| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Scheepvaartverkeerswet
VASTSTELLINGSBESLUIT
BINNENVAARTPOLITIEREGLEMENT (BPR)
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 26 oktober 1983 tot vaststelling van een
reglement houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of
aandrijving op de openbare wateren in het Rijk die voor de scheepvaart
openstaan
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 april 1983,
nr. RRV 16 895, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van
Justitie;
Overwegende dat de ontwikkelingen in het
scheepvaartverkeer en het streven te komen tot een uniform stelsel van
verkeersregels en verkeerstekens voor de vaarwegen in Europa het
wenselijk maken de bepalingen ter voorkoming van aanvaring of
aandrijving op de openbare wateren in het Rijk die voor de scheepvaart
openstaan, te herzien;
Gelet op artikel 1 van de Wet van 15 april
1891, houdende bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op
de openbare wateren in het Rijk die voor de scheepvaart openstaan (Stb.
1891, 91);
De Raad van State gehoord (advies van 7
september 1983, nr. W09.83.0219/08.3.35);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 12 oktober 1983, nr. RRV 54005, Hoofddirectie
van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken,
uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Vastgesteld wordt een reglement houdende
bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare
wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan, met de daarbij
behorende bijlagen, dat is gevoegd bij dit besluit, en dat wordt
aangehaald als " Binnenvaartpolitiereglement".
Artikel 1a
Een wijziging van richtlijn nr.
2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair
monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot
intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 208), gaat voor
de toepassing van het Binnenvaartpolitiereglement gelden met ingang van
de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt
bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 2
1. Het Binnenvaartpolitiereglement
geldt op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart
openstaan, met uitzondering van:
a. de Boven-Rijn, de Waal, het
Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek;
b. de aan de onder a genoemde
vaarwegen gelegen havens, laad- en losplaatsen en
recreatieplassen, met uitzondering van de voorhavens van sluizen;
c. de Westerschelde met haar
mondingen;
d. het Kanaal van Terneuzen met de
buitenvoorhavens te Terneuzen;
e. de Eemsmonding, zoals bedoeld in
het Eems-Dollardverdrag;
f. de Nederlandse gedeelten van de
gemeenschappelijke Maas; en
g. de zeewaarts van de in het
tweede lid vermelde lijn gelegen wateren.
2. De in het eerste lid bedoelde lijn
is de langs de Nederlandse kust gaande lijn, die loopt van:
– het snijpunt van de
breedtecirkel 53°26'.5 N met de Duitse kust ter plaatse van
Upleward,
– vandaar naar het punt met de
coördinaten 53°26'.5 N en 006°55'.9 E,
– vandaar naar een punt gelegen
25 meter westelijk van de kop van de strekdam van Borkum,
– vandaar via de noordelijkste
punten van Rottumeroog, Rottumerplaat en de zandplaat Simonszand,
naar het oostelijkste punt van Schiermonnikoog, en voorts langs de
noordelijke kust naar het westelijkste punt van Schiermonnikoog,
– vandaar naar het noordelijkste
punt van de zandplaat Het Rif,
– vandaar naar het oostelijkste
punt van Ameland en voorts langs de noordelijke kust naar het
westelijkste punt van dit eiland,
– vandaar naar het oostelijkste
punt van Terschelling en voorts langs de noordelijke kustlijn naar
het westelijkste punt van dit eiland,
– vandaar naar het noordelijkste
punt van Vlieland en voorts langs de noordelijke kust naar het
westelijkste punt van dit eiland,
– vandaar naar het noordelijkste
punt van Texel en voorts langs de westelijke kust tot het snijpunt
van de kustlijn en de lijn tussen het Loodsmansduin te Texel, met
de coördinaten 53°01'.3 N en 004°43'.7 E, en het punt met de
coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E, op het eiland
Noorderhaaks,
– vandaar naar het punt met de
coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E,
– vandaar naar de Noord-Hollandse
kust ter hoogte van de vuurtoren Kijkduin bij Den Helder en voorts
langs de kust van Noord- en Zuid-Holland, waarbinnen zijn begrepen
de hoofden van IJmuiden, Scheveningen en Hoek van Holland, tot aan
de Haringvlietdam,
– vandaar langs de zeezijde van
deze dam en de zeezijde van de buitenhaven van Stellendam, naar
Goeree en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de
Brouwersdam,
– vandaar langs de zeezijde van
deze dam naar Schouwen en voorts langs de westelijke kust hiervan
naar de afsluiting in de Oosterschelde,
– vandaar langs de zeezijde van
deze afsluiting, over de havenhoofden van de vluchthaven Neeltje
Jans en de Noordland Buitenhaven, Roompotsluis, naar
Noord-Beveland en voorts langs de kustlijn hiervan naar de
Veersedam,
– vandaar langs de zeezijde van
deze dam naar Walcheren en voorts langs de westelijke kust hiervan
naar de lichtopstand de Nolle, met de coördinaten 51°26'.9 N en
003°33'.1 E, bij Vlissingen,
– vandaar naar de lichtopstand
Nieuwe Sluis, met de coördinaten 51°24'.4 N en 003°31'.3 E, in
Zeeuws-Vlaanderen en voorts langs de noordwestelijke kust hiervan
naar het punt van grensovergang tussen Nederland en België.
De coördinaten zijn uitgedrukt in
lengte en breedte volgens het World Geodetic System (WGS)-84, in
graden en minuten.
3. In afwijking van het eerste lid
gelden de artikelen 1.01, onder A, 16°, 17° en 18°, 1.09, eerste
lid, onder a, 8.01 tot en met 8.08, 9.04 en 9.05 van het
Binnenvaartpolitiereglement tevens op de Boven-Rijn, de Waal, het
Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek, en op de daaraan gelegen
havens, laad- en losplaatsen en recreatieplassen.
Artikel 3
In dit besluit wordt verstaan onder Onze
Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 4
1. Onze Minister stelt de voorschriften
en de regelen vast, bedoeld in de artikelen 1.01, onder C, 3° en 4°,
4.06, eerste lid, onder a, en derde lid, 6.32, eerste lid, 9.07,
eerste en tweede lid, en 10.02, eerste lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement.
2. Onze Minister wijst de instantie
aan, bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onder a, van het
Binnenvaartpolitiereglement.
3. Onze Minister wijst de vaarwegen
aan, bedoeld in de artikelen 4.06, derde en vierde lid, en 10.02,
eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement.
4. Onze Minister wijst de
marifoonkanalen aan, bedoeld in de artikelen 4.05, vierde lid, 4.06,
tweede lid, en 6.32, derde en vierde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement.
5. Onze Minister wijst de categorieën
van schepen aan, bedoeld in artikel 4.06, vierde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 5
1. In het Binnenvaartpolitiereglement
wordt onder de bevoegde autoriteit verstaan:
a. voor de vaarwegen in beheer bij
het Rijk, de personen die worden aangewezen door Onze Minister;
b. voor de vaarwegen in beheer bij
een ander openbaar lichaam, de personen die worden aangewezen
telkens door het bestuur van het openbare lichaam;
c. voor de vaarwegen niet in beheer
bij enig openbaar lichaam, de personen die worden aangewezen door
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin
telkens de vaarweg is gelegen.
2. In de volgende bepalingen van het
Binnenvaartpolitiereglement worden onder de bevoegde autoriteit
eveneens verstaan de ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor
de uitvoering van de politietaak: artikelen 1.10, vierde lid, 1.12,
derde en vierde lid, 1.13, tweede en derde lid, 1.14, 1.15, tweede
lid, 1.17, eerste lid, 1.20, 6.19, zesde lid, en 7.02, derde lid.
Artikel 6 [Vervallen per 04-05-1991]
Artikel 7
De besluiten, bedoeld in de artikelen 4
en 5 worden in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 7a
Overtreding van de bepalingen van het
Binnenvaartpolitiereglement, dan wel overtreding van de aan een
aanwijzing van de bevoegde autoriteit verbonden voorwaarden, of de aan
een vergunning, vrijstelling of ontheffing verbonden voorwaarden of
voorschriften, is een strafbaar feit.
Artikel 8 [Vervallen per 07-07-2000]
Artikel 9 [Vervallen per 01-10-1995]
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op een door
Ons te bepalen tijdstip.
Wij kunnen andere tijdstippen vaststellen
waarop verschillende artikelen of onderdelen van artikelen van dit
besluit, dan wel verschillende artikelen of onderdelen van artikelen van
het Binnenvaartpolitiereglement, in werking treden.
Artikel 11
Dit besluit kan worden aangehaald als: Vaststellingsbesluit
Binnenvaartpolitiereglement.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting en de bijlage bij deze laatste,
alsmede het bij dit besluit gevoegde Binnenvaartpolitiereglement in het Staatsblad
zullen worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan
de Raad van State.
's-Gravenhage, 26 oktober 1983
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Uitgegeven de negentiende januari 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage
Binnenvaartpolitiereglement (BPR)
Deel I
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.01. Betekenis van enkele uitdrukkingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
A. Typen schepen
1°. schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder
waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te
worden gebruikt als een middel van vervoer te water;
2°. motorschip: schip dat gebruik maakt van zijn mechanische
middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de
motor slechts wordt gebruikt ter verbetering van zijn bestuurbaarheid,
wanneer het wordt gesleept of geduwd;
3°. groot schip: schip niet zijnde een klein schip;
4°. klein schip: schip waarvan de lengte minder dan 20 m bedraagt,
waartoe als de lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van
het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de
romp, zonder de boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak, zulks met
uitzondering van
a. een schip dat een groot schip sleept, assisteert, duwt of
langszijde vastgemaakt meevoert;
b. een passagiersschip;
c. een veerpont die vaart op een vaarweg van de klasse II of
hoger, zoals vastgesteld door de Conférence Européenne des
Ministres de Transport en opgenomen in het besluit van de Minister
van Verkeer en Waterstaat van 10 februari 2006, nr. RWS/SDG/2006/21059
inhoudende de Richtlijnen vaarwegen 2005 (Stcrt. 2006, 32);
d. een vissersschip;
e. een duwbak;
5°. snel schip: groot motorschip, dat met een snelheid van meer
dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen;
6°. passagiersschip: schip dat meer dan 12 passagiers mag
vervoeren;
7°. zeegaand schip: groot schip dat, nadat het van zee is gekomen
dan wel voordat het naar zee vertrekt, deelneemt aan de scheepvaart op
een der in bijlage 11 genoemde vaarwegen;
8°. bovenmaats schip: schip, behorende tot een daartoe door de
bevoegde autoriteit aangewezen categorie van schepen, die in hun
manoeuvreerbaarheid zijn beperkt, doordat zij ten gevolge van hun
diepgang of hun lengte gebonden zijn aan een bepaald gedeelte van de
vaarweg;
9°. duwboot: motorschip dat deel uitmaakt van een duwstel en
daarbij dient voor het voortbewegen en het sturen van de andersoortige
schepen en dat daartoe is gebouwd of ingericht;
10°. duwbak: schip dat is gebouwd of in het bijzonder geschikt is
om te worden geduwd;
11°. zeeschipbak: duwbak die is gebouwd om aan boord van een
zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenvaarwegen te
bevaren;
12°. drijvend werktuig: schip voorzien van werktuigen, die zijn
bestemd om op vaarwegen of in havens te worden gebruikt;
13°. vissersschip: schip dat vist met netten, lijnen, sleepnetten
of ander vistuig, die de manoeuvreerbaarheid beperken;
14°. veerpont: schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de
vaarweg wordt overgestoken, en dat door de bevoegde autoriteit als
veerpont is aangemerkt;
15°. zeilschip: schip dat uitsluitend door middel van zijn zeilen
wordt voortbewogen. Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd
zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt is een
motorschip;
16°. zeilplank: klein zeilschip voorzien van een vrij bewegende
zeiltuigage, die is gemonteerd op een in alle richtingen draaibare
mastvoet en die tijdens het zeilen niet in een vaste positie wordt
ondersteund;
17°. snelle motorboot: klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn
mechanische middelen tot voortbeweging, sneller dan 20 km per uur ten
opzichte van het water kan varen;
18°. waterscooter: snelle motorboot gebouwd of ingericht om door
een of meer personen skiënd door of over het water te worden
voortbewogen;
B. Samenstellen
1°. samenstel:
a. sleep;
b. duwstel;
c. gekoppeld samenstel;
d. samenstel van een of meer motorschepen en een alleenvarend
motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat door deze
motorschepen wordt geassisteerd;
2°. sleep: samenstel van een of meer motorschepen en een of meer
op tros daaraan verbonden andersoortige schepen, drijvende voorwerpen
of drijvende inrichtingen, waarbij de motorschepen dienen voor het
voortbewegen dan wel voor het voortbewegen en het sturen van de
andersoortige schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen;
3°. duwstel: hecht samenstel van een of meer duwboten en een of
meer andersoortige schepen, waarvan er tenminste één is geplaatst
voor een der duwboten;
4°. gekoppeld samenstel: samenstel van langszijde van elkaar
vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst voor het motorschip
dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel;
5°. assisteren: bijstaan door een of meer motorschepen van een
alleenvarend motorschip dan wel van een duwstel of van een gekoppeld
samenstel bij het zich voortbewegen en bij het sturen of bij een van
deze handelingen;
C. Lichten en geluidsseinen
1°. ’s nachts: tijd tussen zonsondergang en zonsopgang;
2°. overdag: tijd tussen zonsopgang en zonsondergang;
3°. wit licht, rood licht, groen licht, geel licht en blauw licht:
lichten waarvan de kleuren voldoen aan de daaromtrent vastgestelde
voorschriften;
4°. krachtig licht, helder licht en gewoon licht: lichten waarvan
de sterkte voldoet aan de daaromtrent vastgestelde voorschriften;
5°. flikkerlicht: periodelicht tonende 50 tot 60 flikkeringen per
minuut;
6°. snel flikkerlicht: zwaailicht of periodelicht tonende 100 tot
150 flikkeringen per minuut;
7°.
a. korte stoot: geluidssein durende ongeveer 1 seconde;
b. lange stoot: geluidssein durende ongeveer 4 seconden; de
tijdruimte tussen twee opeenvolgende stoten moet ongeveer 1
seconde bedragen;
8°. reeks zeer korte stoten: reeks van tenminste 6 stoten, elk
durende ongeveer ¼ seconde; de tijdruimte tussen de opeenvolgende
stoten moet ongeveer ¼ seconde bedragen;
D. Overige begrippen
1°. drijvend voorwerp: bouwsel dat geschikt is gemaakt om te water
te worden verplaatst en dat geen schip of drijvende inrichting is;
2°. drijvende inrichting: drijvend bouwsel dat vanwege zijn
bestemming in de regel niet wordt verplaatst;
3°. stilliggend: hetzij ten anker hetzij gemeerd liggend;
4°. varend: niet ten anker of gemeerd liggend noch vastgevaren;
5°. vaarweg: elk voor het openbaar verkeer met schepen openstaand
water;
6°. vaarwater: gedeelte van een vaarweg dat feitelijk door de
scheepvaart kan worden gebruikt;
7°. exploitant: eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die de
zeggenschap heeft over het gebruik van een schip;
8°. ADN: Europese Overeenkomst betreffende het internationale
vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren;
9°. vaarbevoegdheidsbewijs: vaarbewijs als bedoeld in de artikelen
13, 14, 15 en 16 van het Binnenvaartbesluit, bewijs van bekwaamheid
voor de binnenvaart als bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid,
van de Binnenvaartwet, Rijnpatent als bedoeld in artikel 6.02, eerste
lid, van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn
of bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 6.02, derde lid,
onder b, van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de
Rijn;
10°. richtlijn nr. 2002/59/EG:richtlijn nr. 2002/59/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002
betreffende de invoering van een communautair monitoring- en
informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van
Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 208);
11°. inland AIS apparaat: een apparaat dat op een binnenschip is
ingebouwd en periodiek scheeps- of reisgegevens met betrekking tot dat
schip uitzendt;
12°. uitluisteren: het via de marifoon luisteren naar gevoerde
gesprekken, het beantwoorden van oproepen en voor zover nodig het
deelnemen aan de communicatie tussen de verkeersdeelnemers en de
verkeersposten, dan wel tussen de verkeersdeelnemers onderling;
13°. ankeren: het stilliggen door middel van gebruik van ankers of
spudpalen.
Artikel 1.01a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 1.02. Verantwoordelijkheid voor de naleving van het reglement
1. Een schip, met uitzondering van een duwbak, en een samenstel
moeten zijn gesteld onder het gezag van een persoon die het schip of
het samenstel voert. Deze persoon wordt hierna aangeduid als schipper.
Onder schipper wordt tevens verstaan degene die de leiding heeft
over een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting.
2. De schipper is verantwoordelijk voor de naleving van de
bepalingen van dit reglement, tenzij uit die bepalingen blijkt, dat de
naleving aan anderen is opgedragen.
3. De schipper van een schip dat deel uitmaakt van een samenstel
moet de aanwijzingen van de schipper van het samenstel opvolgen. Hij
moet evenwel, ook wanneer zulke aanwijzingen niet worden gegeven, alle
maatregelen nemen, die voor het op juiste wijze voeren van zijn schip
door de omstandigheden worden geboden.
4. De schipper moet tijdens de vaart aan boord zijn; de schipper
van een drijvend werktuig moet tevens aan boord zijn, wanneer het
werktuig in bedrijf is.
5. Indien een stilliggend schip geen schipper heeft,
a. is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van de
artikelen 1.02, eerste lid, 1.06, 1.07, 1.18, 2.01, 2.02, 3.01,
vierde lid, 3.05, 3.06, 3.07, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.31,
3.32, 3.33, 5.01 eerste en tweede lid, voorzover het de naleving
betreft van de tekens, A.5, A.5.1, A.6 en A.7 (bijlage 7) of een
bekendmaking met dezelfde strekking als deze tekens, 7.01, eerste,
tweede en derde lid, 7.02, 7.04, derde lid, 7.08, en 9.03;
b. is de wachtsman bedoeld in artikel 7.08, eerste lid, dan wel
de persoon die op grond van artikel 7.08, tweede lid, met het
toezicht op het schip is belast, verantwoordelijk voor de naleving
van de artikelen 1.12, eerste en tweede lid, 1.13, 1.14, 1.15,
1.17, 3.01, vierde lid, 3.05, 3.06, 3.07, 3.20 tot en met 3.26,
3.29, 3.31, tweede lid, 3.32, tweede lid, 3.33, tweede lid, 6.19,
tweede lid, 6.31, eerste lid, 7.01, derde en vierde lid, 7.04,
derde lid, 7.09 tot en met 7.11, en 9.03, tweede lid.
6. Voor een stilliggend zeeschip onder beslag, is de beslaglegger
verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 3.01, vierde
lid,3.06, 3.20, 3.21, 3.26, 3.31 tot en met 3.33, 4.04, eerste en
tweede lid, 7.01, derde lid, en 7.08, wanneer daarin niet door een
schipper, een exploitant, een wachtsman of toezichthouder
overeenkomstig het gestelde in het vijfde lid of artikel 7.08 kan
worden voorzien.
Artikel 1.03. Verplichtingen van de bemanning en van andere personen
die zich aan boord bevinden
1. Een lid van de bemanning van een schip moet de aanwijzingen
opvolgen die hem door de schipper binnen de grenzen van diens
verantwoordelijkheid worden gegeven.
Hij moet ook zonder diens aanwijzing medewerken aan de naleving van
de bepalingen van dit reglement.
2. Ieder ander die zich aan boord van een schip bevindt moet de
aanwijzingen opvolgen die hem door de schipper in het belang van de
veiligheid van de scheepvaart of van de goede orde aan boord worden
gegeven.
3. Een lid van de bemanning en ieder ander persoon die zich aan
boord bevindt en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van
een schip bepaalt, is eveneens verantwoordelijk voor de naleving van
dit reglement.
Artikel 1.04. Voorzorgsmaatregelen
De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften
in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede
zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip of het samenstel
zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat:
a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;
b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende
voorwerpen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van
welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan
bevinden;
c. de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in
gevaar wordt gebracht.
Artikel 1.05. Afwijking van het reglement
De schipper moet in het belang van de veiligheid of de goede orde van
de scheepvaart, voorzover dit door de bijzondere omstandigheden waarin
het schip of het samenstel zich bevindt is geboden, volgens goede
zeemanschap afwijken van de bepalingen van dit reglement.
Artikel 1.06. Gebruik van de vaarweg
Een schip of een samenstel mag niet deelnemen aan de scheepvaart,
indien de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang, de
manoeuvreerbaarheid of de snelheid van dit schip of dit samenstel niet
verenigbaar zijn met de karakteristiek en met de afmetingen van de
vaarweg en van de kunstwerken.
Artikel 1.07. Belading
1.Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien het
zodanig is beladen, dat het inzinkt tot over het vlak door de
onderkant van de inzinkingsmerken voor de vaarweg welke het bevaart,
dan wel tot over de lijn voor de uitwatering vastgesteld voor de
vaarweg welke het bevaart.
2.Een schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien door de
wijze van belading de stabiliteit in gevaar wordt gebracht.
Tijdens de vaart mag de lading het directe of indirecte uitzicht
niet meer beperken dan tot 350 m voor het schip of het samenstel.
3.De stabiliteit van de volgende schepen die containers vervoeren
moet bovendien voor het begin van de reis worden gecontroleerd:
a. schepen met een breedte van minder dan 9,50 m, indien de
containers in meer dan één laag zijn geladen,
b. schepen met een breedte van 9,50 m tot 11 m, indien de
containers in meer dan twee lagen zijn geladen, en
c. schepen met een breedte van 11 m of meer, indien de
containers in meer dan drie rijen naast elkaar en in meer dan twee
lagen zijn geladen of indien de containers in meer dan drie lagen
zijn geladen.
Artikel 1.08
(niet overgenomen).
