| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
VOORZIENING
TOT SAMENWERKING POLITIE NEDERLAND
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
De
korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen, met instemming van de
regionale colleges, en de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties als beheerder van het Korps landelijke
politiediensten;
Overwegende dat:
- De Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Politiewet 1993 in
verband met het stellen van regels voor het treffen van
samenwerkingsvoorzieningen op initiatief van politiekorpsen en voor de
informatie- en communicatievoorzieningen van de politie (Stb.
2005, 242) vereist dat alle op het tijdstip van inwerkingtreding van die
wet bestaande samenwerkingsverbanden met betrekking tot het beheer van
de politie tussen regio’s onderling, dan wel tussen regio’s en het
Rijk of andere rechtspersonen, waarbij een rechtspersoon naar burgerlijk
recht is opgericht, uiterlijk twee jaar na dat tijdstip dienen te zijn
ontbonden;
- De ICT-Service Coöperatie Politie, Justitie en Veiligheid, de
Coöperatie Informatiemanagement Politie en de Stichting Nederlands
Politie Instituut worden ontbonden;
- De wettelijke taak van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijkrelaties om op grond van artikel 53d van de Politiewet 1993 te
zorgen voor de landelijke informatie- en communicatievoorzieningen en
het beheer daarvan voor de politie en voor voorzieningen op het gebied
van de informatie- en communicatiehuishouding en het beheer daarvan
noodzakelijk voor de samenwerking van de politie en diensten en
organisaties die met de politie samenwerken zal vervallen en als gevolg
daarvan de Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV (ITO)
wordt opgeheven;
- De eisen die aan de taakuitvoering van de politiekorpsen worden
gesteld onder meer door de anonimisering, de toenemende mobiliteit en de
veranderende criminaliteitspatronen als gevolg van de open grenzen die
kenmerkend zijn voor de Nederlandse samenleving, het noodzakelijk maken
beheerstaken te bundelen ten einde de doelmatigheid en de efficiëntie
te vergroten;
- Het noodzakelijk is voorwaarden te scheppen om de samenwerking tussen
de politiekorpsen en van de politiekorpsen met andere rechtspersonen en
diensten met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie,
justitie of veiligheid verder te verbeteren door het verwerven van
leveringen en diensten op het gebied van ICT-voorzieningen dan wel
ICT-voorzieningen te ontwikkelen, te beheren en te exploiteren die deze
samenwerking doelmatiger en efficiënter maken;
- Het wenselijk is dat een aantal beheerstaken van de politiekorpsen
wordt overgedragen aan een op te richten voorziening tot samenwerking;
Gelet op de artikelen 47 en 47a van de
Politiewet 1993;
Besluiten de
volgende voorziening tot samenwerking aan te gaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen
In de voorziening tot samenwerking wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Veiligheid en Justitie;
b. ICT: informatie en communicatietechnologie;
c. politiekorpsen: regionale politiekorpsen als bedoeld in
artikel 21, derde lid, van de Politiewet 1993 en het Korps
landelijke politiediensten;
d. Besluit: Besluit samenwerkingsvoorzieningen politie.
Artikel 1.2. Deelnemers aan de voorziening tot samenwerking
Deelnemers aan de voorziening tot samenwerking zijn de regio's,
genoemd in de bijlage bij de Politiewet 1993 en ten behoeve van het
Korps landelijke politiediensten, het Rijk.
Hoofdstuk 2. De voorziening tot samenwerking
Artikel 2.1. De voorziening tot samenwerking
1. Er is een voorziening tot samenwerking
genaamd Politie Nederland.
2. Politie Nederland heeft
rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te 's-Gravenhage.
Artikel 2.2. Belang
Politie Nederland behartigt de belangen van de deelnemers door een
doelmatig beheer van de politiekorpsen te bevorderen.
