar met een functie als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie, wordt door het bevoegd gezag binnen drie jaar nadat hij als herplaatsingkandidaat is geplaatst op een lagere passende functie twee keer een passende functie aangeboden op het niveau van de functie waarop hij was aangesteld voor aanwijzing als herplaatsingkandidaat, inclusief ten minste 24 OVW punten.

2. De ambtenaar mag een aangeboden functie als bedoeld in het eerste lid eenmaal weigeren zonder dat dit directe gevolgen heeft voor de rechtspositie van de ambtenaar.

Artikel 55ob

1. De herplaatsingkandidaat kan, door de invoering van het LFNP en de reorganisatie Politiewet 2012, als gevolg van deze beide situaties in totaal maximaal twee schalen omlaag gaan.

2. De ambtenaar die als gevolg van de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingkandidaat is geplaatst op een lager functieniveau dan het niveau van de functie waarin de ambtenaar voor invoering LFNP was aangesteld, wordt door het bevoegd gezag twee keer een passende functie aangeboden die passend is op zijn oorspronkelijke functieniveau voor de invoering van het LFNP, tenzij op deze ambtenaar het bepaalde in artikel 55oa van toepassing is.

3. De ambtenaar mag een aangeboden functie als bedoeld in het tweede lid eenmaal weigeren zonder dat dit directe gevolgen heeft voor de rechtspositie van de ambtenaar.

4. De ambtenaar die door de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingkandidaat buiten de politie wordt geplaatst, wordt door het bevoegd gezag binnen de voor deze persoon geldende loonsuppletietermijn een functie binnen de politie aangeboden op het niveau van de functie die de ambtenaar had voor de invoering van het LFNP. Mocht een dergelijke functie binnen genoemde loonsuppletietermijn niet voorhanden zijn, dan wordt een passende functie op een lager schaalniveau aangeboden.

5. Als de ambtenaar, welke in de plaatsing buiten de politie een functie op het niveau van voor de invoering van het LFNP had, het aanbod van een lagere passende functie binnen de politie, bedoeld in het vierde lid, aanvaardt, doet het bevoegd gezag deze nog een keer een aanbod voor een passende functie op het oorspronkelijke functieniveau voor de invoering van het LFNP. Indien de ambtenaar dit aanbod weigert, heeft dit rechtspositionele consequenties.

6. Als de ambtenaar, welke in de plaatsing buiten de politie een lagere functie dan op het niveau van voor de invoering van het LFNP had, het aanbod van een lagere passende functie binnen de politie, bedoeld in het vierde lid, aanvaardt, dan geldt het bepaalde in het tweede lid.

Artikel 55p

1. Het bevoegd gezag kan de naar zijn oordeel meest geschikte herplaatsingkandidaat, voor wie de functie als passend wordt aangemerkt, herplaatsen in die functie.

2. Het eerste lid is niet van toepassing als er maar één herplaatsingkandidaat is waarvoor de functie passend is.

Artikel 55q

1. Onverminderd artikelen 55n, 55oa en 55ob is de herplaatsingkandidaat verplicht, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, om zelf een passende functie te zoeken.

2. Wanneer het belang van de dienst dat vordert, is de herplaatsingskandidaat verplicht, behoudens het eerste aanbod, een passende functie te aanvaarden, in het geval van een herplaatsing in het kader van een reorganisatie.

Artikel 55r

1. De herplaatsingkandidaat die slechts in een voor hem passende functie kan worden herplaatst na om- her- of bijscholing kan hiertoe worden verplicht, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

2. Aan de ambtenaar die op grond van het eerste lid is verplicht om scholing te volgen, wordt een volledige vergoeding van de noodzakelijk te maken scholingskosten toegekend.

3. Aan de ambtenaar die op grond van het eerste lid is verplicht om scholing te volgen, wordt studieverlof met behoud van bezoldiging verleend, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich hier tegen verzet.

Artikel 55ra

1. Individuele en persoonsgebonden rechten, toegekend bij besluit van het bevoegd gezag, blijven bij aanwijzing als herplaatsingskandidaat of plaatsing of herplaatsing van de ambtenaar in stand.

2. De ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak behoudt bij de plaatsing of herplaatsing op een administratief technische functie in het kader van een reorganisatie als bedoeld in artikel 55i zijn aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

Artikel 55s

Het mobiliteitscentrum Nederlandse politie stelt in overleg met het bevoegd gezag van de herplaatsingkandidaat een inventarisatie op van zijn competenties en mogelijkheden voor een passende functie.

Artikel 55t

1. De herplaatsingkandidaat die een passende functie aanvaardt bij een andere werkgever wordt een loonsuppletie toegekend indien het genoten loon van die functie lager is dan het loon in de oorspronkelijke functie.

2. De loonsuppletie wordt toegekend gedurende vijf jaar. Afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van vijf jaar verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

dienstjaren:

verlenging:

25 of meer dienstjaren

één jaar

30 of meer dienstjaren

twee jaren

35 of meer dienstjaren

drie jaren

40 of meer dienstjaren

vier jaren

3. Na afloop van een kalenderjaar vraagt de herplaatsingkandidaat, die herplaatst is bij een andere werkgever, de loonsuppletie aan. De aanvraag is vergezeld van een door de werkgever verstrekte jaaropgave van het loon.

4. De suppletie is ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het in de oorspronkelijke functie genoten jaarloon en het jaarloon van de nieuwe functie.

5. De loonsuppletie wordt eenmaal per jaar vastgesteld en uitgekeerd. Het bevoegd gezag kan maandelijks een voorschot van de suppletie verstrekken.

Artikel 55u

Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van dit hoofdstuk met inbegrip van regels over het proces van reorganisatie en flankerende voorzieningen voor ambtenaren.

Artikel 55v

Indien de toepassing van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien er sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, kan het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, afwijken van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk worden afgeweken.

Artikel 55w

Van dit hoofdstuk en van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk kan, in overeenstemming met de Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, uitsluitend worden afgeweken bij reorganisaties waarbij naast de arbeidsvoorwaarden van de sector Politie ook arbeidsvoorwaarden van andere sectoren of rechtspersonen betrokken zijn.

Artikel 55x

1. Voor de ambtenaar die voor de inwerkingtreding van het Besluit landelijk sociaal statuut politie als herplaatsingskandidaat was aangewezen en nog niet was herplaatst op een passende functie, is het sociaal statuut van toepassing dat gold op het moment dat de ambtenaar werd aangewezen als herplaatsingskandidaat.

2. Indien voor de herplaatsingskandidaat, bedoeld in het eerste lid, op een onderdeel toepassing van het Besluit landelijk sociaal statuut politie of de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk sociaal statuut politie gunstiger is, geldt op verzoek van de herplaatsingskandidaat voor dat onderdeel het Besluit landelijk sociaal statuut politie of de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk sociaal statuut politie.

3. In het geval dat voor de inwerkingtreding van het Besluit landelijk sociaal statuut politie is besloten dat het Besluit landelijk sociaal statuut politie en de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk sociaal statuut politie worden toegepast indien deze ten opzichte van de voor inwerkingtreding van het Besluit landelijk sociaal statuut politie geldende sociale statuten en regelingen op een onderdeel gunstiger zijn, dan wordt op verzoek van de ambtenaar het Besluit landelijk sociaal statuut politie en de nadere regels ter uitvoering van het Besluit landelijk sociaal statuut politie toegepast, ook indien het gaat om al bestaande toekenningen.

