| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Provinciewet (PW)
RECHTSPOSITIEBESLUIT
STATEN- EN COMMISSIELEDEN
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 22 maart 1994, houdende regels betreffende
de rechtspositie van staten- en commissieleden
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 4 oktober
1993, nr. BW93/U2068, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, gedaan mede
namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
Gelet op de artikelen 93 en 94 van de
Provinciewet;
De Raad van State gehoord (advies van 8
februari 1994, nr. W04.93.0653.);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 18 maart 1994, nr. BW94/275,
directoraat-generaal Openbaar Bestuur, uitgebracht mede namens Onze
Minister van Binnenlandse Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
b. lid van provinciale staten: een lid van provinciale staten,
dat niet tevens lid van gedeputeerde staten is;
c. tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van provinciale
staten: het tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap, bedoeld
in de artikelen X1, eerste en derde lid, X6 en X7, tweede, derde en
vijfde lid, van de Kieswet.
d. lid van een commissie: een lid van een commissie als bedoeld
in de artikelen 80, 81 en 82 van de Provinciewet, dat niet tevens
lid van provinciale staten is of ambtenaar die als zodanig tot lid
van een commissie is benoemd.
Artikel 1a
1. De artikelen 2 tot en met 4 en 6a tot en met 12 van dit besluit
zijn van overeenkomstige toepassing op het lid van provinciale staten
aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is
verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien
verstande dat:
a. de onkostenvergoeding die dit lid op grond vanartikel 2,
derde of vierde lid, ontvangt, de helft bedraagt van het bedrag
dat op grond van die bepalingen van toepassing is;
b. indien door provinciale staten toepassing is gegeven aan
artikel 4, dit lid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen
die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden of hebben
plaatsgevonden.
2. Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet
wordt niet aangemerkt als beëindiging van het lidmaatschap van
provinciale staten als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, en
als aftreden als bedoeld in artikel 8.
Hoofdstuk 2. Vergoeding voor werkzaamheden en tegemoetkoming in de
kosten
Artikel 2
1. Aan een lid van provinciale staten wordt een vergoeding voor de
werkzaamheden toegekend die ten hoogste € 12.948,63 per jaar
bedraagt.
2. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt per 1
januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand
van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand
september van het voorafgaande kalenderjaar vastgestelde indexcijfer
CAO lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.
3. Aan een lid van provinciale staten wordt een onkostenvergoeding
voor aan de uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten
toegekend die ten hoogste €88,90 per maand bedraagt.
4. Het bedrag, genoemd in het derde lid, wordt per 1 januari van
elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de
consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het
voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 3
Provinciale staten kunnen bij verordening tot ten hoogste 20% naar
beneden afwijken van de bedragen, genoemd in artikel 2.
Artikel 4
Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat ten hoogste 20%
van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar
het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering
aan het lid van provinciale staten op basis van het aantal bijgewoonde
vergaderingen.
Artikel 4a
1. Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat ten
aanzien van een lid van provinciale staten dat lid is van de
vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 61, derde lid, van de
Provinciewet dan wel de rekenkamerfunctie, bedoeld in artikel 79p van
de Provinciewet, uitoefent dan wel lid is van een onderzoekscommissie
als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet, voor de
duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de
activiteiten per jaar een toelage ontvangt tot ten hoogste 5% van de
vergoeding voor de werkzaamheden op jaarbasis. Aan de verordening kan
terugwerkende kracht worden verleend tot en met 1 januari 2009.
2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de
duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de
activiteiten vast.
Artikel 5
1.Aan een lid van provinciale staten wordt vergoeding van
reiskosten verleend naar bij provinciale verordening te stellen regels
voor het bijwonen van vergaderingen van provinciale staten en van
commissies of een Openbaar-Vervoerjaarkaart verstrekt dan wel een
keuze tussen een vergoeding of een Openbaar-Vervoerjaarkaart geboden,
met dien verstande dat voor het gebruik van een eigen motorvoertuig de
vergoeding niet hoger wordt gesteld dan het bedrag dat bij of
krachtens artikel 7 van het Reisbesluit binnenland is vastgesteld.