Artikel 2.3. Taken
Politie Nederland heeft tot taak:
a. het ontwikkelen, formuleren, onderhouden en uitvoeren van een
gemeenschappelijk beleid ten aanzien van een doelmatig beheer,
vanuit een gemeenschappelijke missie en visie op de taakuitvoering
van de politiekorpsen, gericht op samenhang, standaardisatie en
samenwerking;
b. het formuleren van eisen voor de ontwikkeling, de exploitatie
en het beheer van de ICT-voorzieningen van de politiekorpsen
rekening houdend met de behoeften van organisaties die een
publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie
of veiligheid waarmee de politiekorpsen samenwerken;
c. het verwerven van producten en diensten op het gebied van
ICT-voorzieningen dan wel het ontwikkelen, het beheren en
exploiteren van ICT-voorzieningen, waaronder begrepen technische
standaarden ten behoeve van politiekorpsen, mede ten behoeve van
organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het terrein
van politie, justitie of veiligheid indien dit van belang is voor de
samenwerking van de politiekorpsen met die organisaties;
d. het formuleren van eisen en wensen met betrekking tot
verzekeringen ten behoeve van de politiekorpsen en afsluiten en
beheren daarvan;
e. het voeren van secretariaten;
f. het, voor de politie inkopen en verkopen van, alsmede verlenen
van overige facilitaire diensten inzake bewapening, kleding en
uitrusting van de politie, alsmede het vervoeren, bewaren en
vernietigen van processtukken, stukken van overtuiging en in beslag
genomen wapens, munitie en voorwerpen als bedoeld in de artikelen 2
en 3 van de Wet wapens en munitie;
g. het, inkopen en verkopen van, alsmede het verlenen van overige
diensten inzake bewapening, kleding en uitrusting op verzoek van
andere organisaties waarmee de deelnemers samenwerken en die een
publiekrechtelijke taak hebben op het terrein van politie, justitie
of veiligheid;
h. het inrichten en beheren van een expertisecentrum voor de
uitvoering van Europese aanbestedingen.
Artikel 2.4. Exclusiviteit
1. Producten en diensten die door Politie Nederland worden
verworven of ontwikkeld en activiteiten die door Politie Nederland
worden verricht, ter uitvoering van de aan Politie Nederland
opgedragen taken, voorkomend op een jaarlijks door het bestuur bij de
begroting vast te stellen overzicht, worden niet ook door de
deelnemers zelf of door derden in opdracht van de deelnemers
verworven, ontwikkeld of verricht.
2. Indien een deelnemer het voornemen heeft een product of dienst
te verwerven of ontwikkelen dat binnen het taakveld ligt van Politie
Nederland en niet op het overzicht als in het eerste lid bedoeld
voorkomt, meldt deze deelnemer dat onverwijld aan de algemeen directeur.
Artikel 2.5 [Vervallen per 08-06-2011]
Hoofdstuk 3. Het bestuur
Artikel 3.1. Samenstelling
Het bestuur wordt gevormd door de beheerder van het Korps landelijke
politiediensten.
Artikel 3.2. Taken en bevoegdheden
1. Het bestuur is belast met het bestuur van Politie Nederland
en heeft met betrekking tot de aan Politie Nederland opgedragen taken
alle bevoegdheden en verricht alle taken voor zover deze niet aan
anderen zijn opgedragen.
2. Het bestuur kan taken en bevoegdheden overdragen en
mandateren. Niet kunnen worden overgedragen of gemandateerd:
a. het vaststellen en het wijzigen van de begroting en
meerjarenraming, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit;
b. het vaststellen van de jaarrekening, bedoeld in artikel 6,
tweede lid, van het Besluit;
c. het vaststellen van de kaderbrief, bedoeld in artikel 6, eerste
lid, van het Besluit;
d. het vaststellen van de rapportage, bedoeld in artikel 6, vierde
lid, van het Besluit;
e. het vaststellen van de bijdragen die de deelnemers jaarlijks
maximaal verschuldigd zijn;
f. het vaststellen van de tarieven voor goederen en diensten;
g. het vaststellen van het organisatie- en formatieplan, bedoeld in
artikel 6.1.
3. Het bestuur vertegenwoordigt Politie Nederland in en buiten
rechte. Het bestuur kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem
aan te wijzen gevolmachtigde.
Artikel 3.3. Werkwijze
Het bestuur stelt een reglement vast waarin nadere regels worden
gegeven over de werkwijze van het bestuur.
Artikel 3.4 [Vervallen per 08-05-2011]
Artikel 3.5. Informatieverstrekking
1. Onverminderd artikel 5,
eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van het Besluit financiën
regionale politiekorpsen, worden de in artikel 3.2, tweede lid,
onderdeel a tot en met f, bedoelde stukken na vaststelling zo spoedig
mogelijk met de nodige bescheiden en inlichtingen door het bestuur aan
de regionale colleges van de deelnemende regio's aangeboden.
