| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
REGELING
MOBIELE EENHEID 2007
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en van Justitie van 15 februari 2007, nr. 2006/361778,
houdende nieuwe regels voor de mobiele eenheid (Regeling mobiele eenheid
2007)
De Ministers
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie;
Gelet op de artikelen 48, eerste lid, en 48a
van de Politiewet 1993 en de artikelen 6, tweede lid, en 17, tweede lid,
van het Besluit beheer regionale politiekorpsen;
Besluiten:
Paragraaf 1.
Algemeen
Artikel 1
| 1. |
De mobiele
eenheid bestaat uit basiseenheden al dan niet met een
bijzondere taak en bijzondere eenheden.
|
| 2. |
Bijzondere
eenheden zijn verkenningseenheden, eenheden beredenen,
eenheden hondengeleiders, eenheden met de waterwerper,
aanhoudingseenheden, BRATRA-groepen en eenheden
specialistische schutters.
|
Paragraaf 2.
Basiseenheden
Artikel 2
| 1. |
Basiseenheden
zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep, sectie,
peloton of compagnie.
|
| 2. |
Een groep
bestaat uit elf leden, onder wie een groepscommandant en
een voor zijn taak opgeleide chauffeur.
|
| 3. |
Een sectie
bestaat uit een sectiecommandant en twee groepen.
|
| 4. |
Een peloton
bestaat uit een pelotonscommandant en twee secties.
|
| 5. |
Een compagnie
bestaat uit een compagniescommandant en twee of meer
pelotons.
|
| 6. |
Indien een
basiseenheid, anders dan in een groep, zelfstandig
optreedt, dan heeft die de beschikking over een
chauffeur voor het commandovoertuig en één of meer
verbindingsspecialisten.
|
Paragraaf 3.
Basiseenheden met een bijzondere taak
Artikel 3
| 1. |
Eenheden te
water zijn bekwaam om op of rond een vaartuig of een
waterwerk op te treden.
|
| 2. |
Artikel 2 is
overeenkomstig van toepassing.
|
Paragraaf 4.
Bijzondere eenheden
Artikel 4
| 1. |
Het regionale
politiekorps kan beschikken, zelfstandig of samen met
andere politiekorpsen, over een of meer
verkenningseenheden.
|
| 2. |
Verkenningseenheden
zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep, bestaande
uit vier tot twaalf leden, onder wie een
groepscommandant.
|
Artikel 5
| 1. |
Het regionale
politiekorps kan beschikken, zelfstandig of samen met
andere politiekorpsen, over een of meer eenheden
beredenen.
|
| 2. |
Eenheden
beredenen zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep
bestaande uit zes ruiters, onder wie een
groepscommandant.
|
Artikel 6
| 1. |
Het regionale
politiekorps kan beschikken, zelfstandig of samen met
andere politiekorpsen, over een of meer eenheden
hondengeleiders.
|
| 2. |
Eenheden
hondengeleiders zijn organisatorisch opgebouwd uit een
groep bestaande uit zes leden, onder wie een
groepscommandant, een voor zijn taak opgeleide chauffeur
en vier hondengeleiders.
|
Artikel 7
| 1. |
De Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
stationeert bij de regionale politiekorpsen, genoemd in
de bijlage 3, één of meer waterwerpers.
|
| 2. |
De regionale
politiekorpsen, bedoeld in het eerste lid, dragen zorg
voor de beschikbaarheid van een bij de waterwerper
behorende eenheid.
|
| 3. |
Een eenheid
met de waterwerper bestaat uit een voor deze taak
bekwame commandant, chauffeur en twee kanonniers.
|
Artikel 8
| 1. |
Het regionale
politiekorps kan, zelfstandig of samen met andere
politiekorpsen, beschikken over een of meer
aanhoudingseenheden.
|
| 2. |
Aanhoudingseenheden
zijn organisatorisch opgebouwd uit een groep of sectie.
