| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Scheepvaartverkeerswet
VASTSTELLINGSBESLUIT
BINNENVAARTPOLITIEREGLEMENT (BPR)
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 26 oktober 1983 tot vaststelling van een
reglement houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of
aandrijving op de openbare wateren in het Rijk die voor de scheepvaart
openstaan
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 april 1983,
nr. RRV 16 895, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van
Justitie;
Overwegende dat de ontwikkelingen in het
scheepvaartverkeer en het streven te komen tot een uniform stelsel van
verkeersregels en verkeerstekens voor de vaarwegen in Europa het
wenselijk maken de bepalingen ter voorkoming van aanvaring of
aandrijving op de openbare wateren in het Rijk die voor de scheepvaart
openstaan, te herzien;
Gelet op artikel 1 van de Wet van 15 april
1891, houdende bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op
de openbare wateren in het Rijk die voor de scheepvaart openstaan (Stb.
1891, 91);
De Raad van State gehoord (advies van 7
september 1983, nr. W09.83.0219/08.3.35);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 12 oktober 1983, nr. RRV 54005, Hoofddirectie
van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken,
uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Vastgesteld wordt een reglement houdende bepalingen ter voorkoming
van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die
voor de scheepvaart openstaan, met de daarbij behorende bijlagen, dat is
gevoegd bij dit besluit, en dat wordt aangehaald als "
Binnenvaartpolitiereglement".
Artikel 1a
Een wijziging van richtlijn nr. 2002/59/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002 betreffende de
invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de
zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG
L 208), gaat voor de toepassing van het Binnenvaartpolitiereglement
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de
Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 2
1. Het Binnenvaartpolitiereglement geldt op de openbare wateren in
het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, met uitzondering van:
a. de Boven-Rijn, de Waal, het Pannerdensch Kanaal, de
Neder-Rijn en de Lek;
b. de aan de onder a genoemde vaarwegen gelegen havens, laad-
en losplaatsen en recreatieplassen, met uitzondering van de
voorhavens van sluizen;
c. de Westerschelde met haar mondingen;
d. het Kanaal van Terneuzen met de buitenvoorhavens te
Terneuzen;
e. de Eemsmonding, zoals bedoeld in het Eems-Dollardverdrag;
f. de Nederlandse gedeelten van de gemeenschappelijke Maas; en
g. de zeewaarts van de in het tweede lid vermelde lijn gelegen
wateren.
2. De in het eerste lid bedoelde lijn is de langs de Nederlandse
kust gaande lijn, die loopt van:
– het snijpunt van de breedtecirkel 53°26'.5 N met de Duitse
kust ter plaatse van Upleward,
– vandaar naar het punt met de coördinaten 53°26'.5 N en
006°55'.9 E,
– vandaar naar een punt gelegen 25 meter westelijk van de kop
van de strekdam van Borkum,
– vandaar via de noordelijkste punten van Rottumeroog,
Rottumerplaat en de zandplaat Simonszand, naar het oostelijkste
punt van Schiermonnikoog, en voorts langs de noordelijke kust naar
het westelijkste punt van Schiermonnikoog,
– vandaar naar het noordelijkste punt van de zandplaat Het
Rif,
– vandaar naar het oostelijkste punt van Ameland en voorts
langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit
eiland,
– vandaar naar het oostelijkste punt van Terschelling en
voorts langs de noordelijke kustlijn naar het westelijkste punt
van dit eiland,
– vandaar naar het noordelijkste punt van Vlieland en voorts
langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit
eiland,
– vandaar naar het noordelijkste punt van Texel en voorts
langs de westelijke kust tot het snijpunt van de kustlijn en de
lijn tussen het Loodsmansduin te Texel, met de coördinaten
53°01'.3 N en 004°43'.7 E, en het punt met de coördinaten
52°58'.4 N en 004°39'.4 E, op het eiland Noorderhaaks,
– vandaar naar het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en
004°39'.4 E,
– vandaar naar de Noord-Hollandse kust ter hoogte van de
vuurtoren Kijkduin bij Den Helder en voorts langs de kust van
Noord- en Zuid-Holland, waarbinnen zijn begrepen de hoofden van
IJmuiden, Scheveningen en Hoek van Holland, tot aan de
Haringvlietdam,
– vandaar langs de zeezijde van deze dam en de zeezijde van
de buitenhaven van Stellendam, naar Goeree en voorts langs de
westelijke kust hiervan naar de Brouwersdam,
– vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Schouwen en
voorts langs de westelijke kust hiervan naar de afsluiting in de
Oosterschelde,
– vandaar langs de zeezijde van deze afsluiting, over de
havenhoofden van de vluchthaven Neeltje Jans en de Noordland
Buitenhaven, Roompotsluis, naar Noord-Beveland en voorts langs de
kustlijn hiervan naar de Veersedam,
– vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Walcheren en
voorts langs de westelijke kust hiervan naar de lichtopstand de
Nolle, met de coördinaten 51°26'.9 N en 003°33'.1 E, bij
Vlissingen,
– vandaar naar de lichtopstand Nieuwe Sluis, met de
coördinaten 51°24'.4 N en 003°31'.3 E, in Zeeuws-Vlaanderen en
voorts langs de noordwestelijke kust hiervan naar het punt van
grensovergang tussen Nederland en België.
De coördinaten zijn uitgedrukt in lengte en breedte volgens het
World Geodetic System (WGS)-84, in graden en minuten.
3. In afwijking van het eerste lid gelden de artikelen 1.01, onder
A, 16°, 17° en 18°, 1.09, eerste lid, onder a, 8.01 tot en met
8.08, 9.04 en 9.05 van het Binnenvaartpolitiereglement tevens op de
Boven-Rijn, de Waal, het Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek,
en op de daaraan gelegen havens, laad- en losplaatsen en
recreatieplassen.
Artikel 3
In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat.
Artikel 4
1.Onze Minister stelt de voorschriften en de regelen vast, bedoeld
in de artikelen 1.01, onder C, 3° en 4°, 4.06, eerste lid, onder a,
en derde lid, 6.32, eerste lid, 9.07, eerste en tweede lid, en 10.02,
eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement.
2.Onze Minister wijst de instantie aan, bedoeld in artikel 4.06,
eerste lid, onder a, van het Binnenvaartpolitiereglement.
3.Onze Minister wijst de vaarwegen aan, bedoeld in de artikelen
4.06, derde en vierde lid, en 10.02, eerste lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement.
4.Onze Minister wijst de marifoonkanalen aan, bedoeld in de
artikelen 4.05, vierde lid, 4.06, tweede lid, en 6.32, derde en vierde
lid, van het Binnenvaartpolitiereglement.
5.Onze Minister wijst de categorieën van schepen aan, bedoeld in
artikel 4.06, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 5
1.In het Binnenvaartpolitiereglement wordt onder de bevoegde
autoriteit verstaan:
a. voor de vaarwegen in beheer bij het Rijk, de personen die
worden aangewezen door Onze Minister;
b. voor de vaarwegen in beheer bij een ander openbaar lichaam,
de personen die worden aangewezen telkens door het bestuur van het
openbare lichaam;
c. voor de vaarwegen niet in beheer bij enig openbaar lichaam,
de personen die worden aangewezen door het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente waarin telkens de
vaarweg is gelegen.
2.In de volgende bepalingen van het Binnenvaartpolitiereglement
worden onder de bevoegde autoriteit eveneens verstaan de ambtenaren
van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak:
artikelen 1.10, vierde lid, 1.12, derde en vierde lid, 1.13, tweede en
derde lid, 1.14, 1.15, tweede lid, 1.17, eerste lid, 1.20, 6.19, zesde
lid, en 7.02, derde lid.
Artikel 6 [Vervallen per 04-05-1991]
Artikel 7
De besluiten, bedoeld in de artikelen 4 en 5 worden in de
Staatscourant geplaatst.
Artikel 7a
Overtreding van de bepalingen van het Binnenvaartpolitiereglement,
dan wel overtreding van de aan een aanwijzing van de bevoegde autoriteit
verbonden voorwaarden, of de aan een vergunning, vrijstelling of
ontheffing verbonden voorwaarden of voorschriften, met uitzondering van
overtreding van de voorschriften verbonden aan een ontheffing als
bedoeld in artikel 10.07, tweede lid, is een strafbaar feit.
Artikel 8 [Vervallen per 07-07-2000]
Artikel 9 [Vervallen per 01-10-1995]
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Wij kunnen andere tijdstippen vaststellen waarop verschillende
artikelen of onderdelen van artikelen van dit besluit, dan wel
verschillende artikelen of onderdelen van artikelen van het
Binnenvaartpolitiereglement, in werking treden.
Artikel 11
Dit besluit kan worden aangehaald als: Vaststellingsbesluit
Binnenvaartpolitiereglement.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting en de bijlage bij deze laatste,
alsmede het bij dit besluit gevoegde Binnenvaartpolitiereglement in het Staatsblad
zullen worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan
de Raad van State.
's-Gravenhage, 26 oktober 1983
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Uitgegeven de negentiende januari 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage
Binnenvaartpolitiereglement (BPR)
Deel I
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.01. Betekenis van enkele
uitdrukkingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
A. Typen schepen
1°. schip: elk vaartuig met inbegrip
van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig,
gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer
te water;
2°. motorschip: schip dat gebruik
maakt van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, met
uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt ter
verbetering van zijn bestuurbaarheid, wanneer het wordt gesleept of
geduwd;
3°. groot schip: schip niet zijnde een
klein schip;
4°. klein schip: schip waarvan de
lengte minder dan 20 m bedraagt, waartoe als de lengte wordt
aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de
achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder de
boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak, zulks met uitzondering
van
a. een schip dat een groot schip
sleept, assisteert, duwt of langszijde vastgemaakt meevoert;
b. een passagiersschip;
c. een veerpont die vaart op een
vaarweg van de klasse II of hoger, zoals vastgesteld door de
Conférence Européenne des Ministres de Transport en opgenomen in
het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10
februari 2006, nr. RWS/SDG/2006/21059 inhoudende de Richtlijnen
vaarwegen 2005 (Stcrt. 2006, 32);
d. een vissersschip;
e. een duwbak;
5°. snel schip: groot motorschip, dat
met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water
kan varen;
6°. passagiersschip: schip dat meer
dan 12 passagiers mag vervoeren;
7°. zeegaand schip: groot schip dat,
nadat het van zee is gekomen dan wel voordat het naar zee vertrekt,
deelneemt aan de scheepvaart op een der in bijlage 11 genoemde
vaarwegen;
8°. bovenmaats schip: schip, behorende
tot een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen categorie van
schepen, die in hun manoeuvreerbaarheid zijn beperkt, doordat zij ten
gevolge van hun diepgang of hun lengte gebonden zijn aan een bepaald
gedeelte van de vaarweg;
9°. duwboot: motorschip dat deel
uitmaakt van een duwstel en daarbij dient voor het voortbewegen en het
sturen van de andersoortige schepen en dat daartoe is gebouwd of
ingericht;
10°. duwbak: schip dat is gebouwd of
in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd;
11°. zeeschipbak: duwbak die is
gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om
de binnenvaarwegen te bevaren;
12°. drijvend werktuig: schip voorzien
van werktuigen, die zijn bestemd om op vaarwegen of in havens te
worden gebruikt;
13°. vissersschip: schip dat vist met
netten, lijnen, sleepnetten of ander vistuig, die de
manoeuvreerbaarheid beperken;
14°. veerpont: schip dat een
veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, en dat
door de bevoegde autoriteit als veerpont is aangemerkt;
15°. zeilschip: schip dat uitsluitend
door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen. Een schip dat onder
zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot
voortbeweging gebruikt is een motorschip;
16°. zeilplank: klein zeilschip
voorzien van een vrij bewegende zeiltuigage, die is gemonteerd op een
in alle richtingen draaibare mastvoet en die tijdens het zeilen niet
in een vaste positie wordt ondersteund;
17°. snelle motorboot: klein schip
dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot
voortbeweging, sneller dan 20 km per uur ten opzichte van het water
kan varen;
18°. waterscooter: snelle motorboot
gebouwd of ingericht om door een of meer personen skiënd door of over
het water te worden voortbewogen;
B. Samenstellen
1°. samenstel:
a. sleep;
b. duwstel;
c. gekoppeld samenstel;
d. samenstel van een of meer
motorschepen en een alleenvarend motorschip, een duwstel of een
gekoppeld samenstel dat door deze motorschepen wordt geassisteerd;
2°. sleep: samenstel van een of meer
motorschepen en een of meer op tros daaraan verbonden andersoortige
schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, waarbij de
motorschepen dienen voor het voortbewegen dan wel voor het
voortbewegen en het sturen van de andersoortige schepen, drijvende
voorwerpen of drijvende inrichtingen;
3°. duwstel: hecht samenstel van een
of meer duwboten en een of meer andersoortige schepen, waarvan er
tenminste één is geplaatst voor een der duwboten;
4°. gekoppeld samenstel: samenstel van
langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is
geplaatst voor het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het
sturen van het samenstel;
5°. assisteren: bijstaan door een of
meer motorschepen van een alleenvarend motorschip dan wel van een
duwstel of van een gekoppeld samenstel bij het zich voortbewegen en
bij het sturen of bij een van deze handelingen;
C. Lichten en geluidsseinen
1°. ’s nachts: tijd tussen
zonsondergang en zonsopgang;
2°. overdag: tijd tussen zonsopgang en
zonsondergang;
3°. wit licht, rood licht, groen
licht, geel licht en blauw licht: lichten waarvan de kleuren voldoen
aan de daaromtrent vastgestelde voorschriften;
4°. krachtig licht, helder licht en
gewoon licht: lichten waarvan de sterkte voldoet aan de daaromtrent
vastgestelde voorschriften;
5°. flikkerlicht: periodelicht tonende
50 tot 60 flikkeringen per minuut;
6°. snel flikkerlicht: zwaailicht of
periodelicht tonende 100 tot 150 flikkeringen per minuut;
7°.
a. korte stoot: geluidssein durende
ongeveer 1 seconde;
b. lange stoot: geluidssein durende
ongeveer 4 seconden; de tijdruimte tussen twee opeenvolgende
stoten moet ongeveer 1 seconde bedragen;
8°. reeks zeer korte stoten: reeks van
tenminste 6 stoten, elk durende ongeveer ¼ seconde; de tijdruimte
tussen de opeenvolgende stoten moet ongeveer ¼ seconde bedragen;
D. Overige begrippen
1°. drijvend voorwerp: bouwsel dat
geschikt is gemaakt om te water te worden verplaatst en dat geen schip
of drijvende inrichting is;
2°. drijvende inrichting: drijvend
bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst;
3°. stilliggend: hetzij ten anker
hetzij gemeerd liggend;
4°. varend: niet ten anker of gemeerd
liggend noch vastgevaren;
5°. vaarweg: elk voor het openbaar
verkeer met schepen openstaand water;
6°. vaarwater: gedeelte van een
vaarweg dat feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt;
7°. exploitant: eigenaar,
rompbevrachter of ieder ander die de zeggenschap heeft over het
gebruik van een schip;
8°. ADNR: Reglement voor het vervoer
van gevaarlijke stoffen over de Rijn;
9°. vaarbevoegdheidsbewijs: vaarbewijs
als bedoeld in de artikelen 13, 14, 15 en 16 van het
Binnenvaartbesluit, bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart als
bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid, van de Binnenvaartwet,
Rijnpatent als bedoeld in artikel 6.02, eerste lid, van het Reglement
betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn of bewijs van
vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 6.02, derde lid, onder b, van
het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn;
10°. richtlijn nr.
2002/59/EG:richtlijn nr. 2002/59/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002 betreffende de invoering
van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de
zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG
L 208);
11°. inland AIS apparaat: een apparaat
dat op een binnenschip is ingebouwd en periodiek scheeps- of
reisgegevens met betrekking tot dat schip uitzendt;
12°. uitluisteren: het via de marifoon
luisteren naar gevoerde gesprekken, het beantwoorden van oproepen en
voor zover nodig het deelnemen aan de communicatie tussen de
verkeersdeelnemers en de verkeersposten, dan wel tussen de
verkeersdeelnemers onderling;
13°. ankeren: het stilliggen door
middel van gebruik van ankers of spudpalen.
Artikel 1.01a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 1.02. Verantwoordelijkheid voor
de naleving van het reglement
1. Een schip, met uitzondering van een
duwbak, en een samenstel moeten zijn gesteld onder het gezag van een
persoon die het schip of het samenstel voert. Deze persoon wordt
hierna aangeduid als schipper.
Onder schipper wordt tevens verstaan
degene die de leiding heeft over een drijvend voorwerp of een
drijvende inrichting.
2. De schipper is verantwoordelijk voor
de naleving van de bepalingen van dit reglement, tenzij uit die
bepalingen blijkt, dat de naleving aan anderen is opgedragen.
3. De schipper van een schip dat deel
uitmaakt van een samenstel moet de aanwijzingen van de schipper van
het samenstel opvolgen. Hij moet evenwel, ook wanneer zulke
aanwijzingen niet worden gegeven, alle maatregelen nemen, die voor het
op juiste wijze voeren van zijn schip door de omstandigheden worden
geboden.
4. De schipper moet tijdens de vaart
aan boord zijn; de schipper van een drijvend werktuig moet tevens aan
boord zijn, wanneer het werktuig in bedrijf is.
5. Indien een stilliggend schip geen
schipper heeft,
a. is de exploitant
verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.02, eerste
lid, 1.06, 1.07, 1.18, 2.01, 2.02, 3.01, vierde lid, 3.05, 3.06,
3.07, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.31, 3.32, 3.33, 5.01 eerste en
tweede lid, voorzover het de naleving betreft van de tekens, A.5,
A.5.1, A.6 en A.7 (bijlage 7) of een bekendmaking met dezelfde
strekking als deze tekens, 7.01, eerste, tweede en derde lid,
7.02, 7.04, derde lid, 7.08, 9.03, en 10.07;
b. is de wachtsman bedoeld in
artikel 7.08, eerste lid, dan wel de persoon die op grond van
artikel 7.08, tweede lid, met het toezicht op het schip is belast,
verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.12, eerste en
tweede lid, 1.13, 1.14, 1.15, 1.17, 3.01, vierde lid, 3.05, 3.06,
3.07, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.31, tweede lid, 3.32, tweede
lid, 3.33, tweede lid, 6.19, tweede lid, 6.31, eerste lid, 7.01,
derde en vierde lid, 7.04, derde lid, 7.09 tot en met 7.11, en
9.03, tweede lid.
6. Voor een stilliggend zeeschip onder
beslag, is de beslaglegger verantwoordelijk voor de naleving van de
artikelen 3.01, vierde lid,3.06, 3.20, 3.21, 3.26, 3.31 tot en met
3.33, 4.04, eerste en tweede lid, 7.01, derde lid, en 7.08, wanneer
daarin niet door een schipper, een exploitant, een wachtsman of
toezichthouder overeenkomstig het gestelde in het vijfde lid of
artikel 7.08 kan worden voorzien.
Artikel 1.03. Verplichtingen van de
bemanning en van andere personen die zich aan boord bevinden
1.Een lid van de bemanning van een
schip moet de aanwijzingen opvolgen die hem door de schipper binnen de
grenzen van diens verantwoordelijkheid worden gegeven.
Hij moet ook zonder diens aanwijzing
medewerken aan de naleving van de bepalingen van dit reglement.
2.Ieder ander die zich aan boord van
een schip bevindt moet de aanwijzingen opvolgen die hem door de
schipper in het belang van de veiligheid van de scheepvaart of van de
goede orde aan boord worden gegeven.
3.Een lid van de bemanning en ieder
ander persoon die zich aan boord bevindt en die tijdelijk zelfstandig
de koers en de snelheid van een schip bepaalt, is eveneens
verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement.
Artikel 1.04. Voorzorgsmaatregelen
De schipper moet, ook bij ontbreken van
uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen
nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het
schip of het samenstel zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te
voorkomen dat:
a. het leven van personen in gevaar
wordt gebracht;
b. schade wordt veroorzaakt aan
andere schepen of aan drijvende voorwerpen, dan wel aan oevers of
aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg
of op de oevers daarvan bevinden;
c. de veiligheid of het vlotte
verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.
Artikel 1.05. Afwijking van het reglement
De schipper moet in het belang van de
veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, voorzover dit door de
bijzondere omstandigheden waarin het schip of het samenstel zich bevindt
is geboden, volgens goede zeemanschap afwijken van de bepalingen van dit
reglement.
Artikel 1.06. Gebruik van de vaarweg
Een schip of een samenstel mag niet
deelnemen aan de scheepvaart, indien de lengte, de breedte, de hoogte
boven water, de diepgang, de manoeuvreerbaarheid of de snelheid van dit
schip of dit samenstel niet verenigbaar zijn met de karakteristiek en
met de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.
Artikel 1.07. Belading
1.Een schip mag niet deelnemen aan de
scheepvaart indien het zodanig is beladen, dat het inzinkt tot over
het vlak door de onderkant van de inzinkingsmerken voor de vaarweg
welke het bevaart, dan wel tot over de lijn voor de uitwatering
vastgesteld voor de vaarweg welke het bevaart.
2.Een schip mag niet deelnemen aan de
scheepvaart indien door de wijze van belading de stabiliteit in gevaar
wordt gebracht.
Tijdens de vaart mag de lading het
directe of indirecte uitzicht niet meer beperken dan tot 350 m voor
het schip of het samenstel.
3.De stabiliteit van de volgende
schepen die containers vervoeren moet bovendien voor het begin van de
reis worden gecontroleerd:
a. schepen met een breedte van
minder dan 9,50 m, indien de containers in meer dan één laag
zijn geladen,
b. schepen met een breedte van 9,50
m tot 11 m, indien de containers in meer dan twee lagen zijn
geladen, en
c. schepen met een breedte van 11 m
of meer, indien de containers in meer dan drie rijen naast elkaar
en in meer dan twee lagen zijn geladen of indien de containers in
meer dan drie lagen zijn geladen.
Artikel 1.08
(niet overgenomen).
Artikel 1.09. Sturen van een schip
1. Een schip mag niet varen, indien het
sturen niet wordt verricht door een daartoe bekwaam persoon. Voor deze
persoon geldt:
a. een minimum leeftijd van 18 jaar
voor het sturen van een snelle motorboot;
b. een minimum leeftijd van 16
jaar:
1°. voor het sturen van een
groot schip,
2°. voor het sturen van een
klein motorschip niet zijnde een snelle motorboot en niet
zijnde een klein open motorschip met een lengte van minder dan
7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid ten opzichte van het
water niet meer is dan 13 km per uur, en
3°. voor het sturen van een
zeilschip met een lengte van 7 m of meer;
c. een minimum leeftijd van 12 jaar
voor het sturen van een klein open motorschip met een lengte van
minder dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid ten opzichte
van het water niet meer is dan 13 km per uur.
