| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
BESLUIT
BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSUITKERING POLITIE
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 18 december 2000, houdende vaststelling
van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, alsmede
houdende wijziging van onder meer het Besluit bezoldiging politie in
verband met de invoering van de Ziektewet voor de sector politie (Besluit
bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid
van 24 november 2000, nr. EA2000/U98287;
Gelet op artikel 50, eerste lid, en 53d,
eerste lid, van de Politiewet 1993 en artikel 9, zesde lid, van de
LSOP-wet;
De Raad van State gehoord (advies van 14
december 2000, nr. W04.00.0556/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 december 2000, nr.
EA2000/U102388, Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel l, van het Besluit algemene rechtspositie
politie;
b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel i, van het Besluit algemene rechtspositie politie, die
als gevolg van ontslag verleend op grond van de artikelen 89,
eerste tot en met het vierde lid en zesde lid, 90, eerste en derde
tot en met elfde lid, 91, eerste lid, 92, of 94, eerste lid,
onderdelen e, f of g, van het Besluit algemene rechtspositie
politie werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering bedoeld in
hoofdstuk 2;
d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering bedoeld in
hoofdstuk 3;
e. bovenwettelijke uitkering: de aanvullende en aansluitende
uitkering gezamenlijk;
f. dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, met
uitzondering van het bedrag, bedoeld in artikel 17 van de Wet
financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een
loontijdvak van een dag, waarbij, in het geval sprake is van
partieel uittreden of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 13a
respectievelijk 41 van het Besluit algemene rechtspositie politie,
wordt uitgegaan van het feitelijke inkomen onmiddellijk
voorafgaand aan het uittreden respectievelijk het verlof;
g. diensttijd:
voor zover gelegen voor 1 januari 1996:
de tijd die voor de betrokkene per 31 december 1995 meetelt
voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke
pensioenwet;
voor zover gelegen op of na 1 januari 1996: de tijd gedurende
welke de betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet
privatisering ABP;
in beide gevallen met uitzondering van de tijd:
1°. die voorafgaat aan een ontslag uit een betrekking,
bedoeld in de artikelen 88 en 88a van het Besluit algemene
rechtspositie politie, mits op grond van dat ontslag een
uitkering is toegekend;
2°. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de
duur van een wachtgeld of van een uitkering ter zake van
onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;
3°. die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd
door ontslag van langer dan een jaar;
4°. bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;
5°. in een aangehouden betrekking;
h. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag;
i. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
j. pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement;
k. privatiseringsoperatie: het uitbesteden of overdragen van
werkzaamheden van de overheid aan een bestaande of voor dat doel
opgerichte privaatrechtelijke organisatie;
l. privaatrechtelijke organisatie: de privaatrechtelijke
organisatie die de werkzaamheden uitvoert die in het kader van een
privatiseringsoperatie door de overheid zijn uitbesteed of
overgedragen;
m. privatiseringsontslag: het ontslag uit een
overheidsbetrekking in het kader van een privatiseringsoperatie;
n. WW-uitkering: een uitkering krachtens de Werkloosheidswet;
o. ZW-uitkering: een uitkering krachtens de Ziektewet.
2.Bij de bepaling van diensttijd in een aangehouden betrekking
wordt in voorkomend geval de diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede
lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals dat luidde op 31
december 1995, mede in aanmerking genomen. Het verzoek, bedoeld in
artikel D2 van genoemde wet, wordt daarbij geacht te zijn gedaan.
Indien voor diensttijd die bij de berekening van de bovenwettelijke
uitkering in aanmerking is genomen recht op een overheidspensioen
anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP bestaat,
worden de duur en het bedrag van de bovenwettelijke uitkering met
ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan herberekend, waarbij
die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.
Artikel 2. Bovenwettelijke uitkering en berekeningswijze van de duur
1. Met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat heeft de
betrokkene recht op een bovenwettelijke uitkering, zoals neergelegd in
hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van dit besluit.
2. De maximale duur van de uitkering is drie maanden, vermeerderd
voor de betrokkene, die op de dag waarop het ontslag ingaat:
a. de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt: met een duur
gelijk aan 18% van de diensttijd;
b. 21 jaar of ouder is: met een duur van 19,5% van de
diensttijd en vervolgens per leeftijdsjaar vermeerderd met 1,5%;
c. 60 jaar of ouder is: met een duur gelijk aan 78% van de
diensttijd.