|
| 3. |
Een groep
bestaat uit acht leden, onder wie een groepscommandant
en een voor zijn taak opgeleide chauffeur.
|
| 4. |
Een sectie
bestaat uit een sectiecommandant en twee groepen.
|
Artikel 9
| 1. |
Het regionale
politiekorps kan, zelfstandig of samen met andere
politiekorpsen, beschikken over een of meer
BRATRA-groepen.
|
| 2. |
De leden van
een BRATRA-groep zijn bekwaam in het toegankelijk en
vrij van obstakels maken van ruimten, wegen en gebieden,
het bestrijden van kleine branden bij een optreden van
de mobiele eenheid en verspreiding van CS-traangas al of
niet met behulp van een vuurwapen.
|
| 3. |
De
BRATRA-groep bestaat uit zes leden, onder wie een
groepscommandant en een voor zijn taak opgeleide
chauffeur.
|
Artikel 10
| 1. |
Het regionale
politiekorps beschikt over een uit een peloton van de
basiseenheid samengestelde eenheid of zelfstandige
eenheden specialistische schutters, die geoefend zijn in
het gebruik van een vuurwapen als bedoeld in artikel
7, onder c, van de Bewapeningsregeling politie.
|
| 2. |
De onder 1
genoemde schutters zijn daarnaast bekwaam in verspreiden
van CS-traangas al of niet met behulp van een vuurwapen.
|
| 3. |
Het aantal
eenheden minimaal gelijk is aan het aantal eenheden
zoals vermeld in de bijlage 3 van deze regeling.
|
| 4. |
Eenheden
specialistische schutters zijn organisatorisch opgebouwd
uit een groep, bestaande uit elf leden, onder wie een
groepscommandant en een voor zijn taak opgeleide
chauffeur.
|
Paragraaf 5.
Verantwoordelijkheid Korpsbeheerder
Artikel 11
| 1. |
Een ambtenaar
van politie in de zin van artikel
3, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993,
kan deel uitmaken van een basiseenheid of een bijzondere
eenheid, indien hij voldoet aan:
| a. |
eindtermen
zoals voorgeschreven voor de opleiding
basispolitiemedewerker niveau 3;
|
| b. |
de
eisen die op grond van de Regeling
toetsing geweldsbeheersing politie aan
hem worden gesteld; en
|
| c. |
de
voor die taak ontwikkelde en voorgeschreven
eindtermen.
|
|
| 2. |
De opleiding
voor de specifieke taak, bedoeld in het eerste lid,
onder c, is met succes afgerond indien de deelnemer
heeft voldaan aan de competentiegerichte eindtermen van
de daartoe strekkende opleiding en is gecertificeerd
door het Bureau examinering van de LSOP.
|
Artikel 12
De korpsbeheerder
draagt voor wat betreft opleiden en oefenen zorg voor dat:
| 1. |
Elk in een
basiseenheid of een bijzondere eenheid ingedeeld
personeelslid van zijn korps jaarlijks, door middel van
opleiding en oefening, blijft voldoen aan de geldende
eindtermen, gesteld voor deze specifieke taak. Deze
eindtermen omvatten minimaal 40 uur oefenen per
jaar.
|
| 2. |
De
basiseenheden en de bijzondere eenheden geoefend zijn en
blijven in de samenwerking met relevante andere eenheden
of organisatieonderdelen.
|
Artikel 13
De korpsbeheerder
draagt voor wat betreft het materieel zorg voor dat:
| 1. |
De in deze
regeling genoemde eenheden en BRATRA-groep de
beschikking hebben over een voor de taak toegerust
voertuig.
|
| 2. |
Een
basiseenheid bij een zelfstandig optreden, anders dan
een groep, de beschikking heeft over een
commandovoertuig.
|
| 3. |
De ruiters de
beschikking hebben over voor hun taak getrainde paarden.