2. De bevoegde autoriteit kan van het
eerste lid, onderdeel a, ontheffing verlenen voor het in
verenigingsverband oefenen voor deelname aan met snelle motorboten te
houden wedstrijden of voor het deelnemen aan dergelijke wedstrijden.
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en er kunnen
voorwaarden aan worden verbonden.
3. Op ieder snel schip moet tijdens de
vaart het roer worden bediend door een persoon die houder is van het
vereiste vaarbevoegdheidsbewijs alsmede van het radarpatent. Bij een
snel schip moet tijdens het snel varen een tweede persoon die eveneens
houder is van het vereiste vaarbevoegdheidsbewijs en van het
radarpatent zich in de stuurhut bevinden.
4. Een schip mag niet varen indien
degene die het sturen verricht niet in staat is alle in de stuurhut
binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te
vernemen en te geven. In het bijzonder dient hij naar alle zijden een
voldoende vrij direct of indirect uitzicht te hebben en in de
gelegenheid te zijn geluidsseinen te horen. Indien geen vrij uitzicht
mogelijk is kan dit worden gecompenseerd door een optisch hulpmiddel,
waarmede over een voldoende ruim gezichtsveld een helder en
onvertekend beeld wordt verkregen, dan wel door een uitkijk. Indien
bijzondere omstandigheden dit vorderen, dient een uitkijk of
luisterpost die hem inlicht aanwezig te zijn.
Artikel 1.10. Scheepsbescheiden
1. Aan boord van een schip moeten de
volgende bescheiden, voorzover deze door de daartoe gestelde
wettelijke regelingen worden vereist, aanwezig zijn:
a. de meetbrief van het schip;
b. de bescheiden vereist door het
ADNR, nrs. 8.1.2.1, 8.1.2.2 en 8.1.2.3;
c. het vaarbevoegdheidsbewijs;
d. het radarpatent dan wel een
ander diploma dat overeenkomstig het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn is toegelaten; deze documenten
behoeven niet aan boord te zijn, indien het Rijnpatent of een
ander overeenkomstig het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn toegelaten diploma van de schipper
de vermelding «Radar» bevat;
e. het Handboek voor de marifonie
in de binnenvaart, algemeen en regionaal deel;
f. het registratiebewijs gebruik
frequentieruimte (maritiem mobiel);
g. het marifoon
bedieningscertificaat;
h. het certificaat van onderzoek,
overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Binnenvaartwet, met
inbegrip van het stuwplan of de ladinglijst voor de actuele
beladingstoestand en de stabiliteitsberekening, met inbegrip van
de daarbij gebruikte berekeningsmethode en het resultaat daarvan,
voor de actuele, of een vergelijkbare vorige, dan wel een
standaard beladingstoestand;
i. het certificaat voor de
navigatielantaarns;
j. het registratiebewijs snelle
motorboot.
2. In afwijking van het eerste lid is
de aanwezigheid van de in het eerste lid, onder a en h, bedoelde
bescheiden niet vereist aan boord van duwbakken waarop een metalen
plaat is aangebracht van het volgende model:
UNIEK EUROPEES
SCHEEPSIDENTIFICATIENUMMER:
COMMUNAUTAIR CERTIFICAAT:
– NUMMER:
– COMMISSIE VAN DESKUNDIGEN:
– GELDIG TOT:
Indien de duwbak over een officieel
scheepsnummer beschikt, moet dat begrip en het officieel scheepsnummer
op de metalen plaat worden aangebracht.
3. De in het tweede lid bedoelde
gegevens moeten, in goed leesbare letters met een hoogte van tenminste
6 mm, ingehakt of ingeslagen zijn. De metalen plaat moet een hoogte
van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm hebben. Zij
moet op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare
plaats zijn bevestigd. De overeenstemming tussen de gegevens op de
plaat met die in het communautair certificaat van de duwbak moet
worden bevestigd door een Commissie van Deskundigen door middel van
het aanbrengen op de plaat van een stempel. De in het eerste lid,
onder a en h, genoemde bescheiden moeten aanwezig zijn bij de eigenaar
van de duwbak.
4. De in het eerste lid bedoelde
bescheiden moeten op eerste vordering van de bevoegde autoriteit aan
deze worden overgelegd ter controle van het bepaalde bij of krachtens
dit reglement.
Artikel 1.11. Reglement aan boord
1.Aan boord van een schip moet een
bijgewerkt exemplaar van het geldige Binnenvaartpolitiereglement
aanwezig zijn. Een exemplaar dat via een elektronisch middel op ieder
moment geraadpleegd kan worden is eveneens toegestaan.
2.Dit artikel is niet van toepassing op
een groot schip zonder bemanningsverblijf noch op een klein open
schip.
Artikel 1.12. Buiten boord uitsteken van
voorwerpen; verlies van voorwerpen; hindernissen
1.Een schip, een drijvend voorwerp of
een drijvende inrichting mag geen voorwerpen hebben uitsteken, tenzij
daarmede geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan
andere schepen en aan kunstwerken kan worden veroorzaakt.
2.Een schip moet een anker waarvan geen
gebruik wordt gemaakt geheel voorhalen, met dien verstande dat het, zo
het voorop ook over een klipanker beschikt, het stokanker binnen boord
moet hebben gehaald.
3.Indien een schip, een drijvend
voorwerp of een drijvende inrichting een voorwerp verliest waardoor
een belemmering van of een gevaar voor de scheepvaart kan ontstaan
moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de
dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk
de plaats aangeven waar het voorwerp is verloren. Zo mogelijk moet hij
bovendien deze plaats met een kenteken aanduiden.
4.Indien een schip een hindernis in de
vaarweg aantreft moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan
de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig
mogelijk de plaats aangeven waar de hindernis is aangetroffen.
Artikel 1.13. Bescherming van
verkeerstekens
1.Een schip, een drijvend voorwerp of
een drijvende inrichting mag geen verkeerstekens gebruiken om daaraan
te meren of daaraan te verhalen, ze niet beschadigen en ze niet
ongeschikt voor hun bestemming maken.
2.Indien een schip, een drijvend
voorwerp of een drijvende inrichting een verkeersteken heeft
verplaatst of beschadigd, moet de schipper onverwijld daarvan kennis
geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.
3.In het algemeen genomen, is de
schipper verplicht het in het ongerede of beschadigd zijn van
verkeerstekens onverwijld ter kennis van de dichtstbijzijnde bevoegde
autoriteit te brengen.
Artikel 1.14. Beschadiging van
kunstwerken
Indien een schip, een drijvend voorwerp
of een drijvende inrichting een kunstwerk heeft beschadigd, moet de
schipper onverwijld daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde
bevoegde autoriteit.
Artikel 1.15. Verbod tot het te water
doen geraken van voorwerpen of stoffen
1.Het is verboden van een schip, een
drijvend voorwerp of een drijvende inrichting af voorwerpen of stoffen
die de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kunnen brengen te water
te doen geraken.
2.Indien zodanige voorwerpen of stoffen
van een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting af
bij ongeluk te water geraken of dreigen te water te geraken, moet de
schipper onverwijld daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde
bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk opgeven de aard
van deze voorwerpen of stoffen en de plaats waar zij te water zijn
geraakt of zij dreigen te water te geraken.
Artikel 1.16
(niet overgenomen).
Artikel 1.17. Vastgevaren of gezonken
schepen; aangifte van ongevallen
1.Indien een schip of een drijvend
voorwerp is vastgevaren of gezonken moet de schipper zo spoedig
mogelijk daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde
autoriteit. De schipper of, ingeval deze een ander lid der bemanning
daartoe opdracht geeft, dit bemanningslid, moet aan boord of in de
nabijheid van de plaats van het ongeval blijven, zolang de bevoegde
autoriteit hem niet heeft toegestaan zich te verwijderen.
2.Tenzij dit klaarblijkelijk niet nodig
is, moet de schipper, onverminderd de verplichting de bij artikel 3.25
bedoelde lichten en dagtekens te tonen, zo spoedig mogelijk naderende
schepen laten waarschuwen op daarvoor geschikte plaatsen en op
zodanige afstand van de plaats van het ongeval, dat deze schepen
tijdig de nodige maatregelen kunnen nemen.
Artikel 1.18. Verplichting tot vrijmaking
van het vaarwater
1.Indien een schip of een drijvend
voorwerp dat is vastgevaren of gezonken dan wel een door een schip of
een drijvend voorwerp verloren voorwerp het vaarwater geheel of
gedeeltelijk verspert of dreigt te versperren, moet de schipper de
nodige maatregelen nemen om het vaarwater zo spoedig mogelijk vrij te
maken.
2.Een overeenkomstige verplichting
geldt voor de schipper wiens schip of drijvend voorwerp dreigt te
zinken of onmanoeuvreerbaar wordt.
Artikel 1.19. Verkeersaanwijzingen
De schipper is verplicht aan een
verkeersaanwijzing gevolg te geven.
Artikel 1.20. Verlenen van medewerking
aan ambtenaren
De schipper moet aan de bevoegde
autoriteit de nodige medewerking verlenen, in het bijzonder het
onmiddellijk aan boord komen van deze vergemakkelijken, teneinde deze in
staat te stellen zich ervan te vergewissen of de bepalingen van dit
reglement worden nageleefd.
Artikel 1.21. Bijzondere transporten
1. Als een bijzonder transport wordt
beschouwd het verplaatsen op de vaarweg:
a. van een schip of een samenstel
dat niet voldoet aan artikel 1.06;
b. van een drijvende inrichting of
van een drijvend voorwerp, tenzij het verplaatsen daarvan
klaarblijkelijk geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen
schade aan de kunstwerken kan veroorzaken.
2. Een bijzonder transport vaart niet
dan met een vergunning van de bevoegde autoriteit. Aan een vergunning
kunnen door de bevoegde autoriteit voorwaarden worden verbonden.
3. Voor een bijzonder transport wordt
een schipper aangewezen. Met artikel 1.02wordt rekening gehouden.
Artikel 1.22
(niet overgenomen).
Artikel 1.23. Melden van en toestemming
voor evenementen en andere gebeurtenissen
1. Het is verboden een sportevenement,
een festiviteit of een ander evenement, waarbij een of meer schepen of
drijvende voorwerpen zijn betrokken, dan wel een tewaterlating van een
schip of een proefvaart met een schip of van een drijvend voorwerp of
werkzaamheden op een vaarweg te doen plaats hebben zonder dit tijdig
tevoren bij de bevoegde autoriteit te melden.
2. Indien een gebeurtenis als bedoeld
in het eerste lid de veiligheid of het vlotte verloop van de
scheepvaart in gevaar kan brengen, is het verboden deze zonder
toestemming van de bevoegde autoriteit te doen plaats hebben. Aan een
toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
3. Het is verboden een evenement,
waarbij zich personen anders dan op een schip te water bevinden en
waardoor hinder of gevaar voor het scheepvaartverkeer kan ontstaan,
zonder toestemming van de bevoegde autoriteit te doen plaats hebben.
Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 1.24. Afwijken voorschriften door
handhavingsdiensten, brandweer en schepen bestemd tot inzet bij
calamiteiten
Schepen van handhavingsdiensten en
brandweer, en reddingsvaartuigen betrokken bij reddingsoperaties mogen,
behoudens het bepaalde in de artikelen 1.04 en 1.05, afwijken van de
voorschriften van dit besluit voor zover dat voor een goede vervulling
van hun taak noodzakelijk is.
Hoofdstuk 2. Kentekens
Artikel 2.01. Kentekens van grote schepen
1.Een groot schip mag niet deelnemen
aan de scheepvaart, indien niet op de romp of op duurzaam bevestigde
borden of platen zijn aangebracht:
a. hetzij de naam van een schip die
ook een kenspreuk kan zijn, hetzij de naam van een instelling
waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting
daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer, aan beide zijden van
het schip en bovendien, met uitzondering van een duwbak, op een
zodanige plaats, dat deze aanduiding van achteren zichtbaar is;
b. de thuishaven van het schip en
de letter of de lettercombinatie die volgens bijlage 1 van dit
reglement het land aangeeft, waarin deze is gelegen, hetzij aan
beide zijden van het schip hetzij aan de achterzijde.
2.De kentekens, bedoeld in het eerste
lid, moeten zijn aangebracht in lichte kleur op donkere ondergrond of
in donkere kleur op lichte ondergrond in goed leesbare en onuitwisbare
Latijnse letters en Arabische cijfers met een hoogte voor de naam van
tenminste 20 cm en voor de overige aanduidingen van tenminste 15 cm en
met een breedte en een stamdikte die in goede verhouding tot de hoogte
staan.
Artikel 2.02. Kentekens van kleine
schepen
1. Een klein schip mag niet deelnemen
aan de scheepvaart, indien hierop niet zijn aangebracht:
a. hetzij de naam van het schip die
ook een kenspreuk kan zijn, hetzij de naam van de instelling
waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting
daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer, aan de buitenzijde
van het schip in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere
kleur op lichte ondergrond in goed leesbare en onuitwisbare
Latijnse letters en Arabische cijfers; en
b. de naam en de woonplaats van de
eigenaar op een in het oog vallende plaats aan de binnen- of de
buitenzijde van het schip.
2. Op een bijboot van een schip behoeft
echter, aan de binnen- of de buitenzijde, slechts een zodanig kenteken
te zijn aangebracht, dat daaruit kan worden opgemaakt wie de eigenaar
is.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op snelle motorboten, waarop het registratieteken bedoeld
in artikel 8.02 is aangebracht, en op een door spierkracht
voortbewogen schip noch op een zeilschip met een lengte van minder dan
7 m.
Artikel 2.03
(niet overgenomen).
Artikel 2.04
(niet overgenomen).
Artikel 2.05
(niet overgenomen).
Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen
Afdeling I. Algemene bepalingen
Artikel 3.01. Toepassing
1.Op een varend schip zijn de artikelen
3.08 tot en met 3.18 van toepassing. Op een varend drijvend voorwerp
en een varende drijvende inrichting is artikel 3.19 van toepassing.
2.Op een stilliggend schip zijn de
artikelen 3.20 tot en met 3.22 en 3.24 tot en met 3.26 van toepassing.
Op een stilliggend drijvend voorwerp en een stilliggende drijvende
inrichting zijn de artikelen 3.23 en 3.26 van toepassing.
3.De artikelen 3.21, 3.23, 3.25 en 3.26
zijn eveneens van toepassing op een schip, een drijvend voorwerp of
een drijvende inrichting die is vastgevaren.
4.Wanneer het zicht dit vereist, moeten
de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden
gevoerd.
5.Bij het varen door de
doorvaartopening van een vaste brug of van een beweegbare brug in
gesloten toestand dan wel van een ander kunstwerk mogen de in dit
hoofdstuk bedoelde tekens zoveel lager worden gevoerd als hiervoor
nodig is.
6.Een vóór een sluis stilliggend
schip dat wacht om te worden geschut en een vóór een beweegbare brug
stilliggend schip dat wacht tot het doorvaren wordt toegestaan mogen
de lichten en dagtekens blijven voeren, die zijn voorgeschreven voor
een varend schip.
7.Een schetsmatige weergave van de bij
dit hoofdstuk voorgeschreven tekens is opgenomen in bijlage 3.
Artikel 3.01a. Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. toplicht: wit krachtig licht dat
schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel aan elke zijde
van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars
en dat uitsluitend over deze boog zichtbaar is;
b. boordlichten: groen helder licht
aan stuurboordszijde en rood helder licht aan bakboordszijde die elk
schijnen over een boog van de horizon van 112°30' en wel elk aan
zijn zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker
dan dwars en die uitsluitend over deze boog zichtbaar zijn;
c. heklicht: wit helder of gewoon
licht dat schijnt over een boog van de horizon van 135° en wel aan
elke zijde van het schip over 67°30' van recht achteruit en dat
uitsluitend over deze boog zichtbaar is;
d. rondom schijnend licht: een licht
dat schijnt over een boog van 360° en dat over deze boog zichtbaar
is;
e. hoogte:
- hetzij: de hoogte boven het
vlak door de onderkant der inzinkingsmerken ter plaatse van de
grootst toegelaten diepgang, zoals deze ingevolge de
voorschriften omtrent het vlak van de grootst toegelaten
diepgang van binnenschepen voor het schip is vastgesteld voor de
Rijn of daarmede volgens die voorschriften gelijkgestelde
vaarwegen;
- hetzij voor een schip dat niet
is voorzien van inzinkingsmerken: de hoogte boven het bovenste
doorlopende dek of bij gebreke hieraan boven het potdeksel.
Artikel 3.02. Lichten en
navigatielantaarns
1.Voor zover niet anders wordt bepaald,
moeten de lichten die een schip ingevolge dit reglement moet voeren
gelijkmatig zijn.
2.Een schip mag slechts de
navigatielantaarns gebruiken:
a. waarvan de lantaarnhuizen, de
uitrusting en de lichtbronnen het keurmerk dragen dan wel voorzien
zijn van het certificaat voorgeschreven in de voorschriften die
krachtens artikel 1.01, onder C.3° en C.4°, zijn vastgesteld, en
b. waarvan de lichten voor wat
betreft hun horizontale uitstraling, kleur en sterkte in
overeenstemming zijn met dit reglement.
3.De lichten van stilliggende schepen
die niet zijn uitgerust met een motor behoeven niet aan bovenvermelde
voorschriften te voldoen. Bij goed zicht en tegen een donkere
achtergrond dient de zichtbaarheid daarvan echter ongeveer 1000 m te
bedragen.
Artikel 3.03. Borden, vlaggen, en wimpels
1.Voor zover niet anders wordt bepaald,
moeten de borden en vlaggen die een schip ingevolge dit reglement moet
voeren rechthoekig zijn.
2.Zij mogen niet vervuild en de kleuren
mogen niet verbleekt zijn.
3.De afmetingen moeten tenminste als
volgt zijn:
a. voor borden en vlaggen: een
lengte en een hoogte van elk tenminste 1 m;
b. voor wimpels: een lengte van
tenminste 1 m en een hoogte aan één zijde van tenminste 0,50 m.
4.In afwijking van het derde lid mogen
voor kleine schepen voorwerpen van geringere afmetingen worden
gebruikt die in verhouding staan tot de grootte van het kleine schip.
De afmetingen moeten echter in ieder geval zodanig zijn, dat een goede
zichtbaarheid wordt verzekerd.
Artikel 3.04. Cylinders, bollen, kegels
en ruiten
1.De cylinders, bollen, kegels en
ruiten, die een schip ingevolge dit reglement moet voeren, mogen
worden vervangen door voorwerpen die op een afstand dezelfde vorm
vertonen.
2.Zij mogen niet vervuild en de kleuren
mogen niet verbleekt zijn.
3.De afmetingen moeten tenminste als
volgt zijn:
a. voor cilinders: een hoogte van
80 cm en een middellijn van 50 cm;
b. voor bollen: een middellijn van
60 cm;
c. voor kegels: een hoogte van 60
cm en een middellijn van het grondvlak van 60 cm, zodanig dat de
middellijn van het grondvlak niet meer is dan de hoogte;
d. voor ruiten: een lengte van de
verticale middellijn van 80 cm en van de horizontale middellijn
van 50 cm, zodanig dat de lengte van de horizontale middellijn
niet meer is dan die van de verticale middellijn.
4.In afwijking van het derde lid mogen
voor kleine schepen voorwerpen van geringere afmetingen worden
gebruikt die in verhouding staan tot de grootte van het kleine schip.
De afmetingen moeten echter in ieder geval zodanig zijn, dat een goede
zichtbaarheid wordt verzekerd.
Artikel 3.05. Verboden tekens
1.Een schip mag geen andere tekens
voeren of tonen dan die welke in dit reglement worden vermeld en mag
niet deze tekens voeren of tonen onder andere omstandigheden dan die
welke in dit reglement zijn voorzien.
2.Een schip mag voor het wisselen van
berichten met andere schepen of met de wal geen tekens gebruiken die
kunnen leiden tot verwarring met de in dit reglement vermelde tekens.
Artikel 3.06. Noodlichten
Indien de lichten die een schip ingevolge
dit reglement moet voeren niet kunnen werken, moet het schip deze
onverwijld door noodlichten vervangen. Ingeval een krachtig licht wordt
voorgeschreven, mag echter het noodlicht helder, en ingeval een helder
licht wordt voorgeschreven, mag het noodlicht gewoon zijn. Het schip
moet zo spoedig mogelijk wederom lichten van de voorgeschreven sterkte
in gebruik stellen.
Artikel 3.07. Verboden lichten,
verlichting of zoeklichten dan wel vlaggen, borden, wimpels of andere
voorwerpen
1.Een schip mag geen lichten,
verlichting of zoeklichten dan wel vlaggen, borden, wimpels of andere
voorwerpen doen zichtbaar zijn, die kunnen leiden tot verwarring met
de in dit reglement vermelde tekens dan wel de waarneembaarheid of de
herkenning daarvan kunnen bemoeilijken.
2.Een schip mag zijn lichten dan wel
zijn verlichting of zijn zoeklichten niet op zodanige wijze gebruiken,
dat zij door verblinding gevaar of hinder voor de scheepvaart kunnen
veroorzaken.
Afdeling II. Tekens tijdens het varen
Artikel 3.08. Tekens van grote
motorschepen
1.Een alleenvarend groot motorschip
moet ’s nachts voeren:
a. een toplicht op het voorschip in
de lengte-as van het schip op een hoogte van tenminste 5 m. Deze
hoogte mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het
schip niet meer dan 40 m bedraagt;
b. boordlichten op gelijke hoogte
en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste
1 m lager dan het toplicht, en niet meer dan 1 m binnen de
buitenzijden van het schip;
c. een heklicht op het achterschip,
zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige
hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het
schip oploopt.
2.Een alleenvarend groot motorschip mag
’s nachts op het achterschip een tweede toplicht voeren op een
grotere hoogte dan het toplicht op het voorschip.
3.Een groot motorschip dat wordt
geassisteerd moet voeren:
a. ’s nachts: de in het eerste en
tweede lid voorgeschreven lichten;
b. overdag: een gele bol op het
voorschip op een hoogte van tenminste 5 m. Indien dit schip een
zeegaand schip is, behoeft het de gele bol niet te voeren, doch
mag het deze voeren.
4.Een snel schip moet overdag en ’s
nachts, naast de overige tekens die bij dit reglement zijn
voorgeschreven, voeren: twee gele krachtige rondom schijnende snelle
flikkerlichten, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat
zij van alle zijden zichtbaar zijn.
