|
BESLUIT van 28 maart 1994, houdende bepalingen met betrekking tot de
financiën van de regionale politiekorpsen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 2
december 1993, nr. EA93/U3433, gedaan in overeenstemming met Onze
Ministers van Justitie en van Financiën;
Gelet op de artikelen 44 en 45 van de Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 15 februari 1994,
nr.
W04.93.0811);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van
24 maart 1994, nr. EA94/U871, uitgebracht in overeenstemming met Onze
Ministers van Justitie en van Financiën;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Veiligheid en Justitie;
b. werksoort: een verzameling van
met elkaar samenhangende werkzaamheden van de Nederlandse politie
met een specifieke kostenstructuur, die bestaat uit personele en
materiële kosten;
c. telefoonmeting: onderzoek in
opdracht van Onze Minister naar de kwalitatieve en kwantitatieve
telefonische bereikbaarheid van de regio’s in het kader van het
Landelijk Telefoonnummer Politie;
d. werklastmeting: de in 2009
verrichte meting in opdracht van Onze Minister naar de werklast
van de regio’s.
2. Onder kosten als bedoeld in artikel
44, eerste lid, van de Politiewet 1993 wordt verstaan: het saldo van
de lasten en baten van de regio voor personele en materiële middelen
en investeringen, reserveringen en desinvesteringen daaronder
begrepen.
Artikel 2
1. De rijksbijdrage aan een regio
bestaat uit een algemene bijdrage en eventuele bijzondere en
aanvullende bijdragen.
2. De algemene bijdrage bestaat uit:
a. een algemeen budget dat is
opgebouwd uit de met toepassing van de in de artikelen 2b, 2c en
2d te berekenen aanspraken op deelbudgetten voor de werksoorten
intake en service, noodhulp, opsporing en handhaving;
b. specifieke budgetten die Onze
Minister kan toekennen indien specifieke kenmerken in een regio of
een specifieke taak binnen een regio extra werklast meebrengen;
c. compensaties indien deartikelen
2e, respectievelijk 10, 11, 12, 13b of 13c van toepassing zijn.
3. Onze Minister stelt jaarlijks onder
voorbehoud van goedkeuring van de begroting van het ministerie van
Veiligheid en Justitie voor 1 juli voor het eerstvolgende jaar
voorlopig vast welk deel van de begroting bestemd is voor:
a. algemene budgetten en verdeling
van dit bedrag in deelbudgetten voor de in het tweede lid, onder
a, genoemde werksoorten;
b. specifieke budgetten;
c. compensaties;
d. bijzondere bijdragen.
4. Onze Minister geeft bij de
voorlopige vaststelling bedoeld in het derde lid een indicatie van de
omvang van de genoemde bestemmingen in de daarop volgende drie jaren.
Artikel 2a
1. Onze Minister stelt onder voorbehoud
van goedkeuring van de begroting van het ministerie van Veiligheid en
Justitie voor 1 juli de algemene bijdrage aan een regio voor het
eerstvolgende jaar voorlopig vast en geeft daarbij een indicatie van
de algemene bijdrage aan de regio in de daaropvolgende drie jaren.
2. De voorlopig vastgestelde algemene
bijdrage wordt betaalbaar gesteld in vier termijnen respectievelijk 15
januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober.
3. Onze Minister kan de voorlopig
vastgestelde bijdrage wijzigen.
4. Onze Minister kan de voorlopig
vastgestelde bijdrage verminderen indien niet wordt voldaan aan het
gestelde bij of krachtens artikel 13a, tweede lid, van het Besluit
comptabele regelgeving regionale politiekorpsen.
5. Onze Minister stelt de
korpsbeheerder zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit tot
bijstelling als bedoeld in het derde en vierde lid.
6. Verrekening van bijstellingen in de
voorlopig vastgestelde algemene bijdrage vindt uiterlijk plaats op 1
december van het jaar waarop de voorlopige vaststelling betrekking
heeft.
