| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Scheepvaartverkeerswet
BESLUIT
PATENTREGLEMENT RIJN
Tekst zoals deze geldt op
25 juli 2011
Vervallen
m.i.v. 12 oktober 2011
|
|
|
BESLUIT van 10 maart 2008, houdende vaststelling van
het Besluit Patentreglement Rijn
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 15
februari 2008, nr. HDJZ-SCH-2008-43, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Gelet op de op 17 oktober 1868 te Mannheim tot
stand gekomen Herziene Rijnvaartakte (Trb. 1955, 161, en 1964,
83), de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 31 mei
2007 (protocol 2007-I-10), artikel 26a van de Binnenschepenwet,
artikel 5 van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart en de
artikelen 4, 9, 10, tweede lid, en 18 van de Scheepvaartverkeerswet;
De Raad van State gehoord (advies van 22
februari 2008, nr. W09.08.0063/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 4 maart 2008, nr. HDJZ/SCH/2008-255,
Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Patentreglement Rijn
Artikel 1
1. Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek
is van kracht het Patentreglement Rijn met inbegrip van de daarbij
behorende bijlagen, dat is gevoegd bij dit besluit en dat kan worden
aangehaald als: Patentreglement Rijn.
2. Onverminderd het eerste lid zijn de bepalingen met betrekking
tot de radarpatenten van het Patentreglement Rijn van toepassing op alle
binnenwateren in Nederland.
Artikel 2
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bepaalt wie de bevoegde
autoriteit is, of de bevoegde autoriteiten zijn, bedoeld in het
Patentreglement Rijn. Van de desbetreffende beschikking wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
Artikel 3
Bij ministeriële regeling worden richtlijnen vastgesteld voor de
bevoegde autoriteit, overeenkomstig de door de Centrale Commissie voor
de Rijnvaart aangenomen resoluties.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld
met betrekking tot de procedure voor het examen, bedoeld in hoofdstuk 2,
paragraaf 3 en hoofdstuk 3 van het Patentreglement Rijn.
Artikel 5
Bij ministeriële regeling kunnen andere radardiploma’s als
gelijkwaardig aan het radarpatent, bedoeld in het Patentreglement Rijn,
worden erkend, waarbij de erkenning beperkt kan worden tot nader te
bepalen scheepvaartwegen.
Artikel 6
Bij ministeriële regeling worden de kosten, bedoeld in artikel 2.18
en artikel 3.08 van het Patentreglement Rijn, vastgesteld.
Hoofdstuk 2. Wijziging van besluiten
Artikel 7
[Wijzigt het Binnenvaartpolitiereglement]
Artikel 8
[Wijzigt het Besluit verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen
scheepvaartverkeer]
Artikel 9
[Wijzigt het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart]
Artikel 10
[Wijzigt het Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet]
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 11
Het Besluit Reglement radarpatenten en het Besluit Reglement
Rijnpatenten 1998 worden ingetrokken.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2008
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Patentreglement Rijn.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 maart 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa
Uitgegeven de zevenentwintigste maart 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage bij Besluit
Patentreglement Rijn
Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen
Artikel
1.01. Begripsbepalingen
In dit reglement
wordt verstaan onder:
| 1. |
schip:
een binnenschip, een zeeschip of een drijvend
werktuig;
|
| 2. |
binnenschip:
een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is
voor de vaart op de binnenwateren;
|
| 3. |
zeeschip:
een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart
en overwegend daartoe bestemd is;
|
| 4. |
drijvend
werktuig: een
drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden
(zoals kranen, baggermolens, hei-installaties,
drijvende bokken, elevatoren, enz.);
|
| 5. |
veerpont:
een schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de
vaarweg wordt overgestoken, en dat door de bevoegde
autoriteit als veerpont wordt aangemerkt;
|
| 6. |
passagiersschip:
een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer
van meer dan 12 passagiers;
|
| 7. |
pleziervaartuig:
een schip dat is bestemd voor sportieve of recreatieve
doeleinden en dat geen passagiersschip is;
|
| 8. |
sleepboot:
een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
|
| 9. |
duwboot:
een schip dat speciaal is gebouwd voor het
voortbewegen van een duwstel;
|
| 10. |
gekoppeld
samenstel: een
hecht samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte
schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het
motorschip dat dient voor het voortbewegen van het
samenstel;
|
| 11. |
overheidsvaartuig:
een schip waarvan de lengte niet meer dan 25 m
bedraagt en dat ter uitvoering van overheidstaken
wordt ingezet;
|
| 12. |
brandweerboot:
een schip waarvan de lengte 15 m of meer bedraagt en
dat ter uitvoering van brandweerdiensten wordt
ingezet;
|
| 13. |
lengte:
de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer
en de boegspriet niet inbegrepen.
|
| 14. |
breedte:
de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten
op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen,
schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);
|
| 15. |
dekbemanning:
de minimum bemanning met uitzondering van machinisten;
|
| 16. |
matroos,
matroos-motordrijver, volmatroos, stuurman:
een persoon, die de bekwaamheid bedoeld in de
bemanningsvoorschriften van het Reglement onderzoek
schepen op de Rijn bezit;
|
| 17. |
vaartijd:
de tijd aan boord van een schip, dat een reis maakt;
|
| 18. |
radarvaart:
de vaart bij slecht zicht, waarbij de radar voor het
voeren het schip wordt gebruikt;
|
| 19. |
marifoonbedieningscertificaat:
een op basis van bijlage 5 van de Regionale regeling
betreffende de marifoondienst in de binnenvaart
afgegeven certificaat;
|
| 20. |
Rijnpatent:
een bevoegdheidsbewijs voor het voeren van schepen op
de Rijn;
|
| 21. |
Schipperspatent:
een Rijnpatent of een ander bevoegdheidsbewijs voor
het voeren van schepen in de binnenvaart;
|
| 22. |
Radarpatent:
een bevoegdheidsbewijs voor de radarvaart;
|
| 23. |
bewijs
voor riviergedeelten:
een aan de houder, van een door de CCR als
gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven
bewijs, waarmee wordt bevestigd, dat de schipper de
voor de Rijn vereiste kennis van bepaalde
riviergedeelten bezit.
|
Artikel
1.02. Toepasselijkheid van het reglement
Dit reglement regelt
de verplichting tot het hebben van een patent voor de
scheepvaart op de Rijn voor het betreffende scheepstype en
-afmetingen en voor de te bevaren riviergedeelten alsmede de
voorwaarden betreffende het verkrijgen van een patent.
Artikel
1.03. Verplichting tot het hebben van een schipperspatent
| 1. |
Degene die
op de Rijn een schip wil voeren, moet ingevolge dit
reglement zijn voorzien van een Rijnpatent of een door
de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs
voor betreffende scheepstype en -afmetingen alsmede
voor het te bevaren riviergedeelte; de lijst van de
als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen
alsmede de eventuele aanvullende voorwaarden voor deze
erkenning zijn in de bijlage C1 opgenomen.
|
| 2. |
Het
Rijnpatent wordt verleend voor de gehele Rijn of voor
afzonderlijke gedeelten daarvan; wordt het voor
afzonderlijke riviergedeelten afgegeven, dan geldt het
ook voor de vaart benedenstrooms van het Spijksche
Veer (km 857,40) en op het gedeelte tussen Bazel (Mittlere
Rheinbrücke km 166,64) en de sluizen te Iffezheim (km
335,92). De als gelijkwaardig erkende
vaarbevoegdheidsbewijzen gelden op de in artikel 2.05
beschreven riviergedeelten slechts, als de bezitter
een bewijs voor riviergedeelten conform het model van
de bijlage A3 bezit.
|
| 3. |
Voor de
vaart benedenstrooms van het Spijksche Veer (km
857,40) en op het riviergedeelte tussen Bazel (Mittlere
Rheinbrücke - km 166,64) en de sluis Iffezheim (km
335,92), kan worden volstaan met:
| a. |
in
plaats van het patent bedoeld in artikel 2.01
een vaarbewijs als bedoeld in de bijlage I van
de Richtlijn 91/672/EEG, of een vaarbewijs
afgegeven ingevolge de Richtlijn 96/50/EG;
|
| b. |
in
plaats van het patent, bedoeld in de artikelen
2.02 tot en met 2.04, een ander door de
bevoegde autoriteit als gelijkwaardig erkend
bewijs van vaarbekwaamheid.