5.Een groot schip dat onder zeil vaart
en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt
moet overdag voeren: een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo
hoog mogelijk, op een plaats waar hij het best kan worden gezien.
6.Dit artikel is niet van toepassing op
een veerpont, een vissersschip en een schip dat loodsdienst uitoefent.
Artikel 3.09. Tekens van slepen en van
motorschepen die assisteren
1.Het motorschip aan de kop van een
sleep bestaande uit grote schepen, alsmede het motorschip dat een
groot motorschip, duwstel of gekoppeld samenstel assisteert, moet
voeren:
a. ’s nachts:
1°. twee toplichten op het
voorschip, in de lengte-as van het schip, in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste
op een hoogte van tenminste 5 m en het onderste voorzover
mogelijk ten minste 1 m hoger dan de boordlichten. De hoogte
van het bovenste licht mag worden verminderd tot 4 m, indien
de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
2°. boordlichten op gelijke
hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip,
tenminste 1 m lager dan het toplicht en niet meer dan 1 m
binnen de buitenzijden van het schip;
3°. een geel helder of gewoon
licht op het achterschip in de lengte-as van het schip, dat
schijnt over dezelfde boog van de horizon als een heklicht en
dat is aangebracht op een geschikte plaats en op een zodanige
hoogte, dat het goed zichtbaar is voor de gesleepte lengten
achter het schip;
b. overdag: een gele cilinder die
aan de bovenzijde en aan de benedenzijde is voorzien van twee
banden, zwart en wit, de witte banden aan de uiteinden van de
cilinder, en die is aangebracht in verticale stand op het
voorschip op een zodanige hoogte, dat hij van alle zijden
zichtbaar is.
2.Indien een sleep verscheidene
motorschepen bevat die niet in kiellinie varen dan wel verscheidene
motorschepen tezamen een motorschip, een duwstel of een gekoppeld
samenstel assisteren, moet elk van deze schepen, in plaats van de in
het eerste lid bedoelde toplichten, ’s nachts voeren:
drie toplichten op het voorschip, in de
lengte-as van het schip, in een verticale lijn telkens met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m. Het bovenste en het onderste
toplicht moeten op dezelfde hoogte zijn aangebracht als voor de in het
eerste lid bedoelde toplichten is voorgeschreven.
3.Een groot schip van een sleep dat
niet is het motorschip of een der motorschepen, bedoeld in het eerste
en tweede lid, moet voeren:
a. ’s nachts: een wit helder
rondom schijnend licht, op een hoogte van tenminste 5 m. Deze
hoogte mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het
schip niet meer dan 40 m bedraagt;
b. overdag: een gele bol, op een
geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat hij van alle
zijden zichtbaar is.
Indien echter:
i. een lengte in een sleep langer
is dan 110 m, moet deze lengte ’s nachts twee van deze lichten
voeren, waarvan één voorop en één achterop;
ii. een lengte in een sleep is
samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte
schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden dit licht of
deze lichten dan wel deze bol voeren.
4.Het grote schip of de grote schepen
die de laatste lengte van een sleep vormen moeten ’s nachts, behalve
het licht of de lichten voorgeschreven bij het derde lid, een heklicht
op het achterschip voeren dat zoveel als mogelijk in de lengte-as van
het schip is geplaatst op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar
is voor een ander schip dat het schip oploopt.
Indien echter de laatste lengte van een
sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar
vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden
deze lichten voeren. Indien de laatste lengte van een sleep uit een
klein schip of kleine schepen bestaat, wordt voor de toepassing van
dit lid geen rekening met deze kleine schepen gehouden.
5.Indien het in het derde lid bedoelde
schip een zeegaand schip is, mag het, in plaats van de in het eerste
tot en met vierde lid voorgeschreven tekens, voeren:
a. ’s nachts:
1°. boordlichten op gelijke
hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip,
tenminste 1 m lager dan het toplicht en niet meer dan 1 m
binnen de buitenzijden van het schip;
2°. een heklicht op het
achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip
op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een
ander schip dat het schip oploopt.
b. overdag: een gele bol als
voorgeschreven in het derde lid, doch behoeft het deze niet te
voeren.
Artikel 3.10. Tekens van duwstellen
1.Een duwstel moet des nachts voeren:
a.
1e. drie toplichten op het
voorschip van het voorste schip of van het meest aan bakboord
geplaatste der voorste schepen, in de vorm van een
gelijkzijdige driehoek met een horizontale basis in een vlak
loodrecht op de lengte-as van het duwstel, het bovenste licht
op een hoogte van ten minste 5 m en de beide onderste lichten,
ongeveer 1,25 m uit elkaar, ongeveer 1,10 m onder het bovenste
licht;
2e. een toplicht op het
voorschip van elk ander schip dat van voren over de volle
breedte zichtbaar is, voorzover mogelijk 3 m lager dan het
bovenste licht, bedoeld onder 1e.
De masten waaraan deze lichten
worden gevoerd moeten zijn geplaatst in de lengte-as van het schip
waarop zij zich bevinden;
b. boordlichten die moeten zijn
geplaatst
1°. op gelijke hoogte in een
lijn loodrecht op de lengte-as,
2°. op het breedste gedeelte
van het duwstel op of zo dicht mogelijk bij de duwboot,
3°. ten hoogste 1 m binnen de
zijkanten van het duwstel, en
4°. op een hoogte van
tenminste 2 m;
c.
1°. drie heklichten op de
duwboot in een horizontale lijn loodrecht op de lengte-as,
telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar, op een zodanige hoogte dat
zij niet door een van de andere schepen van het duwstel aan
het zicht kunnen worden onttrokken;
2°. een heklicht op elk ander
schip dat van achteren over de volle breedte zichtbaar is.
Indien, behalve de duwboot, meer dan twee schepen van achteren
zichtbaar zijn, moet dit licht alleen door de schepen aan de
buitenzijden worden gevoerd. Dit licht moet worden gevoerd op
het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het
schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor
een ander schip dat het schip oploopt.
Deze lichten moeten voldoen aan artikel
3.08, eerste lid, onder c.
2.Een duwstel dat wordt geassisteerd
moet voeren:
- des nachts:
de lichten voorgeschreven bij het
eerste lid. De lichten bedoeld in het eerste lid, onder c, 1e,
dienen echter gele lichten te zijn;
- des daags:
een gele bol op de duwboot op een
hoogte van tenminste 5 m.
3.Een duwstel dat door twee duwboten
naast elkaar wordt voortbewogen moet de heklichten bedoeld in het
eerste lid, onder c, 1e, voeren op de duwboot aan stuurboord; de
andere duwboot moet het heklicht bedoeld in het eerste lid, onder c,
2e, voeren.
4.Een duwstel, waarvan de grootste
lengte niet meer dan 110 m en de grootste breedte niet meer dan 12 m
bedraagt, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk beschouwd als
één motorschip van dezelfde afmetingen.
Artikel 3.11. Tekens van gekoppelde
samenstellen
1.Een gekoppeld samenstel bestaande uit
grote schepen moet ’s nachts voeren:
a. een toplicht op het voorschip
van elk schip, in de lengte-as op een hoogte van tenminste 5 m.
Op een schip dat geen motorschip
is, mag in plaats van dit licht worden gevoerd een wit helder
rondom schijnend licht, op een geschikte plaats en op een hoogte
van tenminste 5 m, maar niet hoger dan het toplicht van het
motorschip of de toplichten van de motorschepen. De hoogte van
zowel het toplicht als het rondom schijnende licht mag worden
verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan
40 m bedraagt;
b. boordlichten aan de buitenzijden
van het samenstel, voorzover mogelijk op onderling dezelfde hoogte
en tenminste 1 m lager dan het laagste licht, bedoeld onder a. Zij
moeten zijn geplaatst in een lijn loodrecht op de lengte-as van
het schip en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het
schip;
c. een heklicht op het achterschip
van elk schip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip
en op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een
ander schip dat het schip oploopt.
2.Een gekoppeld samenstel bestaande uit
grote schepen dat wordt geassisteerd moet voeren:
a. ’s nachts: de lichten
voorgeschreven in het eerste lid;
b. overdag: een gele bol, voorop op
een hoogte van ten minste 5 m.
3.Indien bij een gekoppeld samenstel
bestaande uit grote schepen het langszijde van het motorschip
vastgemaakte andersoortige schip een zeegaand schip is, mag het
motorschip, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven
lichten, de lichten voeren, bedoeld in artikel 3.09, eerste lid, en
mag het andersoortige schip voeren: boordlichten en een heklicht, als
bedoeld in het eerste lid, onder b en c.
4.Een gekoppeld samenstel, waarvan de
grootste lengte meer dan 140 m bedraagt, wordt voor de toepassing van
dit hoofdstuk beschouwd als een duwstel van dezelfde lengte.
Artikel 3.12. Tekens van grote
zeilschepen
Een groot zeilschip moet ’s nachts
voeren:
a. boordlichten op gelijke hoogte en
in een lijn loodrecht op de lengte-as en ten hoogste 1 m binnen de
zijkanten van het schip. Zij mogen gewone lichten zijn;
b. een heklicht op het achterschip,
zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige
hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip
oploopt;
c. twee heldere of gewone rondom
schijnende lichten in een verticale lijn, het bovenste rood en het
onderste groen, met een onderlinge afstand van ten minste 1 m, aan
of nabij de top van de mast, waar deze het best kunnen worden
gezien.
Artikel 3.13. Tekens van kleine schepen
1.Een alleenvarend klein motorschip
moet ’s nachts voeren:
a. hetzij:
1°. een toplicht in de
lengteas van het schip, op dezelfde hoogte als de boordlichten
en tenminste 1 m voor deze lichten. Dit licht moet een helder
licht zijn;
2°. boordlichten. Deze lichten
mogen gewone lichten zijn. Zij moeten zich op gelijke hoogte
en in één lijn loodrecht op de lengteas van het schip
bevinden; en
3°. een heklicht op het
achterschip, op zodanige hoogte dat het voor een oploper goed
zichtbaar is;
b. hetzij:
1°. een toplicht, zoals
voorgeschreven onder a, 1°. Dit licht moet echter ten minste
1 m hoger dan de boordlichten worden gevoerd;
2°. de boordlichten, zoals
voorgeschreven onder a, 2°. Deze lichten mogen echter
onmiddellijk naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de
lengteas van het schip aan of nabij de boeg worden gevoerd; en
3°. een heklicht, zoals
voorgeschreven onder a, 3°. In plaats van dit heklicht en van
het onder b, 1°, bedoelde toplicht mag een wit rondom
schijnend licht worden gevoerd.
2.Een alleenvarend klein open
motorschip met een lengte van minder dan 7 m waarvan de hoogst
bereikbare snelheid niet meer is dan 13 km per uur ten opzichte van
het water mag, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven
lichten, een wit gewoon rondom schijnend licht voeren.
3.Een klein motorschip dat slechts
kleine schepen sleept dan wel langszijde daarvan vastgemaakte kleine
schepen voortbeweegt moet des nachts de bij het eerste lid
voorgeschreven lichten voeren.
4.Een klein schip dat wordt gesleept
dan wel langszijde van een ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen
moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Dit lid
is niet van toepassing op de bijboot van een schip.
5.Een klein zeilschip moet des nachts
voeren:
- hetzij boordlichten en een
heklicht, zodanig dat de boordlichten naast elkaar of in één
lantaarn verenigd in de lengte-as van het schip aan of nabij de
boeg en het heklicht op het achterschip zijn aangebracht. De
boordlichten mogen gewone lichten zijn;
- hetzij boordlichten en een
heklicht, verenigd in één lantaarn, aan of nabij de top van de
mast waar deze het best kan worden gezien. Dit mag een gewoon
licht zijn;
- hetzij, indien de lengte van het
schip minder dan 7 m bedraagt, een wit gewoon rondom schijnend
licht op een zodanige hoogte, dat het van alle zijden zichtbaar
is. Het schip moet dan bovendien bij het naderen van een ander
schip, bij gevaar voor aanvaring, een tweede wit gewoon licht
tonen om de aandacht te trekken.
6.Een klein door spierkracht
voortbewogen schip moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend
licht voeren.
7.Een klein schip dat onder zeil vaart
en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt
moet overdag voeren: een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo
hoog mogelijk, op een plaats waar hij het best kan worden gezien.
Artikel 3.14. Bijkomende tekens van
varende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren
1.Een schip dat bepaalde brandbare
stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, nr. 7.1.5.0 en nr. 7.2.5.0,
moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken voeren:
a. ’s nachts: een blauw licht;
b. overdag: een blauwe kegel met de
punt naar beneden.
Dit teken moet op een geschikte plaats
en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat het van alle zijden
zichtbaar is.
In plaats van het dagteken kan ook
telkens één blauwe kegel op het voor- en één op het achterschip op
een hoogte van ten minste 3 m worden gevoerd.
2.Een schip dat bepaalde voor de
gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, nr.
7.1.5.0 en nr. 7.2.5.0, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als
bijkomende tekens voeren:
a. ’s nachts: twee blauwe
lichten;
b. overdag: twee blauwe kegels met
de punt naar beneden.
Deze tekens moeten in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte
plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat zij van alle
zijden zichtbaar zijn. In plaats van twee blauwe kegels kunnen ook
telkens twee blauwe kegels op het voor- en op het achterschip worden
gevoerd, waarvan de onderste op een hoogte van tenminste 3 m.
3.Een schip dat bepaalde ontplofbare
stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, nr. 7.1.5.0, moet, teneinde dit
kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
a. ’s nachts: drie blauwe
lichten;
b. overdag: drie blauwe kegels met
de punt naar beneden.
Deze tekens moeten in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte
plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat zij van alle
zijden zichtbaar zijn.
4.Indien een duwstel of een gekoppeld
samenstel één of meer schepen bevat, bedoeld in één der voorgaande
leden, moet, in plaats van dit schip of van deze schepen, de duwboot
of het schip dat dient voor het voortbewegen van het gekoppeld
samenstel het teken of de tekens, vermeld in dat lid, voeren.
5.Een duwstel, dat door twee duwboten
naast elkaar wordt voortbewogen, moet de tekens bedoeld in het vierde
lid op de duwboot aan stuurboord voeren.
6.Een schip, een duwstel of een
gekoppeld samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert,
bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet uitsluitend de tekens
voeren voor de gevaarlijke stof die volgens de voorgaande leden het
grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.
7.Een schip, dat in het bezit is van
een certificaat van goedkeuring, als bedoeld in het ADNR, nr. 8.1.8,
en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een
schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig met
een schip, dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, wil
worden geschut, bij het naderen van een sluis, de tekens bedoeld in
het eerste lid voeren.
8.De sterkte van de blauwe lichten
voorgeschreven in één der voorgaande leden dient tenminste gelijk te
zijn aan die van blauwe gewone lichten.
Artikel 3.15. Teken van varende
passagiersschepen waarvan de maximale lengte van de romp minder is dan
20 m
1.Een varend passagiersschip waarvan de
maximale lengte van de romp minder is dan 20 m moet overdag voeren:
een gele ruit, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat
hij van alle zijden zichtbaar is.
2.De bevoegde autoriteit kan vaarwegen
aanwijzen waarop de verplichting van het eerste lid niet van
toepassing is.
Artikel 3.16. Tekens van varende
veerponten
1.Een niet-vrijvarende veerpont moet
des nachts voeren:
a. een wit helder rondom schijnend
licht op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag echter
worden verminderd, indien de lengte van de pont 15 m niet
overschrijdt;
b. een groen helder rondom
schijnend licht ongeveer 1 m boven het onder a bedoelde licht.
2.De het meest bovenstrooms gelegen
ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel moet des
nachts zijn voorzien van een wit helder rondom schijnend licht,
tenminste 3 m boven het wateroppervlak.
3.Een vrijvarende veerpont moet des
nachts voeren:
a. een wit helder rondom schijnend
licht, bedoeld in het eerste lid, onder a;
b. een groen helder rondom
schijnend licht, bedoeld in het eerste lid, onder b, en,
c. boordlichten en een heklicht.
Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder b
en c.
Artikel 3.17. Bijkomend teken van varende
schepen die recht van voorrang hebben
Een schip dat recht van voorrang heeft
voor de doorvaart op plaatsen waar de volgorde van doorvaren is geregeld
en dat van dit recht gebruik wil maken moet, teneinde dit kenbaar te
maken, als bijkomend dagteken voeren:
een rode wimpel op het voorschip op een
voldoende hoogte om goed zichtbaar te zijn.
Artikel 3.18. Bijkomende tekens van
schepen die onmanoeuvreerbaar worden
1.Een schip dat onmanoeuvreerbaar wordt
moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens zo nodig
tonen:
- des nachts:
a. een rood licht waarmee heen
en weer wordt gezwaaid. In het geval van een klein schip mag
dit een wit licht zijn, of
b. twee rode gewone rondom
schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge
afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een
zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn;
- des daags:
c. een rode vlag waarmee heen
en weer wordt gezwaaid, of
d. twee zwarte bollen in een
verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op
een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat zij van
alle zijden zichtbaar zijn.
2.De in het eerste lid bedoelde tekens
vervangen het in bijlage 6 onder A vermelde geluidssein of vullen dat
aan. De vlag mag worden vervangen door een bord van dezelfde kleur.
Artikel 3.19. Tekens van varende
drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen
Onverminderd de bijzondere voorschriften
die ingevolge artikel 1.21 kunnen worden gesteld moeten een drijvend
voorwerp en een drijvende inrichting des nachts voeren:
witte heldere rondom schijnende lichten
in voldoend aantal om hun omtrek aan te duiden, op een zodanige hoogte
dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
Afdeling III. Tekens tijdens het
stilliggen
Artikel 3.20. Tekens van stilliggende
schepen
1. Een groot schip dat direct of
indirect aan de oever gemeerd ligt moet ’s nachts voeren: een wit
gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater op een
hoogte van tenminste 3 m.
In plaats van dit licht mogen ook twee
witte gewone rondom schijnende lichten aan de zijde van het vaarwater
op dezelfde hoogte, één op het voorschip en één op het
achterschip, worden gevoerd.
2. Een groot schip dat stilligt zonder
direct of indirect aan de oever gemeerd te liggen moet voeren:
a. ’s nachts: twee witte gewone
rondom schijnende lichten waar deze het best kunnen worden gezien,
het ene op het voorschip op een hoogte van tenminste 4 m en het
andere op het achterschip op een hoogte van tenminste 2 m en
tenminste 2 m lager dan het licht op het voorschip;
b. overdag: een zwarte bol op het
voorschip, op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden
zichtbaar is.
3. Een duwstel dat stilligt zonder
direct of indirect aan de oever gemeerd te liggen moet voeren:
- des nachts:
een wit gewoon rondom schijnend
licht op elk schip, telkens waar dit het best kan worden gezien,
op een hoogte van tenminste 4 m.
Het duwstel behoeft op de duwbakken
tezamen niet meer dan vier lichten te voeren, mits de contouren
van het duwstel hierdoor goed worden aangegeven.
- des daags:
een zwarte bol op de duwboot of de
duwboten en op het voorste andersoortige schip of de voorste
andersoortige schepen aan de buitenzijden.
4. Een klein schip dat stilligt, met
uitzondering van de bijboot van een schip, moet voeren:
a. ’s nachts: een wit gewoon
rondom schijnend licht waar dit het best kan worden gezien;
b. overdag, indien het niet direct
of indirect aan de oever gemeerd ligt: een zwarte bol op een
geschikte plaats, op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden
zichtbaar is.
5. De in dit artikel bedoelde tekens
behoeven niet gevoerd te worden door een schip:
a. dat ligt in een vaarweg of in
een gedeelte van een vaarweg, aangewezen door de bevoegde
autoriteit;
b. dat ligt in een vaarweg waar
varen niet mogelijk dan wel verboden is;
c. dat direct of indirect aan de
oever gemeerd ligt en vanwege aldaar aanwezige verlichting
voldoende zichtbaar is;
d. dat op een veilige ligplaats
ligt;
e. dat ligt op een ligplaats die de
bevoegde autoriteit als zodanig heeft aangeduid en waar hij het
achterwege laten van het voeren van de tekens heeft toegestaan.
6. Dit artikel is niet van toepassing
op de schepen, bedoeld in de artikelen 3.22 en 3.25.
Artikel 3.21. Bijkomende tekens van
stilliggende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren
Artikel 3.14 is eveneens van toepassing
op het schip, het duwstel of het gekoppeld samenstel, bedoeld in dat
artikel, wanneer het stilligt.
Artikel 3.22. Tekens van op hun
aanlegplaatsen stilliggende veerponten
1. Een op zijn aanlegplaats
stilliggende niet-vrijvarende veerpont moet des nachts de bij artikel
3.16, eerste lid, voorgeschreven lichten voeren.
Bovendien moet de het meest
bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een
langskabel des nachts het bij artikel 3.16, tweede lid, voorgeschreven
licht voeren.
2. Een op zijn aanlegplaats
stilliggende vrijvarende veerpont, die dienst doet, moet des nachts de
bij artikel 3.16, eerste lid, voorgeschreven lichten voeren. Hij mag
bovendien de bij artikel 3.08, eerste lid, onder b en c,
voorgeschreven lichten blijven voeren. Hij moet de lichten bedoeld in
artikel 3.08, eerste lid, onder b en c, en het groene licht bedoeld in
artikel 3.16, derde lid, onder b, doven, zodra hij buiten dienst is.
Artikel 3.23. Tekens van drijvende
voorwerpen en van drijvende inrichtingen die stilliggen
Onverminderd de bijzondere voorschriften
die op grond van artikel 1.21 kunnen worden gesteld, moeten een drijvend
voorwerp en een drijvende inrichting des nachts voeren:
witte gewone rondom schijnende lichten,
in voldoend aantal om hun omtrek aan de zijde van het vaarwater aan te
duiden, op een zodanige hoogte dat zij van het vaarwater af goed
zichtbaar zijn.
Artikel 3.20, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.24. Bijkomende tekens voor
netten of uitleggers van stilliggende schepen
Een schip dat op een vaarweg waar stroom
loopt een net of een uitlegger in of in de nabijheid van het vaarwater
heeft uitstaan, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend
teken, en zodanig dat het zijn net of uitlegger aanduidt, voeren:
- des nachts:
een wit gewoon rondom schijnend
licht;
- des daags:
een gele vlag.
