|
BESLUIT van 8 maart
2006, houdende regels voor voorzieningen tot samenwerking van de politie
(Besluit samenwerkingsvoorzieningen politie)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 14 december 2005, nr. 2005-0000299681;
Gelet op de artikelen 47, vierde lid, en 47a,
derde en zesde lid, van de Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van
20 januari 2006, nr. W04.05.0556/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 maart 2006, nr.
2006-0000028356;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Algemene bepalingen
Artikel 1. (begripsbepalingen)
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Politiewet 1993;
b. voorziening tot samenwerking: voorziening als bedoeld in
artikel 47 van de wet;
c. publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in
artikel 47a van de wet;
d. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Artikel 2. (totstandkoming en bekendmaking van een voorziening tot
samenwerking)
1. Een voorziening tot samenwerking wordt schriftelijk
aangegaan en vermeldt het belang of de belangen ter behartiging
waarvan zij wordt getroffen, de deelnemers aan de voorziening, de
eventuele gevolgen van de samenwerking voor de organisatie en formatie
van de deelnemers en de financiële belangen van de deelnemers in de
voorziening.
2. Een voorziening tot samenwerking regelt haar wijziging en
opheffing alsmede de toetreding tot en uittreding uit die voorziening.
3. Voorzieningen tot samenwerking worden in het jaar waarin zij
zijn aangegaan vermeld en als bijlage opgenomen in het jaarverslag van
de deelnemende regio’s, indien de deelnemende regio’s bij die
voorziening besluiten tot het gezamenlijk onderbrengen van personele,
financiële of andere middelen bij een van de deelnemers aan de
voorziening of een publiekrechtelijke rechtspersoon.
4. Onder het aangaan van een voorziening tot samenwerking wordt
mede verstaan het wijzigen of opheffen van, het toetreden tot en het
uittreden uit een voorziening.
Artikel 3. (het verplichten tot deelname aan een voorziening tot
samenwerking)
1. Het verplichten van een regio tot deelname aan een
voorziening tot samenwerking als bedoeld in artikel 47, derde lid, van
de wet kan ook de wijziging of opheffing van een bestaande
voorziening, alsmede de toetreding tot of de uittreding uit een
bestaande voorziening betreffen.
2. Onze Minister kan een regio uit eigen beweging of op verzoek
van de korpsbeheerder van een andere regio verplichten tot deelname aan
een voorziening tot samenwerking. Met het verzoek wordt een ontwerp van
de betrokken voorziening tot samenwerking overgelegd.
3. Alvorens een regio tot deelname aan een voorziening tot
samenwerking te verplichten, stelt Onze Minister de betrokken
korpsbeheerders in de gelegenheid hun zienswijze over het ontwerp van
die voorziening tot samenwerking te geven.
§ 2. Aanvullende bepalingen voor voorzieningen tot samenwerking
waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon is ingesteld
Artikel 4. (inrichting van publiekrechtelijke rechtspersonen)
1. Een voorziening tot samenwerking waarbij een
publiekrechtelijke rechtspersoon wordt ingesteld, regelt in ieder
geval de taken, bevoegdheden, inrichting, het personeel en de
bekostiging of financiering van de rechtspersoon, alsmede de inbreng
of ontvlechting van activa en passiva van de deelnemers. Tevens worden
in die voorziening de taken, bevoegdheden, werkwijze en samenstelling
van de organen van de rechtspersoon geregeld.
2. Een publiekrechtelijke rechtspersoon heeft een bestuur dat
bestaat uit de korpsbeheerders van de politiekorpsen van de deelnemende
regio’s en, voor zover van toepassing, de beheerder van het Korps
landelijke politiediensten, dan wel een vertegenwoordiging uit hun
kring. Indien naast politieregio’s ook het Rijk of andere
rechtspersonen deelnemen, dragen deze zorg voor een vertegenwoordiging
in het bestuur van die rechtspersoon. Het bestuur kan bestaan uit een
algemeen en een dagelijks bestuur, waarbij het algemeen bestuur taken en
bevoegdheden kan delegeren aan het dagelijks bestuur.
3. De deelnemers aan een voorziening tot samenwerking kunnen aan
het bestuur van een publiekrechtelijke rechtspersoon taken en
bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van deze taken en bevoegdheden
zich daartegen verzet.
4. De voorziening tot samenwerking waarbij een publiekrechtelijke
rechtspersoon wordt ingesteld, regelt het vereiste aantal bestuursleden
dat aanwezig moet zijn om rechtsgeldige besluiten te nemen, het
stemrecht van de leden, de wijze van besluitvorming bij het staken van
de stemmen alsmede de gevallen waarin de besluitvorming schriftelijk dan
wel mondeling geschiedt.
