| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
BESLUIT
BEHEER REGIONALE POLITIEKORPSEN
Tekst zoals deze geldt op
20 juli 2012
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2013
|
|
|
BESLUIT van 28 maart 1994, houdende regels met
betrekking tot het beheer van de regionale politiekorpsen en maatregelen
jegens ingeslotenen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie,
van 2 december 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en
Veiligheid, directie Politie, nr. EA93/U3429, en Stafafdeling Wetgeving
Publiekrecht, nr. 411040/93/6;
Gelet op de artikelen 9, vierde lid, 45, eerste
lid, en 47, eerste lid, van de Politiewet 1993;
Gezien het advies van de Registratiekamer van
26 oktober 1993, kenmerk 93.A.10;
De Raad van State gehoord (advies van 15
februari 1994, nr. W04.93.0813);
Gezien het nader rapport van Onze Ministers van
Binnenlandse Zaken en van Justitie, van 24 maart 1994,
directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie,
nr. EA94/U1029, en Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 431498/94/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
b. korpsbeheerder: de burgemeester, bedoeld in artikel 23, eerste
lid, van de Politiewet 1993;
c. ingeslotene: de persoon die rechtens van zijn vrijheid is
beroofd, alsmede de persoon die ten behoeve van de hulpverlening aan
hem op een bureau van een regionaal politiekorps is ondergebracht;
d. politiecellencomplex: een in een gebouw te onderscheiden
ruimte waarin een of meer gangen met daaraan grenzend een of meer
ruimten liggen die worden gebruikt voor het insluiten van personen.
Hoofdstuk 2. Informatievoorziening
Artikel 2 [Vervallen per 17-05-2002]
Artikel 3 [Vervallen per 01-05-2006]
Artikel 3a [Vervallen per 01-05-2006]
Hoofdstuk 3. Organisatie
Artikel 4
1. Het regionale politiekorps draagt ten behoeve van de opsporing
van strafbare feiten zorg voor het inrichten van de recherchefunctie.
2. Een lid van de leiding van het regionale politiekorps, bedoeld
in artikel 25, derde lid, van de Politiewet 1993, is in het bijzonder
verantwoordelijk voor de recherchefunctie van het regionale
politiekorps.
3. Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met
andere politiekorpsen, ten behoeve van de uitoefening van de
recherchefunctie over voorzieningen op het gebied van:
a. tactische recherche,
b. technische recherche,
c. financiële recherche,
d. digitale recherche, en
e. informatievoorziening.
4. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen voorzieningen
op andere gebieden dan die, genoemd in het derde lid, aanwijzen
waarover het regionale politiekorps beschikt ten behoeve van de
uitoefening van de recherchefunctie.
5. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen regels geven
over de taken en de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van de
uitoefening van de recherchefunctie.
6. Met inachtneming van de regels, bedoeld in het vijfde lid, kan
Onze Minister regels geven over het beheer van de voorzieningen
bedoeld in het derde en vierde lid. Indien deze regels voorschriften
bevatten die aan de inrichting van de voorzieningen worden gesteld,
worden zij gegeven door Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie.
Artikel 4a [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 5
1. Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met
andere politiekorpsen, over een eenheid die is belast met het, ten
behoeve van de recherchefunctie, verwerken van gegevens die
noodzakelijk zijn voor de opsporing van misdrijven als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens.
2. Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met
andere politiekorpsen, over een eenheid die is belast met de
uitvoering van een bevel tot observatie als bedoeld in de artikelen
126g en 126o van het Wetboek van Strafvordering.
3. Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met
andere politiekorpsen, over een eenheid die is belast met de
uitvoering van een bevel tot infiltratie als bedoeld in artikel 126h,
eerste lid, of artikel 126p, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering en met de begeleiding van personen die op grond van
artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering bijstand verlenen aan
de opsporing. Daarnaast kan deze eenheid worden belast met de
uitvoering van een bevel tot pseudo-koop of pseudo-dienstverlening als
bedoeld in artikel 126i, eerste lid, of artikel 126ij, eerste lid, van
het Wetboek van Strafvordering en een bevel tot stelselmatige
inwinning van informatie als bedoeld in artikel 126j, eerste lid, of
artikel 126qa, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
4. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen regels geven
over de taken en de uitvoering van werkzaamheden van de eenheden,
bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
5. Met inachtneming van de regels, bedoeld in het vierde lid, kan
Onze Minister regels geven over het beheer van de eenheden, bedoeld in
het eerste, tweede en derde lid. Indien deze regels voorschriften
bevatten die aan de organisatie van de eenheden worden gesteld, worden
zij gegeven door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Justitie.
Artikel 5a
De regionale politiekorpsen werken onderling en met het Korps
landelijke politiediensten samen op het terrein van de voorzieningen en
eenheden die, overeenkomstig de artikelen 4 en 5, zijn ingericht ten
behoeve van de recherchefunctie.
Artikel 5b
Het regionale politiekorps houdt, zelfstandig of samen met andere
politiekorpsen, ten behoeve van de recherchefunctie een gegevensbestand
voor de verwerking van politiegegevens, bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens. Het bestand wordt
aangelegd en gehouden bij de eenheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
Artikel 5c [Vervallen per 01-02-2000]
Artikel 6
1. Het regionale politiekorps beschikt over een organisatie van
mobiele eenheden ten behoeve van de volgende werkzaamheden:
a. het optreden ter handhaving van de openbare orde en
hulpverlening in het bijzonder bij grootschalige manifestaties en
evenementen,
b. het uitvoeren van evacuaties,
c. het bewaken en beveiligen van objecten,
d. het optreden bij crises en rampen,
e. het uitvoeren van zoekacties en
f. het aanhouden van ordeverstoorders.
2. Onze Minister geeft nadere regels over de organisatie, de
sterkte ten behoeve van de bijstand en de paraatheid van de mobiele
eenheden. Indien deze regels voorschriften bevatten die met het oog op
de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder f, worden gesteld,
worden zij gegeven door Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie.
Artikel 7
1. Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met
een of meer andere regionale politiekorpsen, over een staf die ten
behoeve van het bevoegd gezag zorgdraagt voor de coördinatie van
grootschalig politie-optreden.
2. Onze Minister kan regels geven over de organisatie van de in het
eerste lid bedoelde staf. Indien deze regels voorschriften bevatten
die ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde
dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie worden
gesteld, worden zij gegeven door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Justitie.
Artikel 8
1. Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met
een of meer andere regionale politiekorpsen, over een eenheid die
uitsluitend tot taak heeft, indien redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of
anderen dreigen, de volgende werkzaamheden uit te voeren:
a. het verrichten van planmatige aanhoudingen,
b. het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten,
c. het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het
transport van getuigen, verdachten of gedetineerden,
d. het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten en
e. andere werkzaamheden waarvoor toestemming is verkregen van
Onze Ministers.
2. Onze Minister geeft regels over het beheer van de eenheid,
bedoeld in het eerste lid. Indien deze regels voorschriften bevatten
die aan de organisatie van de eenheid moeten worden gesteld, worden
zij gegeven door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Justitie.
Artikel 9 [Vervallen per 02-05-2007]
Artikel 10
1. De korpsbeheerder houdt binnen het regionale politiekorps
ambtenaren van politie ter beschikking ten behoeve van het
rampenidentificatieteam politie.
2. Onder het rampenidentificatieteam politie wordt verstaan een
eenheid die wordt ingezet voor:
a. het verlenen van assistentie aan een politiekorps bij
berging en identificatie van slachtoffers bij rampen, of in die
gevallen waarin identificatie van slachtoffers technisch
bijzondere moeilijkheden oplevert;
b. [Red: Bij Stb. 1999/501 wordt i.p.v onderdeel a, onderdeel b
gewijzigd.] het verlenen van assistentie op verzoek van Onze
Minister van Buitenlandse Zaken bij identificatie van slachtoffers
van calamiteiten buiten Nederland waarbij Nederlandse belangen in
het geding zijn;
c. het verlenen van assistentie op verzoek van Onze Minister
van Defensie bij identificatie van Nederlandse militairen buiten
Nederland.