4. Als er sprake is van een verzoek als bedoeld in het tweede of derde lid, is de in het verzoek gemaakte keuze bindend.

Artikel 55y

1. Op aanvraag van de herplaatsingskandidaat en van de pre-herplaatsingskandidaat aan wie, nadat hij tot pre-herplaatsingskandidaat of herplaatsingskandidaat is aangewezen, van wie door het bevoegd gezag is vastgesteld dat er voor hem geen passende functie meer beschikbaar zal zijn, op eigen verzoek ontslag verleend wordt op grond van artikel 87 en die, behoudens de vrijwillige politie, buiten de politie werkzaam gaat zijn wordt een vertrekstimuleringspremie toegekend.

2. De vertrekstimuleringspremie bedraagt:

a. één-twaalfde bruto maandsalaris voor iedere maand dat een ambtenaar in politiedienst is geweest, tot en met een maximum van 120 maanden en

b. één-zestiende bruto maandsalaris voor iedere maand boven de 120 maanden,

met dien verstande dat de premie nooit meer kan bedragen dan het totaal van de bezoldiging tot aan het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat.

3. De vertrekstimuleringspremie bedraagt in alle gevallen maximaal:

– gedurende het eerste jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 125.000,

– gedurende het tweede jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 100.000,

– gedurende het derde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 75.000,

– gedurende het vierde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 50.000,

– gedurende het vijfde jaar van aanwijzing als herplaatsingskandidaat het aantal uren waarvoor de ambtenaar is aangesteld maal één-zesendertigste deel van € 25.000,

4. Gedurende het zesde jaar en volgende jaren van aanwijzing als herplaatsingskandidaat bestaat geen recht op toekenning van een vertrekstimuleringspremie.

5. Voor de berekening van de vertrekstimuleringspremie wordt uitgegaan van het laatstgenoten salaris, verhoogd met het percentage van de eindejaarsuitkering en de vakantieuitkering op de datum waarop het ontslag ingaat. De fiscale consequenties die aan deze premie zijn verbonden, komen voor rekening van de herplaatsingskandidaat dan wel de pre-herplaatsingskandidaat. De berekening van het maandsalaris is een gewogen salaris op grond van de aanstellingen van de ambtenaar in het verleden.

6. Op verzoek van de ambtenaar kan de vertrekstimuleringspremie rechtstreeks betaald worden aan een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij of gestort worden in een bankspaarregeling.

7. Aan de ambtenaar aan wie een terugkeergarantie als omschreven in artikel 55bb van dit besluit is verleend, wordt de vertrekstimuleringspremie toegewezen onder voorwaarde dat de ambtenaar geen gebruik maakt van de terugkeergarantie. Uitkering van de vertrekstimuleringspremie vindt in dat geval plaats nadat is gebleken dat aan deze voorwaarde is voldaan.

Artikel 55z

Aan de herplaatsingskandidaat en de preherplaatsingskandidaat die een functie buiten de politie heeft aanvaard, wordt kwijtschelding verleend van de terugbetalingsverplichtingen, opgenomen in de regelgeving van de rechtspositie van de ambtenaar.

Artikel 55aa

1. De ambtenaar die niet als herplaatsingskandidaat of pre-herplaatsingskandidaat is aangewezen, wordt door het bevoegd gezag op diens verzoek ontheven van werkzaamheden, met behoud van aanspraken tot het einde van zijn loopbaan indien

a. op de vrijkomende formatieplaats een pre-herplaatsingskandidaat kan worden geplaatst of een herplaatsingskandidaat kan worden herplaatst en

b. er op het moment van ontheffen een ontslagbesluit is genomen met een ingangsdatum maximaal 18 maanden na het moment van ontheffen, dan wel

c. de ambtenaar binnen 18 maanden na het moment van ontheffen, gebruik maakt van de levensloopregeling in de vorm van einde loopbaanverlof en daarbij is vastgelegd dat het levensloopverlof wordt voortgezet tot aan het moment van ontslag.

2. De inkomsten van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die de ambtenaar geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf en aangevangen met ingang van de dag waarop hij is ontheven van zijn werkzaamheden, worden in mindering gebracht op de bezoldiging, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten, dan wel een gedeelte daarvan geen verband houden met verhoogde werkzaamheid.

3. De ambtenaar is verplicht om vanaf het moment waarop hij wordt ontheven van zijn werkzaamheden, aan het bevoegd gezag opgave te doen van de inkomsten, bedoeld in het tweede lid.

4. Van een situatie als bedoeld in het eerste lid kan ook sprake zijn als op de vrijkomende formatieplaats een niet als pre-herplaatsingkandidaat of herplaatsingkandidaat aangewezen ambtenaar kan worden geplaatst of herplaatst indien op diens vrijkomende formatieplaats wel een pre-herplaatsingkandidaat of herplaatsingkandidaat kan worden geplaatst of herplaatst.

Artikel 55aaa

Op verzoek van de ambtenaar die niet als herplaatsingkandidaat of pre-herplaatsingkandidaat is aangewezen, wordt door het bevoegd gezag toepassing gegeven aan één of meer van de op grond van artikel 55u gebaseerde en de in dit besluit opgenomen flankerende voorzieningen die ter beschikking staan voor ambtenaren die zijn aangewezen als herplaatsingkandidaat, indien aan de ambtenaar op diens aanvraag ontslag wordt verleend en op de vrijkomende formatieplaats een pre-herplaatsingkandidaat kan worden geplaatst of een herplaatsingkandidaat kan worden herplaatst.

Artikel 55bb

1. Aan de ambtenaar aan wie eervol ontslag op eigen verzoek wordt verleend om een functie te aanvaarden op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, kan op diens verzoek een terugkeergarantie worden gegeven.

2. De garantie geldt voor de duur van de wettelijke proeftijd die is opgenomen in de arbeidsovereenkomst en is in te roepen als de ambtenaar buiten eigen schuld of toedoen in de proeftijd wordt ontslagen. Indien de ambtenaar bij de nieuwe werkgever binnen de proeftijd wordt ontslagen, meldt de ambtenaar dit binnen drie werkdagen bij het bevoegd gezag.

3. De hernieuwde aanstelling gaat in binnen drie werkdagen na melding van het ontslag bij het bevoegd gezag.

4. Gegarandeerd wordt uitsluitend een hernieuwde aanstelling bij de oorspronkelijke eenheid met een bezoldiging overeenkomstig de bezoldiging bij vertrek, tenzij de ambtenaar weigert.

5. De ambtenaar die was aangewezen als herplaatsingskandidaat op het moment van ontslag op eigen verzoek, wordt bij terugkeer aangewezen als herplaatsingskandidaat voor de op het moment van ontslag resterende termijn, met een minimum van drie maanden.

Hoofdstuk VIII. Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar

Artikel 56

1. De verstrekking van uniformkleding aan de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die door het bevoegd gezag is aangewezen, geschiedt door de zorg van het bevoegd gezag. De verstrekking van uniformkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister kan ter zake van de verstrekking van uniformkleding nadere regels vaststellen, alsmede ter zake van het onderhoud van uniformkleding regels vaststellen.

2. De verstrekking van dienstkleding aan de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de bijzondere ambtenaar van politie en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die door het bevoegd gezag is aangewezen, geschiedt door de zorg van het bevoegd gezag. De verstrekking van dienstkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister kan ter zake van de verstrekking van dienstkleding nadere regels vaststellen, alsmede ter zake van het onderhoud van dienstkleding regels vaststellen.

3. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is verplicht het uniform en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit voor hem voorgeschreven is.

4. Het buiten dienst gekleed gaan in uniform is geoorloofd, behalve tijdens het vervullen van een nevenbetrekking of bij het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van derden, in welke vorm dan ook. Van dit verbod kan alleen ten aanzien van uit de openbare kas bezoldigde ambten door Onze Minister ontheffing worden verleend.

Artikel 57

1. Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven.

2. Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door het bevoegd gezag vergunning is verleend.

Artikel 58

1. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie kunnen studiefaciliteiten worden verleend.

2. Het bevoegd gezag kent studiefaciliteiten toe voor functiegerichte opleidingen tenzij zwaarwegende redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.

3. Het bevoegd gezag kan studiefaciliteiten toekennen voor opleidingen die niet functiegericht zijn of voor opleidingen die zijn gericht op een functie buiten de politieorganisatie.

4. Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot het tweede en derde lid.

Artikel 59

De aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die opsporingsbevoegdheid bezit, of de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche, die opsporingsbevoegdheid bezit kunnen zich niet beroepen op de omstandigheid niet in dienst te zijn, in die gevallen, waarin hun optreden redelijkerwijze is vereist.

Artikel 60

Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo spoedig mogelijk mededeling te doen op de door het bevoegd gezag aangegeven wijze.

Artikel 60a

1.Het bevoegd gezag verstrekt op aanvraag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c en d, die in verband met zijn Turkse nationaliteit verplicht is om zijn militaire dienstplicht in Turkije te vervullen, faciliteiten om hem in de gelegenheid te stellen deze dienstplicht af te kopen.

2.Onze Minister stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast.

Artikel 61

1. De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen in of nabij de gemeente waarbinnen de plaats van tewerkstelling is gelegen, indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie.

2. De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.

Artikel 62

1. Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst, in overeenstemming met de ambtenaar, met ingang van een door het ter zake bevoegd gezag te bepalen tijdstip, een ambtenaar detacheren:

a. bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met Onze Minister plaatsvindt;

b. bij het LSOP, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met de bestuursraad van het instituut plaatsvindt;

c. bij een door Onze Minister aan te wijzen organisatie.

2. Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij koninklijk besluit is aangesteld, is voor de detachering de instemming van Onze Minister vereist.

3. Onze Minister stelt bij ministeriele regeling een modelovereenkomst vast die wordt gebruikt indien een ambtenaar wordt gedetacheerd.

Artikel 63

1.De ambtenaar die in een deelbetrekking is aangesteld en die op aanwijzing of met goedkeuring van het bevoegd gezag een opleiding volgt, is verplicht aan die opleiding deel te nemen als ware hij in een volledige betrekking aangesteld.

2.Voor zolang het eerste lid meebrengt dat de arbeidstijd die de betrekking van de ambtenaar omvat, wordt overschreden, wordt hem een vergoeding toegekend met toepassing van artikel 27 van het Besluit bezoldiging politie.

3.De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet ten aanzien van die opleidingen, waarvoor een programma is vastgesteld dat uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van deelname door ambtenaren, die een deelbetrekking vervullen.

Artikel 64

1. Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is de ambtenaar verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

2. Ter begrenzing van de toepassing van een verplaatsing op grond van het eerste lid, bedraagt de maximale reistijd niet meer dan anderhalf uur enkele reis en maximaal twee keer anderhalf uur heen- en terugreis vanuit de woning naar de aangewezen plaats van tewerkstelling en bedraagt de reisafstand over de weg maximaal 125 kilometer enkele reis en maximaal 250 kilometer heen- en terugreis, vanuit de woning naar de aangewezen plaats van tewerkstelling.

3. Voor de meer gemaakte reiskilometers die ontstaan door de verplaatsing op grond van het eerste lid, ontvangt de ambtenaar vanaf het moment van de wijziging een aanvulling op de tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer op grond van artikel 7a Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie.

4. De aanvulling bedoeld in het derde lid wordt toegekend voor elke kilometer die de afstand naar de nieuwe plaats van te werkstelling meer bedraagt dan de afstand van de woning naar de oorspronkelijke plaats van te werkstelling.

5. De ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak behoudt bij een verplaatsing, zoals bedoeld in het eerste lid, naar een administratief-technische functie zijn aanstelling als ambtenaar ter uitvoering van de politietaak.

6. De ambtenaar kan een aanvraag doen om teruggeplaatst te worden in of nabij de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling.

7. De ambtenaar behoudt het recht op de periodieken op grond van artikel 9a Besluit bezoldiging politie OVW periodieken, bij plaatsing op grond van het eerste lid in een functie met minder dan 24 OVW punten.

Artikel 64a [Vervallen per 01-12-2004]

Artikel 65

Op aanvraag van de ambtenaar kan hem een andere functie worden opgedragen, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, of kan hem op aanvraag worden opgedragen zijn functie op een andere dan de aangewezen plaats van tewerkstelling dan wel een ander dan het aangewezen werkgebied uit te oefenen.

Artikel 65a [Vervallen per 01-07-2007]

Artikel 66

1. De politiechef van een regionale eenheid is woonachtig in het werkgebied van de betreffende regionale eenheid.

2. Onze Minister kan een ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

3. Indien een politiechef geen ontheffing krijgt, verhuist hij binnen een jaar naar het werkgebied van de betreffende regionale eenheid. Dit jaar kan met een jaar worden verlengd als de politiechef er aantoonbaar niet in slaagt zijn woning te verkopen.

Artikel 66a [Vervallen per 10-03-2006]

Artikel 67

1. Van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geheel of gedeeltelijk op kosten van het bevoegd gezag een opleiding hebben verkregen, kunnen deze kosten geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd indien:

a. de opleiding niet met goed gevolg is afgerond door toedoen van de ambtenaar of in het geval het niet met goed gevolg afronden aan eigen schuld van de ambtenaar is te wijten;

b. de opleiding voortijdig wordt beëindigd door toedoen van de ambtenaar of in het geval de beëindiging aan eigen schuld van de ambtenaar is te wijten;

c. de ambtenaar binnen een periode van drie jaar na afronding van de opleiding de politie verlaat tenzij de ambtenaar het vertrek niet is toe te rekenen.

2. In beginsel geldt de verplichting uit het eerste lid niet bij een ontslag op grond van artikel 91.

3. Tot terugvordering van de kosten, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden overgegaan indien de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard bekend te zijn met de mogelijkheid van terugvordering en de kosten die voor de terugvordering in aanmerking kunnen komen.

4. De terugvordering, bedoeld in het eerste lid onder c, geschiedt binnen drie maanden na de datum waarop de ambtenaar de politie heeft verlaten. Bij de berekening van de terug te betalen kosten wordt rekening gehouden met het reeds verstreken deel van de periode van drie jaar.

5. Onze Minister stelt over de uitvoering van het eerste lid nadere regels vast.

Artikel 68

1. Het bevoegd gezag kan de ambtenaar verplichten de door de dienst geleden schade, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Ten aanzien van gevallen waarin de schade minder bedraagt dan € 226,89 kan de het bevoegd gezag dan wel, indien het een aspirant betreft, de directeur van een instelling, de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid uitoefenen.

2. Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.

Artikel 69

1. Aan de ambtenaar wordt de schade aan zijn goederen vergoed die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage van die goederen.

