De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 5 van de Postwet (Stb.
1988, 522);
Besluit:
Voor TPG N.V.
de volgende algemene richtlijnen ten aanzien van het haar opgedragen
postvervoer, zoals omschreven bij en krachtens de artikelen 2 en 2a
van de Postwet, vast te stellen:
§ 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de houder van de concessie: TPG N.V.;
b. de wet: de Postwet;
c. de minister: de minister van Verkeer en Waterstaat;
d. postzendingen: brieven en andere geadresseerde zendingen, als
bedoeld in artikel 1, onder c, van de wet;
e. het postvervoer: het postvervoer, zoals omschreven bij en
krachtens de artikelen 2 en 2a, jo artikel 1, van de wet;
f. dienstverleningspunt: plaats waar van de dienstverlening ter zake
van het postvervoer gebruik kan worden gemaakt;
g. loonsom: loonsom werknemers marktsector of de verwachte loonsom
werknemers marktsector zoals gehanteerd in de op het moment van
schriftelijke aanmelding van een tariefwijziging laatst bekende formele
publicatie van het Centraal Planbureau (CPB);
h. arbeidsduur: arbeidsduur of de verwachte arbeidsduur zoals
gehanteerd in de op het moment van schriftelijke aanmelding van een
tariefwijziging laatst bekende formele publicatie van het CPB;
i. college: college, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet
Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit;
j. drukwerken: bescheiden en schriftelijke mededelingen, al dan niet
verpakt, die door toepassing van druk- of andere
vermenigvuldigingstechnieken in een aantal geheel met elkaar
overeenstemmende exemplaren ter verspreiding zijn vervaardigd en waarin,
behoudens de adressering, geen bijvoegingen, doorhalingen of
aanduidingen zijn aangebracht;
k. postpakketten: geadresseerde verpakte zendingen die in elk geval
zaken, niet zijnde brieven of drukwerken, bevatten;
l. richtlijn: richtlijn nr. 97/67/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende
gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor
postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de
dienst (PbEG 1998, L 15).
§ 2. Dienstverlening
2.1 De houder van de concessie is verplicht om een aan de eisen
des tijds beantwoordende dienstverlening ter zake van het postvervoer
op te zetten en in stand te houden.
2.2 De onder 2.1 genoemde dienstverlening omvat ten minste:
a. het postvervoer;
b. het beschikbaar stellen van dienstverleningspunten als bedoeld
in onderdeel 2.9;
c. het beschikbaar stellen van brievenbussen dan wel soortgelijke
faciliteiten voor het ten vervoer aanbieden van daartoe geschikte
postzendingen;
d. het bestellen van postzendingen;
e. het teruggeven van onbestelbare postzendingen aan de afzender.
2.3 In afwijking van het bepaalde onder 2.2, onderdeel a, is de
houder van de concessie niet verplicht tot het postvervoer naar een land
buiten Nederland, indien die zendingen vanuit dat land in Nederland zijn
gebracht om deze aan de houder van de concessie ten vervoer aan te
bieden met als bestemming adressen in dat land.
2.4 Ten aanzien van de dienstverlening als bedoeld in 2.2 dient
de houder van de concessie te voldoen aan het in dit besluit gestelde.
2.5 De houder van de concessie draagt naar redelijkheid zorg voor
de beveiliging van de hem ten vervoer toevertrouwde postzendingen in
overeenstemming met de waarde die de afzender blijkens zijn keuze van de
wijze van verzending aan deze postzendingen hecht.
2.6 [Vervallen.]
2.7 De houder van de concessie draagt zorg voor differentiatie in
de vorm van betaling van de voor het postvervoer verschuldigde porten.
De verantwoording van de porten zal mede kunnen geschieden door middel
van postzegels, welke door de houder van de concessie op alle
dienstverleningspunten verkrijgbaar worden gesteld.
2.8 De houder van de concessie dient bij het uitgeven van
postzegels met toeslag voor culturele of sociale doelen dan wel ten
behoeve van instellingen met een algemeen humanitaire doelstelling
rekening te houden met de ter zake van het inzamelen van gelden voor
deze doeleinden en instellingen getroffen regelingen.
