| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
BEWAPENINGSREGELING
POLITIE
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie,
houdende vaststelling van de bewapening van de politie
(Bewapeningsregeling Politie)
De Ministers van Justitie en Binnenlandse
Zaken;
Gelet op artikel 49, eerste lid, van de Politiewet 1993;
Besluiten:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de Minister: de Minister van Veiligheid en Justitie;
b. ambtenaar: een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993 met de rang hoger dan
die van surveillant van politie;
c. pistool:
– het semi-automatisch pistool van het merk Walther, type
P5, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter; of
– het semi-automatisch pistool van het merk SIG-Sauer, type
PPNL, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
d. pepperspray: de spuitbus met Oleoresin Capsicum (OC) van het
merk Defense Technology, type MK-3 of van het merk Sabre, type MK-3;
e. verdekte pepperspray: de spuitbus met Oleoresin Capsicum (OC),
van het merk Sabre, type MK-6, bedoeld om niet zichtbaar te worden
gedragen.
Artikel 2
1. De bewapening van de ambtenaar en van de bijzonder ambtenaar van
politie, bedoeld in artikel 43 van de Politiewet 1993, bestaat tijdens
de uitoefening van de dienst uit:
a. een korte wapenstok van een door de Minister goedgekeurd
merk en type;
b. de pepperspray;
c. het pistool.
2. Bij het optreden in burgerkleding bestaat de bewapening in
plaats van de pepperspray uit de verdekte pepperspray.
Artikel 2a
1. De bewapening van de surveillant van politie bestaat tijdens de
uitoefening van de dienst uit:
a. een korte wapenstok van een door de Minister goedgekeurd
merk en type;
b. de pepperspray.
2. De bewapening van de surveillant van politie bestaat mede uit
het pistool:
a. tijdens de uitoefening van de taken ten dienste van de
justitie, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, 3°, van
de Politiewet 1993;
b. tijdens de uitvoering van een last voor de tenuitvoerlegging
van beslissingen als bedoeld in artikel 556, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering;
c. voor de duur van het gedeelte van de opleiding dat in het
korps wordt doorgebracht tijdens de uitoefening van de dienst,
indien de surveillant van politie een opleiding volgt op niveau 3
of hoger als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op het
LSOP en het politieonderwijs.
3. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid, is het
bewapenen van de surveillant van politie met het pistool alleen
toegestaan indien de Minister daarvoor, op verzoek van korpsbeheerder,
toestemming heeft verleend. Aan deze toestemming kunnen door de
Minister voorwaarden worden verbonden.
Artikel 2b
1. De bewapening van de aspirant bestaat in het gedeelte van de
opleiding dat in het korps wordt doorgebracht tijdens de uitoefening
van de dienst uit:
a. een korte wapenstok van een door de Minister goedgekeurd
merk en type;
b. de pepperspray.
2. De bewapening van de aspirant die een opleiding volgt op niveau
3 of hoger als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op het
LSOP en het politieonderwijs, bestaat in het gedeelte van de opleiding
dat in het korps wordt doorgebracht tijdens de uitoefening van de
dienst mede uit het pistool.
Artikel 3
1. Het bewapenen van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onder b, van de Politiewet 1993, die op grond van
artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993, de bevoegdheid heeft
geweld te gebruiken, met een korte wapenstok van een door de Minister
goedgekeurd merk en type, met de pepperspray of met het pistool is
alleen toegestaan indien de Minister daarvoor toestemming heeft
gegeven.
Aan deze toestemming kunnen door de Minister voorwaarden worden
verbonden.
2. Het verzoek voor het bewapenen, bedoeld in het eerste lid, wordt
gedaan door de korpsbeheerder.
Artikel 4
1. De bewapening van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onder c, van de Politiewet 1993 bestaat tijdens de
uitoefening van de dienst uit:
a. een korte wapenstok van een door de Minister goedgekeurd
merk en type;
b. de pepperspray.
2. Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is
aangesteld in een der rangen, bedoeld in artikel 2a, onderdeel c, van
het Besluit rangen politie, omvat zijn bewapening tevens het pistool.
Het bewapenen van de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid,
op wie de eerste volzin niet van toepassing is, met het pistool is
toegestaan indien de Minister daarvoor, onder door hen te stellen
voorwaarden, toestemming heeft verleend.
