St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Provinciewet (PW)

 

RECHTSPOSITIEBESLUIT  STATEN-  EN  COMMISSIELEDEN

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 22 maart 1994, houdende regels betreffende de rechtspositie van staten- en commissieleden

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 4 oktober 1993, nr. BW93/U2068, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
     Gelet op de artikelen 93 en 94 van de Provinciewet;
     De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1994, nr. W04.93.0653.);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 18 maart 1994, nr. BW94/275, directoraat-generaal Openbaar Bestuur, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. lid van provinciale staten: een lid van provinciale staten, dat niet tevens lid van gedeputeerde staten is;

c. tijdstip van beŽindiging van het lidmaatschap van provinciale staten: het tijdstip van beŽindiging van het lidmaatschap, bedoeld in de artikelen X1, eerste en derde lid, X6 en X7, tweede, derde en vijfde lid, van de Kieswet.

d. lid van een commissie: een lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 80, 81 en 82 van de Provinciewet, dat niet tevens lid van provinciale staten is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.

Artikel 1a

1. De artikelen 2 tot en met 4 en 6a tot en met 12 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op het lid van provinciale staten aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat:

a. de onkostenvergoeding die dit lid op grond van artikel 2, derde of vierde lid, ontvangt, de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepalingen van toepassing is;

b. indien door provinciale staten toepassing is gegeven aan artikel 4, dit lid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.

2. Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet wordt niet aangemerkt als beŽindiging van het lidmaatschap van provinciale staten als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, en als aftreden als bedoeld in artikel 8.

Hoofdstuk 2. Vergoeding voor werkzaamheden en tegemoetkoming in de kosten

Artikel 2

1. Aan een lid van provinciale staten wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend die Ä 1.093,03 per maand bedraagt.

2. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriŽle regeling gewijzigd aan de hand van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar vastgestelde indexcijfer CAO lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.

3. Aan een lid van provinciale staten wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend die Ä 165 per maand bedraagt.

4. Het bedrag, genoemd in het derde lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriŽle regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex geldend voor de maand september van het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 4

Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het lid van provinciale staten op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen.

Artikel 4a

1. Aan een lid van provinciale staten dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 61, derde lid, van de Provinciewet dan wel de rekenkamerfunctie, bedoeld in artikel 79p van de Provinciewet, uitoefent dan wel lid is van de onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet, wordt voor de duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de activiteiten per jaar ten laste van de provincie een toelage verleend van 5% van de vergoeding voor de werkzaamheden op jaarbasis.

2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de commissaris de duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de activiteiten vast.

Artikel 5

1.Aan een lid van provinciale staten wordt vergoeding van reiskosten verleend naar bij provinciale verordening te stellen regels voor het bijwonen van vergaderingen van provinciale staten en van commissies of een Openbaar-Vervoerjaarkaart verstrekt dan wel een keuze tussen een vergoeding of een Openbaar-Vervoerjaarkaart geboden, met dien verstande dat voor het gebruik van een eigen motorvoertuig de vergoeding niet hoger wordt gesteld dan het bedrag dat bij of krachtens artikel 7 van het Reisbesluit binnenland is vastgesteld.

2.Aan een lid van provinciale staten wordt vergoeding van werkelijk gemaakte verblijfkosten verleend naar bij provinciale verordening te stellen regels voor het bijwonen van vergaderingen, genoemd in het eerste lid.

Artikel 6

1.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat aan een lid van provinciale staten naast de vergoeding, genoemd in artikel 5, vergoeding wordt verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in artikel 5 bedoelde reizen, ten behoeve van de provincie gemaakt, met dien verstande dat voor het gebruik van een eigen motorvoertuig de vergoeding niet hoger wordt gesteld dan het bedrag dat bij of krachtens artikel 7 van het Reisbesluit binnenland is vastgesteld.

2.Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat aan een lid van provinciale staten vergoeding wordt verleend voor werkelijk gemaakte verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6a

1. Op aanvraag wordt ten laste van de provincie aan een lid van provinciale staten voor de uitoefening van het statenlidmaatschap een computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter beschikking gesteld.

2. Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter beschikking is gesteld, wordt door gedeputeerde staten aan een lid van provinciale staten op aanvraag voor de uitoefening van het statenlidmaatschap een tegemoetkoming verleend voor:

a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software, of,

b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en software.

3. Op aanvraag wordt door gedeputeerde staten een vergoeding aan het lid van provinciale staten verleend voor de aanleg- en de abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het eerste of het tweede lid genoemde computerapparatuur.

4. Provinciale staten kunnen bij verordening nadere regels stellen over het ter beschikking stellen van computerapparatuur en de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid en de vergoeding, bedoeld in het derde lid.

Artikel 7

1.De vergoeding voor de werkzaamheden en de onkostenvergoeding worden door het lid van provinciale staten genoten met ingang van de dag van de beŽdiging.

2.De vergoeding voor de werkzaamheden en

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is te verkrijgen op www.123recht.nl



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Provinciewet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x