| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Telecommunicatiewet
BESLUIT
VERGOEDINGEN TELECOMMUNICATIEWET
Tekst zoals deze geldt op
27 februari 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 12 maart 1999, houdende regels inzake de
in het kader van de Telecommunicatiewet in rekening te brengen
vergoedingen (Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 18
november 1998, nr. HDTP/98/3612/CG, Hoofddirectie Telecommunicatie en
Post;
Gelet op hoofdstuk 3 en de artikelen 16.1,
eerste, vierde en vijfde lid, en 20.17 van de Telecommunicatiewet,
alsmede artikel 13a, vierde lid, van de Postwet;
De Raad van State gehoord (advies van 29
januari 1999, nr. W09.98.0533);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 8 maart 1999, nr. DGTP/99/233/CG,
Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Telecommunicatiewet;
b. vergoeding: vergoeding, bedoeld in artikel 16.1 van de wet;
c. aanbieder: onderneming die openbare elektronische
communicatiediensten, openbare elektronische communicatienetwerken
of bijbehorende faciliteiten aanbiedt;
d. omzet: omzet die een aanbieder realiseert uit het in Nederland
leveren van openbare elektronische communicatiediensten, openbare
elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten en
die wordt berekend overeenkomstig artikel 5b.
Artikel 2
1. De vergoeding dient ter dekking van de kosten van de
werkzaamheden of diensten die ingevolge het bepaalde bij of krachtens
de wet door Onze Minister of het college worden verricht.
2. De vergoeding bestaat uit:
a. een bedrag dat verband houdt met de kosten van het verrichten
van werkzaamheden of diensten in het kader van de aan Onze Minister of
het college bij of krachtens de wet opgedragen uitvoeringstaak; of
b. een bedrag dat verband houdt met de kosten van het verrichten
van werkzaamheden of diensten in het kader van de aan Onze Minister of
het college bij of krachtens de wet opgedragen toezichthoudende taak;
of
c. een jaarlijkse bijdrage als bedoeld in artikel 16.1, vierde of
vijfde lid, van de wet.
3. De vergoeding wordt per kalenderjaar vastgesteld.
4. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt eenmaal
in rekening gebracht.
5. Het bedrag en de jaarlijkse bijdrage, bedoeld in het tweede
lid, onder b en c, zijn per kalenderjaar verschuldigd en worden eens per
kalenderjaar in rekening gebracht.
Artikel 3
1. Ter zake van de kosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
gelden als uitgangspunten dat:
a. deze kosten worden geraamd voor het kalenderjaar waarvoor de
vergoeding geldt;
b. de directe kosten rechtstreeks worden toegerekend aan
categorieën van gelijksoortige werkzaamheden of diensten;
c. de indirecte kosten worden toegerekend aan categorieën van
gelijksoortige werkzaamheden of diensten naar rato van hun beslag op
de onderscheiden werkzaamheden of diensten;
d. deze kosten op bedrijfseconomische wijze worden berekend door
middel van een door Onze Minister onderscheidenlijk het college toe te
passen kostencalculatiemodel dat zodanig is ingericht dat daaruit op
elk moment op eenduidige en inzichtelijke wijze de kosten van de
desbetreffende categorieën van gelijksoortige werkzaamheden of
diensten kunnen worden afgeleid.
2. Onze Minister en het college maken het kostencalculatiemodel,
bedoeld in het eerste lid, onder d, bekend op een door Onze Minister te
bepalen wijze.
3. Voorzover de kosten bestaan uit afschrijvingskosten, worden
deze kosten door middel van evenredige afschrijving op de
aanschafwaarden van de investeringsgoederen per kalenderjaar geraamd op
basis van de economische levensduur.
Artikel 4
1. Categorieën als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b
en c, zijn, voorzover het betreft werkzaamheden of diensten van Onze
Minister, werkzaamheden of diensten met betrekking tot:
a. het gebruik van frequentieruimte, bedoeld in § 3.2
van de wet, voor:
1°. vaste verbindingen,
2°. mobiele communicatie,
3°. mobiele openbare telefonie en semafonie,
4°. radiodeterminatie,
5°. radiozendamateurs,
6°. omroep.
b. randapparaten en radiozendapparaten en overige apparaten als
bedoeld in hoofdstuk 10 van de wet,
c. de aanwijzing van certificatie-organisaties als bedoeld in artikel
18.16, van de wet,
d. de aanwijzing van instellingen als bedoeld in artikel 18.17,
tweede lid, van de wet.
2. Categorieën als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b en
c, zijn, voor zover het betreft werkzaamheden of diensten van het
college, werkzaamheden of diensten met betrekking tot:
a. nummers;
b. diensten van certificatiedienstverleners;
c. openbare elektronische communicatiediensten en openbare
elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen per categorie, bedoeld in
het eerste en tweede lid, subcategorieën van gelijksoortige
werkzaamheden of diensten worden vastgesteld en kunnen andere
categorieën van gelijksoortige werkzaamheden of diensten worden
vastgesteld.