Artikel 3.25. Tekens van in bedrijf
zijnde drijvende werktuigen en van vastgevaren of gezonken schepen
1.Een in bedrijf zijnd drijvend
werktuig en een schip dat in het vaarwater werken uitvoert, dan wel
peilingen of metingen verricht, moeten voeren:
a. aan de zijde waar de doorvaart
vrij is:
- des nachts:
twee groene heldere of gewone
rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
- des daags:
twee groene ruiten in een
verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
b. aan de zijde waar de doorvaart
niet vrij is:
- des nachts:
een rood rondom schijnend licht
op dezelfde hoogte als het bovenste van de onder a
voorgeschreven groene lichten en van dezelfde lichtsterkte als
die lichten;
- des daags:
een rode bol op dezelfde hoogte
als de bovenste van de onder a voorgeschreven groene ruiten;
of, in het geval dat deze
schepen tevens tegen hinderlijke waterbeweging beschermd
willen worden:
c. aan de zijde waar de doorvaart
vrij is:
- des nachts:
een rood helder of gewoon
rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom
schijnend licht in een verticale lijn, met een onderlinge
afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood en het onderste
wit;
- des daags:
een bord waarvan de bovenste
helft rood en de onderste helft wit is dan wel twee borden in
een verticale lijn, het bovenste rood en het onderste wit;
d. aan de zijde waar de doorvaart
niet vrij is:
- des nachts:
een rood rondom schijnend licht
op dezelfde hoogte als het onder c voorgeschreven rode licht
en van dezelfde lichtsterkte als dit licht;
- des daags:
een rood bord op dezelfde
hoogte als het rood-witte bord of als het rode bord,
voorgeschreven onder c.
Deze tekens moeten zijn
aangebracht op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden
zichtbaar zijn. De borden mogen worden vervangen door vlaggen
van dezelfde kleur.
2.Een vastgevaren of gezonken schip
moet de bij het eerste lid, onder c en d, voorgeschreven tekens
voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de tekens
niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten of op een
andere doelmatige wijze zijn geplaatst.
3.De bevoegde autoriteit kan ontheffing
verlenen van de verplichting tot het voeren van de bij het eerste lid
voorgeschreven tekens.
Artikel 3.26. Bijkomende tekens van
schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen waarvan de
ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen en van hun ankers
1.Een schip waarvan een anker zodanig
is uitgezet, dat daardoor een gevaar voor de scheepvaart kan worden
gevormd, moet des nachts, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend
licht voeren:
een tweede wit gewoon rondom schijnend
licht:
- hetzij, ingeval op het schip
artikel 3.20, eerste, derde of vierde lid, van toepassing is,
ongeveer 1 m loodrecht onder het aldaar bedoelde licht; indien in
het geval van artikel 3.20, eerste lid, twee van deze lichten zijn
aangebracht, moet het bijkomend licht worden gevoerd onder het
licht dat het meest nabij het uitstaande anker is aangebracht;
- hetzij, ingeval op het schip
artikel 3.20, tweede lid , van toepassing is, ongeveer 1 m
loodrecht onder het aldaar bedoelde licht op het voorschip.
2.Een drijvend voorwerp en een
drijvende inrichting waarvan één of meer ankers zodanig zijn
uitgezet, dat daardoor een gevaar voor de scheepvaart kan worden
gevormd, moeten van de in artikel 3.23 bedoelde lichten het licht dan
wel elk van de lichten dat zich het meest nabij dit anker dan wel deze
ankers bevindt vervangen door:
twee gewone rondom schijnende lichten
in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.
3.Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting moeten het anker of elk van de ankers bedoeld
in het eerste en tweede lid aanduiden door:
een gele boei voorzien van een
radarreflector.
4.Een drijvend werktuig waarvan één
of meer ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen moet dit
anker dan wel elk van deze ankers aanduiden door:
- des nachts:
een boei voorzien van een wit
gewoon rondom schijnend licht en een radarreflector;
- des daags:
een gele boei voorzien van een
radarreflector.
Afdeling IV. Bijzondere optische tekens
Artikel 3.27. Bijkomend teken van schepen
van handhavingsdiensten en van brandweerboten
Een schip van ambtenaren belast met
toezicht of opsporing mag, om zich kenbaar te maken, als bijkomend teken
een blauw gewoon rondom schijnend flikkerlicht of snel flikkerlicht
tonen. Het zelfde geldt voor een brandweerboot die hulp biedt of daartoe
op weg is en voor een reddingsvaartuig bij een reddingsoperatie met
toestemming van de bevoegde autoriteit.
Artikel 3.28. Bijkomend teken van schepen
die werkzaamheden in of nabij het vaarwater uitvoeren
Een schip dat in of nabij het vaarwater
werkzaamheden uitvoert mag, om dit kenbaar te maken, als bijkomend
teken, met toestemming van de bevoegde autoriteit, tonen: een geel
helder of gewoon rondom schijnend flikkerlicht of snel flikkerlicht.
Artikel 3.29. Bijkomende tekens
bescherming hinderlijke waterbeweging
1.De in het tweede lid vermelde
schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen, die beschermd
willen worden tegen hinderlijke waterbeweging veroorzaakt door het
langsvaren van andere schepen of drijvende voorwerpen, mogen, teneinde
dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens tonen:
- des nachts:
een rood helder of gewoon rondom
schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom schijnend
licht, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ongeveer 1 m, het bovenste rood en het onderste wit, op een
zodanige plaats dat zij van alle zijden zichtbaar zijn en niet met
andere lichten kunnen worden verward;
- des daags:
een bord waarvan de bovenste helft
rood en de onderste helft wit is dan wel twee borden in een
verticale lijn, het bovenste rood en het onderste wit, op een
geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat elk bord van alle
zijden zichtbaar is. De borden mogen worden vervangen door vlaggen
van dezelfde kleur.
2.De schepen, drijvende voorwerpen en
drijvende inrichtingen, die de in het eerste lid bedoelde tekens mogen
tonen, zijn:
a. schepen, drijvende voorwerpen en
drijvende inrichtingen die zwaar zijn beschadigd of in het
vaarwater werkzaamheden verrichten, alsmede schepen die niet in
staat zijn te manoeuvreren;
b. schepen, drijvende voorwerpen en
drijvende inrichtingen, die zijn voorzien van een schriftelijke
toestemming van de bevoegde autoriteit.
Artikel 3.30. Noodtekens
1.Een in nood verkerend schip, dat hulp
wil inroepen, mag tonen:
- hetzij: des nachts een licht
waarmee in het rond wordt gezwaaid, en des daags een vlag of ieder
ander geschikt voorwerp waarmee in het rond wordt gezwaaid;
- hetzij: vuurpijlen, lichtkogels,
parachutelichten of rookbommen dan wel vlammen;
- hetzij: des daags een vlag met
daarboven of daaronder een bol of een daarop gelijkend voorwerp.
2.Deze tekens vervangen de in artikel
4.01, vierde lid, vermelde geluidsseinen of vullen deze aan.
3.Een schip dat medische hulp wil
inroepen, mag geven:
vier korte stoten, gevolgd door één
lange stoot.
Artikel 3.31. Teken van het verbod van
toegang aan boord
1.Indien op grond van wettelijke
bepalingen de toegang aan boord van een schip voor onbevoegden is
verboden, moet het schip dit aan boord of bij de loopplank aanduiden
door:
één of meer ronde borden, aan beide
zijden wit met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in
zwart, de afbeelding van een voetganger.
In afwijking van artikel 3.03, derde
lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 60 cm bedragen.
2.Des nachts moeten deze borden zodanig
zijn verlicht dat zij duidelijk zichtbaar zijn.
Artikel 3.32. Teken van het verbod te
roken en onbeschermd licht of vuur te gebruiken
1.Indien het op grond van wettelijke
voorschriften aan boord is verboden:
a. te roken;
b. onbeschermd licht of vuur te
gebruiken;
moet dit verbod worden aangeduid door:
een of meer ronde witte borden met een rode rand en een rode diagonale
balk en met de afbeelding van een rokende sigaret. Deze borden moeten
naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. In
afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze
borden ongeveer 0,60 m bedragen.
2.Des nachts moeten deze borden moeten
zodanig zijn verlicht dat zij duidelijk zichtbaar zijn.
Artikel 3.33. Teken van het verbod
evenwijdig aan een schip ligplaats te nemen
1.Indien het op grond van wettelijke
bepalingen is verboden dichtbij een schip evenwijdig daaraan ligplaats
te nemen, moet dit schip op het dek in de lengte-as voeren:
een vierkant bord aan de onderzijde
waarvan zich een driehoek bevindt. Het bord moet aan beide zijden wit
zijn met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de
letter P en de driehoek aan beide zijden wit met, in zwart, cijfers
die de afstand in meters aangeven waarbinnen geen ligplaats mag worden
genomen.
2.Des nachts moet dit bord zodanig zijn
verlicht dat het aan beide zijden van het schip duidelijk zichtbaar
is.
3.Dit artikel is niet van toepassing op
een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel bedoeld in artikel
3.21.
Artikel 3.34. Tekens van beperkt
manoeuvreerbare schepen
1.Een varend schip dat wegens de
uitvoering van werkzaamheden in het vaarwater beperkt is in zijn
mogelijkheden om voor andere schepen uit te wijken overeenkomstig de
vaarregels van dit reglement en dat deswege door zijn positie of zijn
gedrag aanleiding kan geven tot een gevaarlijke situatie moet, behalve
de tekens bedoeld in artikel 3.08, voeren:
a. ’s nachts: drie heldere of
gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een zodanige hoogte dat
zij van alle zijden zichtbaar zijn, het bovenste en het onderste
rood en het middelste wit;
b. overdag: een zwarte bol, een
zwarte ruit en een zwarte bol in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een zodanige hoogte dat
zij van alle zijden zichtbaar zijn.
2.Indien de doorvaart niet aan beide
zijden van het schip vrij is, moet het schip behalve de in het eerste
lid bedoelde tekens voeren:
a. ’s nachts:
1°. aan de zijde waar de
doorvaart niet vrij is: twee rode heldere of gewone rondom
schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge
afstand van ongeveer 1 m;
2°. aan de zijde waar de
doorvaart vrij is: twee groene heldere of gewone rondom
schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge
afstand van ongeveer 1 m;
b. overdag:
1°. aan de zijde waar de
doorvaart niet vrij is: twee zwarte bollen in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
2°. aan de zijde waar de
doorvaart vrij is: twee zwarte ruiten in een verticale lijn
met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.
3.Indien de doorvaart aan beide zijden
van het schip vrij is, moet het schip behalve de in het eerste lid
bedoelde tekens aan beide zijden voeren:
a. ’s nachts: twee groene heldere
of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
b. overdag: twee zwarte ruiten in
een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.
4.De lichten, bollen en ruiten, bedoeld
in het tweede en derde lid, mogen niet hoger zijn aangebracht dan het
laagste van de lichten of bollen, bedoeld in het eerste lid, en zij
moeten tenminste 2 m daarvan verwijderd zijn.
5.In plaats van de in dit artikel
bedoelde tekens mogen de tekens, bedoeld in artikel 3.25, worden
gevoerd.
Artikel 3.35. Tekens van
mijnenopruimingsschepen
Een schip bezig met
mijnenopruimingswerkzaamheden moet, behalve de tekens bedoeld inartikel
3.08, voeren:
a. ’s nachts: drie groene heldere
of gewone rondom schijnende lichten, één aan of nabij de top van
de mast op het voorschip en één aan elk uiteinde van de ra van
deze mast;
b. overdag: drie zwarte bollen op
dezelfde plaatsen als de lichten’s nachts.
Artikel 3.36. Tekens van loodsboten
Een schip dat loodsdienst uitoefent moet
voeren:
a. ’s nachts:
1°. een wit helder of gewoon
rondom schijnend licht en een rood helder of gewoon rondom
schijnend licht in een verticale lijn, het bovenste wit en het
onderste rood, aan of nabij de top van de mast op het voorschip;
2°. boordlichten op gelijke
hoogte, in een lijn loodrecht op de lengte-as en ten hoogste 1 m
binnen de zijkanten van het schip; en
3°. een heklicht op het
achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip
op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander
schip dat het schip oploopt;
b. overdag: een blauwe vlag met, in
wit, de letter L aan of nabij de top van de mast op het voorschip.
Artikel 3.37. Tekens van vissersschepen
Een vissersschip moet voeren:
a. ’s nachts:
1°. een groen helder of gewoon
rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom
schijnend licht in een verticale lijn met een onderlinge afstand
van tenminste 1 m, het bovenste groen en het onderste wit, op
een zodanige hoogte dat het onderste zich tenminste 2 m boven de
boordlichten bevindt.
2° boordlichten op gelijke
hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip,
tenminste 1 m lager dan het witte licht bedoeld in onderdeel a,
1°, en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;
en
3°. een heklicht op het
achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip,
op een zodanige hoogte dat het goed zichtbaar is voor een ander
schip dat het schip oploopt;
b. overdag: twee zwarte kegels met de
punten tegen elkaar (diabolo) in een verticale lijn, op een zodanige
hoogte dat zij van alle zijden goed zichtbaar zijn.
Het schip mag tevens achter en hoger dan
het groene licht, bedoeld onder a, 1°, een toplicht voeren.
Artikel 3.38. Teken bij een duiker te
water
1.Een schip dat gebruikt wordt bij het
duiken moet, behalve de bij artikel 3.08, respectievelijk artikel 3.20
voorgeschreven tekens, als bijkomend teken voeren: de internationale
seinvlag «A» dan wel een replica daarvan vervaardigd van niet
buigzaam materiaal, op een zodanige hoogte en op een zodanige wijze
dat deze van alle zijden zichtbaar is. 's Nachts moet dit teken
zodanig zijn verlicht, dat het duidelijk zichtbaar is.
2.Het bijkomende teken, bedoeld in het
eerste lid, mag ook worden getoond bij duikwerkzaamheden die vanaf de
wal worden uitgevoerd.
Hoofdstuk 4. Geluidsseinen; marifoon;
radar
Artikel 4.01. Geluidsseinen; algemene
bepalingen
1.De in bijlage 6vermelde
geluidsseinen, niet zijnde klokslagen, moeten worden gegeven door:
a. een groot motorschip door middel
van een mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog
is opgesteld en vrij staat naar voren en voorzover mogelijk ook
naar achteren;
b. een groot schip, niet zijnde een
motorschip, en een klein motorschip door middel van een mechanisch
werkende geluidsinstallatie dan wel een geschikte scheepstoeter of
hoorn.
2.Een groot motorschip moet
gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend
lichtsein tonen. Dit geldt niet voor klokslagen.
3.Bij een samenstel mogen de
geluidsseinen slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan
zich de schipper van het samenstel bevindt.
4.Een in nood verkerend schip dat hulp
wil inroepen mag reeksen klokslagen of herhaalde lange stoten laten
horen. Deze seinen dienen ter vervanging of ter aanvulling van de in
artikel 3.30, eerste lid, bedoelde tekens.
5.Een schip moet een reeks klokslagen
ongeveer vier seconden doen duren.
6.Een schip mag in plaats van een reeks
klokslagen een reeks slagen van metaal op metaal geven.
Artikel 4.02. Geven van geluidsseinen
1.Een groot schip moet ter voorkoming
van aanvaring zo nodig de geluidsseinen geven, vermeld in bijlage 6.
2.Een klein schip moet ter voorkoming
van aanvaring zo nodig het attentiesein, het sein «Ik kan niet
manoeuvreren» en zo nodig het noodsein, vermeld in afdeling A van
bijlage 6, geven en het mag zo nodig een der overige algemene
geluidsseinen, vermeld inafdeling A alsmede het mistsein, vermeld in
afdeling G van bijlage 6, geven.
3.Een klein schip mag niet de
manoeuvreerseinen, vermeld in de afdelingen B, C, D en E van bijlage
6, geven.
Artikel 4.03. Verboden geluidsseinen
1.Een schip mag slechts van de
geluidsinstallatie dan wel van de scheepstoeter of de hoorn gebruik
maken voor het geven van de geluidsseinen welke in dit reglement
worden vermeld en deze geluidsseinen niet geven onder andere
omstandigheden dan die welke in dit reglement zijn voorzien.
2.Een schip mag voor het wisselen van
berichten met andere schepen of met de wal evenwel van de
geluidsinstallatie dan wel van de scheepstoeter of de hoorn gebruik
maken, mits hierdoor geen verwarring kan ontstaan met de in dit
reglement vermelde geluidsseinen.
Artikel 4.04. "Blijf weg" sein
1.Tankschepen, die de tekens bedoeld in
artikel 3.14, eerste of tweede lid, moeten voeren, en schepen, die de
tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, moeten voeren, moeten
ingeval van een gebeurtenis of ongeval, waardoor gevaarlijke stoffen
die door deze schepen worden vervoerd zouden kunnen vrijkomen, als
geluidssein achtereenvolgens één korte stoot en één lange stoot
geven.
2.Het in het eerste lid bedoelde
geluidssein moet ononderbroken gedurende tenminste 15 minuten worden
herhaald.
De geluidsinstallatie moet hiertoe
zodanig zijn ingericht, dat na het inschakelen het sein automatisch
wordt gegeven. De inrichting moet van dien aard zijn, dat het sein
zich niet ongewild in werking kan stellen.
3.Dit artikel is niet van toepassing op
duwbakken noch op andere schepen zonder bemanning. Indien evenwel deze
schepen deel uitmaken van een samenstel, moet het schip aan boord
waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt het sein geven.
Artikel 4.05. Gebruik van en uitrusting
met marifoon
1. Een schip mag slechts gebruik maken
van een marifoon die in overeenstemming is met de
Regionale regeling betreffende de
marifoondienst in de binnenvaart. De marifoon mag slechts worden
gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze regeling, zoals
vermeld in het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart.
2. Een schip mag bij gebruik van de
kanalen bestemd voor het schip--schip verkeer of de nautische
informatie en bij het verbinding hebben met de voor de scheepvaart
ingestelde diensten geen mededelingen doen, die niet in dit reglement
zijn voorgeschreven of toegelaten dan wel niet zijn toegelaten
krachtens de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de
binnenvaart.
3. Een varend groot schip moet zijn
uitgerust met een marifooninstallatie die geschikt is voor de kanalen
voor het schip--schip verkeer en voor de nautische informatie en voor
het verbinding hebben met de voor de scheepvaart ingestelde diensten
en die goed functioneert. Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moeten
twee marifoons aanwezig zijn.
4. Een varend groot schip moet op de
marifoon uitluisteren. Het moet op de voor het schip--schip verkeer
dan wel voor de nautische informatie aangewezen kanalen de voor de
veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke berichten geven.
Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen
moet het groot schip op de kanalen voor het schip--schip verkeer en
voor de nautische informatie gelijktijdig uitluisteren. Het
schip--schip kanaal is kanaal 10, tenzij een ander kanaal als
blokkanaal is aangewezen.
5. Voor een duwstel en voor een
gekoppeld samenstel zijn het derde en vierde lid slechts van
toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het
samenstel bevindt.
6. De bevoegde autoriteit kan van de
verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontheffing verlenen
aan schepen die worden ingezet ten behoeve van het redden van mensen.
7. De bevoegde autoriteit kan van de
verplichting, bedoeld in het derde en vierde lid, ontheffing verlenen,
voorzover dit de vaart betreft in gebieden waar geen doorgaande
scheepvaart plaatsvindt.
8. Het vierde lid, eerste en tweede
volzin, is van toepassing op een klein schip dat is uitgerust met een
marifoon. Het vierde lid, derde volzin, is van toepassing op een klein
schip dat is uitgerust met meer dan één marifoon.
9. In afwijking van het eerste lid,
wordt op scheepvaartwegen in beheer bij het Rijk bij
communicatieproblemen tussen scheeps- en walstations dan wel tussen
scheepsstations onderling de Duitse taal gebruikt. Op de inbijlage 11
genoemde vaarwegen is tevens het gebruik van de Engelse taal
toegestaan.
Artikel 4.06. Gebruik van en uitrusting
met radar
1. Een schip mag slechts gebruik maken
van radar, indien:
a. het is uitgerust met een voor de
behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie dan wel
een Inland ECDIS installatie die kan functioneren in de navigatie
modus en een bochtaanwijzer die goed functioneren en die van een
type zijn dat voor de binnenvaart door de daartoe aangewezen
instantie is goedgekeurd volgens de daaromtrent vastgestelde
voorschriften; en
b. zich aan boord een persoon
bevindt die houder is van een radarpatent als bedoeld in het
Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn. Bij
goed zicht mag van radar worden gebruik gemaakt teneinde hiermede
te oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
2. Onverminderd het eerste lid moet een
klein schip zijn uitgerust met een marifooninstallatie die geschikt is
voor de daartoe aangewezen kanalen en die goed functioneert.
3. Op de daartoe aangewezen vaarwegen
mag een schip, in plaats van met een radarinstallatie als bedoeld in
het eerste lid, onder a, zijn uitgerust met een voor het varen op deze
vaarwegen geschikte radarinstallatie die goed functioneert en die van
een type is dat voor het varen op die vaarwegen door de in het eerste
lid, onder a, bedoelde instantie is goedgekeurd volgens de daaromtrent
vastgestelde voorschriften.
4. Een schip behorende tot een daartoe
aangewezen categorie mag op de daartoe aangewezen vaarwegen in plaats
van met een bochtaanwijzer als bedoeld in het eerste lid, onder a,
zijn uitgerust met een ander daartoe bruikbaar middel. Een
niet-vrijvarende veerpont behoeft daarmede niet te zijn uitgerust.
5. De bevoegde autoriteit kan van het
eerste lid, onder b, voor een niet-vrijvarende veerpont ontheffing
verlenen.
6. Voor een duwstel, voor een gekoppeld
samenstel en voor een sleep is het eerste lid slechts van toepassing
op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel
bevindt.
7. Een schip met een lengte van meer
dan 110 m mag slechts varen, wanneer het is uitgerust met een
radarinstallatie en een bochtaanwijzer die voldoen aan het eerste lid.
8. Een snel schip moet tijdens de vaart
gebruik maken van radar.
Artikel 4.07. Gebruik van en uitrusting
met een Inland AIS apparaat
Een binnenschip mag gebruik maken van een
Inland AIS apparaat dat in overeenstemming is met de standaard opgenomen
in Besluit 2006-I-21 van 31 mei 2006 van de Centrale Rijnvaartcommissie:
Volgen en opsporen van schepen in de binnenvaart. Het Inland AIS
apparaat wordt gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze
standaard.
