| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
BESLUIT
RECHTSPOSITIE VRIJWILLIGE POLITIE
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 6 april 1995, houdende vaststelling van
regels over de rechtspositie van de vrijwillige ambtenaren van politie
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 13 februari
1995, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie
Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening,
afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/1434;
Gelet op artikel 50, eerste lid, van de
Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 6 maart
1995, nr. W04.95.0071);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 29 maart 1995, directoraat-generaal voor Openbare
Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs
en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr.
EA95/U741;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepaling
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. de vrijwillige ambtenaar in opleiding: degene die door het
bevoegd gezag is benoemd tot vrijwillige ambtenaar in opleiding en
die is toegelaten tot de opleiding tot vrijwillige ambtenaar van
politie;
c. vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel c, van de Politiewet 1993;
d. de vrijwillige ambtenaar van politie: de vrijwillige
ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de
vrijwillige ambtenaar in opleiding;
e. bevoegd gezag:
1e. de korpsbeheerder, voor zover het betreft de
vrijwillige ambtenaar van politie, die werkzaam is bij een
regionaal politiekorps;
2e. Onze Minister, voor zover het betreft de vrijwillige
ambtenaar van politie, die werkzaam is bij het Korps
landelijke politiediensten;
2.Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of
echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de
levenspartner met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en – met
het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke
huishouding voert op basis van een notarieel verleden
samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en
verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke
huishouding. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de
achtergebleven geregistreerde partner alsmede de nabestaande partner.
Tot gezinslid wordt in voorkomend geval mede gerekend de
geregistreerde partner alsmede de levenspartner. Tegelijkertijd kan
slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of
weduwnaar worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan verlangen dat een
schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit
blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is
gesloten.
Hoofdstuk II. Algemene rechtspositie
§ 1. Aanstelling
Artikel 2
1.De aanstelling geschiedt in tijdelijke of in vaste dienst.
2.Een aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde
tijd.
Artikel 3
1.De aanstelling van de vrijwillige ambtenaar in opleiding
geschiedt in tijdelijke dienst voor de tijd dat de opleiding tot
vrijwillige ambtenaar van politie wordt gevolgd.
2.Na het voltooien van de opleiding tot vrijwillige ambtenaar van
politie vindt een aanstelling in tijdelijke dienst plaats voor een
proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere gevallen op verzoek
van de ambtenaar met één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te
verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet
in werkelijke dienst heeft doorgebracht.
3.Degene die de opleiding tot vrijwillige ambtenaar van politie
alsmede de daarop volgende proeftijd heeft voltooid, wordt in vaste
dienst aangesteld.
Artikel 4
1.Voor aanstelling als vrijwillige ambtenaar van politie komt
uitsluitend in aanmerking degene die:
a. Nederlander is;
b. de door Onze Minister vast te stellen minimum leeftijd heeft
bereikt;
c. voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen eisen
met betrekking tot het opleidingsniveau, de psychologische keuring
en een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a,
van de Wet op de medische keuringen;
d. voldoet aan overige bij regeling van Onze Minister te
stellen eisen.
2.Teneinde vast te stellen of de ambtenaar in voldoende mate
geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan het
bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn
verstrekt, verifiëren en zonodig aanvullen.
3.De betrokkene die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is
onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in
een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen,
indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere
medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde
functie.
Artikel 4a
1.Aanstelling als vrijwillige ambtenaar van politie in opleiding is
slechts mogelijk, indien op grond van een ten aanzien van de
betrokkene ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid
geen bezwaar blijkt te bestaan tegen diens aanstelling.
2.Ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid,
vraagt het bevoegde gezag om verstrekking van justitiële gegevens als
bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om
verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 4:3 van het Besluit
politiegegevens, tenzij het een functie betreft als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken.
3.Een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, of een
veiligheidsonderzoek wordt ingesteld nadat het bevoegde gezag de
betrokkene overigens bekwaam en geschikt acht.
