| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Remigratiewet (Rw)
UITVOERINGSBESLUIT
REMIGRATIEWET
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 15 maart 2000 inzake voorwaarden en
maatregelen met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van remigratie,
nadere regels over een terugkeerregeling en wijziging van het
Aanwijzingsbesluit verzekerden Ziekenfondswet (Uitvoeringsbesluit
Remigratiewet)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid, van
8 december 1999, nr. CIM99/98720, gedaan mede namens Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op de artikelen 3, eerste en tweede lid,
4, eerste lid, 6 en 8, tweede lid, van de Remigratiewet en de artikelen
3, eerste lid, onderdeel d, 5, derde lid, en 18, eerste lid, van
de Ziekenfondswet;
De Raad van State gehoord (advies van 28
februari 2000, nr. W04.99.0621/l);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor
Grotesteden- en Integratiebeleid, van 8 maart 2000, nr. CIM2000/58930,
gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: de Remigratiewet;
b. basisvoorzieningen: de basisvoorzieningen, bedoeld in
artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet;
c. remigratievoorzieningen: de voorzieningen, bedoeld in
artikel 4 van de wet;
d. vertrekdatum: de datum die de SVB hanteert bij de
vaststelling van het recht op de basisvoorzieningen en de
remigratievoorzieningen;
e. terugkeerregeling: het terugkeren naar Nederland, bedoeld in
artikel 8 van de wet.
2.Onder partner wordt in de artikelen 9, 12, tweede lid, 13, tweede
en vierde lid, 14, eerste lid, onderdeel c en d, 15, eerste en vierde
lid, en 16, eerste lid, mede verstaan de partner, bedoeld in artikel
1, tweede lid, van de wet.
3.Onder kind wordt in de artikelen 9, 12, derde lid, 13, tweede en
vierde lid, 14, eerste lid, onderdeel c en d, 15, tweede en vierde
lid, en 16, eerste lid, mede verstaan het kind, bedoeld in artikel 1,
derde lid, van de wet.
Hoofdstuk 2. Remigratievoorwaarden
Artikel 2
1.Om voor de basisvoorzieningen en de remigratievoorzieningen in
aanmerking te komen dient de remigrant:
a. zijn schulden aan het Rijk te hebben voldaan dan wel ten
behoeve van zijn schulden aan het Rijk een afbetalingsregeling te
hebben getroffen;
b. een schriftelijk bewijs aan de SVB te overleggen, afgegeven
door de autoriteiten van het bestemmingsland, dat hij, zijn
partner en hun kinderen zullen worden toegelaten, indien naar een
ander land wordt geremigreerd dan het land waarvan de remigrant de
nationaliteit bezit.
2.Indien de echtgenoot of de geregistreerde partner van de
remigrant van wie de remigrant niet duurzaam gescheiden leeft,
eveneens in Nederland verblijf houdt, worden de basisvoorzieningen en
de remigratievoorzieningen slechts verstrekt indien beide echtgenoten
dan wel beide geregistreerde partners tot remigratie overgaan.
3.Indien de remigrant en zijn partner het voornemen hebben met hun
pleegkind te remigreren, dient de remigrant een schriftelijk bewijs
van toestemming tot de voorgenomen remigratie van het pleegkind aan de
SVB te hebben overgelegd van degene die het ouderlijk gezag of de
voogdij uitoefent over het pleegkind.
Artikel 3
1.De remigrant die niet tevens een andere dan de Nederlandse
nationaliteit bezit, dient voor de vertrekdatum een schriftelijke
verklaring als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de
wet af te leggen. Deze verklaring dient deze remigrant over te leggen
aan de SVB.
2.De remigrant, bedoeld in het eerste lid, dient zo spoedig
mogelijk bij de autoriteiten van het bestemmingsland een verzoek in
ter verkrijging van de nationaliteit van dat land.
3.Schriftelijke bewijsstukken van zijn verzoek, bedoeld in het
tweede lid, zendt de remigrant, bedoeld in het eerste lid, onverwijld
aan de SVB.
