|
BESLUIT van 16 maart 1994, houdende vaststelling van
regels ten aanzien van de bezoldiging van de politie
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november
1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie
Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening,
afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3219;
Gelet op artikel 50, eerste lid, van de
Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 7
februari 1994, nr. W04.93.0763;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare
Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs
en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr.
EA94/419;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
1. Dit besluit verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. aspirant: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld
als aspirant en die is toegelaten tot een initiële opleiding;
c. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:
de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van
de Politiewet 1993, met uitzondering van de aspirant gedurende het
theoretische opleidingsdeel;
d. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de
ambtenaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de
Politiewet 1993, waarbij voor de toepassing van dit besluit de
ambtenaar, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b,
van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs, werkzaam bij het
LSOP en de ambtenaar werkzaam bij een voorziening tot
samenwerking, worden gelijkgesteld met ambtenaren van politie,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet
1993;
e. bijzondere ambtenaar van politie: de ambtenaar, bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van de Politiewet 1993;
f. vakantiewerker: een scholier of student die ten tijde van
onderbreking van zijn opleiding wegens vakantie voor een periode
van ten hoogste acht weken is aangesteld voor het verrichten van
ondersteunende werkzaamheden;
g. voorziening tot samenwerking: een publiekrechtelijke
rechtspersoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de
Politiewet 1993;
h. het LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut
politie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het LSOP en het
politieonderwijs;
i. ambtenaar: de aspirant, de ambtenaar, aangesteld voor de
uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de
uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten
dienste van de politie, de bijzondere ambtenaar van politie en de
vakantiewerker;
j. bevoegd gezag:
1°. de korpsbeheerder, voor zover het betreft de aspirant,
de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak
en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie,
die werkzaam is bij een regionaal politiekorps;
2°. Onze Minister, voor zover het betreft de aspirant, de
ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en
de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de technische,
administratieve en andere taken ten dienste van de politie,
die werkzaam is bij het Korps landelijke politiediensten;
3°. Onze Minister van Justitie, voor zover het betreft de
bijzondere ambtenaar van politie;
4°. de raad van toezicht van het LSOP, voor zover het
betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
5°. het college van bestuur van het LSOP, voor zover het
betreft de ambtenaren, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
6°. het algemeen bestuur van een voorziening tot
samenwerking, voor zover het betreft de ambtenaren aangesteld
bij de desbetreffende voorziening tot samenwerking;
k. volledige betrekking: een betrekking die een arbeidstijd van
gemiddeld 36 uur per week omvat;
l. deelbetrekking: een betrekking die een arbeidstijd van
gemiddeld minder dan 36 uur per week omvat;
m. salaris: het bedrag dat met inachtneming van de bepalingen
van dit besluit voor de ambtenaar is vastgesteld aan de hand van
één van de bijlagen van dit besluit;
n. salaris per uur: 1/157 deel van het salaris bij een
volledige betrekking;
o. salarisschaal: een als zodanig in één van de bijlagen van
dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen;
p. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal, die
in een salarisschaal bij een salaris is vermeld;
q. maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal;
r. functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar
te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het
daartoe bevoegde gezag is opgedragen;
s. toelagen: alle toelagen waarop ingevolge dit besluit
aanspraak bestaat;
t. vergoedingen: alle vergoedingen waarop ingevolge dit besluit
aanspraak bestaat;
u. uitkeringen: alle uitkeringen waarop ingevolge dit besluit
aanspraak bestaat;
v. bezoldiging: de som van het salaris, de toelagen, met
uitzondering van de toelage, bedoeld in artikel 16, eerste lid,
alsmede de uitkering, bedoeld in artikel 25a, indien Onze Minister
zulks bepaalt;
w. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
artikel 18, eerste lid van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
x. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de
Arbeidsomstandighedenwet;
y. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast
is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b
of c, van die wet;
z. beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar
oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze
moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of
onvoorzichtigheid is te wijten, of een beroepsziekte als bedoeld
in artikel 16, eerste lid, van de Regeling vredesmissies politie;
aa. dienstongeval: een ongeval, welke in overwegende mate zijn
oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze
moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of
onvoorzichtigheid is te wijten, of een ongeval als bedoeld in
artikel 16, eerste lid, van de Regeling vredesmissies politie;
bb. beroepsincident: een dienstongeval of een beroepsziekte
voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks
verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar
zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;
cc. herplaatsen: het op grond van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opdragen van een andere
functie of de eigen functie onder andere voorwaarden;
dd. herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld
in hoofdstuk 9 van het Pensioenreglement;
ee. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als
bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement;
ff. medisch advies: een advies van de deskundige persoon of de
arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een
arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18, van
de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 50 van het Besluit algemene
rechtspositie politie;
gg. gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is
verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
hh. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
ii. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om
redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
kan worden gevergd;
jj. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
kk. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds
ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
ll. AFUP-opbouwreglement: het reglement bedoeld in artikel
2.4b, tweede lid, van het pensioenreglement;
mm. AFUP: de in het AFUP-opbouwreglement neergelegde regeling;
nn. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
oo. WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;
pp. ZW: de Ziektewet;
qq. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de
Ziektewet;
rr. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge
artikel 19 van de Ziektewet;
ss. initiële opleiding: een door Onze Minister in
overeenstemming met de Minister van Justitie aangewezen opleiding,
gericht op de voorbereiding van de uitvoering van algemene
politietaken waarvoor in het kader van de landelijke
kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 14 van de Wet op het
LSOP en het politieonderwijs, competentiegerichte eindtermen zijn
vastgesteld;
tt. theoretisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin
de aspirant aan een opleidingsinstituut in het kader van de
initiële opleiding onderwijs volgt;
uu. praktisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de
aspirant de politietaak bij een regionaal politiekorps of bij het
Korps landelijke politiediensten uitvoert in het kader van de
initiële opleiding.
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of
echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de
niet-gehuwde ambtenaar die met een levenspartner samenwoont en – met
het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke
huishouding voert op basis van een notarieel verleden
samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en
verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke
huishouding. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de
achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven
levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot
of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Het
bevoegd gezag kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een
notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract
als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.
Artikel 2
De bepaling van de salarisschaal, de waardering van de functie, de
vaststelling, de toekenning, de intrekking, de verhoging
onderscheidenlijk de vermindering van het salaris, de toelagen, de
vergoedingen, de uitkeringen, de tegemoetkoming in de
representatiekosten, het salaris van de aspirant, en de gratificatie
geschieden door het bevoegd gezag.
Artikel 3
1. Voor de aspirant geldt een salarisschaal die is opgenomen in
bijlage II van dit besluit.
2. Bij aanstelling wordt het salaris vastgesteld:
a. op het minimumbedrag van schaal 2a, voor de aspirant die een
opleiding volgt op niveau 2;
b. op het minimumbedrag van schaal 3a, voor de aspirant die een
opleiding volgt op niveau 3;
c. op het minimumbedrag van schaal 4a, voor de aspirant die een
opleiding volgt op niveau 4;
d. op het minimumbedrag van schaal 5a, voor de aspirant die een
opleiding volgt op niveau 5;
e. op het minimumbedrag van schaal 6a, voor de aspirant die een
opleiding volgt op niveau 6.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt voor de aspirant
die direct voorafgaand aan de datum van aanstelling ten minste twaalf
maanden aaneengesloten inkomen uit arbeid genoot het salaris bij
aanstelling zodanig vastgesteld dat het salaris, vermeerderd met de
vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, gelijk is dan wel direct
ligt onder dit genoten inkomen:
a. in de volgens het tweede lid bij het opleidingsniveau
behorende salarisschaal, of
b. in de na afronding van de opleiding toepasselijke
salarisschaal, bedoeld in het zevende lid, met dien verstande dat
het salaris ten hoogste wordt vastgesteld op salarisregel 6 van de
salarisschalen 4, 8 of 9, dan wel ten hoogste op salarisregel 7
van de salarisschalen 6 of 7.
4. Voor de hoogte van het inkomen uit arbeid, bedoeld in het derde
lid, wordt uitgegaan van het gemiddelde vaste bruto inkomen over de
periode van twaalf maanden, vermeerderd met de vakantie-uitkering en
met een eventuele eindejaarsuitkering of dertiende maand.
5. Indien de aspirant, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel
van het bevoegd gezag naar behoren functioneert, wordt het salaris
telkens na het verstrijken van de periode die in de desbetreffende
salarisschaal staat vermeld verhoogd tot het naasthogere bedrag in de
schaal.
6. Indien de aspirant
a. die is ingeschaald zoals bedoeld in het derde lid onderdeel
a, naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren
functioneert, wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot
het naasthogere bedrag in de bij het opleidingsniveau behorende
salarisschaal. Zodra het maximum van die salarisschaal is bereikt
wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot het
naasthogere bedrag in de na afronding van de opleiding
toepasselijke salarisschaal, tot maximaal salarisregel 5 van die
schaal.
b. die is ingeschaald zoals bedoeld in het derde lid onderdeel
b, naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren
functioneert, wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot
het naasthogere bedrag in de na afronding van de opleiding
toepasselijke salarisschaal, tot ten hoogste het in het derde lid,
onderdeel b, bedoelde salarisregel.
7. Na het succesvol afronden van de opleiding vindt aanstelling
plaats:
a. in een functie waaraan salarisschaal 4 is verbonden van de
aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 2;
b. in een functie waaraan salarisschaal 6 is verbonden van de
aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 3;
c. in een functie waaraan salarisschaal 7 is verbonden van de
aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 4;
d. in een functie waaraan ten minste salarisschaal 8 is
verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op
niveau 5;
e. in een functie waaraan ten minste salarisschaal 9 is
verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op
niveau 6,
waarbij het salaris wordt vastgesteld op een bedrag dat gelijk is
aan of hoger is dan het bij het desbetreffende opleidingsniveau
behorende garantiebedrag zoals genoemd in bijlage III van dit besluit.