7. Onze Minister kan bij de voorlopige
vaststelling van de algemene bijdrage voorwaarden verbinden aan de
besteding van deze bijdrage.
Artikel 2b
1. Het algemene budget dat een regio
ontvangt is de som van de volgende bedragen:
a. het bedrag dat de regio
ingevolge artikel 2contvangt als onderdeel van het deelbudget van
intake en service in verband met de op grond van de telefoonmeting
voor 2007 en 2008 vastgestelde werklast van de regio;
b. de bedragen die de uitkomst
vormen van de met toepassing van de in artikel 2d, eerste lid,
opgenomen formules berekende procentuele aandelen in de door Onze
Minister krachtens artikel 2, derde lid, onderdeel a, vastgestelde
deelbudgetten per werksoort.
2. Voor het vaststellen van de in het
eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentages worden de uitkomsten van
de formules van de afzonderlijke gemeenten in een regio bij elkaar
opgeteld en wordt het procentuele aandeel daarvan berekend in het
totaal van de uitkomst voor alle regio’s.
3. Ten aanzien van de werksoort intake
en service wordt bij de berekening van het bedrag dat een regio
ontvangt het door Onze Minister krachtens artikel 2, derde lid, voor
die werksoort vastgestelde deelbudget verminderd met de bedragen die
de regio’s ontvangen op grond van het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 2c
1. Op basis van de telefoonmeting voor
2007 en 2008 wordt de werklast van de regio bepaald als het gemiddelde
van de uitkomst van de formule 31,0 Ln (y) –348,0, waarbij y het
aantal met 0900-8844 gevoerde gesprekken per jaar weergeeft.
2. De regio ontvangt een bedrag ter
hoogte van de uitkomst van de in het eerste lid genoemde formule,
vermenigvuldigd met het normbedrag voor de werksoort intake en service
dat door Onze Minister wordt vastgesteld.
Artikel 2d
1. Voor de verdeling van de door Onze
Minister krachtens artikel 2, derde lid, vastgestelde deelbudgetten
worden de volgende formules gehanteerd:
a. voor opsporing:
(a + f x GG) x (INW : 1000) + b x
OAD + c x HRC + d x NWA + e x RKP;
b. voor handhaving wijkagenten:
g x INW;
c. voor handhaving overig:
h x GEZ + i x OAD + j x NWA1530 + k
x RKP;
d. voor intake en service overig:
l x INW + m x MOB + n x GEZ + o x
KRW;
e. voor noodhulp:
p x INW + q x OPP.
2. De afkortingen die deel uitmaken van
de formules hebben betrekking op de volgende omgevingskenmerken van
een gemeente:
GEZ: gezinnen met laag inkomen,
zijnde het aantal gezinnen in het tweede, derde en vierde deciel
van de inkomensverdeling;
GG: grensgemeente, zijnde een
variabele die de waarde 1 heeft indien de betreffende gemeente
(over land) aan België of Duitsland grenst. (gemeentelijke
indeling van Nederland op 1 januari 2008, CBS);
HRC: het aantal bedrijfsvestigingen
met de economische activiteit«horeca»;
INW: de geregistreerde bevolking;
KRW: krachtwijken, zijnde de wijken
als bedoeld in de definitieve selectie van wijken, bedoeld in de
brief van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 31 mei
2007 (Kamerstukken II 2006/07, 30 995, nr. 5);
MOB: de som van het aantal personen
dat verhuisd is binnen de gemeente en het aantal personen dat
verhuisd is naar een andere gemeente;
NWA: niet-westerse allochtonen: een
inwoner van een gemeente met als herkomstgroepering een van de
landen in Afrika, Latijns Amerika, Azië (exclusief Indonesië en
Japan) of Turkije;
NWA1530: niet-westerse allochtonen
in de leeftijdsgroep van 15 tot 30 jarigen die een inwoner zijn
van een gemeente met als herkomstgroepering een van de landen in
Afrika, Latijns Amerika, Azië (exclusief Indonesië en Japan) of
Turkije;
OAD: het gemiddelde aantal adressen
per km2 dat een adres binnen zijn omgeving heeft;
OPP: de oppervlakte land in hectare
volgens regionale indelingen;
RKP: regionaal klantenpotentieel,
zijnde het aantal potentiële regionale klanten dat aangetrokken
wordt binnen een straal van 60 kilometer.