2.9 1. Onverminderd de onderdelen 2.11 en 2.12 omvat het net van
dienstverleningspunten, dat de houder van de concessie gebruikt voor het
aanbieden van postzendingen en voor het verrichten van andere met het
postvervoer samenhangende handelingen, ten minste 2000
dienstverleningspunten, waarvan ten minste 902 met een volledig
assortiment van diensten, en voldoet het aan de volgende
spreidingsmaatstaven:
a. de spreiding over Nederland van dienstverleningspunten met een
volledig assortiment van diensten resulteert in een beschikbaarheid
van een volledig assortiment van diensten binnen een straal van vijf
kilometer voor ten minste 95% van de inwoners;
b. de spreiding van dienstverleningspunten met een volledig
assortiment van diensten buiten woonkernen met meer dan 5000 inwoners
resulteert in een beschikbaarheid van een volledig assortiment van
diensten binnen een straal van vijf kilometer voor ten minste 85% van
de betrokken inwoners.
2. Een dienstverleningspunt in een woonkern met minder dan 5000
inwoners zonder winkelgebied wordt niet door de houder van de concessie
gesloten.
3. Van het tweede lid mag de houder van de concessie afwijken indien
de sluiting het gevolg is van opzegging of bedrijfsbeëindiging door de
ondernemer met wie de houder van de concessie een overeenkomst tot
exploitatie van een dienstverleningspunt heeft gesloten, dan wel indien
wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. er is voor de bewoners van de woonkern binnen een straal van
vijf kilometer een ander dienstverleningspunt met een volledig of
nagenoeg volledig assortiment van diensten, en
b. de omzet in zegelwaarden van het te sluiten dienstverleningspunt
bedraagt minder dan € 11.344,50 per jaar.
4. Een volledig assortiment van diensten, respectievelijk een
nagenoeg volledig assortiment van diensten, bevat de postale diensten en
activiteiten die zijn opgenomen in bijlage 2.
5. In afwijking van het eerste lid omvat het net van
dienstverleningspunten met ingang van 1 januari 2006 ten minste 902
dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten, ten
minste 1200 dienstverleningspunten met een nagenoeg volledig assortiment
van diensten, en voldoende andere dienstverleningspunten waar
uitsluitend veelverkochte producten worden aangeboden.
6. Indien met ingang van 1 januari 2006, als gevolg van
onvoorziene opzeggingen of bedrijfsbeëindigingen door de, door de
houder van de concessie gecontracteerde, ondernemers die
dienstverleningspunten exploiteren, het totaal aantal
dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten en met
een nagenoeg volledig assortiment van diensten daalt tot onder de som
van de in het vijfde lid genoemde aantallen, zorgt de houder van de
concessie ervoor dat in elk geval de som van de aantallen van die
dienstverleningspunten niet onder 2000 daalt.
2.10 1. De houder van de concessie is gerechtigd in het net van
dienstverleningspunten, bedoeld in onderdeel 2.9, aanpassingen aan te
brengen, indien een wijziging in het gebruik van diensten ter zake van
het postvervoer, dan wel voor andere diensten, die voor derden op die
dienstverleningspunten worden verleend, daartoe redelijkerwijs
aanleiding geeft.
2. Aanpassingen in het net van dienstverleningspunten, die niet in
overeenstemming zijn met onderdeel 2.9 worden niet gerealiseerd dan
nadat daarover een postvestigingenplan bij de Minister is ingediend en
dit postvestigingenplan de instemming van de Minister heeft verkregen.
3. De houder van de concessie verstrekt ten minste één maand voor
de aanvang van elk kalenderjaar aan het college de indicatieve planning
van de in dat kalenderjaar voorziene mutaties in het net van
dienstverleningspunten, uitgesplitst naar soort dienstverleningspunt.
4. Binnen drie maanden na het verstrijken van een kalenderjaar
verstrekt de houder van de concessie aan het college de gegevens,
waaruit blijkt hoe hij in het verstreken kalenderjaar aan het
postvestigingenplan en aan de onderdelen 2.9 tot en met 2.12 uitvoering
heeft gegeven, alsmede een verklaring van de in onderdeel 7.5 bedoelde
externe accountant over de juistheid en volledigheid van de gegevens.
5. Het college beoordeelt jaarlijks aan de hand van de gegevens,
bedoeld in het vierde lid, of de houder van de concessie heeft voldaan
aan onderdeel 2.9 en bijlage 2.
6. Het college rapporteert zijn bevindingen op grond van de in het
vijfde lid bedoelde beoordeling binnen zes maanden na het kalenderjaar
waarop de beoordeling betrekking heeft aan de Minister, en zendt hiervan
tegelijkertijd een afschrift aan de houder van de concessie.