2. De ambtenaar heeft geen aanspraak, bedoeld in het eerste lid, indien hij ter zake van die schade rechten tegenover derden kan doen gelden. Indien de ambtenaar zijn rechten tegenover derden cedeert aan het bevoegd gezag, wordt hij in het genot gesteld van het in geld uitgedrukte bedrag van de schade.

3. Aan de ambtenaar wordt de immateriële schade die hij ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst lijdt in geld vergoed, voor zover hij terzake van deze schade op basis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak tegenover derden rechten op betaling van een geldsom kan doen gelden en mits hij deze rechten binnen zes maanden na de definitieve rechterlijke uitspraak cedeert aan het bevoegd gezag.

4. Indien het bevoegd gezag ter zake van de door voornoemde cessies verkregen rechten een civiele vordering instelt, worden de kosten die hieruit voortvloeien voor het bevoegd gezag niet op de ambtenaar verhaald.

5. Onze Minister stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast.

Artikel 69a

1.Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

2.Indien de ambtenaar schadevergoeding vordert op grond van onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd tijdens de uitoefening van de politietaak, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de vordering kennelijk onvoldoende grond heeft of kennelijk onredelijk is.

3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de rechtskundige hulp aan de ambtenaar is verleend, op grond van zijn lidmaatschap, door een centrale of een vereniging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, met dien verstande dat de tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp rechtstreeks wordt betaald aan voornoemde centrale of vereniging.

4.Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien

a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of

b indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.

5.In bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de omstandigheden van de ambtenaar, kan het bevoegd gezag, overwegend dat de handeling geen gevolg is van de taakuitoefening van de ambtenaar, besluiten tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

6.Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

Artikel 70

1.De ambtenaar die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor krachtens de Infectieziektenwet een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na een positief medisch advies als bedoeld in hoofdstuk VII.

2.De ambtenaar die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.

3.Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij volle bezoldiging.

Artikel 71

1. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels wordt met de ambtenaar ten minste een maal per jaar een gesprek gehouden over de vervulling van zijn functie in de afgelopen en komende periode en de voortgang van een persoonlijk ontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 72. In het gesprek wordt ook aandacht besteed aan integriteitsaspecten in relatie tot het functioneren van de ambtenaar en het functioneren van het dienstonderdeel waar hij werkzaam is. De hoofdzaken van dit gesprek worden in overeenstemming met de ambtenaar in een door de ambtenaar medeondertekend document vastgelegd. De ambtenaar ontvangt een afschrift van dit document.

2. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels wordt de ambtenaar die een aanvraag daartoe indient dan wel ten aanzien van wie dit door het bevoegd gezag nodig wordt geacht, beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie vervult en zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie. Aan de aanvraag van de ambtenaar om overeenkomstig dit lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van één jaar sedert de vastlegging van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling.

3. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels worden toekomstverwachtingen opgemaakt over de ambtenaar die in beschouwing wordt genomen voor een binnen afzienbare tijd te verwachten plaatsing in een hoger gewaardeerde functie van een onderdeel van het landelijk politiekorps dan wel binnen het LSOP. Ook kunnen toekomstverwachtingen worden opgemaakt voor een ambtenaar die in de nabije toekomst een verplaatsing naar een andere niet hoger gewaardeerde functie in een onderdeel van het landelijk politiekorps dan wel binnen het LSOP aanvraagt of ten aanzien van wie een dergelijke verplaatsing wenselijk wordt geacht, mits de mogelijkheid tot een dergelijke verplaatsing reëel aanwezig is en het bevoegd gezag instemt met de wens van de ambtenaar.

4. Onder toekomstverwachting wordt in dit verband verstaan: een systematische bezinning op de behoeften en potentiële capaciteiten van de ambtenaar, bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het desbetreffende onderdeel van het landelijk politiekorps of het LSOP, welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede het daarop tijdig actie ondernemen.

5. De ambtenaar wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte beoordeling, bedoeld in het tweede lid, of de over hem opgemaakte toekomstverwachting, bedoeld in het derde en vierde lid, in kennis gesteld nadat deze door het bevoegd gezag is bekrachtigd. Hij ontvangt een afschrift van het document dat de over hem opgemaakte beoordeling of de toekomstverwachting bevat. Hij ondertekent dit document voor kennisgeving van de inhoud en voor ontvangst ervan.

Hij kan zijn bezwaren tegen de over hem opgemaakte beoordeling of toekomstverwachting overeenkomstig de door het bevoegd gezag vastgestelde regels aan het bevoegd gezag kenbaar maken en om herziening verzoeken.

6. Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen.

Artikel 72

Met inachtneming van de door Onze Minister ter zake vastgestelde gespreksleidraad wordt met de ambtenaar ten minste eenmaal per drie jaar een gesprek gehouden over een persoonlijk ontwikkelingsplan. Op aanvraag van de ambtenaar dan wel in overleg met de ambtenaar kan het bevoegd gezag bepalen dat een gesprek over een persoonlijk ontwikkelingsplan plaatsvindt met een grotere frequentie dan eenmaal per drie jaar, doch met een maximum van eenmaal per jaar. De hoofdzaken van dit gesprek worden in overeenstemming met de ambtenaar in een door de ambtenaar medeondertekend document vastgelegd. De ambtenaar ontvangt een afschrift van dit document.

Artikel 72a

Een diploma verbonden aan het voltooien van een initiële opleiding, die de ambtenaar is begonnen vóór 1 januari 2002, wordt voor wat betreft de benoembaarheid van de ambtenaar in een functie, bij nader door Onze Minister te stellen regels, gelijkgesteld aan een diploma verbonden aan een voltooide initiële opleiding van na 1 januari 2002.

Artikel 73

1. Aan de ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.

2. Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf op voornoemde plaatsen zijn vastgesteld.

Artikel 74

1. De ambtenaar kan wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichtingen worden beloond.

2. De beloningen zijn:

a. tevredenheidsbetuiging;

b. extra verlof;

c. gratificatie;

d. verhoging van het salaris tot het naasthogere bedrag in de salarisschaal of

e. indeling in een hogere salarisschaal.

3. Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar wiens salarisschaal 15 of hoger is.

Artikel 75

1. Het bevoegd gezag verstrekt aan de ambtenaar bij zijn twaalfeneenhalf-, 25-, 40-, of 50-jarig ambtsjubileum een huldeblijk, bestaande uit een gratificatie of geschenk, dan wel uit een combinatie van beide.

2. De aan het huldeblijk verbonden uitgaven bedragen bij de in het eerste lid genoemde ambtsjubilea respectievelijk niet meer dan vijfentwintig, vijftig, honderd en honderd procent van de som van de bezoldiging en de vakantieuitkering van de ambtenaar. Voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar worden de in de eerste volzin vermelde percentages genomen van de bezoldiging en de vakantie-uitkering die de ambtenaar zou hebben genoten indien er geen sprake zou zijn geweest van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.

3. Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die een diensttijd bij de politie heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van:

a. artikel 91,

b. artikel 94, eerste lid, onderdeel e, of

c. artikel 94, eerste lid, onderdeel f, voor zover dit ontslag is verleend in verband met het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever dan een overheidswerkgever, een gratificatie toe, tenzij bij voortduring van het dienstverband niet binnen een termijn van vijf jaar aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou bestaan. De gratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van de eerstvolgende gratificatie bij ambtsjubileum waarop hij bij het voortduren van het dienstverband aanspraak zou maken.

4. Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die de zestigjarige leeftijd heeft bereikt en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 88 een gratificatie toe op voet van het tweede lid, indien hij bij het voortduren van het dienstverband tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd aanspraak zou maken op een gratificatie bij 40- of 50-jarig ambtsjubileum.

