| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Politiewet 1993 (PolW)
UITRUSTINGSREGELING
POLITIE 1994
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van
25 maart 1994, nrs. EA94/U911 en 430256/594/GBJ, houdende regels voor de
uitrusting van de politie
De Ministers van Binnenlandse Zaken en van
Justitie;
Gelet op artikel 14 van het Besluit beheer
regionale politiekorpsen;
Besluiten:
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. ambtenaar:
de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
a en c, van de Politiewet 1993, met uitzondering van de adspirant
voor de duur dat hij geen praktijkstage volgt;
b. de Minister:
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Deze regeling berust op artikel 49, eerste lid, van de
Politiewet 1993.
Artikel 2
1. De uitrusting van de ambtenaar bestaat uit:
a. handboeien van een door de Minister goedgekeurd merk en
type,
b. een koppel van een door de Minister goedgekeurd merk en
type.
2. De korpsbeheerder kan de ambtenaar uitrusten met een
veiligheidsvest van een door de Minister goedgekeurd merk en type.
3. Indien de korpsbeheerder dit noodzakelijk acht, kan de ambtenaar
mede uitgerust worden met tie-raps.
Artikel 3
1. De uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de mobiele
eenheid, een aanhoudings- en ondersteuningseenheid, een eenheid als
bedoeld in artikel 11a van het Besluit beheer regionale politiekorpsen
of een bijzondere bijstandseenheid kan mede bestaan uit een
kogelwerend vest en een kogelwerende helm van een door de Minister
goedgekeurd merk en type.
2. De uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de mobiele
eenheid of een aanhoudings- en ondersteuningseenheid bestaat mede uit
een gasmasker van een door de Minister goedgekeurd merk en type.
3. De uitrusting van de ambtenaar die behoort tot de mobiele
eenheid bestaat mede uit een schild van een door de Minister
goedgekeurd merk en type.
Artikel 4
De korpsbeheerder kan de ambtenaar die geen deel uitmaakt van de in
artikel 3, eerste lid, genoemde eenheden, uitrusten met een kogelwerend
vest, een kogelwerende helm of een gasmasker van een door de Minister
goedgekeurd merk en type.
Artikel 5
De uitrusting van de ambtenaar die behoort tot een aanhoudings- en
ondersteuningseenheid bestaat mede uit explosieven van een door de
Minister goedgekeurd merk en type.
Artikel 5a
De uitrusting van de ambtenaar die is bewapend met pepperspray,
bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Bewapeningsregeling politie,
bestaat mede uit door de Minister en Koninkrijksrelaties aan te wijzen
nazorgmiddelen van een door de Minister en Koninkrijksrelaties in het
kader van een Europese aanbestedingsprocedure geselecteerd merk en type,
welke voldoen aan de in de bijlage bij deze regeling opgenomen
technische specificaties.
Artikel 6
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 1994.
Artikel 7
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitrustingsregeling politie 1994.
Deze regeling zal met toelichting worden
geplaatst in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad.
's-Gravenhage, 25 maart 1994.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn.
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin.
Bijlage 1 bij de Uitrustingsregeling politie 1994: technische
specificaties nazorgmiddelen als bedoeld in artikel 5a
1. Onderwerp
Bij het gebruik van pepperspray door de politie is een nazorgprotocol
van toepassing. In deze bijlage zijn de eisen opgenomen welke van
toepassing zijn op het nazorgmiddel dat na gebruik van het geweldsmiddel
pepperspray toegepast dient te worden, teneinde de effecten van het
gebruik van pepperspray te verlichten na aanhouding van een verdachte
alsmede gedurende het transport naar het politiebureau. De werkzame
componenten van de te gebruiken pepperspray zijn capsaïcine en enkele
nauwverwante verbindingen. Deze stoffen veroorzaken acuut een lokaal
ontstekingsproces resulterend in mogelijke effecten op een aantal
doelorganen, te weten:
Ogen:
De effecten op de ogen zijn pijn, een heftige tranenvloed, een snel
voorbijgaande verblinding, en een verwijding van de haarvaten van de
oogleden waardoor deze sluiten en gedurende enige tijd niet meer open
kunnen;
Huid:
De pepperspray veroorzaakt een sterk branderig gevoel op de huid,
hetgeen gepaard gaat met roodheid en heftige pijn. Na verloop van tijd
ontstaat ongevoeligheid van de aangedane huid voor pijn en
temperatuurprikkels. De pijn en roodheid verdwijnen meestal binnen 30
minuten, de ongevoeligheid kan dagen duren;
Luchtwegen:
De slijmvliezen van de bovenste luchtwegen kunnen een acute
ontstekingsreactie vertonen, gepaard gaand met slijmafscheiding in
neus en keel. Dit kan leiden tot kuchen, maar ook tot heftige
hoestbuien en soms tot vernauwing van de luchtwegen, waardoor in
sommige gevallen kortademigheid kan ontstaan;
Motoriek:
Verlies van controle over de lichaamsmotoriek, het optreden van een
gedwongen reflexmatig voorovergebogen houding, ernstig trillen over
het gehele lichaam en gevoelens van disoriëntatie en paniek.