3. De constanten en coëfficiënten die
deel uitmaken van de formules hebben betrekking op de waarden, genoemd
in de onderstaande tabel:
|
constante /
coëfficiënt |
waarde |
|
a |
0,809768822426767 |
|
b |
0,00422444613802816 |
|
c |
0,0860877655186106 |
|
d |
0,0121880208854086 |
|
e |
0,00104857654805576 |
|
f |
0,333399561916019 |
|
g |
0,0002 |
|
h |
0,00705149969469501 |
|
i |
0,0049486418506437 |
|
j |
0,0374953384812349 |
|
k |
0,0003618016488999 |
|
l |
0,000121511587006227 |
|
m |
0,000170950020796439 |
|
n |
0,000371234027615356 |
|
o |
0,290619934564518 |
|
p |
0,000203415543387561 |
|
q |
0,0395664179547372 |
4. Bij het invullen van de waarde van
de omgevingskenmerken GG, HRC, INW, OAD, OPP, NWA, NWA1530 en RKP,
wordt gebruik gemaakt van CBS-gegevens met als peildatum 1 januari
2008. Voor de omgevingskenmerken GZ en MOB wordt gebruik gemaakt van
CBS-gegevens over het jaar 2007.
5. In afwijking van het vierde lid
wordt voor INW in de formule voor«handhaving wijkagenten» het
gemiddelde genomen over de periode 2005–2008, met als peildatum 1
januari. Het aantal inwoners 2005 kent daarbij een gewicht van 1/10,
2006 kent een gewicht van 2/10, 2007 kent een gewicht van 3/10 en
2008 kent een gewicht van 4/10.
Artikel 2e
1.Indien het op grond van artikel 2,
derde lid, onderdeel a, voor de algemene budgetten beschikbare bedrag
voor het eerstvolgende jaar gelijk is aan dat van het lopende jaar en
het algemene budget van een regio in het eerstvolgende jaar ten
opzichte van het lopende jaar daalt als gevolg van de met toepassing
van de artikelen 2b, 2c en 2d uitgevoerde berekeningen en deze daling
meer dan 1% bedraagt, ontvangt de regio in het eerstvolgende jaar een
compensatie ter hoogte van het percentage waarmee de daling de 1%
overstijgt.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde
daling meer bedraagt dan 2% wordt in het jaar volgende op het
eerstvolgende jaar de helft gecompenseerd van het percentage waarmee
de 1% wordt overschreden.
3.Een stijging van het algemene budget
ten opzichte van het lopende jaar als gevolg van de loon- en
prijsindex, wordt in de berekeningen van het eerste en tweede lid
buiten beschouwing gelaten.
Artikel 3
1.Onze Minister kan aan een regio een
bijzondere bijdrage verlenen.
2.Een bijzondere bijdrage kan onder
voorwaarden worden verleend.
Artikel 4
1.Op aanvraag van het regionale college
kan Onze Minister een aanvullende bijdrage verlenen, indien in het
jaar waarvoor de algemene bijdrage voorlopig is vastgesteld en in een
of meer daaropvolgende jaren een begrotingstekort wordt verwacht voor
zoveel groter dan een bij ministeriële regeling vastgesteld
percentage van de voor het eerstbedoelde jaar voorlopig vastgestelde
algemene bijdrage vermeerderd met de bijzondere bijdrage. De
aanvullende bijdrage wordt voor ten hoogste vier achtereenvolgende
jaren verleend en wordt jaarlijks door Onze Minister aangepast aan het
voor dat jaar verwachte begrotingstekort.
