| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
BESLUIT
OVERLEG EN MEDEZEGGENSCHAP POLITIE 1994
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 16 maart 1994, houdende vaststelling van
regels over het overleg over politieambtenarenzaken en over de
medezeggenschap bij de politie
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november
1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie
Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening,
afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3217;
Gelet op artikel 50, eerste lid, van de
Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 7
februari 1994, nr, W04.93.0768);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare
Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs
en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr.
EA94/U766;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. regionaal politiekorps: een regionaal politiekorps als bedoeld
in artikel 21 van de Politiewet 1993;
c. Korps landelijke politiediensten: het Korps landelijke
politiediensten, bedoeld in artikel 38 van de Politiewet 1993;
d. Het LSOP: het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut
politie, bedoeld in artikel 2 van het LSOP-wet;
e. voorziening tot samenwerking: een publiekrechtelijke
rechtspersoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de
Politiewet 1993.
f. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel h,
van het Besluit algemene rechtspositie politie;
g. bevoegd gezag:
1°. de korpsbeheerder, voor zover het betreft de ambtenaar
die werkzaam is bij een regionaal politiekorps.
2°. Onze Minister, voor zover het betreft de ambtenaar die
werkzaam is bij het Korps landelijke politiediensten;
3°. Onze Minister van Justitie, voor zover het betreft de
bijzondere ambtenaar van politie;
4°. de bestuursraad van het LSOP, voor zover het betreft het
LSOP.
5°. het algemeen bestuur van een voorziening tot
samenwerking, voor zover het betreft de ambtenaren aangesteld
bij de desbetreffende voorziening tot samenwerking;
h. korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 24
onderscheidenlijk artikel 38 van de Politiewet 1993;
i. Centrale: een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in
artikel 1 van de Regeling overleg Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid;
j. Commissie: de Commissie voor georganiseerd overleg in
politie-ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2;
k. Regionale Commissie: de Regionale Commissie voor georganiseerd
overleg in politie-ambtenarenzaken in het regionaal politiekorps,
bedoeld in artikel 12;
l. Commissie Korps landelijke politiediensten: de Commissie voor
georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in het Korps
landelijke politiediensten, bedoeld in artikel 21.
m. Commissie bijzondere ambtenaren van politie: de Commissie voor
georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken ten behoeve van de
bijzondere ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 22;
n. Commissie LSOP: de Commissie voor georganiseerd overleg in
politie-ambtenarenzaken ten behoeve van de ambtenaren van het LSOP,
bedoeld in artikel 22a ;
o. Commissie voorziening tot samenwerking: de Commissie voor
georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken ten behoeve van de
ambtenaren werkzaam bij een voorziening tot samenwerking, bedoeld in
artikel 22b;
p. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP;
q. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP,
bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
r. AFUP-opbouwreglement: het reglement bedoeld in artikel 2.4b,
tweede lid, van het pensioenreglement;
s. AFUP: de in het AFUP-opbouwreglement neergelegde regeling.
Hoofdstuk II. Het overleg met verenigingen van ambtenaren
Afdeling 1. Het overleg met de Commissie
Artikel 2
1.Er is een Commissie voor georganiseerd overleg in
politie-ambtenarenzaken.
2.De Commissie bestaat uit vertegenwoordigers van:
a. de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP),
vertegenwoordigd door de Nederlandse Politiebond (NPB);
b. de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend
personeel (CCOOP), vertegenwoordigd door de Algemeen Christelijke
Politiebond (ACP);
c. het Ambtenarencentrum (AC), vertegenwoordigd door de
Algemene Nederlandse Politievereniging (ANPV);
d. de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij
Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen (CMHF),
vertegenwoordigd door de Vereniging van Middelbare en Hogere
Politie-ambtenaren (VMHP);
e. andere bij koninklijk besluit tot het overleg toegelaten
verenigingen van ambtenaren die eveneens representatief zijn,
onder meer gelet op het aantal ambtenaren dat zij
vertegenwoordigen, en die aangesloten zijn bij een Centrale die
zich door haar doet vertegenwoordigen en tegen wier toelating het
algemeen belang zich niet verzet.
3.Elke vereniging van ambtenaren, genoemd in het tweede lid, is
bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee plaatsvervangende leden
van de Commissie. Indien verschillende verenigingen van ambtenaren
zijn aangesloten bij dezelfde Centrale, zijn deze verenigingen slechts
gezamenlijk bevoegd tot aanwijzing van vertegenwoordigers.