2. Na aanbieding worden de in artikel 3.2,
tweede lid, onderdeel a tot en met f, bedoelde stukken ter inzage
neergelegd ten kantore van Politie Nederland. Tegen betaling van kosten
wordt een afschrift van de stukken beschikbaar gesteld.
3. Het bestuur geeft, zo nodig vertrouwelijk mondeling of
schriftelijk de door een of meer leden van een regionaal college van een
deelnemende regio gevraagde inlichtingen. Door leden van een regionaal
college gevraagde inlichtingen worden gegeven door tussenkomst van de
korpsbeheerder.
Hoofdstuk 4. Het dagelijks bestuur
Artikel 4.1 [Vervallen per 09-06-2011]
Artikel 4.2 [Vervallen per 08-06-2011]
Artikel 4.3 [Vervallen per 08-06-2011]
Artikel 4.4 [Vervallen per 08-06-2011]
Hoofdstuk 5. Commissies
Artikel 5.1. Commissie multidisciplinaire ICT aangelegenheden
1. Er is een commissie multidisciplinaire ICT aangelegenheden.
2. De leden van de commissie worden benoemd door het bestuur op
voordracht van door de minister aan te wijzen rechtspersonen of diensten
met een publiekrechtelijke taak op het terrein van politie, justitie of
veiligheid.
3. De voorzitter van de commissie wordt door het bestuur benoemd.
4. De commissie heeft tot taak het bestuur te adviseren over
aangelegenheden betreffende de in artikel 2.3, onderdeel c, genoemde
taak voor zover van belang voor de samenwerking van de politiekorpsen
met andere organisaties die een publiekrechtelijke taak hebben op het
terrein van politie, justitie of veiligheid.
5. De commissie adviseert in ieder geval over de besluiten
genoemd in artikel 3.2, tweede lid, onderdeel a tot en met f.
6. Het bestuur houdt bij het nemen van besluiten en het doen van
voorstellen met betrekking tot de in artikel 2.3, onderdeel c, genoemde
taak rekening met het advies van de commissie. Voor zover van toepassing
geeft het aan op welke onderdelen is afgeweken van dit advies en wat de
reden daarvan is.
Artikel 5.2. Overige commissies
1. Het bestuur kan met betrekking tot een of meer in artikel
2.3 genoemde taken commissies van advies instellen.
2. Het bestuur regelt de taken, de bevoegdheden en de
samenstelling van de commissies.
Hoofdstuk 6. De organisatie, de directie en de secretaris
Artikel 6.1. De organisatie
Het bestuur regelt de inrichting van de organisatie van Politie
Nederland en stelt daartoe in ieder geval een organisatie- en
formatieplan vast.
Artikel 6.2. De algemeen directeur
1. Er is een algemeen directeur. De algemeen directeur wordt
door het bestuur benoemd, geschorst of ontslagen.
2. Het bestuur pleegt regelmatig overleg met de algemeen
directeur.
3. Het bestuur regelt de vervanging van de algemeen directeur bij
zijn verhindering of ontstentenis.
4. Het bestuur stelt voor de algemeen directeur een instructie
vast.
5. De algemeen directeur is in dienst van Politie Nederland en
heeft de leiding over het personeel van Politie Nederland dat hij namens
het bestuur benoemt, schorst en ontslaat.
Artikel 6.3. De directie
1. De overige leden van de directie worden, in afwijking van
artikel 6.2, vijfde lid, op voordracht van de algemeen directeur door
het bestuur, benoemd, geschorst en ontslagen.
2. De overige directieleden zijn verantwoording schuldig aan de
algemeen directeur.
3. Het bestuur regelt de taken, bevoegdheden en verantwoording
van de directie in een directiestatuut.
Hoofdstuk 7. Beheers- en financiële bepalingen
Artikel 7.1. Het financieel statuut
1. Het bestuur stelt een financieel
statuut vast.
2. In het financieel statuut
worden regels gegeven over de uitgangspunten voor het financiële
beleid, het financiële beheer, de inrichting van de financiële
organisatie en de controle op het financiële beheer en daarbij
behorende rapportages alsmede over de inbreng van activa en passiva door
de deelnemers.
3. De regels bedoeld in het
tweede lid over de uitgangspunten voor het financiële beleid omvatten
mede regels over reservevorming en de verstrekking van de bijdragen.