3. De ambtenaren van politie, bedoeld in het eerste lid, worden
door de korpsbeheerder aangewezen op aanbeveling van de korpschef van
het Korps landelijke politiediensten, waarbij wordt aangegeven welke
functie de betrokken ambtenaar in het rampenidentificatieteam politie
zal vervullen. Zij zijn direct inzetbaar.
4. Onze Minister geeft regels over de organisatie, de
beschikbaarheid en de paraatheid van de eenheid, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 11
1. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen bepalen dat
een regionaal politiekorps, zelfstandig of samen met een of meer
andere regionale politiekorpsen, beschikt over een eenheid die is
belast met de uitvoering van een bijzonder onderdeel van de
politietaak.
2. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen regels geven
over de taken en de uitvoering van werkzaamheden van de eenheid,
bedoeld in het eerste lid.
3. Met inachtneming van de regels, bedoeld in het tweede lid, kan
Onze Minister regels geven over het beheer van de eenheid, bedoeld in
het eerste lid. Indien deze regels voorschriften bevatten die ten
behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel
de vervulling van taken ten dienste van de justitie, aan de
organisatie van een eenheid worden gesteld, worden zij gegeven door
Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
4. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat een eenheid als
bedoeld in het eerste lid, beschikt over voldoende kennis en
deskundigheid ten aanzien van het desbetreffende onderdeel van de
politietaak.
Artikel 11a
Onze Minister kan eenheden aanwijzen, bestaande uit ambtenaren van
politie van een of meer regionale politiekorpsen, die zijn belast met
het waken voor de veiligheid van daartoe door het bevoegd gezag
aangewezen personen.
Hoofdstuk 4. Bekwaamheid
Artikel 12
De korpsbeheerder stelt de ambtenaar van politie in de gelegenheid de
noodzakelijke training en opleiding te volgen.
Hoofdstuk 5. Uitrusting
Artikel 13
Onze Minister geeft regels met betrekking tot het
politielegitimatiebewijs en het gebruik van de politiehuisstijl.
Artikel 14 [Vervallen per 17-05-2002]
Hoofdstuk 6. Ingeslotenen
Artikel 15
1. De korpsbeheerder treft voorzieningen opdat de ingeslotene in
ieder geval beschikt over:
a. slaapgelegenheid,
b. eten en drinken in overeenstemming met medische en
levensbeschouwelijke of godsdienstige eisen,
c. sanitair,
d. de noodzakelijke medische zorg en
e. informatie over de gang van zaken in het
politiecellencomplex.
2. Tenzij het politiecellencomplex geen luchtplaats heeft, draagt
de korpsbeheerder er zorg voor dat de ingeslotene tweemaal daags wordt
gelucht.
3. In verband met het eerste lid, onder d, treft de korpsbeheerder
een regeling met artsen in de regio ten einde van hulp verzekerd te
zijn voor de medische zorg van ingeslotenen.
4. Met inachtneming van het bij of krachtens de wet bepaalde treft
de korpsbeheerder een regeling met betrekking tot het roken, de
ontspanning, het telefoneren en het ontvangen van bezoek van de
ingeslotene.
5. Onze Minister geeft regels over de inrichting van een
politiecellencomplex.
6. Onze Minister en Onze Minister van Justitie wijzen de gegevens
aan die worden geregistreerd over ingeslotenen.
7. In geval van overlijden of poging tot zelfdoding van een
ingeslotene draagt de korpsbeheerder er zorg voor dat het openbaar
ministerie hiervan onverwijld in kennis wordt gesteld en dat aan Onze
Minister en Onze Minister van Justitie hiervan een schriftelijk
rapport wordt gezonden. Onze Minister stelt voor het rapport een model
vast.