2.De aanvraag wordt door de
korpsbeheerder namens het regionale college bij Onze Minister
ingediend voor het begin van het jaar waarvoor de aanvullende bijdrage
wordt aangevraagd. Onze Minister beslist omtrent de aanvraag binnen
een half jaar na indiening daarvan. Indien de beschikking niet binnen
dat half jaar kan worden gegeven, stelt Onze Minister de
korpsbeheerder daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn
waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Deze termijn
is niet langer dan drie maanden.
3.Onze Minister kan aan een regio
waaraan een aanvullende bijdrage wordt verleend, bijzondere
voorschriften geven met betrekking tot het door die regio te voeren
financiële beleid. Deze voorschriften zijn van toepassing op het
begrotingsjaar of de begrotingsjaren waarvoor de bijdrage wordt
verleend.
4.Onverminderd artikel 7 kan Onze
Minister de aanvullende bijdrage verminderen, intrekken, dan wel
geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien:
a. de financiële positie van de
regio zodanig wijzigt, dat daarmee niet langer aan de in het
eerste lid, eerste volzin, bedoelde voorwaarde wordt voldaan,
b. de door of namens het regionale
college ten behoeve van de aanvraag verstrekte informatie onjuist
of onvolledig blijkt te zijn en de verstrekking van juiste en
volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, of
c. de regio in strijd handelt met
de voorschriften, bedoeld in het derde lid.
5.Onze Minister kan de in het eerste
lid, eerste volzin, bedoelde voorwaarde geheel of gedeeltelijk buiten
toepassing laten gelet op het belang dat deze regeling beoogt te
beschermen, voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard.
Artikel 4a
1.Onze Minister kan, gelet op het
gestelde bij of krachtens artikel 13a van het Besluit comptabele
regelgeving regionale politiekorpsen, ten behoeve van een verbetering
van de financiële positie aan een regio een aanvullende bijdrage
verlenen.
2.Onze Minister kan aan een regio
waaraan een bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend, met
betrekking tot het door die regio te voeren financiële beleid
bijzondere voorschriften geven. Deze voorschriften zijn van toepassing
op het begrotingsjaar of de begrotingsjaren waarvoor de bijdrage wordt
verleend.
3.Onverminderd artikel 7 kan Onze
Minister de bijdrage, bedoeld in het eerste lid verminderen,
intrekken, dan wel geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien:
a. de financiële positie van de
regio zodanig wijzigt, dat aan het krachtens artikel 13a, tweede
lid, van het Besluit comptabele regelgeving regionale
politiekorpsen gestelde wordt voldaan.
b. de regio in strijd handelt met
de voorschriften, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4b
1.Het algemene budget van een regio
wordt verminderd met een voor alle regio’s gelijk percentage van hun
budget ter dekking van de aanvullende bijdragen aan regio’s op grond
van de artikelen 4 en 4a.
2.De rijksbijdrage aan een regio kan
worden verminderd ter vergoeding van kosten in verband met
samenwerking met andere regio’s of in verband met voorzieningen
waarvan de regio gebruikmaakt.
3.Onze Minister stelt jaarlijks voor 31
december de hoogte vast van de vermindering bedoeld in het eerste en
tweede lid.
Artikel 5
1. De korpsbeheerder verstrekt
jaarlijks uiterlijk 31 maart aan Onze Minister het vastgestelde
jaarverslag en de jaarrekening waarin verantwoording wordt afgelegd
over de besteding van de rijksbijdragen en overige baten over het
voorafgaande jaar.
2. Onze Minister kan nadere regels
stellen over de inhoud en inrichting van het jaarverslag en de
jaarrekening, alsmede over de wijze waarop deze aan hem worden
verstrekt.