4.Wij behouden Ons voor een toelating tot het overleg krachtens het
tweede lid te schorsen en een toelating tot het overleg krachtens het
tweede lid, onder e, in te trekken, indien naar Ons oordeel de
vereniging van ambtenaren niet meer representatief is, dan wel indien
het algemeen belang zich tegen haar verdere toelating verzet.
5.Schorsing onderscheidenlijk intrekking van de toelating van een
Centrale tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid heeft van
rechtswege ten gevolge schorsing onderscheidenlijk intrekking van de
toelating tot de Commissie van de bij haar aangesloten vereniging van
ambtenaren.
Artikel 3
1.Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke
het personeelsbeleid zal worden gevoerd, wordt niet beslist dan nadat
daarover door of namens Onze Minister overleg is gepleegd met de
Commissie.
2.Het eerste lid blijft buiten toepassing met betrekking tot
regelingen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling overleg Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid.
3.Een voorstel strekkende tot invoering of wijziging van een
regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren,
wordt slechts ten uitvoer gebracht, indien daarover overeenstemming
bestaat met de Commissie. Indien de stemmen binnen de Commissie staken
beslist de voorzitter van het overleg met de Commissie of het voorstel
ten uitvoer wordt gebracht.
Artikel 3a
1.Er is een sectorale commissie Politie.
2.De sectorale commissie Politie bestaat uit vier leden namens de
in artikel 2, eerste lid, bedoelde Commissie en vier leden namens Onze
Minister.
3.De sectorale commissie heeft tot taak:
a. advies uit te brengen aan het Bestuur van de Stichting
Pensioenfonds ABP over de hoogte van de pensioenpremiepercentages
voor het algemeen deel en het specifiek deel van de AFUP;
b. desgewenst advies uit te brengen aan het Bestuur van de
Stichting Pensioenfonds ABP in geval door dat Bestuur wordt
overwogen de indexatie van de in het Pensioenreglement genoemde
pensioenen achterwege te laten;
c. te besluiten over toelating van werkgevers die een verzoek
tot deelname aan de AFUP doen.
4.Onze Minister stelt in overeenstemming met de Commissie nadere
regels met betrekking tot de werkwijze van de sectorale commissie
Politie.
Artikel 4
1.Het overleg staat onder leiding van Onze Minister. Onze Minister
is bevoegd de leiding van het overleg op te dragen aan een door Onze
Minister aan te wijzen ambtenaar.
2.Indien de Commissie in meerderheid van oordeel is dat over een
bepaalde aangelegenheid overleg gevoerd dient te worden met Onze
Minister, wordt voor de behandeling van die aangelegenheid een nieuwe
vergadering vastgesteld, onder leiding van Onze Minister.
3.De voorzitter wordt bij het overleg terzijde gestaan door
functionarissen die daartoe door Onze Minister worden aangewezen.
4.Onze Minister nodigt een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag
uit tot het bijwonen van het overleg als waarnemer.
5.Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een door Onze
Minister benoemde secretaris of daartoe aangewezen functionaris, die
onder leiding van de voorzitter ter beschikking staat van deze, van de
in het derde lid bedoelde functionarissen en van de leden van de
Commissie. De benoeming van de secretaris of de aanwijzing van een
functionaris daartoe geschiedt, de Commissie gehoord.
6.Bij de behandeling van bepaalde aangelegenheden kan op
uitnodiging of met toestemming van de voorzitter ook door anderen dan
degenen die daartoe ingevolge artikel 2 gerechtigd zijn, aan het
overleg worden deelgenomen.
7.De leden van de Commissie kunnen zich na overleg met de
voorzitter ter vergadering voor de behandeling van een bepaald
onderwerp door deskundigen laten bijstaan.
Artikel 5
De verenigingen van ambtenaren die vertegenwoordigd zijn in de
Commissie, doen aan Onze Minister en aan de voorzitter van het overleg
met de Commissie mededeling van hun statuten en huishoudelijke
reglementen en van de daarin aangebrachte wijzigingen. Zij stellen dezen
voorts jaarlijks in kennis van het ledental.
Artikel 6
1.De in artikel 3, eerste lid, bedoelde aangelegenheden worden door
de voorzitter op de agenda van het overleg met de Commissie geplaatst.
2.Elke tot de Commissie toegelaten vereniging van ambtenaren is
bevoegd aan de voorzitter van het overleg met de Commissie bepaalde
tot de competentie van de Commissie behorende onderwerpen ter
plaatsing op de agenda op te geven.
Artikel 7
1.Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door de
voorzitter te bepalen.
2.De vergaderingen vinden in de regel te 's-Gravenhage plaats.
