|
De Minister en de
Staatssecretaris van Financiën;
Gelet op artikel 152, achtste en elfde lid, van
de Provinciewet (Stb. 1962, 17);
Besluiten:
Artikel 1
Deze beschikking verstaat onder opcenten: de in artikel 146, letter
a, van de Provinciewet bedoelde opcenten op de hoofdsom van de
motorrijtuigenbelasting.
Artikel 2
De opbrengst van de ten behoeve van een provincie geheven opcenten
wordt per kalendermaand aan die provincie uitgekeerd met inachtneming
van het bepaalde in de artikelen 3 en 4.
Artikel 3
1. Als opbrengst over een kalendermaand
wordt aangemerkt de zuivere opbrengst over die maand
2. De zuivere opbrengst over een kalendermaand is het verschil
tussen:
a. de som van de bedragen aan opcenten, die zijn begrepen in de in
die maand betaalde motorrijtuigenbelasting, en
b. de som van de bedragen aan opcenten, die zijn begrepen in de in
die maand terugbetaalde motorrijtuigenbelasting.
Artikel 4
De opbrengst over een kalendermaand wordt betaalbaar gesteld op de
vijfentwintigste dag van de daarop volgende kalendermaand. De Minister
van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het
bepaalde in de vorige volzin.
Artikel 5
1. Het bedrag van de ten laste van een
provincie komende kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden welke
de rijksbelastingdienst ten behoeve van de provincies verricht krachtens
artikel 152, derde lid, van de Provinciewet, wordt per kalenderjaar aan
die provincie in rekening gebracht.
2. Als de aan een kalenderjaar toe te rekenen kosten wordt
aangemerkt het evenredige deel van de aan de heffing en invordering van
de motorrijtuigenbelasting verbonden kosten, zoals die door de Minister
van Financiën voor dat jaar zijn vastgesteld.
3. Het in het eerste lid bedoelde kostenbedrag wordt verrekend
met de opbrengst die betaalbaar wordt gesteld in de maand september na
afloop van het kalenderjaar waarop dat kostenbedrag betrekking heeft.
Artikel 6
Vóór 1 september van elk jaar wordt aan de provincie een overzicht
gezonden van de opbrengsten en het in artikel 5 bedoelde kostenbedrag
over het voorgaande kalenderjaar.
Artikel 7
1. In afwijking in zoverre van het
bepaalde in artikel 3, tweede lid, wordt met betrekking tot de
berekening van de zuivere opbrengsten over de kalendermaanden maart tot
en met september 1981 geen rekening gehouden met in die maanden op
naheffingsaanslagen ontvangen motorrijtuigenbelasting.
Artikel 8
1. Deze beschikking treedt in werking met
ingang van de tweede dag na die van de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst.
2. Zij vindt toepassing met betrekking tot de tijdvakken die
aanvangen ná 31 maart 1981.
3. Zij kan worden aangehaald als: Eerste uitvoeringsbeschikking
provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting.
De Minister van Financiën,
A.P.J.M.M. van der Stee.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.J.J. van Amelsvoort.
|