| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Remigratiewet (Rw)
BESLUIT
VOORZIENINGEN REMIGRATIEWET
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 14 oktober 1999 tot het stellen van nadere
regels met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van remigratie (Besluit
voorzieningen Remigratiewet)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid, van
9 juli 1999, nr. CIM99/76314;
Gelet op artikel 7, eerste lid, van de
Remigratiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 20
augustus 1999, nr. W04.99.0342/1);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor
Grote Steden- en Integratiebeleid, van 7 oktober 1999, nr. CIM99/81518;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: de Remigratiewet;
b. remigratievoorzieningen: de periodieke uitkering, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de wet en de voorziening, bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van de wet;
c. remigratie-uitkering: de periodieke uitkering, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de wet.
2. Onder partner wordt in de artikelen 7, derde lid, 11, 14,
vijfde, zesde en zevende lid, 15, eerste, tweede, derde en vierde lid,
en 17, tweede lid, mede verstaan de partner, bedoeld in artikel 1,
tweede lid, van de wet.
3. Onder kind wordt in de artikelen 7, derde lid, 15, vierde lid,
16, eerste en derde lid, en 17, tweede lid, mede verstaan het kind,
bedoeld in artikel 1, derde lid, van de wet.
Hoofdstuk 2. Regels over de hoogte van de vergoedingen, de
tegemoetkomingen in de kosten en de remigatievoorzieningen
Artikel 2
1. De kosten van het vervoer van de remigrant, zijn partner en
hun kinderen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de
wet worden vergoed overeenkomstig de door Onze Minister vast te
stellen normbedragen.
2. De kosten van het vervoer van de bagage, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, onderdeel a, van de wet worden vergoed, voor zover die
bagage de door Onze Minister vast te stellen omvang niet te boven gaat
en overeenkomstig de door Onze Minister vast te stellen normbedragen.
3. De normbedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen
per bestemmingsland verschillend worden vastgesteld.
Artikel 3
1. De kosten van het vervoer van een bedrijfsinventaris, of de
kosten van het vervoer van een personenauto of andere hulpmiddelen
voor een gehandicapte naar het bestemmingsland tot de plaats van
bestemming, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en c, van
de wet worden vergoed overeenkomstig de werkelijk gemaakte kosten tot
de door Onze Minister vast te stellen maximale bedragen.
2. Onze Minister kan bepalen welke kosten als kosten van vervoer
als bedoeld in het eerste lid, worden beschouwd.
Artikel 4
De opslagkosten van de goederen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in
het bestemmingsland worden vergoed overeenkomstig de werkelijk gemaakte
kosten tot een door Onze Minister vast te stellen maximaal bedrag per
dag voor een periode van maximaal 14 dagen, de periode van kosteloze
opslag daaronder begrepen.
Artikel 5
1. In de kosten van hervestiging na aankomst in het
bestemmingsland, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de
wet, wordt tegemoet gekomen overeenkomstig een bedrag dat gelijk is
aan tweemaal de hoogte van de remigratie-uitkering gedurende de eerste
maand van verblijf in het bestemmingsland.
2. Een remigrant aan wie een remigratie-uitkering is verstrekt
heeft geen recht op een tegemoetkoming in de kosten van hervestiging in
het bestemmingsland als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6
Onze Minister stelt regels over de wijze en het tijdstip waarop de in
de artikelen 2, 3 en 4 bedoelde vergoedingen en de in artikel 5 bedoelde
tegemoetkoming in de kosten van hervestiging worden uitbetaald.
Artikel 7
1. Onze Minister stelt het bruto bedrag vast van de
remigratie-uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet.
2. De hoogte van het bruto bedrag, bedoeld in het eerste lid, kan
per bestemmingsland verschillend worden vastgesteld.
3. De hoogte van het bruto bedrag, bedoeld in het eerste lid, is
verschillend al naar gelang er sprake is van een alleenstaande
remigrant, een remigrant met partner, dan wel van een alleenstaande
remigrant met een kind.
4. De hoogte van het bruto bedrag, bedoeld in het eerste lid, kan
verschillend zijn:
a. afhankelijk van de loonheffing die op de remigratie-uitkering
moet worden ingehouden, waarbij:
1° voor personen jonger dan 65 jaar
uitsluitend rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting,
bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, en
2° voor personen van 65 jaar of ouder
rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting, de
ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting, bedoeld in de
artikelen 22, 22b respectievelijk 22c van de Wet op de loonbelasting
1964;
b. al naar gelang er wel of niet een verzekering tegen ziektekosten
is gesloten.
5. Voor de vraag op welk bruto bedrag van de remigratie-uitkering
op grond van het derde lid aanspraak bestaat is bepalend de toestand op
de datum van vertrek uit Nederland, een en ander onverminderd de
artikelen 14, 15, tweede lid, en 17.
Artikel 8
1. De vastgestelde bruto bedragen, bedoeld in artikel 7, worden
door Onze Minister jaarlijks aangepast aan de hand van de helft van
het percentage waarmee de bijstandsnormen in het voorafgaande
kalenderjaar met toepassing van artikel 38, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, van de Wet werk en bijstand zijn gewijzigd.
2. De vastgestelde bruto bedragen, bedoeld in artikel 7, kunnen
door Onze Minister worden aangepast op het moment dat een wijziging
optreedt in de in te houden loonheffing.
Artikel 9
1. De remigratie-uitkering wordt per maand uitbetaald.
2. Indien de maandelijkse
remigratie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, minder dan € 22,69
bedraagt, kan de som van de remigratie-uitkeringen eenmaal per jaar
worden uitbetaald.