3. De jaarrekening is voorzien van een
verklaring en een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Onze Minister kan nadere regels
stellen aan de inhoud en inrichting van het verslag, de reikwijdte van
de controle en de inhoud van de verklaring, bedoeld in het derde lid.
5. Aan ambtenaren van het ministerie
van Veiligheid en Justitie wordt op verzoek alle informatie verstrekt
die zij noodzakelijk achten. Deze ambtenaren kunnen ook op eigen
initiatief informatie inwinnen bij de deskundige die met de controle
is belast.
Artikel 6
Uitbetaling van een rijksbijdrage vindt
plaats door middel van voorschotten.
Artikel 7
1.Onze Minister stelt de omvang van de
rijksbijdragen over het voorafgaande begrotingsjaar definitief vast
binnen drie maanden nadat de regio de in artikel 5, eerste lid,
bedoelde bescheiden heeft overgelegd.
2.Onze Minister kan besluiten tot
gehele of gedeeltelijke terugvordering van verleende rijksbijdragen
indien uit de in artikel 5, eerste en derde lid, bedoelde bescheiden
blijkt dat de bijdragen niet overeenkomstig de gestelde regels zijn
besteed of niet is voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de
besteding van de rijksbijdragen.
3.Onze Minister kan de betaling van
voorschotten geheel of gedeeltelijk opschorten indien niet is voldaan
aan de bij of krachtens artikel 5 gestelde regels of aan het bepaalde
op grond van artikel 45, derde lid, van de Politiewet 1993.
4.Onze Minister stelt de korpsbeheerder
zo spoedig mogelijk op de hoogte van een besluit als bedoeld in het
tweede en derde lid.
Artikel 8
1.De korpsbeheerder verstrekt jaarlijks
voor 15 november aan Onze Minister de vastgestelde organisatie en de
formatie voor het volgende jaar en eveneens de vastgestelde begroting
en het beleidsplan die betrekking hebben op het volgende jaar en de
daarop volgende drie jaren. De op deze documenten betrekking hebbende
wijzigingen worden, zodra deze door het regionale college zijn
vastgesteld, aan Onze Minister gezonden.
2.Onze Minister kan nadere regels
stellen over de inrichting van de documenten, bedoeld in het eerste
lid, alsmede over de wijze waarop deze aan hem worden verstrekt. Voor
zover deze regels betrekking hebben op de strafrechtelijke handhaving
van de rechtsorde dan wel op taken ten dienste van de justitie, worden
zij gesteld in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
3.Onze Minister doet jaarlijks verslag
van de verkregen informatie aan Onze Minister van Justitie en aan de
korpsbeheerders.
Artikel 9
1.Bij de toepassing van de artikelen
203 en 205 tot en met 211 van de Gemeentewet, bedoeld in artikel 45,
vierde lid, van de Politiewet 1993, wordt gelezen voor:
a. het gemeentebestuur: de
korpsbeheerder;
b. het college van burgemeester en
wethouders: de korpsbeheerder;
c. de gemeenteraad: het regionale
college;
d. de raad: het regionale college;
e. de gemeente: de politieregio;
f. gedeputeerde staten: Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
g. de commissaris van de Koning:
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2.In aanvulling op artikel 203 van de
Gemeentewet kan Onze Minister bepalen dat de begroting voor het
regionale politiekorps alsmede de daarop betrekking hebbende
wijzigingen tevens zijn goedkeuring behoeven indien:
a. niet is voldaan aan de bij of
krachtens artikel 8, eerste en tweede lid, gestelde regels;
b. blijkt dat niet is voldaan aan
de voorwaarden die zijn gesteld aan de besteding van de
rijksbijdragen;
c. de verhouding tussen het eigen
vermogen en het balanstotaal in de jaarrekening van het tweede aan
het begrotingsjaar voorafgaande jaar kleiner is dan een bij
ministeriële regeling vast te stellen normwaarde; of
d. de verhouding tussen het eigen
vermogen en het balanstotaal in de begroting kleiner is dan een
bij ministeriële regeling vast te stellen normwaarde en blijkens
de meerjarenraming niet aannemelijk is dat de normwaarde in de
eerstvolgende jaren zal worden bereikt.