3. Het verzoek voor het bewapenen met het pistool wordt gedaan door
de korpsbeheerder.
Artikel 5
De bewapening van de ambtenaar, met inbegrip van de surveillant van
de politie, die dienst doet met een politiesurveillance-hond, bestaat
mede uit een elektrische wapenstok en een lange wapenstok van een door
de Minister goedgekeurd merk en type.
Artikel 6
De bewapening van de ambtenaar die behoort tot een bereden onderdeel,
bestaat mede uit:
a. een lange wapenstok van een door de Minister goedgekeurd merk
en type;
b. een ceremonieel ruitersabel.
Artikel 7
De bewapening van de ambtenaar die behoort tot de mobiele eenheid,
bestaat mede uit:
a. een lange wapenstok van een door de Minister goedgekeurd merk
en type;
b. de traangasgranaatwerper, merk Heckler en Koch, type MZP-1 A1,
kaliber 40mm, en CS-traangasgranaten van een door de Minister
goedgekeurd merk en type;
c. het semi-automatisch vuurwapen, merk Heckler en Koch, type
MP5A2, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter, voor zover hij
belast is met de uitvoering van de bewakings- en beveiligingstaak.
Artikel 8
1. De bewapening van de ambtenaar die is belast met
persoonsbeveiliging en die behoort tot een eenheid van de Dienst
Koninklijke en Diplomatieke beveiliging van het Korps landelijke
politiediensten dan wel tot een eenheid als bedoeld in artikel 11a van
het Besluit beheer regionale politiekorpsen, bestaat mede uit:
a. de traangasgranaatwerper, merk Heckler en Koch, type MZP-1
A1, kaliber 40mm, en CS-traangasgranaten van een door de Minister
goedgekeurd merk en type;
b. rook- en lawaaigranaten van een door de Minister goedgekeurd
merk en type;
c. het semi-automatisch vuurwapen, merk Heckler en Koch, type
MP5A2, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
d. het automatisch vuurwapen, merk Heckler en Koch, type MP5A3
en type MP5K, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter.
2. De bewapening van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 1993, die op grond van
artikel 8, zevende lid, van die wet de bevoegdheid heeft geweld te
gebruiken, bestaat tevens uit de in het eerste lid genoemde wapens,
indien hij is belast met persoonsbeveiliging en behoort tot de Dienst
Koninklijke en Diplomatieke beveiliging van het Korps landelijke
politiediensten.
Artikel 9
1. De bewapening van de ambtenaar die behoort tot een aanhoudings-
en ondersteuningseenheid, bestaat mede uit:
a. rook- en lawaaigranaten van een door de Minister goedgekeurd
merk en type;
b. een elektrische wapenstok van een door de Minister
goedgekeurd merk en type;
c. de traangasgranaatwerper, merk Heckler en Koch, type MZP-1
A1, kaliber 40mm, en CS-traangasgranaten van een door de Minister
goedgekeurd merk en type;
d. het semi-automatisch vuurwapen, merk Heckler en Koch, type
MP5A2, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
e. het automatisch vuurwapen, merk Heckler en Koch, type MP5A3
en type MP5K, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
f. het semi-automatisch pistool, merk Glock, type 17, derde
generatie, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter;
g. het repeteervuurwapen, merk Mossberg, type 590 A1, kaliber
12 (kamerlengte 76 millimeter);
h. een stroomstootwapen, merk Taser, type X26.
2. De bewapening van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, van de Politiewet 1993, die op grond van
artikel 8, zevende lid, van die wet de bevoegdheid heeft geweld te
gebruiken, bestaat tevens uit de in het eerste lid genoemde wapens,
indien hij behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningseenheid.
Artikel 10 [Vervallen per 27-07-2011]
Artikel 11
De korpsbeheerder kan in bijzondere, door het bevoegd gezag
aangegeven situaties toestaan dat de ambtenaar tijdelijk mede wordt
bewapend met:
a. een lange wapenstok van een door de Minister goedgekeurd merk
en type;
b. de traangasgranaatwerper, merk Heckler en Koch, type MZP-1 A1,
kaliber 40mm, en CS-traangasgranaten van een door de Minister
goedgekeurd merk en type;
c. het semi-automatisch vuurwapen, merk Heckler en Koch, type
MP5A2, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter, voor zover hij
belast is met de uitvoering van de bewakings- en beveiligingstaak.