Artikel 4b
1.Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de aard van de
functie of van de werkzaamheden hiertoe aanleiding geeft, kan in de
volgende gevallen opnieuw een onderzoek als bedoeld in artikel 4a,
eerste lid, worden uitgevoerd:
a. bij wijziging van werkzaamheden,
b. bij aanstelling in een andere functie,
c. bij de vervulling van de functie gedurende ten minste vijf
dienstjaren, of
d. bij een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim dat de
integriteit of de verantwoordelijkheid van de betrokkene raakt.
2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het een functie als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet
veiligheidsonderzoeken, betreft.
Artikel 4c
Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het in de
artikelen 4a en 4b bedoelde onderzoek naar de betrouwbaarheid en
geschiktheid voor zover ten behoeve van dat onderzoek wordt gevraagd om
verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het
Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld
in artikel 4:3 van het Besluit politiegegevens. Deze nadere regels
bevatten in ieder geval waarborgen omtrent een voldoende bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.
Artikel 5
1.Vóór de aanvaarding van zijn ambt legt de vrijwillige ambtenaar
van politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van
zuivering af:
«Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk of onmiddellijk in welke
vorm dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand, wie
hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te
laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of
geschenken zal aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!».
Daarna wordt de volgende eed of belofte afgelegd:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de
wetten van ons land.
Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde
voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de mij
verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en de
zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim
zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet
begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik
volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar
betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat
ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!»
2.De vrijwillige ambtenaren van politie leggen de eden dan wel
verklaringen en beloften af ten overstaan van het bevoegde gezag.
Artikel 6
1.Aan de vrijwillige ambtenaar van politie wordt, zo mogelijk
vóór de aanvaarding van zijn ambt, een akte van aanstelling door of
vanwege het bevoegd gezag uitgereikt, waarin in elk geval worden
vermeld:
a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;
b. of de aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst
al dan niet met een proeftijd en de duur van de eventuele
proeftijd;
c. de functie waarin hij wordt aangesteld;
d. de plaats van tewerkstelling en het werkgebied, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdelen m en n, van het Besluit algemene
rechtspositie politie;
e. de datum van ingang van de aanstelling;
f. de rang waarin hij wordt aangesteld en
g. het gegeven dat de eden dan wel de verklaringen en beloften
zijn afgelegd, en de datum waarop dit is gebeurd.
2.Voor zover deze gegevens niet reeds in de akte van aanstelling
zijn vermeld, deelt het bevoegd gezag de ambtenaar zo spoedig mogelijk
schriftelijk andere hem mogelijk toegekende voordelen mee, onder
verwijzing naar de regeling waarop de toekenning berust en de
eventuele voorwaarden die aan de toekenning verbonden zijn.
Artikel 7
1.De vrijwillige ambtenaar van politie wordt bij zijn aanstelling
schriftelijk door het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de
hoofdlijnen van zijn rechtspositie.
2.Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, worden op een
voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd.
Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken.
3.De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en
instructies, die hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te
leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk
toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos hiervan
afschriften maken.
4.Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie
wordt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte gesteld.
§ 2. Werktijden
Artikel 8
Het bevoegd gezag bepaalt de werktijden voor de vrijwillige
ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak met dien
verstande dat de vrijwillige ambtenaren ten minste gemiddeld vier uur
per maand besteden aan oefening en scholing.
§ 3. Aanspraken bij ongeval
Artikel 9
1.Het bevoegd gezag sluit ten behoeve van de vrijwillige
ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, een
ongevallenverzekering af.
2.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
'ongeval' en 'arbeidsongeschiktheid' hetgeen daaronder wordt verstaan
in de door het bevoegd gezag ter zake gesloten ongevallenverzekering.
Artikel 10
1.De vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, die arbeidsongeschikt is, heeft, indien deze
ongeschiktheid blijkens een geneeskundig onderzoek het gevolg is van
een ongeval in verband met de vervulling van zijn functie, aanspraak
op een uitkering overeenkomstig de bepalingen van de verzekering,
bedoeld in artikel 9, eerste lid.
2.De verzekering, bedoeld in artikel 9, eerste lid, bevat in elk
geval de bepaling dat bij blijvende arbeidsongeschiktheid aanspraak op
een uitkering ineens bestaat.