5. Onze Minister stelt regels over de diensttijd die voor de vaststelling van de in het eerste lid genoemde ambtsjubilea in aanmerking komt.

6. Indien de ambtenaar tijdens een periode van levensloopverlof als bedoeld in artikel 47a een ambtsjubileum bereikt, geldt als berekeningsgrondslag voor de toepassing van het tweede lid de som van de bezoldiging en de vakantie-uitkering direct voorafgaand aan het levensloopverlof.

Hoofdstuk IX. Straffen

Artikel 76

1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 77

1. De straffen die kunnen worden opgelegd, zijn:

a. schriftelijke berisping;

b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen en vrije dagen zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag;

c. vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met ten hoogste een vierde gedeelte van het aantal uren, bedoeld in artikel 17, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;

d. geldboete van ten hoogste € 22;

e. gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;

f. vermindering van het salarisnummer met ten hoogste twee jaren, voor de tijd van niet langer dan twee jaren;

g. het niet meetellen van een verdere diensttijd van ten hoogste vier jaren voor de vaststelling van het salarisnummer;

h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging of

i. plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt;

j. ontslag.

2. Aan aspiranten kan tevens worden opgelegd de straf van verwijdering voor ten hoogste veertien dagen van de instelling waar de aspirant zijn opleiding geniet, met dien verstande dat deze straf niet wordt opgelegd op de dagen waarop de opleidingsresultaten van de aspiranten volgens de ter zake vastgestelde regels worden getoetst of beoordeeld.

3. Onverminderd het vierde lid, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, opgelegd door het bevoegd gezag.

4. Indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met f, opgelegd door het bevoegd gezag en worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen h tot en met j, opgelegd bij koninklijk besluit.

Indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij een onderdeel van het landelijk politiekorps of werkzaam bij de rijksrecherche, die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd door Onze Minister. Indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij het LSOP, die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g, opgelegd door Onze Minister.

5. Indien een straf als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, is opgelegd, kan het bevoegd gezag de positie van de ambtenaar met ingang van een bepaald tijdstip geheel of ten dele in overeenstemming brengen met de positie zoals deze zonder strafoplegging zou zijn geweest, indien het verdere gedrag van de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding heeft gegeven.

Artikel 78

1. Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

2. Indien met toepassing van het eerste lid de straf van ontslag wordt opgelegd, kan tegelijk met deze straf één van de in artikel 77, eerste lid, onderdelen a tot en met e genoemde straffen worden opgelegd.

Artikel 79

1. Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid zich te verantwoorden in het geval dat het bevoegd gezag voornemens is hem een straf op te leggen, geschiedt de verantwoording ten overstaan van het gezag dat tot strafoplegging bevoegd is. Indien de bevoegdheid tot strafoplegging bij Ons berust, geschiedt de verantwoording bij Onze Minister. Het gezag ten overstaan waarvan de verantwoording plaats zal hebben, bepaalt of deze verantwoording mondeling of schriftelijk zal plaatsvinden. Bij schriftelijke verantwoording wordt de ambtenaar op zijn verzoek de gelegenheid gegeven tot nadere mondelinge toelichting.

2. Van de mondelinge verantwoording wordt direct een verslag opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door degene tegenover wie de verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar. Indien de ambtenaar het verslag weigert te ondertekenen, wordt dit in het verslag, zo mogelijk met opgave van de redenen, vermeld. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het verslag.

3. Indien de ambtenaar dit verlangt, worden hem of zijn raadsman afschriften verstrekt van de ambtelijke rapporten of andere geschriften die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.

Artikel 80

1. De ambtenaar kan niet worden gestraft wegens overtreding van artikel 125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet, dan nadat daarover advies is ingewonnen van de commissie bedoeld in artikel 2 van het Besluit van 13 oktober 1992, houdende regelen met betrekking tot de instelling, de taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie bedoeld in de artikelen 82a, eerste lid, en 97b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, de artikelen 117a, eerste lid, en artikel 128, eerste lid van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, en artikel 55a, eerste lid, van het Arbeidsovereenkomstenbesluit.

2. Het bevoegd gezag geeft bij zijn besluit tot strafoplegging te kennen of dit in overeenstemming is met het ingewonnen advies.

Artikel 81

De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake strafoplegging te doen blijken door onmiddellijke terugzending van een door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.

Artikel 82

De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

Hoofdstuk X. Schorsing en ontslag

Artikel 83

De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsontneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid.

Artikel 84

1. Onverminderd artikel 77, eerste lid, onderdeel h , kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst:

a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen hem is ingesteld;

b. wanneer hem door het bevoegd gezag dan wel door Ons, indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel wanneer hem die straf is opgelegd of

c. wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag dan wel naar Ons oordeel indien het betreft een ambtenaar die bij koninklijk besluit is benoemd, het belang van de dienst dit vereist.

2. Tenzij bij wet is bepaald dat schorsing bij koninklijk besluit geschiedt, geschiedt schorsing door het bevoegd gezag. In afwachting van de schorsing kan de ambtenaar buiten functie worden gesteld door het bevoegd gezag, met dien verstande dat ten aanzien van de bij koninklijk besluit benoemde ambtenaren machtiging van Onze Minister is vereist.

3. De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden.

In uitzonderlijke gevallen kan deze termijn nog eenmaal met drie maanden worden verlengd.

Artikel 85

1. Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden. Geen inhouding vindt plaats ingeval van een schorsing in het belang van de dienst als bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdeel c, van opneming in een psychiatrisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 1 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.

2. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, onderdeel d. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten die de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dit naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.

3. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan de bezoldiging in de zin van artikel 1, onderdeel v van het Besluit bezoldiging politie dan wel ingeval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging politie wordt verstaan.

Artikel 86

1. Tenzij bij wet is bepaald dat ontslag wordt gegeven bij koninklijk besluit, wordt ontslag gegeven door het bevoegd gezag.

2. Aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 89, artikel 90, artikel 91, eerste lid, artikel 92 of artikel 94, eerste lid, onderdeel e, f of g, wordt schriftelijk medegedeeld dat toekenning van een bovenwettelijke uitkering als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, pas plaatsvindt, nadat door hem een aanvraag daartoe is ingediend.

Artikel 87

1.De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.

2.Behoudens het geval, bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt dit ontslag verleend met ingang van een dag die niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden ligt na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.

3.Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen de straf van ontslag op te leggen.

4.Van het tweede lid kan worden afgeweken:

a. indien wordt overwogen de ambtenaar een straf als bedoeld in artikel 77 op te leggen;

b. indien het belang van de dienst dit vereist, met dien verstande dat de termijn van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden, of

c. op aanvraag van de ambtenaar.

5.Indien een ontslag op aanvraag wordt verleend aan een aspirant, gaat dit ontslag, in afwijking van het tweede lid, onmiddellijk in.

6.Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend.

Artikel 87a

1. Onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel, genoemd in dit artikel, wordt verstaan de overeenkomst, die is aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel. Onder het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd in dit artikel, wordt verstaan het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.

2. Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut- overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden.

3. Het ontslag, bedoeld in het tweede lid, gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht ontstaat op een uitkering als bedoeld in het tweede lid.

4. Op aanvraag van de ambtenaar kan het ontslag, bedoeld in het tweede lid, ook voor een gedeelte van zijn arbeidstijd worden verleend, tenzij het belang van de dienst zich hiertegen verzet. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de betrekking.