2.Aan een lid van provinciale staten wordt vergoeding van werkelijk
gemaakte verblijfkosten verleend naar bij provinciale verordening te
stellen regels voor het bijwonen van vergaderingen, genoemd in het
eerste lid.
Artikel 6
1.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat aan een lid
van provinciale staten naast de vergoeding, genoemd in artikel 5,
vergoeding wordt verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de
in artikel 5 bedoelde reizen, ten behoeve van de provincie gemaakt,
met dien verstande dat voor het gebruik van een eigen motorvoertuig de
vergoeding niet hoger wordt gesteld dan het bedrag dat bij of
krachtens artikel 7 van het Reisbesluit binnenland is vastgesteld.
2.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat aan een lid
van provinciale staten vergoeding wordt verleend voor werkelijk
gemaakte verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 6a
1. Op aanvraag wordt ten laste van de provincie aan een lid van
provinciale staten voor de uitoefening van het statenlidmaatschap een
computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
beschikking gesteld.
2. Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
beschikking is gesteld, wordt door gedeputeerde staten aan een lid van
provinciale staten op aanvraag voor de uitoefening van het
statenlidmaatschap een tegemoetkoming verleend voor:
a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
software, of,
b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
software.
3. Op aanvraag wordt door gedeputeerde staten een vergoeding aan
het lid van provinciale staten verleend voor de aanleg-en de
abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of
het tweede lid genoemde computerapparatuur.
4. Provinciale staten kunnen bij verordening nadere regels stellen
over het ter beschikking stellen van computerapparatuur en de
tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid en de vergoeding,
bedoeld in het derde lid.
Artikel 7
1.De vergoeding voor de werkzaamheden en de onkostenvergoeding
worden door het lid van provinciale staten genoten met ingang van de
dag van de beëdiging.
2.De vergoeding voor de werkzaamheden en de onkostenvergoeding
eindigt op het tijdstip van beëindiging van het lidmaatschap van
provinciale staten.
3.Het lid van provinciale staten dat in de loop van een
kalenderjaar is beëdigd dan wel het lidmaatschap van provinciale
staten heeft beëindigd, ontvangt de vergoeding voor de werkzaamheden
en de onkostenvergoeding naar evenredigheid van de periode van
uitoefening van het lidmaatschap in bedoeld kalenderjaar.
Artikel 7a
1. Een lid van provinciale staten dat op grond van artikel 75 van
de Provinciewet meer dan dertig dagen onafgebroken het voorzitterschap
van de staten waarneemt, ontvangt voor die tijd voor die waarneming
een toeslag van 8% van zijn vergoeding als lid van provinciale staten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2, derde lid.
Artikel 7b
1. Naast de vergoeding voor de werkzaamheden ontvangen
fractievoorzitters voor de duur van hun voorzitterschap per jaar een
toelage gelijk aan 1,2% van de vergoeding op jaarbasis en een toelage
gelijk aan 0,4% van de vergoeding op jaarbasis voor elk lid dat de
fractie buiten de fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen
ten hoogste 6,4% van de vergoeding op jaarbasis.
2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris vast:
a. hoeveel leden een fractie telt;
b. de duur van het fractievoorzitterschap.
Hoofdstuk 3. Secundaire voorzieningen
Artikel 8
1.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat een lid van
provinciale staten met ingang van de dag van zijn aftreden een
uitkering ten laste van de provincie ontvangt, naar in de verordening
te stellen regels.
2.De uitkering heeft een maximumduur van twee jaar en bedraagt in
het eerste jaar ten hoogste 80% en in het tweede jaar ten hoogste 70%
van het op het moment van aftreden geldende bedrag van de vergoeding
voor de werkzaamheden, eventueel vermeerderd met het bedrag van de in
het jaar voor het aftreden ontvangen vergoeding, bedoeld in artikel 4.
De uitkering eindigt in ieder geval met ingang van de maand volgend op
die waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt.
3.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat geen recht
op op uitkering bestaat indien het lid van provinciale staten van zijn
lidmaatschap vervallen is verklaard ingevolge artikel X 7 van de
Kieswet.