3.De vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, heeft behoudens artikel 12 geen aanspraak op enige
vergoeding ten laste van het bevoegd gezag ter zake van een ongeval.
Artikel 11
1.Indien een vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering
van de politietaak, ten gevolge van een ongeval, in verband met de
vervulling van zijn functie, komt te overlijden, hebben zijn
echtgenote of echtgenoot en gezinsleden aanspraak op een uitkering
overeenkomstig de bepalingen van de ongevallenverzekering, bedoeld in
artikel 9, eerste lid.
2.Bij vermissing als bedoeld in boek 1, titel 18, afdeling 2, van
het Burgerlijk Wetboek, van de vrijwillig ambtenaar, aangesteld voor
de uitvoering van de politietaak, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
3.Het tweede lid is niet van toepassing indien gegronde vermoedens
bestaan dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
Artikel 12
In geval van een ongeval, ontstaan ten gevolge van de vervulling van
zijn functie, worden de vrijwillige ambtenaar van politie, aangesteld
voor de vervulling van de politietaak, de te zijnen laste blijvende,
naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk gemaakte kosten van
geneeskundige behandeling of verzorging vergoed.
Artikel 13
Indien geen sprake is van een ongeval maar wel van een ziekte die is
ontstaan of verergerd ten gevolge van de vervulling van de functie,
stelt het bevoegd gezag ter zake een uitkering vast voor zover de
verzekering, bedoeld in artikel 9, eerste lid, daar niet in voorziet.
Artikel 14
1.De artikelen 11 tot en met 13 zijn eveneens van toepassing op de
gewezen vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, voor zover deze de zestigjarige leeftijd nog niet heeft
bereikt.
2.Artikel 10 is eveneens van toepassing op de gewezen vrijwillige
ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak tot het
tijdstip, genoemd in artikel 38, eerste lid, indien hij blijvend
arbeidsongeschikt is.
§ 3a. Regels omtrent goed ambtelijk handelen
Artikel 14a
1.De vrijwillige ambtenaar doet aan het bevoegd gezag, op een door
dit gezag te bepalen wijze, opgave van alle werkzaamheden die hij
verricht of voornemens is te verrichten, die de belangen van de dienst
voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen
raken.
2.Het bevoegd gezag voert een registratie op grond van de ingevolge
het eerste lid gedane opgaven.
3.Het is de ambtenaar verboden werkzaamheden te verrichten waardoor
de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de
dienst, voor zover dit in verband staat met zijn functievervulling,
niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
4.Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod,
bedoeld in het derde lid.
Artikel 14b
Het is de vrijwillige ambtenaar van politie verboden in zijn ambt
geld, geschenken, diensten of kortingen te bedingen of, anders dan met
goedvinden van het bevoegd gezag, aan te nemen.
§ 3b [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 14c [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 14d [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 14e [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 14f [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 14g [Vervallen per 01-01-2010]
§ 4. Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Artikel 15
1. De verstrekking van uniformkleding aan de vrijwillige ambtenaar
van politie geschiedt door de zorg van het bevoegd gezag. De
verstrekking van uniformkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister kan
ter zake van de verstrekking van uniformkleding nadere regels
vaststellen, alsmede ter zake van het onderhoud van uniformkleding
regels vaststellen.
2. De verstrekking van dienstkleding aan de vrijwillige ambtenaar
van politie geschiedt door de zorg van het bevoegd gezag. De
verstrekking van dienstkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister kan
ter zake van de verstrekking van dienstkleding nadere regels
vaststellen, alsmede ter zake van het onderhoud van dienstkleding
regels vaststellen.
3. De vrijwillig ambtenaar van politie is verplicht het uniform en
de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit voor hem
voorgeschreven is.
Artikel 16
1.Het is de vrijwillig ambtenaar van politie verboden in dienst
uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van dienstwege zijn
verstrekt of voorgeschreven.
2.Het is de vrijwillig ambtenaar van politie verboden bij gekleed
gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen,
tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot
het dragen daarvan door het bevoegd gezag vergunning is verleend.