Ontslag voor een gedeelte uit een betrekking waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het tweede lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidstijd.

5. Artikel 87, tweede tot en met vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 88

1. Aan de ambtenaar die op 1 januari 2001 50 jaar of ouder was en die op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 was aangesteld voor

a. de uitvoering van technische administratieve en andere taken ten dienste van de politie in een door het bevoegd gezag aangewezen functie waaraan bij door Onze Minister gestelde regels tot 1 januari 2001 een leeftijdsgrens was verbonden, of

b. de uitvoering van de politietaak, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, eervol ontslag verleend. Indien de in de eerste volzin bedoelde ambtenaar de functie heeft van vlieger bij een landelijke eenheid, wordt aan hem met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de 55-jarige leeftijd bereikt, eervol ontslag verleend.

De artikelen 4b en 12a tot en met 12d van het Besluit bezoldiging politie zijn niet van toepassing op een ambtenaar als bedoeld in de vorige volzin.

2. Het in het eerste lid bedoelde ontslag op zestigjarige leeftijd kan op verzoek van de ambtenaar worden uitgesteld, mits met toepassing van artikel 88c dan wel met toepassing van artikel 50, eerste lid, onderdeel g, is vastgesteld dat hiertegen geen bezwaar bestaat.

3. Na het in het tweede lid bedoelde uitstel vindt op aanvraag van de ambtenaar eervol ontslag plaats.

4. Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand. Dit ontslag wordt niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.

5. Indien de ambtenaar na het in het tweede lid bedoelde uitstel blijkens de uitslag van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek lichamelijk en psychisch niet meer in staat kan worden geacht zijn functie te blijven vervullen, vindt eervol ontslag plaats.

6. Het ontslag, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand.

7. Indien de ambtenaar na het in het tweede lid bedoelde uitstel ongeschikt wordt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, vindt met ingang van de eerste dag van een maand eervol ontslag plaats indien sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van 52 weken. Voor het bepalen van de periode van 52 weken worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld, indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

8. De ambtenaar aan wie op grond van het eerste, derde, vijfde of zevende lid, ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.

9. Het ontslag op grond van het eerste, derde, vijfde of zevende lid, is voor de ambtenaar die geboren is voor 1 januari 1950 een ontslag als bedoeld in artikel 87a, tweede lid, indien ten aanzien van dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden. Uit fiscale overwegingen maakt het bevoegd gezag bij het verlenen van het ontslag onderscheid tussen:

a. ontslag met een onbelaste uitkering op grond van artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964, indien de ambtenaar voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt;

b. ontslag met een op grond van artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 belaste uitkering, indien de ambtenaar niet voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.

Artikel 88a

1. Aan de ambtenaar wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de 55-jarige leeftijd bereikt, eervol ontslag verleend, indien hij

a. op 31 december 2006 de functie van vlieger bij de landelijke eenheid had;

b. vanaf 1 januari 2007 de functie van vlieger bij de landelijke eenheid heeft;

c. ten minste tien jaar voorafgaand tot aan het ontslag ononderbroken de functie van vlieger bij de landelijke eenheid heeft; en

d. op grond van artikel B3, eerste en tweede lid, van het AFUP-opbouwreglement, zoals dat luidde op 31 december 2005, deelnemer was aan de AFUP.

De artikelen 4a, 4b en 12a tot en met 12d van het Besluit bezoldiging politie zijn niet van toepassing op een ambtenaar als bedoeld in de eerste volzin.

2. Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het eerste lid, aan de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij een landelijke eenheid, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht de functie van vlieger te blijven vervullen.

3. Indien niet meer wordt voldaan aan een of beide van de voorwaarden genoemd in het tweede lid, vindt eervol ontslag plaats.

4. Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand. Indien dit ontslag plaats vindt op aanvraag van de ambtenaar wordt dit ontslag niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.

5. De ambtenaar aan wie op grond van het eerste of derde lid ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.

Artikel 88b [Vervallen per 26-07-2013]

Artikel 88c

1.Indien de ambtenaar bedoeld in de eerste volzin van artikel 88, eerste lid, te kennen heeft gegeven dat hij na het bereiken van de leeftijd van zestig jaar zijn functie wil blijven uitoefenen, is hij indien hij is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 10, verplicht om uiterlijk één jaar voor het bereiken van de leeftijd van zestig jaar een vragenlijst met betrekking tot zijn gezondheidstoestand in te vullen.

2.Aan de hand van de beantwoorde vragenlijst bepaalt het bevoegd gezag, daartoe geadviseerd door de deskundige persoon of de arbodienst, of het noodzakelijk is dat de ambtenaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek moet ondergaan teneinde vast te stellen of de ambtenaar lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven uitoefenen, nadat hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt.

3.Onze Minister stelt regels met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid genoemde vragenlijst en de procedures omtrent de vragenlijst.

Artikel 88d

1. Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een ouderdomspensioen als bedoeld hoofdstuk 7 van het Pensioenreglement, wordt eervol ontslag verleend.

2. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht ontstaat op een ouderdomspensioen.

3. Op aanvraag van de ambtenaar kan het ontslag, bedoeld in het tweede lid, ook voor een gedeelte van zijn arbeidstijd worden verleend, tenzij het belang van de dienst zich hiertegen verzet. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de betrekking. Ontslag voor een gedeelte uit een betrekking waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het tweede lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidstijd.

4. Artikel 87, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 89

1. Aan de aspirant die is aangesteld op grond van artikel 3, eerste lid, en in het eerste leerjaar een negatief studieadvies ontvangt, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag volgende op de dag waarop de aanstelling in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, eerste lid, is verstreken.

2. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van politie, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.

3. Aan de aspirant die gedurende de initiële opleiding en aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak dan wel de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, die gedurende de proeftijd niet de geschiktheid blijkt te bezitten die voor de dienst wordt vereist, kan eervol ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van:

a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;

b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest of

c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest.

4. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantieuitkering, berekend op voet van hoofdstuk 6 van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel 90

1. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen b, c, d en e, is, tenzij het tegendeel blijkt, van rechtswege eervol ontslag verleend zodra die tijd is verstreken. Bij voortduring van het dienstverband na het verstrijken van de bepaalde tijd is de ambtenaar van rechtswege aangesteld voor onbepaalde tijd.

2. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die is aangesteld voor onbepaalde tijd, kan ontslag worden verleend mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van:

a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;

b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest of

c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest.

3. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar noch gedurende het verlof bedoeld in artikel 55 noch, indien zij de dienst heeft hervat, gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Ter staving van de zwangerschap kan het bevoegd gezag een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen.

4. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

5. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar geplaatst is op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch vanwege het lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad.

6. Opzegging als bedoeld in het derde lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar door een Centrale als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 of door een daarbij aangesloten bond of vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn Centrale of een daarbij aangesloten bond of vereniging, dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden of verenigingen te ondersteunen.

7. Opzegging als bedoeld in het derde lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt.

8. Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd. In dat geval zijn het derde tot en met achtste lid van overeenkomstige toepassing.

9. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn.

Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag betaald gelijk aan de laatst genoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend op de voet van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel 91

1. De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie eervol ontslag worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken een passende functie aan te bieden.

2. De ontslagverlening op grond van het eerste lid kan betrekking hebben op een gedeelte van de tijd waarvoor de ambtenaar is aangesteld.