7. De rapportage, bedoeld in het vierde lid, bevat ten minste:
a. de aantallen dienstverleningspunten, uitgesplitst naar soort,
aan het einde van elk kwartaal;
b. de verantwoording van de meetmethodiek voor de bepaling van de
straal van vijf kilometer, genoemd in onderdeel 2.9, eerste lid;
c. een definitie van gehanteerde begrippen, voor zover die afwijken
van de begrippen van dit besluit;
d. een verantwoording van de bepaling van het inwoneraantal van een
woonkern;
e. de datering van de gehanteerde bronnen;
f. een verantwoording van de systematiek ter vaststelling of is
voldaan aan de spreidingsnormen van onderdeel 2.11.
2.11 Bij de in 2.10 genoemde aanpassing draagt de houder van de
concessie er in ieder geval zorg voor dat in woonkernen met meer dan
5000 inwoners binnen een straal van 5 km een dienstverleningspunt met
een volledig assortiment van diensten aanwezig is. Daarenboven zal,
indien het inwonertal 50,000 overschrijdt, per elk 50,000 inwonertal een
(extra) dienstverleningspunt met een volledig assortiment van diensten
aanwezig moeten zijn. Onder woonkernen dient te worden verstaan een
aaneengesloten bebouwing binnen één gemeente.
2.12 Buiten bovenvermelde woonkernen draagt de houder van de
concessie bij de in 2.10 genoemde aanpassing zorg voor een zoveel
mogelijk vergelijkbaar niveau van aanwezigheid van
dienstverleningspunten.
Indien een dergelijk niveau redelijkerwijs niet haalbaar is dient de
houder van de concessie zorgte dragen voor een vervangende vorm van
dienstverlening.
2.13 In woonkernen met meer dan 5000 inwoners zal binnen een
straal van 500 m een brievenbus zijn om daartoe geschikte postzendingen
ten vervoer aan te bieden.
2.14 Buiten bovengenoemde woonkernen zal, behoudens het in 2.15
gestelde, ten minste binnen een straal van 2500 m een brievenbus zijn om
daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.15 Indien het in 2.14 gestelde redelijkerwijs niet haalbaar is,
draagt de houder van de concessie er zorg voor dat bij de bestelling
gelegenheid wordt geboden om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer
aan te bieden.
2.16 De houder van de concessie dient de brievenbussen bestemd
voor het aanbieden van daartoe geschikte postzendingen in goede staat te
houden en zodanig te plaatsen en uit te voeren, dat deze goed herkenbaar
en bereikbaar zijn.
2.17 Tenzij bijzondere omstandigheden hem zulks verhinderen, zal
de houder van de concessie ten minste zes dagen per week, met
uitzondering van de feestdagen: eerste kerstdag, eerste paasdag,
Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag alsmede Koninginnedag, eenmaal per
dag overal in Nederland postzendingen ophalen uit de voor het publiek
bestemde brievenbussen dan wel uit andere daartoe bestemde inrichtingen
en op alle dagen, niet zijnde zon- of feestdagen, overal in Nederland
één postbestelling uitvoeren.
2.18 De houder van de concessie zorgt ervoor dat brieven, die
overeenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden aangeboden
voor postvervoer binnen Nederland met de standaard overnight service,
per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen worden
besteld op de dag, niet zijnde een zon- of officiële feestdag, volgende
op de dag van aanbieding.
2.19 1. De houder van de concessie voldoet aan de in onderdeel
2.18 omschreven norm voor de kwaliteit van de bestelling van postvervoer
van brieven binnen Nederland met de standaard overnight service, indien
de kwaliteit van de bestelling van die brieven per kalenderjaar gemeten
over:
a. losse brieven, gefrankeerd met een postzegel, die op voor het
algemene publiek bestemde aanbiedingspunten ten vervoer zijn
aangeboden en,
b. de partijenpost brieven tot en met 50 gram die op daartoe
bestemde aanbiedingspunten ten vervoer is aangeboden op grond van
afzonderlijke overeenkomsten als bedoel in onderdeel 5.2, een, naar de
onderlinge verhouding in stuksvolume van die verkeersstromen, over het
desbetreffende kalenderjaar berekend, gewogen gemiddelde van ten
minste 95% heeft.
