| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Provinciewet (PW)
RECHTSPOSITIEBESLUIT
GEDEPUTEERDEN
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 22 maart 1994, houdende regels betreffende
de rechtspositie van gedeputeerden
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 14
september 1993, nr. BW93/U1933, directoraat-generaal Openbaar Bestuur,
gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
Gelet op de artikelen 43, eerste en tweede lid,
en 51, tweede lid, van de Provinciewet;
De Raad van State gehoord (advies van 8
februari 1994, nr. W04.93.0630.);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 18 maart 1994, nr. BW94/273,
directoraat-generaal Openbaar Bestuur, uitgebracht mede namens Onze
Minister van Binnenlandse Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. bezoldiging: de bezoldiging, bedoeld in artikel 3;
c. tijdstip van beëindiging van het ambt van gedeputeerde: het
tijdstip van aftreden, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de
Provinciewet, de dag van ingang van het ontslag, bedoeld in artikel
42, tweede lid, en artikel 46, eerste lid, van de Provinciewet, de
dag van ingang van het ontslag, bedoeld in artikel 49 van de
Provinciewet of de dag volgende op die van het overlijden;
d. voormalig gedeputeerde: de gedeputeerde die is afgetreden of
ontslagen of die het lidmaatschap van provinciale staten heeft
verloren, dan wel is overleden.
Artikel 2
Dit besluit is van overeenkomstige toepassing op de gedeputeerde die
ingevolge artikel 35a, derde en vierde lid, van de Provinciewet de
betrekking in deeltijd uitoefent, tenzij anders is bepaald.
Hoofdstuk 2. De bezoldiging
Artikel 3
De gedeputeerde geniet een bezoldiging per maand waarvan de hoogte
overeenkomt met het maximum van schaal 17 van bijlage B van het
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Artikel 4
1.De gedeputeerde geniet een vakantie-uitkering en een
eindejaarsuitkering overeenkomstig de bepalingen welke daaromtrent
voor het personeel in de sector Rijk zijn vastgesteld.
2.Indien aan het personeel in de sector Rijk een eenmalige
uitkering wordt toegekend, ontvangt de gedeputeerde een uitkering op
gelijke voet.
3.De gedeputeerde die ingevolge artikel 35, tweede lid, van de
Provinciewet de betrekking in deeltijd uitoefent, ontvangt de
bezoldiging, bedoeld in artikel 3, naar evenredigheid met de
vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35, vierde lid,
van de Provinciewet.
Artikel 5
1. De bezoldiging wordt door de gedeputeerde genoten met ingang van
de dag van de benoeming.
2. De bezoldiging eindigt op het tijdstip van beëindiging van het
ambt van gedeputeerde.
Artikel 5a
Indien een gedeputeerde naast zijn bezoldiging als gedeputeerde
tevens aanspraak heeft op vergoeding voor de werkzaamheden als statenlid
gedurende een tijdvak als bedoeld in artikel 35c, tweede lid, onder a of
b, van de Provinciewet, dan vervalt gedurende dit tijdvak zijn aanspraak
op een vergoeding voor de werkzaamheden als statenlid.
Artikel 5b
1. Voor 1 april van elk jaar of binnen twee maanden na zijn
beëdiging verstrekt de gedeputeerde aan Onze Minister, dan wel een
door hem aangewezen instantie, een opgave van de neveninkomsten welke
hij verwacht over het desbetreffende kalenderjaar of gedeelte daarvan
te zullen genieten, dan wel een verklaring, dat hij verwacht niet meer
dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten over dat
jaar of een evenredig deel daarvan over het desbetreffende gedeelte
van dat jaar te zullen genieten.
2. Onze Minister, dan wel de door hem aangewezen instantie, deelt
gedeputeerde staten het bedrag van de voorlopige aftrek op de
bezoldiging mede en verstrekt een afschrift daarvan aan de
gedeputeerde.
3. De gedeputeerde kan een verklaring inzenden dat een opgave van
neveninkomsten achterwege zal blijven. In dit geval, alsmede indien
binnen de in het eerste lid bedoelde termijn geen opgave of verklaring
is ingezonden, bedraagt de bezoldiging over dat kalenderjaar 65% van
de bezoldiging op jaarbasis.
4. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar zendt de
gedeputeerde of zenden zijn nabestaanden aan Onze Minister, dan wel de
door hem aangewezen instantie, een opgave van de neveninkomsten welke
over dat kalenderjaar zijn genoten, dan wel een verklaring dat over
dat jaar niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis of, indien
de gedeputeerde een gedeelte van het kalenderjaar lid van gedeputeerde
staten is geweest, een evenredig deel van dit bedrag, is genoten.