Artikel 17
De vrijwillige ambtenaar van politie kan zich niet beroepen op de
omstandigheid niet in dienst te zijn, in die gevallen waarin zijn
optreden redelijkerwijze is vereist.
Artikel 18
Indien de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, door ziekte of anderszins verhinderd is zijn dienst te
verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo
spoedig mogelijk mededeling te doen op de door het bevoegd gezag
aangegeven wijze.
Artikel 19 [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 19a [Vervallen per 10-03-2006]
Artikel 20
1.Van de vrijwillig ambtenaar van politie en de gewezen vrijwillig
ambtenaar van politie die geheel of gedeeltelijk op kosten van de
regio of het Rijk een opleiding hebben verkregen, kunnen deze kosten
geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd indien:
a. de opleiding niet met goed gevolg is afgerond door toedoen
van de vrijwillig ambtenaar van politie of in het geval het niet
met goed gevolg afronden aan eigen schuld van de vrijwillig
ambtenaar van politie is te wijten;
b. de opleiding voortijdig wordt beëindigd door toedoen van de
vrijwillig ambtenaar van politie of in het geval de beëindiging
aan eigen schuld van de vrijwillig ambtenaar van politie is te
wijten;
c. de vrijwillig ambtenaar van politie binnen een periode van
drie jaar na afronding van de opleiding de politie verlaat tenzij
hem het vertrek niet is toe te rekenen.
2.Tot terugvordering van de kosten, bedoeld in het eerste lid, kan
slechts worden overgegaan indien de vrijwillig ambtenaar van politie
schriftelijk heeft verklaard bekend te zijn met de mogelijkheid van
terugvordering en met de kosten die voor de terugvordering in
aanmerking kunnen komen.
3.De terugvordering, bedoeld in het eerste lid onder c, geschiedt
binnen drie maanden na de datum waarop de vrijwillig ambtenaar van
politie de politie heeft verlaten. Bij de berekening van de terug te
betalen kosten wordt rekening gehouden met het reeds verstreken deel
van de periode van drie jaar.
4.Het bevoegd gezag stelt over de uitvoering van het eerste lid
nadere regels vast.
Artikel 21
1.Het bevoegd gezag kan de vrijwillige ambtenaar van politie
verplichten de door de dienst geleden schade, voor zover deze aan de
ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Ten
aanzien van gevallen waarin de schade minder bedraagt dan € 226,89
kan de korpschef dan wel, indien het een vrijwillige ambtenaar in
opleiding betreft, de directeur van de instelling waar hij deze
opleiding volgt, de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid
uitoefenen.
2.Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan
nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of
mondeling te verantwoorden.
Artikel 22
1.Aan de vrijwillige ambtenaar van politie wordt de schade aan zijn
goederen vergoed die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de
uitoefening van zijn dienst, voor zover die schade niet bestaat uit de
normale slijtage van die goederen.
2.De ambtenaar heeft geen aanspraak, bedoeld in het eerste lid,
indien hij terzake van die schade rechten tegenover derden kan doen
gelden. Indien de ambtenaar zijn rechten tegenover derden aan de regio
dan wel het Rijk cedeert, wordt hij in het genot gesteld van het in
geld uitgedrukte bedrag van de schade.
3.Indien de regio dan wel het Rijk terzake van de door voornoemde
cessie verkregen rechten een civiele vordering instelt, worden de
kosten die hieruit voor de regio dan wel het Rijk voortvloeien, niet
op de ambtenaar verhaald.
Artikel 22a
1.Indien de vrijwillige ambtenaar van politie wegens de uitvoering
van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht
of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd
gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe,
tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk
onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos
heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.
2.Indien de vrijwillige ambtenaar van politie schadevergoeding
vordert op grond van onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd tijdens
de uitoefening van de politietaak, kent het bevoegd gezag hem een
tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij het
bevoegd gezag van oordeel is dat de vordering kennelijk onvoldoende
grond heeft of kennelijk onredelijk is.