3. Bij herplaatsing in een passende functie bij een andere werkgever wordt de ambtenaar eervol ontslag verleend.

4. De ambtenaar die heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van hoofdstuk VII.B opgelegde verplichting, kan in verband daarmee ontslag worden verleend.

5. De ontslagverlening op grond van het eerste lid vindt niet eerder plaats dan vijf jaar nadat de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingkandidaat, als bedoeld in hoofdstuk VII.B. Afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van vijf jaar verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

dienstjaren:

verlenging:

25 of meer dienstjaren

één jaar

30 of meer dienstjaren

twee jaren

35 of meer dienstjaren

drie jaren

40 of meer dienstjaren

vier jaren

6. Bij een ontslag op grond van het vierde lid wordt een opzeggingstermijn van één maand in acht genomen.

Artikel 92

1. Aan de ambtenaar die een benoeming als minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt met ingang van de dag van het aanvaarden van deze betrekking, eervol ontslag verleend.

2. Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college waarin hij is aangesteld of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.

3. Tenzij artikel 48, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van artikel 45 dan wel van artikel 47, eerste lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld.

Artikel 93

Indien een ontslag als bedoeld in artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet door het bevoegd gezag of bij koninklijk besluit wordt verleend, is de instemming vereist van Onze Minister.

Artikel 94

1. Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, artikel 88, 88a, 89, 90, 91, 92, of 93 kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:

a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;

b. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;

c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

d. onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;

e. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;

f. het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever op grond van artikel 49b;

g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;

h. het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat;

i. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, of

j. het zonder deugdelijke grond weigeren gevolg te geven of medewerking te verlenen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 49c.

2. Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e, f, g en h wordt steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was, met dien verstande dat een ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel g, eerst kan ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit aan de ambtenaar is bekendgemaakt, tenzij sprake is van dringende redenen.

3. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

c. na een zorgvuldig onderzoek is gebleken dat binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag of bij een andere werkgever geen passende arbeid voorhanden is.

4. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan, behoudens wederzijds goedvinden, slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

c. de betrokkene in dienst treedt van de andere werkgever.

5. Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en het vierde lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 55, niet in aanmerking genomen.

6. Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, anders dan bedoeld in het vijfde lid, worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 55, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

7. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, en het vierde lid, onderdelen a en b, vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe door de uitvoeringsinstelling, die de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.

8. De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door het bevoegd gezag aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.

9. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld. Daarbij wijst het bevoegd gezag de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.

10. De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het vijfde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.

11. De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het bevoegd gezag. Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar.

12. Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.

13. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, en de ambtenaar bij de andere werkgever voor minder uren arbeid verricht dan het aantal waarvoor hij was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het aantal uren dat hij passend werk verricht bij de andere werkgever.

14. Alvorens op grond van het eerste lid, onderdeel j, ontslag te verlenen, vraagt het bevoegd gezag advies aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel 95

1. Een ambtenaar kan ook op andere gronden, dan die welke in artikel 94 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, worden ontslagen. Voor een ontslagverlening als bedoeld in de eerste volzin is de instemming vereist van Onze Minister, indien in de wet is bepaald dat ontslag bij koninklijk besluit wordt verleend. Het ontslag wordt eervol verleend.

2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt een regeling getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering wordt toegekend die met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal in geen geval minder mogen zijn dan die welke de ambtenaar op grond van artikel 97 zou toekomen in geval van ontslag als daar bedoeld.

3. De regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt getroffen:

a. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, indien het een korpschef van een regionale eenheid, dan wel een lid van de leiding van een regionale eenheid, dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor de recherchefunctie, betreft, alsmede indien het de korpschef, dan wel een lid van de leiding van een landelijke eenheid betreft;

b. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, indien het een andere ambtenaar dan die bedoeld in onderdeel a betreft, werkzaam bij een regionale eenheid of een landelijke eenheid, die bij koninklijk besluit is benoemd;

c. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, indien het een ambtenaar van de rijksrecherche betreft, die bij koninklijk besluit is benoemd;

d. door Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij een regionale eenheid of bij het Korps landelijke politiediensten die niet bij koninklijk besluit is benoemd;

e. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft, werkzaam bij de Politieacademie die bij koninklijk besluit is benoemd;

f. door het college van bestuur van het LSOP, indien het een ambtenaar betreft, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, die niet bij koninklijk besluit is benoemd.

Artikel 96 [Vervallen per 18-07-2001]

Artikel 97

Aan de ambtenaar die als gevolg van een ontslag op grond van de artikelen 89, eerste tot en met derde lid, 90, met uitzondering van het tweede lid, 91, eerste lid, 92, of artikel 94, eerste lid, onderdeel e, f of g, van dit besluit, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, kan een bovenwettelijke aanvulling op zijn WW-uitkering worden toegekend krachtens het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Bij samenloop van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie met het Besluit suppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie, wordt laatstgenoemd besluit uitgevoerd. Het recht op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie leidt in dat geval niet tot uitkering en de berekening van de periode daarvan wordt niet gewijzigd.

Artikel 98 [Vervallen per 01-01-2001]

Hoofdstuk XI. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 99

1.Een ambtenaar die op grond van afdeling 1, hoofdstuk 2, artikel 1, van de Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel het Korps landelijke politiediensten is overgegaan en die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 aanspraken had op grond van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, de Rechtstoestandsregeling opleiding ter verkrijging van het diploma van inspecteur van gemeentepolitie of van officier der rijkspolitie, of artikel VII van het Besluit van 24 juni 1992, houdende wijziging van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, het Bezoldigingsreglement politie 1958, het Besluit geneeskundige verzorging politie 1984 en het Besluit overleg en medezeggenschap politie in verband met het tot stand brengen van een eenvormige rechtspositie voor alle politieambtenaren, behoudt deze aanspraken.

2.Een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de LSOP-wet aanspraken op grond van het Ambtenarenreglement LSOP had, behoudt deze aanspraken.

Artikel 99a [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 99b [Vervallen per 18-02-2011]

Artikel 99c

1. Voor degene die op 30 juni 2007 met toepassing van artikel 4a is aangesteld in tijdelijke dienst, blijven de artikelen 1, 3, 4, 4a en 90, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing tot het tijdstip dat hij hernieuwd in vaste dienst wordt aangesteld. Indien voor hem tijdens die aanstelling in tijdelijke dienst gedurende vier jaar of korter een hogere salarisschaal heeft gegolden dan de salarisschaal die voor hem gold gedurende de onmiddellijk daaraan voorafgaande aanstelling in vaste dienst, blijft artikel 4a, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing tot het moment waarop de in dat artikel bedoelde inspanningsverplichting vervalt.

2. Voor degene die met toepassing van artikel 4a hernieuwd in vaste dienst is aangesteld en ten opzichte van wie het bevoegde gezag op grond van dat artikel op 30 juni 2007 een inspanningsverplichting heeft, blijft dat artikel, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing voor de resterende duur van die inspanningsverplichting.

3. Een in de periode tussen 3 september 1999 en 1 juli 2007 gegeven toepassing aan de artikelen 64, 65 en 65a behoudt haar geldigheid na 30 juni 2007.

4. Degene die in de periode van 1 juli 2007 tot 1 januari 2008 op grond van artikel 4a, zoals dat gold op 30 juni 2007, tijdelijk is aangesteld of op grond van artikel 62 is gedetacheerd ter vervulling van een hoger gewaardeerde functie dan de salarisschaal waarin hij bezoldigd is en deze functie langer dan twee jaar na aanstellen of detachering onafgebroken heeft bekleed, heeft recht op behoud van die hogere salarisschaal, bij beëindiging van de tijdelijke aanstelling of detachering.