3. Indien uitgaande van het moment van ontslag de maximale duur van
de uitkering, berekend op grond van het tweede lid, langer is dan de
duur van de WW-uitkering, wordt het verschil in duur tot een maximum
van twee jaar in mindering gebracht op de maximale duur. Vervolgens
wordt voor elk jaar dat de diensttijd langer is dan achttien jaar de
duur verminderd met een maand tot een maximum van 22 maanden.
4. De duur van de uitkering van de betrokkene die ten tijde van het
ontslag 57,5 jaar of ouder is en een diensttijd, voor zover geldig
voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt na
afloop van de termijn die op basis van het tweede en derde lid is
toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op
die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Hoofdstuk 2. De aanvullende uitkering bij werkloosheid
Artikel 3. Recht op aanvullende uitkering
1. De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op
een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering, met dien
verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder
ingaat dan de dag waarop het ontslag in werking treedt.
2. Op de aanvullende uitkering zijn de artikelen 22 tot en met 33,
36 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77a en 78 van
de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
3. De artikelen 34, 35a en 35aa van de Werkloosheidswet zijn
slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering
indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering
krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.
Artikel 4. Hoogte van de aanvullende uitkering
1. Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op
basis van artikel 2, ten minste gelijk is aan de duur van de
WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de
Werkloosheidswet, wordt de WW-uitkering gedurende de eerste twee
maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%,
gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70%
van het voor de betrokkene geldende dagloon aangevuld.
2. Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op
basis van artikel 2, korter is dan de duur van de WW-uitkering,
berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet,
wordt de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 of 52g van de
Werkloosheidswet, gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende
de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daarop volgende
zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de WW-uitkering steeds
geacht door de betrokkene onverminderd te zijn genoten.
Artikel 5. Aanvullende uitkering bij ziekte
1.Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij recht heeft op
een WW-uitkering wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten en
deswege een ZW-uitkering geniet, wordt de ZW-uitkering aangevuld tot
de percentages van het dagloon, genoemd in artikel 4, met inachtneming
van de daaraan voorafgaande termijn waarover de betrokkene recht op
een aanvullende uitkering op grond van dit besluit heeft gehad.
2.Indien het recht op de WW-uitkering na afloop van de periode
waarin de Ziektewet op de betrokkene van toepassing is geweest,
herleeft, telt zowel de termijn waarover de betrokkene voorafgaand aan
deze periode recht heeft gehad op een WW-uitkering als de termijn
waarin de Ziektewet op hem van toepassing is geweest, mee voor het
vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 4.
3.Voor de toepassing van dit artikel worden de WW-uitkering en de
ZW-uitkering steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn
genoten.
Artikel 6. Overlijdensuitkering
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt de
uitkering, bedoeld in artikel 35 of 36 van de Ziektewet, aangevuld tot
100% van het voor de betrokkene geldende dagloon over drie maanden.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de betrokkene geacht
steeds onverminderd ziekengeld te hebben genoten.
Artikel 7. Verplichting of sanctie
Indien ten aanzien van de WW-uitkering of de ZW-uitkering een
verplichting of een sanctie wordt opgelegd, wordt die verplichting
eveneens opgelegd dan wel die sanctie op overeenkomstige wijze toegepast
op de aanvullende uitkering.
Hoofdstuk 3. Aansluitende uitkering bij werkloosheid
Artikel 8. Het recht op aansluitende uitkering
1. Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering
berekend op basis van artikel 2, langer is dan de duur van de
uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet, heeft de
betrokkene die het einde van de uitkeringsduur krachtens de
Werkloosheidswet heeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een
aansluitende uitkering.
2. Het eerste lid vindt uitzondering, indien de betrokkene
gedurende de periode van werkloosheid recht heeft gehad op een
aanvullende uitkering bij ziekte op grond van artikel 5.
3. Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 19 tot en met 40,
47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77a en 78 van de
Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
4. Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de
duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag
van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd
van 65 jaar heeft bereikt.
5. De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van
ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2 verminderd met
de terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de
Werkloosheidswet.