Artikel 1.09. Sturen van een schip
1. Een schip mag niet varen, indien het sturen niet wordt verricht
door een daartoe bekwaam persoon. Voor deze persoon geldt:
a. een minimum leeftijd van 18 jaar voor het sturen van een
snelle motorboot;
b. een minimum leeftijd van 16 jaar:
1°. voor het sturen van een groot schip,
2°. voor het sturen van een klein motorschip niet zijnde
een snelle motorboot en niet zijnde een klein open motorschip
met een lengte van minder dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare
snelheid ten opzichte van het water niet meer is dan 13 km per
uur, en
3°. voor het sturen van een zeilschip met een lengte van 7
m of meer;
c. een minimum leeftijd van 12 jaar voor het sturen van een
klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 m waarvan de
hoogst bereikbare snelheid ten opzichte van het water niet meer is
dan 13 km per uur.
2. De bevoegde autoriteit kan van het eerste lid, onderdeel a,
ontheffing verlenen voor het in verenigingsverband oefenen voor
deelname aan met snelle motorboten te houden wedstrijden of voor het
deelnemen aan dergelijke wedstrijden. Een ontheffing kan onder
beperkingen worden verleend en er kunnen voorwaarden aan worden
verbonden.
3. Op ieder snel schip moet tijdens de vaart het roer worden
bediend door een persoon die houder is van het vereiste
vaarbevoegdheidsbewijs alsmede van het radarpatent. Bij een snel schip
moet tijdens het snel varen een tweede persoon die eveneens houder is
van het vereiste vaarbevoegdheidsbewijs en van het radarpatent zich in
de stuurhut bevinden.
4. Een schip mag niet varen indien degene die het sturen verricht
niet in staat is alle in de stuurhut binnenkomende of van daar
uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het
bijzonder dient hij naar alle zijden een voldoende vrij direct of
indirect uitzicht te hebben en in de gelegenheid te zijn geluidsseinen
te horen. Indien geen vrij uitzicht mogelijk is kan dit worden
gecompenseerd door een optisch hulpmiddel, waarmede over een voldoende
ruim gezichtsveld een helder en onvertekend beeld wordt verkregen, dan
wel door een uitkijk. Indien bijzondere omstandigheden dit vorderen,
dient een uitkijk of luisterpost die hem inlicht aanwezig te zijn.
Artikel 1.10. Scheepsbescheiden
1. Aan boord van een schip moeten de volgende bescheiden, voorzover
deze door de daartoe gestelde wettelijke regelingen worden vereist,
aanwezig zijn:
a. de meetbrief van het schip;
b. de bescheiden vereist door het ADN, nrs. 8.1.2.1, 8.1.2.2 en
8.1.2.3;
c. het vaarbevoegdheidsbewijs;
d. het radarpatent dan wel een ander diploma dat overeenkomstig
het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn is
toegelaten; deze documenten behoeven niet aan boord te zijn,
indien het Rijnpatent of een ander overeenkomstig het Reglement
betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn toegelaten diploma
van de schipper de vermelding «Radar» bevat;
e. het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart, algemeen
en regionaal deel;
f. het registratiebewijs gebruik frequentieruimte (maritiem
mobiel);
g. het marifoon bedieningscertificaat;
h. het certificaat van onderzoek, overeenkomstig artikel 7,
tweede lid, van de Binnenvaartwet, met inbegrip van het stuwplan
of de ladinglijst voor de actuele beladingstoestand en de
stabiliteitsberekening, met inbegrip van de daarbij gebruikte
berekeningsmethode en het resultaat daarvan, voor de actuele, of
een vergelijkbare vorige, dan wel een standaard beladingstoestand;
i. het certificaat voor de navigatielantaarns;
j. het registratiebewijs snelle motorboot.
2. In afwijking van het eerste lid is de aanwezigheid van de in het
eerste lid, onder a en h, bedoelde bescheiden niet vereist aan boord
van duwbakken waarop een metalen plaat is aangebracht van het volgende
model:
UNIEK EUROPEES SCHEEPSIDENTIFICATIENUMMER:
COMMUNAUTAIR CERTIFICAAT:
– NUMMER:
– COMMISSIE VAN DESKUNDIGEN:
– GELDIG TOT:
Indien de duwbak over een officieel scheepsnummer beschikt, moet
dat begrip en het officieel scheepsnummer op de metalen plaat worden
aangebracht.
3. De in het tweede lid bedoelde gegevens moeten, in goed leesbare
letters met een hoogte van tenminste 6 mm, ingehakt of ingeslagen
zijn. De metalen plaat moet een hoogte van ten minste 60 mm en een
lengte van ten minste 120 mm hebben. Zij moet op het achterschip aan
stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats zijn bevestigd. De
overeenstemming tussen de gegevens op de plaat met die in het
communautair certificaat van de duwbak moet worden bevestigd door een
Commissie van Deskundigen door middel van het aanbrengen op de plaat
van een stempel. De in het eerste lid, onder a en h, genoemde
bescheiden moeten aanwezig zijn bij de eigenaar van de duwbak.
4. De in het eerste lid bedoelde bescheiden moeten op eerste
vordering van de bevoegde autoriteit aan deze worden overgelegd ter
controle van het bepaalde bij of krachtens dit reglement.
Artikel 1.11. Reglement aan boord
1.Aan boord van een schip moet een bijgewerkt exemplaar van het
geldige Binnenvaartpolitiereglement aanwezig zijn. Een exemplaar dat
via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden is
eveneens toegestaan.
2.Dit artikel is niet van toepassing op een groot schip zonder
bemanningsverblijf noch op een klein open schip.
Artikel 1.12. Buiten boord uitsteken van voorwerpen; verlies van
voorwerpen; hindernissen
1. Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mag
geen voorwerpen hebben uitsteken, tenzij daarmede geen hinder of
gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan andere schepen en aan
kunstwerken kan worden veroorzaakt.
2. Een schip moet een anker waarvan geen gebruik wordt gemaakt
geheel voorhalen, met dien verstande dat het, zo het voorop ook over
een klipanker beschikt, het stokanker binnen boord moet hebben
gehaald.
3. Indien een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende
inrichting een voorwerp verliest waardoor een belemmering van of een
gevaar voor de scheepvaart kan ontstaan moet de schipper daarvan
onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en
daarbij zo nauwkeurig mogelijk de plaats aangeven waar het voorwerp is
verloren. Zo mogelijk moet hij bovendien deze plaats met een kenteken
aanduiden.
4. Indien een schip een hindernis in de vaarweg aantreft moet de
schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde
bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk de plaats
aangeven waar de hindernis is aangetroffen.
Artikel 1.13. Bescherming van verkeerstekens
1. Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mag
geen verkeerstekens gebruiken om daaraan te meren of daaraan te
verhalen, ze niet beschadigen en ze niet ongeschikt voor hun
bestemming maken.
2. Indien een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende
inrichting een verkeersteken heeft verplaatst of beschadigd, moet de
schipper onverwijld daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde
bevoegde autoriteit.
3. In het algemeen genomen, is de schipper verplicht het in het
ongerede of beschadigd zijn van verkeerstekens onverwijld ter kennis
van de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit te brengen.
Artikel 1.14. Beschadiging van kunstwerken
Indien een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting
een kunstwerk heeft beschadigd, moet de schipper onverwijld daarvan
kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.
Artikel 1.15. Verbod tot het te water doen geraken van voorwerpen of
stoffen
1. Het is verboden van een schip, een drijvend voorwerp of een
drijvende inrichting af voorwerpen of stoffen die de veiligheid van de
scheepvaart in gevaar kunnen brengen te water te doen geraken.
2. Indien zodanige voorwerpen of stoffen van een schip, een
drijvend voorwerp of een drijvende inrichting af bij ongeluk te water
geraken of dreigen te water te geraken, moet de schipper onverwijld
daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en
daarbij zo nauwkeurig mogelijk opgeven de aard van deze voorwerpen of
stoffen en de plaats waar zij te water zijn geraakt of zij dreigen te
water te geraken.
Artikel 1.16
(niet overgenomen).
Artikel 1.17. Vastgevaren of gezonken schepen; aangifte van
ongevallen
1. Indien een schip of een drijvend voorwerp is vastgevaren of
gezonken moet de schipper zo spoedig mogelijk daarvan kennis geven aan
de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit. De schipper of, ingeval deze
een ander lid der bemanning daartoe opdracht geeft, dit bemanningslid,
moet aan boord of in de nabijheid van de plaats van het ongeval
blijven, zolang de bevoegde autoriteit hem niet heeft toegestaan zich
te verwijderen.
2. Tenzij dit klaarblijkelijk niet nodig is, moet de schipper,
onverminderd de verplichting de bij artikel 3.25 bedoelde lichten en
dagtekens te tonen, zo spoedig mogelijk naderende schepen laten
waarschuwen op daarvoor geschikte plaatsen en op zodanige afstand van
de plaats van het ongeval, dat deze schepen tijdig de nodige
maatregelen kunnen nemen.
Artikel 1.18. Verplichting tot vrijmaking van het vaarwater
1. Indien een schip of een drijvend voorwerp dat is vastgevaren of
gezonken dan wel een door een schip of een drijvend voorwerp verloren
voorwerp het vaarwater geheel of gedeeltelijk verspert of dreigt te
versperren, moet de schipper de nodige maatregelen nemen om het
vaarwater zo spoedig mogelijk vrij te maken.
2. Een overeenkomstige verplichting geldt voor de schipper wiens
schip of drijvend voorwerp dreigt te zinken of onmanoeuvreerbaar
wordt.
Artikel 1.19. Verkeersaanwijzingen
De schipper is verplicht aan een verkeersaanwijzing gevolg te geven.
Artikel 1.20. Verlenen van medewerking aan ambtenaren
De schipper moet aan de bevoegde autoriteit de nodige medewerking
verlenen, in het bijzonder het onmiddellijk aan boord komen van deze
vergemakkelijken, teneinde deze in staat te stellen zich ervan te
vergewissen of de bepalingen van dit reglement worden nageleefd.
Artikel 1.21. Bijzondere transporten
1. Als een bijzonder transport wordt beschouwd het verplaatsen op
de vaarweg:
a. van een schip of een samenstel dat niet voldoet aan artikel
1.06;
b. van een drijvende inrichting of van een drijvend voorwerp,
tenzij het verplaatsen daarvan klaarblijkelijk geen hinder of
gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan de kunstwerken kan
veroorzaken.
2. Een bijzonder transport vaart niet dan met een vergunning van de
bevoegde autoriteit. Aan een vergunning kunnen door de bevoegde
autoriteit voorwaarden worden verbonden.
3. Voor een bijzonder transport wordt een schipper aangewezen. Met
artikel 1.02wordt rekening gehouden.
Artikel 1.22
(niet overgenomen).
Artikel 1.23. Melden van en toestemming voor evenementen en andere
gebeurtenissen
1. Het is verboden een sportevenement, een festiviteit of een ander
evenement, waarbij een of meer schepen of drijvende voorwerpen zijn
betrokken, dan wel een tewaterlating van een schip of een proefvaart
met een schip of van een drijvend voorwerp of werkzaamheden op een
vaarweg te doen plaats hebben zonder dit tijdig tevoren bij de
bevoegde autoriteit te melden.
2. Indien een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid de
veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar kan
brengen, is het verboden deze zonder toestemming van de bevoegde
autoriteit te doen plaats hebben. Aan een toestemming kunnen
voorschriften worden verbonden.
3. Het is verboden een evenement, waarbij zich personen anders dan
op een schip te water bevinden en waardoor hinder of gevaar voor het
scheepvaartverkeer kan ontstaan, zonder toestemming van de bevoegde
autoriteit te doen plaats hebben. Aan een toestemming kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 1.24. Afwijken voorschriften door handhavingsdiensten,
brandweer en schepen bestemd tot inzet bij calamiteiten
Schepen van handhavingsdiensten en brandweer, en reddingsvaartuigen
betrokken bij reddingsoperaties mogen, behoudens het bepaalde in de
artikelen 1.04 en 1.05, afwijken van de voorschriften van dit besluit
voor zover dat voor een goede vervulling van hun taak noodzakelijk is.
Hoofdstuk 2. Kentekens
Artikel 2.01. Kentekens van grote schepen
1.Een groot schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien
niet op de romp of op duurzaam bevestigde borden of platen zijn
aangebracht:
a. hetzij de naam van een schip die ook een kenspreuk kan zijn,
hetzij de naam van een instelling waaraan het schip toebehoort of
de gebruikelijke afkorting daarvan, al dan niet gevolgd door een
nummer, aan beide zijden van het schip en bovendien, met
uitzondering van een duwbak, op een zodanige plaats, dat deze
aanduiding van achteren zichtbaar is;
b. de thuishaven van het schip en de letter of de
lettercombinatie die volgens bijlage 1 van dit reglement het land
aangeeft, waarin deze is gelegen, hetzij aan beide zijden van het
schip hetzij aan de achterzijde.
2.De kentekens, bedoeld in het eerste lid, moeten zijn aangebracht
in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte
ondergrond in goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters en
Arabische cijfers met een hoogte voor de naam van tenminste 20 cm en
voor de overige aanduidingen van tenminste 15 cm en met een breedte en
een stamdikte die in goede verhouding tot de hoogte staan.
Artikel 2.02. Kentekens van kleine schepen
1. Een klein schip mag niet deelnemen aan de scheepvaart, indien
hierop niet zijn aangebracht:
a. hetzij de naam van het schip die ook een kenspreuk kan zijn,
hetzij de naam van de instelling waaraan het schip toebehoort of
de gebruikelijke afkorting daarvan, al dan niet gevolgd door een
nummer, aan de buitenzijde van het schip in lichte kleur op
donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond in
goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters en Arabische
cijfers; en
b. de naam en de woonplaats van de eigenaar op een in het oog
vallende plaats aan de binnen- of de buitenzijde van het schip.
2. Op een bijboot van een schip behoeft echter, aan de binnen- of
de buitenzijde, slechts een zodanig kenteken te zijn aangebracht, dat
daaruit kan worden opgemaakt wie de eigenaar is.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op snelle motorboten,
waarop het registratieteken bedoeld in artikel 8.02 is aangebracht, en
op een door spierkracht voortbewogen schip noch op een zeilschip met
een lengte van minder dan 7 m.
Artikel 2.03
(niet overgenomen).
Artikel 2.04
(niet overgenomen).
Artikel 2.05
(niet overgenomen).
Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen
Afdeling I. Algemene bepalingen
Artikel 3.01. Toepassing
1.Op een varend schip zijn de artikelen 3.08 tot en met 3.18 van
toepassing. Op een varend drijvend voorwerp en een varende drijvende
inrichting is artikel 3.19 van toepassing.
2.Op een stilliggend schip zijn de artikelen 3.20 tot en met 3.22
en 3.24 tot en met 3.26 van toepassing. Op een stilliggend drijvend
voorwerp en een stilliggende drijvende inrichting zijn de artikelen
3.23 en 3.26 van toepassing.
3.De artikelen 3.21, 3.23, 3.25 en 3.26 zijn eveneens van
toepassing op een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende
inrichting die is vastgevaren.
4.Wanneer het zicht dit vereist, moeten de voor des nachts
voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd.
5.Bij het varen door de doorvaartopening van een vaste brug of van
een beweegbare brug in gesloten toestand dan wel van een ander
kunstwerk mogen de in dit hoofdstuk bedoelde tekens zoveel lager
worden gevoerd als hiervoor nodig is.
6.Een vóór een sluis stilliggend schip dat wacht om te worden
geschut en een vóór een beweegbare brug stilliggend schip dat wacht
tot het doorvaren wordt toegestaan mogen de lichten en dagtekens
blijven voeren, die zijn voorgeschreven voor een varend schip.
7.Een schetsmatige weergave van de bij dit hoofdstuk voorgeschreven
tekens is opgenomen in bijlage 3.
Artikel 3.01a. Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. toplicht: wit krachtig licht dat schijnt over een boog van de
horizon van 225° en wel aan elke zijde van het schip van recht
vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars en dat uitsluitend over
deze boog zichtbaar is;
b. boordlichten: groen helder licht aan stuurboordszijde en rood
helder licht aan bakboordszijde die elk schijnen over een boog van
de horizon van 112°30' en wel elk aan zijn zijde van het schip van
recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars en die uitsluitend
over deze boog zichtbaar zijn;
c. heklicht: wit helder of gewoon licht dat schijnt over een boog
van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het schip over
67°30' van recht achteruit en dat uitsluitend over deze boog
zichtbaar is;
d. rondom schijnend licht: een licht dat schijnt over een boog
van 360° en dat over deze boog zichtbaar is;
e. hoogte:
- hetzij: de hoogte boven het vlak door de onderkant der
inzinkingsmerken ter plaatse van de grootst toegelaten diepgang,
zoals deze ingevolge de voorschriften omtrent het vlak van de
grootst toegelaten diepgang van binnenschepen voor het schip is
vastgesteld voor de Rijn of daarmede volgens die voorschriften
gelijkgestelde vaarwegen;
- hetzij voor een schip dat niet is voorzien van
inzinkingsmerken: de hoogte boven het bovenste doorlopende dek
of bij gebreke hieraan boven het potdeksel.
Artikel 3.02. Lichten en navigatielantaarns
1.Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de lichten die een
schip ingevolge dit reglement moet voeren gelijkmatig zijn.
2.Een schip mag slechts de navigatielantaarns gebruiken:
a. waarvan de lantaarnhuizen, de uitrusting en de lichtbronnen
het keurmerk dragen dan wel voorzien zijn van het certificaat
voorgeschreven in de voorschriften die krachtens artikel 1.01,
onder C.3° en C.4°, zijn vastgesteld, en
b. waarvan de lichten voor wat betreft hun horizontale
uitstraling, kleur en sterkte in overeenstemming zijn met dit
reglement.
3.De lichten van stilliggende schepen die niet zijn uitgerust met
een motor behoeven niet aan bovenvermelde voorschriften te voldoen.
Bij goed zicht en tegen een donkere achtergrond dient de zichtbaarheid
daarvan echter ongeveer 1000 m te bedragen.
Artikel 3.03. Borden, vlaggen, en wimpels
1.Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de borden en vlaggen
die een schip ingevolge dit reglement moet voeren rechthoekig zijn.
2.Zij mogen niet vervuild en de kleuren mogen niet verbleekt zijn.
3.De afmetingen moeten tenminste als volgt zijn:
a. voor borden en vlaggen: een lengte en een hoogte van elk
tenminste 1 m;
b. voor wimpels: een lengte van tenminste 1 m en een hoogte aan
één zijde van tenminste 0,50 m.
4.In afwijking van het derde lid mogen voor kleine schepen
voorwerpen van geringere afmetingen worden gebruikt die in verhouding
staan tot de grootte van het kleine schip. De afmetingen moeten echter
in ieder geval zodanig zijn, dat een goede zichtbaarheid wordt
verzekerd.
Artikel 3.04. Cylinders, bollen, kegels en ruiten
1.De cylinders, bollen, kegels en ruiten, die een schip ingevolge
dit reglement moet voeren, mogen worden vervangen door voorwerpen die
op een afstand dezelfde vorm vertonen.
2.Zij mogen niet vervuild en de kleuren mogen niet verbleekt zijn.
3.De afmetingen moeten tenminste als volgt zijn:
a. voor cilinders: een hoogte van 80 cm en een middellijn van
50 cm;
b. voor bollen: een middellijn van 60 cm;
c. voor kegels: een hoogte van 60 cm en een middellijn van het
grondvlak van 60 cm, zodanig dat de middellijn van het grondvlak
niet meer is dan de hoogte;
d. voor ruiten: een lengte van de verticale middellijn van 80
cm en van de horizontale middellijn van 50 cm, zodanig dat de
lengte van de horizontale middellijn niet meer is dan die van de
verticale middellijn.
4.In afwijking van het derde lid mogen voor kleine schepen
voorwerpen van geringere afmetingen worden gebruikt die in verhouding
staan tot de grootte van het kleine schip. De afmetingen moeten echter
in ieder geval zodanig zijn, dat een goede zichtbaarheid wordt
verzekerd.
Artikel 3.05. Verboden tekens
1. Een schip mag geen andere tekens voeren of tonen dan die welke
in dit reglement worden vermeld en mag niet deze tekens voeren of
tonen onder andere omstandigheden dan die welke in dit reglement zijn
voorzien.
2. Een schip mag voor het wisselen van berichten met andere schepen
of met de wal geen tekens gebruiken die kunnen leiden tot verwarring
met de in dit reglement vermelde tekens.
Artikel 3.06. Noodlichten
Indien de lichten die een schip ingevolge dit reglement moet voeren
niet kunnen werken, moet het schip deze onverwijld door noodlichten
vervangen. Ingeval een krachtig licht wordt voorgeschreven, mag echter
het noodlicht helder, en ingeval een helder licht wordt voorgeschreven,
mag het noodlicht gewoon zijn. Het schip moet zo spoedig mogelijk
wederom lichten van de voorgeschreven sterkte in gebruik stellen.
Artikel 3.07. Verboden lichten, verlichting of zoeklichten dan wel
vlaggen, borden, wimpels of andere voorwerpen
1. Een schip mag geen lichten, verlichting of zoeklichten dan wel
vlaggen, borden, wimpels of andere voorwerpen doen zichtbaar zijn, die
kunnen leiden tot verwarring met de in dit reglement vermelde tekens
dan wel de waarneembaarheid of de herkenning daarvan kunnen
bemoeilijken.
2. Een schip mag zijn lichten dan wel zijn verlichting of zijn
zoeklichten niet op zodanige wijze gebruiken, dat zij door verblinding
gevaar of hinder voor de scheepvaart kunnen veroorzaken.
Afdeling II. Tekens tijdens het varen
Artikel 3.08. Tekens van grote motorschepen
1.Een alleenvarend groot motorschip moet ’s nachts voeren:
a. een toplicht op het voorschip in de lengte-as van het schip
op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd
tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m
bedraagt;
b. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op
de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het toplicht,
en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;
c. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de
lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed
zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.