5. De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar. Indien zowel
een algemeen als een dagelijks bestuur is ingesteld, zijn de
vergaderingen van het algemeen bestuur openbaar. De voorzitter is
bevoegd de deuren te sluiten, indien dit uit een oogpunt van de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer of op gronden, ontleend aan
het algemeen belang, wenselijk wordt geacht.
6. Het bestuur dan wel het algemeen bestuur van een
publiekrechtelijke rechtspersoon stelt een reglement vast waarin nadere
regels over de werkwijze van het bestuur worden gegeven.
Artikel 5. (nadere regels voor publiekrechtelijke rechtspersonen)
1. Een publiekrechtelijke rechtspersoon verkrijgt zijn middelen
door inbreng van activa en passiva van de deelnemers, financiële
bijdragen van de deelnemers of het in rekening brengen van
kostendekkende tarieven voor door die rechtspersoon geleverde diensten
of goederen. De bijdragen of tarieven worden vastgesteld door het
bestuur van de rechtspersoon.
2. Onze Minister kan aan een publiekrechtelijke rechtspersoon
bijdragen verlenen. Bij ministeriële regeling kunnen over het verlenen
van een bijdrage nadere regels worden gesteld.
3. Een voorziening tot samenwerking waarbij een
publiekrechtelijke rechtspersoon wordt ingesteld, regelt op welke wijze
financiële tekorten worden aangevuld en met overschotten wordt
omgegaan. Financiële tekorten worden aangevuld door een daartoe
strekkende verhoging van de bijdragen of tarieven in het jaar, volgend
op het jaar waarin de tekorten zijn ontstaan, dan wel worden, voor zover
van toepassing, ten laste gebracht van de aanwezige reserve.
4. De deelnemers aan een voorziening tot samenwerking waarbij een
publiekrechtelijke rechtspersoon is ingesteld, dragen er zorg voor dat
de rechtspersoon te allen tijde aan zijn financiële verplichtingen kan
voldoen.
5. Een voorziening tot samenwerking waarbij een
publiekrechtelijke rechtspersoon wordt ingesteld, regelt bij de
instelling de vereffening van vermogen ingeval die rechtspersoon wordt
ontbonden. De rechtspersoon blijft na zijn ontbinding voortbestaan voor
zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.
6. Op een publiekrechtelijke rechtspersoon zijn de regels over
informatiebeveiliging, gesteld krachtens artikel 48 van de wet, van
overeenkomstige toepassing.
7. Bij een voorziening tot samenwerking waarbij een
publiekrechtelijke rechtspersoon wordt ingesteld, kunnen beperkingen
worden aangebracht in de bevoegdheden die de rechtspersoon van
rechtswege bezit om aan het maatschappelijke verkeer deel te nemen.
Artikel 6. (verantwoording)
1. Het bestuur van een publiekrechtelijke rechtspersoon stelt
jaarlijks voor 1 juli een kaderbrief vast waarin de voorgenomen
activiteiten van de rechtspersoon alsmede de daarvoor benodigde
financiële bijdragen van de deelnemers aan de voorziening tot
samenwerking of de benodigde tarieven zijn aangegeven.
2. Het bestuur van een publiekrechtelijke rechtspersoon stelt
jaarlijks een begroting en meerjarenraming alsmede een jaarrekening
vast. Het bestuur ziet erop toe dat de begroting en de meerjarenraming
in evenwicht zijn.
3. De begroting en jaarrekening bevatten een beleidsmatige
onderbouwing en geven inzicht in de financiële verhoudingen tussen de
rechtspersoon en de deelnemers aan de voorziening tot samenwerking wat
betreft vermogen en resultaat.
4. Het bestuur van een publiekrechtelijke rechtspersoon stelt
voor het einde van ieder boekjaar een rapportage op waarin een zo
nauwkeurig mogelijke schatting van het resultaat van het boekjaar wordt
weergegeven. In de jaarrekening wordt een analyse gegeven van deze
schatting.
5. Bij de toepassing van de artikelen 5, eerste lid, 8, eerste
lid, en 9, tweede lid, van het Besluit financiën regionale
politiekorpsen wordt gelezen voor:
a. de korpsbeheerder en het regionale college: het bestuur van de
publiekrechtelijke rechtspersoon;
b. het regionale politiekorps: de publiekrechtelijke rechtspersoon.
6. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van het Besluit
financiën regionale politiekorpsen wordt bij de toepassing van de
artikelen 203 en 205 tot en met 211 van de Gemeentewet gelezen voor:
a. het gemeentebestuur: het bestuur van de publiekrechtelijke
rechtspersoon;
b. het college van burgemeester en wethouders: het bestuur van de
publiekrechtelijke rechtspersoon;
c. de raad: het bestuur van de publiekrechtelijke rechtspersoon;
d. de gemeente: de publiekrechtelijke rechtspersoon;
e. gedeputeerde staten: Onze Minister;
f. de commissaris van de Koningin: Onze Minister.