|
|
| 4. |
Voor schepen
met een lengte van minder dan 15 m, met uitzondering
van passagiersschepen, duw- en sleepboten, kan worden
volstaan met een bewijs van vaarbekwaamheid voor de
binnenwateren, dat in overeenstemming is met de
nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en
België.
|
| 5. |
De
patentverplichting voor veerponten en voorschepen, die
slechts door spierkracht worden voortbewogen alsmede
voor schepen met een lengte van minder dan 15 m die
slechts
| a. |
door
middel van zeilen worden voortbewogen, dan wel
|
| b. |
zijn
uitgerust met mechanische middelen tot
voortbeweging van niet meer dan 3,68 kW,
|
wordt de
verplichting tot het hebben van een patent uitsluitend
geregeld door de nationale voorschriften van de
Rijnoeverstaten.
|
Artikel
1.04. Verplichting tot het hebben van een radarpatent
| 1. |
Degene die
op radar wil varen moet, naast het voor het te bevaren
riviergedeelte benodigde schipperspatent, in het bezit
zijn van een radarpatent dat in overeenstemming is met
dit reglement of een ander door de CCR als
gelijkwaardig erkend radardiploma. De lijst van de als
gelijkwaardig erkende radardiploma’s alsmede de
eventuele aanvullende voorwaarden voor deze erkenning
zijn in de bijlage C2 opgenomen.
|
| 2. |
De bevoegde
autoriteit kan, in afwijking van artikel 3.04 voor het
voeren van een veerpont binnen het gebied van zijn
bevoegdheid een radarpatent onder voorwaarden afgeven,
die rekening houden met de bijzonderheden van het
traject waarop de veerpont vaart en waarvoor het
radarpatent moet gelden.
|
Artikel
1.05. Soorten patent
Ingevolge dit
reglement zijn te onderscheiden
| 1. |
vier soorten
Rijnpatenten:
| a. |
het
grote patent voor het voeren van alle schepen,
|
| b. |
het
kleine patent voor het voeren van een schip
met een lengte van minder dan 35 m, mits het
geen sleep- of duwboot is dan wel het niet
voor het voortbewegen van een gekoppeld
samenstel dient, of voor het voeren van een
schip, dat bestemd is voor het vervoer van
niet meer dan 12 passagiers,
|
| c. |
het
sportpatent voor het voeren van een
pleziervaartuig met een lengte van minder dan
25 m,
|
| d. |
het
overheidspatent voor het voeren van
overheidsschepen en van brandweerboten.
|
|
De hiervoor
aangehaalde patenten mogen eveneens worden gebruikt voor het
voeren van een schip als bedoeld in artikel 1.03, vierde lid.
| 2. |
Een
radarpatent voor de radarvaart.
|
Artikel
1.06. Richtlijnen
De Centrale
Commissie voor de Rijnvaart kan voor de toepassing van dit
reglement richtlijnen vaststellen. De bevoegde autoriteiten
dienen zich aan deze richtlijnen te houden.
Artikel
1.07. Wijzigingen door voorschriften van tijdelijke aard
De Centrale
Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke
aard vaststellen, wanneer het voor een aanpassing aan de
technische ontwikkeling van de binnenscheepvaart noodzakelijk
wordt geacht om in dringende gevallen afwijkingen van dit
reglement toe te laten dan wel proefnemingen mogelijk te
maken, waardoor de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het
scheepvaartverkeer niet worden benadeeld. Deze voorschriften
van tijdelijke aard worden door de bevoegde autoriteit
gepubliceerd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste
drie jaren. Zij worden in alle Oeverstaten en België op
hetzelfde tijdstip in werking gesteld en worden onder dezelfde
voorwaarden buiten werking gesteld.
Hoofdstuk 2.
Bepalingen betreffende de Rijnpatenten
Paragraaf
1. : Voorwaarden voor het verkrijgen van een Rijnpatent
Subparagraaf
1. : Algemene eisen
Artikel
2.01. Groot patent
| 1. |
Degene
die het grote patent wil verkrijgen moet ten
minste 21 jaar oud zijn.
|
| 2. |
De
gegadigde moet in het bezit zijn van een
marifoonbedieningscertificaat.
|
| 3. |
De
gegadigde moet de nodige kwalificatie
bezitten; gekwalificeerd is degene die:
| a. |
lichamelijk
en geestelijk geschikt is om een schip
te voeren.
De
geschiktheid wordt aangetoond door het
overleggen van een medische
verklaring, als bedoeld in de bijlagen
B1 en B2, afgegeven door een arts, die
door de bevoegde autoriteit is
aangewezen;
|
| b. |
geen
strafbare feiten in de scheepvaart
heeft begaan, terwijl uit voorgaand
gedrag verwacht mag worden dat een
schip veilig gevoerd en het bevel over
een bemanning uitgeoefend kan worden;
|
| c. |
bekwaam
is, dat wil zeggen beschikt over de
noodzakelijke beroepsmatige
vaardigheden en kennis, ook in
nautisch opzicht, alsmede over
voldoende kennis van de reglementen en
van de vaarweg. Aan de voorwaarden
wordt geacht te zijn voldaan wanneer
de gegadigde het daartoe ingestelde
examen met goed gevolg heeft afgelegd.
|
|
| 4. |
De
gegadigde moet een vaartijd aantonen van ten
minste vier jaar als lid van een dekbemanning,
waarvan ten minste twee jaren in de
binnenvaart als matroos of
matroos-motordrijver dan wel ten minste één
jaar als volmatroos. De vaartijd moet op
motorschepen zijn volbracht, waarvoor het
grote patent of het kleine patent noodzakelijk
is. De berekening van de vaartijd wordt gedaan
volgens artikel 2.08.
|
Artikel
2.02. Klein patent
| 1. |
Degene
die het kleine patent wil verkrijgen moet ten
minste 21 jaar oud zijn.
|
| 2. |
De
gegadigde moet in het bezit zijn van een
marifoonbedieningscertificaat.
|
| 3. |
De
gegadigde moet de nodige kwalificatie
bezitten; gekwalificeerd is degene die:
| a. |
lichamelijk
en geestelijk geschikt is om een schip
te voeren. De geschiktheid wordt
aangetoond door het overleggen van een
medische verklaring, als bedoeld in de
bijlagen B1 en B2, afgegeven door een
arts, die door de bevoegde autoriteit
is aangewezen;
|
| b. |
geen
strafbare feiten in de scheepvaart
heeft begaan, terwijl uit voorgaand
gedrag verwacht mag worden dat een
schip veilig gevoerd en het bevel over
een bemanning uitgeoefend kan worden;
|
| c. |
bekwaam
is, dat wil zeggen beschikt over de
noodzakelijke beroepsmatige
vaardigheden en kennis, ook in
nautisch opzicht, alsmede over
voldoende kennis van de reglementen en
van de vaarweg. Aan de voorwaarden
wordt geacht te zijn voldaan wanneer
de gegadigde het daartoe ingestelde
examen met goed gevolg heeft afgelegd.
|
|
| 4. |
De
gegadigde moet een vaartijd aantonen van ten
minste drie jaar in de binnenvaart als lid van
dekpersoneel waarvan tenminste één jaar in
de binnenvaart als matroos of
matroos-motordrijver. De vaartijd moet op
motorschepen zijn volbracht, waarvoor het
grote patent of het kleine patent noodzakelijk
is. De berekening van de vaartijd wordt gedaan
volgens artikel 2.08.
|
Artikel
2.03. Sportpatent
| 1. |
Degene
die het sportpatent wil verkrijgen moet ten
minste 18 jaar oud zijn.
|
| 2. |
De
gegadigde moet de nodige kwalificatie
bezitten; gekwalificeerd is degene die:
| a. |
lichamelijk
en geestelijk geschikt is om een schip
te voeren. De geschiktheid wordt
aangetoond door het overleggen van een
medische verklaring, als bedoeld in de
bijlagen B1 en B2, afgegeven door een
arts, die door de bevoegde autoriteit
is aangewezen;
|
| b. |
geen
strafbare feiten in de scheepvaart
heeft begaan, terwijl uit voorgaand
gedrag verwacht mag worden dat een
schip veilig kan worden gevoerd;
|
| c. |
bekwaam
is, dat wil zeggen beschikt over de
noodzakelijke beroepsmatige
vaardigheden en kennis, ook in
nautisch opzicht, alsmede over
voldoende kennis van de reglementen en
van de vaarweg. Aan de voorwaarden
wordt geacht te zijn voldaan wanneer
de gegadigde het daartoe ingestelde
examen met goed gevolg heeft afgelegd.