Hoofdstuk 4A [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 4A.01 [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 4A.02 [Vervallen per 01-12-2004]
Hoofdstuk 5. Verkeerstekens
Artikel 5.01. Verplichtingen in verband
met verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking als een
verkeersteken
1.Een schip is verplicht gevolg te
geven aan een verkeersteken dat een verbod of een gebod bevat en
rekening te houden met een verkeersteken dat een aanbeveling of een
inlichting bevat dan wel dat dient ter markering van het vaarwater of
van obstakels daarin.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van een bekendmaking met dezelfde strekking als
een verkeersteken.
3.Bijlage 7 vermeldt de verkeerstekens
voor het verkeer op een vaarweg.
4.Bijlage 8 vermeldt de verkeerstekens
ter markering van het vaarwater of van obstakels.
Artikel 5.02. Prioriteit
Onverminderd de artikelen 1.04 en 1.05
heeft een verkeersteken prioriteit boven een gedragsregel. Een
verkeersaanwijzing heeft prioriteit boven een gedragsregel en een
verkeersteken.
Hoofdstuk 6. Vaarregels
Afdeling I. Algemene bepalingen
Artikel 6.01. Begripsbepalingen
1.In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
a. naderen op tegengestelde
koersen: elkaar naderen van twee schepen op koersen die recht of
vrijwel recht aan elkaar tegengesteld zijn;
b. oplopen: naderen door een schip
van een ander schip uit een richting van meer dan 22°30´
achterlijker dan dwars van dat schip;
c. voorbijlopen: manoeuvre die het
gevolg is van oplopen totdat de schepen geheel vrij van elkaar
zijn;
d. kruisende koersen: elkaar
naderen van twee schepen onder zodanige hoek, dat er geen sprake
is van naderen op tegengestelde koers dan wel oplopen; in geval
van twijfel wordt er geacht sprake te zijn van naderen op
tegengestelde koersen dan wel oplopen;
e. vertrekkend schip: schip dat
gaat varen nadat het heeft stilgelegen of was vastgevaren;
f. opvarend schip: schip dat vaart
in de richting van de bronnen van de rivier;
g. afvarend schip: schip dat vaart
vanaf de richting van de bronnen van de rivier.
2.In dit hoofdstuk worden onder een
klein schip mede begrepen een sleep, een duwstel of een gekoppeld
samenstel, uitsluitend uit kleine schepen bestaande, alsmede een
amfibievoertuig.
Artikel 6.01a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 6.02. Snelle schepen
Een snel schip is verplicht aan andere
schepen voorrang te verlenen.
Artikel 6.03. Algemene beginselen
1.Schepen mogen slechts elkaar
voorbijvaren op tegengestelde koersen dan wel elkaar voorbijlopen,
indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige
doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere
schepen daarbij in aanmerking genomen.
2.Bij een samenstel mogen de tekens,
voorgeschreven bij de artikelen 3.17, 6.04a en 6.05, slechts worden
getoond door het schip, aan boord waarvan zich de schipper van het
samenstel bevindt, doch in ieder geval door het motorschip aan de kop
van het samenstel.
3.Bij naderen op tegengestelde koersen,
bij voorbijlopen dan wel bij koers kruisen mag het schip waarvan de
koers elk gevaar voor aanvaring uitsluit zijn koers noch zijn snelheid
zodanig wijzigen, dat daaruit gevaar voor aanvaring kan ontstaan.
4.Wanneer een schip voorrang moet
verlenen aan een ander schip, moet het door tijdige koerswijziging of
door snelheidsverandering aan dat andere schip de ruimte laten die dit
nodig heeft om zijn koers te volgen en te manoeuvreren. Het schip dat
voorrang moet verlenen aan een ander schip moet daarbij vermijden dat
het voor het andere schip overloopt en mag niet verlangen dat het
andere schip te zijnen gerieve koers of snelheid wijzigt.
5.Wanneer een schip voorrang moet
verlenen aan een ander schip, moet laatstbedoeld schip zijn koers en
zijn snelheid behouden. Wanneer door welke oorzaak ook, het schip dat
verplicht is zijn koers en zijn snelheid te behouden zich zo dicht bij
het schip dat voorrang moet verlenen bevindt, dat aanvaring door een
handeling van dat schip alleen niet kan worden vermeden, moet het de
maatregelen nemen die het beste kunnen bijdragen om aanvaring te
voorkomen.
6.Wanneer een schip bij het uitvoeren
van een manoeuvre medewerking van een ander schip mag verlangen, moet
het de eigen koers en snelheid zodanig regelen, dat andere schepen
niet worden genoodzaakt hun koers of snelheid plotseling en in sterke
mate te wijzigen.
7.Wanneer een schip bij het uitvoeren
van een manoeuvre medewerking van een ander schip mag verlangen, moet
het andere schip voorzover mogelijk door koerswijziging of
snelheidsverandering zodanig meewerken, dat deze manoeuvre veilig kan
geschieden.
Afdeling II. Voorbijvaren op
tegengestelde koersen en voorbijlopen
Artikel 6.03a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 6.04. Naderen op tegengestelde
koersen op alle vaarwegen; hoofdregel
1.Van de in dit artikel gegeven
hoofdregels kan overeenkomstig artikel 6.04a worden afgeweken. Dit
artikel is niet van toepassing op de gedeelten van de Geldersche
IJssel en de Maas, bedoeld in artikel 6.05, eerste lid.
2.Indien twee schepen elkaar zodanig
naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt
voorrang verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt.
3.Indien een groot schip en een klein
schip elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor
aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde
van het vaarwater volgt, het kleine schip voorrang verlenen aan het
grote schip.
4.Indien twee grote motorschepen of een
groot motorschip en een groot zeilschip elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op
bakboord voorbijvaren.
5.Indien twee grote zeilschepen elkaar
zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring
bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang
verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt.
6.Indien twee kleine zeilschepen elkaar
zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring
bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang
verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt.
7.Indien twee kleine motorschepen
elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor
aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde
van het vaarwater volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken,
zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
8.Indien een klein motorschip, een
klein zeilschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip
elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor
aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde
van het vaarwater volgt, het motorschip voorrang verlenen aan het
andere schip en moet het door spierkracht voortbewogen schip voorrang
verlenen aan het zeilschip.
9.Indien twee door spierkracht
voortbewogen schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen,
dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar
stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord
voorbijvaren.
Artikel 6.04a. Naderen op tegengestelde
koersen op alle vaarwegen; afwijking van de hoofdregel
1.Dit artikel is niet van toepassing op
de gedeelten van de Geldersche IJssel en de Maas, bedoeld in artikel
6.05, eerste lid.
2.Een groot schip dat zich wil begeven
naar een vaarwater, een haven, een laad- of losplaats, een sluis, de
doorvaartopening van een brug, een aanlegplaats of een plaats waar
schepen mogen liggen, gelegen aan zijn bakboordszijde, en een groot
schip dat vertrekt vanaf een ligplaats aan de, gezien zijn
vaarrichting, bakboordszijde van het vaarwater, mag aan een op
tegengestelde koers naderend schip het verlangen kenbaar maken, dat,
in afwijking van artikel 6.04, het voorbijvaren stuurboord op
stuurboord geschiedt. Het grote schip mag het verlangen slechts
kenbaar maken, nadat het zich er van heeft vergewist, dat het mogelijk
is daaraan zonder gevaar te voldoen.
3.Het verlangen wordt kenbaar gemaakt
door het tijdig tonen aan stuurboord tot het voorbijvaren heeft plaats
gehad, van:
a. ’s nachts: een wit helder
rondom schijnend flikkerlicht, eventueel in combinatie met een
lichtblauw bord;
b. overdag: een lichtblauw bord, in
combinatie met een wit helder rondom schijnend flikkerlicht.
Het lichtblauwe bord moet voorzien zijn
van een witte rand met een breedte van tenminste 5 cm; het raam- en
stangenwerk en het lantaarnhuis van het flikkerlicht moeten donker van
kleur zijn. Het bord moet van voren en van achteren zichtbaar zijn.
4.Een groot schip waaraan het verlangen
wordt kenbaar gemaakt moet daaraan voldoen en, indien het hiermede is
uitgerust, de tekens tonen, bedoeld in het derde lid. Een klein schip
waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt moet voorrang verlenen aan
het grote schip, bij voorkeur door aan het verlangen te voldoen.
5.Zodra is te vrezen, dat de bedoeling
van het schip dat het verlangen heeft kenbaar gemaakt niet is begrepen
door het schip waaraan dit is geschied, moet het schip een geluidssein
van twee korte stoten geven. Het andere schip moet dan antwoorden door
het geven van een geluidssein van twee korte stoten.
6.Indien het schip waaraan het
verlangen wordt kenbaar gemaakt daaraan niet kan voldoen, moet het een
reeks zeer korte stoten geven. Elk van beide schepen moet dan de
maatregelen nemen die de omstandigheden vereisen om het ontstaan van
een gevaarlijke situatie te voorkomen.
Artikel 6.05. Naderen op tegengestelde
koersen op de Geldersche IJssel en op de Maas
1.Dit artikel is slechts van toepassing
op de Geldersche IJssel vanaf de IJsselkop (kmr. 878,6) tot aan de
stadsbrug te Kampen (kmr. 995,5) en op de Maas met aansluitend de
Bergsche Maas tot Heusden (kmr. 231). Het is niet van toepassing op
het naderen op tegengestelde koersen van een snel schip en een ander
schip.
2.Indien een opvarend groot schip en
een afvarend schip elkaar naderen op tegengestelde koersen, moet het
opvarende grote schip voor het afvarende schip een geschikte weg
vrijlaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere
schepen daarbij in aanmerking genomen.
3.Het opvarende grote schip dat daartoe
aan bakboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat toont geen
teken.
4.Het opvarende grote schip dat daartoe
aan stuurboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat moet tijdig
aan stuurboord tot het voorbijvaren heeft plaats gehad, tonen:
a. ’s nachts: een wit helder
rondom schijnend flikkerlicht, eventueel in combinatie met een
lichtblauw bord;
b. overdag: een lichtblauw bord, in
combinatie met een wit helder rondom schijnend flikkerlicht.
Het lichtblauwe bord moet voorzien zijn
van een witte rand met een breedte van tenminste 5 cm; het raam- en
stangenwerk en het lantaarnhuis van het flikkerlicht moeten donker van
kleur zijn. Het bord moet van voren en van achteren zichtbaar zijn.
5.Zodra is te vrezen, dat de bedoeling
van het opvarende grote schip niet door het afvarende schip is
begrepen, moet het opvarende grote schip geven:
a. één korte stoot, indien het
voorbijvaren bakboord op bakboord dient te geschieden; of
b. twee korte stoten, indien het
voorbijvaren stuurboord op stuurboord dient te geschieden.
6.Een afvarend groot schip moet
voorbijvaren aan de zijde die het opvarende grote schip vrijlaat. Het
afvarende grote schip moet daartoe de tekens en het geluidssein die
het opvarende grote schip toont of geeft herhalen.
7.Een afvarend klein schip moet
voorrang verlenen aan het opvarende grote schip, bij voorkeur door
voorbij te varen aan de zijde die het opvarende grote schip vrijlaat.
8.Een opvarend klein schip moet
voorrang verlenen aan een afvarend groot schip.
9.Indien twee kleine schepen elkaar
zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring
bestaat, moet het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater
volgt voorrang verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt.
10.Indien twee kleine zeilschepen
elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor
aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde
van het vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt
voorrang verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt.
11.Indien twee kleine motorschepen
elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor
aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde
van het vaarwater volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken,
zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren.
12.Indien een klein motorschip, een
klein zeilschip of een klein door spierkracht voortbewogen schip
elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor
aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde
van het vaarwater volgt, het motorschip voorrang verlenen aan het
andere schip en moet het door spierkracht voortbewogen schip voorrang
verlenen aan het zeilschip.
13.Indien twee door spierkracht
voortbewogen schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen,
dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar
stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord
voorbijvaren.
Artikel 6.06
(niet overgenomen).
Artikel 6.07. Voorbijvaren op
tegengestelde koersen in een engte
1. In dit artikel wordt onder een engte
verstaan een vak van of een plaats in de vaarweg waar het vaarwater
niet voldoende ruimte biedt voor het elkaar voorbijvaren van twee
schepen of twee samenstellen onderling. Een door het teken A.4 of
A.4.1 (bijlage 7) aangeduid vak van of plaats in de vaarweg en de
doorvaartopening van een brug in geopende stand en een sluis of een
stuw die aan beide zijden open staat en waarvoor twee groene vaste
lichten boven elkaar worden getoond overeenkomstig het teken E.1
(bijlage 7), zijn een engte.
2. Het vijfde, zesde, zevende en
achtste lid van dit artikel gelden niet voor engten waar de doorvaart
door middel van tekens wordt geregeld.
3. Een schip moet een engte zonder
onnodig oponthoud doorvaren, met dien verstande dat voorbijlopen
verboden is.
4. Indien het uitzicht niet vrij is,
moet een schip, alvorens een engte binnen te varen, één lange stoot
geven. Zo nodig, in het bijzonder wanneer de engte lang is, moet het
dit sein tijdens het doorvaren herhalen.
5. Bij het doorvaren van een engte moet
op een vaarweg waar stroom loopt een tegen stroom varend schip
voorrang verlenen aan een voor stroom varend schip.
6. Bij het doorvaren van een engte moet
op een vaarweg waar geen stroom loopt een klein schip voorrang
verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot schip.
7. Bij het doorvaren van een engte moet
op een vaarweg waar geen stroom loopt:
a. een groot motorschip dat aan
stuurboord een hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de
binnenbocht aan stuurboord heeft voorrang verlenen aan een op
tegengestelde koers naderend groot schip;
b. een groot motorschip voorrang
verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot zeilschip
dat de engte bezeild heeft;
c. een groot zeilschip dat de engte
niet bezeild heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde
koers naderend groot schip;
d. een groot zeilschip dat over
stuurboordsboeg zeilt en de engte bezeild heeft voorrang verlenen
aan een op tegengestelde koers naderend groot zeilschip dat over
bakboordsboeg zeilt en dat de engte eveneens bezeild heeft.
8. Bij het doorvaren van een engte moet
op een vaarweg waar geen stroom loopt:
a. een klein motorschip dat aan
stuurboord een hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de
binnenbocht aan stuurboord heeft voorrang verlenen aan een op
tegengestelde koers naderend ander klein motorschip;
b. een klein door spierkracht
voortbewogen schip dat aan stuurboord een hindernis tegenkomt of
dat bij een bocht de binnenbocht aan stuurboord heeft voorrang
verlenen aan een op tegengestelde koers naderend ander klein door
spierkracht voortbewogen schip;
c. een klein motorschip of een
klein door spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan
een op tegengestelde koers naderend klein zeilschip dat de engte
heeft bezeild;
d. een klein motorschip voorrang
verlenen aan een op tegengestelde koers naderend klein door
spierkracht voortbewogen schip;
e. een klein zeilschip dat de engte
niet bezeild heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde
koers naderend klein schip;
f. een klein zeilschip dat over
stuurboordsboeg zeilt en de engte bezeild heeft voorrang verlenen
aan een op tegengestelde koers naderend klein zeilschip dat over
bakboordsboeg zeilt en dat de engte eveneens bezeild heeft.
Artikel 6.08. Verbod tot voorbijvaren op
tegengestelde koersen door tekens langs de vaarweg
Indien de bevoegde autoriteit in een
bepaald vak of op een bepaalde plaats, teneinde naderen op tegengestelde
koersen te voorkomen, de scheepvaart afwisselend slechts in één
richting toelaat, wordt:
a. het verbod de vaart te vervolgen
aangeduid door een teken A.1 (bijlage 7);
b. de toestemming de vaart te
vervolgen aangeduid door een teken E.1 (bijlage 7).
Artikel 6.09. Voorbijlopen; algemene
bepalingen
1.Een schip mag een ander schip slechts
voorbijlopen, nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder
gevaar kan geschieden.
2.Een groot schip dat wordt opgelopen
door een groot schip en elk klein schip dat wordt opgelopen moet het
voorbijlopen, voorzover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet
snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen zonder
gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere
scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd.
Artikel 6.10. Voorbijlopen; gedrag der
schepen
1.In beginsel moet de oploper aan
bakboord van de opgelopene voorbijlopen. Indien daartoe ruimte is, mag
echter de oploper aan stuurboord van de opgelopene voorbijlopen.
2.Indien een groot zeilschip een ander
groot zeilschip oploopt en indien een klein zeilschip een ander
zeilschip oploopt, moet het, zo mogelijk, aan loef voorbijlopen.
3.Een groot schip dat door een groot
zeilschip wordt opgelopen en een klein schip dat door een zeilschip
wordt opgelopen moet, zo mogelijk, ertoe medewerken, dat dit aan loef
kan voorbijlopen.
Artikel 6.11. Verbod tot voorbijlopen
door tekens langs de vaarweg
Een schip mag een ander schip niet
voorbijlopen:
a. in een vak van of op een plaats in
de vaarweg, aangeduid door het teken A.2 (bijlage 7);
b. in het geval van samenstellen
onderling, in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid
door het teken A.3 (bijlage 7);
c. in een vak van of op een plaats in
de vaarweg, aangeduid door het teken A.4 of A. 4.1 (bijlage 7).
Het in de aanhef en onder b en c bedoelde
verbod geldt niet, ingeval een der samenstellen een duwstel is, waarvan
de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m
respectievelijk 12 m bedragen.
Afdeling III. Andere vaarregels
Artikel 6.12. Varen in vakken of op
plaatsen waar de te volgen weg wordt voorgeschreven
In een vak van of op een plaats in de
vaarweg, aangeduid door één der tekens B.1, B.2, B.3 of B.4 (bijlage
7), moet een schip de weg volgen die door dat teken wordt kenbaar
gemaakt.
Artikel 6.13. Keren
1.Een schip mag slechts keren, nadat
het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
2.Een groot schip mag bij het keren
medewerking verlangen van een ander schip.
3.Een klein schip moet bij het keren
voorrang verlenen aan een groot schip.
4.Een klein schip mag bij het keren
medewerking verlangen van een ander klein schip.
5.Dit artikel is niet van toepassing op
en ten aanzien van een veerpont.
6.In een vak van of op een plaats in de
vaarweg, aangeduid door het teken A.8 (bijlage 7), mag een schip niet
keren.
7.Aanduiding van een vak van of een
plaats in de vaarweg door het teken E.8 (bijlage 7) vormt een
inlichting, dat schepen aldaar kunnen keren.
Artikel 6.14. Vertrek
1.Een schip mag slechts vertrekken,
nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan
geschieden.
2.Een groot schip mag bij het
vertrekken medewerking verlangen van een ander schip.
3.Een klein schip moet bij het
vertrekken voorrang verlenen aan een groot schip.
4.Een klein schip mag bij het
vertrekken medewerking verlangen van een ander klein schip.
5.Dit artikel is niet van toepassing op
en ten aanzien van een veerpont.
Artikel 6.15. Verbod zich in de
tussenruimten tussen de lengten van een sleep te begeven
Een schip mag zich niet in de
tussenruimten tussen de lengten van een sleep begeven.
Artikel 6.16. Uitvaren en invaren van
havens en nevenvaarwateren en het daarbij invaren of oversteken van een
hoofdvaarwater
1.Een schip mag slechts een haven of
een nevenvaarwater uitvaren en daarbij een hoofdvaarwater invaren of
oversteken dan wel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het
zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
2.Een groot schip mag bij het uitvaren
van een haven of een nevenvaarwater en het daarbij invaren of
oversteken van een hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een
haven of een nevenvaarwater medewerking verlangen van een ander schip.
3.Een klein schip moet bij het uitvaren
van een haven of een nevenvaarwater en het daarbij invaren of
oversteken van een hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een
haven of een nevenvaarwater voorrang verlenen aan een groot schip.
4.Een klein schip mag bij het uitvaren
van een haven of een nevenvaarwater en het daarbij invaren of
oversteken van een hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een
haven of een nevenvaarwater medewerking verlangen van een klein schip.
5.In afwijking van het tweede, derde en
vierde lid moet een schip dat een lateraal gemarkeerd hoofdvaarwater
binnenvaart, anders dan vanuit een daarop uitmondend lateraal
gemarkeerd nevenvaarwater, voorrang verlenen aan een schip dat in dat
hoofdvaarwater langs de laterale markering de stuurboordszijde volgt.
6.Een groot schip dat tegen stroom
varend een haven of nevenvaarwater wil invaren moet voorrang verlenen
aan een groot schip dat voor stroom varend zonder op te draaien
diezelfde haven of datzelfde nevenvaarwater in wil varen.
7.Een klein schip dat tegen stroom
varend een haven of nevenvaarwater wil invaren moet voorrang verlenen
aan een schip dat voor stroom varend zonder op te draaien diezelfde
haven of datzelfde nevenvaarwater in wil varen.
8.In afwijking van het eerste tot en
met zevende lid moet, ingeval langs een haven of een nevenvaarwater
voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater een teken B.9
(bijlage 7) wordt getoond, een schip dat uit deze haven of dit
nevenvaarwater komt voorrang verlenen aan een schip op het
hoofdvaarwater.
9.
a. Een schip op een hoofdvaarwater
mag een haven of een nevenvaarwater niet invaren, indien langs dit
hoofdvaarwater voor de uitmonding van die haven of dat
nevenvaarwater een of twee rode lichten overeenkomstig het teken
A.1 (bijlage 7) in combinatie met een bijkomend teken F.2 onder b
(bijlage 7) worden getoond.
b. Een schip mag een haven of een
nevenvaarwater niet uitvaren, indien langs deze haven of dit
nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater de
onder a genoemde tekens worden getoond.
10.
a. Een schip op een hoofdvaarwater
mag een haven of een nevenvaarwater invaren, indien langs dit
hoofdvaarwater voor de uitmonding van die haven of dat
nevenvaarwater een of twee groene lichten overeenkomstig het teken
E.1 (bijlage 7) in combinatie met een bijkomend teken F.2 onder b
(bijlage 7) worden getoond.
b. Een schip mag een haven of een
nevenvaarwater uitvaren, indien langs deze haven of dit
nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in het hoofdvaarwater de
onder a genoemde tekens worden getoond.
11.Dit artikel is niet van toepassing
op en ten aanzien van een veerpont.
Artikel 6.17. Koers kruisen
1.Dit artikel is niet van toepassing
op:
a. kruisende koersen die ontstaan
ingeval van keren, vertrekken of bij een samenkomst van een
hoofdvaarwater en een nevenvaarwater; en
b. kruisende koersen die ontstaan
tussen een veerpont en een ander schip.
2.Indien de koersen van twee schepen
elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het
schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang
verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater
volgt.
3.Indien de koersen van een groot schip
en een klein schip elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring
bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het kleine schip voorrang verlenen aan het grote
schip.