Artikel 9. Hoogte van de aansluitende uitkering
1. De aansluitende uitkering bedraagt tot uiterlijk twee maanden na
de dag waarop het ontslag ingaat 85%, gedurende de daaropvolgende tien
maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% en vervolgens
70% van het voor betrokkene geldende dagloon. Gedurende de verlenging,
bedoeld in artikel 2, derde lid, is de uitkering gelijk aan 70% van
het dagloon.
2. Gedurende de verlenging, bedoeld in artikel 2, derde lid, is de
uitkering gelijk aan 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
3. In afwijking van het tweede lid is de uitkering van de
betrokkene, bedoeld in artikel 2, vierde lid, gelijk aan 50% van het
voor betrokkene geldende dagloon vanaf het moment dat hij de leeftijd
van 63 jaar en twee maanden heeft bereikt. De uitkering is in ieder
geval gelijk aan het minimumloon in evenredigheid met de
betrekkingsomvang van betrokkene op het moment van het ontslag.
4. Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met
de termijn waarin de betrokkene reeds recht heeft gehad op aanvullende
uitkering.
5. Ten aanzien van de hoogte van de aansluitende uitkering is
artikel 47, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 9a
1. In afwijking van artikel 8, derde lid, zijn de artikelen 20,
eerste lid, onder b, 35a en 35aa van de Werkloosheidswet niet van
overeenkomstige toepassing op de betrokkene, op wie artikel 9, derde
lid van toepassing is.
2. De inkomsten die de betrokkene, op wie artikel 9, derde lid, van
toepassing is, geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
bedrijf, worden in mindering gebracht op de uitkering.
3. De in het tweede lid bedoelde vermindering is gelijk aan het
bedrag waarmee de onverminderde uitkering van 50% van het voor hem
geldende dagloon, vermeerderd met het totaalbedrag van de inkomsten,
het voor hem geldende dagloon te boven gaat.
4. Inkomsten als bedoeld in het tweede lid, die geacht worden op
één maand betrekking te hebben of geacht kunnen worden te hebben,
worden in mindering gebracht op de uitkering over die maand.
Artikel 10. Overlijdensuitkering
1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt
onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 van de Ziektewet een
overlijdensuitkering toegekend met een hoogte van 100% van het voor de
betrokkene geldende dagloon over drie maanden.
2.Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nabestaanden
van de betrokkene ter zake van zijn overlijden aanspraak kunnen maken
op grond van een of meer werkloosheidsuitkeringen,
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen
met laatstgenoemde uitkeringen, waarop de betrokkene recht had.
Hoofdstuk 4. Overige bepalingen
Artikel 11. Samenloop met suppletie
1.De betrokkene die ter zake van ontslag recht heeft op een
suppletie als bedoeld in het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector politie, heeft gedurende de termijn dat hij
recht heeft op die suppletie, geen recht op een bovenwettelijke
uitkering krachtens dit besluit.
2.De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, heeft met ingang van de
eerste dag volgende op die waarop de duur van de suppletie is
geëindigd, recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit
besluit, indien de duur van de bovenwettelijke uitkering waarop
betrokkene krachtens dit besluit recht zou hebben gehad indien hij
geen recht op suppletie zou hebben gehad, langer is dan de duur van de
suppletie.
3.Ter bepaling van de hoogte en de duur van de bovenwettelijke
uitkering, wordt de uitkering geacht te zijn ingegaan vanaf de datum
van het ontslag, bedoeld in het eerste lid.
4.Het recht op bovenwettelijke uitkering eindigt na ommekomst van
de duur van de bovenwettelijke uitkering.
Artikel 12. Afschatting bij arbeidsongeschiktheid
1.De betrokkene die ter zake van ontslag wegens ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht
op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit op het moment
dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een WW-uitkering.
Indien de uitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, bedoeld in de eerste volzin, is
ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen wordt het recht op
bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit toegerekend aan de
dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is in de zin van dit
besluit, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten op grond van de
desbetreffende dienstbetrekkingen.
2.Ter bepaling van de hoogte en de duur van de bovenwettelijke
uitkering, wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 13. Herleving
1.Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel of
gedeeltelijk is geëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe
dienstbetrekking en de betrokkene wederom werkloos is geworden in de
zin van de Werkloosheidswet, herleeft op zijn aanvraag het recht op
een bovenwettelijke uitkering voor zover een nieuw recht op een
WW-uitkering is ontstaan.