Artikel 5
1. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding
per categorie of per subcategorie van gelijksoortige werkzaamheden of
diensten vastgesteld:
a. op basis van de geraamde kosten die per categorie of per
subcategorie zijn toegerekend als bedoeld in artikel 4; en
b. naar rato van de verdeelsleutel die is bepaald in artikel 5a,
eerste lid, onderscheidenlijk naar rato van de verdeelsleutel die per
categorie of per subcategorie wordt vastgesteld bij ministeriële
regeling.
2. Bij de regeling worden de bedragen en de jaarlijkse bijdrage,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a tot en met c, afzonderlijk
vastgesteld.
Artikel 5a
1. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding ter zake
van het toezicht door het college ten aanzien van openbare
elektronische communicatiediensten, openbare elektronische
communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten worden de volgende
verdeelsleutels gebruikt:
a. voor de vergoeding die verschuldigd is door aanbieders wier
omzet meer bedraagt dan een bij ministeriële regeling te bepalen
grensbedrag: de formule
b. voor de vergoeding die verschuldigd is door aanbieders wier
omzet ten hoogste het in onderdeel a bedoelde grensbedrag bedraagt:
de formule

waarbij
* A voorstelt: de omzet van de aanbieder wiens omzet meer bedraagt
dan het grensbedrag;
* B voorstelt: het totaal van de omzetten A;
* C voorstelt: het bedrag dat wordt berekend door
vermenigvuldiging van het aantal aanbieders waarvan de omzet ten
hoogste het grensbedrag en ten minste een bij ministeriële
regeling te bepalen minimum bedraagt, met de helft van de som van
dit minimum en het grensbedrag;
n voorstelt: het aantal aanbieders waarvan de omzet ten hoogste
het grensbedrag en ten minste een bij ministeriële regeling te
bepalen minimum bedraagt.
2. De hoogte van de vergoeding wordt op nihil gesteld indien de
aanbieder aan het college een onderbouwde opgave over zijn omzet heeft
gedaan op grond waarvan naar het oordeel van het college aannemelijk
is dat de omzet minder bedraagt dan het in het eerste lid bedoelde
minimum.
Artikel 5b
1. De berekening van de omzet geschiedt op de voet van het
bepaalde in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek voor de netto-omzet.
2. Indien een aanbieder behoort tot een groep van ondernemingen
als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek worden
voor de berekening van de omzet van die aanbieder de omzetten van alle
tot die groep behorende ondernemingen opgeteld. Bij deze berekening
worden transacties tussen de tot die groep behorende ondernemingen
buiten beschouwing gelaten.
3. Indien een aanbieder door het college is geregistreerd op
grond van artikel 2.1, vierde lid, van de wet in verband met het
verrichten van activiteiten die voorheen werden verricht door één of
meer andere aanbieders waarvan de registratie is beëindigd, vindt de
berekening van de omzet plaats met inachtneming van de omzet van die
aanbieder of aanbieders overeenkomstig bij ministeriële regeling te
stellen regels.
4. Voor gevallen waarin berekening van de omzet niet mogelijk is
omdat de desbetreffende activiteiten zijn verweven met andere
activiteiten, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat bij de
berekening nader vermelde opbrengsten geheel of gedeeltelijk buiten
beschouwing kunnen blijven.
Artikel 5c
1. Bij de toepassing van de verdeelsleutels, bedoeld in artikel
5a, eerste lid, wordt uitgegaan van de omzet die is gerealiseerd in
het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar
waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld.
2. Een aanbieder als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, onder a,
verstrekt jaarlijks vóór 1 september het college een opgave van de
omzet die is gerealiseerd in het voorafgaande kalenderjaar, onder
bijvoeging van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat de opgave
voldoet aan het eerste lid en aan de artikelen 5a en 5b.
3. De aanbieder kan voor de in het tweede lid bedoelde opgave
volstaan met een opgave van de netto-omzet die op grond van artikel 377,
derde lid, onder a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is vermeld in
de jaarrekening, onder bijvoeging van een kopie van de jaarrekening en
van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. Op verzoek van het college verstrekt een aanbieder als bedoeld
in artikel 5a, eerste lid, onder b, een opgave van de omzet die is
gerealiseerd in het voorafgaande kalenderjaar, onder bijvoeging van een
verklaring als bedoeld in het tweede lid. Het derde lid is van
overeenkomstige toepassing.