3.In afwijking van artikel 206 van de
Gemeentewet kan de goedkeuring tevens worden onthouden indien niet is
voldaan aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid,
gestelde regels, of indien blijkt dat niet is voldaan aan de
voorwaarden die zijn gesteld aan de besteding van de rijksbijdragen.
Artikel 10
1.Voor de toepassing van de artikelen
10 tot en met 12 wordt verstaan onder:
a. jaarbijdrage: bijdrage op grond
van de artikelen 2a, 2b, 2c, 2d en 3 verminderd met bij
ministeriële regeling bepaalde onderdelen hiervan;
b. referentiebijdrage 2007: som van
de algemene bijdrage en de bijzondere bijdragen die een regio op
grond van dit besluit zoals het gold op 31 december 2006 in 2007
zou hebben ontvangen, verminderd met bij ministeriële regeling
bepaalde onderdelen hiervan.
2.Onze Minister stelt uiterlijk 31
december 2007 de referentiebijdrage 2007 per regio vast.
3.Indien de referentiebijdrage 2007
voor een regio hoger is dan de jaarbijdrage in 2007, ontvangt de regio
met ingang van 2007 een compensatie te berekenen met toepassing van
artikel 11. Indien de referentiebijdrage 2007 lager is dan de
jaarbijdrage die voor 2007 is berekend, wordt de stijging van de
jaarbijdrage met ingang van 2007 gemaximeerd met toepassing van
artikel 12.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 12
1.De regio ontvangt in 2007 een
jaarbijdrage die maximaal 2% hoger is dan de referentiebijdrage 2007.
2.De regio ontvangt in 2008 en de
daarop volgende jaren een jaarbijdrage die maximaal 4% hoger is dan de
jaarbijdrage van het voorafgaande jaar.
3.Bij ministeriële regeling kunnen
onderdelen van de jaarbijdrage worden vastgesteld die bij de
berekeningen bedoeld in het eerste en tweede lid buiten beschouwing
worden gelaten.
4.De verhogingen van onderdelen van de
jaarbijdrage ten gevolge van de stijging van de loon-en prijsindex
worden bij de berekeningen bedoeld in het eerste en tweede lid buiten
beschouwing gelaten.
5.Indien de jaarbijdrage in het
eerstvolgende jaar lager is dan in het lopende jaar, wordt het
maximale stijgingspercentage verminderd met een percentage dat
overeenkomt met de lagere vaststelling van de jaarbijdrage.
6.In afwijking van het eerste lid,
wordt bij besluit van Onze Minister de rijksbijdrage in 2007 voor de
regio’s Flevoland en Limburg-Zuid vastgesteld.
Artikel 13
Bij het invullen van de waarde van de
omgevingskenmerken ten behoeve van de verdeling van de deelbudgetten
voor het jaar 2011:
a. worden in afwijking van artikel
2d, vierde lid, de op 1 april 2009 bekende gegevens van het CBS
gebruikt,
b. wordt in afwijking van artikel 2d,
vijfde lid, voor INW het gemiddelde genomen van de waarde van de
jaren 2009, 2010 en 2011, en de prognose ten aanzien van het jaar
2012.