2. In een jaarlijks door de houder van de concessie aan te wijzen, en
voor 1 november aan het college bekend te maken, aaneengesloten
periode van ten hoogste 21 dagen in de maand december wordt de meting
van de overkomstduur van de brieven, bedoeld in het eerste lid onder a,
uitsluitend verricht over losse brieven die op de voor het algemene
publiek bestemde dienstverleningspunten, bedoeld in onderdeel 2.9, zijn
aangeboden.
3. De houder van de concessie is verplicht de vorenbedoelde metingen
van de kwaliteit van de bestelling per kalenderjaar over elke maand te
laten uitvoeren door een onafhankelijke en daartoe deskundige
instelling.
4. De houder van de concessie kondigt de periode, bedoeld in het
tweede lid, op genoegzame wijze aan het publiek aan.
5. De houder van de concessie is verplicht in de periode, bedoeld in
het tweede lid, op de desbetreffende dienstverleningspunten voldoende
gelegenheid te bieden aan het publiek voor het aanbieden van brieven.
2.20 De houder van de concessie legt de algehele uitkomsten van
die onderzoeken over het desbetreffende kalenderjaar, voorzien van een
motivering en vergezeld van een nauwkeurige omschrijving van de door de
betrokken instelling toegepaste meetsystematiek, voor 1 april van het
daarop volgend jaar aan het college over.
Het college controleert aan de hand van de aan hem overgelegde
gegevens de uitvoering door de houder van de concessie van de onderdelen
2.18 en de deugdelijkheid van de ter uitvoering van 2.19 verrichte
metingen.
Het college maakt elk jaar zijn bevindingen van die controle bekend.
2.21 De houder van de concessie voldoet in het kader van het
postvervoer ten aanzien van brieven en drukwerken van en naar een andere
lidstaat van de Europese Unie of van en naar andere staten die partij
zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte aan de
kwaliteitsnorm die in de bijlage van de richtlijn aan de overkomstduur
wordt gesteld.
2.22 De houder van de concessie voldoet aan de in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen geplaatste technische
normen, bedoeld in artikel 20 van de richtlijn, voorzover de normen
betrekking hebben op de dienstverlening, bedoeld in onderdeel 2.2.,
behoudens dat de houder van de concessie aan het college kan verzoeken
een norm dan wel een onderdeel daarvan geen toepassing te geven, wanneer
zulks naar het oordeel van de houder van de concessie noodzakelijk
blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer.
Het college beslist binnen een maand of het instemt met het verzoek.
Wanneer zulks noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers
van het postvervoer, geeft de houder van de concessie aan de toe te
passen normen bekendheid door middel van een verwijzing in de algemene
voorwaarden naar die normen en naar de vindplaats daarvan in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
§ 2a. Postvestigingenplan
2a.1 1. In het geval, genoemd in onderdeel 2.10, tweede lid,
stelt de houder van de concessie een postvestigingenplan op voor de
opzet van het in stand te houden net van dienstverleningspunten, die
hij gebruikt voor het verlenen van diensten met betrekking tot het
postvervoer.
2. Het postvestigingenplan bevat ten minste:
a. de looptijd van het plan;
b. de aantallen dienstverleningspunten, zonodig onderscheiden naar
soort, gedurende de looptijd van het plan en aan het einde van de
looptijd;
c. de onderscheiden assortimenten van postale diensten voor elke
soort van dienstverleningspunten.
3. De in een postvestigingenplan opgenomen aantallen en assortimenten
kunnen afwijken van de onderdelen 2.9 tot en met 2.11.
2a.2 1. De uitvoering van een postvestigingenplan behoeft de
instemming van de Minister.
2. De Minister zendt het postvestigingenplan, tezamen met het
ontwerpbesluit tot wijziging van dit besluit, ter kennisneming aan beide
Kamers der Staten-Generaal.
3. De Minister zendt een afschrift van de in het tweede lid bedoelde
stukken aan het college ter kennisneming.
§ 3. Geheimhouding
3.1 De houder van de concessie draagt er zorg voor, dat bij de
bedrijfsvoering met betrekking tot het postvervoer het grondwettelijk
briefgeheim wordt nageleefd. Opening van gesloten postzendingen als
bedoeld in artikel 10 van de wet dient te geschieden door een daartoe
door of namens de houder van de concessie uitdrukkelijk aangewezen
personeelslid.