2.Een alleenvarend groot motorschip mag ’s nachts op het
achterschip een tweede toplicht voeren op een grotere hoogte dan het
toplicht op het voorschip.
3.Een groot motorschip dat wordt geassisteerd moet voeren:
a. ’s nachts: de in het eerste en tweede lid voorgeschreven
lichten;
b. overdag: een gele bol op het voorschip op een hoogte van
tenminste 5 m. Indien dit schip een zeegaand schip is, behoeft het
de gele bol niet te voeren, doch mag het deze voeren.
4.Een snel schip moet overdag en ’s nachts, naast de overige
tekens die bij dit reglement zijn voorgeschreven, voeren: twee gele
krachtige rondom schijnende snelle flikkerlichten, in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte
plaats en op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar
zijn.
5.Een groot schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn
mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt moet overdag voeren:
een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een
plaats waar hij het best kan worden gezien.
6.Dit artikel is niet van toepassing op een veerpont, een
vissersschip en een schip dat loodsdienst uitoefent.
Artikel 3.09. Tekens van slepen en van motorschepen die assisteren
1.Het motorschip aan de kop van een sleep bestaande uit grote
schepen, alsmede het motorschip dat een groot motorschip, duwstel of
gekoppeld samenstel assisteert, moet voeren:
a. ’s nachts:
1°. twee toplichten op het voorschip, in de lengte-as van
het schip, in een verticale lijn met een onderlinge afstand
van ongeveer 1 m, het bovenste op een hoogte van tenminste 5 m
en het onderste voorzover mogelijk ten minste 1 m hoger dan de
boordlichten. De hoogte van het bovenste licht mag worden
verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer
dan 40 m bedraagt;
2°. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn
loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager
dan het toplicht en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden
van het schip;
3°. een geel helder of gewoon licht op het achterschip in
de lengte-as van het schip, dat schijnt over dezelfde boog van
de horizon als een heklicht en dat is aangebracht op een
geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat het goed
zichtbaar is voor de gesleepte lengten achter het schip;
b. overdag: een gele cilinder die aan de bovenzijde en aan de
benedenzijde is voorzien van twee banden, zwart en wit, de witte
banden aan de uiteinden van de cilinder, en die is aangebracht in
verticale stand op het voorschip op een zodanige hoogte, dat hij
van alle zijden zichtbaar is.
2.Indien een sleep verscheidene motorschepen bevat die niet in
kiellinie varen dan wel verscheidene motorschepen tezamen een
motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, moet
elk van deze schepen, in plaats van de in het eerste lid bedoelde
toplichten, ’s nachts voeren:
drie toplichten op het voorschip, in de lengte-as van het schip, in
een verticale lijn telkens met een onderlinge afstand van ongeveer 1
m. Het bovenste en het onderste toplicht moeten op dezelfde hoogte
zijn aangebracht als voor de in het eerste lid bedoelde toplichten is
voorgeschreven.
3.Een groot schip van een sleep dat niet is het motorschip of een
der motorschepen, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet voeren:
a. ’s nachts: een wit helder rondom schijnend licht, op een
hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4
m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
b. overdag: een gele bol, op een geschikte plaats en op een
zodanige hoogte, dat hij van alle zijden zichtbaar is.
Indien echter:
i. een lengte in een sleep langer is dan 110 m, moet deze
lengte ’s nachts twee van deze lichten voeren, waarvan één
voorop en één achterop;
ii. een lengte in een sleep is samengesteld uit meer dan twee
langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de
schepen aan de buitenzijden dit licht of deze lichten dan wel deze
bol voeren.
4.Het grote schip of de grote schepen die de laatste lengte van een
sleep vormen moeten ’s nachts, behalve het licht of de lichten
voorgeschreven bij het derde lid, een heklicht op het achterschip
voeren dat zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip is
geplaatst op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een
ander schip dat het schip oploopt.
Indien echter de laatste lengte van een sleep is samengesteld uit
meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten
alleen de schepen aan de buitenzijden deze lichten voeren. Indien de
laatste lengte van een sleep uit een klein schip of kleine schepen
bestaat, wordt voor de toepassing van dit lid geen rekening met deze
kleine schepen gehouden.
5.Indien het in het derde lid bedoelde schip een zeegaand schip is,
mag het, in plaats van de in het eerste tot en met vierde lid
voorgeschreven tekens, voeren:
a. ’s nachts:
1°. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn
loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager
dan het toplicht en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden
van het schip;
2°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk
in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het
goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.
b. overdag: een gele bol als voorgeschreven in het derde lid,
doch behoeft het deze niet te voeren.
Artikel 3.10. Tekens van duwstellen
1.Een duwstel moet des nachts voeren:
a.
1e. drie toplichten op het voorschip van het voorste schip
of van het meest aan bakboord geplaatste der voorste schepen,
in de vorm van een gelijkzijdige driehoek met een horizontale
basis in een vlak loodrecht op de lengte-as van het duwstel,
het bovenste licht op een hoogte van ten minste 5 m en de
beide onderste lichten, ongeveer 1,25 m uit elkaar, ongeveer
1,10 m onder het bovenste licht;
2e. een toplicht op het voorschip van elk ander schip dat
van voren over de volle breedte zichtbaar is, voorzover
mogelijk 3 m lager dan het bovenste licht, bedoeld onder 1e.
De masten waaraan deze lichten worden gevoerd moeten zijn
geplaatst in de lengte-as van het schip waarop zij zich bevinden;
b. boordlichten die moeten zijn geplaatst
1°. op gelijke hoogte in een lijn loodrecht op de
lengte-as,
2°. op het breedste gedeelte van het duwstel op of zo
dicht mogelijk bij de duwboot,
3°. ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het duwstel,
en
4°. op een hoogte van tenminste 2 m;
c.
1°. drie heklichten op de duwboot in een horizontale lijn
loodrecht op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar,
op een zodanige hoogte dat zij niet door een van de andere
schepen van het duwstel aan het zicht kunnen worden
onttrokken;
2°. een heklicht op elk ander schip dat van achteren over
de volle breedte zichtbaar is. Indien, behalve de duwboot,
meer dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit
licht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden
gevoerd. Dit licht moet worden gevoerd op het achterschip,
zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een
zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander
schip dat het schip oploopt.
Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder c.
2.Een duwstel dat wordt geassisteerd moet voeren:
- des nachts:
de lichten voorgeschreven bij het eerste lid. De lichten
bedoeld in het eerste lid, onder c, 1e, dienen echter gele lichten
te zijn;
- des daags:
een gele bol op de duwboot op een hoogte van tenminste 5 m.
3.Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt
voortbewogen moet de heklichten bedoeld in het eerste lid, onder c,
1e, voeren op de duwboot aan stuurboord; de andere duwboot moet het
heklicht bedoeld in het eerste lid, onder c, 2e, voeren.
4.Een duwstel, waarvan de grootste lengte niet meer dan 110 m en de
grootste breedte niet meer dan 12 m bedraagt, wordt voor de toepassing
van dit hoofdstuk beschouwd als één motorschip van dezelfde
afmetingen.
Artikel 3.11. Tekens van gekoppelde samenstellen
1.Een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen moet ’s
nachts voeren:
a. een toplicht op het voorschip van elk schip, in de lengte-as
op een hoogte van tenminste 5 m.
Op een schip dat geen motorschip is, mag in plaats van dit
licht worden gevoerd een wit helder rondom schijnend licht, op een
geschikte plaats en op een hoogte van tenminste 5 m, maar niet
hoger dan het toplicht van het motorschip of de toplichten van de
motorschepen. De hoogte van zowel het toplicht als het rondom
schijnende licht mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte
van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
b. boordlichten aan de buitenzijden van het samenstel,
voorzover mogelijk op onderling dezelfde hoogte en tenminste 1 m
lager dan het laagste licht, bedoeld onder a. Zij moeten zijn
geplaatst in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip en
niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;
c. een heklicht op het achterschip van elk schip, zoveel als
mogelijk in de lengte-as van het schip en op een zodanige hoogte,
dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip
oploopt.
2.Een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen dat wordt
geassisteerd moet voeren:
a. ’s nachts: de lichten voorgeschreven in het eerste lid;
b. overdag: een gele bol, voorop op een hoogte van ten minste 5
m.
3.Indien bij een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen
het langszijde van het motorschip vastgemaakte andersoortige schip een
zeegaand schip is, mag het motorschip, in plaats van de bij het eerste
lid voorgeschreven lichten, de lichten voeren, bedoeld in artikel
3.09, eerste lid, en mag het andersoortige schip voeren: boordlichten
en een heklicht, als bedoeld in het eerste lid, onder b en c.
4.Een gekoppeld samenstel, waarvan de grootste lengte meer dan 140
m bedraagt, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk beschouwd als
een duwstel van dezelfde lengte.
Artikel 3.12. Tekens van grote zeilschepen
Een groot zeilschip moet ’s nachts voeren:
a. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de
lengte-as en ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het schip. Zij
mogen gewone lichten zijn;
b. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de
lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed
zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;
c. twee heldere of gewone rondom schijnende lichten in een
verticale lijn, het bovenste rood en het onderste groen, met een
onderlinge afstand van ten minste 1 m, aan of nabij de top van de
mast, waar deze het best kunnen worden gezien.
Artikel 3.13. Tekens van kleine schepen
1.Een alleenvarend klein motorschip moet ’s nachts voeren:
a. hetzij:
1°. een toplicht in de lengteas van het schip, op dezelfde
hoogte als de boordlichten en tenminste 1 m voor deze lichten.
Dit licht moet een helder licht zijn;
2°. boordlichten. Deze lichten mogen gewone lichten zijn.
Zij moeten zich op gelijke hoogte en in één lijn loodrecht
op de lengteas van het schip bevinden; en
3°. een heklicht op het achterschip, op zodanige hoogte
dat het voor een oploper goed zichtbaar is;
b. hetzij:
1°. een toplicht, zoals voorgeschreven onder a, 1°. Dit
licht moet echter ten minste 1 m hoger dan de boordlichten
worden gevoerd;
2°. de boordlichten, zoals voorgeschreven onder a, 2°.
Deze lichten mogen echter onmiddellijk naast elkaar of in
één lantaarn verenigd in de lengteas van het schip aan of
nabij de boeg worden gevoerd; en
3°. een heklicht, zoals voorgeschreven onder a, 3°. In
plaats van dit heklicht en van het onder b, 1°, bedoelde
toplicht mag een wit rondom schijnend licht worden gevoerd.
2.Een alleenvarend klein open motorschip met een lengte van minder
dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet meer is dan 13 km
per uur ten opzichte van het water mag, in plaats van de bij het
eerste lid voorgeschreven lichten, een wit gewoon rondom schijnend
licht voeren.
3.Een klein motorschip dat slechts kleine schepen sleept dan wel
langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt moet des
nachts de bij het eerste lid voorgeschreven lichten voeren.
4.Een klein schip dat wordt gesleept dan wel langszijde van een
ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen moet des nachts een wit
gewoon rondom schijnend licht voeren. Dit lid is niet van toepassing
op de bijboot van een schip.
5.Een klein zeilschip moet des nachts voeren:
- hetzij boordlichten en een heklicht, zodanig dat de
boordlichten naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de
lengte-as van het schip aan of nabij de boeg en het heklicht op
het achterschip zijn aangebracht. De boordlichten mogen gewone
lichten zijn;
- hetzij boordlichten en een heklicht, verenigd in één
lantaarn, aan of nabij de top van de mast waar deze het best kan
worden gezien. Dit mag een gewoon licht zijn;
- hetzij, indien de lengte van het schip minder dan 7 m
bedraagt, een wit gewoon rondom schijnend licht op een zodanige
hoogte, dat het van alle zijden zichtbaar is. Het schip moet dan
bovendien bij het naderen van een ander schip, bij gevaar voor
aanvaring, een tweede wit gewoon licht tonen om de aandacht te
trekken.
6.Een klein door spierkracht voortbewogen schip moet des nachts een
wit gewoon rondom schijnend licht voeren.
7.Een klein schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn
mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt moet overdag voeren:
een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een
plaats waar hij het best kan worden gezien.
Artikel 3.14. Bijkomende tekens van varende schepen die bepaalde
gevaarlijke stoffen vervoeren
1. Een schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in
het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, moet, teneinde dit kenbaar te
maken, als bijkomend teken voeren:
a. ’s nachts: een blauw licht;
b. overdag: een blauwe kegel met de punt naar beneden.
Dit teken moet op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte
worden gevoerd, dat het van alle zijden zichtbaar is.
In plaats van het dagteken kan ook telkens één blauwe kegel op
het voor- en één op het achterschip op een hoogte van ten minste 3 m
worden gevoerd.
2. Een schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen
vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, moet,
teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:
a. ’s nachts: twee blauwe lichten;
b. overdag: twee blauwe kegels met de punt naar beneden.
Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand
van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte
worden gevoerd, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. In plaats van
twee blauwe kegels kunnen ook telkens twee blauwe kegels op het voor-
en op het achterschip worden gevoerd, waarvan de onderste op een
hoogte van tenminste 3 m.
3. Een schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in
het ADN, nr. 7.1.5.0.1, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als
bijkomende tekens voeren:
a. ’s nachts: drie blauwe lichten;
b. overdag: drie blauwe kegels met de punt naar beneden.
Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand
van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte
worden gevoerd, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
4. Indien een duwstel of een gekoppeld samenstel één of meer
schepen bevat, bedoeld in één der voorgaande leden, moet, in plaats
van dit schip of van deze schepen, de duwboot of het schip dat dient
voor het voortbewegen van het gekoppeld samenstel het teken of de
tekens, vermeld in dat lid, voeren.
5. Een duwstel, dat door twee duwboten naast elkaar wordt
voortbewogen, moet de tekens bedoeld in het vierde lid op de duwboot
aan stuurboord voeren.
6. Een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat
verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in het eerste,
tweede of derde lid, moet uitsluitend de tekens voeren voor de
gevaarlijke stof die volgens de voorgaande leden het grootste aantal
blauwe lichten of kegels vereist.
7. Een schip, dat in het bezit is van een certificaat van
goedkeuring, als bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8.1, en dat voldoet aan
de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in
het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig met een schip, dat de
tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, wil worden geschut, bij
het naderen van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
8. De sterkte van de blauwe lichten voorgeschreven in één der
voorgaande leden dient tenminste gelijk te zijn aan die van blauwe
gewone lichten.
Artikel 3.15. Teken van varende passagiersschepen waarvan de maximale
lengte van de romp minder is dan 20 m
1.Een varend passagiersschip waarvan de maximale lengte van de romp
minder is dan 20 m moet overdag voeren: een gele ruit, op een
geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden
zichtbaar is.
2.De bevoegde autoriteit kan vaarwegen aanwijzen waarop de
verplichting van het eerste lid niet van toepassing is.
Artikel 3.16. Tekens van varende veerponten
1. Een niet-vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:
a. een wit helder rondom schijnend licht op een hoogte van
tenminste 5 m. Deze hoogte mag echter worden verminderd, indien de
lengte van de pont 15 m niet overschrijdt;
b. een groen helder rondom schijnend licht ongeveer 1 m boven
het onder a bedoelde licht.
2. De het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een
veerpont aan een langskabel moet des nachts zijn voorzien van een wit
helder rondom schijnend licht, tenminste 3 m boven het wateroppervlak.
3. Een vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:
a. een wit helder rondom schijnend licht, bedoeld in het eerste
lid, onder a;
b. een groen helder rondom schijnend licht, bedoeld in het
eerste lid, onder b, en,
c. boordlichten en een heklicht. Deze lichten moeten voldoen
aan artikel 3.08, eerste lid, onder b en c.
Artikel 3.17. Bijkomend teken van varende schepen die recht van
voorrang hebben
Een schip dat recht van voorrang heeft voor de doorvaart op plaatsen
waar de volgorde van doorvaren is geregeld en dat van dit recht gebruik
wil maken moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend dagteken
voeren:
een rode wimpel op het voorschip op een voldoende hoogte om goed
zichtbaar te zijn.
Artikel 3.18. Bijkomende tekens van schepen die onmanoeuvreerbaar
worden
1. Een schip dat onmanoeuvreerbaar wordt moet, teneinde dit kenbaar
te maken, als bijkomende tekens zo nodig tonen:
- des nachts:
a. een rood licht waarmee heen en weer wordt gezwaaid. In
het geval van een klein schip mag dit een wit licht zijn, of
b. twee rode gewone rondom schijnende lichten in een
verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op
een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat zij van
alle zijden zichtbaar zijn;
- des daags:
c. een rode vlag waarmee heen en weer wordt gezwaaid, of
d. twee zwarte bollen in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats
en op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar
zijn.
2. De in het eerste lid bedoelde tekens vervangen het in bijlage 6
onder A vermelde geluidssein of vullen dat aan. De vlag mag worden
vervangen door een bord van dezelfde kleur.
Artikel 3.19. Tekens van varende drijvende voorwerpen en drijvende
inrichtingen
Onverminderd de bijzondere voorschriften die ingevolge artikel 1.21
kunnen worden gesteld moeten een drijvend voorwerp en een drijvende
inrichting des nachts voeren:
witte heldere rondom schijnende lichten in voldoend aantal om hun
omtrek aan te duiden, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden
zichtbaar zijn.
Afdeling III. Tekens tijdens het stilliggen
Artikel 3.20. Tekens van stilliggende schepen
1. Een groot schip dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt
moet ’s nachts voeren: een wit gewoon rondom schijnend licht aan de
zijde van het vaarwater op een hoogte van tenminste 3 m.
In plaats van dit licht mogen ook twee witte gewone rondom
schijnende lichten aan de zijde van het vaarwater op dezelfde hoogte,
één op het voorschip en één op het achterschip, worden gevoerd.
2. Een groot schip dat stilligt zonder direct of indirect aan de
oever gemeerd te liggen moet voeren:
a. ’s nachts: twee witte gewone rondom schijnende lichten
waar deze het best kunnen worden gezien, het ene op het voorschip
op een hoogte van tenminste 4 m en het andere op het achterschip
op een hoogte van tenminste 2 m en tenminste 2 m lager dan het
licht op het voorschip;
b. overdag: een zwarte bol op het voorschip, op een zodanige
hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
3. Een duwstel dat stilligt zonder direct of indirect aan de oever
gemeerd te liggen moet voeren:
- des nachts:
een wit gewoon rondom schijnend licht op elk schip, telkens
waar dit het best kan worden gezien, op een hoogte van tenminste 4
m.
Het duwstel behoeft op de duwbakken tezamen niet meer dan vier
lichten te voeren, mits de contouren van het duwstel hierdoor goed
worden aangegeven.
- des daags:
een zwarte bol op de duwboot of de duwboten en op het voorste
andersoortige schip of de voorste andersoortige schepen aan de
buitenzijden.
4. Een klein schip dat stilligt, met uitzondering van de bijboot
van een schip, moet voeren:
a. ’s nachts: een wit gewoon rondom schijnend licht waar dit
het best kan worden gezien;
b. overdag, indien het niet direct of indirect aan de oever
gemeerd ligt: een zwarte bol op een geschikte plaats, op een
zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
5. De in dit artikel bedoelde tekens behoeven niet gevoerd te
worden door een schip:
a. dat ligt in een vaarweg of in een gedeelte van een vaarweg,
aangewezen door de bevoegde autoriteit;
b. dat ligt in een vaarweg waar varen niet mogelijk dan wel
verboden is;
c. dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt en vanwege
aldaar aanwezige verlichting voldoende zichtbaar is;
d. dat op een veilige ligplaats ligt;
e. dat ligt op een ligplaats die de bevoegde autoriteit als
zodanig heeft aangeduid en waar hij het achterwege laten van het
voeren van de tekens heeft toegestaan.
6. Dit artikel is niet van toepassing op de schepen, bedoeld in de
artikelen 3.22 en 3.25.
Artikel 3.21. Bijkomende tekens van stilliggende schepen die bepaalde
gevaarlijke stoffen vervoeren
Artikel 3.14 is eveneens van toepassing op het schip, het duwstel of
het gekoppeld samenstel, bedoeld in dat artikel, wanneer het stilligt.
Artikel 3.22. Tekens van op hun aanlegplaatsen stilliggende
veerponten
1. Een op zijn aanlegplaats stilliggende niet-vrijvarende veerpont
moet des nachts de bij artikel 3.16, eerste lid, voorgeschreven
lichten voeren.
Bovendien moet de het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of
drijver van een veerpont aan een langskabel des nachts het bij artikel
3.16, tweede lid, voorgeschreven licht voeren.
2. Een op zijn aanlegplaats stilliggende vrijvarende veerpont, die
dienst doet, moet des nachts de bij artikel 3.16, eerste lid,
voorgeschreven lichten voeren. Hij mag bovendien de bij artikel 3.08,
eerste lid, onder b en c, voorgeschreven lichten blijven voeren. Hij
moet de lichten bedoeld in artikel 3.08, eerste lid, onder b en c, en
het groene licht bedoeld in artikel 3.16, derde lid, onder b, doven,
zodra hij buiten dienst is.
Artikel 3.23. Tekens van drijvende voorwerpen en van drijvende
inrichtingen die stilliggen
Onverminderd de bijzondere voorschriften die op grond van artikel
1.21 kunnen worden gesteld, moeten een drijvend voorwerp en een
drijvende inrichting des nachts voeren:
witte gewone rondom schijnende lichten, in voldoend aantal om hun
omtrek aan de zijde van het vaarwater aan te duiden, op een zodanige
hoogte dat zij van het vaarwater af goed zichtbaar zijn.
Artikel 3.20, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.24. Bijkomende tekens voor netten of uitleggers van
stilliggende schepen
Een schip dat op een vaarweg waar stroom loopt een net of een
uitlegger in of in de nabijheid van het vaarwater heeft uitstaan, moet,
teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken, en zodanig dat het
zijn net of uitlegger aanduidt, voeren:
- des nachts:
een wit gewoon rondom schijnend licht;
- des daags:
een gele vlag.