|
|
Artikel
2.04. Overheidspatent
| 1. |
Degene
die het overheidspatent wil verkrijgen moet:
| a. |
ten
minste 21 jaar oud zijn;
|
| b. |
deel
uit maken van een politie- of
douanedienst, een andere autoriteit
dan wel van een erkende
brandweerdienst;
|
| c. |
lichamelijk
en geestelijk geschikt zijn om een
schip te voeren.De geschiktheid wordt
aangetoond door het overleggen van een
medische verklaring, als bedoeld in de
bijlagen B1 en B2, afgegeven door een
arts, die door de bevoegde autoriteit
is aangewezen;
|
| d. |
bekwaam
zijn, dat wil zeggen beschikt over de
noodzakelijke beroepsmatige
vaardigheden en kennis, ook in
nautisch opzicht, alsmede over
voldoende kennis van de reglementen en
van de vaarweg. Aan de eisen wordt
geacht te zijn voldaan wanneer de
gegadigde het daartoe ingestelde
examen met goed gevolg heeft afgelegd;
|
| e. |
ten
minste drie jaren de binnenvaart in de
praktijk hebben uitgeoefend, waarvan
ten minste drie maanden gedurende het
laatste jaar.
|
|
| 2. |
De
dienst waarvan de aanvrager deel uitmaakt moet
een verklaring hebben afgegeven, waarin de
informatie bedoeld in het eerste lid,
onderdelen b en e en de artikelen 2.05 en 2.06
wordt bevestigd.
|
Subparagraaf
2. : Speciale kennis van riviergedeelten
Artikel
2.05. Bedoeld riviergedeelte
Ongeacht het
soort patent is specifieke kennis van riviergedeelten
daarenboven verplicht tussen de sluizen te Iffezheim
(km 335,92) en het Spijksche Veer (km 857,40).
Artikel
2.06. Verkrijging van de kennis van riviergedeelten
| 1. |
Degene
die een Rijnpatent of een bewijs voor
riviergedeelten verkrijgen wil, moet het
aangevraagde gedeelte, dat zich tussen de
sluizen te Iffezheim en het Spijksche Veer
bevindt, in de laatste tien jaren ten minste
zestien maal hebben bevaren, waarvan binnen de
laatste drie jaren ten minste drie maal in
elke richting.
| a. |
Degene
die een grote patent, een kleine
patent of een bewijs voor
riviergedeelten verkrijgen wil, moet
zijn reizen als matroos,
matroos-motordrijver, volmatroos of
stuurman aan boord van een motorschip
hebben gemaakt, voor het voeren
waarvan het aangevraagde patent of een
door de CCR als gelijkwaardig erkend
vaarbevoegdheidsbewijs is
voorgeschreven.
|
| b. |
Degene
die een sportpatent wil verkrijgen,
moet zijn reizen aan boord van een
schip met een lengte van 15 m of meer
hebben gemaakt; de reizen komen
slechts in aanmerking, als de persoon
ten minste 15 jaar oud is. Het aantal
van de voorgeschreven reizen kan
verminderd worden tot vier reizen in
elke richting binnen het laatste jaar
voorafgaand aan de aanvraag, als de
reizen het kader van een vakkundige
opleiding zijn gemaakt.
|
| c. |
Degene
die een overheidspatent wil
verkrijgen, moet zijn reizen aan boord
van een schip met een lengte van 15 m
of meer hebben gemaakt; de reizen
komen slechts in aanmerking, als de
persoon ten minste 15 jaar oud is.
|
|
| 2. |
Daarenboven
wordt een met goed gevolg afgelegd examen
voorgeschreven. In dit examen wordt de
beschrijving van de vaarweg in de op- en de
afvaart evenals de beschrijving van de
afmetingen van de scheepvaartweg gevraagd.
Daartoe moet de kandidaat ook de
politievoorschriften voor die riviergedeelte
kunnen toepassen (bijlage D1).
|
Artikel
2.07. Bewijs voor riviergedeelten
| 1. |
De
gegadigde voor een patent voor een gedeelte,
dat de in artikel 2.05 gedefinieerde
riviergedeelte geheel of gedeeltelijk omvat,
en de houder van een als gelijkwaardig erkend
vaarbevoegdheidsbewijs, die de in artikel 2.05
gedefinieerde riviergedeelte geheel of
gedeeltelijk willen bevaren, moeten de
noodzakelijke kennis van riviergedeelten
kunnen aantonen.
|
| 2. |
Als
bewijs van de kennis van riviergedeelten wordt
op de patentkaart het riviergedeelte
aangegeven, waarvoor deze patentkaart van
toepassing is. Voor de met het grote patent
als gelijkwaardig erkende
vaarbevoegdheidsbewijs wordt de kennis van het
riviergedeelte door middel van een bewijs voor
riviergedeelten bedoeld in bijlage A3
aangetoond.
|
Paragraaf
2. : Vaartijd
Artikel
2.08. Berekening van de vaartijd
| 1. |
Als één
jaar vaartijd gelden 180 effectieve vaardagen in
de binnenvaart. Binnen een periode van 365
opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als
vaartijd worden meegerekend.
|
| 2. |
Tot de
vaartijd wordt meegerekend:
| a. |
de
tijd van de opleiding, met een maximum van
drie jaren, indien de gegadigde in het
bezit is van een door de bevoegde
autoriteit erkende verklaring inzake een
met goed gevolg afgesloten
beroepsopleiding met praktijkgedeelten op
het gebied van de binnenvaart,
|
| b. |
de
aangetoonde vaartijd, met een maximum van
twee jaren, die op zee als lid van een
dekbemanning is doorgebracht, waarbij 250
zeedagen als één jaar vaartijd gelden.
|
|
Artikel
2.09. Bewijs van vaartijd en reizen op bepaalde
riviergedeelten
| 1. |
De
vereiste vaartijd en de reizen op bepaalde
riviergedeelten van de Rijn moeten worden
aangetoond aan de hand van een behoorlijk ingevuld
en gewaarmerkt dienstboekje, als bedoeld in de
bijlage F van het Reglement onderzoek schepen op
de Rijn of aan de hand van een door de CCR voor de
Rijn als gelijkwaardig erkend dienstboekje. Het
dienstboekje moet door de bevoegde autoriteit in
ten minste één van de CCR voertalen zijn
afgegeven.
|
| 2. |
Voor
zover een dienstboekje ingevolge nationale
voorschriften van de Rijnoeverstaten en België
voor de vaarwegen buiten de Rijn niet is
voorgeschreven, kan de vaartijd ook worden
aangetoond door een geldig ambtelijk document, dat
tenminste de volgende gegevens bevat:
| a. |
soort,
grootte, aantal passagiers, naam en
vermogen van de schepen, waarop de
aanvrager heeft gevaren;
|
| b. |
de
naam van de schipper;
|
| c. |
het
tijdstip van het begin en het einde van de
reizen;
|
| d. |
de
uitgeoefende functie;
|
| e. |
de
bevaren riviergedeelten (precieze
aanduiding met plaatsen van vertrek en
aankomst).
|
Voor het
overheidspatent worden de voorgeschreven reizen en
vaartijden aan de hand van een certificaat
aangetoond, dat door de dienst waarvan de
aanvrager deel uitmaakt wordt opgesteld.
|
| 3. |
De
vaartijd kan eveneens worden aangetoond met een
bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel
2.15, derde lid, tot de omvang die voor het
verkrijgen van dit bewijs reeds is aangetoond.
|
| 4. |
De
vaartijd op zee moet worden aangetoond door middel
van een monsterboekje.
|
| 5. |
De tijd
doorgebracht op een vakschool voor schippers moet
worden aangetoond door een getuigschrift van die
school.
|
| 6. |
Voor
zover noodzakelijk, moeten de documenten, als
bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid,
vergezeld van een officiële vertaling in de
Duitse, Franse of Nederlandse taal worden
overgelegd.
|
Paragraaf
3. Toelatings- en examenprocedure
Artikel
2.10. Examencommissie
| 1. |
De
bevoegde autoriteit benoemt één of meer
examencommissies voor het afnemen van de examens.