3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
indien de rechtskundige hulp aan de ambtenaar is verleend, op grond
van zijn lidmaatschap, door een centrale of een vereniging als bedoeld
in artikel 2, tweede lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap
politie 1994, met dien verstande dat de tegemoetkoming in de kosten
van rechtskundige hulp rechtstreeks wordt betaald aan voornoemde
centrale of vereniging.
4.Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van
rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de
rechtskundige hulp terugvorderen, indien
a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk
vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel
opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de
vrijwillige ambtenaar van politie, of
b indien de vrijwillige ambtenaar van politie strafrechtelijk
wordt veroordeeld.
5.In bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de
omstandigheden van de vrijwillige ambtenaar van politie, kan het
bevoegd gezag, overwegend dat de handeling geen gevolg is van de
taakuitoefening van de vrijwillige ambtenaar van politie, besluiten
tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.
6.Onze Minister stelt een regeling vast met betrekking tot
tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.
Artikel 23
1.De vrijwillige ambtenaar van politie die in contact staat of kort
geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor
krachtens de Infectieziektenwet een nominatieve aangifteplicht geldt,
mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot
dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming vanwege de
deskundige persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet, die is belast met de taken, bedoeld in de
onderdelen b of c van dat lid, of de arbodienst, bedoeld in die wet.
2.De ambtenaar die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste
lid, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de
deskundige persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet, die is belast met de taken, bedoeld in de
onderdelen b of c van dat lid, of de arbodienst, bedoeld in die wet.
Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de bedrijfskundige
dienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het
ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.
Artikel 24
1.Aan de vrijwillige ambtenaar van politie kan door het bevoegd
gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen,
dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.
2.Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde
die ten aanzien van het verblijf op voornoemde plaatsen zijn
vastgesteld.
Artikel 25
1.De vrijwillige ambtenaar van politie kan wegens buitengewone
toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichtingen worden beloond.
2.De beloningen zijn:
a. tevredenheidsbetuiging of
b. een gratificatie van maximaal € 226,89.
§ 5. Straffen
Artikel 26
1.De vrijwillige ambtenaar van politie die de hem opgelegde
verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim
schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.
2.Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als
het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Artikel 27
1.De straffen die kunnen worden opgelegd, zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. schorsing voor een bepaalde tijd of
c. ontslag.
2.De straffen, bedoeld in het eerste lid, worden opgelegd door het
bevoegd gezag.
Artikel 28
1.Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat deze niet
ten uitvoer zal worden gelegd, indien de vrijwillige ambtenaar van
politie zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen
termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als
waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig
plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.
2.Indien met toepassing van het eerste lid de straf van ontslag
wordt opgelegd, kan tegelijk met deze straf één van de in artikel
27, eerste lid, onderdeel a, genoemde straffen worden opgelegd.
Artikel 29
1.Indien de vrijwillige ambtenaar van politie gebruik maakt van de
mogelijkheid zich te verantwoorden in het geval dat het bevoegd gezag
voornemens is hem een straf op te leggen, geschiedt de verantwoording
ten overstaan van het bevoegd gezag. Dit bepaalt of deze
verantwoording mondeling of schriftelijk zal plaatsvinden. Bij
schriftelijke verantwoording wordt de ambtenaar op zijn verzoek de
gelegenheid gegeven tot nadere mondelinge toelichting.
2.Van de mondelinge verantwoording wordt direct een verslag
opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door degene tegenover wie
de verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar. Indien de
ambtenaar het verslag weigert te ondertekenen, wordt dit in het
verslag, zo mogelijk met opgave van de redenen, vermeld. De ambtenaar
ontvangt een afschrift van het verslag.
3.Indien de ambtenaar dit verlangt, worden hem of zijn raadsman
afschriften verstrekt van de ambtelijke rapporten of andere
geschriften die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.
Artikel 30
1.De vrijwillige ambtenaar van politie kan niet worden gestraft
wegens overtreding van artikel 125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet,
dan nadat daarover advies is ingewonnen van de Adviescommissie
grondrechten- en functieuitoefening politieambtenaren.
2.Het bevoegd gezag geeft bij zijn besluit tot strafoplegging te
kennen of dit in overeenstemming is met het ingewonnen advies.