4.Indien de koersen van twee grote
motorschepen of een groot motorschip en een groot zeilschip elkaar
zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen
der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat
van bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord
nadert.
5.Indien de koersen van twee grote
zeilschepen:
a. die over verschillende boeg
zeilen, elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang
verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt;
b. die over dezelfde boeg zeilen,
elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater
volgt, het loefwaartse schip voorrang verlenen aan het lijwaartse
schip;
c. elkaar zodanig kruisen, dat
gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het lijwaartse schip dat
over stuurboordsboeg zeilt en niet met zekerheid kan bepalen of
het loefwaartse schip over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg
zeilt, voorrang verlenen aan het loefwaartse schip.
6.Indien de koersen van twee kleine
zeilschepen:
a. die over verschillende boeg
zeilen, elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang
verlenen aan het schip dat over bakboordsboeg ligt;
b. die over dezelfde boeg zeilen,
elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater
volgt, het loefwaartse schip voorrang verlenen aan het lijwaartse
schip;
c. elkaar zodanig kruisen, dat
gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het lijwaartse schip dat
over stuurboordsboeg zeilt en niet met zekerheid kan bepalen of
het loefwaartse schip over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg
zeilt, voorrang verlenen aan het loefwaartse schip.
7.Indien de koersen van twee kleine
motorschepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring
bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het schip dat van bakboord nadert voorrang verlenen
aan het schip dat van stuurboord nadert.
8.Indien de koersen van twee door
spierkracht voortbewogen schepen elkaar zodanig kruisen, dat gevaar
voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van bakboord
nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord nadert.
9.Indien de koersen van een klein
motorschip, een klein zeilschip of een klein door spierkracht
voortbewogen schip elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring
bestaat, moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het motorschip voorrang verlenen aan het andere schip
en moet het door spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan
het zeilschip.
Artikel 6.18. Diverse vaarregels
1.Een schip mag slechts met een ander
schip op gelijke hoogte varen, indien de beschikbare ruimte dit zonder
hinder of gevaar voor de scheepvaart toelaat.
2.Behalve bij voorbijlopen en bij
voorbijvaren op tegengestelde koersen, mag een schip niet varen binnen
een afstand van 50 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld
samenstel dat de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid,
voert.
3.Een schip moet een
mijnenopruimingsschip dat de tekens voert, bedoeld in artikel 3.35, zo
mogelijk niet dichter naderen dan op een afstand van 1000 m.
4.Een schip mag niet langszij komen van
een varend schip of een varend drijvend voorwerp, daaraan vastmaken of
zich in het kielzog daarvan laten meevoeren zonder uitdrukkelijke
toestemming van de schipper daarvan. Dit geldt niet voor een schip van
ambtenaren belast met toezicht of opsporing.
5.Een schip mag niet een anker, een
kabel of een ketting laten slepen. Dit verbod geldt niet voor een
schip dat zich verplaatst op een ligplaats of dat een manoeuvre
uitvoert, tenzij dit geschiedt op een afstand van minder dan 100 m van
een brug, een sluis, een stuw, een veerpont of een drijvend werktuig
in bedrijf dan wel in een vak van of op een plaats in de vaarweg,
aangeduid overeenkomstig artikel 7.03, eerste lid, onder b, door het
teken A.6 (bijlage 7).
6.Een schip mag zich niet met de stroom
laten meedrijven, zonder dat het van een middel tot voortbeweging
gebruikt maakt.
Artikel 6.19. Gedrag van schepen die het
«blijf weg» sein horen
1.Een schip dat het inartikel 4.04
bedoelde sein hoort moet alle maatregelen nemen die dienstig zijn om
gevaar te vermijden. In het bijzonder moet het:
a. indien het een koers in de
richting van het gevaarsgebied voorligt, zich zover mogelijk
hiervan verwijderd houden en zo nodig keren;
b. indien het het gevaarsgebied
reeds is gepasseerd, zijn weg met een zo groot mogelijke snelheid
vervolgen.
2.De schipper van een schip als bedoeld
in het eerste lid moet onmiddellijk zorg dragen, dat aan boord alle
ramen en andere openingen die in verbinding staan met de buitenlucht
worden gesloten, dat een onbeschermd licht en open vuur worden
gedoofd, dat niet meer wordt gerookt, dat hulpmotoren die niet
noodzakelijkerwijs in bedrijf zijn worden afgezet en dat in zijn
algemeenheid het veroorzaken van vonken wordt vermeden. Ingeval het
schip ligplaats gaat nemen, moet de schipper zorg dragen, dat de
motoren en de hulpmotoren die nog in werking zijn worden afgezet.
3.Het tweede lid is van overeenkomstige
toepassing op een schip, dat in de nabijheid van het gevaarsgebied
stilligt en dat het sein hoort. Zo nodig moet de schipper zorg dragen,
dat het schip wordt verlaten.
4.Bij de toepassing van dit artikel
dient rekening te worden gehouden met de stroom en de windrichting.
5.Dit artikel is eveneens van
toepassing, indien het sein niet door een schip maar vanaf de wal
wordt gegeven.
6.De schipper die het sein hoort moet,
voorzover mogelijk, onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit
inlichten.
Artikel 6.20. Hinderlijke waterbeweging
1.Een schip moet zijn snelheid zodanig
regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend
of een stilliggend schip of drijvend voorwerp of aan een werk zou
kunnen worden veroorzaakt wordt vermeden. Het moet daartoe tijdig zijn
snelheid verminderen, echter niet beneden de snelheid die nodig is
voor veilig sturen:
a. voor een havenmond;
b. in de nabijheid van een schip
dat gemeerd is aan de oever of aan een ontschepingsplaats dan wel
dat wordt geladen of gelost;
c. in de nabijheid van een schip
dat op een gebruikelijke ligplaats stilligt;
d. in de nabijheid van een veerpont
die dienst doet;
e. in een vak van of op een plaats
in de vaarweg, aangeduid door het teken A.9 (bijlage 7).
2.Een schip moet bij het voorbijvaren
van een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting,
voerende de tekens bedoeld in artikel 3.29 of artikel 3.38, tijdig
zijn snelheid verminderen, zoals bij de tweede volzin van het eerste
lid wordt bepaald. Het moet voorts zover mogelijk daarvan verwijderd
blijven.
3.Een schip moet bij het voorbijvaren
van een schip als bedoeld in artikel 3.25 aan de zijde waar de tekens
van het eerste lid onder c van dit artikel worden gevoerd tijdig zijn
snelheid verminderen, zoals bij de tweede volzin van het eerste lid
wordt bepaald. Het moet voorts zover mogelijk daarvan verwijderd
blijven.
Artikel 6.21. Manoeuvreerbaarheid van
schepen en van samenstellen
1.Een motorschip dat zorgt voor de
voortbeweging van een samenstel moet een vermogen hebben dat voldoende
is om de goede manoeuvreerbaarheid daarvan te verzekeren.
2.Een motorschip, een duwstel en een
gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt alsmede
een motorschip, een duwstel en een gekoppeld samenstel die op een
vaarweg waar stroom loopt vóór stroom varend niet kunnen keren,
moeten tijdig zonder te keren kunnen stilhouden en zij moeten tijdens
en na het stilhouden volledig manoeuvreerbaar blijven.
Artikel 6.21a. Bepalingen voor het varen
van duwstellen en van gekoppelde samenstellen, zomede van alleenvarende
motorschepen met een lengte van meer dan 110 m
1.Indien de bevoegde autoriteit dit
voorschrijft, moeten een duwstel en een gekoppeld samenstel voor de
bestuurbaarheid worden geassisteerd. Overigens mag een duwstel slechts
worden geassisteerd indien de scheepvaart daarvan geen hinder
ondervindt.
2.Een duwstel en een gekoppeld
samenstel mogen geen sleepdienst verrichten.
3.Een duwstel mag geen andere schepen
dan duwbakken bevatten, tenzij deze langszijde zijn vastgemaakt van
het samenstel, gevormd door de duwboot en één of twee duwbakken
daarvóór.
4.Een duwstel mag niet varen, indien
aan de kop uitsluitend een zeeschipbak is geplaatst die niet is
voorzien van een kopbak. De bevoegde autoriteit kan van dit verbod
ontheffing verlenen.
5.Indien de lengte van een alleenvarend
motorschip, van een duwstel of van een gekoppeld samenstel meer dan
110 m bedraagt, moet dit motorschip zijn voorzien van een
spreekverbinding tussen de stuurhut en de kop van het schip, dit
duwstel van een spreekverbinding tussen de duwboot en de kop van het
duwstel en dit gekoppeld samenstel van een spreekverbinding tussen de
stuurhut van het motorschip of één der motorschepen die dienen voor
het voortbewegen en de kop van het samenstel.
Artikel 6.21b. Verplaatsen van een duwbak
buiten het verband van een duwstel
Een schip mag slechts een duwbak buiten
het verband van een duwstel verplaatsen, indien dit veilig kan
geschieden.
Artikel 6.21c. Doen van mededelingen
tussen de schepen in een sleep
1.Bij een sleep bestaande uit grote
schepen moet een telefoonverbinding bestaan tussen de stuurstellingen
van alle schepen.
2.Als telefoonverbinding mag de
marifoon slechts worden gebruikt op de kanalen bestemd voor het
verkeer aan boord van schepen.
Artikel 6.22. Stremming en beperking van
de scheepvaart
1.Een schip moet stilhouden vóór een
teken A.1 (bijlage 7) aanduidende dat de scheepvaart is gestremd.
2.Een schip mag niet varen op een
vaarweg of op een gedeelte daarvan, aangeduid door een teken A.1a
(bijlage 7). Deze bepaling is niet van toepassing op een klein schip
zonder motor.
3.Een schip mag niet varen langs een
schip, zoals bedoeld in artikel 3.25, aan de zijde waar dat des nachts
het rode licht en des daags de rode bol of het rode bord voert of
langs een schip, zoals bedoeld in artikel 3.34, aan de zijde waar dat
des nachts de twee rode lichten en des daags de twee zwarte bollen
voert.
Afdeling IV. Veerponten
Artikel 6.23. Vaarregels voor veerponten
1.Een veerpont mag slechts vertrekken,
keren of het vaarwater oversteken, nadat hij zich er van heeft
vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
2.Een veerpont mag bij vertrek, keren
of oversteken van het vaarwater medewerking verlangen van een groot
schip.
3.Een klein schip moet voorrang
verlenen aan een vertrekkende, kerende of overstekende veerpont.
Afdeling V. Doorvaren van bruggen, stuwen
en sluizen
Artikel 6.24. Doorvaren van bruggen en
stuwen; algemene bepalingen
1.De doorvaartopening van een brug, van
een stuw of van een aan beide zijden openstaande sluis waar het
vaarwater niet voldoende ruimte biedt voor het elkaar voorbijvaren van
twee schepen is een engte, zoals bedoeld in artikel 6.07.
2.Indien bij de doorvaartopening van
een brug of van een stuw wordt getoond:
a. het teken A.10 (bijlage 7), mag
een schip in deze doorvaartopening niet varen buiten de
begrenzing, aangeduid door de twee borden die dit teken vormen;
b. het teken D.2 (bijlage 7), wordt
aanbevolen in deze doorvaartopening uitsluitend te varen binnen de
begrenzing, aangeduid door de twee borden die dit teken vormen.
Artikel 6.25. Doorvaren van vaste bruggen
1.Een schip mag niet varen door de
doorvaartopening van een vaste brug waarboven een teken A.1 (bijlage
7) wordt getoond.
2.Indien boven een doorvaartopening van
een vaste brug wordt getoond:
- het teken D.1a (bijlage 7) of
- het teken D.1b (bijlage 7),
wordt aanbevolen bij voorkeur van deze
doorvaartopening gebruik te maken; ingeval van het teken D.1a is de
doorvaartopening vrij voor de doorvaart uit beide richtingen, ingeval
van het teken D.1b is de doorvaart uit tegenovergestelde richting
verboden.
3.In dit artikel wordt onder een vaste
brug mede verstaan het vaste gedeelte van een brug.
Artikel 6.26. Doorvaren van beweegbare
bruggen
1.De bevoegde autoriteit kan, teneinde
de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart dan wel het zonder
oponthoud doorvaren van de doorvaartopening van een beweegbare brug te
verzekeren, wanneer een schip de brug nadert of de doorvaartopening
daarvan doorvaart, aan de schipper een verkeersaanwijzing geven.
De schipper is verplicht aan deze
aanwijzing gevolg te geven.
2.Een schip mag niet zonder toestemming
van de bevoegde autoriteit ligplaats nemen op een wachtplaats van een
beweegbare brug anders dan om te wachten op een brugopening.
3.Bij het naderen, op een wachtplaats
en bij het doorvaren van een beweegbare brug:
a. moet een schip dat met een
marifooninstallatie is uitgerust uitluisteren op het kanaal van de
brug;
b. moet een schip snelheid
verminderen. Het moet, ingeval het de doorvaartopening niet mag of
wil doorvaren, voor het teken B.5 (bijlage 7) stilhouden;
c. mag een schip een ander schip
niet voorbijlopen tenzij daartoe een verkeersaanwijzing is gegeven
door de bevoegde autoriteit;
d. moet een schip voorrang verlenen
aan een schip dat recht van voorrang heeft en de rode wimpel
voert, bedoeld in artikel 3.17, opdat dit schip zonder oponthoud
de brug kan doorvaren;
e. mag een schip zonder toestemming
van de bevoegde autoriteit geen brandstof innemen.
4.Voor het doorvaren van de
doorvaartopening van een beweegbare brug kunnen tekens worden getoond
aan weerszijden van de doorvaartopening op gelijke hoogte dan wel aan
de stuurboordszijde daarvan.
Deze tekens betekenen:
a. twee rode vaste lichten boven
elkaar (teken A.1; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, de brug
wordt niet bediend;
b. één rood vast licht (teken
A.1; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, de brug
wordt bediend;
c. een rood vast licht en daaronder
een groen vast licht (teken A.11; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, maar dit
zal aanstonds worden toegestaan;
d. één groen vast licht (teken
E.1; bijlage 7):
het doorvaren is toegestaan;
e. twee groene vaste lichten boven
elkaar (teken E.1; bijlage 7):
het doorvaren is toegestaan, de
brug bevindt zich in geopende stand en wordt niet bediend;
f. een rood vast licht en daaronder
een groen flikkerlicht (teken A.11.1; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, tenzij het
schip de doorvaartopening zo dicht is genaderd, dat stilhouden
redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
5.Het doorvaren van een beweegbare brug
in gesloten stand is evenwel toegestaan, indien, behalve de in het
vierde lid onder a en b bedoelde lichten, boven de doorvaartopening
het teken D.1a of het teken D.1b (bijlage 7) wordt getoond; ingeval
van het teken D.1a is de doorvaartopening vrij voor de doorvaart uit
beide richtingen, ingeval van het teken D.1b is de doorvaart uit
tegenovergestelde richting verboden.
6.De in het vierde lid onder a, b, d en
e bedoelde rode en groene lichten kunnen worden vervangen
onderscheidenlijk door het bord van teken A.1 en het bord van teken
E.1 (bijlage 7).
7.Een schip kan het verzoek tot het
bedienen van een beweegbare brug kenbaar maken door het geven van
één lange stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot
dan wel door roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de
bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
8.In dit artikel wordt onder een
beweegbare brug mede verstaan het beweegbare gedeelte van een brug.
Artikel 6.27. Doorvaren van stuwen
1.Een schip mag niet varen door de
opening van een stuw, waarbij een teken A.1 (bijlage 7) wordt getoond.
2.Een schip mag slechts door de opening
van een stuw varen, waarbij aan weerszijden een teken E.1 (bijlage 7)
wordt getoond.
3.In afwijking van het tweede lid mag
bij een stuw met daarboven een brug een schip eveneens door de opening
van de stuw varen, indien boven de doorvaartopening van de brug het
teken D.1a of het teken D.1b (bijlage 7) wordt getoond; ingeval van
het teken D.1a is de doorvaartopening vrij voor de doorvaart uit beide
richtingen, ingeval van het teken D.1b is de doorvaart uit
tegenovergestelde richting verboden.
Artikel 6.28. Doorvaren van sluizen
1. Bij het naderen van een wachtplaats
van een sluis moet een schip snelheid verminderen. Het moet, ingeval
het de sluis niet onmiddellijk mag of wil invaren, vóór het teken
B.5 (bijlage 7) stilhouden.
2. Een schip mag niet zonder
toestemming van de bevoegde autoriteit ligplaats nemen op een
wachtplaats van een sluis anders dan om te worden geschut.
3. Op een wachtplaats van een sluis en
in een sluis moet een schip, dat met een marifooninstallatie is
uitgerust uitluisteren op het kanaal van de sluis.
4. Een schip kan het verzoek tot het
bedienen van een sluis kenbaar maken door het geven van één lange
stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot dan wel door
roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit
heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
5. De schepen moeten de sluis in
volgorde van aankomst op de wachtplaats invaren. Een klein schip dat
tezamen met grote schepen wordt geschut mag de sluis echter eerst
invaren na deze grote schepen.
6. Bij het naderen van een wachtplaats
van een sluis en op een wachtplaats mag een schip een ander schip niet
voorbijlopen.
7. In een sluis moet een schip zijn
ankers geheel voorhalen. Dezelfde verplichting geldt op een
wachtplaats, voorzover de ankers niet worden gebruikt.
8. Bij het invaren en uitvaren van een
sluis en bij het bevaren van de wachtplaats moet een schip de
waterbeweging zoveel beperken als nodig is om beschadiging van de
sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel van andere schepen,
drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen te vermijden.
9. In een sluis
a. moeten een schip, een drijvend
voorwerp en een drijvende inrichting ligplaats nemen binnen de
door stopstrepen of op andere wijze aangegeven grenzen;
b. moet tijdens het vullen en het
ledigen van de sluiskolk en totdat het uitvaren van de sluis wordt
toegestaan een schip zodanig zijn gemeerd en moet het zijn
meerdraden zodanig vieren of doorhalen, dat het niet de
sluismuren, de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel
andere schepen of drijvende voorwerpen kan beschadigen;
c. mag een schip slechts voorwerpen
die niet kunnen zinken als wrijfhout gebruiken;
d. mag een schip geen water op het
sluisterrein dan wel op andere schepen storten of laten vloeien;
e. mag een schip, zodra het is
gemeerd en totdat het aan de beurt is om uit te varen, geen
gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging;
f. moet een klein schip zo mogelijk
ligplaats nemen op enige afstand van een groot schip.
10. Op een wachtplaats van een sluis en
in een sluis mag een schip zonder toestemming van de bevoegde
autoriteit geen brandstof innemen.
11. Op een wachtplaats van een sluis en
in een sluis moet een schip een zijwaartse afstand van tenminste 10 m
in acht nemen ten opzichte van een schip of een samenstel dat het
teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert. Deze verplichting
geldt evenwel niet voor een schip of een samenstel dat eveneens dit
teken voert, alsmede voor een schip bedoeld in artikel 3.14, zevende
lid.
12. Een schip of een samenstel, dat de
tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, voert, mag een
sluis niet invaren indien het niet afzonderlijk zou worden geschut.
Een ander schip mag een sluis niet invaren indien het tesamen met een
schip of een samenstel, dat deze tekens voert, zou worden geschut.
13. In afwijking van het twaalfde lid,
kunnen drogeladingschepen ingevolge het ADN die uitsluitend
containers, IBC’s, grote verpakkingen, gascontainers met meerdere
elementen (MEGC), transporttanks en tankcontainers volgens ADN nr.
7.1.1.18 vervoeren en die de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede
lid, voeren, gelijktijdig met elkaar of met de in artikel 3.14,
eerste, of zevende lid, bedoelde schepen worden geschut.
De afstand tussen boeg en hek en de
zijwaartse afstand van de gelijktijdig geschutte schepen bedraagt ten
minste 10 m.
14. Een schip of een samenstel dat het
teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, mag een sluis niet
invaren indien het tesamen met een passagiersschip zou worden geschut.
Een passagiersschip mag een sluis niet invaren indien het tesamen met
een schip of een samenstel, dat dit teken voert, zou worden geschut.
15. De bevoegde autoriteit kan,
teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel
het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik
daarvan, te verzekeren, wanneer een schip zich in een sluis of op een
wachtplaats daarvan bevindt, aan de schipper een verkeersaanwijzing
geven. Daarbij kan dit artikel worden aangevuld, dan wel daarvan
worden afgeweken.
De schipper is verplicht aan deze
verkeersaanwijzing gevolg te geven.
Artikel 6.28a. In- en uitvaren van
sluizen
1.Voor het invaren van een sluis kunnen
tekens worden getoond aan weerszijden van de invaartopening op gelijke
hoogte dan wel aan de stuurboordszijde daarvan.
Deze tekens betekenen:
a. twee rode vaste lichten boven
elkaar (teken A.1; bijlage 7):
het invaren is verboden, de sluis
wordt niet bediend;
b. één rood vast licht (teken
A.1; bijlage 7):
het invaren is verboden, de sluis
wordt bediend;
c. een rood vast licht en daaronder
een groen vast licht (teken A.11; bijlage 7):
het invaren is verboden, maar dit
zal aanstonds worden toegestaan;
d. één groen vast licht (teken
E.1; bijlage 7):
het invaren is toegestaan;
e. twee groene vaste lichten boven
elkaar (teken E.1; bijlage 7):
het invaren is toegestaan, de sluis
is aan beide zijden open en wordt niet bediend.
2.Voor het uitvaren van een sluis
kunnen tekens worden getoond aan weerszijden van de uitvaartopening op
gelijke hoogte dan wel aan de stuurboordszijde daarvan.
Deze tekens betekenen:
a. één rood vast licht (teken
A.1; bijlage 7):
het uitvaren is verboden;
b. één groen vast licht (teken
E.1; bijlage 7):
het uitvaren is toegestaan.
3.De in het eerste lid, onder a, b, d
en e, en in het tweede lid bedoelde rode en groene lichten kunnen
worden vervangen onderscheidenlijk door het bord van teken A.1 en het
bord van teken E.1 (bijlage 7).
Artikel 6.28b. Recht op voorschutting
1.In afwijking van artikel 6.28, vijfde
lid, hebben recht op voorschutting:
a. schepen van ambtenaren belast
met toezicht of opsporing en brandweerboten die in verband met
spoedeisende redenen van dienstvervulling onderweg zijn;
b. schepen waaraan de bevoegde
autoriteit dit recht heeft verleend.
2.Een schip moet voorrang verlenen aan
een schip dat recht op voorschutting heeft en de rode wimpel voert,
bedoeld in artikel 3.17, opdat dit schip zonder oponthoud de sluis kan
invaren.