Artikel 16
1. De korpsbeheerder wijst een ambtenaar van politie aan die wordt
belast met de leiding van het politiecellencomplex en het toezicht op
de ingeslotenen.
2. Met inachtneming van de artikelen 26, 27 en 32 tot en met 36 van
de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de
buitengewoon opsporingsambtenaar stelt de korpsbeheerder een
instructie vast voor het personeel, niet zijnde ambtenaren van
politie, dat is belast met de zorg voor ingeslotenen.
3. Onze Minister kan regels geven over de eisen van bekwaamheid
waaraan het personeel, bedoeld in het tweede lid, moet voldoen.
Artikel 16a
1. De korpsbeheerder stelt ten behoeve van de
politiecellencomplexen in zijn regio een commissie van toezicht in,
bestaande uit ten minste drie en ten hoogste twaalf, onafhankelijke
leden.
2. De commissie heeft in ieder geval tot taak:
a. toezicht te houden op de huisvesting, veiligheid, verzorging
en bejegening van ingeslotenen in de politiecellencomplexen;
b. jaarlijks rapport uit te brengen aan de korpsbeheerder over
haar werkzaamheden;
c. gevraagd en ongevraagd aan de korpsbeheerder advies uit te
brengen en inlichtingen te geven omtrent aangelegenheden
betreffende de politiecellencomplexen.
3. De commissie van toezicht kan door de korpsbeheerder tevens
worden belast met de behandeling van en de advisering over klachten
als bedoeld in artikel 61 van de Politiewet 1993, voor zover die
klachten betrekking hebben op aangelegenheden betreffende de
politiecellencomplexen.
4. De korpsbeheerder stelt regels vast over de voor een adequate
taakvervulling benodigde bevoegdheden, de samenstelling en de
werkwijze van de commissie van toezicht, de benoeming en het ontslag
van haar leden.
5. Bij de samenstelling van de commissie wordt rekening gehouden
met de benodigde maatschappelijke en bestuurlijke deskundigheid en
ervaring van de leden.
6. Jaarlijks zendt de korpsbeheerder een verslag van de
werkzaamheden en bevindingen van de commissie van toezicht aan Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Hoofdstuk 7. Informatie over het beheer
Artikel 17
1. De korpsbeheerder verstrekt Onze Minister periodiek gegevens
over de omvang en samenstelling, alsmede over de werkdruk en de
taakuitvoering van het regionale politiekorps.
2. Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, alsmede over de wijze waarop en
de frequentie waarmee deze gegevens aan hem worden verstrekt. Deze
gegevens worden door Onze Minister aan Onze Minister van Justitie ter
beschikking gesteld.
3. Onze Minister doet jaarlijks verslag van de verkregen gegevens
aan Onze Minister van Justitie en aan de korpsbeheerders.
4. De korpsbeheerder verstrekt op verzoek van Onze Minister de
gegevens die Onze Minister of Onze Minister van Justitie overigens
noodzakelijk acht.
Hoofdstuk 8. Archieven
Artikel 18
1. De korpsbeheerder draagt overeenkomstig door het regionale
college vast te stellen regels zorg voor de archiefbescheiden van de
regio, voor zover deze niet zijn overgebracht naar een
archiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 31 van de Archiefwet 1995.
2. Het regionale college zendt de regels, bedoeld in het eerste
lid, aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de gemeente is
gelegen waarvan de burgemeester korpsbeheerder is.
3. De kosten van de bewaring van archiefbescheiden van de regio in
een archiefbewaarplaats en de kosten van het toezicht op het beheer
van de archiefbescheiden van de regio, voor zover deze niet zijn
overgebracht naar de archiefbewaarplaats, komen ten laste van de
regio.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 19
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de
Politiewet 1993 in werking treedt.
Artikel 20
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beheer regionale
politiekorpsen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 28 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
Uitgegeven de eenendertigste maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
|
|
|