8. In uitzonderlijke individuele situaties kan het bevoegd gezag
ten gunste van de aspirant afwijken van de leden twee tot en met zes.
Artikel 3 bis
1. In afwijking van artikel 3, eerste tot en met zesde lid, wordt
voor aspiranten die de opleiding beginnen in de periode van 1 november
2010 tot en met 31 oktober 2013 het op grond van artikel 3, eerste tot
en met zesde lid, geldende salaris gedurende de gehele
opleidingsperiode gedurende het theoretisch opleidingsdeel met 50%
verminderd. Artikel 17a is niet van toepassing.
2. Onze Minister kan, in afwijking van het eerste lid, besluiten de
vermindering van de salarissen van de aspiranten, bedoeld in het
eerste lid, gelijkelijk te verdelen over het theoretische en het
praktische opleidingsdeel.
3. Het bevoegd gezag kan, in geval van langdurige ziekte bij een
aspirant, die op grond van dit artikel zijn salaris ontvangt,
besluiten de vermindering van het salaris, bedoeld in het eerste lid,
buiten beschouwing te laten.
Artikel 3a
1. Het salaris van de vakantiewerker wordt vastgesteld op het
maandbedrag van het minimumloon dat krachtens de artikelen 7 en 8 van
de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van
dezelfde leeftijd als de vakantiewerker, aangevuld met € 80,75 per
maand.
2. Het salaris, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met
15,7%.
Artikel 4
1. Het salaris, de toelagen en de vergoedingen worden maandelijks
betaald.
2. De aanspraak op het salaris, de toelagen, de vergoedingen en de
uitkeringen vangt aan met ingang van de dag waarop de aanstelling
ingaat.
3. Wanneer het salaris, een toelage als bedoeld in de artikelen 15,
16, 17, 19, 20 en 21 of een uitkering als bedoeld in artikel 23,
tweede lid, moet worden berekend over een gedeelte van een
kalendermaand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het
maandbedrag te delen door het aantal dagen van de desbetreffende
kalendermaand.
Artikel 4a
1. Op de ambtenaar die deelnemer is in het AFUP-opbouwreglement
wordt door het bevoegd gezag de helft van de voor het algemeen deel
van de AFUP verschuldigde pensioenpremie verhaald.
2. In afwijking van het eerste lid verhaalt het bevoegd gezag:
a. in het jaar 2001 10% van de premie voor het algemeen deel
van de AFUP;
b. in het jaar 2002 20% van de premie voor het algemeen deel
van de AFUP;
c. in het jaar 2003 30% van de premie voor het algemeen deel
van de AFUP;
d. in het jaar 2004 40% van de premie voor het algemeen deel
van de AFUP.
3. Op de bezoldiging van de ambtenaar, bedoeld in artikel 88,
eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt in
de periode voorafgaand aan de dag waarop zijn ontslag ingaat, een
bedrag ingehouden dat gelijk is aan het gedeelte van de voor het
algemeen deel van de AFUP verschuldigde pensioenpremie dat op hem
verhaald zou zijn als hij deelnemer zou zijn geweest in het
AFUP-opbouwreglement.
Artikel 5
De ambtenaar ontvangt geen bezoldiging over de tijd gedurende welke
hij opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten.
Hoofdstuk 2. Salaris
Artikel 6
1. Voor de ambtenaar geldt een salarisschaal.
2. Voor de bepaling van de salarisschaal wordt de functie van de
ambtenaar gewaardeerd en ingedeeld op grond van een bij regeling van
Onze Minister vast te stellen systeem van functiewaardering.
3. Indien nog geen sprake is van volledige functievervulling, geldt
voor de ambtenaar voor de duur van een jaar een lagere salarisschaal
dan voor hem op grond van het tweede lid zou gelden. Het bevoegd gezag
kan beslissen om de periode van een jaar tot twee jaar te verlengen.
4. Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een
andere functie uitoefent, blijft de voordien voor de ambtenaar
geldende salarisschaal van toepassing.
5. Anders dan bij wijze van disciplinaire straf op grond van
hoofdstuk IX van het Besluit algemene rechtspositie politie, kan
zonder voorafgaand ontslag, niet zijnde een ontslag dat de ambtenaar
is verleend om een initiële opleiding te gaan volgen, voor een
ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris
dan dat van de reeds voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing indien:
a. bij de bepaling van de salarisschaal, bedoeld in het tweede
lid, tevens is bepaald dat de functie van de ambtenaar een
tijdelijk karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee
slechts tijdelijk zal gelden;
b. indien de ambtenaar in verband met ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een
andere functie;
c. het salaris van de ambtenaar na het succesvol afronden van
de opleiding wordt vastgesteld, met toepassing van artikel 3,
zevende lid;
d. indien de ambtenaar, die is aangewezen als
herplaatsingkandidaat als bedoeld in hoofdstuk VII.B van het
Besluit algemene rechtspositie politie, wordt herplaatst in een
andere functie.
7. De lagere salarisschaal op grond van
het zesde lid, onderdeel d, gaat niet eerder voor de ambtenaar gelden
dan vijf jaar nadat hij is herplaatst. Afhankelijk van het aantal
dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van vijf jaar verlengd
overeenkomstig de hierna volgende tabel:
|
dienstjaren: |
verlenging: |
|
25 of meer dienstjaren |
één jaar |
|
30 of meer dienstjaren |
twee jaren |
|
35 of meer dienstjaren |
drie jaren |
|
40 of meer dienstjaren |
vier jaren |
8. De lagere salarisschaal uit het
zesde lid, onderdeel d, en het zevende lid, geldt niet indien de
uitzondering van artikel 55ra van het Besluit algemene rechtspositie
politie van toepassing is.
9. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om,
indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden ten minste een jaar
wezenlijk afwijken van zijn functie, de werkzaamheden en de functie met
elkaar in overeenstemming te brengen. Onze Minister stelt regels vast
over de behandeling van deze aanvraag.
10. Voor de ambtenaar die in het kader van een detachering, bedoeld
in artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie, tijdelijk
een andere functie uitoefent waaraan op grond van artikel 6, tweede lid,
een hogere salarisschaal is verbonden, geldt deze hogere salarisschaal.
Artikel 6a [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 7
1. De ambtenaar die zich niet kan verenigen met de waardering van
de voor hem geldende functie, bedoeld in artikel 6, tweede lid, kan
het bevoegd gezag verzoeken deze waardering in heroverweging te nemen.
2. Onze Minister stelt regels over de behandeling van het verzoek,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8
1. Bij de aanstelling wordt het salaris vastgesteld op het minimum
van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal van bijlage I bij dit
besluit.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken door het toekennen van
een hoger salaris in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal,
indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding
bestaat.
Artikel 9
1. Het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd tot het naasthogere
bedrag in de schaal, indien deze naar het oordeel van het bevoegd
gezag de functie naar behoren vervult.
2. Het salaris van de ambtenaar kan worden verhoogd tot een hoger
bedrag in de schaal, indien deze naar het oordeel van het bevoegd
gezag de functie zeer goed of uitstekend vervult.
3. Vervult de ambtenaar de functie naar het oordeel van het bevoegd
gezag niet naar behoren, dan blijft de in het eerste lid bedoelde
salarisverhoging achterwege.
4. De in het eerste en tweede lid bedoelde salarisverhoging wordt
voor de eerste maal toegekend met ingang van de eerste dag van de
maand waarin sinds de aanstelling een jaar is verstreken en nadien
telkens na één jaar, tot het maximumsalaris van de geldende
salarisschaal is bereikt.
5. Het tijdstip waarop ingevolge het vierde lid een
salarisverhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd ingeval daartoe
naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.
6. Het oordeel van het bevoegd gezag over het vervullen van de
functie door de ambtenaar, bedoeld in het tweede of derde lid, is
gebaseerd op een bekrachtigde beoordeling als bedoeld in artikel 71,
tweede en vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie,
die betrekking heeft op een tijdvak dat eindigt binnen een jaar vóór
de datum van het oordeel, bedoeld in het tweede of derde lid.
7. Voor de ambtenaar die na het succesvol afronden van de opleiding
is aangesteld met toepassing van artikel 3, zevende lid, vindt de
eerstvolgende salarisverhoging in afwijking van het vierde lid plaats
een jaar na de laatste salarisverhoging, bedoeld in artikel 3, vijfde
of zesde lid.
8. In afwijking van het zevende lid vindt voor de ambtenaar die
tijdens de opleiding was ingeschaald op grond van artikel 3, derde
lid, onderdeel b, de eerstvolgende salarisverhoging plaats in de
eerstvolgende kalendermaand na het voltooien van de opleiding waarin
een geheel aantal jaren is verstreken sinds de aspirant het maximum
salarisbedrag op grond van artikel 3, zesde lid, onderdeel b, heeft
bereikt.
Artikel 10
1. Ingeval van indeling in een hogere schaal wordt, met
inachtneming van artikel 11, het salaris van de ambtenaar in de nieuwe
schaal vastgesteld op het salaris gelegen onmiddellijk boven het
salaris dat de ambtenaar genoot.
2. In bijzondere gevallen kan het salaris worden vastgesteld op een
hoger bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
3. Indien de datum van indeling in de hogere schaal samenvalt met
de datum waarop een verhoging als bedoeld in artikel 9, eerste of
tweede lid, plaatsvindt, vindt de indeling in de hogere schaal plaats
voor de verhoging, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid.