Afdeling VI. Slecht zicht
Artikel 6.29. Algemene bepalingen voor
het varen bij slecht zicht
1. Deze afdeling is alleen van
toepassing bij slecht zicht.
2. Een schip vaart op radar, indien het
gebruik maakt van radar voor het varen bij slecht zicht.
3. Op de in bijlage 9 vermelde
vaarwegen moet een schip bij slecht zicht op radar varen. Op deze
vaarwegen moet een schip dat niet op radar kan varen op de
dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan stilliggen.
4. Het derde lid is niet van toepassing
op een schip dat bestemd is om bedrijfsmatig diensten te verrichten
ten behoeve van een zeegaand schip en waarop in samenhang met die te
verrichten diensten de plaatsing van een radar technisch gezien niet
mogelijk is. De bevoegde autoriteit kan hieromtrent beleidsregels
vaststellen.
Artikel 6.29a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 6.30. Alle varende schepen
1.Een varend schip moet een snelheid
aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht,
aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de
plaatselijke omstandigheden.
2.Een varend schip moet zo veel
mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen. De artikelen
6.04a en 6.05 zijn niet van toepassing.
3.Een schip moet op de dichtstbijzijnde
daarvoor geschikte plaats gaan stilliggen, wanneer in verband met de
mate van beperking van het zicht, met de aanwezigheid en de bewegingen
van andere schepen of met de plaatselijke omstandigheden de vaart niet
zonder gevaar kan worden voortgezet.
4.Een schip moet bij het gaan
stilliggen het vaarwater zo veel mogelijk vrijmaken.
Artikel 6.31. Stilliggende schepen
1.Een schip dat in het vaarwater of in
de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt moet, wanneer
het per marifoon verneemt dat andere schepen naderen of wanneer en
zolang het het geluidssein van een naderend schip hoort, per marifoon
zijn positie opgeven of als geluidssein één reeks klokslagen geven.
Het geluidssein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste
één minuut.
Deze bepaling is niet van toepassing op
een schip dat stil ligt in een haven of op een in het bijzonder
daartoe door de bevoegde autoriteit bestemde ligplaats.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op andere schepen van een duwstel dan de duwboot. Bij een gekoppeld
samenstel is het van toepassing op het schip dat zorgt voor de
voortbeweging van het samenstel; bij een gekoppeld samenstel van twee
motorschepen op het motorschip aan stuurboord.
3.Een zeegaand schip dat stilligt als
bedoeld in het eerste lid mag als geluidssein eveneens geven: één
korte stoot gevolgd door één lange stoot en één korte stoot.
Dit sein mag worden herhaald.
4.Dit artikel is mede van toepassing op
een schip dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een
gevaarlijke plaats is vastgevaren.
Artikel 6.32. Op radar varende schepen
1. Een schip mag slechts op radar
varen, indien zowel een persoon die houder is van een radarpatent als
bedoeld in het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de
Rijn en die tevens houder is van het vereiste vaarbevoegdheidsbewijs
als een tweede persoon die met het varen op radar voldoende op de
hoogte is zich voortdurend in de stuurhut bevindt.
Voor een schip dat is uitgerust met een
eenmansstuurstelling voor het varen op radar en dat voldoet aan de
daaromtrent vastgestelde voorschriften behoeft de tweede persoon
slechts aan boord beschikbaar te zijn.
Voor een niet-vrijvarende veerpont kan
de bevoegde autoriteit van de verplichting van dit lid ontheffing
verlenen.
2. Voor een op radar varend schip
blijft artikel 1.09, derde lid, omtrent het hebben naar alle zijden
van een voldoende vrij direct of indirect uitzicht buiten toepassing.
3. Een op radar varend schip moet,
zodra het op het scherm een schip waarneemt waarvan de positie of het
gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden of wanneer het
een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden
die nog niet op het scherm te zien zijn, aan de andere schepen op het
schip--schip kanaal dan wel op het andere aangewezen kanaal opgeven:
zijn naam, zijn positie, zijn vaarrichting en of het een groot schip,
een klein schip, een snel schip, of een bovenmaats schip is.
Het moet vervolgens met die schepen het
voorbijvaren afspreken. Een klein schip of een snel schip moet daarbij
opgeven naar welke zijde het uitwijkt.
4. Een op radar varend schip dat per
marifoon wordt opgeroepen moet op het schip--schip kanaal dan wel op
het andere aangewezen kanaal antwoorden en opgeven: zijn naam, zijn
positie, zijn vaarrichting en of het een groot schip, een klein schip,
een snel schip, of een bovenmaats schip is. Het moet vervolgens met de
andere schepen het voorbijvaren afspreken. Een klein schip of een snel
schip moet daarbij opgeven naar welke zijde het uitwijkt.
5. Wanneer met de andere schepen geen
marifooncontact tot stand komt, moet het op radar varende schip:
a. één lange stoot geven, met
dien verstande dat een veerpont een lange stoot gevolgd door vier
korte stoten moet geven, en dit sein zo dikwijls als nodig is
herhalen; en
b. de snelheid verminderen en zo
nodig stilhouden.
6. Dit artikel geldt ingeval van een
duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het schip aan boord
waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
Artikel 6.33. Niet op radar varende
schepen
1.Voor een schip en een samenstel die
niet op radar varen geldt:
a. Een alleenvarend schip en een
schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt
moeten als mistsein één lange stoot geven. Dit sein moet worden
herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
b. Het schip moet voorop een
uitkijk hebben, die zich of binnen gezichts- of gehoorsafstand van
de schipper bevindt of een spreekverbinding met hem heeft. Bij een
samenstel behoeft alleen het voorste schip een uitkijk te hebben.
Dit is niet van toepassing op een klein schip of een veerpont.
c. Wanneer het schip via marifoon
door een ander schip wordt aangeroepen, moet het per marifoon
antwoorden en opgeven: zijn naam, zijn positie, zijn vaarrichting
en of het een groot schip, een klein schip, een snel schip of een
bovenmaats schip is. Het moet daarna met het andere schip het
voorbijvaren afspreken.
d. Wanneer het schip andere schepen
bemerkt waarmee geen marifooncontact tot stand komt moet het:
1°. indien het zich in de
nabijheid van een oever bevindt, deze oever aanhouden en, zo
nodig, vaart minderen dan wel gaan stilliggen, totdat het
voorbijvaren heeft plaatsgevonden;
2°. indien het zich niet in de
nabijheid van een oever bevindt, het vaarwater zo veel
mogelijk en zo snel mogelijk vrijmaken.
2.Een varend klein schip dat op een
andere vaarweg dan de op de in bijlage 9vermelde vaarwegen vaart en
dat is uitgerust met een marifooninstallatie voor de kanalen voor het
schip--schipverkeer en de nautische informatie moet uitluisteren op
het daartoe aangewezen kanaal en aan andere schepen de nodige
inlichtingen ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart
geven.
3.Een niet op radar varend klein schip
is niet verplicht het in het eerste lid bedoelde mistsein te geven,
doch het mag dit sein geven. Het sein mag worden herhaald.
4.Een niet op radar varende veerpont
moet als mistsein één lange stoot gevolgd door vier korte stoten
geven. Het sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste
één minuut.
Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats
nemen
Artikel 7.01. Algemene beginselen voor
het ligplaats nemen
1.Onverminderd de andere bepalingen van
dit reglement moeten een schip en een drijvend voorwerp zodanig
ligplaats nemen, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.
2.Afgezien van andere regelingen moet
een drijvende inrichting een zodanige ligplaats innemen, dat het
vaarwater vrijblijft voor de scheepvaart.
3.Een schip, een samenstel en een
drijvend voorwerp die stilliggen, zomede een drijvende inrichting,
moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van
hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen,
dan wel dat daardoor geen schade aan oevers, waterkeringen of werken
gelegen in scheepvaartwegen kan ontstaan. Hierbij moet met name
rekening worden gehouden met wind, stroom en verandering van de
waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.
4.Een stilliggend schip mag zonder
toestemming van de bevoegde autoriteit niet onnodig waterbeweging
veroorzaken, indien daardoor gevaar of schade voor een ander schip,
drijvend voorwerp of drijvende inrichting, dan wel schade aan oevers,
waterkeringen of werken gelegen in scheepvaartwegen kan ontstaan.
5.Een niet-vrijvarende veerpont moet,
indien hij buiten dienst is, ligplaats nemen op de door de bevoegde
autoriteit aangewezen plaats dan wel, zo deze niet is aangewezen,
zodanig, dat het vaarwater vrij blijft, en mag zich niet langer in het
vaarwater bevinden dan voor de uitoefening van de dienst nodig is.
Artikel 7.02. Ligplaats nemen (ankeren en
meren)
1.Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting mogen geen ligplaats nemen:
a. op een gedeelte van de vaarweg,
waar bij algemene regeling dan wel krachtens een bekendmaking met
dezelfde strekking als een verkeersteken ligplaats nemen is
verboden;
b. in een vak van of op een plaats
in de vaarweg aangewezen door de bevoegde autoriteit;
c. in een vak van of op een plaats
in de vaarweg, aangeduid door het teken A.5 (bijlage 7), waarbij
het verbod van toepassing is aan de zijde van de vaarweg, waar het
teken is aangebracht;
d. onder een brug of onder een
hoogspanningslijn;
e. in een engte in de zin van
artikel 6.07 en in de nabijheid daarvan, zomede in een vak van of
op een plaats in de vaarweg waar als gevolg van het stilliggen een
engte zou ontstaan en in de nabijheid daarvan;
f. waar in een vaarweg een andere
vaarweg, daaronder begrepen een haven, uitmondt;
g. in het traject van een veerpont;
h. in de route van schepen die aan
een aanlegplaats willen aanleggen of vandaar vertrekken;
i. in een vak van of op een plaats
in de vaarweg, waar schepen kunnen keren, aangeduid door het teken
E.8 (bijlage 7);
j. evenwijdig aan een schip dat het
bord bedoeld in artikel 3.33 voert, binnen de afstand die op de
witte driehoek van dit bord in meters is aangegeven;
k. in een vak van of op een plaats
in de vaarweg, aangeduid door het teken A.5.1. (bijlage 7), binnen
de afstand, te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters is
aangegeven.
2.Op een gedeelte van de vaarweg, waar
ligplaats nemen is verboden mag een schip, een drijvend voorwerp of
een drijvende inrichting evenwel ligplaats nemen op een bijzondere
ligplaats aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 (bijlage
7), met inachtneming van de artikelen 7.03 tot en met 7.06.
3.De schipper van een schip, een
drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, die noodgedwongen
ligplaats hebben genomen op een gedeelte van de vaarweg waar ligplaats
nemen is verboden, moet daarvan onverwijld kennis geven aan de
dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.
Artikel 7.03. Ankeren
1.Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting mogen niet ankeren:
a. op een gedeelte van de vaarweg,
waar bij algemene regeling dan wel krachtens een bekendmaking met
dezelfde strekking als een verkeersteken ankeren is verboden;
b. in een vak van of op een plaats
in de vaarweg aangeduid door het teken A.6 (bijlage 7), aan de
zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
2.Op een gedeelte van de vaarweg, waar
ankeren is verboden, mag een schip, een drijvend voorwerp of een
drijvende inrichting evenwel ankeren in een vak of op een plaats,
aangeduid door het teken E.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg,
waar het teken is aangebracht.
Artikel 7.04. Meren
1.Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting mogen niet meren:
a. op een gedeelte van de vaarweg,
waar bij algemene regeling dan wel krachtens een bekendmaking met
dezelfde strekking als een verkeersteken meren is verboden;
b. in een vak van of op een plaats
in de vaarweg, aangeduid door het teken A.7 (bijlage 7), aan de
zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
2.Op een gedeelte van de vaarweg, waar
meren is verboden, mag een schip, een drijvend voorwerp of een
drijvende inrichting evenwel meren in een vak of op een plaats,
aangeduid door het teken E.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg,
waar het teken is aangebracht.
3.Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting mogen bij meren of verhalen niet gebruik
maken van andere voorwerpen dan die welke daartoe zijn bestemd.
Artikel 7.05. Bijzondere ligplaatsen
1.Op een bijzondere ligplaats,
aangeduid door het teken E.5 (bijlage 7), mogen een schip en een
drijvend voorwerp ligplaats nemen aan de zijde van de vaarweg, waar
het teken is aangebracht.
2.Op een bijzondere ligplaats,
aangeduid door het teken E.5.1 (bijlage 7), mogen een schip en een
drijvend voorwerp ligplaats nemen binnen de afstand, te rekenen vanaf
het teken, die daarop in meters is aangegeven.
3.Op een bijzondere ligplaats,
aangeduid door het teken E.5.2 (bijlage 7), mogen een schip en een
drijvend voorwerp ligplaats nemen tussen de beide afstanden te rekenen
vanaf het teken die daarop in meters zijn aangegeven.
4.Op een bijzondere ligplaats,
aangeduid door het teken E.5.3 (bijlage 7), mogen aan de zijde van de
vaarweg, waar het teken is aangebracht, een schip en een drijvend
voorwerp ligplaats nemen, indien daarmede het aantal schepen en
drijvende voorwerpen langszijde van elkaar aldaar niet meer bedraagt
dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.
5.De in dit artikel vermelde bijzondere
ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
Artikel 7.06. Gereserveerde ligplaatsen
1.Op een bijzondere ligplaats aangeduid
door één der tekens E.5.4 tot en met E.5.15 (bijlage 7) mag een
schip ligplaats nemen dat behoort tot de categorie, waarop het teken
van toepassing is.
2.Op de bijzondere ligplaatsen moeten
de schepen, indien geen andere voorschriften zijn gesteld, langszijde
van elkaar en zo dicht mogelijk bij de oever aan de zijde van de
vaarweg, waar het teken is aangebracht, ligplaats nemen.
3.De in dit artikel vermelde bijzondere
ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
Artikel 7.07. Ligplaats nemen in de
nabijheid van schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren
1.Een schip mag geen ligplaats nemen
binnen de afstanden ten opzichte van een ander schip, een duwstel of
een gekoppeld samenstel, zoals hieronder wordt bepaald:
a. binnen 10 m van een schip, een
duwstel of een gekoppeld samenstel dat het teken bedoeld in
artikel 3.14, eerste lid, voert;
b. binnen 50 m van een schip, een
duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens bedoeld in
artikel 3.14, tweede lid, voert;
c. binnen 100 m van een schip, een
duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens bedoeld in
artikel 3.14, derde lid, voert.
2.Het verbod bedoeld in het eerste lid,
onder a, geldt niet:
a. voor een schip, een duwstel of
een gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;
b. voor een schip, een duwstel of
een gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat
voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het
ADNR, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften
die gelden voor een schip als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
3.De bevoegde autoriteit kan voor het
ligplaats nemen in bijzondere gevallen kleinere afstanden toestaan dan
die welke in het eerste lid zijn vermeld.
4.Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing voor de afstanden binnen welke een schip, een duwstel of
een gekoppeld samenstel, dat verplicht is de tekens bedoeld in artikel
3.14 te voeren, geen ligplaats mag nemen van een ander schip.
Artikel 7.08. Bewaking en toezicht
1.Een stilliggend schip dat is geladen
met de stoffen, bedoeld in het ADNR, nr. 7.1.5.0 en nr. 7.2.5.0, of
dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van
gassen die gevaar op kunnen leveren moet zijn gesteld onder een zich
voortdurend aan boord bevindende terzake kundige wachtsman. Deze
verplichting geldt niet voor een in een haven stilliggend schip
waaraan de bevoegde autoriteit daarvan vrijstelling of ontheffing
heeft verleend.
2.Een ander stilliggend schip moet,
voor zover het geen schipper heeft, zijn gesteld onder toezicht van
een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij de bevoegde
autoriteit aan een schip van deze verplichting vrijstelling heeft
verleend, dan wel hij gedoogt dat dit zonder toezicht stilligt.
Deze bepaling is eveneens van
toepassing op een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting
wanneer zij stilliggen.
Artikel 7.09. Gedogen langszijde te komen
Een aan een aanlegplaats gemeerd schip
moet gedogen, dat een ander schip langszijde komt of langszijde daarvan
vastmaakt en daarover gemeenschap met de wal heeft anders dan om te
laden of te lossen.
Artikel 7.10. Medewerking tot vertrekken
of verhalen dan wel tot ruimte maken
Indien van langszijde van elkaar
stilliggende schepen een schip wil vertrekken of verhalen dan wel ruimte
wil hebben voor het langszijde komen van een schip ten behoeve van
overslag, moet elk van de andere schepen daaraan de nodige medewerking
verlenen.
Artikel 7.11. Verhalen voor het laden of
lossen van een ander schip
Een aan een aanlegplaats gemeerd schip,
dat aldaar niet behoeft te worden geladen of gelost, moet verhalen,
indien een ander schip aldaar dient te worden geladen of gelost.
Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen
Artikel 8.01. Registratiebewijs
1.Een snelle motorboot moet ten name
van de eigenaar zijn geregistreerd bij een door de Minister van
Verkeer en Waterstaat aangewezen instelling. Deze instelling kent aan
hem een registratieteken toe en geeft een bijbehorend
registratiebewijs af volgens een door de Minister van Verkeer en
Waterstaat vastgesteld model.
2.Het registratiebewijs bedoeld in het
eerste lid moet tijdens het varen met een snelle motorboot aan boord
aanwezig zijn.
3.De Minister van Verkeer en Waterstaat
kan nadere regels stellen met betrekking tot de registratie.
Artikel 8.02. Registratieteken
1.Een snelle motorboot mag niet
deelnemen aan de scheepvaart indien hij niet is voorzien van het, door
de in artikel 8.01, eerste lid, bedoelde instelling toegekende
registratieteken. Dit teken bestaat uit een of meer letters en een
nummer, met een hoogte van ten minste 150 mm, een breedte van ten
minste 100 mm en een stamdikte van ten minste 20 mm. Het moet goed
waarneembaar zijn en in een van de ondergrond afwijkende kleur zijn
aangebracht aan weerszijden van de boot.
2.Een snelle motorboot, welke
tengevolge van de constructie niet kan voldoen aan het in het eerste
lid bepaalde omtrent de grootte van de registratieletters en nummers,
moet zijn voorzien van een of meer letters en een nummer van ten
minste respectievelijk 100 mm, 60 mm en 15 mm.
Artikel 8.03. Inrichting
Een snelle motorboot mag slechts
deelnemen aan de scheepvaart indien:
a. de inrichting van het schip en van
de motor zodanig is, dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder
voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;
b. de afgewerkte gassen door een
behoorlijk geluiddempende voorziening worden afgevoerd;
c. de stuurinrichting deugdelijk en
doelmatig is;
d. het schip is voorzien van een
technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing
de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg
tot stilstand komen; deze eis geldt niet voor een gesloten
binnenbesturing;
e. een reddingsvest onder handbereik
voor ieder der opvarenden aan boord is;
f. een deugdelijk brandblusapparaat
aan boord is.
Artikel 8.04. Eigenaar
De eigenaar of houder van een snelle
motorboot draagt er mede zorg voor dat niet in strijd met de artikelen
8.01, 8.02 en 8.03 wordt gehandeld.
Artikel 8.05. Verplichtingen bestuurder
1.De bestuurder van een snelle
motorboot moet tijdens het varen:
a. zijn gezeten op de voor hem
bestemde zitplaats;
b. te allen tijde gebruik maken van
de technische inrichting, bedoeld in artikel 8.03 onderdeel d;
c. zich zodanig gedragen, dat geen
hinder of gevaar voor andere gebruikers van het vaarwater wordt
veroorzaakt.
2.De bestuurder draagt er zorg voor dat
de motor van een snelle motorboot geen onnodige geluidhinder
veroorzaakt.
3.De bestuurder draagt er zorg voor dat
de motor van een stilliggende snelle motorboot niet onnodig lang of
zonder redelijk doel in werking wordt gehouden.
4.De verplichting, genoemd in het
eerste lid, onder a, is niet van toepassing indien de constructie van
een snelle motorboot zodanig is dat de bestuurder het schip ook veilig
staande dan wel slechts staande kan besturen.
5.De bestuurder die staande een snelle
motorboot bestuurt is verplicht een reddingsvest te dragen. Dit geldt
niet voor het sturen vanaf een gesloten binnenbesturing.
Artikel 8.06. Snel varen en waterskiën
1.Een snelle motorboot mag niet sneller
varen dan 20 km per uur ten opzichte van het water. De bevoegde
autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit
verbod niet van toepassing is dan wel waarop een andere maximum
snelheid van toepassing is. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt
tussen snel varen overdag of ’s nachts.
2.Het is verboden te waterskiën of te
doen waterskiën of op soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik te
maken of gebruik te doen maken. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen
of gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod overdag niet van
toepassing is.
3.De bestuurder van een snelle
motorboot, die één of meer waterskiërs of personen die op
soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik maken voortbeweegt, moet
zich doen bijstaan door een mede opvarende van ten minste 15 jaar oud
als uitkijk.
4.Een waterskiër en een persoon die op
soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik maakt moeten zich zodanig
gedragen, dat geen gevaar of hinder voor andere gebruikers van de
vaarweg kan worden veroorzaakt.
Artikel 8.07. Schipper
De schipper van een snelle motorboot moet
er zorg voor dragen, dat niet in strijd met de artikelen 8.05 en 8.06
wordt gehandeld.
Artikel 8.08. Watersport zonder schip
1. Een persoon die zwemt dan wel die op
andere wijze watersport bedrijft zonder gebruik te maken van een schip
moet voldoende afstand houden van een varend schip of een varend
drijvend voorwerp dan wel van een drijvend werktuig in bedrijf.
2. Zwemmen, watersport zonder gebruik
te maken van een schip en onderwatersport zijn verboden:
a. op een wachtplaats of in de
onmiddellijke nabijheid van een brug, een sluis of een stuw;
b. in gedeelten van de vaarweg
bestemd voor de doorgaande scheepvaart;
c. in routes van veerponten;
d. in havens en nabij de ingangen
daarvan;
e. in de nabijheid van
meergelegenheden;
f. in gebieden aangewezen voor
snelvaren of waterskiën;
g. in de door de bevoegde
autoriteit aangewezen gebieden.
3. De bevoegde autoriteit kan
vrijstelling of ontheffing verlenen van het tweede lid. Aan de
vrijstelling of ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.
Deel II
Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen voor
de scheepvaart op de in beheer bij het Rijk zijnde vaarwegen en op
andere met name genoemde vaarwegen
Artikel 9.01. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op de in
artikel 2, eerste en derde lid, van het Vaststellingsbesluit
Binnenvaartpolitiereglement bedoelde vaarwegen, voorzover deze in beheer
zijn bij het Rijk en op de inbijlage 10 vermelde vaarwegen.