Artikel 10
1. In de kosten van het sluiten van een
verzekering tegen ziektekosten in het bestemmingsland als bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van de wet wordt tegemoet gekomen met een door
Onze Minister vast te stellen bruto bedrag.
2. De artikelen 7, derde, vierde en vijfde lid, en 8, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing op het bedrag, bedoeld in het eerste
lid.
3. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt per maand
uitbetaald.
Hoofdstuk 3. Regels over samenloop van de periodieke uitkering met
andere uitkeringen
Artikel 11
1. Op de remigratie-uitkering wordt in mindering gebracht het
bruto bedrag van de uitkeringen of inkomensvoorziening op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de Toeslagenwet, waarop de remigrant of zijn partner
over het uitkeringstijdvak aanspraak heeft.
2. Op de remigratie-uitkering wordt niet in mindering gebracht
het bruto bedrag van de tegemoetkoming op grond van de Wet mogelijkheid
koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, waarop de remigrant
of zijn partner over het uitkeringstijdvak aanspraak heeft.
3. In het bruto-bedrag van een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet wordt niet begrepen de tegemoetkoming op grond van
artikel 29a van die wet.
Hoofdstuk 4. Regels inzake de aanvraag om te kunnen remigreren met de
voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk II van de wet
Artikel 12
1. Om voor de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 3, 4, 5 en
11 van de wet, in aanmerking te komen dient de remigrant een aanvraag
in bij de SVB.
2. Op een aanvraag wordt binnen vier maanden beslist.
Artikel 13
Indien de remigrant, en voor zover van toepassing, zijn partner en
kinderen niet binnen een termijn van zes maanden na de datum van de
beschikking tot toekenning van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen
3 en 4, eerste en tweede lid, van de wet, zijn geremigreerd, kan de
beschikking geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, tenzij de
remigrant of zijn partner van de overschrijding van die termijn
redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
Hoofdstuk 5. Overige regels inzake de voorzieningen, bedoeld in
hoofdstuk II van de wet
Artikel 14
1. Het recht op de remigratievoorzieningen gaat in op de eerste
dag na die van vertrek van de remigrant naar het bestemmingsland.
2. Het recht op de remigratievoorzieningen gaat in ieder geval
niet eerder in dan op de eerste dag van de maand na die waarop het
besluit op de aanvraag is genomen.
3. De SVB kan het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan
afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang van de remigrant,
zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 4, derde en
vierde lid, en artikel 11, eerste lid, van de wet gaat in op de eerste
dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.
5. Het recht van de partner op de voorziening, bedoeld in artikel
5, eerste lid, van de wet gaat in op de eerste dag van de maand waarin
de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding
te voeren.
6. Het recht op de voorziening, bedoeld in artikel 5, tweede lid,
van de wet gaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de
maand waarin de remigrant of zijn partner is overleden.
7. Het recht op de voorziening, bedoeld in artikel 5, derde lid,
van de wet gaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de
maand waarin de remigrant en zijn partner niet meer in leven zijn.
Artikel 15
1. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en
11, eerste lid, van de wet vervalt met ingang van de eerste dag van de
tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of
zijn partner.
2. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en
11, eerste lid, van de wet wordt omgezet in een recht op de
voorzieningen, bedoeld in die artikelen, als ware de remigrant een
alleenstaande remigrant met ingang van de eerste dag van de maand,
waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke
huishouding te voeren.
3. Het recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en
tweede lid, van de wet vervalt met ingang van de eerste dag van de
tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of
zijn partner.
4. Na het overlijden van de personen, bedoeld in het eerste,
tweede en derde lid, worden de nog verschuldigde voorzieningen verstrekt
aan:
a. de partner of aan de remigrant, of indien deze er niet zijn, aan
b. de kinderen of indien deze er niet zijn, aan
c. de persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de SVB
op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk
komen, mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe
strekkend verzoek bij de SVB heeft, onderscheidenlijk hebben
ingediend.
Artikel 16
1. Met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgend op
de maand van overlijden van een kind dan wel met ingang van de eerste
dag van de maand, volgend op de maand waarin een kind niet langer
minderjarig is, vervalt zijn evenredig deel van het recht op de helft
van de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet.
2. Na het overlijden van de kinderen, bedoeld in het eerste lid,
worden de nog verschuldigde voorzieningen verstrekt aan de persoon of
personen die daarvoor naar het oordeel van de SVB op
billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen,
mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe strekkend
verzoek bij de SVB heeft, onderscheidenlijk hebben ingediend.
Artikel 17
1. In geval twee alleenstaande remigranten die ieder
afzonderlijk recht hebben op de remigratievoorzieningen met elkaar
huwen of hun partnerschap laten registreren, of een gezamenlijke
huishouding gaan voeren, waarbij betrokkenen hun hoofdverblijf hebben
in dezelfde woning, en er geen bloedverwantschap is in de eerste
graad, worden de twee afzonderlijke rechten op de
remigratievoorzieningen omgezet in een recht op de
remigratievoorzieningen als waren zij een remigrant en partner.
2. Indien de alleenstaande remigrant of de alleenstaande partner
geen kinderen meer heeft worden de remigratievoorzieningen aan de
gewijzigde omstandigheden aangepast.
3. De aanpassingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaan in
op de eerste dag van de maand na die waarin de wijziging der
omstandigheden plaatsvond.
Artikel 18 [Vervallen per 01-04-2006]
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
Artikel 8, eerste lid, is niet van toepassing op personen die voor de
dag van inwerkingtreding van deze wet zijn geremigreerd.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in
werking treedt.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorzieningen
Remigratiewet.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt
geplaatst.
's-Gravenhage, 14 oktober 1999
BEATRIX
De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel
Uitgegeven de achtentwintigste oktober 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|