4.Dit artikel is niet van toepassing op een lid van provinciale
staten dat is benoemd in de plaats die is opengevallen als gevolg van
het tijdelijk ontslag van een lid van provinciale staten wegens
zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de
Kieswet.
Artikel 9
1.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat het
provinciaal bestuur ten behoeve van de leden van provinciale staten
één of meer collectieve verzekeringen kan afsluiten, waarbij wordt
voorzien in de opbouw van een ouderdomspensioen en in geldelijke
voorzieningen bij invaliditeit en overlijden.
2.Dit artikel is niet van toepassing op een lid van provinciale
staten dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van
het tijdelijk ontslag van een lid van provinciale staten wegens
zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de
Kieswet.
Artikel 10
1.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat een lid van
provinciale staten ten laste van de provincie een tegemoetkoming in de
kosten van een ziektekostenverzekering ontvangt van € 175 per jaar.
2.Indien de nominale eindejaarsuitkering van het personeel werkzaam
bij de sector Rijk wijziging ondergaat, wordt het in het eerste lid
genoemde bedrag naar evenredigheid gewijzigd.
Artikel 11
1.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat in het
geval dat een lid van provinciale staten een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet ontvangt en na de toepassing van artikel 20 van die
wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen
van het lidmaatschap van provinciale staten meer bedraagt dan de
vergoeding voor de werkzaamheden die dit lid ontvangt van provinciale
staten, deze vergoeding ten laste van de provincie wordt verhoogd tot
het bedrag van bedoelde korting.
2.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat in het
geval dat een lid van provinciale staten een uitkering op grond van
het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en
de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van
lidmaatschap van provinciale staten meer bedraagt dan de vergoeding
voor de werkzaamheden die dit lid ontvangt van provinciale staten,
deze vergoeding ten laste van de provincie wordt verhoogd tot het
bedrag van bedoelde korting.
3.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat, in het
geval een lid van provinciale staten een uitkering in verband met
geheel of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, de vergoeding
voor de werkzaamheden op verzoek van het desbetreffende lid wordt
verlaagd.
Artikel 12
Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat een lid van
provinciale staten, naar in de verordening te stellen regels, ten laste
van de provincie een tegemoetkoming ontvangt ter zake van kosten voor
scholing in verband met de vervulling van het statenlidmaatschap,
alsmede ter zake van kosten voor in verband met de vervulling van het
statenlidmaatschap noodzakelijke kinderopvang.
Artikel 12a
Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:
a. de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 2, derde lid;
b. de verstrekkingen, bedoeld in artikel 6a, eerste lid;
c. de vergoeding, bedoeld in artikel 6a, derde lid.
Hoofdstuk 4. Vergoeding van leden van een commissie
Artikel 13
Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat aan een lid van
een commissie een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van
de commissie wordt toegekend tot het maximumbedrag van €104,08. Het
artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Provinciale
staten kunnen bij verordening bepalen datartikel 6a of artikel 11 geheel
of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 14
Ten aanzien van:
a. een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor
deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en
b. een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de
zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten
arbeid, kunnen provinciale staten bij verordening bepalen dat de
vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie
naar boven afwijkt van het bedrag, genoemd in artikel 13.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 14a
Bij toepassing van artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964:
a. wordt op aanvraag door het college van gedeputeerde staten een
vergoeding verstrekt voor de belastingheffing als gevolg van de
verstrekkingen, bedoeld in artikel 6a, eerste lid;
b. wordt het bedrag, genoemd in artikel 2, derde lid,
vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal
100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in
kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en
c. blijft artikel 12a buiten toepassing.
Artikel 15
Het koninklijk besluit van 3 april 1980 tot uitvoering van de
artikelen 13, derde lid, en 65a, eerste lid, van de Provinciewet (Stb.
203) wordt ingetrokken.
Artikel 16
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 1994.
2. In afwijking van het eerste lid werkt artikel 11, tweede lid,
terug tot en met 1 maart 1994.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit staten- en
commissieleden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 maart 1994
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
D.IJ.W. de Graaff-Nauta
De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. van Thijn
Uitgegeven de zevende april 1994
De Minister van Justitie a.i.,
E. van Thijn
|
|
|