Artikel 13a
Voor de toepassing van de artikelen 13b
en 13cwordt verstaan onder:
a. het algemeen budget voor het jaar
2011: het algemeen budget per korps voor het jaar 2011, berekend op
grond van dit besluit zoals dat gold op 31 december 2011, uitgaande
van de som van de algemene budgetten overeenkomstig de bij dit
besluit behorende bijlage I;
b. het herijkte budget voor het jaar
2011: het algemeen budget per korps voor het jaar 2011, berekend op
grond van dit besluit zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2012,
uitgaande van de som van de algemene budgetten overeenkomstig de bij
dit besluit behorendebijlage I;
c. krimpregio: een regio waarbij het
herijkte budget voor het jaar 2011 kleiner is dan het algemeen
budget voor het jaar 2011 overeenkomstig de bij dit besluit
behorende bijlage I;
d. groeiregio: een regio waarbij het
herijkte budget voor het jaar 2011 groter is dan het algemeen budget
voor het jaar 2011 overeenkomstig de bij dit besluit behorende
bijlage I.
Artikel 13b
1. Het budget van een krimpregio wordt
voor de jaren 2012 tot en met 2015 verhoogd met het verschil tussen
het budget overeenkomstig bijlage Ibij dit besluit en het herijkte
budget voor het jaar 2011, verminderd met respectievelijk 1,5 procent,
3 procent, 4,5 procent en 6 procent van het budget overeenkomstig
bijlage I.
2. Het budget van een krimpregio wordt
verhoogd tot en met het jaar waarin het verschil tussen het budget
overeenkomstig bijlage I bij dit besluit en het herijkte budget voor
het jaar 2011 en de vermindering overeenkomstig het eerste lid nihil
is.
3. Voor een groeiregio wordt voor de
jaren 2012 tot en met 2015 het verschil berekend tussen het budget
overeenkomstig bijlage I bij dit besluit en het herijkte budget voor
het jaar 2011. Het budget voor de groeiregio wordt verminderd met het
saldo van het verschil overeenkomstig de eerste zin en de uitkomst van
de formule a/b x c, waarin a staat voor het verschil bedoeld in de
eerste volzin, b staat voor de som van de verschilbedragen voor alle
groeibedragen bedoeld in de eerste volzin voor alle groeiregio’s en
c staat voor de vermindering overeenkomstig het eerste lid.
4. Het budget van een groeiregio wordt
verlaagd tot en met het jaar waarin het verschil tussen het budget
overeenkomstig bijlage I bij dit besluit en het herijkte budget voor
het jaar 2011 en de uitkomst van de formule a/b x c nihil is.
Artikel 13c
1. Indien voor een regio het relatieve
verschil tussen het herijkte budget voor 2011 aangevuld met de
bedragen op grond van artikel 13b, eerste of derde lid voor de jaren
2012 tot en met 2015 en de uitkomst van de werklastmeting,
overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage IIvoor een jaar
groter is dan 6,62 procent, wordt het budget van de regio verminderd
door het verschil te verminderen met 6,62 procentpunt en de uitkomst
daarvan te vermenigvuldigen met het herijkt budget voor 2011 aangevuld
met de bedragen op grond van artikel 13b, eerste of derde lidvoor de
jaren 2012 tot en met 2015.