De korpsbeheerder kan deze verantwoordelijkheid samen
met andere korpsbeheerder(s) invullen.
|
| 4. |
Iedere
hondengeleider de beschikking heeft over een
gecertificeerde hond zoals voorgeschreven in de Regeling
politie-surveillancehonden 1997.
|
| 5. |
De leden van
de in deze regeling genoemde eenheden en BRATRA-groep
zijn uitgerust met adequate beschermings- en
veiligheidsmiddelen.
|
| 6. |
De aangewezen
leden van de in deze regeling genoemde eenheden en
BRATRA-groep zijn uitgerust met een vuurwapen als
bedoeld in artikel 7,
onder c, van de Bewapeningsregeling politie.
|
Artikel 14
De korpsbeheerder van
het regionaal politiekorps Rotterdam-Rijnmond draagt er zorg
voor dat ten behoeve van de eenheden te water, als bedoeld in
artikel 3, kan worden beschikt over twee vaartuigen, een
commandovaartuig en een reddingsvaartuig met een voor deze taak
bekwame bemanning.
Paragraaf 6.
Paraatheid
Artikel 15
| 1. |
De
korpsbeheerder houdt het aantal basiseenheden uit de
bijlage 1 en 2 van deze regeling beschikbaar voor
bijstand.
|
| 2. |
De
korpsbeheerder houdt de bijzondere eenheden uit de
bijlage 3 van deze regeling beschikbaar voor bijstand.
|
| 3. |
De
korpsbeheerder draagt er, zelfstandig of samen met
andere korpsbeheerders, zorg voor dat basiseenheden,
basiseenheden met een bijzondere taak en bijzondere
eenheden zijn toegesneden op de behoefte in de regio,
dan wel in de samenwerkende regio’s.
|
Artikel 16
| 1. |
De
korpsbeheerder van een regio waarbinnen op basis van
bijlage 1 twee of meer pelotons basiseenheden voor
bijstand beschikbaar moeten zijn, draagt er zorg voor
dat één peloton binnen anderhalf uur en een volgend
peloton binnen vier uur gereed is voor vertrek.
|
| 2. |
De
korpsbeheerder van een regio waarbinnen op basis van
bijlage 1 één peloton en één sectie basiseenheden
voor bijstand beschikbaar moeten zijn, draagt er zorg
voor dat één sectie binnen anderhalf uur en één
volgende sectie binnen vier uur gereed is voor vertrek.
|
| 3. |
De
korpsbeheerder van een regio waarbinnen op basis van
bijlage 1 één peloton basiseenheden voor bijstand
beschikbaar moet zijn, draagt er zorg voor dat één
sectie binnen anderhalf uur en de andere sectie binnen
vier uur gereed is voor vertrek.
|
| 4. |
Het derde lid
is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
eenheden te water, bedoeld in bijlage 2.
|
| 5. |
De
korpsbeheerder draagt er, al dan niet samen met een of
meer korpsbeheerders, zorg voor dat van de bijzondere
eenheden die op basis van bijlage 3 voor bijstand binnen
zijn regio beschikbaar moeten zijn, de helft, zijnde ten
minste een groep of eenheid, binnen anderhalf uur gereed
is voor vertrek, en de volgende groep of eenheid binnen
vier uur gereed zijn voor vertrek.
|
Paragraaf 7.
Coördinatie
Artikel 17
De korpsbeheerder
draagt er, zelfstandig of samen met andere korpsbeheerders, zorg
voor de coördinatie van de mobiele eenheid.
Paragraaf 8.
Opvang, nazorg en evaluatie
Artikel 18
| 1. |
De
korpsbeheerder draagt er zorg voor dat binnen het
regionale politiekorps voldoende opvang en nazorg wordt
aangeboden aan de ingezette leden tijdens en na een
optreden van de mobiele eenheden.
|
| 2. |
De
korpsbeheerder maakt, de gezagsverantwoordelijken
gehoord hebbende, van elk grootschalig optreden waarbij
sprake is geweest van ernstige verstoring van de
openbare orde, een evaluatierapport op.
|
| 3. |
De
korpsbeheerder verstrekt de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties op diens verzoek een
afschrift van het onder 2 genoemde evaluatierapport.
|
Paragraaf 9.