4.De remigrant, bedoeld in het eerste lid, informeert de SVB
eenmaal per jaar over de voortgang van de behandeling van zijn verzoek
ter verkrijging van de nationaliteit van het bestemmingsland, tenzij
de SVB anders bepaalt.
5.Zodra de remigrant, bedoeld in het eerste lid, de nationaliteit
van het bestemmingsland heeft verkregen, zendt hij bewijsstukken
daarvan onverwijld aan de SVB.
Artikel 4
Onverminderd de artikelen 2 en 3 dient de remigrant om voor de
basisvoorzieningen in aanmerking te komen:
a. indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de
aanvraag van de basisvoorzieningen in Nederland te hebben verbleven
dan wel, indien hij vreemdeling is, gedurende tenminste één jaar
ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland had als bedoeld in
artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vreemdelingenwet
2000, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;
b. geen beschikking te hebben over een rendementsgrondslag als
bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van meer
dan € 91 000,– op 1 januari van het jaar waarin de
basisvoorzieningen worden toegekend of, indien over dat jaar nog
geen aanslag is opgelegd, op 1 januari van het daaraan voorafgaande
jaar;
c. niet eerder, noch als remigrant noch als partner,
basisvoorzieningen dan wel voorzieningen als bedoeld in de artikelen
5 tot en met 11 van de Basisremigratiesubsidieregeling 1985 te
hebben genoten.
Artikel 5
Onverminderd de artikelen 2 en 3 dient de remigrant om voor de
remigratievoorzieningen in aanmerking te komen:
a. indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de
aanvraag van de remigratievoorzieningen in Nederland te hebben
verbleven dan wel, indien hij vreemdeling is, gedurende tenminste
drie jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te hebben
gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van
de Vreemdelingenwet 2000 en voor het besluit tot toekenning van de
remigratievoorzieningen rechtmatig verblijf in Nederland te hebben
gehad als bedoeld in artikel 8, onder a, b, d, e, dan wel l, van
deze wet, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;
b. over een periode van tenminste 6 maanden, onmiddellijk
voorafgaande aan de aanvraag van de remigratievoorzieningen, een
uitkering of inkomensvoorziening te hebben ontvangen op grond van de
Werkloosheidswet, de Wet werk en bijstand, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen, de Algemene Ouderdomswet, dan wel een
wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, of een
soortgelijke uitkering van een overheidswerknemer op grond van
ontslag of werkloosheid alsmede een wachtgeld of daarmee
gelijkgestelde uitkering ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde bepalingen, met uitzondering van
een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of
vrijwillig vervroegd uittreden.
Artikel 6
Onder verblijf voor een tijdelijk doel als bedoeld in de artikelen 4,
onderdeel a, 5, onderdeel a, 10, eerste lid, onderdeel b, en 11, derde
lid, wordt het verblijf verstaan van de vreemdeling die behoort tot een
bij regeling van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie aan te
wijzen categorie van vreemdelingen.
Artikel 7
1.Een remigrant komt slechts in aanmerking voor de
basisvoorzieningen, indien ook zijn partner voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a, en 4.
2.Een remigrant komt slechts in aanmerking voor de
remigratievoorzieningen, indien ook zijn partner voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 9
De remigrant en, voor zover van toepassing, zijn partner en hun
kinderen dan wel hun wettelijke vertegenwoordiger en de persoon of
personen, bedoeld in de artikelen 15, vierde lid, onderdeel c, en 16,
tweede lid, van het Besluit voorzieningen Remigratiewet, zijn verplicht
aan de SVB op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten
en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op
de hoogte van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 3, 4, 5 en 11
van de wet, op het geldend maken van het recht op laatstgenoemde
voorzieningen of op het te betalen bedrag.
Hoofdstuk 3. Nadere regels met betrekking tot de terugkeer
Artikel 10
1.Om voor de terugkeerregeling in aanmerking te komen dient de
remigrant en zijn partner:
a. niet eerder gebruik te hebben gemaakt van de
terugkeerregeling;
b. onmiddellijk voorafgaand aan de vertrekdatum als Nederlander
in Nederland te hebben verbleven dan wel tenminste drie jaren
ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehad als
bedoeld in artikel 8, onder a, b, d, e, dan wel l, van de
Vreemdelingenwet 2000, anders dan voor een verblijf voor een
tijdelijk doel;
c. geen gevaar op te leveren voor de openbare orde.