3.Indien de vertegenwoordigers van ten minste twee tot het overleg
toegelaten verenigingen van ambtenaren de voorzitter, onder vermelding
van hetgeen zij behandeld wensen te zien, verzoeken daartoe een
vergadering uit te schrijven, vindt deze binnen 14 dagen plaats.
Artikel 8
Onze Minister verleent zijn bemiddeling om aan de Commissie een
lokaliteit in een rijksgebouw ter beschikking te stellen, indien de
Commissie daartoe een verzoek doet, ten behoeve van een door haar te
houden vergadering.
Artikel 9
1.Indien het wenselijk blijkt voorbereidende besprekingen te voeren
of in de Commissie genomen besluiten uit te werken, geschiedt dit door
werkgroepen, bestaande uit vertegenwoordigers van de Commissie en door
Onze Minister daartoe aangewezen functionarissen.
2.Artikel 4, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 10
1.Het standpunt van de Commissie wordt bepaald bij eenvoudige
meerderheid van stemmen. Elke vereniging van ambtenaren brengt één
stem uit. Indien de stemmen binnen de Commissie staken beslist de
voorzitter van het overleg met de Commissie of het voorstel ten
uitvoer wordt gebracht.
2.Het standpunt van de Commissie over in het overleg besproken
aangelegenheden wordt schriftelijk aan Onze Minister meegedeeld. De
Commissie geeft desverlangd een samenvatting van de aan het standpunt
ten grondslag liggende argumenten.
3.Indien in de Commissie een minderheidsstandpunt blijkt te
bestaan, wordt daarvan desverlangd in de in het tweede lid bedoelde
geschriften melding gemaakt.
4.Indien over een aangelegenheid wordt beslist in afwijking van het
standpunt van de meerderheid van de leden van de Commissie, worden de
redenen van die afwijking zo spoedig mogelijk ter kennis van de
Commissie gebracht.
Artikel 11
1.Van het in de vergaderingen van het overleg en de werkgroepen
behandelde maakt de secretaris notulen.
Bovendien kan op verzoek van de leden van de Commissie of van de
voorzitter van het overleg een verslag worden opgemaakt bevattende een
beknopte samenvatting van het behandelde in het overleg met de
Commissie, voor zover dat voor openbaarmaking geschikt kan worden
geacht.
2.Na overleg met de Commissie dan wel de door deze in de betrokken
werkgroep aangewezen leden, kan de voorzitter ten aanzien van het in
vorenbedoelde vergaderingen behandelde geheimhouding opleggen.
3.De plicht tot geheimhouding geldt niet voor zover de leden van de
Commissie dan wel de door haar in de betrokken werkgroep aangewezen
leden in bespreking treden met de door hen vertegenwoordigde
verenigingen of de Centrales waarbij hun verenigingen zijn
aangesloten.
Afdeling 2. Het overleg met de Regionale Commissie
Artikel 12
1.Er is een Regionale Commissie voor georganiseerd overleg in
politie-ambtenarenzaken in ieder regionaal politiekorps.
2.De Regionale Commissie bestaat uit vertegenwoordigers van:
a. de verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 2, tweede
lid, onder a tot en met d ;
b. andere door de korpsbeheerder tot het overleg toegelaten
verenigingen van ambtenaren die eveneens representatief zijn,
onder meer gelet op het aantal ambtenaren dat zij
vertegenwoordigen en welke aangesloten zijn bij een Centrale en
tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet.
3.Elke vereniging van ambtenaren, bedoeld in het tweede lid, is
bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee plaatsvervangende leden
van de Regionale Commissie. Indien verschillende verenigingen van
ambtenaren zijn aangesloten bij dezelfde Centrale, zijn deze
verenigingen slechts gezamenlijk bevoegd tot aanwijzing van
vertegenwoordigers.
4.De korpsbeheerder kan een toelating tot het overleg krachtens het
tweede lid schorsen en een toelating tot het overleg krachtens het
tweede lid, onder b, intrekken, indien naar zijn oordeel de vereniging
van ambtenaren niet meer representatief is, dan wel indien het
algemeen belang zich tegen haar verdere toelating verzet.
5.Schorsing onderscheidenlijk intrekking van de toelating tot de
Commissie van een vereniging van ambtenaren heeft van rechtswege ten
gevolge schorsing onderscheidenlijk intrekking van de toelating tot de
Regionale Commissie.
6.In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister, de Commissie
gehoord, bepalen dat ook verenigingen van ambtenaren die niet zijn
aangesloten bij een Centrale, tot de Regionale Commissie worden
toegelaten.