Artikel 3.25. Tekens van in bedrijf zijnde drijvende werktuigen en
van vastgevaren of gezonken schepen
1. Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig en een schip dat in het
vaarwater werken uitvoert, dan wel peilingen of metingen verricht,
moeten voeren:
a. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:
- des nachts:
twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in
een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1
m;
- des daags:
twee groene ruiten in een verticale lijn met een onderlinge
afstand van ongeveer 1 m;
b. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:
- des nachts:
een rood rondom schijnend licht op dezelfde hoogte als het
bovenste van de onder a voorgeschreven groene lichten en van
dezelfde lichtsterkte als die lichten;
- des daags:
een rode bol op dezelfde hoogte als de bovenste van de
onder a voorgeschreven groene ruiten;
of, in het geval dat deze schepen tevens tegen hinderlijke
waterbeweging beschermd willen worden:
c. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:
- des nachts:
een rood helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit
helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn,
met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood
en het onderste wit;
- des daags:
een bord waarvan de bovenste helft rood en de onderste
helft wit is dan wel twee borden in een verticale lijn, het
bovenste rood en het onderste wit;
d. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:
- des nachts:
een rood rondom schijnend licht op dezelfde hoogte als het
onder c voorgeschreven rode licht en van dezelfde lichtsterkte
als dit licht;
- des daags:
een rood bord op dezelfde hoogte als het rood-witte bord of
als het rode bord, voorgeschreven onder c.
Deze tekens moeten zijn aangebracht op een zodanige hoogte,
dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. De borden mogen worden
vervangen door vlaggen van dezelfde kleur.
2. Een vastgevaren of gezonken schip moet de bij het eerste lid,
onder c en d, voorgeschreven tekens voeren. Indien een gezonken schip
zodanig ligt dat daarop de tekens niet kunnen worden aangebracht,
moeten deze op roeiboten of op een andere doelmatige wijze zijn
geplaatst.
3. De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de
verplichting tot het voeren van de bij het eerste lid voorgeschreven
tekens.
Artikel 3.26. Bijkomende tekens van schepen, drijvende voorwerpen en
drijvende inrichtingen waarvan de ankers een gevaar voor de scheepvaart
kunnen vormen en van hun ankers
1. Een schip waarvan een anker zodanig is uitgezet, dat daardoor
een gevaar voor de scheepvaart kan worden gevormd, moet des nachts,
teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend licht voeren:
een tweede wit gewoon rondom schijnend licht:
- hetzij, ingeval op het schip artikel 3.20, eerste, derde of
vierde lid, van toepassing is, ongeveer 1 m loodrecht onder het
aldaar bedoelde licht; indien in het geval van artikel 3.20,
eerste lid, twee van deze lichten zijn aangebracht, moet het
bijkomend licht worden gevoerd onder het licht dat het meest nabij
het uitstaande anker is aangebracht;
- hetzij, ingeval op het schip artikel 3.20, tweede lid , van
toepassing is, ongeveer 1 m loodrecht onder het aldaar bedoelde
licht op het voorschip.
2. Een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting waarvan één
of meer ankers zodanig zijn uitgezet, dat daardoor een gevaar voor de
scheepvaart kan worden gevormd, moeten van de in artikel 3.23 bedoelde
lichten het licht dan wel elk van de lichten dat zich het meest nabij
dit anker dan wel deze ankers bevindt vervangen door:
twee gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m.
3. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting
moeten het anker of elk van de ankers bedoeld in het eerste en tweede
lid aanduiden door:
een gele boei voorzien van een radarreflector.
4. Een drijvend werktuig waarvan één of meer ankers een gevaar
voor de scheepvaart kunnen vormen moet dit anker dan wel elk van deze
ankers aanduiden door:
- des nachts:
een boei voorzien van een wit gewoon rondom schijnend licht en
een radarreflector;
- des daags:
een gele boei voorzien van een radarreflector.
Afdeling IV. Bijzondere optische tekens
Artikel 3.27. Bijkomend teken van schepen van handhavingsdiensten en
van brandweerboten
Een schip van ambtenaren belast met toezicht of opsporing mag, om
zich kenbaar te maken, als bijkomend teken een blauw gewoon rondom
schijnend flikkerlicht of snel flikkerlicht tonen. Het zelfde geldt voor
een brandweerboot die hulp biedt of daartoe op weg is en voor een
reddingsvaartuig bij een reddingsoperatie met toestemming van de
bevoegde autoriteit.
Artikel 3.28. Bijkomend teken van schepen die werkzaamheden in of
nabij het vaarwater uitvoeren
Een schip dat in of nabij het vaarwater werkzaamheden uitvoert mag,
om dit kenbaar te maken, als bijkomend teken, met toestemming van de
bevoegde autoriteit, tonen: een geel helder of gewoon rondom schijnend
flikkerlicht of snel flikkerlicht.
Artikel 3.29. Bijkomende tekens bescherming hinderlijke waterbeweging
1. De in het tweede lid vermelde schepen, drijvende voorwerpen en
drijvende inrichtingen, die beschermd willen worden tegen hinderlijke
waterbeweging veroorzaakt door het langsvaren van andere schepen of
drijvende voorwerpen, mogen, teneinde dit kenbaar te maken, als
bijkomende tekens tonen:
- des nachts:
een rood helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit
helder of gewoon rondom schijnend licht, in een verticale lijn met
een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood en het
onderste wit, op een zodanige plaats dat zij van alle zijden
zichtbaar zijn en niet met andere lichten kunnen worden verward;
- des daags:
een bord waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft
wit is dan wel twee borden in een verticale lijn, het bovenste
rood en het onderste wit, op een geschikte plaats en op een
zodanige hoogte, dat elk bord van alle zijden zichtbaar is. De
borden mogen worden vervangen door vlaggen van dezelfde kleur.
2. De schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen, die
de in het eerste lid bedoelde tekens mogen tonen, zijn:
a. schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen die
zwaar zijn beschadigd of in het vaarwater werkzaamheden
verrichten, alsmede schepen die niet in staat zijn te
manoeuvreren;
b. schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen, die
zijn voorzien van een schriftelijke toestemming van de bevoegde
autoriteit.
Artikel 3.30. Noodtekens
1. Een in nood verkerend schip, dat hulp wil inroepen, mag tonen:
- hetzij: des nachts een licht waarmee in het rond wordt
gezwaaid, en des daags een vlag of ieder ander geschikt voorwerp
waarmee in het rond wordt gezwaaid;
- hetzij: vuurpijlen, lichtkogels, parachutelichten of
rookbommen dan wel vlammen;
- hetzij: des daags een vlag met daarboven of daaronder een bol
of een daarop gelijkend voorwerp.
2. Deze tekens vervangen de in artikel 4.01, vierde lid, vermelde
geluidsseinen of vullen deze aan.
3. Een schip dat medische hulp wil inroepen, mag geven:
vier korte stoten, gevolgd door één lange stoot.
Artikel 3.31. Teken van het verbod van toegang aan boord
1.Indien op grond van wettelijke bepalingen de toegang aan boord
van een schip voor onbevoegden is verboden, moet het schip dit aan
boord of bij de loopplank aanduiden door:
één of meer ronde borden, aan beide zijden wit met een rode rand
en een rode diagonale balk en met, in zwart, de afbeelding van een
voetganger.
In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van
deze borden ongeveer 60 cm bedragen.
2.Des nachts moeten deze borden zodanig zijn verlicht dat zij
duidelijk zichtbaar zijn.
Artikel 3.32. Teken van het verbod te roken en onbeschermd licht of
vuur te gebruiken
1.Indien het op grond van wettelijke voorschriften aan boord is
verboden:
a. te roken;
b. onbeschermd licht of vuur te gebruiken;
moet dit verbod worden aangeduid door: een of meer ronde witte
borden met een rode rand en een rode diagonale balk en met de
afbeelding van een rokende sigaret. Deze borden moeten naar behoefte
aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. In afwijking van
artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer
0,60 m bedragen.
2.Des nachts moeten deze borden moeten zodanig zijn verlicht dat
zij duidelijk zichtbaar zijn.
Artikel 3.33. Teken van het verbod evenwijdig aan een schip ligplaats
te nemen
1. Indien het op grond van wettelijke bepalingen is verboden
dichtbij een schip evenwijdig daaraan ligplaats te nemen, moet dit
schip op het dek in de lengte-as voeren:
een vierkant bord aan de onderzijde waarvan zich een driehoek
bevindt. Het bord moet aan beide zijden wit zijn met een rode rand en
een rode diagonale balk en met, in zwart, de letter P en de driehoek
aan beide zijden wit met, in zwart, cijfers die de afstand in meters
aangeven waarbinnen geen ligplaats mag worden genomen.
2. Des nachts moet dit bord zodanig zijn verlicht dat het aan beide
zijden van het schip duidelijk zichtbaar is.
3. Dit artikel is niet van toepassing op een schip, een duwstel of
een gekoppeld samenstel bedoeld in artikel 3.21.
Artikel 3.34. Tekens van beperkt manoeuvreerbare schepen
1.Een varend schip dat wegens de uitvoering van werkzaamheden in
het vaarwater beperkt is in zijn mogelijkheden om voor andere schepen
uit te wijken overeenkomstig de vaarregels van dit reglement en dat
deswege door zijn positie of zijn gedrag aanleiding kan geven tot een
gevaarlijke situatie moet, behalve de tekens bedoeld in artikel 3.08,
voeren:
a. ’s nachts: drie heldere of gewone rondom schijnende
lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ongeveer 1 m, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden
zichtbaar zijn, het bovenste en het onderste rood en het middelste
wit;
b. overdag: een zwarte bol, een zwarte ruit en een zwarte bol
in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m,
op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
2.Indien de doorvaart niet aan beide zijden van het schip vrij is,
moet het schip behalve de in het eerste lid bedoelde tekens voeren:
a. ’s nachts:
1°. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is: twee rode
heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
2°. aan de zijde waar de doorvaart vrij is: twee groene
heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
b. overdag:
1°. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is: twee
zwarte bollen in een verticale lijn met een onderlinge afstand
van ongeveer 1 m;
2°. aan de zijde waar de doorvaart vrij is: twee zwarte
ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ongeveer 1 m.
3.Indien de doorvaart aan beide zijden van het schip vrij is, moet
het schip behalve de in het eerste lid bedoelde tekens aan beide
zijden voeren:
a. ’s nachts: twee groene heldere of gewone rondom schijnende
lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van
ongeveer 1 m;
b. overdag: twee zwarte ruiten in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m.
4.De lichten, bollen en ruiten, bedoeld in het tweede en derde lid,
mogen niet hoger zijn aangebracht dan het laagste van de lichten of
bollen, bedoeld in het eerste lid, en zij moeten tenminste 2 m daarvan
verwijderd zijn.
5.In plaats van de in dit artikel bedoelde tekens mogen de tekens,
bedoeld in artikel 3.25, worden gevoerd.
Artikel 3.35. Tekens van mijnenopruimingsschepen
Een schip bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden moet, behalve de
tekens bedoeld inartikel 3.08, voeren:
a. ’s nachts: drie groene heldere of gewone rondom schijnende
lichten, één aan of nabij de top van de mast op het voorschip en
één aan elk uiteinde van de ra van deze mast;
b. overdag: drie zwarte bollen op dezelfde plaatsen als de
lichten’s nachts.
Artikel 3.36. Tekens van loodsboten
Een schip dat loodsdienst uitoefent moet voeren:
a. ’s nachts:
1°. een wit helder of gewoon rondom schijnend licht en een
rood helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale
lijn, het bovenste wit en het onderste rood, aan of nabij de top
van de mast op het voorschip;
2°. boordlichten op gelijke hoogte, in een lijn loodrecht op
de lengte-as en ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het
schip; en
3°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in
de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed
zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;
b. overdag: een blauwe vlag met, in wit, de letter L aan of nabij
de top van de mast op het voorschip.
Artikel 3.37. Tekens van vissersschepen
Een vissersschip moet voeren:
a. ’s nachts:
1°. een groen helder of gewoon rondom schijnend licht en een
wit helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale
lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m, het bovenste
groen en het onderste wit, op een zodanige hoogte dat het
onderste zich tenminste 2 m boven de boordlichten bevindt.
2° boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht
op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het witte
licht bedoeld in onderdeel a, 1°, en niet meer dan 1 m binnen
de buitenzijden van het schip; en
3°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in
de lengte-as van het schip, op een zodanige hoogte dat het goed
zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;
b. overdag: twee zwarte kegels met de punten tegen elkaar
(diabolo) in een verticale lijn, op een zodanige hoogte dat zij van
alle zijden goed zichtbaar zijn.
Het schip mag tevens achter en hoger dan het groene licht, bedoeld
onder a, 1°, een toplicht voeren.
Artikel 3.38. Teken bij een duiker te water
1.Een schip dat gebruikt wordt bij het duiken moet, behalve de bij
artikel 3.08, respectievelijk artikel 3.20 voorgeschreven tekens, als
bijkomend teken voeren: de internationale seinvlag «A» dan wel een
replica daarvan vervaardigd van niet buigzaam materiaal, op een
zodanige hoogte en op een zodanige wijze dat deze van alle zijden
zichtbaar is. 's Nachts moet dit teken zodanig zijn verlicht, dat het
duidelijk zichtbaar is.
2.Het bijkomende teken, bedoeld in het eerste lid, mag ook worden
getoond bij duikwerkzaamheden die vanaf de wal worden uitgevoerd.
Hoofdstuk 4. Geluidsseinen; marifoon; radar
Artikel 4.01. Geluidsseinen; algemene bepalingen
1.De in bijlage 6vermelde geluidsseinen, niet zijnde klokslagen,
moeten worden gegeven door:
a. een groot motorschip door middel van een mechanisch werkende
geluidsinstallatie die voldoende hoog is opgesteld en vrij staat
naar voren en voorzover mogelijk ook naar achteren;
b. een groot schip, niet zijnde een motorschip, en een klein
motorschip door middel van een mechanisch werkende
geluidsinstallatie dan wel een geschikte scheepstoeter of hoorn.
2.Een groot motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een
geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit geldt niet voor
klokslagen.
3.Bij een samenstel mogen de geluidsseinen slechts worden gegeven
door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel
bevindt.
4.Een in nood verkerend schip dat hulp wil inroepen mag reeksen
klokslagen of herhaalde lange stoten laten horen. Deze seinen dienen
ter vervanging of ter aanvulling van de in artikel 3.30, eerste lid,
bedoelde tekens.
5.Een schip moet een reeks klokslagen ongeveer vier seconden doen
duren.
6.Een schip mag in plaats van een reeks klokslagen een reeks slagen
van metaal op metaal geven.
Artikel 4.02. Geven van geluidsseinen
1.Een groot schip moet ter voorkoming van aanvaring zo nodig de
geluidsseinen geven, vermeld in bijlage 6.
2.Een klein schip moet ter voorkoming van aanvaring zo nodig het
attentiesein, het sein «Ik kan niet manoeuvreren» en zo nodig het
noodsein, vermeld in afdeling A van bijlage 6, geven en het mag zo
nodig een der overige algemene geluidsseinen, vermeld inafdeling A
alsmede het mistsein, vermeld in afdeling G van bijlage 6, geven.
3.Een klein schip mag niet de manoeuvreerseinen, vermeld in de
afdelingen B, C, D en E van bijlage 6, geven.
Artikel 4.03. Verboden geluidsseinen
1. Een schip mag slechts van de geluidsinstallatie dan wel van de
scheepstoeter of de hoorn gebruik maken voor het geven van de
geluidsseinen welke in dit reglement worden vermeld en deze
geluidsseinen niet geven onder andere omstandigheden dan die welke in
dit reglement zijn voorzien.
2. Een schip mag voor het wisselen van berichten met andere schepen
of met de wal evenwel van de geluidsinstallatie dan wel van de
scheepstoeter of de hoorn gebruik maken, mits hierdoor geen verwarring
kan ontstaan met de in dit reglement vermelde geluidsseinen.
Artikel 4.04. "Blijf weg" sein
1. Tankschepen, die de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste of
tweede lid, moeten voeren, en schepen, die de tekens bedoeld in
artikel 3.14, derde lid, moeten voeren, moeten ingeval van een
gebeurtenis of ongeval, waardoor gevaarlijke stoffen die door deze
schepen worden vervoerd zouden kunnen vrijkomen, als geluidssein
achtereenvolgens één korte stoot en één lange stoot geven.
2. Het in het eerste lid bedoelde geluidssein moet ononderbroken
gedurende tenminste 15 minuten worden herhaald.
De geluidsinstallatie moet hiertoe zodanig zijn ingericht, dat na
het inschakelen het sein automatisch wordt gegeven. De inrichting moet
van dien aard zijn, dat het sein zich niet ongewild in werking kan
stellen.
3. Dit artikel is niet van toepassing op duwbakken noch op andere
schepen zonder bemanning. Indien evenwel deze schepen deel uitmaken
van een samenstel, moet het schip aan boord waarvan zich de schipper
van het samenstel bevindt het sein geven.
Artikel 4.05. Gebruik van en uitrusting met marifoon
1. Een schip mag slechts gebruik maken van een marifoon die in
overeenstemming is met de
Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart.
De marifoon mag slechts worden gebruikt overeenkomstig de
voorschriften van deze regeling, zoals vermeld in het Handboek voor de
marifonie in de binnenvaart.
2. Een schip mag bij gebruik van de kanalen bestemd voor het
schip--schip verkeer of de nautische informatie en bij het verbinding
hebben met de voor de scheepvaart ingestelde diensten geen
mededelingen doen, die niet in dit reglement zijn voorgeschreven of
toegelaten dan wel niet zijn toegelaten krachtens de Regionale
regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart.
3. Een varend groot schip moet zijn uitgerust met een
marifooninstallatie die geschikt is voor de kanalen voor het
schip--schip verkeer en voor de nautische informatie en voor het
verbinding hebben met de voor de scheepvaart ingestelde diensten en
die goed functioneert. Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moeten
twee marifoons aanwezig zijn.
4. Een varend groot schip moet op de marifoon uitluisteren. Het
moet op de voor het schip--schip verkeer dan wel voor de nautische
informatie aangewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart
noodzakelijke berichten geven.
Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moet het groot schip op de
kanalen voor het schip--schip verkeer en voor de nautische informatie
gelijktijdig uitluisteren. Het schip--schip kanaal is kanaal 10,
tenzij een ander kanaal als blokkanaal is aangewezen.
5. Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel zijn het derde
en vierde lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan
zich de schipper van het samenstel bevindt.
6. De bevoegde autoriteit kan van de verplichting, bedoeld in het
eerste en tweede lid, ontheffing verlenen aan schepen die worden
ingezet ten behoeve van het redden van mensen.
7. De bevoegde autoriteit kan van de verplichting, bedoeld in het
derde en vierde lid, ontheffing verlenen, voorzover dit de vaart
betreft in gebieden waar geen doorgaande scheepvaart plaatsvindt.
8. Het vierde lid, eerste en tweede volzin, is van toepassing op
een klein schip dat is uitgerust met een marifoon. Het vierde lid,
derde volzin, is van toepassing op een klein schip dat is uitgerust
met meer dan één marifoon.
9. In afwijking van het eerste lid, wordt op scheepvaartwegen in
beheer bij het Rijk bij communicatieproblemen tussen scheeps- en
walstations dan wel tussen scheepsstations onderling de Duitse taal
gebruikt. Op de inbijlage 11 genoemde vaarwegen is tevens het gebruik
van de Engelse taal toegestaan.
Artikel 4.06. Gebruik van en uitrusting met radar
1. Een schip mag slechts gebruik maken van radar, indien:
a. het is uitgerust met een voor de behoeften van de
binnenvaart geschikte radarinstallatie dan wel een Inland ECDIS
installatie die kan functioneren in de navigatie modus en een
bochtaanwijzer die goed functioneren en die van een type zijn dat
voor de binnenvaart door de daartoe aangewezen instantie is
goedgekeurd volgens de daaromtrent vastgestelde voorschriften; en
b. zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een
radarpatent als bedoeld in het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn. Bij goed zicht mag van radar
worden gebruik gemaakt teneinde hiermede te oefenen, zonder dat
zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
2. Onverminderd het eerste lid moet een klein schip zijn uitgerust
met een marifooninstallatie die geschikt is voor de daartoe aangewezen
kanalen en die goed functioneert.
3. Op de daartoe aangewezen vaarwegen mag een schip, in plaats van
met een radarinstallatie als bedoeld in het eerste lid, onder a, zijn
uitgerust met een voor het varen op deze vaarwegen geschikte
radarinstallatie die goed functioneert en die van een type is dat voor
het varen op die vaarwegen door de in het eerste lid, onder a,
bedoelde instantie is goedgekeurd volgens de daaromtrent vastgestelde
voorschriften.
4. Een schip behorende tot een daartoe aangewezen categorie mag op
de daartoe aangewezen vaarwegen in plaats van met een bochtaanwijzer
als bedoeld in het eerste lid, onder a, zijn uitgerust met een ander
daartoe bruikbaar middel. Een niet-vrijvarende veerpont behoeft
daarmede niet te zijn uitgerust.
5. De bevoegde autoriteit kan van het eerste lid, onder b, voor een
niet-vrijvarende veerpont ontheffing verlenen.
6. Voor een duwstel, voor een gekoppeld samenstel en voor een sleep
is het eerste lid slechts van toepassing op het schip aan boord
waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
7. Een schip met een lengte van meer dan 110 m mag slechts varen,
wanneer het is uitgerust met een radarinstallatie en een
bochtaanwijzer die voldoen aan het eerste lid.