2.Onze Minister van Justitie stelt nadere regels over de
wedertoelating van de remigrant, zijn partner en hun kinderen met
betrekking tot de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en
20 van de Vreemdelingenwet 2000, indien deze personen van de
terugkeerregeling gebruik maken.
3.Het kind dat binnen één jaar, nadat de remigrant is
geremigreerd, meerderjarig is geworden, kan naar Nederland terugkeren
op grond van de terugkeerregeling.
Artikel 11
1.De remigrant, de partner, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede
lid, van de wet, dan wel het kind, bedoeld in artikel 10, derde lid,
dient binnen één jaar na de vertrekdatum een aanvraag in tot
wedertoelating als bedoeld in artikel 10, tweede lid, bij Onze
Minister van Justitie of bij Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
2.Bij de aanvraag tot wedertoelating, bedoeld in het eerste lid,
legt de remigrant, de partner, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede
lid, van de wet, dan wel het kind, bedoeld in artikel 10, derde lid,
afschriften van de beschikkingen van de SVB over waarin het recht op
de basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen is toegekend
en waarin de vertrekdatum is vermeld, alsmede een afschrift van de in
het derde lid bedoelde bijlage over aan Onze Minister van Justitie of
aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
3.De SVB vermeldt in een bijlage bij de beschikkingen, bedoeld in
het tweede lid, in ieder geval de ingangsdatum van het rechtmatig
verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a, b, d, e, dan
wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan voor een verblijf voor
een tijdelijk doel, op grond waarvan de remigrant of zijn partner tot
Nederland zijn toegelaten en de ononderbroken verblijfsduur van de
remigrant of zijn partner op grond van genoemd rechtmatig verblijf,
berekend vanaf bedoelde ingangsdatum van het rechtmatig verblijf tot
de vertrekdatum, dan wel dat de remigrant of zijn partner voor de
vertrekdatum Nederlander waren.
Hoofdstuk 4. Beëindiging, schorsing en terugvordering
Artikel 12
1.Het recht op de remigratievoorzieningen van de remigrant eindigt
met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
remigrant zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt.
2.Het recht van de partner op de voorzieningen, bedoeld in artikel
5, eerste en tweede lid, van de wet eindigt met ingang van de eerste
dag van de maand volgend op die waarin de partner zijn hoofdverblijf
in Nederland vestigt.
3.Het recht van het kind op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5,
derde lid, van de wet eindigt met ingang van de eerste dag van de
maand volgend op die waarin het kind zijn hoofdverblijf in Nederland
vestigt.
4.Indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen van de
terugkeerregeling gebruik heeft gemaakt, worden de basisvoorzieningen,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid,
onderdeel a, b en d, van de wet, teruggevorderd, voorzover deze
voorzieningen ten behoeve van de teruggekeerde personen zijn
toegekend.
5.Indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen binnen
drie jaren na remigratie, anders dan op grond van de terugkeerregeling
zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt, worden de
basisvoorzieningen teruggevorderd, voorzover deze voorzieningen ten
behoeve van de teruggekeerde personen zijn toegekend.
Artikel 13
1.Onverminderd het elders bij of krachtens de wet bepaalde inzake
wijziging of intrekking van een besluit tot toekenning van de
basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen, wijzigt de SVB
een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting op grond van artikel 8g van de wet of artikel 9 heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
de basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen;
b. indien anderszins de basisvoorzieningen dan wel de
remigratievoorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag
zijn vastgesteld;
c. voorzover het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting op grond van artikel 8g van de wet of de artikelen 3,
derde en vierde lid, en 9 ertoe leidt dat niet kan worden
vastgesteld in hoeverre nog recht op remigratievoorzieningen
bestaat;
d. indien een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel b, van de wet heeft nagelaten al het geen te doen wat in
redelijkheid mogelijk is, om de nationaliteit van het
bestemmingsland met bekwame spoed te verkrijgen.