Afwijkingen
Artikel 19
| 1. |
De Minister
kan de korpsbeheerder toestemming geven om voor bepaalde
of onbepaalde tijd af te wijken van de bepalingen in
deze regeling.
|
| 2. |
De Minister
onthoudt zijn toestemming in gevallen de afwijking de
artikelen 3 onder 1, 11, 12, 13, 14 en 18 en de
rechtstoestand van het personeel raakt.
|
Paragraaf 10.
Slotbepalingen
Artikel 20
De Regeling
mobiele eenheid wordt ingetrokken.
Artikel 21
| 1. |
Deze regeling
treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van Staatscourant waarin zij wordt geplaatst
en geldt voor de duur van twee jaar.
|
| 2. |
Deze regeling
wordt automatisch verlengd voor onbepaalde tijd tenzij
de leden van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie
met feiten aantonen dat uitvoering van de artikelen 15
en 16 tot sociaal onaanvaardbare situaties leidt voor de
leden van de mobiele eenheid in de regionale
politiekorpsen.
|
Artikel 22
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling mobiele eenheid 2007.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den
Haag, 15 februari 2007.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes.
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin.
Bijlage 1, behorend bij
de artikelen 14, eerste lid, en artikel 15, eerste en tweede lid
Bijstandssterkte
mobiele eenheid
Basiseenheden
|
Regionaal korps
|
Secties
|
Pelotons
|
| |
|
| |
Artikelen 2 en 3
|
|
Groningen
|
1
|
1
|
|
Friesland
|
1
|
1
|
|
Drenthe
|
|
1
|
|
IJsselland
|
|
1
|
|
Twente
|
|
1
|
|
Noord- en
Oost-Gelderland
|
|
1
|
|
Gelderland-Midden
|
|
1
|
|
Gelderland-Zuid
|
|
1
|
|
Utrecht
|
|
3
|
|
Noord-Holland-Noord
|
1
|
1
|
|
Zaanstreek-Waterland
|
|
1
|
|
Kennemerland
|
1
|
1
|
|
Amsterdam-Amstelland
|
|
4
|
|
Gooi en
Vechtstreek
|
|
1
|
|
Hollands Midden
|
1
|
1
|
|
Haaglanden
|
|
4
|
|
Rotterdam-Rijnmond
|
|
4
|
|
Zuid-Holland-Zuid
|
1
|
1
|
|
Zeeland
|
1
|
1
|
|
Midden- en
West-Brabant
|
|
3
|
|
Brabant-Noord
|
1
|
1
|
|
Brabant-Zuid-Oost
|
|
2
|
|
Limburg-Noord
|
|
1
|
|
Limburg-Zuid
|
|
2
|
|
Flevoland
|
|
1
|
|
In de provincie
Gelderland wordt in interregionaal verband gezorgd voor
|
|
1
|
Bijlage 2, behorend bij
de artikelen 14, tweede lid, en artikel 15, derde en vierde lid
Basiseenheden met een
bijzondere taak
Eenheden te water
|
Regionaal korps
|
Pelotons
|
| |
|
| |
artikel 4
|
|
Groningen
|
1
|
|
Gelderland-Midden
|
1
|
|
Gelderland-Zuid
|
1
|
|
Kennemerland
|
1
|
|
Amsterdam-Amstelland
|
1
|
|
Rotterdam-Rijnmond
|
1
|
|
Zuid-Holland-Zuid
|
1
|
|
Zeeland
|
1
|
|
Limburg-Noord
|
1
|
Bijlage 3, behorend bij
de artikelen 15, tweede lid, en 16, derde en vierde lid
Bijstandssterkte
mobiele eenheid
Bijzondere eenheden