Artikel 9.02. Afmetingen
1. Een schip of een samenstel moet zich
voor wat betreft de in bijlage 13 vermelde vaarwegen en kunstwerken
houden aan de daar aangegeven grootste lengte, breedte en diepgang.
2. Een schip of samenstel voldoet aan
de in het eerste lid gestelde eisen, wanneer deze wordt aangemerkt als
bijzonder transport in de zin van artikel 1.21, eerste lid, en daaraan
een vergunning is verstrekt op grond van artikel 1.21, tweede lid,
waarin de lengte, breedte en diepgang van de vaarwegen en kunstwerken
op de door het schip of samenstel af te leggen route in aanmerking
zijn genomen.
3. De bevoegde autoriteit kan
ontheffing verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen
worden verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 9.03. Ligplaats nemen (ankeren en
meren)
1.Het is verboden op de in bijlage 14,
onder a, vermelde vaarwegen, of gedeelten daarvan, ligplaats te nemen
(ankeren en meren).
2.Op een gedeelte van een vaarweg waar
ligplaats nemen is toegestaan mogen een schip, een drijvend voorwerp
en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteit, niet:
a. aan herstelwerkzaamheden worden
onderworpen;
b. laden, lossen of ontgassen.
3.In een vlucht- of overnachtingshaven
en een werkhaven mogen een schip, een drijvend voorwerp en een
drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteit, niet:
a. langer dan drie
achtereenvolgende dagen ligplaats nemen;
b. binnen twaalf uren, nadat de
onder a bedoelde periode is beëindigd, opnieuw ligplaats nemen.
Het ligplaats nemen wordt geacht niet
te zijn beëindigd, indien het schip, het drijvende voorwerp of de
drijvende inrichting over minder dan 500 m is verplaatst.
4.Een duwstel als bedoeld in artikel
9.06, eerste lid, mag slechts worden samengesteld of ontkoppeld op de
door de bevoegde autoriteit aangewezen plaatsen.
5.Het in het eerste lid genoemde verbod
is op de in bijlage 14, onder b, genoemde vaarwegen niet van
toepassing op een klein schip dat op een veilige plaats buiten het
voor de doorgaande scheepvaart bestemde vaarwater ligt.
6.De bevoegde autoriteit kan ontheffing
verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen worden
verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 9.04. Kleine schepen
1.Op de in bijlage 15, onder a,
vermelde vaarwegen mag een klein schip slechts varen indien het is
voorzien van een motor die voor onmiddellijk gebruik gereed is, en
waarmee een snelheid van ten minste 6 kilometer per uur ten opzichte
van het water kan worden gehandhaafd.
2.Op de in het eerste lid bedoelde
vaarwegen, met uitzondering van de Geldersche IJssel, de Boven-Merwede,
de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, moet een klein schip zo veel
mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen.
3.Op de in het eerste lid bedoelde
vaarwegen is het niet toegestaan het vaarwater op te kruisen.
4.Het in het eerste lid genoemde
verbod, is op de daar bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de
vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden, niet van toepassing op
schepen die bestemd zijn om door spierkracht te worden voortbewogen en
ook daadwerkelijk als zodanig worden gebruikt.
5.Op de vaarweg ten westen van de
sluizen te IJmuiden kan de bevoegde autoriteit aan in het vierde lid
bedoelde schepen ontheffing verlenen van de in het eerste lid vermelde
vereisten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
6.Op de inbijlage 15, onder b, genoemde
vaarwegen moeten een varend en een geankerd klein schip bij slecht
zicht een goed functionerende radarreflector voeren.
Artikel 9.05. Zeilplanken en soortgelijke
vormen van watersport
1.Onverminderd artikel 9.04, eerste
lid, is het op de voor de doorgaande vaart bestemde gedeelten van de
in bijlage 16 opgenomen vaarwegen verboden te varen met een zeilplank.
2.Het is verboden te varen met een door
een vlieger voortbewogen plank.
3.De bevoegde autoriteit kan vaarwegen
of gedeelten daarvan aanwijzen waarop het verbod, bedoeld in het
tweede lid, overdag niet van toepassing is.
Artikel 9.06. Manoeuvreerbaarheid van
schepen en samenstellen
1. Op de in bijlage 17, onder a,
vermelde vaarwegen mogen een duwstel en een gekoppeld samenstel
waarvan de lengte meer bedraagt dan 193 m ofwel de breedte meer
bedraagt dan 22,90 m varen, indien:
a. de ten hoogste toegelaten
afmetingen zijn vermeld in het certificaat van onderzoek van de
duwboot of van het motorschip dat dient voor het voortbewegen en
het sturen van het samenstel onder vermelding van de toegelaten
formatie en van de toegelaten belading voor de van toepassing
zijnde vaarrichting;
b. het duwstel niet meer dan zes
duwbakken bevat, waarbij in afvaart ten hoogste vier duwbakken een
diepgang van 1,50 m of meer mogen hebben. Zeeschipbakken mogen
slechts langszijde van andere duwbakken vastgemaakt worden
meegevoerd, waarbij vier zeeschipbakken achter elkaar gelden als
één duwbak;
c. aan de kop van het samenstel een
vanuit de stuurhut van de duwboot of van het motorschip dat dient
voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel bedienbare
kopbesturing beschikbaar is;
d. de waterstand aan de peilschaal
te Lobith tussen 8,50 m en 13,50 m is gelegen;
e. het geen gevaarlijke stoffen
vervoert voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring
als bedoeld in het ADNR vereist wordt.
2. Onverminderd het eerste lid geldt
voor duwstellen met een duwboot met een lengte van niet meer dan 40 m:
a. het maximale vermogen van de
aandrijving van de duwboot mag niet groter zijn dan 4500 kW;
b. in de lange formatie moeten
tenminste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben.
In de brede formatie mag ook zonder kopbesturing worden gevaren,
indien tenminste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang
van 2,50 m of meer hebben en twee daarvan in de as van het duwstel
zijn geplaatst.
3. Op de inbijlage 17, onder b,
vermelde vaarwegen mag een duwstel waarvan de lengte meer bedraagt dan
110 m slechts bij buitengewone plaatselijke omstandigheden varen,
indien:
a. het is voorzien van een
kopbesturing van voldoende effectief vermogen, die vanuit de
stuurhut van de duwboot kan worden bediend; indien de kopbesturing
bestaat uit koproeren moeten deze voor iedere betreffende duwbak
een effectieve oppervlakte van tenminste 2 m2hebben;
b. de gemiddelde diepgang groter is
dan 2,00 m of de diepgang over tenminste 50% van de lengte van de
duwbakken groter is dan 2,50 m; of
c. het duwstel wordt geassisteerd.
4. Op de inbijlage 17, onder c,
vermelde vaarwegen mogen een alleenvarend motorschip en een duwstel en
een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 90 m
varen, indien zij zijn voorzien van een kopbesturing van voldoende
effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
5. Op de inbijlage 17, onder d,
vermelde vaarwegen mag een duwstel dat is voorzien van een certificaat
van onderzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de
Binnenvaartwet of van een document als bedoeld in artikel 7,
onderdelen a en c, van het Binnenvaartbesluit en waarvan de lengte
meer bedraagt dan 137 m doch niet meer dan 193 m varen, indien het is
voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die
vanuit de stuurhut kan worden bediend.
6. Als kopbesturing van een duwstel
wordt tevens beschouwd de boegschroef van de duwboot, indien deze zich
op ten hoogste 45% van de lengte van het duwstel gerekend vanaf de kop
daarvan bevindt.
7. De in dit artikel bedoelde
duwstellen en gekoppelde samenstellen mogen buiten de daarvoor
aangewezen ligplaatsen slechts met toestemming van de bevoegde
autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.
8. De bevoegde autoriteit kan
duwstellen en gekoppelde samenstellen met grotere afmetingen dan die
welke volgens dit artikel zijn toegelaten, met andere wijzen van
aandrijving en vermogen en bij andere waterstanden voor het te bevaren
vaarweggedeelte toelaten.
Artikel 9.07. Meld-, uitluister- en
communicatieplicht
1. Een groot schip van een door de
bevoegde autoriteit aangegeven categorie, een bijzonder transport, een
drijvende inrichting en een drijvend voorwerp waarvan het verplaatsen
klaarblijkelijk geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen
schade aan de kunstwerken kan veroorzaken, melden zich op de door de
bevoegde autoriteit aangegeven wijze, overeenkomstig de daartoe
gestelde regels.
2. Een in het eerste lid bedoeld groot
schip, luistert op de in bijlage 9 en bijlage 10 genoemde vaarwegen
uit en neemt zonodig deel aan de ter plaatse gevoerde communicatie op
het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal,
overeenkomstig de daartoe gestelde regels.
3. De in het eerste lid bedoelde
meldingsplicht is tevens van toepassing op een klein schip, waarmee
wordt vervoerd een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3,
onderdeel g, of een schadelijke stof als bedoeld in artikel 3,
onderdeel h, van richtlijn nr. 2002/59/EG.
4. De in het tweede lid bedoelde
uitluister- en communicatieplicht is tevens van toepassing op een
klein schip, wanneer het de in het derde lid bedoelde stoffen
vervoert, of wanneer het een klein schip betreft dat is uitgerust met
een marifooninstallatie.
5. De in het eerste en derde lid
bedoelde meldingsplicht is niet van toepassing op een schip dat zich
reeds op grond van artikel 10.07 voor vertrek moet melden.
6. De in het eerste en tweede lid
bedoelde regels kunnen betrekking hebben op het gebruik van bepaalde
communicatiemiddelen aan boord van het schip, het melden van aankomst,
vertrek of positie van het schip, alsmede op gegevens met betrekking
tot het schip, de daarmee vervoerde lading of de uit te voeren reis.
Artikel 9.08. Varend bunkeren
Het is verboden op de in bijlage 18
vermelde vaarwegen, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,
varend brandstof af te leveren.
Hoofdstuk 10. Bijzondere bepalingen voor
de vaarwegen tussen de zee en de zeehavens
Artikel 10.01. Toepassingsgebied
1.Dit hoofdstuk is van toepassing op de
vaarwegen en havens, genoemd inbijlage 11.
2.Onder een haven is een laad- of
losplaats begrepen.
Artikel 10.02. Bovenmaatse zeegaande
schepen
1.Een bovenmaats zeegaand schip moet op
de daartoe aangewezen vaarwegen de daartoe vastgestelde voorschriften
in acht nemen.
2.De in het eerste lid bedoelde
voorschriften kunnen betreffen:
a. de toegelaten afmetingen van een
schip;
b. de bouw, de uitrusting, het
motorvermogen en de manoeuvreerbaarheid van een schip;
c. de grootste snelheid waarmede
mag worden gevaren;
d. de meteorologische
omstandigheden waaronder mag worden gevaren;
e. de te volgen route.
Artikel 10.03. Bijkomende lichten en
bijkomend dagteken van bovenmaatse schepen
Een varend bovenmaats zeegaand schip
moet, op de wijze en wat de lichten betreft met de lichtsterkte en de
kleur, vermeld in de internationale bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, behalve de tekens bedoeld in artikel 3.08, als
bijkomende tekens voeren:
a. ’s nachts: drie rode rondom
schijnende lichten in een verticale lijn;
b. overdag: een zwarte cilinder.
Artikel 10.04. Bijkomend licht en
bijkomend dagteken van schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen
vervoeren
1.Een zeegaand schip dat gevaarlijke
stoffen vervoert, bedoeld in bijlage 12, moet als bijkomende tekens
voeren:
a. ’s nachts: een rood helder
rondom schijnend licht;
b. overdag: de internationale
seinvlag«B».
2.Deze tekens moeten worden gevoerd
daar waar zij het best kunnen worden gezien en op een hoogte van ten
minste 6 m.
Artikel 10.05. Vlaggeseinen van het
Internationaal Seinboek
Een zeegaand schip mag de internationale
vlaggeseinen "A", "B", "G", "H",
"P", "Q" en "Z" geven.
Artikel 10.06. Wit lichtsein
1.Een zeegaand motorschip behoeft niet
het gele lichtsein, bedoeld in artikel 4.01, tweede lid, te tonen,
maar mag dit tonen.
2.Een zeegaand schip mag de algemene
geluidsseinen, vermeld in afdeling A van bijlage 6, aanvullen met een
wit lichtsein als bedoeld in de internationale bepalingen ter
voorkoming van aanvaringen op zee. Het schip mag dan niet het in het
eerste lid bedoelde gele lichtsein tonen.
3.Het witte lichtsein mag afhankelijk
van de omstandigheden worden herhaald.
4.Dit artikel geldt niet voor
klokslagen en reeksen klokslagen.
Artikel 10.07. Melding voor vertrek
1. De schipper, de exploitant of de
agent van een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de
Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer, dat naar zee vertrekt en de
schipper, de exploitant of de agent van een zeeschip zijnde een
vrachtschip, een olie-, chemicaliën-, of gastanker, of een
passagiersschip dat naar zee vertrekt en waarmee een gevaarlijke stof
als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een schadelijke stof als
bedoeld in artikel 3, onderdeel h, van richtlijn nr. 2002/59/EG wordt
vervoerd, deelt voor de afvaart van dat schip uit een haven of van een
ankerplaats aan de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven of
ankerplaats de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens mede
omtrent het schip, het tijdstip van vertrek daarvan, de daarmee
vervoerde lading, het aantal personen aan boord en de uit te voeren
reis, op een bij die regeling bepaalde wijze.
2. De bevoegde autoriteit kan
ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde meldingsplicht
met betrekking tot een zeeschip als bedoeld in dat lid, dat in
lijndienst vaart tussen twee in Nederland gelegen havens of tussen een
in Nederland gelegen haven en een haven gelegen in een andere staat,
als wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in artikel 15, eerste
en tweede lid, van richtlijn nr. 2002/59/EG.
3. De bevoegde autoriteit trekt de
ontheffing in wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorschriften,
bedoeld in het tweede lid.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing op een schip als bedoeld in artikel 2, tweede lid, in
samenhang met artikel 6 bis van richtlijn nr. 2002/59/EG.
Artikel 10.07a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 10.08. Bijzondere voorrangsregels
1.In afwijking van hoofdstuk 6 is een
schip verplicht aan een bovenmaats zeegaand schip voorrang te
verlenen.
2.Artikel 6.09, tweede lid, geldt niet
voor een schip dat de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel
10.03, voert en dat wordt opgelopen door een ander schip.
3.Indien één van twee schepen die
elkaar naderen op tegengestelde koersen een schip is dat de lichten of
het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voert, is artikel 6.04a niet
van toepassing.
4.Schepen die de lichten of het
dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voeren moeten zich behoudens het
derde lid onderling gedragen naar de vaarregels van hoofdstuk 6.
Artikel 10.09. Verbod dicht langs een
schip dat bepaalde gevaarlijke stoffen vervoert te varen
Een schip mag behalve bij voorbijlopen en
bij voorbijvaren op tegengestelde koersen niet varen binnen een afstand
van 50 m van een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel
10.04, eerste lid, voert.
Artikel 10.10. Ligplaats nemen in de
nabijheid van een schip dat bepaalde gevaarlijke stoffen vervoert
1.Een schip mag geen ligplaats nemen
binnen een afstand van 50 m van een schip dat het licht of het
dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, voert.
2.De bevoegde autoriteit kan voor het
ligplaats nemen afwijkingen toestaan.
3.Een schip dat het licht of het
dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, moet voeren, mag geen
ligplaats nemen binnen een afstand van 50 meter van andere schepen.
Artikel 10.11. Gebruik marifoon
In afwijking van artikel 4.05, eerste
lid, mag een zeegaand groot schip zijn uitgerust met een
marifooninstallatie van het type dat voor het gebruik in de
frequentieband van 156–174 MHz is toegelaten.
Hoofdstuk 11. Bijzondere bepalingen voor
de scheepvaart op de boventoeleidingskanalen op de Maas
Artikel 11.01. Invaren van de
boventoeleidingskanalen van de sluizen in de Maas
1.Op de Maas moet een afvarend schip
vóór het invaren van de boventoeleidingskanalen van de sluizen bij
Roermond, Belfeld en Sambeek alsmede bij het bevaren van het
boventoeleidingskanaal van de sluizen bij Roermond zo dicht mogelijk
langs de linker oever houden. Een afvarend schip moet vóór het
invaren van het boventoeleidingskanaal van de sluizen bij Grave en
Limmel zo dicht mogelijk langs de rechter oever houden.
2.Een opvarend schip moet aan een
afvarend schip als bedoeld in het eerste lid, de nodige ruimte laten.
3.Op gedeelten van de Maas en op de
boventoeleidingskanalen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin,
moeten een afvarend en een opvarend schip, wanneer zij elkaar naderen
op tegengestelde koersen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, de
tekens tonen en de geluidsseinen geven, vermeld in artikel 6.05.
4.Artikel 6.30, tweede lid, is niet van
toepassing.
5.Een afvarend schip en een opvarend
schip zijn een schip als bedoeld in artikel 6.01, eerste lid.
Hoofdstuk 12. Bijzondere bepalingen voor
de scheepvaart op de langs de Westerschelde gelegen havens
Artikel 12.01. Toepassingsgebied
1.Dit hoofdstuk is slechts van
toepassing op de met de Westerschelde in open verbinding staande
havens en voorhavens.
2.Onder een haven is een laad- of
losplaats begrepen.
Artikel 12.02. Lichten en dagtekens bij
slepen en assisteren
1.Het zeegaand motorschip aan de kop
van een sleep alsmede het zeegaand motorschip dat een motorschip, een
duwstel of een gekoppeld samenstel assisteert mag in plaats van het
gele licht, bedoeld in artikel 3.09, eerste lid, onder c, een heklicht
voeren.
2.Indien een sleep verscheidene
zeegaande motorschepen bevat, die niet in kiellinie varen, dan wel
verscheidene motorschepen tezamen een motorschip, een duwstel of een
gekoppeld samenstel assisteren, is het eerste lid van toepassing op
elk van deze zeegaande schepen.
3.Een zeegaand schip dat wordt gesleept
mag een toplicht of achter dit toplicht een tweede toplicht
overeenkomstig artikel 3.08, eerste en tweede lid, voeren.
4.Een motorschip, waarvoor bij artikel
3.09, eerste en tweede lid, een gele cylinder is voorgeschreven,
behoeft deze niet te voeren maar het mag dit doen. Een motorschip, een
duwstel of een gekoppeld samenstel, waarvoor bij artikel 3.09, derde
lid, een gele bol is voorgeschreven, behoeft deze niet te voeren maar
het mag dit doen.
5.Indien een duwstel door één of meer
motorschepen wordt geassisteerd, behoeven de drie lichten op de
duwboot niet overeenkomstig artikel 3.10, tweede lid, gele lichten te
zijn maar zij mogen dit zijn.
Artikel 12.03. Lichten van schepen van
veerdiensten
Een schip van de veerdiensten over de
Westerschelde, dat op zijn aanlegplaats stilligt terwijl het dienst
doet, mag de lichten blijven voeren die zijn voorgeschreven voor een
varend schip.
Artikel 12.04. Toepasselijkheid van de
voorschriften inzake het gebruik van radar
Een zeegaand schip mag, indien de
radarinstallatie goed functioneert, gebruik maken van radar:
a. zonder te zijn uitgerust met een
radarinstallatie en een bochtaanwijzer, als bedoeld in artikel 4.06,
eerste lid, onder a; en
b. zonder dat zich aan boord een
persoon bevindt die houder is van een radarpatent, als bedoeld
inartikel 4.06, eerste lid, onder b.
Artikel 12.05. Uitvaren van havens en
voorhavens naar de Westerschelde
1.Een schip mag niet uit een haven of
een voorhaven het vaarwater van de Westerschelde invaren, indien
daardoor een schip dat dit vaarwater in een gestrekte koers volgt zou
worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen.
2.Onverminderd het eerste lid mag een
tankschip, dat samengeperste vloeibaar gemaakte of onder druk
opgeloste gassen vervoert, niet zonder toestemming van de bevoegde
autoriteit uit een haven of een voorhaven het vaarwater van de
Westerschelde invaren.
Artikel 12.06. Toepasselijkheid van de
voorschriften inzake het varen bij slecht zicht
Een zeegaand schip mag op radar varen,
zonder dat zich overeenkomstig artikel 6.32, eerste lid, een persoon in
de stuurhut bevindt die houder is van een radarpatent, als bedoeld
inartikel 4.06, eerste lid, onder b.
Artikel 12.07. Geluidsseinen bij slecht
zicht van een varend schip
1.Bij slecht zicht mag een varend
schip, indien het gestopt ligt en geen vaart door het water loopt, in
plaats van één lange stoot als bedoeld in de artikelen 6.32, vierde
lid, en 6.33, eerste lid, geven:
twee opeenvolgende lange stoten met een
tijdruimte daartussen van ongeveer twee seconden.
2.Het schip moet het in het eerste lid
bedoelde sein, voor zover dit wordt gegeven ingevolge artikel 6.33,
eerste lid, herhalen met tussenpozen van ten hoogste twee minuten.
Hoofdstuk 13. Bijzondere bepalingen voor
de scheepvaart van, naar en in de haven van Den Helder
Artikel 13.01. Verboden handelingen
Behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteit is het verboden op de rede van Den Helder en in het
havengebied te dreggen, dan wel zich met snorkel-, duik- of soortgelijke
uitrustingsstukken te water te bevinden.
Artikel 13.02. Marinehaven Willemsoord
Behoudens toestemming van de bevoegde
autoriteit is het verboden met andere schepen dan schepen der
krijgsmacht de marinehaven te Willemsoord anders te bevaren dan
noodzakelijk voor de rechtstreekse doorvaart.
Artikel 13.03. Tijdelijk vaarverbod
marinehaven en rede Den Helder
1. De bevoegde autoriteit kan ten
behoeve van de veilige in- of uitvaart van de marinehaven
Willemsoord door schepen die door hem worden aangewezen, de overige
scheepvaart een verkeersaanwijzing geven inhoudende een tijdelijk
verbod deze haven in of uit te varen en zich te bevinden binnen 200
meter aan weerszijden van de lichtenlijn, zowel op de rede van Den
Helder binnen één zeemijl vanaf de havenmond, als in deze haven.
2. Wanneer de in het eerste lid
bedoelde verkeersaanwijzing is gegeven, wordt dit kenbaar gemaakt
door het tonen van het teken A.1 (bijlage 7) op het
Havencoördinatiecentrum Harssens.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|