5. Indien de aanbieder aan de in het tweede of vierde lid
bedoelde verplichting niet tijdig heeft voldaan of een kennelijk
onjuiste of onvolledige opgave heeft gedaan en dit verzuim niet heeft
hersteld na daartoe door het college in de gelegenheid te zijn gesteld,
kan het college een schatting doen van zijn omzet en op basis daarvan de
vergoeding voor de aanbieder vaststellen.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over de opgave van de omzet door de aanbieder en over de verklaring van
de accountant.
Artikel 6
Onverminderd artikel 2, eerste tot en met derde lid, kan in afwijking
van de artikelen 2, vierde en vijfde lid, 3, 4 en 5, bij ministeriële
regeling een vergoeding worden vastgesteld, voorzover noodzakelijk ter
dekking van onvoorziene kosten van werkzaamheden of diensten als bedoeld
in artikel 2, eerste lid.
Artikel 7
Tenzij bij ministeriële regeling anders wordt bepaald, wordt de
vergoeding door degene die de vergoeding is verschuldigd, bij
vooruitbetaling voldaan.
Artikel 8
De vergoeding wordt voldaan binnen een termijn van dertig dagen na
dagtekening van het verzoek tot betaling.
Artikel 9
De vergoeding wordt ingevorderd overeenkomstig de regels van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 10
1. Degene die het college verzoekt een geschil als bedoeld in
artikel 12.9 van de wet te beslechten, is ter bestrijding van de
kosten aan het college een vergoeding verschuldigd van € 133,00.
2. De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, kan
bij ministeriële regeling worden gewijzigd voorzover de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
3. Het college wijst de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, op
het verschuldigd zijn van het bedrag en deelt hem mee dat het
verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dagtekening van zijn
mededeling moet zijn betaald. Indien het bedrag niet binnen deze termijn
is betaald, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen, tenzij
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is
geweest.
4. De artikelen 2 tot en met 9 zijn niet van toepassing op de in
dit artikel bedoelde vergoeding.
Artikel 11
[Wijzigt het Besluit vergoedingen OPTA.]
Artikel 12
1. [Wijzigt de Wet op de telecommunicatievoorzieningen]
2. [Wijzigt de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur]
3. [Wijzigt het Besluit radio-elektrische inrichtingen]
4. [Wijzigt het Besluit elektromagnetische compatibiliteit]
5. [Wijzigt het Besluit randapparatuur en apparatuur voor
satellietgrondstations]
6. [Wijzigt het Besluit aanvraagprocedure nummers]
7. [Wijzigt het Besluit vergunningen mobiele telecommunicatie]
8. [Wijzigt het Besluit kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur]
9. [Wijzigt van het Besluit draadomroep- en kabelinrichtingen]
Artikel 13
[Wijzigt het Besluit ONP-geschillenbeslechting]
Artikel 14
[Wijzigt het Frequentiebesluit]
Artikel 15
Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de Regeling
vergoedingen RDR 1999 en de Regeling vergoedingen OPTA 1999 I op de
artikelen 4, 5, 6 en 7 van dit besluit.
Artikel 16
1. Indien de verplichtingen van een aanbieder die verbonden
zijn aan een aanwijzing op grond van de artikelen 6.4 of 7.2 van de
wet zoals die luidden voor de inwerkingtreding van de Wet
implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische
communicatiesector 2002, gedurende het kalenderjaar maar vóór 15
november komen te vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van
besluiten als bedoeld in artikel 19.4 van de wet, en indien de
aanbieder voor dat jaar een vergoeding had betaald voor het toezicht
op deze verplichtingen, vindt naar rato compensatie plaats voor de
periode vanaf het tijdstip dat de aan de aanwijzing verbonden
verplichtingen vervallen tot en met 31 december van het desbetreffende
jaar.
2. Indien de omstandigheden die zijn bedoeld in het eerste lid,
zich voordoen en indien het college op grond van de artikelen 6a.2,
6a.16, eerste lid of 6a.18, eerste lid, van de wet een besluit neemt om
verplichtingen op te leggen aan één of meer aanbieders met een
aanmerkelijke marktmacht onderscheidenlijk om één of meer aanbieders
aan te wijzen als aanbieder met een aanmerkelijke marktmacht, wordt bij
ministeriële regeling een vergoeding vastgesteld voor de werkzaamheden
of diensten die het college verricht in het kader van het toezicht ten
aanzien van deze aanbieder of aanbieders, die slechts betrekking heeft
op de periode vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de regeling
tot en met 31 december van het desbetreffende jaar.
3. Het college stelt ten aanzien van de in het eerste lid
bedoelde aanbieder het bedrag van de compensatie vast. Indien de
aanbieder op grond van het tweede lid een vergoeding is verschuldigd,
kan het college het compensatiebedrag verrekenen met deze vergoeding.
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1999.
Artikel 18
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergoedingen
Telecommunicatiewet.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 12 maart 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.M. de Vries
Uitgegeven de vijfentwintigste maart 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|