5. Onze Minister, dan wel de door hem aangewezen instantie, deelt
gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk na ontvangst van de in het
vierde lid bedoelde opgave of verklaring het bedrag van de definitieve
aftrek op de bezoldiging mede en verstrekt een afschrift daarvan aan
de gedeputeerde.
6. Indien een opgave of verklaring als in het vierde lid bedoeld,
niet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar is ontvangen,
bedraagt de bezoldiging over dat kalenderjaar 65% van de bezoldiging
op jaarbasis.
7. De gedeputeerde zendt aan Onze Minister, dan wel de door hem
aangewezen instantie, zo spoedig mogelijk tevens een afschrift van de
aanslag voor de inkomstenbelasting over het betreffende kalenderjaar.
Het bedrag van de uitbetaalde bezoldiging kan, al dan niet op verzoek
van de gedeputeerde, worden herzien, indien op grond van de
onherroepelijk geworden aanslag in de inkomstenbelasting daartoe
aanleiding blijkt te bestaan.
8. Bij de toepassing van het vijfde, zesde en zevende lid vindt zo
nodig terugbetaling of verrekening plaats.
9. Dit artikel is niet van toepassing op de gedeputeerde op wie
artikel 282 van de Provinciewet van toepassing is, en de gedeputeerde
die zijn ambt in deeltijd vervult.
Artikel 6
1. In geval van overlijden van de gedeputeerde wordt aan de weduwe
of weduwnaar van wie de overleden gedeputeerde niet duurzaam
gescheiden leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging
vermeerderd met de vakantie-uitkering, welke de gedeputeerde
laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de
overledene geen weduwe of weduwnaar van wie de overleden gedeputeerde
niet duurzaam gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten
behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of
minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg
droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind,
onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van
een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt
de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren
van de bezoldiging van de gedeputeerde.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of
weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner
alsmede degene met wie de overleden gedeputeerde ongehuwd samenleefde
en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel
3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.
Hoofdstuk 3. Vergoeding bijzondere kosten en andere financiële
voorzieningen
§ 1
Artikel 7 [Vervallen per 17-08-2001]
Artikel 8 [Vervallen per 17-08-2001]
§ 2. Tegemoetkoming in ziektekosten
Artikel 9 [Vervallen per 20-12-2006]
Artikel 10 [Vervallen per 20-12-2006]
Artikel 11 [Vervallen per 20-12-2006]
Artikel 12 [Vervallen per 20-12-2006]
Artikel 13 [Vervallen per 20-12-2006]
Artikel 14 [Vervallen per 20-12-2006]
Artikel 15 [Vervallen per 20-12-2006]
Artikel 16
1.In geval van ziekte welke in overwegende mate haar oorzaak vindt:
a. in de aard van de aan het ambt van gedeputeerde verbonden
werkzaamheden, of
b. in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
worden verricht, en
c. niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid is te wijten,
kunnen de naar het oordeel van gedeputeerde staten noodzakelijk
gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging, voor
zover deze kosten ten laste van de gedeputeerde blijven, aan de
gedeputeerde voor rekening van de provincie worden vergoed.
2.Ter zake van andere schade, voortvloeiende uit de in het eerste
lid bedoelde werkzaamheden of omstandigheden, kunnen de nadere
voorschriften, zoals deze door provinciale staten ten aanzien van het
ambtelijk personeel van de provincie eventueel zijn vastgesteld, van
overeenkomstige toepassing worden verklaard op de gedeputeerde in die
provincie.
Artikel 17 [Vervallen per 01-03-2006]
§ 3. Vergoeding onkosten
Artikel 18
1.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat indien de
gedeputeerde bij benoeming nog niet over woonruimte in de provincie
beschikt, hij ten laste van de provincie aanspraak heeft op:
a. een vergoeding van reis- en pensionkosten;
b. een vergoeding van verhuiskosten in verband met de benoeming
in de provincie.
2.Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over
hoogte van de vergoeding en de voorwaarden voor de aanspraak.
Artikel 19
1.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat de
gedeputeerde aanspraak heeft op:
a. een vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer;
b. een jaarkaart voor het openbaar vervoer of een daartoe
strekkende vergoeding;
c. een vergoeding van reis- en verblijfkosten voor reizen
gemaakt voor de uitoefening van het ambt.
2.Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over
hoogte van de vergoeding en de voorwaarden voor de aanspraak.