Iedere examencommissie bestaat uit een voorzitter,
die vertegenwoordiger is van de overheid van één
der Rijnoeverstaten of België, en ten minste twee
bijzitters, die voldoende ter zake kundig zijn.
|
| 2. |
De
examencommissie voor het Rijnpatent moet zo zijn
samengesteld, dat ten minste één examinator
houder is van het patent van het type dat wordt
aangevraagd dan wel van het grote patent en deze,
of een andere examinator, houder is van het patent
voor het aangevraagde riviergedeelte.
|
Artikel
2.11. Aanvraag voor het verkrijgen of uitbreiden van een
Rijnpatent
| 1. |
Degene
die een Rijnpatent wil verkrijgen of uitbreiden
moet een aanvraag voor toelating tot het examen en
afgifte van het patent aan de bevoegde autoriteit
richten, onder opgave van het volgende:
| a. |
voor-
en achternamen, geboortedatum,
geboorteplaats en adres;
|
| b. |
soort
patent dat men wil verkrijgen;
|
| c. |
gedeelte
van de Rijn waarvoor het patent wordt
aangevraagd.
|
|
| 2. |
Bij de
aanvraag van een Rijnpatent moeten worden
overgelegd:
| a. |
een
recente pasfoto;
|
| b. |
een
kopie van de identiteitskaart of het
paspoort;
|
| c. |
een
medische verklaring als bedoeld in bijlage
B2, die niet ouder dan drie maanden mag
zijn. Ingeval van twijfel aan de
lichamelijke en geestelijke geschiktheid
kan de bevoegde autoriteit verlangen dat
verklaringen van een arts of een
specialist worden overgelegd.
|
| d. |
een
bewijs van de vaartijd en van de reizen op
bepaalde riviergedeelten;
|
| e. |
bij
aanvraag van een groot of een klein patent
een kopie van het
marifoonbedieningscertificaat;
|
| f. |
een
uittreksel uit het strafregister.
|
|
| 3. |
Een
bewijs van lichamelijke en geestelijke
geschiktheid kan in plaats van een medische
verklaring als bedoeld in bijlage B2, eveneens
worden aangetoond met een door de CCR erkend
| a. |
geldig
vaarbevoegdheidsbewijs, waarvoor dezelfde
eisen gelden als bedoeld in bijlage B1 en
B2 en dat conform artikel 2.17 is
vernieuwd, of
|
| b. |
medische
verklaring, die niet ouder dan drie
maanden is en voor de afgifte waarvan
tenminste dezelfde eisen gelden als
bedoeld in bijlage B1 en B2.
|
|
| 4. |
In
plaats van het uittreksel uit het strafregister
kan het aantonen ook met een ander, naar het
geldende recht van de woonplaats, gelijkwaardig
document, worden gedaan. Dit geldige document mag
in elk geval niet ouder zijn dan 6 maanden.
|
| 5. |
Indien
het patent tot een ander riviergedeelte moet
worden uitgebreid moet bij de aanvraag worden
bijgevoegd:
| a. |
een
recente pasfoto;
|
| b. |
een
kopie van de identiteitskaart of het
paspoort;
|
| c. |
een
kopie van het geldige Rijnpatent;
|
| d. |
het
bewijs van de reizen op de
riviergedeelten.
|
|
| 6. |
Voor de
aanvraag voor een ander type Rijnpatent door een
houder van een Rijnpatent moet worden bijgevoegd:
| a. |
een
recente pasfoto;
|
| b. |
een
kopie van de identiteitskaart of het
paspoort;
|
| c. |
een
kopie van het geldige Rijnpatent.
|
|
Artikel
2.12. Aanvraag voor het verkrijgen of uitbreiden van een
bewijs voor riviergedeelten
| 1. |
Degene
die een bewijs voor riviergedeelten verkrijgen of
uitbreiden wil, moet een aanvraag voor toelating
tot het examen en afgifte van een bewijs voor
riviergedeelten met de volgende bijlagen tot de
bevoegde autoriteit richten:
| a. |
voor-
en achternamen, geboortedatum,
geboorteplaats en adres;
|
| b. |
gedeelte
van de Rijn waarvoor het bewijs voor
riviergedeelten moet worden verkregen.
|
|
| 2. |
Bij de
aanvraag voor het verkrijgen of uitbreiden van een
bewijs voor riviergdeelten moeten worden gevoegd:
| a. |
een
recente pasfoto;
|
| b. |
een
kopie van de identiteitskaart of het
paspoort;
|
| c. |
een
kopie van het door de CCR, ingevolge
artikel 1.03, eerste lid, als
gelijkwaardig erkend geldig
vaarbevoegdheidsbewijs
|
| d. |
het
bewijs van de reizen op de
riviergedeelten.
|
|
Artikel
2.13. Toelating tot het examen
| 1. |
Na het
overleggen van alle bijlagen bij de aanvraag
conform artikel 2.11, eerste tot en met vierde
lid, wordt tot het examen voor het verkrijgen van
een Rijnpatent toegelaten, degene die aan de eisen
voldoet, conform artikel 2.01, 2.02 met
uitzondering van het derde lid, onder c of artikel
2.03 met uitzondering van het tweede lid, onder c.
Indien uit de medische verklaring slechts een
beperkte geschiktheid blijkt, wordt de gegadigde
toch tot het examen toegelaten. De bevoegde
autoriteit kan in dit geval aan het patent
voorwaarden verbinden, die bij afgifte in het
patent worden aangetekend. Een afwijzing van de
aanvraag moet met redenen worden omkleed. De
bevoegde autoriteit kan voor een gegadigde, wiens
uitreksel uit het strafregister of ander
gelijkwaardig document niet voldoende is, bepalen
dat deze vóór afloop van een bepaalde termijn
niet tot een examen kan worden toegelaten (uitsluitingstermijn).
|
| 2. |
Degene
die een Rijnpatent met een ander riviergedeelte
wil uitbreiden, wordt na het overleggen van alle
bijlagen bij de aanvraag conform artikel 2.11,
eerste en vijfde lid, toegelaten.
|
| 3. |
Degene
die een Rijnpatent op een ander type Rijnpatent
wil verkrijgen, wordt na het overleggen van alle
bijlagen bij de aanvraag conform artikel 2.11
eerste en zesde lid toegelaten.
|
| 4. |
Degene
die een bewijs voor riviergedeelten wil verkrijgen
of uitbreiden, wordt na het overleggen van alle
bijlagen bij de aanvraag conform artikel 2.12 voor
het examen toegelaten.
|
Artikel
2.14. Examen
| 1. |
De
gegadigde moet tijdens het examen voor de
examencommissie aantonen dat hij
| a. |
beschikt
over voldoende kennis van de voorschriften
ter zake van het voeren van schepen en de
voor het veilig voeren daarvan vereiste
nautische en scheepstechnische kennis,
beroepsvaardigheden en kennis van de
grondbeginselen van het voorkomen van
ongevallen; deze kennis wordt tijdens het
examen overeenkomstig het examenprogramma
bedoeld in de bijlage D1 nagegaan;
|
| b. |
beschikt
over de vereiste kennis, indien conform
artikel 2.05 van het betreffende
riviergedeelte een dergelijk examen is
vereist.
|
|
| 2. |
Voor het
verkrijgen van het grote patent en het kleine
patent is een theoretisch examen, en voor het
verkrijgen van het sportpatent en het
overheidspatent een theoretisch en een praktisch
examen vereist.
|
| 3. |
Indien
het examen niet wordt gehaald worden de redenen
van afwijzing medegedeeld aan de gegadigde. De
examencommissie kan aan het opnieuw deelnemen aan
een examen verplichtingen of voorwaarden verbinden
dan wel daarvoor vrijstellingen verlenen.
|
Artikel
2.15. Vrijstellingen en verlaging van de eisen bij het
examen
| 1. |
Degene
die het eindexamen van een beroepsopleiding met
goed gevolg heeft afgelegd kan worden vrijgesteld
van die gedeelten van het examen, die betrekking
hebben op kennis en vaardigheden, die reeds
onderwerp van een door de CCR als gelijkwaardig
erkend examen waren.