Artikel 12
Onverminderd de artikelen 2 tot en met 11 kan de Minister aan door
hem aangewezen ambtenaren andere dan de in deze regeling genoemde wapens
en munitie toekennen.
Artikel 13 [Vervallen per 28-06-2000]
Artikel 13a [Vervallen per 15-02-2001]
Artikel 14
1. Het pistool, het semi-automatisch vuurwapen, bedoeld in de
artikelen 7 tot en met 9 en 11, en het automatisch vuurwapen, bedoeld
in de artikelen 8 en 9, worden geladen met:
a. munitie van het merk RUAG Ammotec GmbH, type Action, model
NP, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter, of
b. munitie van het merk RUAG Ammotec GmbH, type Action, model
Effect, kaliber 9 millimeter maal 19 millimeter.
2. Het repeteervuurwapen, bedoeld in artikel 9, onderdeel g, wordt
geladen met:
a. munitie van het merk Defence Technology, type 23 DS, kaliber
12 (Ø18,2 mm), of
b. munitie van het merk ALS Technologies, type Triton 1212T.
3. Het stroomstootwapen, bedoeld in artikel 9, onderdeel h, wordt
geladen met:
a. cartridges van het merk Taser, type 21’ ,of
b. cartridges van het merk Taser, type 25’XP.
Artikel 15
1. De Minister kan toestemming geven tot beproeving van andere
wapens en munitie dan in de artikelen 2 tot en met 12 en 14 bedoeld.
De Minister bepaalt de omstandigheden waaronder de beproeving wordt
uitgevoerd.
2. Ten behoeve van opleiding en beroepsvaardigheidstrainingen mag,
naast de in deze regeling genoemde wapens en munitie, gebruik worden
gemaakt van trainingswapens en trainingsmunitie van een door de
Minister goedgekeurd merk en type.
Artikel 16
De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de ambtenaar, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onder a en c, van de Politiewet 1993, slechts
over een wapen beschikt indien hij voldoet aan de door de Minister
gestelde eisen van bekwaamheid.
Artikel 17
1. De wapens en de munitie, bedoeld in de artikelen 2 tot en met
15, worden via de Politie Nederland aangeschaft en afgevoerd.
Uitzondering op het bepaalde in de eerste volzin vormen de pepperspray,
de verdekte pepperspray en de munitie, bedoeld in artikel 14,
voorzover deze na gebruik geen werkzame bestanddelen meer bevatten.
2. In bijzondere gevallen kan de Minister ontheffing verlenen van
het bepaalde in het eerste lid.
3. De Minister kan aanwijzingen geven over de wijze waarop de
wapens en de munitie worden afgevoerd.
Artikel 17a
De artikelen 9, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid en 26,
eerste lid, van de Wet wapens en munitie zijn niet van toepassing op
personen die werkzaam zijn bij Politie Nederland of bij het Landelijk
selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en
kenniscentrum, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het LSOP en het
politieonderwijs, voor zover de in die artikelleden genoemde handeling
of het voorhanden hebben geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.
Artikel 18
1. De korpsbeheerder geeft regels met betrekking tot het dragen,
het onderhoud en het in een inbraakvrije ruimte bewaren van de wapens
en de munitie, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 15.
2. Het pistool wordt gedragen in een holster van een door de
Minister goedgekeurd merk en type.
3. De pepperspray wordt gedragen in een draagmiddel van een door de
Minister goedgekeurd merk en type.
4. Het stroomstootwapen, bedoeld in artikel 9, onderdeel h, wordt
gedragen in een holster van een door de Minister goedgekeurd merk en
type.
Artikel 19
Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de
Bewapeningsregeling politie van 25 maart 1994 (Stcrt. 1994, 64)
vastgestelde besluiten op deze regeling.
Artikel 20
De Bewapeningsregeling politie van 25 maart 1994 (Stcrt. 1994,
64) wordt ingetrokken.
Artikel 21
Deze regeling wordt aangehaald als: Bewapeningsregeling politie.
Artikel 22
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 15 december 1997.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal.
Bijlage 1 [Vervallen per 16-01-2010]
|
|
|