8. Een snel schip moet tijdens de vaart gebruik maken van radar.
Artikel 4.07. Gebruik van en uitrusting met een Inland AIS apparaat
Een binnenschip mag gebruik maken van een Inland AIS apparaat dat in
overeenstemming is met de standaard opgenomen in Besluit 2006-I-21 van
31 mei 2006 van de Centrale Rijnvaartcommissie: Volgen en opsporen van
schepen in de binnenvaart. Het Inland AIS apparaat wordt gebruikt
overeenkomstig de voorschriften van deze standaard.
Hoofdstuk 4A [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 4A.01 [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 4A.02 [Vervallen per 01-12-2004]
Hoofdstuk 5. Verkeerstekens
Artikel 5.01. Verplichtingen in verband met verkeerstekens en
bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken
1. Een schip is verplicht gevolg te geven aan een verkeersteken dat
een verbod of een gebod bevat en rekening te houden met een
verkeersteken dat een aanbeveling of een inlichting bevat dan wel dat
dient ter markering van het vaarwater of van obstakels daarin.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken.
3. Bijlage 7 vermeldt de verkeerstekens voor het verkeer op een
vaarweg.
4. Bijlage 8 vermeldt de verkeerstekens ter markering van het
vaarwater of van obstakels.
Artikel 5.02. Prioriteit
Onverminderd de artikelen 1.04 en 1.05 heeft een verkeersteken
prioriteit boven een gedragsregel. Een verkeersaanwijzing heeft
prioriteit boven een gedragsregel en een verkeersteken.
Hoofdstuk 6. Vaarregels
Afdeling I. Algemene bepalingen
Artikel 6.01. Begripsbepalingen
1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. naderen op tegengestelde koersen: elkaar naderen van twee
schepen op koersen die recht of vrijwel recht aan elkaar
tegengesteld zijn;
b. oplopen: naderen door een schip van een ander schip uit een
richting van meer dan 22°30´ achterlijker dan dwars van dat
schip;
c. voorbijlopen: manoeuvre die het gevolg is van oplopen totdat
de schepen geheel vrij van elkaar zijn;
d. kruisende koersen: elkaar naderen van twee schepen onder
zodanige hoek, dat er geen sprake is van naderen op tegengestelde
koers dan wel oplopen; in geval van twijfel wordt er geacht sprake
te zijn van naderen op tegengestelde koersen dan wel oplopen;
e. vertrekkend schip: schip dat gaat varen nadat het heeft
stilgelegen of was vastgevaren;
f. opvarend schip: schip dat vaart in de richting van de
bronnen van de rivier;
g. afvarend schip: schip dat vaart vanaf de richting van de
bronnen van de rivier.
2.In dit hoofdstuk worden onder een klein schip mede begrepen een
sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel, uitsluitend uit kleine
schepen bestaande, alsmede een amfibievoertuig.
Artikel 6.01a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 6.02. Snelle schepen
Een snel schip is verplicht aan andere schepen voorrang te verlenen.
Artikel 6.03. Algemene beginselen
1.Schepen mogen slechts elkaar voorbijvaren op tegengestelde
koersen dan wel elkaar voorbijlopen, indien het vaarwater voldoende
ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke
omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in
aanmerking genomen.
2.Bij een samenstel mogen de tekens, voorgeschreven bij de
artikelen 3.17, 6.04a en 6.05, slechts worden getoond door het schip,
aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt, doch in
ieder geval door het motorschip aan de kop van het samenstel.
3.Bij naderen op tegengestelde koersen, bij voorbijlopen dan wel
bij koers kruisen mag het schip waarvan de koers elk gevaar voor
aanvaring uitsluit zijn koers noch zijn snelheid zodanig wijzigen, dat
daaruit gevaar voor aanvaring kan ontstaan.
4.Wanneer een schip voorrang moet verlenen aan een ander schip,
moet het door tijdige koerswijziging of door snelheidsverandering aan
dat andere schip de ruimte laten die dit nodig heeft om zijn koers te
volgen en te manoeuvreren. Het schip dat voorrang moet verlenen aan
een ander schip moet daarbij vermijden dat het voor het andere schip
overloopt en mag niet verlangen dat het andere schip te zijnen gerieve
koers of snelheid wijzigt.
5.Wanneer een schip voorrang moet verlenen aan een ander schip,
moet laatstbedoeld schip zijn koers en zijn snelheid behouden. Wanneer
door welke oorzaak ook, het schip dat verplicht is zijn koers en zijn
snelheid te behouden zich zo dicht bij het schip dat voorrang moet
verlenen bevindt, dat aanvaring door een handeling van dat schip
alleen niet kan worden vermeden, moet het de maatregelen nemen die het
beste kunnen bijdragen om aanvaring te voorkomen.
6.Wanneer een schip bij het uitvoeren van een manoeuvre medewerking
van een ander schip mag verlangen, moet het de eigen koers en snelheid
zodanig regelen, dat andere schepen niet worden genoodzaakt hun koers
of snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
7.Wanneer een schip bij het uitvoeren van een manoeuvre medewerking
van een ander schip mag verlangen, moet het andere schip voorzover
mogelijk door koerswijziging of snelheidsverandering zodanig
meewerken, dat deze manoeuvre veilig kan geschieden.
Afdeling II. Voorbijvaren op tegengestelde koersen en voorbijlopen
Artikel 6.03a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 6.04. Naderen op tegengestelde koersen op alle vaarwegen;
hoofdregel
1.Van de in dit artikel gegeven hoofdregels kan overeenkomstig
artikel 6.04a worden afgeweken. Dit artikel is niet van toepassing op
de gedeelten van de Geldersche IJssel en de Maas, bedoeld in artikel
6.05, eerste lid.
2.Indien twee schepen elkaar zodanig naderen op tegengestelde
koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat niet de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang verlenen aan het
schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.
3.Indien een groot schip en een klein schip elkaar zodanig naderen
op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
het kleine schip voorrang verlenen aan het grote schip.
4.Indien twee grote motorschepen of een groot motorschip en een
groot zeilschip elkaar zodanig naderen op tegengestelde koersen, dat
gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, elk van beide naar
stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord
voorbijvaren.
5.Indien twee grote zeilschepen elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het
schip dat over bakboordsboeg ligt.
6.Indien twee kleine zeilschepen elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het
schip dat over bakboordsboeg ligt.
7.Indien twee kleine motorschepen elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op
bakboord voorbijvaren.
8.Indien een klein motorschip, een klein zeilschip of een klein
door spierkracht voortbewogen schip elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
het motorschip voorrang verlenen aan het andere schip en moet het door
spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan het zeilschip.
9.Indien twee door spierkracht voortbewogen schepen elkaar zodanig
naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater
volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar
bakboord op bakboord voorbijvaren.
Artikel 6.04a. Naderen op tegengestelde koersen op alle vaarwegen;
afwijking van de hoofdregel
1.Dit artikel is niet van toepassing op de gedeelten van de
Geldersche IJssel en de Maas, bedoeld in artikel 6.05, eerste lid.
2.Een groot schip dat zich wil begeven naar een vaarwater, een
haven, een laad- of losplaats, een sluis, de doorvaartopening van een
brug, een aanlegplaats of een plaats waar schepen mogen liggen,
gelegen aan zijn bakboordszijde, en een groot schip dat vertrekt vanaf
een ligplaats aan de, gezien zijn vaarrichting, bakboordszijde van het
vaarwater, mag aan een op tegengestelde koers naderend schip het
verlangen kenbaar maken, dat, in afwijking van artikel 6.04, het
voorbijvaren stuurboord op stuurboord geschiedt. Het grote schip mag
het verlangen slechts kenbaar maken, nadat het zich er van heeft
vergewist, dat het mogelijk is daaraan zonder gevaar te voldoen.
3.Het verlangen wordt kenbaar gemaakt door het tijdig tonen aan
stuurboord tot het voorbijvaren heeft plaats gehad, van:
a. ’s nachts: een wit helder rondom schijnend flikkerlicht,
eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;
b. overdag: een lichtblauw bord, in combinatie met een wit
helder rondom schijnend flikkerlicht.
Het lichtblauwe bord moet voorzien zijn van een witte rand met een
breedte van tenminste 5 cm; het raam- en stangenwerk en het
lantaarnhuis van het flikkerlicht moeten donker van kleur zijn. Het
bord moet van voren en van achteren zichtbaar zijn.
4.Een groot schip waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt moet
daaraan voldoen en, indien het hiermede is uitgerust, de tekens tonen,
bedoeld in het derde lid. Een klein schip waaraan het verlangen wordt
kenbaar gemaakt moet voorrang verlenen aan het grote schip, bij
voorkeur door aan het verlangen te voldoen.
5.Zodra is te vrezen, dat de bedoeling van het schip dat het
verlangen heeft kenbaar gemaakt niet is begrepen door het schip
waaraan dit is geschied, moet het schip een geluidssein van twee korte
stoten geven. Het andere schip moet dan antwoorden door het geven van
een geluidssein van twee korte stoten.
6.Indien het schip waaraan het verlangen wordt kenbaar gemaakt
daaraan niet kan voldoen, moet het een reeks zeer korte stoten geven.
Elk van beide schepen moet dan de maatregelen nemen die de
omstandigheden vereisen om het ontstaan van een gevaarlijke situatie
te voorkomen.
Artikel 6.05. Naderen op tegengestelde koersen op de Geldersche
IJssel en op de Maas
1.Dit artikel is slechts van toepassing op de Geldersche IJssel
vanaf de IJsselkop (kmr. 878,6) tot aan de stadsbrug te Kampen (kmr.
995,5) en op de Maas met aansluitend de Bergsche Maas tot Heusden (kmr.
231). Het is niet van toepassing op het naderen op tegengestelde
koersen van een snel schip en een ander schip.
2.Indien een opvarend groot schip en een afvarend schip elkaar
naderen op tegengestelde koersen, moet het opvarende grote schip voor
het afvarende schip een geschikte weg vrijlaten, de plaatselijke
omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in
aanmerking genomen.
3.Het opvarende grote schip dat daartoe aan bakboord voor het
afvarende schip de weg vrijlaat toont geen teken.
4.Het opvarende grote schip dat daartoe aan stuurboord voor het
afvarende schip de weg vrijlaat moet tijdig aan stuurboord tot het
voorbijvaren heeft plaats gehad, tonen:
a. ’s nachts: een wit helder rondom schijnend flikkerlicht,
eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;
b. overdag: een lichtblauw bord, in combinatie met een wit
helder rondom schijnend flikkerlicht.
Het lichtblauwe bord moet voorzien zijn van een witte rand met een
breedte van tenminste 5 cm; het raam- en stangenwerk en het
lantaarnhuis van het flikkerlicht moeten donker van kleur zijn. Het
bord moet van voren en van achteren zichtbaar zijn.
5.Zodra is te vrezen, dat de bedoeling van het opvarende grote
schip niet door het afvarende schip is begrepen, moet het opvarende
grote schip geven:
a. één korte stoot, indien het voorbijvaren bakboord op
bakboord dient te geschieden; of
b. twee korte stoten, indien het voorbijvaren stuurboord op
stuurboord dient te geschieden.
6.Een afvarend groot schip moet voorbijvaren aan de zijde die het
opvarende grote schip vrijlaat. Het afvarende grote schip moet daartoe
de tekens en het geluidssein die het opvarende grote schip toont of
geeft herhalen.
7.Een afvarend klein schip moet voorrang verlenen aan het opvarende
grote schip, bij voorkeur door voorbij te varen aan de zijde die het
opvarende grote schip vrijlaat.
8.Een opvarend klein schip moet voorrang verlenen aan een afvarend
groot schip.
9.Indien twee kleine schepen elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het
schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang
verlenen aan het schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater
volgt.
10.Indien twee kleine zeilschepen elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
het schip dat over stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het
schip dat over bakboordsboeg ligt.
11.Indien twee kleine motorschepen elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op
bakboord voorbijvaren.
12.Indien een klein motorschip, een klein zeilschip of een klein
door spierkracht voortbewogen schip elkaar zodanig naderen op
tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
het motorschip voorrang verlenen aan het andere schip en moet het door
spierkracht voortbewogen schip voorrang verlenen aan het zeilschip.
13.Indien twee door spierkracht voortbewogen schepen elkaar zodanig
naderen op tegengestelde koersen, dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater
volgt, elk van beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar
bakboord op bakboord voorbijvaren.
Artikel 6.06
(niet overgenomen).
Artikel 6.07. Voorbijvaren op tegengestelde koersen in een engte
1. In dit artikel wordt onder een engte verstaan een vak van of een
plaats in de vaarweg waar het vaarwater niet voldoende ruimte biedt
voor het elkaar voorbijvaren van twee schepen of twee samenstellen
onderling. Een door het teken A.4 of A.4.1 (bijlage 7) aangeduid vak
van of plaats in de vaarweg en de doorvaartopening van een brug in
geopende stand en een sluis of een stuw die aan beide zijden open
staat en waarvoor twee groene vaste lichten boven elkaar worden
getoond overeenkomstig het teken E.1 (bijlage 7), zijn een engte.
2. Het vijfde, zesde, zevende en achtste lid van dit artikel gelden
niet voor engten waar de doorvaart door middel van tekens wordt
geregeld.
3. Een schip moet een engte zonder onnodig oponthoud doorvaren, met
dien verstande dat voorbijlopen verboden is.
4. Indien het uitzicht niet vrij is, moet een schip, alvorens een
engte binnen te varen, één lange stoot geven. Zo nodig, in het
bijzonder wanneer de engte lang is, moet het dit sein tijdens het
doorvaren herhalen.
5. Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar stroom
loopt een tegen stroom varend schip voorrang verlenen aan een voor
stroom varend schip.
6. Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar geen
stroom loopt een klein schip voorrang verlenen aan een op
tegengestelde koers naderend groot schip.
7. Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar geen
stroom loopt:
a. een groot motorschip dat aan stuurboord een hindernis
tegenkomt of dat bij een bocht de binnenbocht aan stuurboord heeft
voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot
schip;
b. een groot motorschip voorrang verlenen aan een op
tegengestelde koers naderend groot zeilschip dat de engte bezeild
heeft;
c. een groot zeilschip dat de engte niet bezeild heeft voorrang
verlenen aan een op tegengestelde koers naderend groot schip;
d. een groot zeilschip dat over stuurboordsboeg zeilt en de
engte bezeild heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde
koers naderend groot zeilschip dat over bakboordsboeg zeilt en dat
de engte eveneens bezeild heeft.
8. Bij het doorvaren van een engte moet op een vaarweg waar geen
stroom loopt:
a. een klein motorschip dat aan stuurboord een hindernis
tegenkomt of dat bij een bocht de binnenbocht aan stuurboord heeft
voorrang verlenen aan een op tegengestelde koers naderend ander
klein motorschip;
b. een klein door spierkracht voortbewogen schip dat aan
stuurboord een hindernis tegenkomt of dat bij een bocht de
binnenbocht aan stuurboord heeft voorrang verlenen aan een op
tegengestelde koers naderend ander klein door spierkracht
voortbewogen schip;
c. een klein motorschip of een klein door spierkracht
voortbewogen schip voorrang verlenen aan een op tegengestelde
koers naderend klein zeilschip dat de engte heeft bezeild;
d. een klein motorschip voorrang verlenen aan een op
tegengestelde koers naderend klein door spierkracht voortbewogen
schip;
e. een klein zeilschip dat de engte niet bezeild heeft voorrang
verlenen aan een op tegengestelde koers naderend klein schip;
f. een klein zeilschip dat over stuurboordsboeg zeilt en de
engte bezeild heeft voorrang verlenen aan een op tegengestelde
koers naderend klein zeilschip dat over bakboordsboeg zeilt en dat
de engte eveneens bezeild heeft.
Artikel 6.08. Verbod tot voorbijvaren op tegengestelde koersen door
tekens langs de vaarweg
Indien de bevoegde autoriteit in een bepaald vak of op een bepaalde
plaats, teneinde naderen op tegengestelde koersen te voorkomen, de
scheepvaart afwisselend slechts in één richting toelaat, wordt:
a. het verbod de vaart te vervolgen aangeduid door een teken A.1
(bijlage 7);
b. de toestemming de vaart te vervolgen aangeduid door een teken
E.1 (bijlage 7).
Artikel 6.09. Voorbijlopen; algemene bepalingen
1.Een schip mag een ander schip slechts voorbijlopen, nadat het
zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden.
2.Een groot schip dat wordt opgelopen door een groot schip en elk
klein schip dat wordt opgelopen moet het voorbijlopen, voorzover nodig
en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien
dit nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te
doen geschieden, dat de andere scheepvaart daardoor niet wordt
gehinderd.
Artikel 6.10. Voorbijlopen; gedrag der schepen
1.In beginsel moet de oploper aan bakboord van de opgelopene
voorbijlopen. Indien daartoe ruimte is, mag echter de oploper aan
stuurboord van de opgelopene voorbijlopen.
2.Indien een groot zeilschip een ander groot zeilschip oploopt en
indien een klein zeilschip een ander zeilschip oploopt, moet het, zo
mogelijk, aan loef voorbijlopen.
3.Een groot schip dat door een groot zeilschip wordt opgelopen en
een klein schip dat door een zeilschip wordt opgelopen moet, zo
mogelijk, ertoe medewerken, dat dit aan loef kan voorbijlopen.
Artikel 6.11. Verbod tot voorbijlopen door tekens langs de vaarweg
Een schip mag een ander schip niet voorbijlopen:
a. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door
het teken A.2 (bijlage 7);
b. in het geval van samenstellen onderling, in een vak van of op
een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.3 (bijlage 7);
c. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door
het teken A.4 of A. 4.1 (bijlage 7).
Het in de aanhef en onder b en c bedoelde verbod geldt niet, ingeval
een der samenstellen een duwstel is, waarvan de grootste lengte en de
grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen.
Afdeling III. Andere vaarregels
Artikel 6.12. Varen in vakken of op plaatsen waar de te volgen weg
wordt voorgeschreven
In een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door één
der tekens B.1, B.2, B.3 of B.4 (bijlage 7), moet een schip de weg
volgen die door dat teken wordt kenbaar gemaakt.
Artikel 6.13. Keren
1.Een schip mag slechts keren, nadat het zich er van heeft
vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
2.Een groot schip mag bij het keren medewerking verlangen van een
ander schip.
3.Een klein schip moet bij het keren voorrang verlenen aan een
groot schip.
4.Een klein schip mag bij het keren medewerking verlangen van een
ander klein schip.
5.Dit artikel is niet van toepassing op en ten aanzien van een
veerpont.
6.In een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het
teken A.8 (bijlage 7), mag een schip niet keren.
7.Aanduiding van een vak van of een plaats in de vaarweg door het
teken E.8 (bijlage 7) vormt een inlichting, dat schepen aldaar kunnen
keren.
Artikel 6.14. Vertrek
1.Een schip mag slechts vertrekken, nadat het zich er van heeft
vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden.
2.Een groot schip mag bij het vertrekken medewerking verlangen van
een ander schip.
3.Een klein schip moet bij het vertrekken voorrang verlenen aan een
groot schip.
4.Een klein schip mag bij het vertrekken medewerking verlangen van
een ander klein schip.
5.Dit artikel is niet van toepassing op en ten aanzien van een
veerpont.
Artikel 6.15. Verbod zich in de tussenruimten tussen de lengten van
een sleep te begeven
Een schip mag zich niet in de tussenruimten tussen de lengten van een
sleep begeven.
Artikel 6.16. Uitvaren en invaren van havens en nevenvaarwateren en
het daarbij invaren of oversteken van een hoofdvaarwater
1.Een schip mag slechts een haven of een nevenvaarwater uitvaren en
daarbij een hoofdvaarwater invaren of oversteken dan wel een haven of
een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van heeft vergewist dat
dit zonder gevaar kan geschieden.
2.Een groot schip mag bij het uitvaren van een haven of een
nevenvaarwater en het daarbij invaren of oversteken van een
hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een haven of een
nevenvaarwater medewerking verlangen van een ander schip.
3.Een klein schip moet bij het uitvaren van een haven of een
nevenvaarwater en het daarbij invaren of oversteken van een
hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een haven of een
nevenvaarwater voorrang verlenen aan een groot schip.
4.Een klein schip mag bij het uitvaren van een haven of een
nevenvaarwater en het daarbij invaren of oversteken van een
hoofdvaarwater dan wel bij het invaren van een haven of een
nevenvaarwater medewerking verlangen van een klein schip.
5.In afwijking van het tweede, derde en vierde lid moet een schip
dat een lateraal gemarkeerd hoofdvaarwater binnenvaart, anders dan
vanuit een daarop uitmondend lateraal gemarkeerd nevenvaarwater,
voorrang verlenen aan een schip dat in dat hoofdvaarwater langs de
laterale markering de stuurboordszijde volgt.
6.Een groot schip dat tegen stroom varend een haven of
nevenvaarwater wil invaren moet voorrang verlenen aan een groot schip
dat voor stroom varend zonder op te draaien diezelfde haven of
datzelfde nevenvaarwater in wil varen.
7.Een klein schip dat tegen stroom varend een haven of
nevenvaarwater wil invaren moet voorrang verlenen aan een schip dat
voor stroom varend zonder op te draaien diezelfde haven of datzelfde
nevenvaarwater in wil varen.
8.In afwijking van het eerste tot en met zevende lid moet, ingeval
langs een haven of een nevenvaarwater voor de uitmonding daarvan in
het hoofdvaarwater een teken B.9 (bijlage 7) wordt getoond, een schip
dat uit deze haven of dit nevenvaarwater komt voorrang verlenen aan
een schip op het hoofdvaarwater.
9.
a. Een schip op een hoofdvaarwater mag een haven of een
nevenvaarwater niet invaren, indien langs dit hoofdvaarwater voor
de uitmonding van die haven of dat nevenvaarwater een of twee rode
lichten overeenkomstig het teken A.1 (bijlage 7) in combinatie met
een bijkomend teken F.2 onder b (bijlage 7) worden getoond.
b. Een schip mag een haven of een nevenvaarwater niet uitvaren,
indien langs deze haven of dit nevenvaarwater voor de uitmonding
daarvan in het hoofdvaarwater de onder a genoemde tekens worden
getoond.