Artikel 11
Het salaris van de ambtenaar met een andere betrekking dan een
volledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het
salaris bij een volledige betrekking.
Hoofdstuk 3. Gratificatie
Artikel 12
Bij bijzondere prestaties kan een gratificatie worden toegekend.
Hoofdstuk 4. Inconveniëntentoelage
Artikel 13 [Vervallen per 07-11-1997]
Artikel 14
1. Aan de ambtenaar wordt een operationele toelage toegekend.
2. De operationele toelage wordt berekend per periode van vier
weken en bedraagt voor elk uur waarop de ambtenaar werkelijke dienst
verricht dan wel werkelijke dienst zou hebben verricht indien de
ambtenaar niet binnen een tijdvak van vier dagen direct daaraan
voorafgaande door het bevoegde gezag tot dienstverrichting op andere
tijdstippen geroepen was:
a. over de uren in het tijdvak van maandag tot en met donderdag
van 21.00 tot 07.00 uur, op vrijdag van 21.00 tot 22.00 uur, en op
zaterdag en zondag van 07.00 tot 22.00 uur, € 3,82; en
b. over de uren in het tijdvak van 22.00 tot 07.00 uur in de
weekendnachtdiensten, daaronder begrepen de diensten in de nacht
voor en de nacht na een weekend of een feestdag, genoemd in het
derde lid,€ 5,73.
3. Hetgeen in het tweede lid ten aanzien van het verrichten van
dienst op zaterdag en zondag is bepaald, geldt mede voor het
verrichten van dienst op de Nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de
Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag
waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd.
4. De operationele toelage wordt in gevallen van zwangerschap en
ziekte van de ambtenaar gesteld op het bedrag dat de ambtenaar in de
drie perioden van vier weken, onmiddellijk voorafgaande aan de periode
van vier weken waarin de ziekte is aangevangen, gemiddeld aan toelage
op grond van dit artikel heeft genoten.
Artikel 15
1. De ambtenaar van wie de bezoldiging voldoet aan de volgende
voorwaarden, wordt een aflopende toelage toegekend:
a. de bezoldiging van de betreffende ambtenaar heeft als gevolg
van het beëindigen of verminderen van de operationele toelage een
blijvende of tijdelijke verlaging ondergaan;
b. het gemiddelde bedrag dat de ambtenaar aan operationele
toelage heeft genoten in de twaalf maanden voorafgaande aan de
verlaging bedraagt ten minste 3% van het salaris van de ambtenaar
in de nieuwe situatie op het moment dat de verlaging ingaat;
c. de ambtenaar heeft, tenzij sprake is van een tijdelijke
verlaging van de bezoldiging als bedoeld onder a, direct
voorafgaande aan het tijdstip van de beëindiging of de
vermindering de operationele toelage gedurende ten minste twee
jaren zonder wezenlijke onderbreking genoten; en
d. het beëindigen of verminderen van de operationele toelage,
bedoeld onder a, is veroorzaakt buiten toedoen van de betrokken
ambtenaar zelf, tenzij de vermindering het gevolg is van een
verplaatsing of wijziging van de plaats van tewerkstelling op
eigen verzoek, dan wel een aanstelling in een andere functie
binnen het eigen korps op eigen verzoek, dan wel een aanstelling
bij een ander korps ten behoeve van het uitoefenen van een functie
bij een bovenregionale samenwerkingsvoorziening.
2. In afwijking van het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55
jaar of ouder wiens bezoldiging als gevolg van het beëindigen of
verminderen van de operationele toelage, bedoeld in artikel 14, een
blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, mits
de ambtenaar eerstbedoelde toelage direct voorafgaande aan het
tijdstip van deze beëindiging of vermindering ervan, gedurende
tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten en
mits wordt voldaan aan de in het eerste lid onder b en d genoemde
voorwaarden.
3. De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage na een blijvende
verlaging van de bezoldiging gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd
van 55 jaar bereikt en onmiddellijk vóór de aanvang van die toelage
gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking de
operationele toelage, bedoeld in artikel 14 heeft genoten, over in een
blijvende toelage als bedoeld in het tweede lid.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder wezenlijke
onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
5. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van
technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie
en geen deelnemer is zoals bedoeld in artikel B.3, tweede lid, van het
AFUP-opbouwreglement dan wel geen ambtenaar is als bedoeld in de
eerste volzin van artikel 88, eerste lid, van het Besluit algemene
rechtspositie politie, wordt in het tweede en derde lid van dit
artikel in plaats van «55 jaar» telkens gelezen: 60 jaar.
6. Onze Minister stelt nadere regels vast over de berekeningswijze
van de toelage en over de gevallen waarin sprake is van een blijvende
of tijdelijke verlaging van de bezoldiging als bedoeld in het eerste
lid.
Hoofdstuk 5. Overige toelagen
Artikel 16
1. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer
goede of uitstekende vervulling van de functie kan voor de duur van
een jaar een toelage worden toegekend aan de ambtenaar die het
maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt.
2. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer
goede of uitstekende vervulling van de functie en daartoe op grond van
bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan een toelage voor een
langere duur dan een jaar worden toegekend.
3. De toelage bedraagt voor de ambtenaar
a. ingedeeld in schaal 1 tot en met 9 van bijlage I van dit
besluit: ten hoogste 6% van het voor de ambtenaar geldende
maximumsalaris;
b. ingedeeld in schaal 10, 11, 12 of 13 van bijlage I van dit
besluit: ten hoogste 9% van het voor de ambtenaar geldende
maximumsalaris;
c. ingedeeld in schaal 14 of 15 van bijlage I van dit besluit:
ten hoogste 12% van het voor de ambtenaar geldende maximumsalaris;
d. ingedeeld in schaal 16, 17 of 18 van bijlage I van dit
besluit: ten hoogste 15% van het voor de ambtenaar geldende
maximumsalaris.
Artikel 16a [Vervallen per 22-12-2001]
Artikel 17
1. Aan de ambtenaar die bij wijze van waarneming tijdelijk een
functie uitoefent die bij toepassing van artikel 6, tweede lid, zou
leiden tot een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, kan voor de
duur van die waarneming een toelage worden toegekend. Onder waarneming
wordt verstaan het krachtens een daartoe strekkende aanwijzing van het
bevoegd gezag tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden
dat een andere functie vormt dan die van de ambtenaar zelf.
2. De toelage wordt, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig
zijn, slechts toegekend wanneer de waarneming een tijdvak van ten
minste dertig dagen heeft geduurd.
3. Bij volledige waarneming van de functie, bedoeld in het eerste
lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het
salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou
genieten, wanneer de salarisschaal met het hogere maximumsalaris met
ingang van de dag waarop de waarneming is begonnen, voor hem zou
hebben gegolden. Onder volledige waarneming wordt verstaan een
zodanige waarneming dat in plaats van de eigen functie het volledige
samenstel van werkzaamheden van de waargenomen functie, met de daarmee
gepaard gaande verantwoordelijkheden, wordt uitgeoefend.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt onder salaris mede
verstaan de toelagen, bedoeld in de artikelen 14, 15, 18 en 20.
5. Bij niet volledige waarneming wordt de toelage, afhankelijk van
de mate van onvolledigheid van de waarneming, vastgesteld op 50% of
75% van de toelage bij volledige waarneming.
6. De ambtenaar voor wie het een onderdeel is van de eigen functie
om als plaatsvervanger op te treden van degene wiens functie moet
worden waargenomen, komt bij niet volledige waarneming van die functie
niet in aanmerking voor een toelage.
Artikel 17a
1. Indien het salaris behorend bij een volledige werktijd minder is
dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 7,
8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor
werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt deze een
toelage toegekend ten bedrage van het verschil.
2. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige
betrekking, wordt de toelage als bedoeld in het eerste lid naar
evenredigheid vastgesteld.
Artikel 17b [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 18
1. Aan de ambtenaar aan wie consignatie wordt opgelegd, wordt,
behoudens het derde lid, een toelage toegekend. Onder consignatie
wordt verstaan het zich in opdracht van het daartoe bevoegde gezag
bereikbaar en beschikbaar houden teneinde bij oproep dienst te gaan
verrichten. Consignatie wordt slechts opgedragen boven de voor de
ambtenaar krachtens artikel 12 van het Besluit algemene rechtspositie
politie vastgestelde diensttijden.
2. Consignatie kan niet worden opgedragen boven een door het
bevoegd gezag of een door deze daartoe aangewezen ambtenaar vast te
stellen aantal uren per jaar, met dien verstande dat dit maximum niet
geldt voor de ambtenaar die het overleg met de Regionale Commissie, de
Commissie Korps landelijke politiediensten, de Commissie bijzondere
ambtenaren van politie, de Commissie LSOP of een Commissie voorziening
tot samenwerking, bedoeld in de artikelen 12, 21, 22, 22a
onderscheidenlijk 22b van het Besluit overleg en medezeggenschap
politie, pleegt.
3. Voor consignatie gedurende een tijdvak van korter dan een half
uur boven de voor de ambtenaar vastgestelde dagelijkse diensttijd
wordt geen toelage toegekend.
4. De toelage voor consignatie bedraagt € 1,00 voor elk uur dat
de ambtenaar consignatie is opgelegd.
5. De in het vierde lid genoemde toelage wordt zo spoedig mogelijk
uitbetaald, doch uiterlijk bij gelegenheid van de tweede
salarisbetaling volgende op de periode van vier weken waarin
consignatie is verricht.