2.De betrokkene die onmiddellijk aansluitend aan zijn ontslag een
nieuwe dienstbetrekking heeft aanvaard en die werkloos is geworden in
de zin van de Werkloosheidswet, heeft op zijn aanvraag recht op een
bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit voor zover een recht
op een WW-uitkering zou zijn ontstaan op het moment van
ontslagverlening en voor zover een recht op WW-uitkering bestaat op
het moment van werkloos worden, met ingang van de eerste dag waarop
recht op WW-uitkering is ontstaan.
3.De betrokkene die binnen twee jaar nadat hem wegens privatisering
van zijn dienstonderdeel ontslag uit de politiedienst is verleend,
wordt ontslagen als gevolg van de opheffing van zijn betrekking bij de
privaatrechtelijke organisatie of als gevolg van overtolligheid van
personeel door verandering of inkrimping van die organisatie, en op
die grond recht heeft op een WW-uitkering, heeft op zijn aanvraag
recht op een bovenwettelijke uitkering. De duur en de hoogte van de
bovenwettelijke uitkering zijn gelijk aan de duur en de hoogte van de
bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene op de ingangsdatum van
zijn privatiseringsontslag recht zou hebben gehad, met dien verstande
dat in afwijking van artikel 2, eerste en tweede lid, het recht op de
bovenwettelijke uitkering ingaat op het moment van het ontslag bij de
privaatrechtelijke organisatie.
4.De duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering als bedoeld in
het eerste en tweede lid zijn gelijk aan de resterende duur en de
daarbij behorende hoogte van de uitkering waarop de betrokkene op
grond van dit besluit recht zou hebben gehad, indien hij voor het
ontslag als betrokkene onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
5.Een recht op bovenwettelijke uitkering, als bedoeld in het eerste
en tweede lid, kan slechts ontstaan gedurende de termijn welke
betrokkene in het geval dat hij onafgebroken werkloos zou zijn
geweest, een bovenwettelijke uitkering terzake van dat ontslag zou
hebben genoten.
Artikel 14. Loonaanvulling
1.De betrokkene van wie het recht op uitkering geheel of
gedeeltelijk is beëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe
dienstbetrekking, ontvangt op zijn aanvraag gedurende de op basis van
artikel 2 voor hem vastgestelde uitkeringsduur voor zover deze nog
niet is verstreken, een loonaanvulling, indien het dagloon in de
nieuwe betrekking minder bedraagt dan het dagloon uit de betrekking
waaruit hij werkloos is geworden.
2.De loonaanvulling eindigt:
a. zodra de betrokkene opnieuw volledig werkloos wordt;
b. zodra het dagloon in de nieuwe betrekking gelijk is aan dan
wel hoger is dan het dagloon uit de betrekking op grond waarvan
het recht op uitkering bestond; of
c. zodra de voor betrokkene geldende uitkeringsduur is
verstreken.
3.De hoogte van de loonaanvulling is gelijk aan het verschil tussen
het dagloon in zijn nieuwe betrekking en het dagloon van de betrekking
waaruit de betrokkene werkloos is geworden.
4.De loonaanvulling wordt proportioneel toegekend, indien de omvang
van de nieuwe betrekking minder bedraagt dan de betrekking waaruit de
betrokkene is ontslagen. Indien de omvang van de nieuwe betrekking
groter is dan de omvang van de betrekking waaruit de betrokkene is
ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling het feitelijke
verschil in dagloon tussen de oude en de nieuwe betrekking.
5.Betrokkene dient een aanvraag om loonaanvulling in binnen drie
maanden na het aanvaarden van de nieuwe betrekking door middel van een
daarvoor bestemd formulier. Bij overschrijding van deze termijn wordt
de loonaanvulling toegekend vanaf het moment dat de aanvraag is
ingediend.
6.De loonaanvulling telt niet mee voor de berekening van het
pensioen.