3.2 De houder van de concessie draagt er zorg voor dat bij de
bedrijfsvoering met betrekking tot het postvervoer de wettelijke
regelingen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in acht
worden genomen en is, indien dat voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer noodzakelijk blijkt, verplicht verdergaande waarborgen te
stellen aangaande het door hem verzorgen en beheren van informatie
omtrent de gebruikers van een dienst.
3.3 De houder van de concessie is verplicht in de
arbeidsvoorwaarden voor zijn personeel bepalingen op te nemen ter
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers, inclusief
het geheim houden van informatie over hun postverkeer.
Voorzover derden zijn betrokken bij de uitvoering van de
dienstverlening ter zake van het postvervoer dient de houder van de
concessie ervoor zorg te dragen dat ten aanzien van die derden en hun
personeel overeenkomstige bepalingen worden gesteld.
§ 4. Algemene voorwaarden
4.1 De houder van de concessie is verplicht om ten behoeve van
het postvervoer voor een ieder en overal in Nederland geldende
algemene voorwaarden vast te stellen, die in overeenstemming zijn met
de bepalingen van dit besluit.
4.2 Deze algemene voorwaarden zullen slechts worden gewijzigd na
overleg met het Overlegorgaan PTT als bedoeld in § 8.
4.3 De algemene voorwaarden dienen, naast een duidelijke
beschrijving van de soorten vervoersdiensten, ten minste regelingen te
bevatten met betrekking tot tarieven en nadere bepalingen ten aanzien
van aansprakelijkheden en weigeringsgronden.
4.4 De algemene voorwaarden zullen op genoegzame wijze worden
bekend gemaakt. Deze zullen ten minste ter inzage liggen op de
dienstverleningspunten van de houder van de concessie.
§ 5. Tarieven
5.1 Ter zake van de tarieven die de houder van de concessie
vaststelt voor het postvervoer binnen Nederland, gelden de volgende
uitgangspunten:
a. in de tarieven voor de te onderscheiden categorieën van
activiteiten, die zijn aangegeven in onderdeel 6.2, onder a en b, zijn
tenminste de kosten verwerkt die overeenkomstig het
toerekeningssysteem bedoeld in onderdeel 6.3, onder a, worden
toegerekend aan de desbetreffende categorie;
b. de tarieven zijn transparant en niet discriminerend;
c. de tarieven zijn uniform, en
d. de tarieven zijn gepubliceerd door middel van tenminste
terinzagelegging bij de dienstverleningspunten.
5.2 Onverminderd artikel 5.1, onder a en b, kan de houder van de
concessie bij het vaststellen van de tarieven met betrekking tot het
postvervoer binnen Nederland van brieven waarvoor de concessie bedoeld
in artikel 2a van de wet is verleend, door middel van afzonderlijke
overeenkomsten afwijken van het vereiste van uniformiteit in onderdeel
5.1, onder c. Voor afzonderlijke overeenkomsten geldt niet het
publicatievereiste bedoeld in onderdeel 5.1, onder d, behoudens dat de
houder van de concessie de gevallen bekend maakt waarin het aangaan van
zodanige afzonderlijke overeenkomsten mogelijk is.
5.2a De tarieven en voorwaarden die bij de afzonderlijke
overeenkomsten, bedoeld in onderdeel 5.2, worden overeengekomen voldoen
aan de volgende eisen:
a. in de tarieven wordt rekening gehouden met vermeden kosten in
vergelijking met de standaarddienst die de gehele reeks prestaties
bestrijkt die worden aangeboden op het gebied van ophalen, sorteren,
vervoeren en bestellen van afzonderlijke poststukken;
b. zij worden op dezelfde wijze toegepast tussen derden en de
houder van de concessie voor zover het gelijkwaardige diensten
betreft.
5.3 Onverminderd de akten van de Wereldpostunie is onderdeel 5.1
van overeenkomstige toepassing op de tarieven die de houder van de
concessie vaststelt voor het postvervoer naar gebieden buiten Nederland
met dien verstande dat:
a. het vereiste van uniformiteit in onderdeel 5.1, onder c, alleen
geldt voor een land of een groep van landen;
b. door middel van afzonderlijke overeenkomsten kan worden
afgeweken van het vereiste van uniformiteit als hiervoor bedoeld onder
a. Het publicatievereiste bedoeld in onderdeel 5.1, onder d, geldt
niet voor die afzonderlijke overeenkomsten behoudens dat de houder van
de concessie de gevallen bekendmaakt waarin het aangaan van zodanige
afzonderlijke overeenkomsten mogelijk is.