Artikel 7.2. Bekostiging
1. De voor de uitvoering van
de voorziening tot samenwerking benodigde financiële middelen worden
door de deelnemers verschaft door middel van het verstrekken van
jaarlijkse bijdragen aan Politie Nederland en betaling van
kostendekkende tarieven voor geleverde goederen en diensten.
2. De jaarlijkse bijdragen kunnen bestaan
uit een basisbijdrage en een of meer bestemmingsbijdragen voor de
uitoefening van bepaalde taken.
3. De jaarlijkse bijdragen
verschuldigd door de deelnemers worden naar evenredigheid vastgesteld op
basis van de financiële verhoudingen tussen de korpsen, zoals deze
kunnen worden afgeleid uit de op grond van de krachtens artikel 2 van
het Besluit financiën regionale politiekorpsen vastgestelde
budgetverdeeleenheden in het jaar waarvoor de begroting geldt. Voor de
berekening van de bijdragen van de minister wordt door hem op basis van
de begroting van de Korps landelijke politiediensten een fictief aantal
budgetverdeeleenheden vastgesteld.
4. In de begroting voor het desbetreffende kalenderjaar wordt
aangegeven welke bijdrage elke deelnemer dat jaar verschuldigd is aan
Politie Nederland.
5. De deelnemers betalen telkens voor 16 januari, 16 april, 16
juli en 16 oktober een vierde van de voor dat jaar vastgestelde
bijdrage.
6. De deelnemers dragen er zorg voor dat Politie Nederland te
allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen
jegens derden te kunnen voldoen.
Artikel 7.3. De begroting
1. Het bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 1 juli de voorgenomen
activiteiten vast en de bijdragen die de deelnemers in het daarop
volgende jaar verschuldigd zijn. Tevens stelt het bestuur uiterlijk 1
juli de tarieven vast die per goed of dienst door Politie Nederland in
het daaropvolgende kalenderjaar ten hoogste in rekening worden
gebracht. De voorgenomen activiteiten, de verschuldigde bijdragen en
de tarieven worden zodra ze zijn vastgesteld meegedeeld aan de
regionale colleges in de vorm van de kaderbrief bedoeld in artikel 6
van het Besluit.
2. Het bestuur stelt een ontwerpbegroting en meerjarenraming op.
De vergadering van korpschefs wordt in de gelegenheid gesteld daarover
aan het bestuur advies uit te brengen. Daartoe zendt het bestuur de
ontwerpbegroting en meerjarenraming ten minste zes weken voordat ze
worden vastgesteld aan de voorzitter van vergadering van korpschefs.
3. Het bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 15 november de sluitende
begroting voor het volgende kalenderjaar vast en een sluitende
meerjarenraming.
4. De begroting bevat een
beleidsmatige onderbouwing en geeft inzicht in de financiële
verhoudingen tussen de voorziening tot samenwerking en de deelnemers wat
betreft het vermogen en het resultaat. De meerjarenraming bevat een
uitgewerkt overzicht van de te ondernemen activiteiten in de drie jaar
die volgen op het begrotingsjaar.
5. Het bestuur kan de begroting wijzigen.
6. Indien een wijziging van de begroting aanleiding geeft de
tarieven, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, aan te passen, deelt
het bestuur de gewijzigde tarieven, nadat ze zijn vastgesteld,
onverwijld mee aan de deelnemers.
Artikel 7.4. De jaarrekening
1. Het bestuur stelt jaarlijks de rekening over het afgelopen
kalenderjaar vast. Vaststelling geschiedt uiterlijk 31 maart volgend
op het jaar waarop de rekening betrekking heeft.
2. De jaarrekening bevat een
beleidsmatige onderbouwing en geeft inzicht in de financiële
verhoudingen tussen de voorziening tot samenwerking en de deelnemers wat
betreft het vermogen en het resultaat.
3. De jaarrekening gaat vergezeld van een
verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid en een verslag van
bevindingen, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393
van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Indien de in het derde lid bedoelde accountant geen deel
uitmaakt van een departementale accountantsdienst, kan de jaarrekening
op verzoek van een departementale accountantsdienst eveneens worden
onderzocht door een accountant van deze dienst. Het bestuur draagt zorg
voor het verlenen van medewerking aan dat onderzoek.