Artikel 19a [Vervallen per 01-03-2006]
Artikel 20
Indien aan de gedeputeerde een dienstauto ter beschikking is gesteld
en hij voor het gebruik van deze dienstauto loon- en inkomstenbelasting
is verschuldigd, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat deze
belastingheffing door de provincie aan de gedeputeerde wordt vergoed. De
vergoeding betreft ten hoogste de verschuldigde loon- en
inkomstenbelasting voor het gebruik van de dienstauto.
Artikel 21
1. Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat aan een
gedeputeerde een onkostenvergoeding voor overige aan de uitoefening
van het ambt verbonden kosten wordt toegekend die ten hoogste €328,53
per maand bedraagt.
2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt per 1 januari van
elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de
consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het
voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 22
1.De gedeputeerde, die in de loop van het kalenderjaar is benoemd
dan wel het ambt van gedeputeerde heeft beëindigd als bedoeld in
artikel 1, onderdeel c , ontvangt de onkostenvergoeding, bedoeld in
artikel 21, naar evenredigheid met de periode van uitoefening van het
ambt in bedoeld kalenderjaar.
2.De gedeputeerde die ingevolge artikel 35a, derde lid, van de
Provinciewet de betrekking in deeltijd uitoefent, ontvangt de
onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 21, naar evenredigheid met de
vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 35a, vierde lid,
van de Provinciewet.
Artikel 22a
1. Op aanvraag wordt ten laste van de provincie aan de gedeputeerde
voor de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur
en software in bruikleen ter beschikking gesteld.
2. Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
beschikking is gesteld, wordt door gedeputeerde staten aan de
gedeputeerde op aanvraag voor de uitoefening van het ambt, een
tegemoetkoming verleend voor:
a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
software of,
b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
software.
3. Op aanvraag wordt ten laste van de provincie aan de gedeputeerde
voor de uitoefening van het ambt communicatieapparatuur in bruikleen
ter beschikking gesteld.
4. Op aanvraag wordt door gedeputeerde staten een vergoeding aan de
gedeputeerde verleend voor de aanleg- en de abonnementskosten voor de
internetverbinding voor de in het eerste of het tweede lid genoemde
computerapparatuur.
5. Provinciale staten kunnen bij verordening nadere regels stellen
over het ter beschikking stellen van computer- en
communicatieapparatuur, de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste,
tweede en derde lid, en de vergoeding, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 23
1.De vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële
voorzieningen wordt door de gedeputeerde genoten met ingang van de dag
van de benoeming.
2.De vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële
voorzieningen eindigt op het tijdstip van beëindiging van het ambt
van gedeputeerde.
Artikel 23a
Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:
a. de vergoedingen en verstrekking, bedoeld in artikel 19, eerste
lid, voor zover deze niet worden gerekend tot een vergoeding als
bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op
de loonbelasting 1964;
b. de vergoeding, bedoeld in artikel 20;
c. de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 21, eerste lid;
d. de verstrekkingen, bedoeld in artikel 22a, eerste en derde
lid;
e. de vergoeding, bedoeld in artikel 22a, vierde lid.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 24
Bij toepassing van artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964:
a. wordt op aanvraag door het college van gedeputeerde staten een
vergoeding verstrekt voor de belastingheffing als gevolg van de
verstrekkingen, bedoeld in artikel 22a, eerste en derde lid;
b. wordt het bedrag, genoemd in artikel 21, eerste lid,
vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal
100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in
kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
c. bedraagt de vergoeding, bedoeld in artikel 20, ten hoogste de
gebruteerde verschuldigde loon- en inkomstenbelastingvoor het
gebruik van de dienstauto;
d. blijft artikel 23a buiten toepassing.
Artikel 24a
Artikel 17 zoals dat luidde op de dag voor de datum van
inwerkingtreding van het Besluit van 22 december 2005 tot wijziging van
het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het
Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit
burgemeesters, het Rechtspositiebesluit wethouders, het
Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden en het
Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, blijft van toepassing op
de voormalig gedeputeerde, indien de in dat artikel bedoelde
invaliditeit op die dag reeds bestond of, indien de invaliditeit op een
later tijdstip is ontstaan, kan worden vastgesteld dat de oorzaak van
deze invaliditeit voor de datum van inwerkingtreding van bovengenoemd
besluit 22 december 2005 is gelegen.
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 26
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 1994.
Artikel 27
Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit gedeputeerden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 maart 1994
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
Uitgegeven de zevende april 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
|
|
|