5.4 Ten aanzien van tariefwijzigingen gelden de volgende
richtlijnen:
a. de houder van de concessie is verplicht tariefwijzigingen te
limiteren voor:
1º. het nagenoeg totale pakket van diensten die in het kader van
de concessie worden geleverd;
2º. een pakket van diensten dat representatief kan worden geacht
voor de particuliere en klein zakelijk gebruiker;
b. de onder a, 1° en 2°, genoemde pakketten en de bijbehorende
rekenregels worden nader omschreven in de bijlage, behorende bij dit
besluit;
c. de gewogen tariefontwikkeling zoals gedefinieerd in de formule
opgenomen in onderdeel 2.1 van de bijlage, behorende bij dit besluit,
met betrekking tot de onder a, 1° en 2°, genoemde pakketten dient
vanaf het basisjaar structureel beneden de ontwikkeling van de
loonsom, gecorrigeerd voor de arbeidsduur, vanaf het basisjaar te
liggen. Of de gewogen tariefontwikkeling hieraan voldoet, wordt
vastgesteld met de formule opgenomen in onderdeel 2.1 van de bijlage,
behorende bij dit besluit;
d. Voor de jaren 2000 tot en met 2007 geldt 1999 als basisjaar voor
de gewogen tariefontwikkeling van de onder a, onderdelen 1° en 2°,
genoemde pakketten (1 januari 1999 = 100). Voor de jaren 2000 tot en
met 2007 geldt 1999 als basisjaar voor de ontwikkeling van de loonsom,
gecorrigeerd voor de arbeidsduur (1 januari 1999 = 100).
e. bij het bepalen van de hoogte van een tariefwijziging betrekt de
houder van de concessie de ontwikkeling van de loonsom, gecorrigeerd
voor de arbeidsduur, voor het gehele jaar, waarin de tariefwijziging
van kracht wordt;
f. de houder van de concessie stelt het college ten minste één
maand voor de algemene bekendmaking schriftelijk in kennis van een
voorgenomen tariefwijziging;
g. ter zake van de in de bijlage omschreven diensten wordt bij een
kennisgeving bedoeld onder f, door de externe accountant van de houder
van de concessie geverifieerde, informatie verstrekt waaruit blijkt
dat de wijziging in overeenstemming is met het onder c, d en e
bepaalde. De houder van de concessie gaat met betrekking tot bedoelde
diensten niet over tot invoering van de voorgenomen tariefwijziging
indien het college hem binnen 3 weken na de ontvangst van het
voornemen heeft bericht van oordeel te zijn dat de wijziging niet in
overeenstemming is met het in c, d en e bepaalde, en dat binnen één
maand na deze mededeling uitvoering gegeven zal worden aan artikel 15
van de wet.
§ 6. Financiële aspecten
6.1 De kosten van het postvervoer ten aanzien van postzendingen
die in hoofdzaak tekst bevatten, uitgevoerd in voor blinden bestemde
tekens, zoals die naar aard en omvang op het moment van het van kracht
worden van deze algemene richtlijnen worden verricht, zijn voor
rekening van de houder van de concessie.
6.2 De houder van de concessie stelt een financiële
verantwoording voor de activiteiten ter uitvoering van het postvervoer
op, die is uitgesplitst over:
a. activiteiten van voorbehouden postvervoer bedoeld in artikel 2a
van de wet, en
b. overige activiteiten van postvervoer, en die is gescheiden van
zijn andere activiteiten.
Ter toetsing of aan vorenstaande richtlijn is voldaan, legt de houder
van de concessie jaarlijks een verklaring van een onafhankelijke, door
het college aan te wijzen, accountant voor aan het college.
6.3 Ter uitvoering van onderdeel 6.2. gelden de volgende
richtlijnen:
a. de houder van de concessie stelt een toerekeningssysteem voor
kosten en opbrengsten vast, dat voldoet aan artikel 14, derde lid, van
de richtlijn en dat, in overeenstemming daarmee, beantwoordt aan de
beginselen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit;
b. het in onderdeel a bedoelde toerekeningssysteem behoeft de
goedkeuring van het college, dat daaraan voorschriften kan verbinden;
c. de houder van de concessie legt jaarlijks aan het college een
verklaring over van de in onderdeel 6.2 bedoelde accountant over de
toepassing van het met goedkeuring van het college tot stand gekomen
toerekeningssysteem; van vorenbedoelde verklaring doet het college
mededeling in de Staatscourant.