Artikel 7.5. Resultaten jaarlijkse exploitatie
1. Een batig saldo, blijkend uit de vastgestelde jaarrekening,
kan worden bestemd voor de vorming van of toevoeging aan de algemene
reserve van Politie Nederland.
2. Voor zover een batig saldo niet wordt aangewend voor de
algemene reserve wordt dit aan de deelnemers uitgekeerd naar rato van
hun jaarlijkse bijdrage aan Politie Nederland voor het betreffende jaar.
3. Een negatief saldo kan worden onttrokken aan een aanwezige
algemene reserve. Bij het ontbreken van een algemene reserve wordt het
negatieve saldo in rekening gebracht bij de deelnemers naar rato van hun
jaarlijkse bijdrage aan Politie Nederland voor het desbetreffende jaar.
Hoofdstuk 8. Het archief
Artikel 8. Archief
1. Het bestuur is belast met de zorg voor en het toezicht op de
bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van Politie Nederland,
overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995. Het
bestuur stelt hiervoor beheersregels vast.
2. Het bestuur draagt zorg voor voldoende ruimte voor de
archiefbescheiden en ziet erop toe dat hiervoor voldoende deskundig
personeel wordt aangesteld.
Hoofdstuk 9. Wijziging, opheffing, toetreding en uittreding
Artikel 9.1. Wijziging en opheffing
1. De voorziening tot samenwerking kan worden opgeheven of
gewijzigd met een daartoe strekkend besluit van alle deelnemers.
2. Met betrekking tot de
regio’s worden de in het eerste lid bedoelde besluiten genomen
door de korpsbeheerder, na instemming van het regionaal college van de
regio waarvan hij korpsbeheerder is, voor het Rijk door de minister.
3. De in het eerste lid bedoelde besluiten
kunnen niet worden genomen dan na een voorstel daartoe van het bestuur.
4. In geval van opheffing van
de voorziening tot samenwerking regelt het bestuur de financiële
gevolgen van de opheffing in een liquidatieplan. Hierbij kan van
bepalingen van de voorziening tot samenwerking worden afgeweken.
5. Het liquidatieplan wordt door het
bestuur, de regionale colleges gehoord, vastgesteld.
6. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de
deelnemers om alle rechten en verplichtingen van Politie Nederland aan
de deelnemers over te dragen op een in het plan te bepalen wijze.
7. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing
heeft voor het personeel.
8. Het bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.
9. Het bestuur blijft ook na het tijdstip van opheffing in
functie, totdat de liquidatie is voltooid.
Artikel 9.2. Toetreding
1. Verzoeken tot deelname aan de voorziening tot samenwerking
worden gericht tot het bestuur.
2. Het bestuur zendt het verzoek, voorzien van een advies, aan de
regionale colleges en de minister. Het advies bevat mede de voorwaarden
en de gevolgen van de toetreding voor de voorzienig tot samenwerking.
3. Artikel 9.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op
besluiten tot toetreding.
4. Het bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan de
toetreding nadere voorwaarden verbinden.
Artikel 9.3. Uittreding
1. Uittreding uit de voorziening tot samenwerking geschiedt
door toezending van een daartoe strekkend besluit van de deelnemer aan
het bestuur.
2. Tenzij het bestuur een kortere termijn bepaalt, vindt de
uittreding niet eerder plaats dan op 31 december van het tweede
kalenderjaar volgend op het jaar waarin het bestuur van het besluit tot
uittreden in kennis is gesteld.
3. Het bestuur regelt de gevolgen van de uittreding.
4. De kosten voor Politie Nederland die rechtstreeks het gevolg
zijn van de uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
Het bestuur stelt de hoogte van deze kosten vast.
Artikel 9.4. Bekendmaking van wijzigingen, opheffing, toetreding en
uittreding
Het bestuur draagt zorg voor de bekendmaking van besluiten over
wijziging, opheffing, toetreding en uittreding in de Staatscourant.
Hoofdstuk 10. Overgangsbepalingen
Artikel 10 [Vervallen per 08-06-2011]
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1. Inwerkingtreding
Deze voorziening tot samenwerking treedt in werking met ingang van 1
juli 2006.
Artikel 11.2. Titel
Deze regeling wordt aangehaald als: Voorziening tot samenwerking
Politie Nederland.
De voorziening tot samenwerking zal met de
toelichting door de minister in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes.
|
|
|