|
| 2. |
De
houder van een bewijs van vaarbekwaamheid als
bedoeld in artikel 1.03, vierde lid, kan bij het
verwerven van het sportpatent van dat gedeelte van
het examen worden vrijgesteld dat betrekking heeft
op nautische kennis.
|
| 3. |
De
houder van een vaarbewijs van één der
Rijnoeverstaten of België dan wel een ander
geldig en door de Centrale Commissie voor de
Rijnvaart als gelijkwaardig erkend bewijs van
vaarbekwaamheid voor het voeren van een schip op
andere vaarwegen moet voor het verkrijgen van een
Rijnpatent voldoen aan de toelatingseisen als
bedoeld in artikel 2.13, doch tijdens het examen
slechts de kennis van de op de Rijn van toepassing
zijnde reglementen en bepalingen en de kennis van
het betreffende riviergedeelte conform artikel
2.05 aantonen.
|
| 4. |
De
houder van een overheidspatent verkrijgt op
aanvraag een sportpatent voor hetzelfde
riviergedeelte zonder daarvoor examen te doen.
|
| 5. |
Voor het
verkrijgen van een ander patent als bedoeld in
artikel 1.04 of van een uitbreiding tot een ander
riviergedeelte kan de houder van een Rijnpatent
van dat deel van het examen worden vrijgesteld,
dat betrekking heeft op de kennis of de
vaardigheden, welke reeds voor het verkrijgen van
zijn huidige patent moesten worden aangetoond.
|
Artikel
2.16. Afgifte en uitbreiding van patenten
| 1. |
De
bevoegde autoriteit geeft aan degene die het
examen met goed gevolg heeft afgelegd het
betreffende Rijnpatent af volgens het model van de
bijlage A1.
De
patentkaart heeft één der navolgende opdrukken:
«Groot
Patent», «Klein Patent», «Sportpatent» of «Overheidspatent».
|
| 2. |
De
voorwaarden bedoeld in artikel 2.13, eerste lid,
derde volzin, worden in het patent aangetekend.
|
| 3. |
Voor de
tijd gelegen tussen het slagen voor het examen en
de afgifte van het patent volgens het model van de
bijlage A1, verstrekt de autoriteit die het patent
afgeeft een voorlopig Rijnpatent volgens het model
van de bijlage A2; ook kan de bevoegde autoriteit
een voorlopig Rijnpatent verstrekken voor de tijd
tussen de vervaldatum voor de vernieuwing van het
patent en de afgifte van het nieuwe patent.
|
| 4. |
Ingeval
van een uitbreiding kan een bevoegde autoriteit
het document als bedoeld in het derde lid ook
afgeven ter overbrugging van de tijd gelegen
tussen het slagen voor het examen en de afgifte
van het nieuwe Rijnpatent. In verband met de
afgifte van een nieuw Rijnpatent volgens het model
van de bijlage A1 wordt de autoriteit die het
patent heeft afgegeven hiervan in kennis gesteld.
|
| 5. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven geeft op
verzoek een vervangend patent af indien het
Rijnpatent onbruikbaar is geworden, verloren is
gegaan of anderszins in het ongerede is geraakt.
Dit patent wordt als zodanig gewaarmerkt. Het
verlies moet bij de bevoegde autoriteit
aannemelijk worden gemaakt. Een onbruikbaar
geworden of een teruggevonden patent moet bij de
autoriteit die het heeft afgegeven worden
ingeleverd of worden overgelegd om ongeldig te
worden verklaard.
|
Artikel
2.17. Afgifte van een bewijs voor riviergedeelten
De bevoegde
autoriteit geeft aan degene die het examen voor de
riviergedeelten ingevolge artikel 2.06, tweede lid, met
goed gevolg heeft afgelegd een bewijs voor riviergedeelten
af volgens het model van de bijlage A3.
Artikel
2.18. Kosten
Het examen, de
afgifte, de uitbreiding en het verstrekken van het
Rijnpatent of een bewijs voor riviergedeelten, evenals het
vervangen en het omruilen worden gedaan tegen een
redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De
hoogte van de kosten wordt door de bevoegde autoriteit
vastgesteld. Deze kan de kosten geheel of ten dele vanaf
het tijdstip van aanvraag vorderen.
Artikel
2.19. Regelmatige controle van de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid
| 1. |
De
houder van het grote patent, het kleine patent,
het sportpatent of een door de CCR als
gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs moet
zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid
opnieuw aantonen door het overleggen van een
medische verklaring, als bedoeld in de bijlage B2
of een als gelijkwaardig erkende medische
verklaring, die niet ouder dan drie maanden mag
zijn:
| a. |
iedere
vijf jaren vanaf het bereiken van de
leeftijd van 50 jaar tot de leeftijd van
65 jaar;
|
| b. |
ieder
jaar vanaf het bereiken van de leeftijd
van 65 jaar.
|
|
| 2. |
Het
aangehaalde bewijs van de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid moet worden overgelegd
aan de autoriteit, die het patent heeft afgegeven.
Het kan ook bij een andere bevoegde autoriteit
worden overgelegd. Deze autoriteit geleidt de
bescheiden verder naar de autoriteit die het
patent afgeeft en geeft zo nodig een tijdelijke
verklaring als vervangend document af.
|
| 3. |
Voor de
bezitters van een als gelijkwaardig erkende
verklaring moet de medische verklaring worden
overgelegd aan de autoriteit, die voor de afgifte
van een Rijnpatent gerechtigd is / of die
autoriteit te overleggen, die het als
gelijkwaardig erkende verklaring heeft afgegeven.
De met deze aanvraag belaste autoriteit geeft een
document voor de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid overeenkomstig het model volgens
bijlage B3 af.
|
Artikel
2.20. Bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid
door houders van een Rijnpatent vanaf de leeftijd van 50
jaar
De autoriteit
die het patent afgeeft geeft de houder van een patent op
vertoon van een medische verklaring, op basis van deze
verklaring de navolgende bescheiden af:
| a. |
een
nieuwe patentkaart bij het bereiken van de
leeftijd van 50 en 65 jaar;
|
| b. |
een
nieuwe patentkaart of een bewijs van lichamelijke
en geestelijke geschiktheid als bedoeld in bijlage
B3, bij het bereiken van de leeftijd van 55 en 60
jaar;
|
| c. |
een
beschikking over de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid als bedoeld in bijlage B3, voor de
controles die na het bereiken van de leeftijd van
65 jaar zullen plaatsvinden.
|
Op het bewijs
van lichamelijke en geestelijke geschiktheid als bedoeld
in bijlage B3 moet ook een vervaldatum worden aangebracht,
die de vervaldatum van de patentkaart vervangt.
| 2. |
Het
bewijs als bedoeld in het eerste lid onder b en c
kan door de bevoegde autoriteit ook op de medische
verklaring bedoeld in bijlage B2 worden
aangebracht. Deze moet in dit geval ook de datum
aangeven, tot wanneer de patentkaart geldig is.
|
| 3. |
Blijkt
uit de medische verklaring slechts een beperkte
lichamelijke en geestelijke geschiktheid, geeft de
autoriteit die het afgeeft op de vernieuwde
patentkaart, op het bewijs van lichamelijke en
geestelijke geschiktheid of de medische verklaring
bedoeld in bijlage B2 de aanvullende voorwaarden
dan wel de geldigheid van het patent weer.
|
| 4. |
Wordt
geen nieuwe patentkaart afgegeven, dan is het
Rijnpatent slechts geldig, als de houder van het
patent in het bezit is van een bewijs van
lichamelijke en geestelijke geschiktheid bedoeld
in bijlage B3 of van een door de bevoegde
autoriteit gewaarmerkte medische verklaring
bedoeld in bijlage B2.
|
Artikel
2.21. Bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid
door houders van een als gelijkwaardig erkend
vaarbevoegdheidsbewijs vanaf de leeftijd van 50 jaar
| 1. |
De
bevoegde autoriteit, zoals deze in artikel 2.19,
derde lid wordt gedefinieerd, geeft op vertoon van
de medische verklaring, en op basis daarvan, de
houder van een door de CCR als gelijkwaardig
erkend vaarbevoegdheidsbewijs vanaf de leeftijd
van 50 jaar een bewijs van lichamelijke en
geestelijke geschiktheid conform het model van de
bijlage B3.