Artikel 13
1.Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke
het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die uitsluitend het regionaal
politiekorps betreffen en bovendien niet ontleend zijn aan noch
vergelijkbaar zijn met een aangelegenheid als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens de
korpsbeheerder overleg is gepleegd met de Regionale Commissie.
2.Het eerste lid blijft buiten toepassing:
a. met betrekking tot bij of krachtens de wet gegeven regels
over aangelegenheden waarover overleg is gepleegd met de Commissie
indien die regels onverkort van toepassing zijn op de ambtenaar;
b. indien Onze Minister overleg met de Commissie wenselijk acht
of de voorzitter van het overleg met de Regionale Commissie dan
wel één van de leden van de Regionale Commissie aan Onze
Minister kenbaar maakt dat overleg te wensen.
3.Het in het tweede lid, onder b, bedoelde overleg met de Commissie
vindt eerst plaats nadat zij het standpunt van de Regionale Commissie
ter zake in afschrift heeft ontvangen.
4.Een voorstel strekkende tot invoering of wijziging van een
regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren, die
een uitwerking is van een voorstel waarover in het in artikel 2,
eerste lid, bedoelde overleg overeenstemming is bereikt, wordt slechts
ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de
Regionale Commissie.
Artikel 14
1.Het overleg staat onder voorzitterschap van de korpsbeheerder.
2.De korpsbeheerder wijst een lid van het regionaal college,
bedoeld in artikel 22 van de Politiewet 1993, als plaatsvervangend
voorzitter aan.
3.De voorzitter wordt bij het overleg terzijde gestaan door
functionarissen die daartoe door de korpsbeheerder worden aangewezen.
4.Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een door de
korpsbeheerder benoemde secretaris of daartoe aangewezen functionaris,
die onder leiding van de voorzitter ter beschikking staat van deze,
van de in het derde lid bedoelde functionarissen en van de leden van
de Regionale Commissie. De benoeming van de secretaris of de
aanwijzing van een functionaris daartoe geschiedt, de Regionale
Commissie gehoord.
5.Bij de behandeling van bepaalde aangelegenheden kan op
uitnodiging of met toestemming van de voorzitter ook door anderen dan
degenen die daartoe ingevolge artikel 12 gerechtigd zijn, aan het
overleg worden deelgenomen.
6.De leden van de Regionale Commissie kunnen zich na overleg met de
voorzitter ter vergadering voor de behandeling van een bepaald
onderwerp door deskundigen laten bijstaan.
Artikel 15
De verenigingen van ambtenaren die vertegenwoordigd zijn in de
Regionale Commissie stellen de korpsbeheerder jaarlijks in kennis van
het ledental in het betreffende regionaal politiekorps. De verenigingen
van ambtenaren die niet tevens in de Commissie zijn vertegenwoordigd,
doen aan de korpsbeheerders bovendien mededeling van hun statuten en
huishoudelijke reglementen en van de daarin aangebrachte wijzigingen.
Artikel 16
1.De in artikel 13, eerste lid, bedoelde aangelegenheden worden
door de voorzitter op de agenda van het overleg met de Regionale
Commissie geplaatst.
2.Elke tot de Regionale Commissie toegelaten vereniging van
ambtenaren is bevoegd aan de voorzitter van het overleg met de
Regionale Commissie bepaalde tot de competentie van de Regionale
Commissie behorende onderwerpen ter plaatsing op de agenda op te
geven.
3.Indien bij de behandeling van een aangelegenheid in het overleg
met de Regionale Commissie blijkt dat zij niet uitsluitend het
betrokken regionaal politiekorps regardeert, wordt zij verwezen naar
het overleg met de Commissie.
Artikel 17
1.Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door de
voorzitter te bepalen.
2.Indien de vertegenwoordigers van ten minste twee tot het overleg
toegelaten verenigingen van ambtenaren de voorzitter, onder vermelding
van hetgeen zij behandeld wensen te zien, verzoeken daartoe een
vergadering uit te schrijven, vindt deze binnen 14 dagen plaats.
3.De korpsbeheerder verleent zijn bemiddeling om aan de Regionale
Commissie een lokaliteit ter beschikking te stellen, indien de
Commissie daartoe een verzoek doet, ten behoeve van een door haar te
houden vergadering.
Artikel 18
1.Indien het wenselijk blijkt voorbereidende besprekingen te voeren
of in de Regionale Commissie genomen besluiten uit te werken,
geschiedt dit door werkgroepen, bestaande uit vertegenwoordigers van
de Regionale Commissie en door de korpsbeheerder daartoe aangewezen
functionarissen.