6. Van de in het vijfde lid gestelde termijn kan worden afgeweken
indien het dienstbelang dat vereist of, indien het dienstbelang zich
daartegen niet verzet, op verzoek van de ambtenaar. Voor de hier
bedoelde gevallen wordt een nieuwe uiterste termijn vastgesteld.
7. Indien een ambtenaar aan wie consignatie is opgelegd, binnen het
tijdvak van consignatie werkzaamheden moet verrichten, is voor de duur
van die werkzaamheden sprake van het verrichten van arbeid.
8. Voor de toepassing van dit artikel worden gedeelten van uren,
voorzover daarmee het half uur, bedoeld in het derde lid, wordt
overschreden, berekend over een periode van vier weken, opgeteld en
naar boven afgerond op halve uren.
9. De toelage voor consignatie wordt in geval van ziekte van de
ambtenaar gesteld op het bedrag dat de ambtenaar in de drie perioden
van vier weken, onmiddellijk voorafgaande aan de periode van vier
weken waarin de ziekte is aangevangen, gemiddeld aan toelage op grond
van dit artikel heeft genoten.
10. Voor de toepassing van dit artikel berust het oordeel omtrent
het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel bij de door deze
aangewezen ambtenaar.
Artikel 19
Aan de ambtenaar kan een toelage worden toegekend om reden van
werving of behoud tot een maximum van € 45 400,- per kalenderjaar.
Artikel 20
Aan de ambtenaar kan als tegemoetkoming in de representatiekosten een
toelage worden toegekend tot een maximum van 5% van het salaris.
Artikel 21
1. In uitzonderlijke gevallen kan aan de ambtenaar of aan een groep
van ambtenaren een toelage worden toegekend op andere gronden dan die
vermeld in de artikelen 16 tot en met 20.
2. Een in het eerste lid bedoelde toelage kan aan de ambtenaar
worden toegekend nadat Onze Minister ter zake nadere regels heeft
vastgesteld.
Artikel 22
Een krachtens artikel 16, 19 of 21 toegekende toelage wordt
ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage wordt toegekend niet
meer aanwezig zijn, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat er
omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.
Hoofdstuk 6. Vakantie-uitkering
Artikel 23
1. De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering die 8% van de
genoten bezoldiging bedraagt.
2. De vakantie-uitkering bedraagt ten minste € 144,25 per maand,
met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd
indien:
a. de bezoldiging van de ambtenaar niet op de eerste dag van
een maand aanvangt, dan wel indien de ambtenaar in een deel van
een maand geen bezoldiging heeft genoten;
b. de ambtenaar in de loop van een maand slechts een gedeelte
van zijn bezoldiging heeft genoten wegens verleend verlof, in
verband met non-activiteit, bij wijze van disciplinaire straf of
uit hoofde van schorsing.
3. Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt voor de ambtenaar
met een andere betrekking dan een volledige betrekking naar
evenredigheid vastgesteld.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de ambtenaar geacht
in het genot van de volle bezoldiging te zijn, indien hij
a. niet zijn volledige bezoldiging geniet op grond van de
artikelen 13a, 28b en 41 van het Besluit algemene rechtspositie
politie of op grond van de artikelen 32 tot en met 37 en 38,
b. een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg ontvangt,
c. een aanvulling op zijn ZW-uitkering geniet op grond van
artikel 39a, of
d. niet zijn volledige salaris geniet vanwege een inhouding op
dat salaris op grond van de Regeling verlofsparen politie.
Is het feitelijk genot van de bezoldiging teruggebracht tot het
bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de
pensioenbijdrage dan wordt hij voor de toepassing van het eerste lid
geacht geen bezoldiging te genieten.
5. De ambtenaar, bedoeld in artikel 33, geniet de
vakantie-uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de
vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.
Artikel 24
Artikel 23 is mede van toepassing op de gewezen ambtenaar die
ingevolge artikel 42 nog bezoldiging geniet.
Artikel 25
1. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar betaald over de
periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand juni van
het voorafgaande kalenderjaar.
2. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het
tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode
waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met het ontslag van de
ambtenaar gelijkgesteld de beëindiging van de doorbetaling van de
bezoldiging van de gewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24.
Hoofdstuk 7. Uitkeringen
Artikel 25a
1. Aan de ambtenaar kan een incidentele eindejaarsuitkering of een
eenmalige uitkering worden toegekend.
2. Ten aanzien van de incidentele eindejaarsuitkering of eenmalige
uitkering, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister nadere
regels vast met betrekking tot de hoogte van de uitkering en het
tijdstip van uitbetaling, en bepaalt Onze Minister of de uitkering
behoort tot de bezoldiging.
Artikel 25b
1. De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage
van 8% van het door hem in dat jaar genoten salaris.
2. De eindejaarsuitkering bedraagt tenminste € 144,25 per maand
met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd
indien:
a. het salaris van de ambtenaar niet op de eerste dag van een
maand is aangevangen, dan wel indien de ambtenaar een deel van een
maand geen salaris heeft genoten;
b. de ambtenaar in de loop van een maand slechts een gedeelte
van zijn salaris heeft genoten.
3. Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt voor de ambtenaar
met een andere betrekking dan een volledige betrekking naar
evenredigheid vastgesteld.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid heeft de ambtenaar:
a. in het jaar 2001 recht op een eindejaarsuitkering ter
grootte van 2,50% van het door hem in dat jaar genoten salaris;
b. in het jaar 2002 recht op een eindejaarsuitkering ter
grootte van 5,25% van het door hem in dat jaar genoten salaris,
doch ten minste € 81,40 per maand gedurende de eerste helft van
dat jaar en ten minste € 82,21 per maand gedurende de tweede
helft van dat jaar, met dien verstande dat dit bedrag
overeenkomstig het tweede en derde lid naar evenredigheid wordt
verminderd.
5. Indien de ambtenaar recht heeft op een uitkering op grond van de
Ziektewet, de Wet arbeid en zorg of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt voor de toepassing van dit
artikel het salaris in acht genomen zoals dit zou zijn genoten indien
geen sprake zou zijn geweest van recht op een uitkering op grond van
de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Indien de ambtenaar vanwege een inhouding op grond van de
Regeling verlofsparen politie niet zijn volledige salaris geniet,
wordt voor de toepassing van dit artikel het salaris in aanmerking
genomen zoals dit zou zijn genoten indien geen sprake zou zijn geweest
van een inhouding op het salaris vanwege die regeling.
7. Indien voor de ambtenaar het feitelijke genot van de bezoldiging
is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen
gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt hij voor de toepassing van dit
artikel geacht geen salaris te genieten.
8. De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de
maand december betaald.
9. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats conform het
bepaalde in het tweede en zesde lid over het tijdvak gelegen tussen
het einde van de laatste verstreken periode waarover de
eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.
Artikel 26
1. Aan de ambtenaar kan een uitkering worden toegekend om redenen
van werving of behoud tot een maximum van € 45 400,- per
kalenderjaar.
2. De uitkering wordt toegekend aan het einde van een tijdvak dat
tevoren is vastgesteld door het bevoegd gezag.
3. Aan de toekenning van de uitkering kunnen door het bevoegd gezag
voorwaarden worden gesteld.
4. Aan de ambtenaar die niet heeft kunnen voldoen aan de in het
derde lid bedoelde voorwaarden door een naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet aan de ambtenaar zelf te wijten oorzaak, kan de
uitkering gedeeltelijk worden toegekend.
Hoofdstuk 8. Vergoedingen in verband met extra diensten en verschoven
diensten
Artikel 27
1. Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan
salarisschaal 13 van bijlage I van dit besluit en die overwerk
verricht, wordt, behoudens het zesde lid, een vergoeding toegekend.
2. Aan de ambtenaar die is ingedeeld in salarisschaal 13 of 14 van
bijlage I van dit besluit wordt de in dit artikel bedoelde vergoeding
toegekend indien hij overwerk verricht in het kader van:
a. deelname aan een rampenstaf;
b. deelname aan grootschalig bijzonder optreden;
c. inzet als lid van een mobiele eenheid;
d. deelname aan een team grootschalige opsporing.
3. Onder overwerk wordt verstaan dienst in opdracht van het daartoe
bevoegde gezag buiten de voor de ambtenaar krachtens artikel 12 van
het Besluit algemene rechtspositie politie vastgestelde arbeidstijden,
voorzover daardoor de per dienstdag vastgestelde totale arbeidstijd
wordt overschreden.
4. Overwerk kan niet worden opgedragen boven een door het bevoegd
gezag of een door deze aangewezen ambtenaar, vast te stellen aantal
uren per jaar.
5. Het opdragen van overwerk mag niet tot gevolg hebben dat de
ambtenaar per periode van vier weken minder dan vier vrije dagen en
per kalenderjaar minder dan dertien vrije zondagen, waarvan elf
aansluitend aan een vrije dag, geniet.
6. Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur aansluitend
aan de vastgestelde dagelijkse arbeidstijd wordt verricht, wordt geen
vergoeding toegekend.
7. Overwerk wordt naar de keuze van het bevoegd gezag vergolden
door middel van een bedrag in geld dan wel door middel van verlof of
door middel van een combinatie van een bedrag in geld en verlof. Bij
de keuze van de vorm van vergoeding wordt zoveel mogelijk rekening
gehouden met de wensen van de ambtenaar.
8. De vergoeding voor elk uur overwerk is een bedrag in geld ter
grootte van het salaris per uur van de ambtenaar dan wel verlof voor
de duur van één uur, vermeerderd met € 6,00 dan wel verlof voor de
duur van een half uur, bij wijze van toeslag.
9. De in het achtste lid genoemde vergoeding door middel van een
bedrag in geld wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk
bij gelegenheid van de tweede salarisbetaling volgende op de periode
van vier weken waarin het overwerk is verricht. De vergoeding is niet
pensioengevend.