10.
a. Een schip op een hoofdvaarwater mag een haven of een
nevenvaarwater invaren, indien langs dit hoofdvaarwater voor de
uitmonding van die haven of dat nevenvaarwater een of twee groene
lichten overeenkomstig het teken E.1 (bijlage 7) in combinatie met
een bijkomend teken F.2 onder b (bijlage 7) worden getoond.
b. Een schip mag een haven of een nevenvaarwater uitvaren,
indien langs deze haven of dit nevenvaarwater voor de uitmonding
daarvan in het hoofdvaarwater de onder a genoemde tekens worden
getoond.
11.Dit artikel is niet van toepassing op en ten aanzien van een
veerpont.
Artikel 6.17. Koers kruisen
1.Dit artikel is niet van toepassing op:
a. kruisende koersen die ontstaan ingeval van keren, vertrekken
of bij een samenkomst van een hoofdvaarwater en een
nevenvaarwater; en
b. kruisende koersen die ontstaan tussen een veerpont en een
ander schip.
2.Indien de koersen van twee schepen elkaar zodanig kruisen, dat
gevaar voor aanvaring bestaat, moet het schip dat niet de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang verlenen aan het
schip dat de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.
3.Indien de koersen van een groot schip en een klein schip elkaar
zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen
der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het kleine
schip voorrang verlenen aan het grote schip.
4.Indien de koersen van twee grote motorschepen of een groot
motorschip en een groot zeilschip elkaar zodanig kruisen, dat gevaar
voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van bakboord
nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord nadert.
5.Indien de koersen van twee grote zeilschepen:
a. die over verschillende boeg zeilen, elkaar zodanig kruisen,
dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen
de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat over
stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het schip dat over
bakboordsboeg ligt;
b. die over dezelfde boeg zeilen, elkaar zodanig kruisen, dat
gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het loefwaartse schip
voorrang verlenen aan het lijwaartse schip;
c. elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het lijwaartse schip dat over stuurboordsboeg
zeilt en niet met zekerheid kan bepalen of het loefwaartse schip
over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg zeilt, voorrang
verlenen aan het loefwaartse schip.
6.Indien de koersen van twee kleine zeilschepen:
a. die over verschillende boeg zeilen, elkaar zodanig kruisen,
dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen
de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat over
stuurboordsboeg ligt voorrang verlenen aan het schip dat over
bakboordsboeg ligt;
b. die over dezelfde boeg zeilen, elkaar zodanig kruisen, dat
gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der schepen de
stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het loefwaartse schip
voorrang verlenen aan het lijwaartse schip;
c. elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet, ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het
vaarwater volgt, het lijwaartse schip dat over stuurboordsboeg
zeilt en niet met zekerheid kan bepalen of het loefwaartse schip
over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg zeilt, voorrang
verlenen aan het loefwaartse schip.
7.Indien de koersen van twee kleine motorschepen elkaar zodanig
kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der
schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het schip dat van
bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat van stuurboord
nadert.
8.Indien de koersen van twee door spierkracht voortbewogen schepen
elkaar zodanig kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet,
ingeval geen der schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt,
het schip dat van bakboord nadert voorrang verlenen aan het schip dat
van stuurboord nadert.
9.Indien de koersen van een klein motorschip, een klein zeilschip
of een klein door spierkracht voortbewogen schip elkaar zodanig
kruisen, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, ingeval geen der
schepen de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, het motorschip
voorrang verlenen aan het andere schip en moet het door spierkracht
voortbewogen schip voorrang verlenen aan het zeilschip.
Artikel 6.18. Diverse vaarregels
1.Een schip mag slechts met een ander schip op gelijke hoogte
varen, indien de beschikbare ruimte dit zonder hinder of gevaar voor
de scheepvaart toelaat.
2.Behalve bij voorbijlopen en bij voorbijvaren op tegengestelde
koersen, mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 m van een
schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens, bedoeld
in artikel 3.14, tweede en derde lid, voert.
3.Een schip moet een mijnenopruimingsschip dat de tekens voert,
bedoeld in artikel 3.35, zo mogelijk niet dichter naderen dan op een
afstand van 1000 m.
4.Een schip mag niet langszij komen van een varend schip of een
varend drijvend voorwerp, daaraan vastmaken of zich in het kielzog
daarvan laten meevoeren zonder uitdrukkelijke toestemming van de
schipper daarvan. Dit geldt niet voor een schip van ambtenaren belast
met toezicht of opsporing.
5.Een schip mag niet een anker, een kabel of een ketting laten
slepen. Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich verplaatst op
een ligplaats of dat een manoeuvre uitvoert, tenzij dit geschiedt op
een afstand van minder dan 100 m van een brug, een sluis, een stuw,
een veerpont of een drijvend werktuig in bedrijf dan wel in een vak
van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid overeenkomstig artikel
7.03, eerste lid, onder b, door het teken A.6 (bijlage 7).
6.Een schip mag zich niet met de stroom laten meedrijven, zonder
dat het van een middel tot voortbeweging gebruikt maakt.
Artikel 6.19. Gedrag van schepen die het «blijf weg» sein horen
1.Een schip dat het inartikel 4.04 bedoelde sein hoort moet alle
maatregelen nemen die dienstig zijn om gevaar te vermijden. In het
bijzonder moet het:
a. indien het een koers in de richting van het gevaarsgebied
voorligt, zich zover mogelijk hiervan verwijderd houden en zo
nodig keren;
b. indien het het gevaarsgebied reeds is gepasseerd, zijn weg
met een zo groot mogelijke snelheid vervolgen.
2.De schipper van een schip als bedoeld in het eerste lid moet
onmiddellijk zorg dragen, dat aan boord alle ramen en andere openingen
die in verbinding staan met de buitenlucht worden gesloten, dat een
onbeschermd licht en open vuur worden gedoofd, dat niet meer wordt
gerookt, dat hulpmotoren die niet noodzakelijkerwijs in bedrijf zijn
worden afgezet en dat in zijn algemeenheid het veroorzaken van vonken
wordt vermeden. Ingeval het schip ligplaats gaat nemen, moet de
schipper zorg dragen, dat de motoren en de hulpmotoren die nog in
werking zijn worden afgezet.
3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een schip,
dat in de nabijheid van het gevaarsgebied stilligt en dat het sein
hoort. Zo nodig moet de schipper zorg dragen, dat het schip wordt
verlaten.
4.Bij de toepassing van dit artikel dient rekening te worden
gehouden met de stroom en de windrichting.
5.Dit artikel is eveneens van toepassing, indien het sein niet door
een schip maar vanaf de wal wordt gegeven.
6.De schipper die het sein hoort moet, voorzover mogelijk,
onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit inlichten.
Artikel 6.20. Hinderlijke waterbeweging
1.Een schip moet zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke
waterbeweging waardoor schade aan een varend of een stilliggend schip
of drijvend voorwerp of aan een werk zou kunnen worden veroorzaakt
wordt vermeden. Het moet daartoe tijdig zijn snelheid verminderen,
echter niet beneden de snelheid die nodig is voor veilig sturen:
a. voor een havenmond;
b. in de nabijheid van een schip dat gemeerd is aan de oever of
aan een ontschepingsplaats dan wel dat wordt geladen of gelost;
c. in de nabijheid van een schip dat op een gebruikelijke
ligplaats stilligt;
d. in de nabijheid van een veerpont die dienst doet;
e. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid
door het teken A.9 (bijlage 7).
2.Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip, een drijvend
voorwerp of een drijvende inrichting, voerende de tekens bedoeld in
artikel 3.29 of artikel 3.38, tijdig zijn snelheid verminderen, zoals
bij de tweede volzin van het eerste lid wordt bepaald. Het moet voorts
zover mogelijk daarvan verwijderd blijven.
3.Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip als bedoeld in
artikel 3.25 aan de zijde waar de tekens van het eerste lid onder c
van dit artikel worden gevoerd tijdig zijn snelheid verminderen, zoals
bij de tweede volzin van het eerste lid wordt bepaald. Het moet voorts
zover mogelijk daarvan verwijderd blijven.
Artikel 6.21. Manoeuvreerbaarheid van schepen en van samenstellen
1. Een motorschip dat zorgt voor de voortbeweging van een samenstel
moet een vermogen hebben dat voldoende is om de goede
manoeuvreerbaarheid daarvan te verzekeren.
2. Een motorschip, een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan
de lengte meer dan 110 m bedraagt alsmede een motorschip, een duwstel
en een gekoppeld samenstel die op een vaarweg waar stroom loopt vóór
stroom varend niet kunnen keren, moeten tijdig zonder te keren kunnen
stilhouden en zij moeten tijdens en na het stilhouden volledig
manoeuvreerbaar blijven.
Artikel 6.21a. Bepalingen voor het varen van duwstellen en van
gekoppelde samenstellen, zomede van alleenvarende motorschepen met een
lengte van meer dan 110 m
1. Indien de bevoegde autoriteit dit voorschrijft, moeten een
duwstel en een gekoppeld samenstel voor de bestuurbaarheid worden
geassisteerd. Overigens mag een duwstel slechts worden geassisteerd
indien de scheepvaart daarvan geen hinder ondervindt.
2. Een duwstel en een gekoppeld samenstel mogen geen sleepdienst
verrichten.
3. Een duwstel mag geen andere schepen dan duwbakken bevatten,
tenzij deze langszijde zijn vastgemaakt van het samenstel, gevormd
door de duwboot en één of twee duwbakken daarvóór.
4. Een duwstel mag niet varen, indien aan de kop uitsluitend een
zeeschipbak is geplaatst die niet is voorzien van een kopbak. De
bevoegde autoriteit kan van dit verbod ontheffing verlenen.
5. Indien de lengte van een alleenvarend motorschip, van een
duwstel of van een gekoppeld samenstel meer dan 110 m bedraagt, moet
dit motorschip zijn voorzien van een spreekverbinding tussen de
stuurhut en de kop van het schip, dit duwstel van een spreekverbinding
tussen de duwboot en de kop van het duwstel en dit gekoppeld samenstel
van een spreekverbinding tussen de stuurhut van het motorschip of
één der motorschepen die dienen voor het voortbewegen en de kop van
het samenstel.
Artikel 6.21b. Verplaatsen van een duwbak buiten het verband van een
duwstel
Een schip mag slechts een duwbak buiten het verband van een duwstel
verplaatsen, indien dit veilig kan geschieden.
Artikel 6.21c. Doen van mededelingen tussen de schepen in een sleep
1.Bij een sleep bestaande uit grote schepen moet een
telefoonverbinding bestaan tussen de stuurstellingen van alle schepen.
2.Als telefoonverbinding mag de marifoon slechts worden gebruikt op
de kanalen bestemd voor het verkeer aan boord van schepen.
Artikel 6.22. Stremming en beperking van de scheepvaart
1.Een schip moet stilhouden vóór een teken A.1 (bijlage 7)
aanduidende dat de scheepvaart is gestremd.
2.Een schip mag niet varen op een vaarweg of op een gedeelte
daarvan, aangeduid door een teken A.1a (bijlage 7). Deze bepaling is
niet van toepassing op een klein schip zonder motor.
3.Een schip mag niet varen langs een schip, zoals bedoeld in
artikel 3.25, aan de zijde waar dat des nachts het rode licht en des
daags de rode bol of het rode bord voert of langs een schip, zoals
bedoeld in artikel 3.34, aan de zijde waar dat des nachts de twee rode
lichten en des daags de twee zwarte bollen voert.
Afdeling IV. Veerponten
Artikel 6.23. Vaarregels voor veerponten
1.Een veerpont mag slechts vertrekken, keren of het vaarwater
oversteken, nadat hij zich er van heeft vergewist dat dit zonder
gevaar kan geschieden.
2.Een veerpont mag bij vertrek, keren of oversteken van het
vaarwater medewerking verlangen van een groot schip.
3.Een klein schip moet voorrang verlenen aan een vertrekkende,
kerende of overstekende veerpont.
Afdeling V. Doorvaren van bruggen, stuwen en sluizen
Artikel 6.24. Doorvaren van bruggen en stuwen; algemene bepalingen
1. De doorvaartopening van een brug, van een stuw of van een aan
beide zijden openstaande sluis waar het vaarwater niet voldoende
ruimte biedt voor het elkaar voorbijvaren van twee schepen is een
engte, zoals bedoeld in artikel 6.07.
2. Indien bij de doorvaartopening van een brug of van een stuw
wordt getoond:
a. het teken A.10 (bijlage 7), mag een schip in deze
doorvaartopening niet varen buiten de begrenzing, aangeduid door
de twee borden die dit teken vormen;
b. het teken D.2 (bijlage 7), wordt aanbevolen in deze
doorvaartopening uitsluitend te varen binnen de begrenzing,
aangeduid door de twee borden die dit teken vormen.
Artikel 6.25. Doorvaren van vaste bruggen
1. Een schip mag niet varen door de doorvaartopening van een vaste
brug waarboven een teken A.1 (bijlage 7) wordt getoond.
2. Indien boven een doorvaartopening van een vaste brug wordt
getoond:
- het teken D.1a (bijlage 7) of
- het teken D.1b (bijlage 7),
wordt aanbevolen bij voorkeur van deze doorvaartopening gebruik te
maken; ingeval van het teken D.1a is de doorvaartopening vrij voor de
doorvaart uit beide richtingen, ingeval van het teken D.1b is de
doorvaart uit tegenovergestelde richting verboden.
3. In dit artikel wordt onder een vaste brug mede verstaan het
vaste gedeelte van een brug.
Artikel 6.26. Doorvaren van beweegbare bruggen
1.De bevoegde autoriteit kan, teneinde de veiligheid of de goede
orde van de scheepvaart dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de
doorvaartopening van een beweegbare brug te verzekeren, wanneer een
schip de brug nadert of de doorvaartopening daarvan doorvaart, aan de
schipper een verkeersaanwijzing geven.
De schipper is verplicht aan deze aanwijzing gevolg te geven.
2.Een schip mag niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit
ligplaats nemen op een wachtplaats van een beweegbare brug anders dan
om te wachten op een brugopening.
3.Bij het naderen, op een wachtplaats en bij het doorvaren van een
beweegbare brug:
a. moet een schip dat met een marifooninstallatie is uitgerust
uitluisteren op het kanaal van de brug;
b. moet een schip snelheid verminderen. Het moet, ingeval het
de doorvaartopening niet mag of wil doorvaren, voor het teken B.5
(bijlage 7) stilhouden;
c. mag een schip een ander schip niet voorbijlopen tenzij
daartoe een verkeersaanwijzing is gegeven door de bevoegde
autoriteit;
d. moet een schip voorrang verlenen aan een schip dat recht van
voorrang heeft en de rode wimpel voert, bedoeld in artikel 3.17,
opdat dit schip zonder oponthoud de brug kan doorvaren;
e. mag een schip zonder toestemming van de bevoegde autoriteit
geen brandstof innemen.
4.Voor het doorvaren van de doorvaartopening van een beweegbare
brug kunnen tekens worden getoond aan weerszijden van de
doorvaartopening op gelijke hoogte dan wel aan de stuurboordszijde
daarvan.
Deze tekens betekenen:
a. twee rode vaste lichten boven elkaar (teken A.1; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, de brug wordt niet bediend;
b. één rood vast licht (teken A.1; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, de brug wordt bediend;
c. een rood vast licht en daaronder een groen vast licht (teken
A.11; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden
toegestaan;
d. één groen vast licht (teken E.1; bijlage 7):
het doorvaren is toegestaan;
e. twee groene vaste lichten boven elkaar (teken E.1; bijlage
7):
het doorvaren is toegestaan, de brug bevindt zich in geopende
stand en wordt niet bediend;
f. een rood vast licht en daaronder een groen flikkerlicht
(teken A.11.1; bijlage 7):
het doorvaren is verboden, tenzij het schip de doorvaartopening zo
dicht is genaderd, dat stilhouden redelijkerwijs niet meer mogelijk
is.
5.Het doorvaren van een beweegbare brug in gesloten stand is
evenwel toegestaan, indien, behalve de in het vierde lid onder a en b
bedoelde lichten, boven de doorvaartopening het teken D.1a of het
teken D.1b (bijlage 7) wordt getoond; ingeval van het teken D.1a is de
doorvaartopening vrij voor de doorvaart uit beide richtingen, ingeval
van het teken D.1b is de doorvaart uit tegenovergestelde richting
verboden.
6.De in het vierde lid onder a, b, d en e bedoelde rode en groene
lichten kunnen worden vervangen onderscheidenlijk door het bord van
teken A.1 en het bord van teken E.1 (bijlage 7).
7.Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een beweegbare
brug kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door
één korte stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag
dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen
gegeven het te hebben gehoord.
8.In dit artikel wordt onder een beweegbare brug mede verstaan het
beweegbare gedeelte van een brug.
Artikel 6.27. Doorvaren van stuwen
1. Een schip mag niet varen door de opening van een stuw, waarbij
een teken A.1 (bijlage 7) wordt getoond.
2. Een schip mag slechts door de opening van een stuw varen,
waarbij aan weerszijden een teken E.1 (bijlage 7) wordt getoond.
3. In afwijking van het tweede lid mag bij een stuw met daarboven
een brug een schip eveneens door de opening van de stuw varen, indien
boven de doorvaartopening van de brug het teken D.1a of het teken D.1b
(bijlage 7) wordt getoond; ingeval van het teken D.1a is de
doorvaartopening vrij voor de doorvaart uit beide richtingen, ingeval
van het teken D.1b is de doorvaart uit tegenovergestelde richting
verboden.
Artikel 6.28. Doorvaren van sluizen
1. Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis moet een schip
snelheid verminderen. Het moet, ingeval het de sluis niet onmiddellijk
mag of wil invaren, vóór het teken B.5 (bijlage 7) stilhouden.
2. Een schip mag niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit
ligplaats nemen op een wachtplaats van een sluis anders dan om te
worden geschut.
3. Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip,
dat met een marifooninstallatie is uitgerust uitluisteren op het
kanaal van de sluis.
4. Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een sluis kenbaar
maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één korte
stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag dit sein niet
herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te
hebben gehoord.
5. De schepen moeten de sluis in volgorde van aankomst op de
wachtplaats invaren. Een klein schip dat tezamen met grote schepen
wordt geschut mag de sluis echter eerst invaren na deze grote schepen.
6. Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis en op een
wachtplaats mag een schip een ander schip niet voorbijlopen.
7. In een sluis moet een schip zijn ankers geheel voorhalen.
Dezelfde verplichting geldt op een wachtplaats, voorzover de ankers
niet worden gebruikt.
8. Bij het invaren en uitvaren van een sluis en bij het bevaren van
de wachtplaats moet een schip de waterbeweging zoveel beperken als
nodig is om beschadiging van de sluisdeuren of de
beschermingsinrichtingen dan wel van andere schepen, drijvende
voorwerpen of drijvende inrichtingen te vermijden.
9. In een sluis
a. moeten een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende
inrichting ligplaats nemen binnen de door stopstrepen of op andere
wijze aangegeven grenzen;
b. moet tijdens het vullen en het ledigen van de sluiskolk en
totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan een schip
zodanig zijn gemeerd en moet het zijn meerdraden zodanig vieren of
doorhalen, dat het niet de sluismuren, de sluisdeuren of de
beschermingsinrichtingen dan wel andere schepen of drijvende
voorwerpen kan beschadigen;
c. mag een schip slechts voorwerpen die niet kunnen zinken als
wrijfhout gebruiken;
d. mag een schip geen water op het sluisterrein dan wel op
andere schepen storten of laten vloeien;
e. mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het aan de
beurt is om uit te varen, geen gebruik maken van zijn mechanische
middelen tot voortbeweging;
f. moet een klein schip zo mogelijk ligplaats nemen op enige
afstand van een groot schip.
10. Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis mag een schip
zonder toestemming van de bevoegde autoriteit geen brandstof innemen.
11. Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip
een zijwaartse afstand van tenminste 10 m in acht nemen ten opzichte
van een schip of een samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14,
eerste lid, voert. Deze verplichting geldt evenwel niet voor een schip
of een samenstel dat eveneens dit teken voert, alsmede voor een schip
bedoeld in artikel 3.14, zevende lid.
12. Een schip of een samenstel, dat de tekens bedoeld in artikel
3.14, tweede of derde lid, voert, mag een sluis niet invaren indien
het niet afzonderlijk zou worden geschut. Een ander schip mag een
sluis niet invaren indien het tesamen met een schip of een samenstel,
dat deze tekens voert, zou worden geschut.
13. In afwijking van het twaalfde lid, kunnen drogeladingschepen
ingevolge het ADN die uitsluitend containers, IBC’s, grote
verpakkingen, gascontainers met meerdere elementen (MEGC),
transporttanks en tankcontainers volgens ADN nr. 7.1.1.18 vervoeren en
die de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, voeren,
gelijktijdig met elkaar of met de in artikel 3.14, eerste, of zevende
lid, bedoelde schepen worden geschut.
De afstand tussen boeg en hek en de zijwaartse afstand van de
gelijktijdig geschutte schepen bedraagt ten minste 10 m.
14. Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel
3.14, eerste lid, voert, mag een sluis niet invaren indien het tesamen
met een passagiersschip zou worden geschut. Een passagiersschip mag
een sluis niet invaren indien het tesamen met een schip of een
samenstel, dat dit teken voert, zou worden geschut.
15. De bevoegde autoriteit kan, teneinde de veiligheid of de goede
orde van de scheepvaart, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de
sluis en het doelmatig gebruik daarvan, te verzekeren, wanneer een
schip zich in een sluis of op een wachtplaats daarvan bevindt, aan de
schipper een verkeersaanwijzing geven. Daarbij kan dit artikel worden
aangevuld, dan wel daarvan worden afgeweken.