Artikel 31
De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake
strafoplegging te doen blijken door onmiddellijke terugzending van een
door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.
Artikel 32
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij
het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer
wordt gelegd.
§ 6. Schorsing en ontslag
Artikel 33
De vrijwillige ambtenaar van politie is van rechtswege in zijn ambt
geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de
vrijheidsontneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond
van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen
in het belang van de volksgezondheid.
Artikel 34
1.Onverminderd artikel 27, eerste lid, onderdeel b, kan de
vrijwillige ambtenaar van politie in zijn ambt worden geschorst:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een
misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem door het bevoegd gezag het voornemen tot
bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel
wanneer hem die straf is opgelegd of
c. wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag het belang
van de dienst dit vereist.
2.Schorsing geschiedt door het bevoegd gezag. In afwachting van de
schorsing kan de vrijwillige ambtenaar van politie buiten functie
worden gesteld door het bevoegd gezag.
3.De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden. In
uitzonderlijke gevallen kan deze termijn met drie maanden worden
verlengd.
Artikel 35
1.Ontslag wordt gegeven door het bevoegd gezag.
2.Bij ontslag niet op eigen aanvraag wordt de vrijwillige ambtenaar
van politie behalve in het geval, bedoeld in artikel 41, de reden van
het ontslag schriftelijk medegedeeld.
Artikel 36
1.De vrijwillige ambtenaar van politie wordt op zijn eigen aanvraag
ontslag verleend.
2.Het ontslag wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen
binnen een maand.
3.Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een
strafrechtelijke vervolging terzake van een misdrijf tegen de
ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen de straf van ontslag
op te leggen.
4.Van het tweede lid kan worden afgeweken op aanvraag van de
vrijwillige ambtenaar van politie.
5.Indien een ontslag op eigen aanvraag wordt verleend aan een
vrijwillige ambtenaar in opleiding, gaat dit ontslag, in afwijking van
het tweede lid, onmiddellijk in.
6.Het ontslag op eigen aanvraag wordt eervol verleend.
Artikel 37
1.Aan de vrijwillige ambtenaar in opleiding die tegen het einde van
de basisopleiding of bij het einde van de proeftijd, bedoeld in
artikel 3, tweede lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en
geschiktheid wordt ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op
die waarop de proeftijd is verstreken.
2.Aan de vrijwillige ambtenaar in opleiding die gedurende de
opleiding of de proeftijd niet de geschiktheid blijkt te bezitten die
voor de dienst wordt vereist, kan met ingang van een dag gelegen
binnen de proeftijd eervol ontslag worden verleend, mits een
opzeggingstermijn in acht wordt genomen van een maand.
3.Het ontslag kan, al dan niet op eigen aanvraag, ingaan vóór de
afloop van de opzeggingstermijn.
Artikel 38
1.Het bevoegd gezag verleent de vrijwillige ambtenaar, aangesteld
voor de uitvoering van de politietaak, ongevraagd eervol ontslag met
ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de
zestigjarige leeftijd bereikt.
2.Het in het eerste lid bedoelde ontslag op zestigjarige leeftijd
kan op verzoek van de vrijwillige ambtenaar worden uitgesteld mits is
vastgesteld dat hiertegen geen bezwaar bestaat.
3.Voor het vaststellen van het in het tweede lid bedoelde bezwaar
zijn de artikelen 88c en 50, eerste lid onderdeel g, van het Besluit
algemene rechtspositie politie van overeenkomstige toepassing.
4.Na het in het tweede lid bedoelde uitstel vindt op aanvraag van
de vrijwillige ambtenaar eervol ontslag plaats.
5.Het ontslag, bedoeld in het vierde lid, wordt verleend met ingang
van een dag niet vroeger dan een maand en niet later dan drie maanden
na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.
Artikel 39
Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
een publiekrechtelijk college waarin hij is aangesteld of verkozen,
tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij
ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag
verleend.