10. In geval vergoeding van overwerk plaatsvindt door middel van
verlof, wordt het verlof zo spoedig mogelijk verleend, doch uiterlijk
in de periode van vier weken waarin de in het negende lid bedoelde
salarisbetaling plaatsvindt.
11. Van de in het negende en tiende lid gestelde termijnen kan
worden afgeweken indien het dienstbelang dat vereist of, indien het
dienstbelang zich daartegen niet verzet, op verzoek van de ambtenaar.
Voor de hier bedoelde gevallen wordt een nieuwe uiterste termijn
vastgesteld.
12. De tijdstippen waarop het verlof, bedoeld in het achtste lid,
wordt verleend, worden zo tijdig mogelijk vastgesteld, waarbij zoveel
mogelijk rekening gehouden wordt met de wensen van de ambtenaar.
13. Het verlof, bedoeld in het achtste lid, dat aan het einde van
een kalenderjaar niet is verleend, wordt naar wens van de ambtenaar
bij gelegenheid van de eerste salarisbetaling in het daarop volgende
kalenderjaar uitbetaald als vergoeding, bedoeld in het achtste lid,
dan wel toegevoegd aan het spaarverlof, bedoeld in de Regeling
verlofsparen politie.
14. Voor de toepassing van dit artikel worden gedeelten van uren,
voor zover daarmee het half uur, bedoeld in het zesde lid, wordt
overschreden, berekend over een periode van vier weken, opgeteld en
naar boven afgerond op halve uren.
15. Voor de bepaling van de duur van de overschrijding van de per
dienstdag vastgestelde totale arbeidstijd gelden uren waarop krachtens
het Besluit algemene rechtspositie politie vakantie of verlof is
genoten dan wel wegens ziekte of schorsing geen dienst is verricht,
als uren waarop feitelijk dienst is verricht.
16. Voor de toepassing van dit artikel berust het oordeel omtrent
het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel bij de door deze
aangewezen ambtenaar.
Artikel 27a
1. Indien de ambtenaar dienst verricht op aan hem volgens het
dagrooster verleende vakantie-uren, wordt hem een vergoeding
toegekend.
2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de
toeslag als bedoeld in artikel 27, achtste lid. De vergoeding voor
delen van een uur wordt vastgesteld op een evenredig deel van de
toeslag.
3. De vergoeding die is uitgekeerd in geld, is niet pensioengevend.
Artikel 27b
1. Aan de ambtenaar die is ingedeeld in salarisschaal 12 of lager,
wordt een vergoeding toegekend als er sprake is van een verschuiving
in de vastgestelde roosters, bedoeld in artikel 12, negende, tiende of
twaalfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, indien
de verschuiving plaatsvindt in het dienstbelang en geen verband houdt
met een omstandigheid als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, van de
Arbeidstijdenwet. Voor de toepassing van dit lid berust het oordeel
omtrent het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel bij de door
deze aangewezen ambtenaar.
2. Aan de ambtenaar die is ingedeeld in salarisschaal 13 of 14,
wordt een vergoeding als bedoeld in het eerste lid toegekend indien er
sprake is van een verschuiving van diensten in het kader van:
a. deelname aan een rampenstaf;
b. deelname aan grootschalig bijzonder optreden;
c. inzet als lid van een mobiele eenheid;
d. deelname aan een team grootschalige opsporing.
3. De vergoeding wordt berekend per gewerkt verschoven uur en is
gelijk aan de toeslag in geld bij overwerk, bedoeld in artikel 27,
achtste lid.
4. Een verschuiving van een vrije zondag of een dag die in de
wekelijkse rusttijd valt, bedoeld in artikel 12, negende lid, van het
Besluit algemene rechtspositie politie, wordt gesteld op acht uren,
ongeacht de betrekkingsomvang of werktijdenmodaliteit van de
ambtenaar.
5. De vergoeding voor een verschuiving in het dagrooster, bedoeld
in artikel 12, twaalfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie
politie, wordt slechts toegekend indien de verschuiving ten minste een
half uur bedraagt.
6. De vergoeding voor een verschuiving in de roosters, bedoeld in
artikel 12, negende of tiende lid, van het Besluit algemene
rechtspositie politie, wordt eerst toegekend indien meer dan acht uren
zijn verschoven op grond van één van deze leden of beide leden
gezamenlijk.
7. Voor de toepassing van dit artikel worden verschoven uren en
gedeelten van uren berekend over een periode van vier weken, opgeteld
en naar boven afgerond op hele uren.
8. De vergoeding kan niet samenvallen met de vergoeding voor
overwerk, bedoeld in artikel 27. De vergoeding wordt ook niet
toegekend aan de ambtenaar die als gevolg van arbeidsongeschiktheid
feitelijk niet werkzaam is volgens het rooster waarin de wijziging
plaatsvindt.
9. De vergoeding wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch
uiterlijk bij gelegenheid van de tweede salarisbetaling volgende op de
periode van vier weken waarin de verschuiving heeft plaatsgevonden.
10. Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar die deel
uitmaakt van een eenheid als bedoeld in artikel 60 Politiewet 1993 en
artikel 8 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen.
Artikel 27c [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 27d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 27e [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 28
Onze Minister stelt regels vast terzake van een maaltijdvergoeding
bij overwerk, voor zover de ambtenaar ingevolge hoofdstuk III van het
Besluit reis-,verblijf- en verhuiskosten politie ter zake geen aanspraak
op vergoedingen voor maaltijden heeft.
Artikel 29
1. Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan
salarisschaal 12 van bijlage I van dit besluit en die daadwerkelijk
wordt ingezet als lid van een mobiele eenheid wordt een vergoeding
toegekend.
2. Het tijdvak gedurende hetwelk de ambtenaar is ingezet, blijft
voor de toepassing van de artikelen 18, tweede lid, en 27, vierde lid,
buiten beschouwing.
3. De vergoeding bedraagt € 29,65 per kalenderdag.
4. Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan
salarisschaal 12 van bijlage I van dit besluit en geen lid is van de
mobiele eenheid wordt de vergoeding zoals bedoeld in het derde lid
toegekend indien hij daadwerkelijk wordt ingezet ten behoeve van de
mobiele eenheid en:
a. de mobiele eenheid is opgeroepen in het kader van een
grootschalig of bijzonder optreden, en
b. de betrokken ambtenaar door het bevoegd gezag wordt
opgeroepen voor een inzet als bedoeld in onderdeel a, waarbij voor
die ambtenaar achteraf wordt vastgesteld dat gevaarzetting heeft
gegolden ter handhaving van de openbare orde.
Hoofdstuk 8a [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29a [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29b [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29c [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29d [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29e [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29f [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29g [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29h [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29i [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29j [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 29k [Vervallen per 01-04-2010]
Hoofdstuk 9. Bijzondere situaties
Artikel 30
1. Aan de ambtenaar die op grond van artikel 62 van het Besluit
algemene rechtspositie politie voor een periode van tenminste twee
weken wordt gedetacheerd, wordt, indien hij dagelijks heen en weer
reist, een vergoeding toegekend voor de tijd waarmee de totale
reistijd per dag 90 minuten overschrijdt.
2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de
vergoeding, bedoeld in artikel 27, achtste lid, die de ambtenaar bij
overwerk zou ontvangen. De vergoeding voor delen van een uur wordt
vastgesteld op een evenredig deel van de uurvergoeding.
3. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste en tweede lid
beslissen in individuele gevallen waarin dit artikel naar zijn oordeel
niet of niet in redelijkheid voorziet.
Artikel 30a [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 31
1. Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die
voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college waarin
hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming
van zijn ambt wordt gedurende zijn ontheffing een non-activiteitswedde
toegekend. De non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de
laatstelijk door hem in zijn ambt genoten bezoldiging het gezamenlijk
bedrag van alle aan de werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college
verbonden inkomsten, overschrijdt.
2. Toekenning van de non-activiteitswedde vindt plaats op de voet
van het bepaalde in de artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde
lid, en 5 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees
Parlement.
3. Dit artikel is niet van toepassing op degene die een
non-activiteitswedde geniet uit hoofde van artikel 4, eerste lid, van
de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement.
Artikel 31a [Vervallen per 01-01-2002]
Artikel 32
De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, behoudt over
de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn ambt verbonden
bezoldiging slechts voor zover hem bij of krachtens de artikelen 33 tot
en met 37 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst
wordt vervuld in de aan hem toegekende vakantie, behoudt hij in ieder
geval het genot van de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
Artikel 33
1. De ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan
voor herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet,
onverminderd artikel 85 van het Besluit algemene rechtspositie
politie, de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer
bedraagt dan zijn militaire beloning, met dien verstande dat indien de
ambtenaar ongehuwd is, hij slechts de aan zijn ambt verbonden
bezoldiging geniet, voor zover 70 procent daarvan meer bedraagt dan
zijn militaire beloning.
2. Zo nodig in afwijking van het eerste lid blijft de ambtenaar,
bedoeld in dat lid, in ieder geval de aan zijn ambt verbonden
bezoldiging genieten tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van
het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
3. Ongehuwde enige kostwinners worden voor de toepassing van het
eerste lid gelijkgesteld met gehuwden. Het bevoegd gezag beslist of
een ongehuwde als enig kostwinner wordt beschouwd.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire
beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens het genot van
voeding en huisvesting.
5. De regels die op basis van artikel 18, vijfde lid, van het
Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn vastgesteld met betrekking tot
hetgeen onder militaire beloning wordt verstaan, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 34
1. Artikel 33 is eerst van toepassing, nadat de ambtenaar als
militair de opleiding en oefening heeft volbracht.