7. Bij de toepassing van het Besluit comptabele regelgeving
regionale politiekorpsen wordt gelezen voor:
a. de korpsbeheerder en het regionale college: het bestuur van de
publiekrechtelijke rechtspersoon;
b. het regionale besluitvormingsproces: de besluitvorming;
c. de regionale politiekorpsen en de regio: de publiekrechtelijke
rechtspersoon.
8. De artikelen 6, eerste, tweede en vierde lid, en 14, eerste en
tweede lid, van het Besluit comptabele regelgeving regionale
politiekorpsen en de regels gesteld krachtens artikel 19 van dat besluit
zijn niet van toepassing op een publiekrechtelijke rechtspersoon.
Artikel 7. (informatieplicht)
1. Onverminderd artikel 5, eerste lid, en artikel 8, eerste
lid, van het Besluit financiën regionale politiekorpsen, worden de in
artikel 6 bedoelde stukken na vaststelling zo spoedig mogelijk met de
nodige bescheiden en inlichtingen door het bestuur aan de regionale
colleges van de deelnemende regio’s en aan Onze Minister aangeboden.
2. Na aanbieding worden de in artikel 6 bedoelde stukken ter
inzage neergelegd ten kantore van de publiekrechtelijke rechtspersoon.
Tegen betaling van kosten wordt een afschrift van de stukken beschikbaar
gesteld.
3. Het bestuur van een publiekrechtelijke rechtspersoon geeft, zo
nodig vertrouwelijk, mondeling of schriftelijk de door een of meer leden
van een regionaal college van een deelnemende regio of Onze Minister
gevraagde inlichtingen.
Artikel 8. (kwaliteitszorg)
1. Het Besluit kwaliteitszorg politie en dit artikel zijn van
toepassing op het bestuur van een publiekrechtelijke rechtspersoon
voor zover bij die rechtspersoon ten minste 50 medewerkers feitelijk
werkzaam zijn.
2. Bij de toepassing van het Besluit kwaliteitszorg politie wordt
gelezen voor:
a. de korpsbeheerder: het bestuur van de publiekrechtelijke
rechtspersoon;
b. het politiekorps: de publiekrechtelijke rechtspersoon;
c. korpsonderdeel: onderdeel van de publiekrechtelijke
rechtspersoon;
d. korpsonderzoek: onderzoek naar de publiekrechtelijke
rechtspersoon;
e. het beleidsplan: de beleidsmatige onderbouwing van de begroting,
en
f. het jaarverslag: de beleidsmatige onderbouwing van de
jaarrekening.
3. In afwijking van artikel 2, derde lid, van het Besluit
kwaliteitszorg politie, kan het in die bepaling bedoelde onderzoek bij
een publiekrechtelijke rechtspersoon tevens worden uitgevoerd door
gekwalificeerde auditoren, niet zijnde gekwalificeerde ambtenaren van
politie als bedoeld in artikel 3 van de wet.
4. In afwijking van artikel 2, vierde lid, van het Besluit
kwaliteitszorg politie, wordt de samenstelling van een
visitatiecommissie bij een publiekrechtelijke rechtspersoon geregeld bij
of krachtens de voorziening tot samenwerking waarbij die rechtspersoon
wordt ingesteld, met dien verstande dat in de visitatiecommissie ten
minste één externe deskundige zitting heeft.
Artikel 9. (archivering)
Op de zorg voor en de bewaring van de archiefbescheiden van een
publiekrechtelijke rechtspersoon zijn de regels gesteld bij of krachtens
de Archiefwet 1995 van toepassing.
Artikel 10. (het verlenen van medewerking aan bestuursbesluiten)
1. De deelnemers aan een voorziening waarbij een
publiekrechtelijke rechtspersoon wordt ingesteld, verlenen hun
medewerking aan de uitvoering van besluiten die het bestuur van die
rechtspersoon op grond van de hem toekomende taken en bevoegdheden
neemt.
2. Indien naar het oordeel van het bestuur van de rechtspersoon
een deelnemer niet of onvoldoende medewerking verleent, kan het bestuur
namens en ten laste van die deelnemer een besluit uitvoeren of doen
uitvoeren. De betrokken deelnemer wordt van een voornemen daartoe
voorafgaand schriftelijk in kennis gesteld.
§ 3. Slotbepalingen
Artikel 11
[Wijzigt het Besluit beheer regionale politiekorpsen]
Artikel 12
[Wijzigt het Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen]
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit samenwerkingsvoorzieningen
politie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 8 maart 2006
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
Uitgegeven de vierde april 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|