2.Onverminderd het eerste lid trekt de SVB een besluit tot
toekenning van de remigratievoorzieningen in, voorzover na een
schorsing van maximaal 6 maanden de remigrant, zijn partner, een van
hun kinderen dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger geen aanvraag
indient of anderszins weigert mee te werken aan de vaststelling van
een recht op uitkering als bedoeld in artikel 14, eerste lid,
onderdeel d.
3.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de SVB
besluiten met betrekking tot uitkeringstijdvakken in het verleden
geheel of gedeeltelijk van wijziging of intrekking af te zien.
4.Indien de remigrant, zijn partner, een van hun kinderen dan wel
diens wettelijke vertegenwoordiger aan alle bij of krachtens de wet
gestelde verplichtingen heeft voldaan, en hij in redelijkheid niet
heeft kunnen begrijpen dat de basisvoorzieningen dan wel de
remigratievoorzieningen ten onrechte of op een te hoog bedrag zijn
vastgesteld, besluit de SVB met betrekking tot uitkeringstijdvakken in
het verleden geheel of gedeeltelijk van wijziging of intrekking af te
zien.
Artikel 14
1.De SVB besluit de betaling van de remigratievoorzieningen te
schorsen, indien zij het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op de remigratievoorzieningen niet meer bestaat;
b. het recht op de remigratievoorzieningen bestaat tot een
lager bedrag;
c. de remigrant, zijn partner, een van hun kinderen dan wel
diens wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in
artikel 8g van de wet of de artikelen 3 en 9 niet of niet
behoorlijk is nagekomen;
d. de remigrant, zijn partner dan wel een van hun kinderen
recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 11 van het
Besluit voorzieningen Remigratiewet, doch terzake geen aanvraag
heeft ingediend of anderszins weigert mee te werken aan de
vaststelling van dat recht.
2.De schorsing kan maximaal zes maanden duren.
Artikel 15
1.De basisvoorzieningen en de remigratievoorzieningen die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 13, eerste of tweede
lid, onverschuldigd zijn betaald, alsmede alle bedragen die anderszins
op grond van deze wet onverschuldigd zijn betaald, worden door de SVB
van de remigrant respectievelijk zijn partner teruggevorderd.
2.Onverschuldigd betaalde voorzieningen als bedoeld in artikel 5,
derde lid van de wet, worden van de kinderen dan wel hun wettelijke
vertegenwoordiger teruggevorderd.
3.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de SVB
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
4.Indien de remigrant, zijn partner, een van hun kinderen dan wel
diens wettelijke vertegenwoordiger aan alle bij of krachtens de wet
gestelde verplichtingen heeft voldaan, en hij in redelijkheid niet
heeft kunnen begrijpen dat de basisvoorzieningen dan wel de
remigratievoorzieningen ten onrechte of op een te hoog bedrag zijn
verleend, besluit de SVB geheel of gedeeltelijk van terugvordering af
te zien.
Artikel 16
1. De SVB kan bedragen die met toepassing van artikel 15 zijn
teruggevorderd, verrekenen met later uit te betalen
remigratievoorzieningen, met een ouderdomspensioen op grond van de
Algemene Ouderdomswet dan wel met een uitkering of inkomensvoorziening
op grond van de Algemene nabestaandenwet waarop de remigrant of zijn
partner, of in het geval bedoeld in artikel 15, tweede lid, een van
hun kinderen of diens wettelijke vertegenwoordiger, aanspraak heeft.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde personen een uitkering
ontvangen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een toeslag op grond
van de Toeslagenwet, betaalt het orgaan dat deze uitkering
verschuldigd is het teruggevorderde bedrag op haar verzoek aan de SVB,
zonder dat daarvoor een machtiging van de rechthebbende nodig is.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 17
[Wijzigt het Aanwijzingsbesluit verzekerden Ziekenfondswet]
Artikel 18
[Wijzigt het Besluit van 11 december 1989, houdende aanwijzing van
uitkeringen waarover geen overhevelingstoeslag wordt toegekend, Stb.
1989, 573]
Artikel 19
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965]
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in
werking treedt.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Remigratiewet.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt
geplaatst.
's-Gravenhage, 15 maart 2000
BEATRIX
De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de achtentwintigste maart 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|