Artikel 15. Tegemoetkoming verhuiskosten
Aan de betrokkene die buiten de sector politie arbeid gaat
verrichten, kan inzake de kosten die voor hem aan een daartoe
noodzakelijke verhuizing zijn verbonden, op zijn aanvraag een
tegemoetkoming worden toegekend tot ten hoogste het bedrag van een
vergoeding volgens de normen van hoofdstuk IV van het Besluit reis-,
verblijf-, en verhuiskosten politie onder verrekening van een
tegemoetkoming in verhuiskosten door derden.
Artikel 16. Afkoop
Het recht op de bovenwettelijke uitkering kan op aanvraag van de
betrokkene worden afgekocht tegen 30% van de nominale waarde.
Artikel 17. Extra pensioenopbouw
Het bevoegd gezag kan de betrokkene op zijn aanvraag tegemoetkomen in
de pensioenopbouw tijdens de duur van de werkloosheid, bedoeld in
artikel 5.4 van het pensioenreglement, zodanig dat de duur van de
werkloosheid niet voor de helft maar voor driekwart zal meetellen. In
dat geval dient de betrokkene met het Pensioenfonds een aanvullende
individuele regeling overeen te komen krachtens artikel 16.2 van het
pensioenreglement en is de in het pensioenreglement vastgestelde
premieverdeling tussen het bevoegd gezag en de betrokkene van
toepassing.
Artikel 18. Doorwerking wettelijke mutaties
Indien het niveau van de WW-uitkering een algemene verlaging
ondergaat, wordt deze verlaging, behoudens indien Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de Commissie voor
georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2
van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, overeenstemming
bereikt binnen de looptijd van het vigerende arbeidsvoorwaardenakkoord,
op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan
wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van de betrokkene, vanaf de in
het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
verlaging, doch niet eerder dan de eerste dag na de einddatum van het
vigerende arbeidsvoorwaardenakkoord.
Artikel 19. Indexering
Het dagloon wordt aangepast overeenkomstig een algemene
salarismaatregel in de sector Politie.
Artikel 20. Uitvoering
1.Het bevoegd gezag is belast met de uitvoering van dit besluit.
2.Het bevoegd gezag kan ter uitvoering van dit besluit nadere
voorschriften van administratieve aard stellen.
Hoofdstuk 5. Wijziging van andere besluiten
Artikel 21
[Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie]
Artikel 22
[Wijzigt het Besluit bezoldiging politie]
Artikel 23
[Wijzigt het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994]
Artikel 24
[Wijzigt het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector Politie]
Artikel 25
[Wijzigt het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie]
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 26
Ontslaguitkeringen die zijn toegekend op de voet van de bepalingen
van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de Uitkeringsregeling 1966, zoals
die luidden op 1 januari 1998, blijven uitsluitend voor wat betreft
hoogte, duur en voor wat betreft de anticumulatie, indien de betrokkene
in de zes maanden voorafgaand aan 1 januari 2001 gedurende ten minste
drie maanden neveninkomsten uit arbeid of bedrijf heeft genoten,
gedurende tien jaren dan wel, indien betrokkene op 31 december 2000 50
jaar of ouder is, gedurende maximaal 15 jaar, behouden gedurende de duur
van de uitkering.
Artikel 26a
Indien de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen
voor 1 januari 2005 uitsluitend als gevolg van de Wet van 19 december
2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing
van de vervolguitkering (Stb. 546) geen aanspraak meer heeft op een
vervolguitkering ingevolge de Werkloosheidswet, en de voor hem met
toepassing van artikel 8, vijfde lid, vastgestelde duur van de
aansluitende uitkering korter is dan de duur van de afgeschafte
vervolguitkering krachtens de Werkloosheidwet, wordt in afwijking van
artikel 8, vijfde lid, de duur van de aansluitende uitkering gesteld op
de duur van die afgeschafte vervolguitkering.
Artikel 26b
De artikelen 2 en 8 van dit besluit zoals deze luidden op 31 december
2004 blijven van toepassing op de betrokkene van wie de eerste
werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2005.
Artikel 26c
De artikelen 2, 4 en 9 van dit besluit zoals deze luidden op 31
december 2010, blijven van toepassing op de betrokkene van wie de eerste
werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2011.
Artikel 27
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bovenwettelijke
werkloosheidsuitkering politie.
Artikel 28
Dit besluit treedt in werking met ingang van de inwerkingtreding van
fase 2, bedoeld in artikel 94 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 18 december 2000
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
Uitgegeven de achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|