Artikel 40
1.Anders dan op eigen aanvraag, bij wijze van straf of ingevolge
artikel 37, 38, of 39 kan de vrijwillige ambtenaar van politie worden
ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld
bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het
vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij
de ambtenaar onder curatele is gesteld;
c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d. een onherroepelijk geworden veroordeling tot een
vrijheidsstraf wegens misdrijf;
e. een blijvende ongeschiktheid uit hoofde van ziekte of
gebreken voor de vervulling van zijn ambt;
f. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede
ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
g. het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene
Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat of
h. het bij of in verband met indiensttreding of keuring
verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke
handelwijze niet tot indiensttreding of goedkeuring zou zijn
overgegaan, tenzij de vrijwillige ambtenaar van politie
aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2.Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e en f
wordt steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan
de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst
aanwezig was.
Artikel 41
Een vrijwillige ambtenaar van politie kan ook op andere gronden, dan
die welke in artikel 40 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt
verwezen, worden ontslagen. Het ontslag wordt eervol verleend.
§ 7. Overleg en medezeggenschap politie
Artikel 42
De artikelen 3 en 13 van het Besluit overleg en medezeggenschap 1994
zijn van overeenkomstige toepassing op vrijwillige ambtenaren van
politie.
Hoofdstuk III. Financiële rechtspositie
Artikel 43
Gedurende de tijd dat de vrijwillige ambtenaar in opleiding de
opleiding tot vrijwillige ambtenaar van politie volgt, of de vrijwillige
ambtenaar, aangesteld voor de uitoefening van de politietaak, in
opdracht van het bevoegd gezag een voor zijn functie relevante cursus
volgt dan wel deelneemt aan een oefening of in opdracht van het bevoegd
gezag werkelijke dienst verricht, ontvangt hij een uurvergoeding
overeenkomstig de door Onze Minister vast te stellen regels.
Artikel 44
1. De hoofdstukken II en III van het Besluit reis-, verblijf- en
verhuiskosten politie zijn van overeenkomstige toepassing op
vrijwillige ambtenaren van politie.
2. Het bevoegd gezag kan besluiten om in individuele gevallen af te
wijken van de hoofdstukken II en III van het Besluit reis-, verblijf-
en verhuiskosten politie, indien de afwijking strekt tot het vermijden
van onbillijkheden van overwegende aard welke uit de toepassing van
die regels zouden voortkomen.
Hoofdstuk IV. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 45
Een vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, die op grond van afdeling 1, hoofstuk 2, artikel 1, van de
Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel het Korps
landelijke politiediensten is overgegaan en die op de dag voorafgaande
aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 aanspraken had
op grond van de Rechtstoestandsregeling reservepolitie behoudt deze
aanspraken.
Artikel 46
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit besluit
genoemde termijnen.
Artikel 47
Besluiten, genomen in de periode van 1 april 1994 tot en met de dag
voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit op grond van het
Beloningsreglement reservepolitie 1968, of de daarop berustende
bepalingen, als zouden dit reglement en die bepalingen in genoemde
periode nog hebben gegolden, zijn rechtsgeldig genomen.
Artikel 48
Degene die in de periode van 1 april 1994 tot en met de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit ingevolge een
opdracht van het bevoegd gezag werkzaamheden als vrijwillige ambtenaar
van politie heeft verricht en in verband met die werkzaamheden aanspraak
zou hebben gehad op een uitkering of voorziening als bedoeld in artikel
47, derde lid, van de Wet rechtspositionele voorzieningen
rampbestrijders in het geval deze wet voor hem zou hebben gegolden,
heeft, indien hij binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit
een verzoek om toekenning van een zodanige uitkering of voorziening
heeft ingediend, aanspraak op een met bedoelde uitkering of voorziening
overeenkomende uitkering of voorziening.
Artikel 49
Het koninklijk besluit van de Ministers van Justitie en van
Binnenlandse Zaken van 25 november 1964, houdende wijziging van het
koninklijk besluit van 24 december 1957, Stb. 559 en vaststelling van de
Rechtstoestandsregeling reservepolitie (Stb. 473) wordt ingetrokken.
Artikel 50
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 51
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie vrijwillige
politie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 april 1995
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de negende mei 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|