De schipper is verplicht aan deze verkeersaanwijzing gevolg te
geven.
Artikel 6.28a. In- en uitvaren van sluizen
1.Voor het invaren van een sluis kunnen tekens worden getoond aan
weerszijden van de invaartopening op gelijke hoogte dan wel aan de
stuurboordszijde daarvan.
Deze tekens betekenen:
a. twee rode vaste lichten boven elkaar (teken A.1; bijlage 7):
het invaren is verboden, de sluis wordt niet bediend;
b. één rood vast licht (teken A.1; bijlage 7):
het invaren is verboden, de sluis wordt bediend;
c. een rood vast licht en daaronder een groen vast licht (teken
A.11; bijlage 7):
het invaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden
toegestaan;
d. één groen vast licht (teken E.1; bijlage 7):
het invaren is toegestaan;
e. twee groene vaste lichten boven elkaar (teken E.1; bijlage
7):
het invaren is toegestaan, de sluis is aan beide zijden open en
wordt niet bediend.
2.Voor het uitvaren van een sluis kunnen tekens worden getoond aan
weerszijden van de uitvaartopening op gelijke hoogte dan wel aan de
stuurboordszijde daarvan.
Deze tekens betekenen:
a. één rood vast licht (teken A.1; bijlage 7):
het uitvaren is verboden;
b. één groen vast licht (teken E.1; bijlage 7):
het uitvaren is toegestaan.
3.De in het eerste lid, onder a, b, d en e, en in het tweede lid
bedoelde rode en groene lichten kunnen worden vervangen
onderscheidenlijk door het bord van teken A.1 en het bord van teken
E.1 (bijlage 7).
Artikel 6.28b. Recht op voorschutting
1.In afwijking van artikel 6.28, vijfde lid, hebben recht op
voorschutting:
a. schepen van ambtenaren belast met toezicht of opsporing en
brandweerboten die in verband met spoedeisende redenen van
dienstvervulling onderweg zijn;
b. schepen waaraan de bevoegde autoriteit dit recht heeft
verleend.
2.Een schip moet voorrang verlenen aan een schip dat recht op
voorschutting heeft en de rode wimpel voert, bedoeld in artikel 3.17,
opdat dit schip zonder oponthoud de sluis kan invaren.
Afdeling VI. Slecht zicht
Artikel 6.29. Algemene bepalingen voor het varen bij slecht zicht
1. Deze afdeling is alleen van toepassing bij slecht zicht.
2. Een schip vaart op radar, indien het gebruik maakt van radar
voor het varen bij slecht zicht.
3. Op de in bijlage 9 vermelde vaarwegen moet een schip bij slecht
zicht op radar varen. Op deze vaarwegen moet een schip dat niet op
radar kan varen op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan
stilliggen.
4. Het derde lid is niet van toepassing op een schip dat bestemd is
om bedrijfsmatig diensten te verrichten ten behoeve van een zeegaand
schip en waarop in samenhang met die te verrichten diensten de
plaatsing van een radar technisch gezien niet mogelijk is. De bevoegde
autoriteit kan hieromtrent beleidsregels vaststellen.
Artikel 6.29a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 6.30. Alle varende schepen
1.Een varend schip moet een snelheid aanhouden die is aangepast aan
de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de
bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden.
2.Een varend schip moet zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde
van het vaarwater varen. De artikelen 6.04a en 6.05 zijn niet van
toepassing.
3.Een schip moet op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats
gaan stilliggen, wanneer in verband met de mate van beperking van het
zicht, met de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen of met
de plaatselijke omstandigheden de vaart niet zonder gevaar kan worden
voortgezet.
4.Een schip moet bij het gaan stilliggen het vaarwater zo veel
mogelijk vrijmaken.
Artikel 6.31. Stilliggende schepen
1.Een schip dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een
gevaarlijke plaats stilligt moet, wanneer het per marifoon verneemt
dat andere schepen naderen of wanneer en zolang het het geluidssein
van een naderend schip hoort, per marifoon zijn positie opgeven of als
geluidssein één reeks klokslagen geven. Het geluidssein moet worden
herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
Deze bepaling is niet van toepassing op een schip dat stil ligt in
een haven of op een in het bijzonder daartoe door de bevoegde
autoriteit bestemde ligplaats.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op andere schepen van een
duwstel dan de duwboot. Bij een gekoppeld samenstel is het van
toepassing op het schip dat zorgt voor de voortbeweging van het
samenstel; bij een gekoppeld samenstel van twee motorschepen op het
motorschip aan stuurboord.
3.Een zeegaand schip dat stilligt als bedoeld in het eerste lid mag
als geluidssein eveneens geven: één korte stoot gevolgd door één
lange stoot en één korte stoot.
Dit sein mag worden herhaald.
4.Dit artikel is mede van toepassing op een schip dat in het
vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats is
vastgevaren.
Artikel 6.32. Op radar varende schepen
1. Een schip mag slechts op radar varen, indien zowel een persoon
die houder is van een radarpatent als bedoeld in het Reglement
betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn en die tevens houder
is van het vereiste vaarbevoegdheidsbewijs als een tweede persoon die
met het varen op radar voldoende op de hoogte is zich voortdurend in
de stuurhut bevindt.
Voor een schip dat is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor
het varen op radar en dat voldoet aan de daaromtrent vastgestelde
voorschriften behoeft de tweede persoon slechts aan boord beschikbaar
te zijn.
Voor een niet-vrijvarende veerpont kan de bevoegde autoriteit van
de verplichting van dit lid ontheffing verlenen.
2. Voor een op radar varend schip blijft artikel 1.09, derde lid,
omtrent het hebben naar alle zijden van een voldoende vrij direct of
indirect uitzicht buiten toepassing.
3. Een op radar varend schip moet, zodra het op het scherm een
schip waarneemt waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke
situatie zou kunnen leiden of wanneer het een vak van de vaarweg
nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het
scherm te zien zijn, aan de andere schepen op het schip--schip kanaal
dan wel op het andere aangewezen kanaal opgeven: zijn naam, zijn
positie, zijn vaarrichting en of het een groot schip, een klein schip,
een snel schip, of een bovenmaats schip is.
Het moet vervolgens met die schepen het voorbijvaren afspreken. Een
klein schip of een snel schip moet daarbij opgeven naar welke zijde
het uitwijkt.
4. Een op radar varend schip dat per marifoon wordt opgeroepen moet
op het schip--schip kanaal dan wel op het andere aangewezen kanaal
antwoorden en opgeven: zijn naam, zijn positie, zijn vaarrichting en
of het een groot schip, een klein schip, een snel schip, of een
bovenmaats schip is. Het moet vervolgens met de andere schepen het
voorbijvaren afspreken. Een klein schip of een snel schip moet daarbij
opgeven naar welke zijde het uitwijkt.
5. Wanneer met de andere schepen geen marifooncontact tot stand
komt, moet het op radar varende schip:
a. één lange stoot geven, met dien verstande dat een veerpont
een lange stoot gevolgd door vier korte stoten moet geven, en dit
sein zo dikwijls als nodig is herhalen; en
b. de snelheid verminderen en zo nodig stilhouden.
6. Dit artikel geldt ingeval van een duwstel en een gekoppeld
samenstel alleen voor het schip aan boord waarvan zich de schipper van
het samenstel bevindt.
Artikel 6.33. Niet op radar varende schepen
1.Voor een schip en een samenstel die niet op radar varen geldt:
a. Een alleenvarend schip en een schip aan boord waarvan zich
de schipper van een samenstel bevindt moeten als mistsein één
lange stoot geven. Dit sein moet worden herhaald met tussenpozen
van ten hoogste één minuut.
b. Het schip moet voorop een uitkijk hebben, die zich of binnen
gezichts- of gehoorsafstand van de schipper bevindt of een
spreekverbinding met hem heeft. Bij een samenstel behoeft alleen
het voorste schip een uitkijk te hebben. Dit is niet van
toepassing op een klein schip of een veerpont.
c. Wanneer het schip via marifoon door een ander schip wordt
aangeroepen, moet het per marifoon antwoorden en opgeven: zijn
naam, zijn positie, zijn vaarrichting en of het een groot schip,
een klein schip, een snel schip of een bovenmaats schip is. Het
moet daarna met het andere schip het voorbijvaren afspreken.
d. Wanneer het schip andere schepen bemerkt waarmee geen
marifooncontact tot stand komt moet het:
1°. indien het zich in de nabijheid van een oever bevindt,
deze oever aanhouden en, zo nodig, vaart minderen dan wel gaan
stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgevonden;
2°. indien het zich niet in de nabijheid van een oever
bevindt, het vaarwater zo veel mogelijk en zo snel mogelijk
vrijmaken.
2.Een varend klein schip dat op een andere vaarweg dan de op de in
bijlage 9vermelde vaarwegen vaart en dat is uitgerust met een
marifooninstallatie voor de kanalen voor het schip--schipverkeer en de
nautische informatie moet uitluisteren op het daartoe aangewezen
kanaal en aan andere schepen de nodige inlichtingen ter verzekering
van de veiligheid van de scheepvaart geven.
3.Een niet op radar varend klein schip is niet verplicht het in het
eerste lid bedoelde mistsein te geven, doch het mag dit sein geven.
Het sein mag worden herhaald.
4.Een niet op radar varende veerpont moet als mistsein één lange
stoot gevolgd door vier korte stoten geven. Het sein moet worden
herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats nemen
Artikel 7.01. Algemene beginselen voor het ligplaats nemen
1.Onverminderd de andere bepalingen van dit reglement moeten een
schip en een drijvend voorwerp zodanig ligplaats nemen, dat de
scheepvaart niet wordt belemmerd.
2.Afgezien van andere regelingen moet een drijvende inrichting een
zodanige ligplaats innemen, dat het vaarwater vrijblijft voor de
scheepvaart.
3.Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen,
zomede een drijvende inrichting, moeten zodanig zijn verankerd of
gemeerd, dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of
hinder voor andere schepen kunnen vormen, dan wel dat daardoor geen
schade aan oevers, waterkeringen of werken gelegen in scheepvaartwegen
kan ontstaan. Hierbij moet met name rekening worden gehouden met wind,
stroom en verandering van de waterstand, alsmede met zuiging en
golfslag.
4.Een stilliggend schip mag zonder toestemming van de bevoegde
autoriteit niet onnodig waterbeweging veroorzaken, indien daardoor
gevaar of schade voor een ander schip, drijvend voorwerp of drijvende
inrichting, dan wel schade aan oevers, waterkeringen of werken gelegen
in scheepvaartwegen kan ontstaan.
5.Een niet-vrijvarende veerpont moet, indien hij buiten dienst is,
ligplaats nemen op de door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats
dan wel, zo deze niet is aangewezen, zodanig, dat het vaarwater vrij
blijft, en mag zich niet langer in het vaarwater bevinden dan voor de
uitoefening van de dienst nodig is.
Artikel 7.02. Ligplaats nemen (ankeren en meren)
1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting
mogen geen ligplaats nemen:
a. op een gedeelte van de vaarweg, waar bij algemene regeling
dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een
verkeersteken ligplaats nemen is verboden;
b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangewezen
door de bevoegde autoriteit;
c. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid
door het teken A.5 (bijlage 7), waarbij het verbod van toepassing
is aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht;
d. onder een brug of onder een hoogspanningslijn;
e. in een engte in de zin van artikel 6.07 en in de nabijheid
daarvan, zomede in een vak van of op een plaats in de vaarweg waar
als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de
nabijheid daarvan;
f. waar in een vaarweg een andere vaarweg, daaronder begrepen
een haven, uitmondt;
g. in het traject van een veerpont;
h. in de route van schepen die aan een aanlegplaats willen
aanleggen of vandaar vertrekken;
i. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, waar schepen
kunnen keren, aangeduid door het teken E.8 (bijlage 7);
j. evenwijdig aan een schip dat het bord bedoeld in artikel
3.33 voert, binnen de afstand die op de witte driehoek van dit
bord in meters is aangegeven;
k. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid
door het teken A.5.1. (bijlage 7), binnen de afstand, te rekenen
vanaf het teken, die daarop in meters is aangegeven.
2. Op een gedeelte van de vaarweg, waar ligplaats nemen is verboden
mag een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting
evenwel ligplaats nemen op een bijzondere ligplaats aangeduid door
één der tekens E.5 tot en met E.7 (bijlage 7), met inachtneming van
de artikelen 7.03 tot en met 7.06.
3. De schipper van een schip, een drijvend voorwerp en een
drijvende inrichting, die noodgedwongen ligplaats hebben genomen op
een gedeelte van de vaarweg waar ligplaats nemen is verboden, moet
daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde
autoriteit.
Artikel 7.03. Ankeren
1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting
mogen niet ankeren:
a. op een gedeelte van de vaarweg, waar bij algemene regeling
dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een
verkeersteken ankeren is verboden;
b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangeduid door
het teken A.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het
teken is aangebracht.
2. Op een gedeelte van de vaarweg, waar ankeren is verboden, mag
een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting evenwel
ankeren in een vak of op een plaats, aangeduid door het teken E.6
(bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is
aangebracht.
Artikel 7.04. Meren
1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting
mogen niet meren:
a. op een gedeelte van de vaarweg, waar bij algemene regeling
dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een
verkeersteken meren is verboden;
b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid
door het teken A.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar
het teken is aangebracht.
2. Op een gedeelte van de vaarweg, waar meren is verboden, mag een
schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting evenwel meren
in een vak of op een plaats, aangeduid door het teken E.7 (bijlage 7),
aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
3. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting
mogen bij meren of verhalen niet gebruik maken van andere voorwerpen
dan die welke daartoe zijn bestemd.
Artikel 7.05. Bijzondere ligplaatsen
1. Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5
(bijlage 7), mogen een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen
aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.
2. Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.1
(bijlage 7), mogen een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen
binnen de afstand, te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters is
aangegeven.
3. Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.2
(bijlage 7), mogen een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen
tussen de beide afstanden te rekenen vanaf het teken die daarop in
meters zijn aangegeven.
4. Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.3
(bijlage 7), mogen aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is
aangebracht, een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen,
indien daarmede het aantal schepen en drijvende voorwerpen langszijde
van elkaar aldaar niet meer bedraagt dan op het teken in Romeinse
cijfers is aangegeven.
5. De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die
bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
Artikel 7.06. Gereserveerde ligplaatsen
1. Op een bijzondere ligplaats aangeduid door één der tekens
E.5.4 tot en met E.5.15 (bijlage 7) mag een schip ligplaats nemen dat
behoort tot de categorie, waarop het teken van toepassing is.
2. Op de bijzondere ligplaatsen moeten de schepen, indien geen
andere voorschriften zijn gesteld, langszijde van elkaar en zo dicht
mogelijk bij de oever aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is
aangebracht, ligplaats nemen.
3. De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die
bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.
Artikel 7.07. Ligplaats nemen in de nabijheid van schepen die
bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren
1. Een schip mag geen ligplaats nemen binnen de afstanden ten
opzichte van een ander schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel,
zoals hieronder wordt bepaald:
a. binnen 10 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld
samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid,
voert;
b. binnen 50 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld
samenstel dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid,
voert;
c. binnen 100 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld
samenstel dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voert.
2. Het verbod bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet:
a. voor een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat
eveneens dit teken voert;
b. voor een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat
dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van
goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8.1, en dat voldoet aan de
veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in
artikel 3.14, eerste lid.
3. De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in
bijzondere gevallen kleinere afstanden toestaan dan die welke in het
eerste lid zijn vermeld.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor de afstanden
binnen welke een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel, dat
verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14 te voeren, geen
ligplaats mag nemen van een ander schip.
Artikel 7.08. Bewaking en toezicht
1. Een stilliggend schip dat is geladen met de stoffen, bedoeld in
het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, of dat na het vervoer van
dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen
leveren moet zijn gesteld onder een zich voortdurend aan boord
bevindende terzake kundige wachtsman. Deze verplichting geldt niet
voor een in een haven stilliggend schip waaraan de bevoegde autoriteit
daarvan vrijstelling of ontheffing heeft verleend.
2. Een ander stilliggend schip moet, voor zover het geen schipper
heeft, zijn gesteld onder toezicht van een persoon die zo nodig snel
kan ingrijpen, tenzij de bevoegde autoriteit aan een schip van deze
verplichting vrijstelling heeft verleend, dan wel hij gedoogt dat dit
zonder toezicht stilligt.
Deze bepaling is eveneens van toepassing op een drijvend voorwerp
en een drijvende inrichting wanneer zij stilliggen.
Artikel 7.09. Gedogen langszijde te komen
Een aan een aanlegplaats gemeerd schip moet gedogen, dat een ander
schip langszijde komt of langszijde daarvan vastmaakt en daarover
gemeenschap met de wal heeft anders dan om te laden of te lossen.
Artikel 7.10. Medewerking tot vertrekken of verhalen dan wel tot
ruimte maken
Indien van langszijde van elkaar stilliggende schepen een schip wil
vertrekken of verhalen dan wel ruimte wil hebben voor het langszijde
komen van een schip ten behoeve van overslag, moet elk van de andere
schepen daaraan de nodige medewerking verlenen.
Artikel 7.11. Verhalen voor het laden of lossen van een ander schip
Een aan een aanlegplaats gemeerd schip, dat aldaar niet behoeft te
worden geladen of gelost, moet verhalen, indien een ander schip aldaar
dient te worden geladen of gelost.
Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen
Artikel 8.01. Registratiebewijs
1.Een snelle motorboot moet ten name van de eigenaar zijn
geregistreerd bij een door de Minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen instelling. Deze instelling kent aan hem een
registratieteken toe en geeft een bijbehorend registratiebewijs af
volgens een door de Minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld
model.
2.Het registratiebewijs bedoeld in het eerste lid moet tijdens het
varen met een snelle motorboot aan boord aanwezig zijn.
3.De Minister van Verkeer en Waterstaat kan nadere regels stellen
met betrekking tot de registratie.
Artikel 8.02. Registratieteken
1.Een snelle motorboot mag niet deelnemen aan de scheepvaart indien
hij niet is voorzien van het, door de in artikel 8.01, eerste lid,
bedoelde instelling toegekende registratieteken. Dit teken bestaat uit
een of meer letters en een nummer, met een hoogte van ten minste 150
mm, een breedte van ten minste 100 mm en een stamdikte van ten minste
20 mm. Het moet goed waarneembaar zijn en in een van de ondergrond
afwijkende kleur zijn aangebracht aan weerszijden van de boot.
2.Een snelle motorboot, welke tengevolge van de constructie niet
kan voldoen aan het in het eerste lid bepaalde omtrent de grootte van
de registratieletters en nummers, moet zijn voorzien van een of meer
letters en een nummer van ten minste respectievelijk 100 mm, 60 mm en
15 mm.
Artikel 8.03. Inrichting
Een snelle motorboot mag slechts deelnemen aan de scheepvaart indien:
a. de inrichting van het schip en van de motor zodanig is, dat
gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door
rook, damp of walm wordt voorkomen;
b. de afgewerkte gassen door een behoorlijk geluiddempende
voorziening worden afgevoerd;
c. de stuurinrichting deugdelijk en doelmatig is;
d. het schip is voorzien van een technische inrichting waardoor
bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging
onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg tot stilstand komen; deze eis
geldt niet voor een gesloten binnenbesturing;
e. een reddingsvest onder handbereik voor ieder der opvarenden
aan boord is;
f. een deugdelijk brandblusapparaat aan boord is.
Artikel 8.04. Eigenaar
De eigenaar of houder van een snelle motorboot draagt er mede zorg
voor dat niet in strijd met de artikelen 8.01, 8.02 en 8.03 wordt
gehandeld.
Artikel 8.05. Verplichtingen bestuurder
1.De bestuurder van een snelle motorboot moet tijdens het varen:
a. zijn gezeten op de voor hem bestemde zitplaats;
b. te allen tijde gebruik maken van de technische inrichting,
bedoeld in artikel 8.03 onderdeel d;
c. zich zodanig gedragen, dat geen hinder of gevaar voor andere
gebruikers van het vaarwater wordt veroorzaakt.
2.De bestuurder draagt er zorg voor dat de motor van een snelle
motorboot geen onnodige geluidhinder veroorzaakt.
3.De bestuurder draagt er zorg voor dat de motor van een
stilliggende snelle motorboot niet onnodig lang of zonder redelijk
doel in werking wordt gehouden.
4.De verplichting, genoemd in het eerste lid, onder a, is niet van
toepassing indien de constructie van een snelle motorboot zodanig is
dat de bestuurder het schip ook veilig staande dan wel slechts staande
kan besturen.
5.De bestuurder die staande een snelle motorboot bestuurt is
verplicht een reddingsvest te dragen. Dit geldt niet voor het sturen
vanaf een gesloten binnenbesturing.
Artikel 8.06. Snel varen en waterskiën
1.Een snelle motorboot mag niet sneller varen dan 20 km per uur ten
opzichte van het water. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of
gedeelten daarvan aanwijzen waarop dit verbod niet van toepassing is
dan wel waarop een andere maximum snelheid van toepassing is. Daarbij
kan onderscheid worden gemaakt tussen snel varen overdag of ’s
nachts.
2.Het is verboden te waterskiën of te doen waterskiën of op
soortgelijke wijze van de vaarweg gebruik te maken of gebruik te doen
maken. De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan
aanwijzen waarop dit verbod overdag niet van toepassing is.
3.De bestuurder van een snelle motorboot, die één of meer
waterskiërs of personen die op soortgelijke wijze van de vaarweg
gebruik maken voortbeweegt, moet zich doen bijstaan door een mede
opvarende van ten minste 15 jaar oud als uitkijk.
4.Een waterskiër en een persoon die op soortgelijke wijze van de
vaarweg gebruik maakt moeten zich zodanig gedragen, dat geen gevaar of
hinder voor andere gebruikers van de vaarweg kan worden veroorzaakt.