|
| 2. |
Blijkt
uit de medische verklaring slechts een beperkte
lichamelijke en geestelijke geschiktheid, dan vult
de bevoegde autoriteit op het bewijs van
lichamelijke en geestelijke geschiktheid de
aanvullende voorwaarden dan wel de geldigheid van
het als gelijkwaardig erkende
vaarbevoegdheidsbewijs op de Rijn in.
|
| 3. |
Het als
gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs,
waarvan de houder meer dan 50 jaar is, is op de
Rijn alleen geldig, als deze in het bezit is van
een bewijs van lichamelijke en geestelijke
geschiktheid conform het model van de bijlage B3.
|
Paragraaf
4. Opschorten en intrekken
Artikel
2.22. Opschorten van de geldigheid van het patent
| 1. |
De
geldigheid van een patent wordt opgeschort
| a. |
door
een beslissing van de bevoegde autoriteit
die daarbij de duur van het opschorten
vaststelt. De bevoegde autoriteit kan een
dergelijke beslissing tot opschorten nemen
wanneer de voorwaarden voor intrekken nog
niet zijn vervuld maar er twijfel bestaat
over de bekwaamheid van de patenthouder.
Indien deze twijfel vóór het einde van
de termijn van opschorten wordt
weggenomen, dient de beslissing te worden
ingetrokken;
|
| b. |
automatisch
zonder dat een dergelijke beslissing is
genomen, tot aan de verlenging van het
bewijs van lichamelijke en geestelijke
geschiktheid, indien de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid niet binnen 3
maanden na de verlengingstermijn, bedoeld
in artikel 2.19, eerste lid, opnieuw is
aangetoond.
|
|
| 2. |
Heeft de
bevoegde autoriteit twijfel aan de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid van de Rijnpatenthouder,
| a. |
informeert
ze de autoriteit die het patent heeft
afgegeven. Deze kan verlangen dat een
medische verklaring als bedoeld in bijlage
B2 of een door de CCR als gelijkwaardig
erkend medische verklaring betreffende de
huidige staat van de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid wordt overgelegd.
De kosten hiervoor worden alleen dan
gedragen door de houder van het patent
indien het vermoeden gegrond blijkt te
zijn;
|
| b. |
kan
ze de geldigheid voor een bepaalde tijd
opschorten. Deze mag de door de autoriteit
die het patent heeft afgegeven
vastgestelde datum van de nieuwe medische
verklaring niet overschrijden. De CCR en
de autoriteit die het patent heeft afgeven
wordt daarbij in kennis gesteld van haar
beslissing.
|
|
| 3. |
In het
geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, moet
het Rijnpatent bij de bevoegde autoriteit in
bewaring worden gegeven.
|
Artikel
2.23. Opschorten van de geldigheid van een als
gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs
Het door de CCR
als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs verliest,
ook zonder beschikking, of zonder dat daarvoor een
bijzondere beslissing nodig is, de geldigheid op de Rijn,
wanneer het bewijs van lichamelijke en geestelijke
geschiktheid conform bijlage B3 niet wordt getoond, of
binnen drie maanden na de in artikel 2.19, eerste lid,
bedoelde verlengingstermijn niet wordt voorgelegd of
vernieuwd.
Artikel
2.24. Intrekken van het Rijnpatent
| 1. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven moet het
patent intrekken indien blijkt dat de houder van
een Rijnpatent niet bekwaam is tot het voeren van
een schip in de zin van de artikelen 2.01, 2.02 en
2.03.
|
| 2. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven kan het
patent intrekken indien de houder van een
Rijnpatent herhaaldelijk een voorwaarde of een
beperking als bedoeld in artikel 2.16, tweede lid,
niet nakomt.
|
| 3. |
Bij
intrekking verliest het Rijnpatent haar
geldigheid. Het ongeldige patent dient onverwijld
bij de autoriteit die het patent heeft afgegeven
te worden ingeleverd dan wel te worden overgelegd
om ongeldig verklaard te worden.
|
| 4. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven kan bij
het intrekken bepalen dat
| a. |
vóór
het einde van een bepaalde termijn geen
nieuw patent mag worden afgegeven, of
|
| b. |
de
kandidaat voor een nieuw patent, teneinde
tot een nieuw examen te worden toegelaten,
aan bepaalde voorwaarden moet hebben
voldaan.
|
|
| 5. |
Na
ontvangst van de aanvraag tot het verstrekken van
een nieuw patent kan de bevoegde autoriteit de
gegadigde geheel of gedeeltelijk van het examen
vrijstelling verlenen.
|
| 6. |
De
autoriteit die het patent intrekt deelt dit aan de
Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede. Indien
een bevoegde autoriteit feiten vaststelt, die tot
het intrekken van een patent kunnen leiden, stelt
hij de autoriteit die het patent heeft afgegeven
hiervan in kennis.
|
Artikel
2.25. Vaarverbod voor de houder van een als gelijkwaardig
erkend vaarbevoegdheidsbewijs
| 1. |
Indien
er twijfel is over de lichamelijke en geestelijke
geschiktheid van de schipper, die houder is van
een als gelijkwaardig erkend
vaarbevoegdheidsbewijs, kan de bevoegde autoriteit
of de bevoegde rechtbank een tijdelijk vaarverbod
op de Rijn opleggen, tot een nieuwe medische
verklaring als bedoeld in bijlage B2 of een door
de CCR als gelijkwaardig erkend bewijs wordt
overgelegd; de bevoegde autoriteit informeert de
CCR en de autoriteit die het
vaarbevoegdheidsbewijs heeft afgegeven over dit
besluit. Wordt de twijfel op vertoon van de
medische verklaring weggenomen, dan moet het
opgelegde vaarverbod worden opgeheven. De kosten
voor de afgifte van de nieuwe medische verklaring
worden alleen dan gedragen door de houder van het
patent indien het vermoeden gegrond blijkt te
zijn.
|
| 2. |
De
bevoegde autoriteit of de bevoegde rechtbank kan
aan een schipper, die houder van een als
gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs is,
een tijdelijk of definitief vaarverbod op de Rijn
opleggen:
| a. |
bij
bewezen lichamelijke of geestelijke
ongeschiktheid, of
|
| b. |
bij
veelvuldig overtreden van belangrijke
veiligheids- of gedragsvoorschriften, in
het bijzonder bij het herhaald voeren van
een schip met een alcoholconcentratie in
het bloed, die het in het
Rijnvaartpolitiereglement vastgelegde
promillage overschrijdt.
|
|
| 3. |
In geval
er geen urgentie is, wordt de beschikking na
verhoor van de houder van het bedoelde
vaarbevoegdheidsbewijs vastgesteld; de autoriteit
die het vaarbevoegdheidsbewijs heeft afgegeven en
de CCR worden van het verhoor en van de door de
bevoegde autoriteit genomen beslissing in kennis
gesteld.
|
Artikel
2.26. Invordering van een Rijnpatent
| 1. |
Indien
er dringende redenen aanwezig zijn om het patent
in te trekken (artikel 2.24) of om de geldigheid
daarvan op te schorten (artikel 2.22, eerste lid,
onderdeel a) kan de bevoegde autoriteit besluiten
dat het patent tijdelijk wordt ingevorderd.
|
| 2. |
Een
Rijnpatent dat tijdelijk is ingevorderd wordt
onverwijld en onder opgave van redenen bij de
autoriteit die het heeft afgegeven of bij de
ingevolge de nationale voorschriften bevoegde
rechtbank, overgelegd.
|
| 3. |
De
autoriteit die het patent heeft afgegeven moet
onverwijld, nadat zij van het besluit van de
tijdelijke invordering kennis heeft genomen, een
beslissing nemen over het opschorten van de
geldigheid van het patent of het intrekken
daarvan. Indien een rechtbank bevoegd is, wordt
besloten overeenkomstig de nationale voorschriften
van de Rijnoeverstaten of België. Totdat een
besluit als bedoeld in eerste en tweede zin is
genomen, geldt het besluit van de tijdelijke
invordering tevens als een besluit als bedoeld in
artikel 2.22, eerste lid, onderdeel a.
|
| 4. |
Het
tijdelijk invorderen van het patent moet worden
opgeheven en het patent moet aan de houder worden
teruggegeven, wanneer de oorzaak daarvan is komen
te vervallen, of wanneer een opschorting niet
wordt voorgeschreven dan wel het patent niet wordt
ingetrokken.
|
Artikel
2.27. Invordering van een als gelijkwaardig erkend
vaarbevoegdheidsbewijs
| 1. |
Bestaat
een ernstig vermoeden, dat een
vaarbevoegdheidsbewijs door de autoriteit die het
heeft afgegeven wordt ingetrokken of opgeschort,
of bestaat er een ernstige verdenking van een
frauduleus verkregen document, dan kan de bevoegde
autoriteit gelasten tot het tijdelijk in beslag
nemen van het patent.
|
| 2. |
Een
tijdelijk in beslag genomen bevoegdheidsbewijs
moet onverwijld aan de autoriteit die dit heeft
afgegeven worden overgelegd.
|
| 3. |
De
autoriteit die het vaarbevoegdheidsbewijs heeft
afgegeven voert de noodzakelijke controles uit en
stelt de bevoegde autoriteit die het
bevoegdheidsbewijs in beslag genomen heeft en de
CCR onverwijld van de geldigheid van het document
in kennis.
|
Hoofdstuk 3.