2.Artikel 14, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 19
1.Het standpunt van de Regionale Commissie wordt bepaald bij
eenvoudige meerderheid van stemmen. Elke vereniging van ambtenaren
brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de Regionale Commissie
staken, beslist de voorzitter van het overleg met die Regionale
Commissie of het voorstel ten uitvoer worden gebracht.
2.Het standpunt van de Regionale Commissie over in het overleg
besproken aangelegenheden wordt schriftelijk aan de korpsbeheerder en
aan de voorzitter van het overleg, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
meegedeeld. De Regionale Commissie geeft desverlangd een samenvatting
van de aan het standpunt ten grondslag liggende argumenten.
3.Indien in de Regionale Commissie een minderheidsstandpunt blijkt
te bestaan, wordt daarvan desverlangd in de in het tweede lid bedoelde
geschriften melding gemaakt.
4.Indien over een aangelegenheid wordt beslist in afwijking van het
standpunt van de meerderheid van de leden van de Regionale Commissie,
worden de redenen van die afwijking zo spoedig mogelijk ter kennis van
de Regionale Commissie gebracht.
Artikel 20
1.Van het in de vergaderingen van het overleg en de werkgroepen
behandelde maakt de secretaris notulen. Bovendien kan op verzoek van
de leden van de Regionale Commissie of van de voorzitter van het
overleg een verslag worden opgemaakt bevattende een beknopte
samenvatting van het behandelde in het overleg met de Regionale
Commissie, voor zover dat voor openbaarmaking geschikt kan worden
geacht.
2.Na overleg met de Regionale Commissie dan wel de door deze in de
betrokken werkgroep aangewezen leden, kan de voorzitter ten aanzien
van het in vorenbedoelde vergaderingen behandelde geheimhouding
opleggen.
3.De plicht tot geheimhouding geldt niet voor zover de leden van de
Regionale Commissie dan wel de door haar in de betrokken werkgroep
aangewezen leden in bespreking treden met de door hen
vertegenwoordigde verenigingen of de Centrales waarbij hun
verenigingen zijn aangesloten.
Afdeling 3. Het overleg met de Commissie Korps landelijke
politiediensten
Artikel 21
1.Er is een Commissie Korps landelijke politiediensten.
2.Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke
het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die uitsluitend het Korps
landelijke politiediensten betreffen en bovendien niet ontleend zijn
aan noch vergelijkbaar zijn met een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, wordt niet beslist dan nadat daarover door of
namens Onze Minister overleg is gepleegd met de Commissie Korps
landelijke politiediensten.
3.Het tweede lid blijft buiten toepassing:
a. met betrekking tot bij of krachtens de wet gegeven regels
over aangelegenheden waarover overleg is gepleegd met de Commissie
indien die regels onverkort van toepassing zijn op de ambtenaar;
b. indien Onze Minister overleg met de Commissie wenselijk acht
of de voorzitter van het overleg met de Commissie Korps landelijke
politiediensten dan wel één van de leden van de Commissie Korps
landelijke politiediensten aan Onze Minister kenbaar maakt dat
overleg te wensen.
4.Het in het derde lid, onder b, bedoelde overleg met de Commissie
vindt eerst plaats nadat zij het standpunt van de Commissie Korps
landelijke politiediensten terzake in afschrift heeft ontvangen.
5.Een voorstel strekkende tot invoering of wijziging van een
regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren, die
een uitwerking is van een voorstel waarover in het in artikel 2,
eerste lid, bedoelde overleg overeenstemming is bereikt, wordt slechts
ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de
Commissie Korps landelijke politiediensten.
6.Het overleg met de Commissie Korps landelijke politiediensten
vindt plaats overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 20, met dien
verstande dat:
a. voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1e. regionaal politiekorps: het Korps landelijke
politiediensten;
2e. Regionale Commissie: de Commissie Korps landelijke
politiediensten;
3e. korpsbeheerder: Onze Minister;
b. Onze Minister de voorzitter en de plaatsvervangend
voorzitter van het overleg met de Commissie Korps landelijke
politiediensten aanwijst.
Afdeling 4. Het overleg met de Commissie bijzondere ambtenaren van
politie
Artikel 22
1.Er is een Commissie bijzondere ambtenaren van politie.
2.Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke
het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die uitsluitend de bijzondere
ambtenaren van politie betreffen en bovendien niet ontleend zijn aan
noch vergelijkbaar zijn met een aangelegenheid als bedoeld in artikel
3, eerste lid, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens
Onze Minister van Justitie overleg is gepleegd met de Commissie
bijzondere ambtenaren van politie.