§ 7. Informatieverstrekking
7.1 De houder van de concessie is verplicht jaarlijks het
college te rapporteren over de mate waarin is voldaan aan de wet en
deze algemene richtlijnen. Daartoe wordt informatie verstrekt over:
a. de aard, de omvang en de kwaliteit van de dienstverlening
blijkend uit:
1º. een overzicht van de aantallen in het binnenland vervoerde
postzendingen per soort, waarvan de omzet meer dan 5% bedraagt van
de totale binnenlandse omzet in geld;
2º. informatie over het vervoer van postzendingen naar en van
het buitenland;
3º. een overzicht van de aantallen brievenbussen;
4º. een overzicht van de ontwikkeling van het aantal
afgiftepunten in Nederland;
b. het aantal geschillen en de aard daarvan dat is voorgelegd aan
de commissie als bedoeld in § 9, alsmede over de afdoening daarvan;
c. de gewogen tariefontwikkeling van de in 5.4, onder a, 1° en
2°, genoemde pakketten en de ontwikkeling van de loonsom,
gecorrigeerd voor de arbeidsduur, bedoeld in 5.4;
d. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de richtlijnen in §
3, blijkend uit:
1. een opgave van het aantal gevallen waarin met machtiging van
de kantonrechter te 's-Gravenhage overgegaan is tot het openen van
onbestelbare postzendingen;
2. informatie over de wijze waarop bij de bedrijfsvoering zorg
wordt gedragen voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer van
de gebruikers van diensten;
3. een overzicht van de gevallen, waarin sprake is geweest van
overtreding van de bepalingen in de arbeidsovereenkomst ter zake van
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van
diensten.
7.2 De houder van de concessie legt desgevraagd zijn
meerjarenbeleid met betrekking tot de dienstverlening ter zake van het
postvervoer voor aan de Minister.
7.3 De houder van de concessie geeft jaarlijks informatie aan het
college over het behaalde rendement en de behaalde financiële
resultaten uit het postvervoer te onderscheiden naar de categorieën van
activiteiten aangegeven in onderdeel 6.2, onder a en b, zoals deze zijn
opgenomen in een overzicht van de omzet en de lasten in enig jaar aan de
hand waarvan het netto resultaat van de activiteiten kan worden
vastgesteld. Een afschrift van de in de vorige volzin bedoelde
informatie wordt door de houder van de concessie aan de minister
verstrekt.
7.4 De houder van de concessie is verplicht op verzoek van de
Minister die financiële informatie met betrekking tot het
tariefbeheersingssysteem te verstrekken die deze nodig heeft voor de
evaluatie als bedoeld in artikel 5, tiende lid, van de wet.
7.5 De houder van de concessie zal aan het college een verklaring
van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen, accountant
voorleggen over de juistheid en volledigheid van de onder 7.1 en 7.3
genoemde op te leveren gegevens.
7.6 Op basis van de rapportage als bedoeld in § 7, onderdelen
7.1 tot en met 7.5, waarbij voor de eerste maal toepassing is gegeven
aan de wijzigingen die dit besluit aanbrengt in het Besluit algemene
richtlijnen post, evalueert de minister de resultaten van het
tariefbeheersingssysteem, bedoeld in onderdeel 5.4, en toetst deze
resultaten aan de vereisten van artikel 12 van de richtlijn.
7.7 1. De ingevolge onderdeel 6.2 aangewezen onafhankelijke
accountant verricht de in dit besluit omschreven taken ter controle op
de verplichtingen die zijn opgenomen in § 2 en § 2a.
2. De houder van de concessie legt jaarlijks een verklaring van de in
het eerste lid bedoelde accountant over de uitvoering van de
verplichtingen inzake de uitvoering van het postvervoer voor aan het
college.
7.8 Indien de in onderdeel 6.2 bedoelde onafhankelijke accountant
tevens de onafhankelijke accountant is die de in Boek 2, Titel 9, van
het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven accountantscontrole verricht met
betrekking tot de jaarrekening en het jaarverslag van de vennootschap
die de houder van de concessie is, kan het college een andere
onafhankelijke accountant aanwijzen voor het verrichten van een
vakgenootschappelijke toetsing van de uitvoering van de in de onderdelen
6.2, 6.3, 7.5 en 7.7 bedoelde controletaken door de in onderdeel 7.7,
eerste lid, bedoelde onafhankelijke accountant.