Voorwaarden voor het verkrijgen van een radarpatent
Artikel
3.01. Algemene bepalingen
Degene die een
radarpatent wil verkrijgen moet:
| a. |
ten minste
18 jaar oud,
|
| b. |
houder van
een schipperspatent, en
|
| c. |
houder van
een marifoonbedieningscertificaat zijn.
|
Artikel
3.02. Aanvraag en toelating tot het examen
| 1. |
De gegadigde
voor een radarpatent moet een aanvraag voor toelating
tot het examen en tot afgifte van een patent richten
aan de bevoegde autoriteit, onder opgave van de
volgende gegevens:
| a. |
voor-
en achternaam;
|
| b. |
geboortedatum
en geboorteplaats;
|
| c. |
adres.
|
|
| 2. |
Bij de
aanvraag moeten worden overgelegd:
| a. |
een
recente pasfoto;
|
| b. |
een
kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
|
| c. |
een
kopie van het schipperspatent;
|
| d. |
een
kopie van het marifoonbedieningscertificaat.
|
|
Artikel
3.03. Examencommissie
| 1. |
De bevoegde
autoriteit benoemt één of meer examencommissies voor
het afnemen van de examens. Iedere examencommissie
bestaat uit een voorzitter, die vertegenwoordiger is
van de bevoegde autoriteit, en ten minste twee
examinatoren die voldoende ter zake kundig zijn.
|
| 2. |
De
examinator die toeziet op het verloop van het
praktische deel van het examen moet houder van het
radarpatent zijn.
|
Artikel
3.04. Examen
| 1. |
De gegadigde
moet tijdens het examen ten overstaan van een
examencommissie als bedoeld in artikel 3.03 aantonen
dat hij overeenkomstig het examenprogramma, bedoeld in
bijlage D2 (theoretisch en praktisch deel), beschikt
over voldoende kennis ter zake van het voeren van een
schip met behulp van radar.
|
| 2. |
Het
praktische examen kan ook op een door de bevoegde
autoriteit hiervoor toegelaten radarsimulator worden
afgenomen.
|
| 3. |
Aan het in
het eerste lid gestelde vereiste wordt voldaan wanneer
de gegadigde een ander bewijs bezit dan voorgeschreven
volgens dit reglement, voor zover dit bewijs door de
bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of
België als gelijkwaardig is erkend.
|
| 4. |
De gegadigde
die voor het theoretische of praktische onderdeel van
het examen is gezakt, kan voor dit onderdeel binnen
een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn,
die niet korter dan twee maanden mag zijn, bij
dezelfde examencommissie een herexamen doen. Indien de
gegadigde niet binnen een jaar voor het herexamen is
geslaagd, moet hij opnieuw worden geëxamineerd voor
het volledige examenprogramma.
|
| 5. |
De
examencommissie deelt aan iedere gegadigde persoonlijk
de uitslag van het examen mee. Op verzoek van de
gegadigde moet de examencommissie mondeling
inlichtingen geven over de door hem gemaakte fouten en
kan zij hem tevens het inzien van de examendocumenten
toestaan.
|
Artikel
3.05. Afgifte van het radarpatent
| 1. |
Indien de
gegadigde voor het examen is geslaagd, geeft de
bevoegde autoriteit aan hem het radarpatent af volgens
het model van bijlage A4.
|
| 2. |
Het bezit
van het radarpatent kan op de schipperspatentkaart met
het woord «Radar» worden aangegeven.
|
| 3. |
Op de
radarpatenten, bedoeld in artikel 1.04, tweede lid,
wordt aangetekend:
«Alleen
geldig voor het voeren van een veerpont tussen
........ en ..........».
|
| 4. |
Is een
radarpatent onbruikbaar geworden, verloren gegaan of
anderszins in het ongerede geraakt, dan geeft de
autoriteit die het heeft afgegeven op aanvraag een
vervangend patent af, dat als zodanig is gewaarmerkt.
De houder moet ten overstaan van de bevoegde
autoriteit het verlies aannemelijk maken. Een
onbruikbaar geworden of een teruggevonden patent moet
bij de autoriteit die het heeft afgegeven worden
ingeleverd of worden overgelegd om ongeldig te te
worden verklaard.
|
Artikel
3.06. Intrekken van het radarpatent
Het radarpatent kan
door de bevoegde autoriteit worden ingetrokken, wanneer de
houder bij het voeren van een schip met behulp van radar een
voor de scheepvaart gevaar veroorzakende onbekwaamheid aan de
dag heeft gelegd. Het radarpatent kan tijdelijk dan wel
permanent worden ingetrokken.
Artikel
3.07. Verbod voor de houder van een als gelijkwaardig erkend
radargetuigschrift voor het voeren van een schip met radar
| 1. |
De bevoegde
autoriteit of de bevoegde rechter kan de schipper, die
houder van een als gelijkwaardig erkend
radargetuigschrift is, een tijdelijk of definitief
verbod voor het voeren van een schip met radar op de
Rijn opleggen, wanneer de houder bij het voeren van
een schip een voor de scheepvaart gevaarzettende
onbekwaamheid heeft begaan.
|
| 2. |
In geval er
geen urgentie is, wordt de beschikking na verhoor van
de houder van het bedoelde radargetuigschrift
vastgesteld; de autoriteit die dat getuigschrift heeft
afgegeven en de CCR worden van het verhoor en van de
door de bevoegde autoriteit genomen beslissing in
kennis gesteld.
|
Artikel
3.08. Kosten
Het examen, de
afgifte, het vervangen en het omruilen van het radarpatent
worden gedaan tegen een redelijke vergoeding van de kosten
door de aanvrager. De hoogte van de kosten wordt door de
bevoegde autoriteit vastgesteld. Deze kan de kosten geheel of
ten dele vanaf het tijdstip van aanvraag vorderen.
Hoofdstuk 4.
Overgangsvoorschriften
Artikel
4.01. Geldigheid van bestaande patenten
| 1. |
Patenten,
afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van
toepassing zijn tot aan de inwerkingtreding van dit
reglement dan wel waarvan de geldigheid volgens die
voorschriften is verlengd, blijven geldig met
inachtneming van die voorschriften tot de eerste
vernieuwing van het bewijs van lichamelijke en
geestelijke geschiktheid.
|
| 2. |
Artikel 2.19
betreffende de controle van de lichamelijke en
geestelijke geschiktheid is van toepassing op het in
het eerste lid bedoelde Rijnschipperspatent, kleine
patent en sportpatent, waarbij het anomaalquotiënt
bij het kleuronderscheidingsvermogen 0,7 tot 3,0 mag
bedragen. De houders van een patent die bij de
inwerkingtreding van dit reglement reeds de leeftijd,
bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a,
hebben bereikt moeten hun lichamelijke en geestelijke
geschiktheid bij de eerstvolgende voorgeschreven
onderzoeksdatum laten controleren. Bij de eerste
verlenging van de gebleken lichamelijke en geestelijke
geschiktheid wordt aan hun een patent volgens het
model van de bijlage A1 afgegeven.