Artikel 99d

[Wijzigt dit besluit.]

Artikel 99e [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 99f

1. De betrekkingsomvang van de ambtenaar die op 30 juni 2011 is aangesteld met een betrekkingsomvang van gemiddeld 38 uur per week, wordt met ingang van 1 juli 2011 gewijzigd in een volledige betrekking, tenzij de ambtenaar kiest voor een betrekkingsomvang van gemiddeld 38 uur per week.

2. De betrekkingsomvang van de ambtenaar aangesteld in een volledige betrekking op 30 juni 2011, wijzigt niet met ingang van 1 juli 2011, tenzij de ambtenaar ervoor kiest zijn volledige betrekking uit te breiden naar een betrekkingsomvang van gemiddeld 38 uur per week.

3. De keuze kan vanaf 1 mei 2011 worden gemaakt doch dient uiterlijk op 30 juni 2011 aan het bevoegd gezag kenbaar te worden gemaakt. Indien de ambtenaar binnen deze termijn geen keuze kenbaar maakt, wordt zijn betrekkingsomvang bepaald op een volledige betrekking.

Artikel 99g

1. De betrekkingsomvang van de ambtenaar die op 30 juni 2011 in een deeltijdbetrekking is aangesteld, wijzigt niet, tenzij de ambtenaar ervoor kiest zijn deeltijdbetrekking uit te breiden naar evenredigheid van de uitbreiding van 36 uur naar 38 uur per week.

2. De keuze kan vanaf 1 mei 2011 worden gemaakt doch dient uiterlijk op 30 juni 2011 aan het bevoegd gezag kenbaar te worden gemaakt.

Artikel 99h

Met ingang van 1 juli 2021 wordt de betrekkingsomvang van de ambtenaar die is aangesteld met een arbeidstijd van gemiddeld meer dan 36 uur per week gewijzigd in een betrekkingsomvang van gemiddeld 36 uur per week, tenzij hij vóór 1 juli 2021 een aanvraag indient om de betrekkingsomvang ongewijzigd te laten.

Artikel 99i

1. Individuele of persoonsgebonden rechten, toegekend bij besluit van het bevoegd gezag, blijven bij overgang naar een functie naar aanleiding van de invoering van het LFNP in stand.

2. De ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak behoudt zijn aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak indien hij naar aanleiding van de invoering van het LFNP, overgaat naar een administratief technische functie.

Artikel 99j

1.Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 12, vierde lid, onderdeel b, voor 1 januari 2007 een of meer feest- of gedenkdagen had aangewezen anders dan Goede Vrijdag, wordt voor de ambtenaren van dat korps het aantal te werken uren per jaar verminderd:

a. met 75% van 7,2 uur in 2009 en de daaropvolgende twee jaren respectievelijk met 50% en 25% van 7,2 uur, vanwege de eerste aangewezen feest- of gedenkdag

b. met 100% van 7,2 uur in 2009 tot en met 2011 en met 85% van 7,2 uur in 2012 en de daaropvolgende vier jaren respectievelijk met 65%, 50%, 35% en 15% van 7,2 uur, vanwege de tweede aangewezen feest- of gedenkdagen.

2.Indien het bevoegd gezag aangewezen feest- of gedenkdagen anders dan Goede Vrijdag voor 1 januari 2007 heeft toegevoegd aan de aanspraak op vakantie op grond van artikel 17, eerste lid, van dit besluit, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3.Voor een ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de in het eerste en tweede lid bedoelde vermindering van het aantal te werken uren per jaar naar evenredigheid toegepast.

Artikel 100

1. De artikelen 12, 12a, 13, eerste tot en met derde lid, 15 tot en met 25, 28, 43 tot en met 48, 58, 61, 62, 64, 71 en 72 zijn op de aspirant niet van toepassing, met dien verstande dat artikel 12 en 12a wel van toepassing zijn op de aspirant gedurende het praktische opleidingsdeel.

2. De artikelen 13, 15 tot en met 28, 43 tot en met 48, 58, 59, 61, 64, en 71 zijn op de vakantiewerker niet van toepassing.

Artikel 101

De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen genoemd in dit besluit, met uitzondering van die, genoemd in artikel 51, tweede en derde lid.

Artikel 102

Het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, het Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958, het Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel 1958, het Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1964, en de Rechtspositieregeling opleiding ter verkrijging van het diploma van inspecteur van gemeentepolitie of officier der rijkspolitie worden ingetrokken.

Artikel 102a

Dit besluit berust op artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012.

Artikel 103

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.

Artikel 104

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene rechtspositie politie.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 16 maart 1994

 

BEATRIX

 

De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn

 

Uitgegeven de negenentwintigste maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn

 

 

Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

 

Niet operationele functies

Administratief Secretarieel Medewerker

Administratief Secretarieel Medewerker A

Administratief Secretarieel Medewerker B

Bedrijfsvoeringspecialist A

Bedrijfsvoeringspecialist B

Bedrijfsvoeringspecialist C

Bedrijfsvoeringspecialist D

Bedrijfsvoeringspecialist E

Bedrijfsvoeringspecialist F

Chauffeur (HSM)

Directiesecretaresse/Office Manager

Gespecialiseerd Medewerker A

Gespecialiseerd Medewerker B

Gespecialiseerd Medewerker C

Gezagvoerder Binnenvaart

Gezagvoerder Zeevaart

Gezagvoerder Zeevaart Beperkte Inzet

Medewerker Huisvesting, Services en Middelen A

Medewerker Huisvesting, Services en Middelen B

Medewerker Huisvesting, Services en Middelen C

Medewerker Huisvesting, Services en Middelen D

Medewerker Techniek A

Medewerker Techniek B

Medewerker Techniek C

Medewerker Techniek D

Secretarieel Medewerker

Stuurman Zeevaart

Teamchef A

 

 

Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

 

Operationele functies

Assistent Beveiliging A

Assistent Beveiliging B

Assistent Forensische Opsporing

Assistent GGP A

Assistent GGP B

Assistent Intake & Service A

Assistent Intake & Service B

Chef Vlieger

Generalist Beveiliging

Generalist Forensische Opsporing

Generalist GGP

Generalist Intake & Service

Generalist Intelligence

Generalist Interventie

Generalist Meldkamer

Generalist Observatie

Generalist Tactische Opsporing

Medewerker Beveiliging

Medewerker Forensische Opsporing

Medewerker GGP

Medewerker Intake & Service

Medewerker Intelligence

Medewerker Observatie

Medewerker Tactische Opsporing

Operationeel Expert Beveiliging

Operationeel Expert Forensische Opsporing

Operationeel Expert GGP

Operationeel Expert Informantenrunner

Operationeel Expert Intake & Service

Operationeel Expert Intelligence

Operationeel Expert Interventie

Operationeel Expert Meldkamer

Operationeel Expert Observatie

Operationeel Expert Tactische Opsporing

Operationeel Specialist A

Operationeel Specialist B

Operationeel Specialist C

Operationeel Specialist D

Operationeel Specialist E

Operationeel Specialist F

Politie Vlieger

Senior Beveiliging

Senior Forensische Opsporing

Senior GGP

Senior Informantenrunner

Senior Intake & Service

Senior Intelligence

Senior Interventie

Senior Meldkamer

Senior Observatie

Senior Tactische Opsporing

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Politiewet 2012 | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x