2. De ambtenaar die ingevolge een wettelijke verplichting voor de
opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet
gedurende deze opleiding en oefening de aan zijn ambt verbonden
bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen
gedeelte van de pensioenbijdrage.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien
van ambtenaren op wie bij koninklijk besluit de artikelen 32 en 33 van
overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
4. Indien de ambtenaar bij opkomst in militaire dienst voldoet aan
de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, of indien ingevolge het
derde lid bij opkomst in militaire dienst deze voorwaarde niet voor
hem geldt, geniet hij, in afwijking van artikel 33, gedurende twee
weken na zijn opkomst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.
Artikel 35
1. De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in
werkelijke dienst is, geniet gedurende twee weken na zijn opkomst in
militaire dienst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging. Daarna
wordt de militaire beloning in mindering gebracht op de aan zijn ambt
verbonden bezoldiging.
Artikel 33, tweede, vierde en vijfde lid is van toepassing.
2. Voor zover nodig, bepaalt Onze Minister van Defensie welke
dienst als herhalingsoefening wordt beschouwd.
3. Voor de toepassing of voortgezette toepassing van het eerste lid
worden, met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de
Kaderwet dienstplicht of in de Wet voor het reservepersoneel der
krijgsmacht en onverminderd artikel 85 van het Besluit algemene
rechtspositie politie met herhalingsoefeningen gelijk gesteld:
a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een
herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek
omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp
waarvan de militair verdacht of beklaagd wordt;
b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een
herhalingsoefening langer in dienst blijven ten einde rekening en
verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;
c. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in
dienst blijven wegens:
1°. ziekte;
2°. het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van
geoefendheid als gevolg van ziekte;
3°. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke
ziekte;
d. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de
Kroon of bij Onze Minister van Defensie ingediend bezwaarschrift
onderscheidenlijk beroepschrift.
Artikel 36
Indien de ambtenaar als militair in werkelijke dienst zijnde
overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 46, verminderd met het
bedrag van de overeenkomstige uitkering die uit hoofde van de militaire
dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan.
Artikel 37
De artikelen 32 tot en met 36 zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van:
a. de ambtenaar die is tewerkgesteld in de zin van artikel 9 van
de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;
b. de ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is op grond
van een verbintenis bij het reservepersoneel der krijgsmacht of
c. de ambtenaar die op grond van een andere bijzondere
verbintenis in werkelijke militaire of daarmee gelijk te stellen
dienst is, terzake waarvan dit bij koninklijk besluit is bepaald.
Artikel 37a
1. De ambtenaar die 55 jaar of ouder is en deze leeftijd voor 1
januari 2012 bereikt, kan op zijn aanvraag, voor zover deze is
ingediend voor genoemde datum, een functie worden opgedragen waaraan
een salaris is verbonden met een lager maximum dan het maximum van de
reeds voor hem geldende salarisschaal. In dat geval wordt op zijn
salaris een inhouding toegepast.
2. De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat
de ambtenaar geniet en het maximumsalaris behorende bij de
salarisschaal direct onder de voor de ambtenaar geldende salarisschaal
met dien verstande dat dit bedrag niet negatief mag zijn.
3. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag geheel of
gedeeltelijk van de inhouding afzien.
4. Onze Minister kan nadere regels stellen.
Hoofdstuk 10. Voorzieningen in verband met ziekte
Artikel 38
1. De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 104 weken recht op
de doorbetaling van zijn bezoldiging overeenkomstig de volgende tabel:
1° de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
2° de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;
3° de derde 26 weken 80% van de bezoldiging;
4° vervolgens 70% van de bezoldiging.
2. In afwijking van het eerste lid, behoudt de ambtenaar, indien de
ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten,
is veroorzaakt door een beroepsincident, zijn aanspraak op
doorbetaling van 100% van zijn bezoldiging.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
ongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
4. Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, wordt
verlengd:
a. met de duur van de vertraging, indien het bevoegd gezag de
aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet
dan op grond van dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de vertraging van de wachttijd, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, van de WAO, zoals dat artikel luidde op 31
december 2003, indien de wachttijd met toepassing van het zevende
lid van dat artikel wordt verlengd;
c. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van artikel 71a, negende lid, van
de WAO heeft vastgesteld.
5. Ingeval van verlenging op grond van het vierde lid, kan het
tijdvak, bedoeld in het eerste lid, niet méér dan 156 weken belopen.
6. De ambtenaar die langer dan 26 weken ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en die loonvormende arbeid of
reintegratieactiviteiten verricht, ontvangt over deze uren een
beloning naast de bezoldiging bij ziekte als bedoeld in het eerste
lid.
7. De beloning, bedoeld in het zesde lid, tezamen met de
doorbetaling van de bezoldiging bij ziekte bedraagt:
a. 35% van de bezoldiging en 65% van de bezoldiging bij ziekte
als bedoeld in het eerste lid indien de ambtenaar maximaal 35% van
zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld
in het zesde lid;
b. 80% van de bezoldiging en 20% van de bezoldiging bij ziekte
als bedoeld in het eerste lid indien de ambtenaar meer dan 35% en
maximaal 80% van zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten
verricht als bedoeld in het zesde lid;
c. 100% van de bezoldiging indien de ambtenaar meer dan 80% van
zijn betrekkingsomvang arbeid of activiteiten verricht als bedoeld
in het zesde lid.
8. De doorbetaling van de bezoldiging eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van
artikel 49b, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie
politie passende arbeid verricht en daartoe is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is
verleend;
c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt; of
d. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is
overleden.
9. De ambtenaar die op grond van artikel 49b, derde lid, van het
Besluit algemene rechtspositie politie passende arbeid verricht en
daartoe is herplaatst, voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in
artikel 94, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie
is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op
een aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van zijn
herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil
tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel
recht zou hebben gehad indien hem geen andere betrekking zou zijn
opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde arbeidstijd zijn
eigen betrekking; en
b. de som van zijn bezoldiging na herplaatsing, een uit zijn
arbeidsongeschiktheid voortvloeiend recht op een WAO-uitkering,
een invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage.
10. De ambtenaar die op grond van artikel 49b, derde lid, van het
Besluit algemene rechtspositie politie passende arbeid verricht en
daartoe is herplaatst, heeft tevens aanspraak op een aanvullende
uitkering nadat de termijn van 104 weken is verstreken, indien de
ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te
verrichten wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het
verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, ter grootte van
het verschil tussen:
a. een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn
op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag
niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval
vermeerderd met een uit de oorspronkelijke betrekking
voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, invaliditieitspensioen
en een herplaatsingstoelage.
11. Het percentage, bedoeld in het tiende
lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid
en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
|
80% of meer: |
90,02%; |
|
65 tot 80%: |
65,26%; |
|
55 tot 65%: |
54,01%; |
|
45 tot 55%: |
45,01%; |
|
35 tot 45%: |
36,01%; |
|
25 tot 35%: |
27,01%; |
|
15 tot 25%: |
18,00%. |
12. De aanvullende uitkering, bedoeld
in het negende en tiende lid, eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet
aan de in bedoelde artikelleden genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65
jaar bereikt; of
d. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is
overleden.
Artikel 38a
1. De ambtenaar met recht op een ZW-uitkering heeft aanspraak op
een aanvulling van die uitkering tot het niveau van de bezoldiging.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt de ZW-uitkering waarop
de ambtenaar recht heeft steeds aangemerkt als een uitkering die door
deze onverminderd is genoten.
Artikel 38b
1. De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens
een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een
beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit
hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid
te verrichten wegens een beroepsincident.
2. De gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid is
veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door
een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit
hoofdstuk gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de
arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident.
3. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar worden geacht een aanvraag
te hebben ingediend als bedoeld in het eerste en tweede lid indien de
eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens een dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de periode
van 1 januari 2004 tot en met 31 mei 2006.
Artikel 39
1. De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het
tijdstip van ingang van zijn ontslag, niet zijnde een ontslag op grond
van artikel 87a, artikel 88, artikel 88a, artikel 88b dan wel artikel
94, eerste lid, aanhef, onderdelen e of f, van het Besluit algemene
rechtspositie politie nog ongeschikt is een naar aard en omvang
soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang hij ongeschikt tot
werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten
hoogste 78 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging
overeenkomstig de volgende tabel:
a. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
b. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging;
c. de derde 26 weken 80% van de bezoldiging.
2. De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van
zijn ontslag ongeschikt wordt wegens ziekte een naar aard en omvang
soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang betrokkene ongeschikt
is tot werken wegens ziekte, maar niet langer dan 52 weken, aanspraak
op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij
gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag
voorafgaande in dienst is geweest overeenkomstig de volgende tabel:
a. de eerste 26 weken 100% van de bezoldiging;
b. de tweede 26 weken 90% van de bezoldiging.
3. Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 78 weken,
bedoeld in het eerste lid, en het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het
tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of
indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de
ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien
uit dezelfde oorzaak.
4. De doorbetaling van de bezoldiging bedoeld in het eerste en
tweede lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder
geval:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de
leeftijd van 65 jaar bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen
ambtenaar is overleden.
5. De gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een WAO-uitkering
ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde,
heeft aanspraak op een aanvullende uitkering indien de
arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door beroepsincident.
6. De in het vijfde lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk
aan het verschil tussen:
a) een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering,
in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; en
b) de som van de ambtenaar toegekende WAO-uitkering, een hem
toegekend invaliditeitspensioen, een hem toegekende
herplaatsingstoelage dan wel in voorkomend geval een hem
toegekende suppletie op grond van het Besluit suppletieregeling
gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie.