3.Het tweede lid blijft buiten toepassing:
a. met betrekking tot bij of krachtens de wet gegeven regels
over aangelegenheden waarover overleg is gepleegd met de Commissie
indien die regels onverkort van toepassing zijn op de ambtenaar;
b. indien Onze Minister overleg met de Commissie wenselijk acht
of de voorzitter van het overleg met de Commissie bijzondere
ambtenaren van politie dan wel één van de leden van de Commissie
bijzondere ambtenaren van politie aan Onze Minister kenbaar maakt
dat overleg te wensen.
4.Het in het derde lid, onder b, bedoelde overleg met de Commissie
vindt eerst plaats nadat zij het standpunt van de Commissie bijzondere
ambtenaren van politie terzake in afschrift heeft ontvangen.
5.Een voorstel strekkende tot invoering of wijziging van een
regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren, die
een uitwerking is van een voorstel waarover in het in artikel 2,
eerste lid, bedoelde overleg overeenstemming is bereikt, wordt slechts
ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de
Commissie bijzondere ambtenaren van politie.
6.Het overleg met de Commissie bijzondere ambtenaren van politie
vindt plaats overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 20, met dien
verstande dat:
a. voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1e. regionaal politiekorps: het organisatie-onderdeel
waarin de bijzondere ambtenaren van politie werkzaam zijn;
2e. Regionale Commissie: de Commissie bijzondere ambtenaren
van politie;
3e. korpsbeheerder: Onze Minister van Justitie;
b. Onze Minister van Justitie de voorzitter en de
plaatsvervangend voorzitter van het overleg met de Commissie
bijzondere ambtenaren van politie aanwijst.
Afdeling 4A. Het overleg met de commissie LSOP
Artikel 22a
1.Er is een Commissie LSOP.
2.Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke
het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die uitsluitend de ambtenaren
van het LSOP betreffen en bovendien niet ontleend zijn aan noch
vergelijkbaar zijn met een aangelegenheid als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens de
bestuursraad van het LSOP overleg is gepleegd met de Commissie LSOP.
3.Het tweede lid blijft buiten toepassing:
a. met betrekking tot bij of krachtens de wet gegeven regels
over aangelegenheden waarover overleg is gepleegd met de Commissie
indien die regels onverkort van toepassing zijn op de ambtenaar;
b. indien Onze Minister overleg met de Commissie wenselijk acht
of de voorzitter van het overleg met de Commissie LSOP dan wel
één van de leden van de Commissie LSOP aan Onze Minister kenbaar
maakt dat overleg te wensen.
4.Het in het derde lid, onder b, bedoelde overleg met de Commissie
vindt eerst plaats nadat zij het standpunt van de Commissie LSOP
terzake in afschrift heeft ontvangen.
5.Een voorstel strekkende tot invoering of wijziging van een
regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren, die
een uitwerking is van een voorstel waarover in het in artikel 2,
eerste lid, bedoelde overleg overeenstemming is bereikt, wordt slechts
ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de
Commissie LSOP.
6.Het overleg met de Commissie LSOP vindt plaats overeenkomstig de
artikelen 12 tot en met 20, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1e. regionaal politiekorps: het LSOP;
2e. Regionale Commissie: de Commissie LSOP;
3e. korpsbeheerder: de bestuursraad van het LSOP;
b. de bestuursraad van het LSOP de voorzitter en de
plaatsvervangend voorzitter van het overleg met de Commissie LSOP
aanwijst.
Afdeling 4B. Het overleg met de Commissie voorziening tot
samenwerking
Artikel 22b
1.Er is een Commissie voorziening tot samenwerking voor elke
voorziening tot samenwerking.
2.Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke
het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die uitsluitend de ambtenaren
van een voorziening tot samenwerking betreffen en bovendien niet
ontleend zijn aan noch vergelijkbaar zijn met een aangelegenheid als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt niet beslist dan nadat
daarover door of namens het algemeen bestuur van een voorziening tot
samenwerking overleg is gepleegd met de desbetreffende Commissie
voorziening tot samenwerking.
3.Het tweede lid blijft buiten toepassing:
a. met betrekking tot bij of krachtens de wet gegeven regels
over aangelegenheden waarover overleg is gepleegd met de Commissie
indien die regels onverkort van toepassing zijn op de ambtenaar;
b. indien het algemeen bestuur van een voorziening tot
samenwerking overleg met de Commissie wenselijk acht of de
voorzitter van het overleg met de desbetreffende Commissie
voorziening tot samenwerking dan wel één van de leden van de
desbetreffende Commissie voorziening tot samenwerking aan het
algemeen bestuur van een voorziening tot samenwerking kenbaar
maakt dat overleg te wensen.