Uit pilot-praktijktrainingen van politiemensen die vrijwillig werden
blootgesteld aan pepperspray, bleken de volgende effecten het meeste
ongerief te veroorzaken: een sterk branderig gevoel en heftige pijn op
de huid (vooral van het gezicht), pijn aan de ogen en het tijdelijk niet
meer kunnen openen van de ogen. In dit kader worden eisen gesteld aan
het nazorgmiddel met betrekking tot de werking, de bijwerkingen, de
houdbaarheid bij uiteenlopende temperaturen, en de
gebruiksvriendelijkheid in het gebruik van het nazorgmiddel na
aanhouding van een verdachte alsmede in het gebruik van het nazorgmiddel
in een rijdend politievoertuig.
2. Eisen inzake het nazorgmiddel
2.1. Eisen ter zake de werking van nazorgmiddel:
2.1.1 Gebruik van het nazorgmiddel moet snel leiden tot verlichting
van het sterk branderige gevoel en pijn aan oogleden en huid en tot
het weer kunnen openen van de ogen.
2.1.2 Het nazorgmiddel mag geen geneesmiddel zijn als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de Geneesmiddelvoorziening.
2.2. Eisen ter zake van schadelijke bijwerkingen van het
nazorgmiddel:
2.2.1
a. Het nazorgmiddel mag op zichzelf geen schadelijke
bijwerkingen (b.v. irritatie) op huid, ogen, luchtwegen en andere
delen van het lichaam hebben. Onder niet schadelijk wordt
verstaan: niet carcinogeen, teratogeen of mutageen en niet giftig
of irriterend voor huid of ogen. Als richtlijn voor de giftigheid
dient een letale dosis (LD50) van > l gram per kg
lichaamsgewicht, ongeacht de toedieningsroute.
b. Als richtlijn voor irritatie van de ogen en huid dient een
milde reactie in dierproeven bij een expositie van enkele dagen in
hoeveelheden van 50 mg of groter; elke sterkere reactie is
onacceptabel.
c. Het gestelde in de onderdelen a en b geldt ook voor het
oplosmiddel. De toegepaste oplosmiddelen dienen van een zodanige
kwaliteit te zijn dat het totale oplosmiddel-mengsel niet meer dan
0,5 gewichtsprocent bevat van relatief ongevaarlijke verbindingen
zoals butanol of methanol. Het gebrek aan gevaarlijke
eigenschappen dient aantoonbaar te zijn middels een zgn.
veiligheidsblad ("materials safety data sheet").
2.2.2 Het nazorgmiddel mag niet zodanig met pepperspray reageren
dat daardoor een ander schadelijk middel ontstaat.
2.2.3 Bij het gebruik van het nazorgmiddel (inclusief eventueel
oplosmiddel) mag vorenbedoeld nazorgmiddel op zichzelf geen blijvend
persoonlijk letsel tot gevolg hebben dan wel zaakschade aan kleding of
aan het interieur van een politievoertuig veroorzaken.
2.3. Eisen m.b.t. de houdbaarheid van het nazorgmiddel:
2.3.1
a. Het nazorgmiddel dient houdbaar te zijn bij uiteenlopende
wisselende temperaturen (van -5 tot +50 °C). 1
b. Het is geen eis dat het nazorgmiddel te gebruiken is bij
temperaturen beneden de -5 °C.
2.3.2 Het nazorgmiddel dient vanaf het moment van levering
tenminste twee jaar, maar bij voorkeur voor een langere periode
houdbaar te zijn, dat wil zeggen dat geen chemische veranderingen ten
opzichte van de oorspronkelijk samenstelling of de vereiste
eigenschappen zich voordoen.
2.4. Eisen m.b.t. de gebruiksvriendelijkheid van het nazorgmiddel:
2.4.1 Het nazorgmiddel dient op eenvoudige wijze aangebracht te
kunnen worden in een politievoertuig en op eenvoudige wijze ter hand
te kunnen worden genomen.
2.4.2 Het nazorgmiddel dient ook bruikbaar te zijn in een rijdend
politievoertuig.
2.4.3 Het nazorgmiddel dient in zodanige hoeveelheid aanwezig te
zijn dat meerdere personen een behandeling kunnen krijgen.
2.4.4 Indien het nazorgmiddel eenmaal is gebruikt, dient dat
duidelijk herkenbaar te zijn in verband met steriliteit (valt ook
onder houdbaarheid), dit afhankelijk van de aard van het nazorgmiddel.
2.4.5 Het nazorgmiddel mag het interieur van het politievoertuig
niet besmeuren dan wel tijdelijk onbruikbaar maken.
2.4.6 Het nazorgmiddel dient duidelijk herkenbaar te zijn als
nazorgmiddel, dit wil zeggen met duidelijk zichtbare kenmerken die
aangeven dat het een eerste hulpmiddel betreft en geen
peppersprayspuitbus.
2.4.7 De verpakking van het nazorgmiddel dient zodanig solide te
zijn dat door het uit de handen laten vallen van het nazorgmiddel op
de grond geen scherpe delen kunnen ontstaan dan wel het uit elkaar
springen van het nazorgmiddel kan worden veroorzaakt. Dientengevolge
mag de verpakking niet uit glas of hard plastic bestaan.
2.4.8 Het nazorgmiddel dient geleverd te worden met een
Nederlandstalige gebruiksaanwijzing.
|
|
|