7. Het percentage, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, is
afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een
arbeidsongeschiktheid van:
80% of meer: 90,02%;
65 tot 80%: 65,26%;
55 tot 65%: 54,01%;
45 tot 55%: 45,01%;
35 tot 45%: 36,01%;
25 tot 35%: 27,01%;
15 tot 25%: 18,00%.
8. De aanvullende uitkering, bedoeld in het vijfde lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar niet meer
voldoet aan de in bedoeld artikellid genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen
ambtenaar is overleden.
9. De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond
van artikel 87a van het Besluit algemene rechtspositie politie met het
oog op een uitkering op grond van een vut-overeenkomst als bedoeld in
artikel 1, onderdeel e, van de Wet kaderregeling vut
overheidspersoneel, heeft slechts aanspraak op de doorbetaling van
zijn laatstelijk genoten bezoldiging voor zover deze tezamen met de
aanvullende uitkering in artikel 8.4 van het Pensioenreglement de
laatstelijk genoten bezoldiging niet overschrijdt.
10. Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in
de voorgaande leden, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd
overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.
Artikel 39a
1. De gewezen ambtenaar die waarschijnlijk zal bevallen binnen vier
maanden na de datum van ingang van haar ontslag, ontvangt haar
laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op
de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling en
eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft
plaatsgevonden.
2. De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot
zestien weken, indien die periode door een voortijdige bevalling
minder dan zestien weken heeft bedragen.
3. De gewezen ambtenaar van wie de bevalling niet wordt verwacht
binnen vier maanden na de datum van ingang van haar ontslag, maar die
niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten
bezoldiging gedurende de periode die aanvangt op de datum van
bevalling en eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling
heeft plaatsgevonden.
4. Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar
ingevolge het eerste of derde lid toekomende uitkering nog wegens
ziekte ongeschikt is tot werken of binnen een maand na deze
beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een
tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging
overeenkomstig artikel 39. De termijn van 52 weken loopt vanaf de
eerste dag na de bevalling.
5. Ongeschikt tot werken, in de zin van het vierde lid is de
gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te
stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in
staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij
vervulde, te vervullen.
6. Artikel 55, vijfde en zesde lid, van het Besluit algemene
rechtspositie politie en artikel 41, tweede lid, van dit besluit zijn
van overeenkomstige toepassing.
7. Dit artikel is niet van toepassing als het Besluit suppletie
gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie, van toepassing is.
Het recht op grond van dit artikel leidt in dat geval niet tot
uitkering en evenmin tot wijziging van de berekening van de perioden
daarvan.
8. Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de
voorgaande leden, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd
overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector politie.
Artikel 40 [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 40a [Vervallen per 01-09-1999]
Artikel 41
1. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op
doorbetaling van de bezoldiging:
a) indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven
wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen;
b) indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij
hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan
worden gemaakt;
c) indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het
geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onderdeel c respectievelijk artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
van het Besluit algemene rechtspositie politie en blijkt dat de
ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand
heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan
de verklaring van geschiktheid voor de desbetreffende functie ten
onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de ambtenaar aannemelijk
maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2. De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van
zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een
aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op doorbetaling van
zijn loon of bezoldiging, dan wel op een ZW-uitkering.
Artikel 41a [Vervallen per 01-09-1999]
Artikel 42
1. Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar
aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging of een
bovenwettelijke ziekte-uitkering vangt aan op de eerste dag waarop:
a) wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt;
b) het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is gestaakt;
c) wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt;
d) het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn
gestaakt.
2. Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het
tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag volgende op die
waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.
Artikel 43 [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 44
1. De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond
van dit hoofdstuk gedurende de eerste 104 weken van ongeschiktheid tot
werken, vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp
inroept;
b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder
gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing
wordt belemmerd;
e) verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste
aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een
verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te
verschijnen;
g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst
aangewezen arts niet kan plaatshebben;
h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;
i) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige
persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te
aanvaarden;
j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels
met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en
de daarbij in acht te nemen procedure;
k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft
veroorzaakt;
l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend
document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel
107 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover dit redelijkerwijs
nodig is voor de uitvoering van wetten;
m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij
dit door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van
zijn genezing wenselijk wordt geacht;
n) vóór de betaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering, weigert mededeling te doen van
inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten
van door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van
zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor
derden;
o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten
en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de
hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige
persoon of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze
persoon of dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen,
tenzij hij daarvoor een door de deskundige persoon of de
arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
q) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het
bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige
gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop
zijn gericht om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid
te verrichten;
r) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het
opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;
s) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de
bepalingen van dit hoofdstuk.
2. De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de
bovenwettelijke ziekte-uitkering, kan geheel of gedeeltelijk vervallen
worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de
regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte
zijn vastgesteld.
3. De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met
ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar
alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat
lid.
4. Het bevoegd gezag kan op grond van bijzondere omstandigheden
bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de
bovenwettelijke ziekte-uitkering niet vervalt maar geheel of ten dele
aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden
uitbetaald.
5. Voor zover het bevoegd gezag van de bevoegdheid, bedoeld in het
vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, worden de niet uitbetaalde
bezoldiging of de bovenwettelijke ziekte-uitkering alsnog aan de
ambtenaar uitbetaald, indien de in artikel 51, derde lid, van het
Besluit algemene rechtspositie politie bedoelde commissie van artsen
ten gunste van de ambtenaar heeft geoordeeld.
Artikel 45
1. De aanspraken van de ambtenaar op grond van dit hoofdstuk na de
eerste 104 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de
ambtenaar:
a) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige
persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te
aanvaarden;
b) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels
met betrekking de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en
de daarbij in acht te nemen procedure;
c) geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de
toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO.
2. De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met
ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de
betreffende verplichting op grond van dat lid.
3. Na het tijdvak van 104 weken, bedoeld in de artikelen 38 en 39,
is op de aanspraak die de ambtenaar heeft op doorbetaling van de
bezoldiging, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de
aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de
WAO-uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op doorbetaling
van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, steeds
geacht onverminderd te zijn genoten.
5. Indien ten aanzien van de WAO-uitkering die de ambtenaar
genieten een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt
toegepast, wordt door het bevoegd gezag zoveel mogelijk dezelfde
verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast, op
doorbetaling van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 38, eerste
lid waarop de ambtenaar aanspraak hebben.
Artikel 45a
1. Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk met een
uitkering krachtens een wettelijke verzekering, wordt de aanspraak
krachtens dit hoofdstuk verminderd met het bedrag van de uitkering
krachtens de wettelijke verzekering, tenzij het betreft:
a) een tegemoetkoming of een vergoeding die vergelijkbaar is
met de tegemoetkoming of de vergoeding, bedoeld in de artikelen 53
en 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
b) een ZW-uitkering ingeval van meer dan een betrekking. In dat
geval wordt de ZW-uitkering naar rato van de bezoldiging
toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan zijn
bezoldiging wordt doorbetaald krachtens dit hoofdstuk en de andere
betrekking of betrekkingen.
c) een WAO-uitkering ingeval van meer dan één betrekking. In
dat geval wordt de WAO-uitkering naar rato van de bezoldiging
toegerekend aan de betrekking ter zake waarvan zijn bezoldiging
wordt doorbetaald krachtens dit hoofdstuk en de andere betrekking
of betrekkingen.
2. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het
bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht
heeft, in mindering gebracht, tenzij:
a) de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds voor het intreden
van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte genoot; en
b) de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
Artikel 45b [Vervallen per 01-01-2001]
Artikel 45c
1. De aanspraak van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op de
bovenwettelijke ziekte-uitkering of de doorbetaling van de bezoldiging
na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt
zoveel mogelijk op gelijke wijze gewijzigd als een aan hem toegekende
ZW-uitkering of een WAO-uitkering.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de ambtenaar en de
gewezen ambtenaar aanspraak op een ZW-uitkering of een WAO-uitkering
hebben wegens ongeschiktheid tot werken voor een betrekking die de
ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft vervuld naast zijn betrekking
ter zake waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar op een uitkering
krachtens dit hoofdstuk aanspraak heeft, voor zover de ZW-uitkering of
de WAO-uitkering naar de inkomsten uit die andere betrekking wordt
berekend of geacht kan worden te zijn berekend.
Artikel 45d
1. Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de
eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven de artikelen van
hoofdstuk X van dit besluit van toepassing zoals deze luidden op 31
december 2005.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode
van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan
en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
wordt genoten overeenkomstig artikel 3.1, tweede en derde lid, van de
Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10,
eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
Artikel 46
1. De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan
tot en met de dag van het overlijden. Artikel 26, eerste lid, van het
Besluit algemene rechtspositie politie, is van overeenkomstige
toepassing
2. Met inachtneming van het vijfde lid wordt zo spoedig mogelijk na
het overlijden aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden
ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd
gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als
maatstaf bij de berekening van het in de eerste volzin bedoelde bedrag
geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging welke de
ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of, indien hij op die
dag aanspraak maakt op een ZW-uitkering of een WAO-uitkering en een
bovenwettelijke ziekte-uitkering of een bovenwettelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 10, zou hebben
genoten indien hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest. De
uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan driemaal dat van
de vakantie-uitkering over een maand, berekend op de voet van
hoofdstuk 6, naar de bezoldiging die de ambtenaar in de maand van het
overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was
van de operationele toelage, bedoeld in artikel 14, of van de
aflopende toelage, bedoeld in artikel 15 of van een toelage op grond
van artikel IV van het koninklijk besluit van 4 september 1968 tot
wijziging van het Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 477) wordt
het gedeelte van de in de eerste volzin bedoelde uitkering dat
betrekking heeft op deze toelagen, gesteld op het bedrag dat de
overleden ambtenaar in de drie kalendermaanden voorafgaand aan de dag
van het overlijden aan zodanige toelagen is toegekend.
3. Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar van wie de
overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering,
bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen.
Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan
natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de
pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan
de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het
een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van
het genieten van een vergoeding daarvoor.
4. Ontbreken ook kinderen als bedoeld in het derde lid, dan
geschiedt de uitkering, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die
geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de
ambtenaar.
5. Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het tweede
tot en met het vierde lid nalaat, kan het daartoe bedoelde bedrag door
het bevoegd gezag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de
betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging,
indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die
kosten ontoereikend is.
6. Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt reeds vóór
zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een na
zijn overlijden gelegen tijdvak in mindering gebracht. Indien de
ambtenaar voor zijn overlijden te veel vakantie heeft genoten, is
artikel 26, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie
politie, van overeenkomstige toepassing. Het aldus verschuldigde
bedrag wordt eveneens in mindering gebracht op de uitkering, bedoeld
in het tweede lid.
7. Op het bedrag, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid,
wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van
de Ziektewet of op grond van artikel 53 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en naar aard en strekking daarmee
overeenkomende uitkeringen.
Artikel 46a
Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn
overlijden op grond van artikel 39 in het genot was van doorbetaling van
zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 46
bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een
bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar
op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie
maanden. Op deze uitkering worden in mindering gebracht het bedrag van
de uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewet of op grond van
artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en naar
aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.
Artikel 46b
1. Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een
dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden
krachtens het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP,
een nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage
van 18 procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van:
a) indien het gaat om de partner, bedoeld in artikel 7.1 van
het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, vijf
zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld
in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP en de voor pensioen geldige diensttijd, bedoeld
in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
b) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.6, eerste
lid, aanhef, onderdeel a, van het Pensioenreglement van de
Stichting Pensioenfonds ABP, een zevende deel van 1,75 procent van
de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de voor
pensioen geldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
c) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste
lid, aanhef, onderdeel b, van het Pensioenreglement van de
Stichting Pensioenfonds ABP, twee zevende deel van 1,75 procent
van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de voor
pensioen geldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
2. De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene
de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel, indien de
partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de
Stichting Pensioenfonds ABP, aan wie een pensioen werd toegekend,
hertrouwt, met ingang van de maand volgende op de datum van het
hertrouwen.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
ambtenaar ten aanzien van wie artikel 38, zesde lid, toepassing heeft
gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de
arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat artikel.
Artikel 46c
1. Aan de ambtenaar of zijn nagelaten betrekking kan een
tegemoetkoming worden verleend in de premie voor een
ziektekostenverzekering volgens door Onze Minister te stellen regels.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
ambtenaar, jonger dan 65 jaar, of zijn nagelaten betrekkingen.
Artikel 47
1. Bij vermissing van de ambtenaar zijn, behoudens het tweede lid,
de bepalingen van artikel 46 van overeenkomstige toepassing. De
ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door het
bevoegd gezag te bepalen dag.
2. Het tweede lid van artikel 46 is niet van toepassing indien
gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van
ongeoorloofde afwezigheid.
3. Indien blijkt, dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven
is, kan ter beoordeling van het bevoegd gezag de bezoldiging worden
uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het
gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
4. Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of
enige andere uitkering, voortvloeiende uit zijn ambtelijke
rechtspositie, is toegekend over het tijdvak, waarover naar het
oordeel van het bevoegd gezag geen aanspraak bestaat op bezoldiging,
wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus
uitbetaalde bedragen.
5. De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde
lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden
uitbetaald.
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 48
Voor gevallen, waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid
voorziet, wordt door Onze Minister een bijzondere regeling getroffen.
Artikel 49
1. Een ambtenaar die op grond van afdeling 1, hoofdstuk 2, artikel
1, van de Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel
het Korps landelijke politiediensten is overgegaan en die op de dag
voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993
aanspraken had op grond van het Bezoldigingsreglement politie 1958 en
op grond van artikel VII van het Besluit van 24 juni 1992, houdende
wijziging van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975, het
Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958, het
Bezoldigingsreglement politie 1958, het Besluit geneeskundige
verzorging politie 1984 en het Besluit overleg en medezeggenschap
politie in verband met het tot stand brengen van een eenvormige
rechtspositie voor alle politieambtenaren behoudt deze aanspraken.
2. Een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP, die op de dag voorafgaande
aan de datum van inwerkingtreding van de LSOP-wet aanspraken had op
grond van het Bezoldigingsbesluit LSOP, behoudt deze aanspraken.
3. Indien aan een ambtenaar, werkzaam bij het LSOP, op de dag
voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de LSOP-wet een
salaris was toegekend dat voorkwam in één van de salarisschalen
opgenomen in een van de bijlagen van het Bezoldigingsbesluit LSOP,
vindt inschaling plaats in een salarisschaal van bijlage 1 van dit
besluit waarvan het maximumsalaris gelijk is aan dan wel gelegen is
onmiddellijk onder het maximumsalaris van de salarisschaal volgens
welke de ambtenaar werd bezoldigd voor de inwerkingtreding van de
LSOP-wet.
Het salaris dat aan de ambtenaar wordt toegekend is gelijk aan dan
wel gelegen onmiddellijk onder het salaris dat hem was toegekend voor
de inwerkingtreding van de LSOP-wet. Indien aan de ambtenaar een
salaris wordt toegekend dat is gelegen onmiddellijk onder het salaris
dat hij ontving voor de inwerkingtreding van de LSOP-wet, heeft hij
tot het moment dat hij in een hogere salarisschaal wordt geplaatst,
aanspraak op het verschil tussen bedoelde salarissen.
Artikel 49a [Vervallen per 18-02-2011]
Artikel 49b
1. Voor degene die op 30 juni 2007 met toepassing van artikel 4a
van het Besluit algemene rechtspositie politie is aangesteld in
tijdelijke dienst, blijft artikel 6a, zoals luidend op 30 juni 2007,
van toepassing tot en met het tijdstip waarop hij hernieuwd in vaste
dienst wordt aangesteld.
2. Voor degene die op 30 juni 2007 vanwege een verplaatsing
aanspraak heeft op een vergoeding als bedoeld in artikel 30a, blijft
dat artikel, zoals luidend op 30 juni 2007, van toepassing voor de
duur van die verplaatsing.
3. Voor degene die op 30 juni 2007 is gedetacheerd en een functie
uitoefent waaraan op grond van artikel 6 een hogere salarisschaal is
verbonden, blijven de artikelen 4, 6 en 17b, zoals luidend op 30 juni
2007, van toepassing voor de duur van die detachering.
4. Degene die in de periode van 1 juli 2007 tot 1 januari 2008 op
grond van artikel 4a, zoals dat gold op 30 juni 2007, tijdelijk is
aangesteld of op grond van artikel 62 is gedetacheerd ter vervulling
van een hoger gewaardeerde functie dan de salarisschaal waarin hij
bezoldigd is en deze functie langer dan twee jaar na aanstellen of
detachering onafgebroken heeft bekleed, heeft recht op behoud van die
hogere salarisschaal, bij beëindiging van de tijdelijke aanstelling
of detachering.
Artikel 49c
Artikel 6, zesde lid, onderdeel d, en zevende lid, is tot en met 31
december 2006 niet van toepassing op een reorganisatie, anders dan een
reorganisatie aangaande bovenregionale samenwerkingen, een voorziening
tot samenwerking als bedoeld in de artikelen 47 en 47a van de Politiewet
(Stb. 2005, 242) of veranderingen in de landelijke organisatie van de
politie.
Artikel 49d
De ambtenaar die opleidingsniveau 4 succesvol heeft afgerond, wordt
uiterlijk per 1 augustus 2011 aangesteld in een functie waaraan ten
minste salarisschaal 7 van bijlage I van dit besluit is verbonden.
Artikel 49e
Van de ambtenaar die voor 1 maart 2010 een salaris genoot met
toepassing van bijlage I, zoals deze luidde voor die datum, wordt het
salaris op 1 maart 2010 vastgesteld in de schaal met hetzelfde nummer
van de bij dit besluit behorende bijlage I als de schaal uit bijlage I
die voor 1 maart 2010 van toepassing was, in de periodiek met het bedrag
dat overeenkomt met het oude salaris, dan wel bij gebreke daarvan, met
het salarisbedrag dat onmiddellijk boven het bedrag van het oude salaris
ligt.
Artikel 50
1. De artikelen 6 tot en met 10, 14 tot en met 17,18, 20, 27 tot en
met 30 zijn niet van toepassing op de aspirant met dien verstande dat
de artikelen 14, 18, 27, 27a, 27b en 28 wel van toepassing zijn op de
aspirant gedurende het praktisch opleidingsdeel.
2. De artikelen 6 tot en met 30 zijn niet van toepassing op de
vakantiewerker.
Artikel 50a
De bijlagen, behorende bij dit besluit, alsmede de bedragen, genoemd
in deartikelen 3a, 14, 18, 23, 25b, 27 en 29 kunnen bij ministeriële
regeling worden gewijzigd, met dien verstande dat met uitzondering van
de bedragen, genoemd in de artikelen 14, 18 en 27, deze bijlagen en
bedragen slechts worden aangepast overeenkomstig een algemene
salarismaatregel in de sector politie.
Artikel 51
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Artikel 52
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bezoldiging politie.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 16 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
E. van
Thijn
Uitgegeven de negenentwintigste
maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
Bijlagen niet opgenomen
|