4.Het in het derde lid, onder b, bedoelde overleg met de Commissie
vindt eerst plaats nadat zij het standpunt van de desbetreffende
Commissie voorziening tot samenwerking terzake in afschrift heeft
ontvangen.
5.Een voorstel strekkende tot invoering of wijziging van een
regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren, die
een uitwerking is van een voorstel waarover in het in artikel 2,
eerste lid, bedoelde overleg overeenstemming is bereikt, wordt slechts
ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de
desbetreffende Commissie voorziening tot samenwerking.
6.Het overleg met de desbetreffende Commissie voorziening tot
samenwerking vindt plaats overeenkomstig de artikelen 12 tot en met
20, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1e. regionaal politiekorps: een voorziening tot
samenwerking;
2e. Regionale Commissie: de desbetreffende Commissie
voorziening tot samenwerking;
3e. korpsbeheerder: het algemeen bestuur van een
voorziening tot samenwerking;
b. het algemeen bestuur van een voorziening tot samenwerking de
voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het overleg met
de desbetreffende Commissie voorziening tot samenwerking aanwijst.
Afdeling 5. Advies en arbitrage
Artikel 23
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. deelnemers aan het overleg: de voorzitter en de tot de
Commissie toegelaten verenigingen van ambtenaren;
b. Advies- en Arbitragecommissie: de Advies- en
Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g van het ARAR.
Artikel 24
1.Deze afdeling is van toepassing op geschillen inzake
aangelegenheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2.Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op geschillen
inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 13, eerste lid, met dien
verstande dat onder Commissie wordt verstaan: de Regionale Commissie.
3.Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op geschillen
inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 21, tweede lid, met dien
verstande dat onder Commissie wordt verstaan: de Commissie Korps
landelijke politiediensten.
4.Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op geschillen
inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 22, tweede lid, met dien
verstande dat onder Commissie wordt verstaan: de Commissie bijzondere
ambtenaren van politie.
5.Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op geschillen
inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 22a , met dien verstande
dat onder de Commissie wordt verstaan: de Commissie LSOP.
6.Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op geschillen
inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 22b, met dien verstande
dat onder de Commissie wordt verstaan: de desbetreffende Commissie
voorziening tot samenwerking.
Artikel 25
Indien de voorzitter dan wel één of meer van de tot de Commissie
toegelaten verenigingen van ambtenaren tot het oordeel komen dat het
overleg met de Commissie niet tot een uitkomst zal leiden die de
instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, brengen zij
dat oordeel binnen drie dagen nadat zij daarvan in dat overleg blijk
hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan
dat overleg.
Artikel 26
1.Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 25,
schrijft de voorzitter een overlegvergadering uit. De vergadering moet
worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.
2.Tenzij door de voorzitter en de Commissie wordt besloten het
overleg voort te zetten dan wel te beëindigen wordt in de vergadering
nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en
de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal
worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het
advies is ingewonnen van de Advies- en Arbitragecommissie, dan wel
door middel van onderwerping van het geschil aan een arbitrale
uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie.
3.Tot het inwinnen van advies is zowel de voorzitter als de
Commissie bevoegd.
4.Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is
overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het overleg.
Artikel 27
1.Binnen drie dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 26, wordt
het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de
Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de
deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van advies hebben
uitgesproken en bevat tenminste het onderwerp en de inhoud van het
geschil. Indien in de vergadering, bedoeld in artikel 26, geen
overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over
de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de
overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de
inhoud van het geschil eveneens binnen drie dagen na eerdergenoemde
vergadering ter kennis van de voorzitter van de Advies- en
Arbitragecommissie.
2.Het eerste lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van het onderwerpen van het geschil aan een arbitrale
uitspraak. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers
aan het overleg en dient ten minste te bevatten:
a. het onderwerp en de inhoud van het geschil;
b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
onderwerp en inhoud van het geschil.
Artikel 28
1. Met betrekking tot de samenstelling van de Advies- en
Arbitragecommissie is artikel 110h, eerste lid, van het ARAR, van
toepassing met dien verstande dat deze commissie voor de behandeling
van een geschil, bedoeld in artikel 26, tweede lid, wordt uitgebreid
met twee bijzondere leden.
2. De bijzondere leden, bedoeld in het eerste lid, worden door Onze
Minister benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaren.
Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar
plaatsvinden.
3. Van de bijzondere leden, bedoeld in het eerste lid, wordt een
lid benoemd op voordracht van de voorzitter van het overleg met de
Commissie en een lid op voordracht van de tot dat overleg toegelaten
verenigingen van ambtenaren.