7.9 De accountants bedoeld in onderdeel 7.7 en onderdeel 7.8 zijn
registeraccountant.
7.10 1. De andere accountant, bedoeld in onderdeel 7.8, deelt als
resultaat van zijn vakgenootschappelijke toetsing aan het college mede
of de verklaringen, die de accountant, bedoeld in onderdeel 7.7, eerste
lid, als resultaat van de uitvoering van de in de onderdelen 6.2, 6.3,
7.5 en 7.7 omschreven controletaken aan de houder van de concessie heeft
afgegeven, op een voldoende deugdelijke grondslag berusten.
2. Het college zendt een afschrift van de verklaring, bedoeld in het
eerste lid naar de Minister, die daarvan zo nodig mededeling doet aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal.
7.11 Indien de in onderdeel 7.10 bedoelde mededeling van de in
onderdeel 7.8 bedoelde andere accountant inhoudt dat naar zijn
beoordeling de desbetreffende verklaring van de in onderdeel 7.7
bedoelde accountant niet of niet geheel op een voldoende deugdelijke
grondslag berust, geeft hij in zijn mededeling aan het college de
zakelijke gronden aan waarop zijn beoordeling berust, zonder dat hij
daarbij melding maakt van of in bijzonderheden treedt over de inhoud van
de controledossiers van de in onderdeel 7.7 bedoelde accountant, waarin
hij ter uitvoering van zijn vakgenootschappelijke toetsing bedoeld in
onderdeel 7.8 inzage heeft gehad.
7.12 De in onderdeel 7.10 bedoelde mededeling wordt gedaan binnen
zes maanden na de datum waarop een in dat onderdeel bedoelde verklaring
van de in onderdeel 7.7 bedoelde accountant door de houder van de
concessie aan het college ter kennis is gebracht.
§ 8. Overleg
8.1 De houder van de concessie is verplicht het Overlegorgaan
PTT in te stellen, waarbij de Raad van Bestuur van de houder van de
concessie als gesprekspartner optreedt. De houder van de concessie
draagt zorg voor de opstelling van een reglement, regelende doel en
middelen, samenstelling, werkwijze en publiciteit. De samenstelling
zal zodanig dienen te zijn dat een representatieve vertegenwoordiging
wordt verkregen van gebruikers van de postale dienstverlening.
Voorts zal een vertegenwoordiging uit de kring van regionale
overlegorganen zitting krijgen. De leden worden benoemd door het
Overlegorgaan. Bij de instelling van het orgaan zal benoeming van de
leden geschieden door de minister. De houder van de concessie is
verplicht dit overleg ten minste twee maal per jaar te voeren.
8.2 In dit orgaan zullen die aangelegenheden worden besproken die
betrekking hebben op de wijze van uitvoering van de bij deze concessie
voorbehouden en opgedragen activiteiten voorzover deze van algemene aard
en van ‘landelijke’ strekking zijn.
§ 9. Geschillen
Voor geschillen over de toepassing en de uitleg van de algemene
voorwaarden is de houder van de concessie verplicht er voor zorg te
dragen dat, ten behoeve van contractanten die uitsluitend of
hoofdzakelijk anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf
handelen, een geschillencommissie wordt ingesteld.
§ 10. Diversen
10.1 De houder van de concessie houdt zoveel mogelijk rekening
met internationale, met name Europese, standaarden, normen en
afspraken, en past deze waar mogelijk toe. Ten aanzien van nieuwe
internationale afspraken ter zake verschaft de houder van de concessie
tijdig goede voorlichting aan gebruikers en leveranciers.
10.2 De houder van de concessie is verplicht de overheid
desgevraagd te ondersteunen op beleidsvoorbereidend en technisch gebied.
De hiermede samenhangende kosten worden vergoed.
10.3 Een wijziging van artikel 14, derde lid, de bijlage bedoeld
in artikel 18, of artikel 20 van de richtlijn gaat voor de toepassing
van de onderdelen 6.3, 2.20 en 2.21 van dit besluit en geldt met ingang
van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet
zijn gegeven.
10.4 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene
richtlijnen post.
's-Gravenhage, 16 december 1988.
De Minister voornoemd,
N. Smit-Kroes.