Artikel 8.07. Schipper
De schipper van een snelle motorboot moet er zorg voor dragen, dat
niet in strijd met de artikelen 8.05 en 8.06 wordt gehandeld.
Artikel 8.08. Watersport zonder schip
1. Een persoon die zwemt dan wel die op andere wijze watersport
bedrijft zonder gebruik te maken van een schip moet voldoende afstand
houden van een varend schip of een varend drijvend voorwerp dan wel
van een drijvend werktuig in bedrijf.
2. Zwemmen, watersport zonder gebruik te maken van een schip en
onderwatersport zijn verboden:
a. op een wachtplaats of in de onmiddellijke nabijheid van een
brug, een sluis of een stuw;
b. in gedeelten van de vaarweg bestemd voor de doorgaande
scheepvaart;
c. in routes van veerponten;
d. in havens en nabij de ingangen daarvan;
e. in de nabijheid van meergelegenheden;
f. in gebieden aangewezen voor snelvaren of waterskiën;
g. in de door de bevoegde autoriteit aangewezen gebieden.
3. De bevoegde autoriteit kan vrijstelling of ontheffing verlenen
van het tweede lid. Aan de vrijstelling of ontheffingen kunnen
voorschriften worden verbonden.
Deel II
Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de in
beheer bij het Rijk zijnde vaarwegen en op andere met name genoemde
vaarwegen
Artikel 9.01. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op de in artikel 2, eerste en derde
lid, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement bedoelde
vaarwegen, voorzover deze in beheer zijn bij het Rijk en op de inbijlage
10 vermelde vaarwegen.
Artikel 9.02. Afmetingen
1. Een schip of een samenstel moet zich voor wat betreft de in
bijlage 13 vermelde vaarwegen en kunstwerken houden aan de daar
aangegeven grootste lengte, breedte en diepgang.
2. Een schip of samenstel voldoet aan de in het eerste lid gestelde
eisen, wanneer deze wordt aangemerkt als bijzonder transport in de zin
van artikel 1.21, eerste lid, en daaraan een vergunning is verstrekt
op grond van artikel 1.21, tweede lid, waarin de lengte, breedte en
diepgang van de vaarwegen en kunstwerken op de door het schip of
samenstel af te leggen route in aanmerking zijn genomen.
3. De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste
lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 9.03. Ligplaats nemen (ankeren en meren)
1.Het is verboden op de in bijlage 14, onder a, vermelde vaarwegen,
of gedeelten daarvan, ligplaats te nemen (ankeren en meren).
2.Op een gedeelte van een vaarweg waar ligplaats nemen is
toegestaan mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende
inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, niet:
a. aan herstelwerkzaamheden worden onderworpen;
b. laden, lossen of ontgassen.
3.In een vlucht- of overnachtingshaven en een werkhaven mogen een
schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens
toestemming van de bevoegde autoriteit, niet:
a. langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats nemen;
b. binnen twaalf uren, nadat de onder a bedoelde periode is
beëindigd, opnieuw ligplaats nemen.
Het ligplaats nemen wordt geacht niet te zijn beëindigd, indien
het schip, het drijvende voorwerp of de drijvende inrichting over
minder dan 500 m is verplaatst.
4.Een duwstel als bedoeld in artikel 9.06, eerste lid, mag slechts
worden samengesteld of ontkoppeld op de door de bevoegde autoriteit
aangewezen plaatsen.
5.Het in het eerste lid genoemde verbod is op de in bijlage 14,
onder b, genoemde vaarwegen niet van toepassing op een klein schip dat
op een veilige plaats buiten het voor de doorgaande scheepvaart
bestemde vaarwater ligt.
6.De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste
lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen
voorschriften worden verbonden.
Artikel 9.04. Kleine schepen
1.Op de in bijlage 15, onder a, vermelde vaarwegen mag een klein
schip slechts varen indien het is voorzien van een motor die voor
onmiddellijk gebruik gereed is, en waarmee een snelheid van ten minste
6 kilometer per uur ten opzichte van het water kan worden gehandhaafd.
2.Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen, met uitzondering van
de Geldersche IJssel, de Boven-Merwede, de Neder-Rijn en het
Pannerdensch Kanaal, moet een klein schip zo veel mogelijk aan de
stuurboordszijde van het vaarwater varen.
3.Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen is het niet toegestaan
het vaarwater op te kruisen.
4.Het in het eerste lid genoemde verbod, is op de daar bedoelde
vaarwegen, met uitzondering van de vaarweg ten westen van de sluizen
te IJmuiden, niet van toepassing op schepen die bestemd zijn om door
spierkracht te worden voortbewogen en ook daadwerkelijk als zodanig
worden gebruikt.
5.Op de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden kan de
bevoegde autoriteit aan in het vierde lid bedoelde schepen ontheffing
verlenen van de in het eerste lid vermelde vereisten. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
6.Op de inbijlage 15, onder b, genoemde vaarwegen moeten een varend
en een geankerd klein schip bij slecht zicht een goed functionerende
radarreflector voeren.
Artikel 9.05. Zeilplanken en soortgelijke vormen van watersport
1.Onverminderd artikel 9.04, eerste lid, is het op de voor de
doorgaande vaart bestemde gedeelten van de in bijlage 16 opgenomen
vaarwegen verboden te varen met een zeilplank.
2.Het is verboden te varen met een door een vlieger voortbewogen
plank.
3.De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan
aanwijzen waarop het verbod, bedoeld in het tweede lid, overdag niet
van toepassing is.
Artikel 9.06. Manoeuvreerbaarheid van schepen en samenstellen
1. Op de in bijlage 17, onder a, vermelde vaarwegen mogen een
duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan
193 m ofwel de breedte meer bedraagt dan 22,90 m varen, indien:
a. de ten hoogste toegelaten afmetingen zijn vermeld in het
certificaat van onderzoek van de duwboot of van het motorschip dat
dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel onder
vermelding van de toegelaten formatie en van de toegelaten
belading voor de van toepassing zijnde vaarrichting;
b. het duwstel niet meer dan zes duwbakken bevat, waarbij in
afvaart ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer
mogen hebben. Zeeschipbakken mogen slechts langszijde van andere
duwbakken vastgemaakt worden meegevoerd, waarbij vier
zeeschipbakken achter elkaar gelden als één duwbak;
c. aan de kop van het samenstel een vanuit de stuurhut van de
duwboot of van het motorschip dat dient voor het voortbewegen en
het sturen van het samenstel bedienbare kopbesturing beschikbaar
is;
d. de waterstand aan de peilschaal te Lobith tussen 8,50 m en
13,50 m is gelegen;
e. het geen gevaarlijke stoffen vervoert voor het vervoer
waarvan een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADN
vereist wordt.
2. Onverminderd het eerste lid geldt voor duwstellen met een
duwboot met een lengte van niet meer dan 40 m:
a. het maximale vermogen van de aandrijving van de duwboot mag
niet groter zijn dan 4500 kW;
b. in de lange formatie moeten tenminste vier duwbakken een
diepgang van 2,50 m of meer hebben. In de brede formatie mag ook
zonder kopbesturing worden gevaren, indien tenminste twee en ten
hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en
twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst.
3. Op de inbijlage 17, onder b, vermelde vaarwegen mag een duwstel
waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m slechts bij buitengewone
plaatselijke omstandigheden varen, indien:
a. het is voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief
vermogen, die vanuit de stuurhut van de duwboot kan worden
bediend; indien de kopbesturing bestaat uit koproeren moeten deze
voor iedere betreffende duwbak een effectieve oppervlakte van
tenminste 2 m2hebben;
b. de gemiddelde diepgang groter is dan 2,00 m of de diepgang
over tenminste 50% van de lengte van de duwbakken groter is dan
2,50 m; of
c. het duwstel wordt geassisteerd.
4. Op de inbijlage 17, onder c, vermelde vaarwegen mogen een
alleenvarend motorschip en een duwstel en een gekoppeld samenstel
waarvan de lengte meer bedraagt dan 90 m varen, indien zij zijn
voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die
vanuit de stuurhut kan worden bediend.
5. Op de inbijlage 17, onder d, vermelde vaarwegen mag een duwstel
dat is voorzien van een certificaat van onderzoek als bedoeld in
artikel 7, tweede lid, van de Binnenvaartwet of van een document als
bedoeld in artikel 7, onderdelen a en c, van het Binnenvaartbesluit en
waarvan de lengte meer bedraagt dan 137 m doch niet meer dan 193 m
varen, indien het is voorzien van een kopbesturing van voldoende
effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.
6. Als kopbesturing van een duwstel wordt tevens beschouwd de
boegschroef van de duwboot, indien deze zich op ten hoogste 45% van de
lengte van het duwstel gerekend vanaf de kop daarvan bevindt.
7. De in dit artikel bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen
mogen buiten de daarvoor aangewezen ligplaatsen slechts met
toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of
ontkoppeld.
8. De bevoegde autoriteit kan duwstellen en gekoppelde samenstellen
met grotere afmetingen dan die welke volgens dit artikel zijn
toegelaten, met andere wijzen van aandrijving en vermogen en bij
andere waterstanden voor het te bevaren vaarweggedeelte toelaten.
Artikel 9.07. Meld-, uitluister- en communicatieplicht
1. Een groot schip van een door de bevoegde autoriteit aangegeven
categorie, een bijzonder transport, een drijvende inrichting en een
drijvend voorwerp waarvan het verplaatsen klaarblijkelijk geen hinder
of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan de kunstwerken kan
veroorzaken, melden zich op de door de bevoegde autoriteit aangegeven
wijze, overeenkomstig de daartoe gestelde regels.
2. Een in het eerste lid bedoeld groot schip, luistert op de in
bijlage 9 en bijlage 10 genoemde vaarwegen uit en neemt zonodig deel
aan de ter plaatse gevoerde communicatie op het door de bevoegde
autoriteit aangewezen marifoonkanaal, overeenkomstig de daartoe
gestelde regels.
3. De in het eerste lid bedoelde meldingsplicht is tevens van
toepassing op een klein schip, waarmee wordt vervoerd een gevaarlijke
stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een schadelijke stof
als bedoeld in artikel 3, onderdeel h, van richtlijn nr. 2002/59/EG.
4. De in het tweede lid bedoelde uitluister- en communicatieplicht
is tevens van toepassing op een klein schip, wanneer het de in het
derde lid bedoelde stoffen vervoert, of wanneer het een klein schip
betreft dat is uitgerust met een marifooninstallatie.
5. De in het eerste en derde lid bedoelde meldingsplicht is niet
van toepassing op een schip dat zich reeds op grond van artikel 2 van
het Besluit meldingsformaliteiten en gegevensverwerkingen scheepvaart
en de daarop berustende bepalingen voor vertrek moet melden.
6. De in het eerste en tweede lid bedoelde regels kunnen betrekking
hebben op het gebruik van bepaalde communicatiemiddelen aan boord van
het schip, het melden van aankomst, vertrek of positie van het schip,
alsmede op gegevens met betrekking tot het schip, de daarmee vervoerde
lading of de uit te voeren reis.
Artikel 9.08. Varend bunkeren
Het is verboden op de in bijlage 18 vermelde vaarwegen, behoudens
toestemming van de bevoegde autoriteit, varend brandstof af te leveren.
Hoofdstuk 10. Bijzondere bepalingen voor de vaarwegen tussen de zee
en de zeehavens
Artikel 10.01. Toepassingsgebied
1.Dit hoofdstuk is van toepassing op de vaarwegen en havens,
genoemd inbijlage 11.
2.Onder een haven is een laad- of losplaats begrepen.
Artikel 10.02. Bovenmaatse zeegaande schepen
1.Een bovenmaats zeegaand schip moet op de daartoe aangewezen
vaarwegen de daartoe vastgestelde voorschriften in acht nemen.
2.De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen betreffen:
a. de toegelaten afmetingen van een schip;
b. de bouw, de uitrusting, het motorvermogen en de
manoeuvreerbaarheid van een schip;
c. de grootste snelheid waarmede mag worden gevaren;
d. de meteorologische omstandigheden waaronder mag worden
gevaren;
e. de te volgen route.
Artikel 10.03. Bijkomende lichten en bijkomend dagteken van
bovenmaatse schepen
Een varend bovenmaats zeegaand schip moet, op de wijze en wat de
lichten betreft met de lichtsterkte en de kleur, vermeld in de
internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, behalve
de tekens bedoeld in artikel 3.08, als bijkomende tekens voeren:
a. ’s nachts: drie rode rondom schijnende lichten in een
verticale lijn;
b. overdag: een zwarte cilinder.
Artikel 10.04. Bijkomend licht en bijkomend dagteken van schepen die
bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren
1.Een zeegaand schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in
bijlage 12, moet als bijkomende tekens voeren:
a. ’s nachts: een rood helder rondom schijnend licht;
b. overdag: de internationale seinvlag«B».
2.Deze tekens moeten worden gevoerd daar waar zij het best kunnen
worden gezien en op een hoogte van ten minste 6 m.
Artikel 10.05. Vlaggeseinen van het Internationaal Seinboek
Een zeegaand schip mag de internationale vlaggeseinen "A",
"B", "G", "H", "P",
"Q" en "Z" geven.
Artikel 10.06. Wit lichtsein
1.Een zeegaand motorschip behoeft niet het gele lichtsein, bedoeld
in artikel 4.01, tweede lid, te tonen, maar mag dit tonen.
2.Een zeegaand schip mag de algemene geluidsseinen, vermeld in
afdeling A van bijlage 6, aanvullen met een wit lichtsein als bedoeld
in de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee.
Het schip mag dan niet het in het eerste lid bedoelde gele lichtsein
tonen.
3.Het witte lichtsein mag afhankelijk van de omstandigheden worden
herhaald.
4.Dit artikel geldt niet voor klokslagen en reeksen klokslagen.
Artikel 10.07 [Vervallen per 19-05-2012]
Artikel 10.07a [Vervallen per 01-12-2004]
Artikel 10.08. Bijzondere voorrangsregels
1.In afwijking van hoofdstuk 6 is een schip verplicht aan een
bovenmaats zeegaand schip voorrang te verlenen.
2.Artikel 6.09, tweede lid, geldt niet voor een schip dat de
lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voert en dat wordt
opgelopen door een ander schip.
3.Indien één van twee schepen die elkaar naderen op tegengestelde
koersen een schip is dat de lichten of het dagteken, bedoeld in
artikel 10.03, voert, is artikel 6.04a niet van toepassing.
4.Schepen die de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03,
voeren moeten zich behoudens het derde lid onderling gedragen naar de
vaarregels van hoofdstuk 6.
Artikel 10.09. Verbod dicht langs een schip dat bepaalde gevaarlijke
stoffen vervoert te varen
Een schip mag behalve bij voorbijlopen en bij voorbijvaren op
tegengestelde koersen niet varen binnen een afstand van 50 m van een
schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste
lid, voert.
Artikel 10.10. Ligplaats nemen in de nabijheid van een schip dat
bepaalde gevaarlijke stoffen vervoert
1. Een schip mag geen ligplaats nemen binnen een afstand van 50 m
van een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel 10.04,
eerste lid, voert.
2. De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen afwijkingen
toestaan.
3. Een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel
10.04, eerste lid, moet voeren, mag geen ligplaats nemen binnen een
afstand van 50 meter van andere schepen.
Artikel 10.11. Gebruik marifoon
In afwijking van artikel 4.05, eerste lid, mag een zeegaand groot
schip zijn uitgerust met een marifooninstallatie van het type dat voor
het gebruik in de frequentieband van 156–174 MHz is toegelaten.
Hoofdstuk 11. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de
boventoeleidingskanalen op de Maas
Artikel 11.01. Invaren van de boventoeleidingskanalen van de sluizen
in de Maas
1.Op de Maas moet een afvarend schip vóór het invaren van de
boventoeleidingskanalen van de sluizen bij Roermond, Belfeld en
Sambeek alsmede bij het bevaren van het boventoeleidingskanaal van de
sluizen bij Roermond zo dicht mogelijk langs de linker oever houden.
Een afvarend schip moet vóór het invaren van het
boventoeleidingskanaal van de sluizen bij Grave en Limmel zo dicht
mogelijk langs de rechter oever houden.
2.Een opvarend schip moet aan een afvarend schip als bedoeld in het
eerste lid, de nodige ruimte laten.
3.Op gedeelten van de Maas en op de boventoeleidingskanalen,
bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, moeten een afvarend en een
opvarend schip, wanneer zij elkaar naderen op tegengestelde koersen,
zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, de tekens tonen en de
geluidsseinen geven, vermeld in artikel 6.05.
4.Artikel 6.30, tweede lid, is niet van toepassing.
5.Een afvarend schip en een opvarend schip zijn een schip als
bedoeld in artikel 6.01, eerste lid.
Hoofdstuk 12. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de langs
de Westerschelde gelegen havens
Artikel 12.01. Toepassingsgebied
1. Dit hoofdstuk is slechts van toepassing op de met de
Westerschelde in open verbinding staande havens en voorhavens.
2. Onder een haven is een laad- of losplaats begrepen.
Artikel 12.02. Lichten en dagtekens bij slepen en assisteren
1.Het zeegaand motorschip aan de kop van een sleep alsmede het
zeegaand motorschip dat een motorschip, een duwstel of een gekoppeld
samenstel assisteert mag in plaats van het gele licht, bedoeld in
artikel 3.09, eerste lid, onder c, een heklicht voeren.
2.Indien een sleep verscheidene zeegaande motorschepen bevat, die
niet in kiellinie varen, dan wel verscheidene motorschepen tezamen een
motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, is het
eerste lid van toepassing op elk van deze zeegaande schepen.
3.Een zeegaand schip dat wordt gesleept mag een toplicht of achter
dit toplicht een tweede toplicht overeenkomstig artikel 3.08, eerste
en tweede lid, voeren.
4.Een motorschip, waarvoor bij artikel 3.09, eerste en tweede lid,
een gele cylinder is voorgeschreven, behoeft deze niet te voeren maar
het mag dit doen. Een motorschip, een duwstel of een gekoppeld
samenstel, waarvoor bij artikel 3.09, derde lid, een gele bol is
voorgeschreven, behoeft deze niet te voeren maar het mag dit doen.
5.Indien een duwstel door één of meer motorschepen wordt
geassisteerd, behoeven de drie lichten op de duwboot niet
overeenkomstig artikel 3.10, tweede lid, gele lichten te zijn maar zij
mogen dit zijn.
Artikel 12.03. Lichten van schepen van veerdiensten
Een schip van de veerdiensten over de Westerschelde, dat op zijn
aanlegplaats stilligt terwijl het dienst doet, mag de lichten blijven
voeren die zijn voorgeschreven voor een varend schip.
Artikel 12.04. Toepasselijkheid van de voorschriften inzake het
gebruik van radar
Een zeegaand schip mag, indien de radarinstallatie goed functioneert,
gebruik maken van radar:
a. zonder te zijn uitgerust met een radarinstallatie en een
bochtaanwijzer, als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onder a; en
b. zonder dat zich aan boord een persoon bevindt die houder is
van een radarpatent, als bedoeld inartikel 4.06, eerste lid, onder
b.
Artikel 12.05. Uitvaren van havens en voorhavens naar de
Westerschelde
1. Een schip mag niet uit een haven of een voorhaven het vaarwater
van de Westerschelde invaren, indien daardoor een schip dat dit
vaarwater in een gestrekte koers volgt zou worden genoodzaakt zijn
koers of zijn snelheid te wijzigen.
2. Onverminderd het eerste lid mag een tankschip, dat samengeperste
vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen vervoert, niet
zonder toestemming van de bevoegde autoriteit uit een haven of een
voorhaven het vaarwater van de Westerschelde invaren.
Artikel 12.06. Toepasselijkheid van de voorschriften inzake het varen
bij slecht zicht
Een zeegaand schip mag op radar varen, zonder dat zich overeenkomstig
artikel 6.32, eerste lid, een persoon in de stuurhut bevindt die houder
is van een radarpatent, als bedoeld inartikel 4.06, eerste lid, onder b.
Artikel 12.07. Geluidsseinen bij slecht zicht van een varend schip
1. Bij slecht zicht mag een varend schip, indien het gestopt ligt
en geen vaart door het water loopt, in plaats van één lange stoot
als bedoeld in de artikelen 6.32, vierde lid, en 6.33, eerste lid,
geven:
twee opeenvolgende lange stoten met een tijdruimte daartussen van
ongeveer twee seconden.
2. Het schip moet het in het eerste lid bedoelde sein, voor zover
dit wordt gegeven ingevolge artikel 6.33, eerste lid, herhalen met
tussenpozen van ten hoogste twee minuten.
Hoofdstuk 13. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart van, naar en
in de haven van Den Helder
Artikel 13.01. Verboden handelingen
Behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit is het verboden op
de rede van Den Helder en in het havengebied te dreggen, dan wel zich
met snorkel-, duik- of soortgelijke uitrustingsstukken te water te
bevinden.
Artikel 13.02. Marinehaven Willemsoord
Behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit is het verboden met
andere schepen dan schepen der krijgsmacht de marinehaven te Willemsoord
anders te bevaren dan noodzakelijk voor de rechtstreekse doorvaart.
Artikel 13.03. Tijdelijk vaarverbod marinehaven en rede Den Helder
1. De bevoegde autoriteit kan ten behoeve van de veilige in- of
uitvaart van de marinehaven Willemsoord door schepen die door hem
worden aangewezen, de overige scheepvaart een verkeersaanwijzing geven
inhoudende een tijdelijk verbod deze haven in of uit te varen en zich
te bevinden binnen 200 meter aan weerszijden van de lichtenlijn, zowel
op de rede van Den Helder binnen één zeemijl vanaf de havenmond, als
in deze haven.
2. Wanneer de in het eerste lid bedoelde verkeersaanwijzing is
gegeven, wordt dit kenbaar gemaakt door het tonen van het teken A.1
(bijlage 7) op het Havencoördinatiecentrum Harssens.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|