2. Indien voor een regio het relatieve
verschil tussen het herijkte budget voor 2011 aangevuld met de
bedragen op grond van artikel 13b, eerste of derde lid voor de jaren
2012 tot en met 2015 en de uitkomst van de werklastmeting,
overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage IIvoor een jaar
kleiner is dan –6,62 procent, wordt het budget van de regio
vermeerderd door het verschil te vermeerderen met 6,62 procentpunt en
de absolute waarde van de uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het
herijkt budget voor 2011 aangevuld met de bedragen op grond van
artikel 13b, eerste of derde lid, voor de jaren 2012 tot en met 2015.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
financiën regionale politiekorpsen.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 28 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
Uitgegeven de veertiende april 1994
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I
Budgetten 2011 per regiokorps
|
|
Budget 2011 |
|
Groningen |
€131.190.488,3540120 |
|
Fryslân |
€110.717.734,5921150 |
|
Drenthe |
€77.247.407,5246590 |
|
IJsselland |
€86.194.841,9524317 |
|
Twente |
€114.743.202,8341950 |
|
Noord-en Oost-Gelderland |
€128.683.194,2588390 |
|
Gelderland-Midden |
€125.315.897,0802590 |
|
Gelderland-Zuid |
€91.046.245,4248721 |
|
Utrecht |
€265.115.994,6927400 |
|
Noord-Holland-Noord |
€109.302.359,5178300 |
|
Zaanstreek-Waterland |
€61.645.655,2763064 |
|
Kennemerland |
€116.129.490,9180430 |
|
Amsterdam-Amstelland |
€458.974.380,0774870 |
|
Gooi en vechtstreek |
€51.548.313,6166874 |
|
Haaglanden |
€336.501.473,5370920 |
|
Hollands Midden |
€144.566.995,9874090 |
|
Rotterdam-Rijnmond |
€385.192.587,5694770 |
|
Zuid-Holland-Zuid |
€90.849.962,5634534 |
|
Zeeland |
€71.465.960,4198674 |
|
Midden-en West-Brabant |
€204.706.680,8630040 |
|
Brabant-Noord |
€107.939.343,7446930 |
|
Brabant-Zuid-Oost |
€144.267.876,8869410 |
|
Limburg-Noord |
€90.947.058,4825179 |
|
Limburg-Zuid |
€139.569.527,8817260 |
|
Flevoland |
€85.251.359,4414561 |
Bijlage II
Verschilpercentages per regiokorps
|
|
Verschil 2012 |
Verschil 2013 |
Verschil 2014 |
Verschil 2015 |
|
Groningen |
0,00% |
0,85% |
2,39% |
3,92% |
|
Fryslân |
1,32% |
2,10% |
2,64% |
3,16% |
|
Drenthe |
0,27% |
–0,06% |
–0,66% |
–1,23% |
|
IJsselland |
1,09% |
1,59% |
1,82% |
2,04% |
|
Twente |
3,46% |
6,32% |
8,8912533407253% |
11,3977248556821% |
|
Noord-en Oost-Gelderland |
0,88% |
1,22% |
1,32% |
1,42% |
|
Gelderland-Midden |
0,27% |
0,33% |
0,29% |
0,26% |
|
Gelderland-Zuid |
0,56% |
0,68% |
0,61% |
0,53% |
|
Utrecht |
–0,58% |
–1,10% |
–1,61% |
–2,12% |
|
Noord-Holland-Noord |
–0,71% |
–1,65% |
–2,71% |
–3,75% |
|
Zaanstreek-Waterland |
2,73% |
5,09% |
7,27560893341608% |
9,42689647001924% |
|
Kennemerland |
0,00% |
0,00% |
0,00% |
0,00% |
|
Amsterdam-Amstelland |
0,00% |
0,00% |
0,00% |
0,00% |
|
Gooi en vechtstreek |
–1,98% |
–4,01% |
–6,09% |
–8,24093874381438% |
|
Haaglanden |
0,00% |
0,00% |
0,00% |
0,00% |
|
Hollands Midden |
–1,81% |
–2,15% |
–2,49% |
–2,83% |
|
Rotterdam-Rijnmond |
0,00% |
0,93% |
2,47% |
4,00% |
|
Zuid-Holland-Zuid |
1,98% |
2,72% |
3,01% |
3,30% |
|
Zeeland |
0,21% |
0,18% |
0,03% |
–0,12% |
|
Midden-en West-Brabant |
–0,70% |
–1,59% |
–2,56% |
–3,53% |
|
Brabant-Noord |
–0,56% |
–1,39% |
–2,34% |
–3,28% |
|
Brabant-Zuid-Oost |
–0,15% |
–0,47% |
–0,88% |
–1,28% |
|
Limburg-Noord |
0,04% |
–0,26% |
–0,72% |
–1,17% |
|
Limburg-Zuid |
–3,58% |
–7,17867159507605% |
–10,8656919861828% |
–14,6703832408356% |
|
Flevoland |
0,73% |
0,99% |
1,03% |
1,07% |
|