|
Regionaal korps
|
Eenheden met
waterwerper
|
Eenheden/
groepen specialistische schutters
|
| |
|
|
| |
artikel 8
|
artikel 11
|
|
Groningen
|
|
2
|
|
Friesland
|
|
1
|
|
Drenthe
|
|
1
|
|
IJsselland
|
|
1
|
|
Twente
|
|
1
|
|
Noord- en
Oost-Gelderland
|
|
1
|
|
Gelderland-Midden
|
|
1
|
|
Gelderland-Zuid
|
|
1
|
|
Utrecht
|
|
3
|
|
Noord-Holland-Noord
|
|
1
|
|
Zaanstreek-Waterland
|
|
1
|
|
Kennemerland
|
|
1
|
|
Amsterdam-Amstelland
|
2
|
4
|
|
Gooi en
Vechtstreek
|
|
1
|
|
Hollands Midden
|
|
1
|
|
Haaglanden
|
2
|
4
|
|
Rotterdam-Rijnmond
|
2
|
4
|
|
Zuid-Holland-Zuid
|
|
1
|
|
Zeeland
|
|
1
|
|
Midden- en
West-Brabant
|
|
3
|
|
Brabant-Noord
|
|
1
|
|
Brabant-Zuid-Oost
|
|
2
|
|
Limburg-Noord
|
|
1
|
|
Limburg-Zuid
|
|
2
|
|
Flevoland
|
|
1
|
Bijlage 4, behorend bij
artikel 18, eerste lid
Model
mobiele eenheid resultaatverantwoording
A.
Bijzondere eenheden
Over welk aantal
basiseenheden en bijzondere eenheden zoals genoemd in de
paragrafen 2 en 3 van de Regeling mobiele eenheid 2007 beschikte
het regionale politiekorps feitelijk?
| |
Aantal
zelfstandige eenheden
|
Aantal in
samenwerking met een ander korps(en)
|
Naam andere
korps
|
|
Basiseenheden
|
|
|
|
|
Eenheden te
water
|
|
|
|
|
Verkenningseenheden
|
|
|
|
|
Eenheden
beredenen
|
|
|
|
|
Eenheden
hondengeleiders
|
|
|
|
|
Eenheden met
waterwerper
|
|
|
|
|
Aanhoudingseenheden
|
|
|
|
|
BRATRA-groepen
|
|
|
|
|
Eenheden
vuurwapen (artikel 7,
onder c, van de Bewapeningsregeling politie)
|
|
|
|
B.
Opleiden en oefenen
Op welke wijze heeft
de korpsbeheerder gezorgd dat de leden van de mobiele eenheid
voldoen aan de eindtermen van opleiding en geoefendheid?
(volstaan kan worden met datum waarop is voldaan aan de
eindtermen of het benoemen van de behaalde opleidings- en
oefeningsdoelen)
| |
Toelichting
|
|
Basiseenheden
|
|
|
Eenheden te
water
|
|
|
Verkenningseenheden
|
|
|
Eenheden
beredenen
|
|
|
Eenheden
hondengeleiders
|
|
|
Eenheden met
waterwerper
|
|
|
Aanhoudingseenheden
|
|
|
BRATRA-groepen
|
|
|
Eenheden
vuurwapen (artikel 7,
onder c, van de Bewapeningsregeling politie)
|
|
C.
Bijstandssterkte
Op welke wijze heeft
de korpsbeheerder invulling gegeven aan de paraatheideis zoals
gesteld in paragraaf 6 van de Regeling mobiele eenheid 2007? (bijv.
aantal testen paraatheid – wijze van alarmering – interne
regelingen in vakantieperioden)
| |
Toelichting
|
|
Basiseenheden
|
|
|
Eenheden te
water
|
|
|
Verkenningseenheden
|
|
|
Eenheden
beredenen
|
|
|
Eenheden
hondengeleiders
|
|
|
Eenheden met
waterwerper
|
|
|
Aanhoudingseenheden
|
|
|
BRATRA-groepen
|
|
|
Eenheden
vuurwapen (artikel 7,
onder c, van de Bewapeningsregeling politie)
|
|
|
|
|