4. Niet benoembaar tot bijzonder lid zijn:
a. personen die ingevolge artikel 110g, vierde lid, van het
ARAR zijn uitgesloten van het lidmaatschap of van het
plaatsvervangend lidmaatschap;
b. personen die lid of plaatsvervangend lid zijn van de
Commissie, van een Regionale Commissie, de Commissie Korps
landelijke politiediensten, de Commissie bijzondere ambtenaren van
politie, de Commissie LSOP of de desbetreffende Commissie
voorziening tot samenwerking dan wel van wie dit lidmaatschap of
plaatsvervangend lidmaatschap nog niet langer dan twee jaar is
beëindigd.
5. Overeenkomstig de aan de leden en de plaatsvervangende leden te
verlenen vergoedingen worden aan de bijzondere leden uit 's Rijks kas
vergoedingen voor reis- en verblijfkosten verleend volgens de regelen
welke voor de vergoeding voor reis- en verblijfkosten wegens reizen
voor 's Rijks dienst gelden.
6. Onze Minister benoemt tevens twee plaatsvervangende bijzondere
leden. Het tweede lid tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
7. Indien het verzoek om arbitrage naar het oordeel van de
voorzitter eenzelfde geschil betreft als waarover door de Advies- en
Arbitragecommissie reeds advies is uitgebracht, treedt voor een lid
die bij het uitbrengen van dat advies betrokken was, diens
plaatsvervanger op.
Artikel 29
Voor zover de samenstelling van de Advies- en Arbitragecommissie
overeenkomstig artikel 28, eerste of tweede lid, daartoe aanleiding
geeft stelt zij nadere regels vast met betrekking tot haar werkwijze.
Artikel 30
1.De Advies- en Arbitragecommissie besluit bij meerderheid van
stemmen.
2.Het advies of de uitspraak moet inhouden:
a. de namen van de deelnemers die het advies of de arbitrale
uitspraak hebben aangevraagd;
b. een overzicht van de standpunten van alle deelnemers over
het onderwerp en de inhoud van het geschil;
c. het advies dan wel de beslissing en de redenen die daaraan
ten grondslag liggen.
3.Het advies of de uitspraak wordt gedagtekend en door ieder der
optredende leden en bijzondere leden van de Advies- en
Arbitragecommissie ondertekend.
4.De voorzitter draagt er zorg voor dat het advies of de uitspraak
binnen vier weken, nadat de kennisgeving, bedoeld in artikel 27, is
ontvangen, aan de deelnemers aan het overleg ter kennis wordt
gebracht.
Artikel 31
Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
het geschil voortgezet.
Artikel 32
De uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende
kracht.
Hoofdstuk III
Afdeling 1
§ 1
Artikel 33 [Vervallen per 22-12-2000]
§ 2
Artikel 34 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 35 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 36 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 37 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 38 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 39 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 40 [Vervallen per 22-12-2000]
§ 3
Artikel 41 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 42 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 43 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 44 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 45 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 46 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 47 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 48 [Vervallen per 22-12-2000]
§ 4
Artikel 49 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 50 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 51 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 52 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 53 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 54 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 55 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 56 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 57 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 58 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 59 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 60 [Vervallen per 22-12-2000]
Afdeling 2
Artikel 61 [Vervallen per 22-12-2000]
Hoofdstuk IV. Slot- en Overgangsbepalingen
Artikel 62 [Vervallen per 22-12-2000]
Artikel 63
1.Onze Minister kan, in overeenstemming met de Commissie, besluiten
het overleg met de Regionale Commissies, de Commissie Korps landelijke
politiediensten, de Commissie bijzondere ambtenaren van politie, de
Commissie LSOP en de Commissie ITO, bedoeld in respectievelijk de
afdelingen 2, 3, 4, 4A en 4 B van hoofdstuk II, op te schorten.
2.Onze Minister kan, in overeenstemming met de Commissie, bij het
besluit om het overleg op te schorten tevens bepalen dat over de in
voormelde afdelingen bedoelde aangelegenheden van algemeen belang voor
de rechtstoestand van de ambtenaar, overlegd zal worden,
overeenkomstig het bepaalde in afdeling 1, met voormelde Commissie.
Artikel 64
Het Besluit overleg en medezeggenschap politie en het Besluit overleg
en medezeggenschap reorganisatie politiebestel worden ingetrokken.
Artikel 65
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Artikel 66
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit overleg en medezeggenschap
politie 1994.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 maart 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
Uitgegeven de negenentwintigste maart 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
|
|
|