|
| 3. |
De artikelen
2.22 en 2.24 zijn van toepassing op de patenten als
bedoeld in het eerste lid.
|
| 4. |
Diploma's
voor het voeren van een schip met radar en
radarpatenten afgegeven volgens de voorschriften die
van toepassing zijn tot aan de inwerkingtreding van
dit reglement, blijven geldig met inachtneming van die
voorschriften. Zij kunnen door radarpatenten conform
dit reglement worden omgewisseld.
|
Artikel
4.02. Indeling van de verschillende patenten
| 1. |
Geldige
patenten als bedoeld in artikel 4.01, eerste lid,
komen als volgt overeen met de patenten als bedoeld in
artikel 1.05, eerste lid:
|
De
volgende geldige patenten als bedoeld in
artikel 4.01, eerste lid
|
komen
overeen met
|
de
patenten als bedoeld in artikel 1.05, eerste
lid
|
|
Rijnschipperspatent
|
→
|
Groot
patent
|
|
Klein
patent
|
→
|
Klein
patent
|
|
Politiebotenpatent
|
→
|
Overheidspatent
|
|
Douanebotenpatent
|
→
|
Overheidspatent
|
|
Brandweerbotenpatent
|
→
|
Overheidspatent
|
|
Sportpatent
|
→
|
Sportpatent
|
|
| 2. |
Een geldig
patent kan volgens de tabel in het eerste lid worden
omgewisseld voor het gelijkwaardige patent voor
hetzelfde riviergedeelte.
|
Artikel
4.03. Berekenen van de vaartijd
De vaartijd en de
reizen op bepaalde riviergedeelten, die vóór de
inwerkingtreding van dit reglement zijn gemaakt, worden
volgens de normen van de voorafgaande voorschriften berekend.
Bijlage B1
Minimumeisen ten aanzien
van de lichamelijke geschiktheid van gegadigden voor het Rijnpatent
I
Gezichtsvermogen:
| 1. |
Gezichtsscherpte
bij daglicht:
Met of zonder
optische hulpmiddelen, ten minste 0,8 met beide ogen
gezamenlijk of met het beste oog. Met één oog zien is
toegestaan.
|
| 2. |
Nachtblindheid:
Alleen in
twijfelgevallen te onderzoeken. Mesotest zonder verblinding
bij een helderheidsniveau van 0,032 cd/m2, Resultaat:
Contrast 1 : 2,7.
|
| 3. |
Gewenning aan de
duisternis:
Alleen in
twijfelgevallen te onderzoeken.
Het resultaat mag
niet meer dan een log-eenheid van de normaal kromme
afwijken.
|
| 4. |
Gezichtsveld:
Afwijkingen in het
gezichtsveld van het oog met de beste gezichtsscherpte zijn
niet toegestaan. In geval van twijfel dient perimetrisch
onderzoek verricht te worden.
|
| 5. |
Kleurenonderscheidingsvermogen:
Het
kleurenonderscheidingsvermogen wordt als voldoende beschouwd
wanneer de gegadigde voldoet aan de Farnsworth Panel D15
test of een erkende test met kleurplaten. In geval van
twijfel onderzoeken met de anomaloscoop, waarbij de Anomaal
quotiënt bij een normale trichromasie moet liggen tussen
0,7 en 1,4 of met een andere gelijkwaardige test.
Erkende
kleurplatentests zijn:
| a. |
Ishihara
volgens de platen 12 tot 14,
|
| b. |
Stilling/Velhagen,
|
| c. |
Boström,
|
| d. |
HRR
(resultaat tenminste «mild»),
|
| e. |
TMC
(resultaat tenminste «second degree»),
|
| f. |
Holmer-Wright
B (Resultaat ten hoogte 8 fouten bij «small»).
|
|
| 6. |
Motiliteit:
Onbelemmerde
beweeglijkheid van beide ogen; geen dubbelzien.
|
II gehoorvermogen:
Het gehoor is als
voldoende te beschouwen, indien het gemiddeld gehoorverlies van
beide oren bij de frequenties 500, 1000, 2000 en 3000 Hz de waarde
van 40 dB(A) niet overschrijdt. Indien de waarde van 40 dB wordt
overschreden, is het gehoorvermogen toch als voldoende aan te
merken, als de conversatiespraak met een hoortoestel op 2 m met elk
oor afzonderlijk duidelijk wordt verstaan.
III er mogen geen
andere bevindingen uit medische keuring aanwezig zijn die de
lichamelijke geschiktheid uitsluiten.
Indien de navolgende
ziekten of lichamelijke gebreken voorkomen kan dit aanleiding geven
tot twijfel aan de lichamelijke geschiktheid van de gegadigde als
schipper:
| 1. |
Aandoeningen die
gepaard gaan met bewustzijn- of evenwichtsstoornissen;
|
| 2. |
Aandoeningen of
laesies van het centrale of perifere zenuwstelsel, gepaard
gaande met duidelijke functionele stoornissen; in het
bijzonder organische aandoeningen van de hersenen of het
ruggenmerg en de daarbij optredende restverschijnselen,
functionele stoornissen na schedel- of hersenletsel,
cerebrale doorbloedingsstoornissen;
|
| 3. |
Geestesziekten;
|
| 4. |
Suikerziekte met
niet goed instelbare, aanzienlijke schommelingen van de
bloedglucose-waarden;
|
| 5. |
Manifeste
endocriene stoornissen;
|
| 6. |
Ernstige
aandoeningen van de bloedvormende orgaansystemen;
|
| 7. |
Astmatische
bronchitis met aanvallen;
|
| 8. |
Aandoeningen of
veranderingen in het hart of de bloedsomloop resulterend in
een verminderde belastbaarheid;
|
| 9. |
Aandoeningen of
gevolgen na een ongeval, die leiden tot een aanzienlijke
bewegingsbeperking, verlies of sterke vermindering van de
kracht in een der ledematen die voor de uit te oefenen
arbeid van belang zijn;
|
| 10. |
Chronisch
alcoholisme, alsmede verslaving aan verdovende middelen, of
andere vormen van verslaving.
|
Bijlage B2

Bijlage B3
Bijlage C1
Als gelijkwaardig erkend
Vaarbevoegdheidsbewijs
Bijlage C2
Als gelijkwaardig erkend
radargetuigschrift
Bijlage D1
Examenprogramma
ter verkrijging van een
Rijnpatent
Opmerking
vooraf:
Soorten
patent (kolom 4 tot en met 7)
A - Groot patent
B - Klein patent
C - Sportpatent
D - Overheidspatent
Vereiste
kennis (kolom 3)
1 - Gedetailleerde kennis
2 - Basiskennis
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
6
|
7
|
|
nr.
|
Examenstof
|
|
A
|
B
|
C
|
D
|
|
1.
|
Kennis
van de reglementen, gidsen en handboeken
|
|
|
|
|
|
|
1.1
|
Rijnvaartpolitiereglement
1995
(inclusief de
tijdelijke wijzigingen)
|
|
|
|
|
|
| |
Hoofdstuk 1 tot en
met 7, 15
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Hoofdstuk 8:
|
1
|
x
|
x
|
|
|
| |
Hoofdstuk 9, 10,
12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten)
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Hoofdstuk 11:
|
1
|
x
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
| |
Bijlagen
|
|
|
|
|
|
| |
3. Optische tekens
van schepen
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
6. Geluidsseinen
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
7. Verkeerstekens
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
8. Verkeerstekens
ter markering van de vaarweg
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
10.
Olie-afgifteboekje
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
| |
Gidsen/Handboeken
|
|
|
|
|
|
| |
Marifonie in de
binnenvaart
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Afvalverwijdering
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
1.2
|
Verkeersvoorschriften
voor zeescheepvaartwegen als bedoeld in hoofdstuk 10 van het
Binnenvaartpolitiereglement
|
1
|
x
|
x
|
x
|
|
| |
(Optische tekens van
schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en
betonnings-systemen, vaarregels)
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
1.3
|
Reglement
onderzoek schepen op de Rijn 1995
|
|
|
|
|
|
| |
Opzet en inhoud
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Inhoud certificaat
van onderzoek
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Bemanningsvoorschriften,
hoofdstuk 23
|
1
|
x
|
x
|
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
1.4
|
Reglement
voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR)
|
|
|
|
|
|
| |
Opzet
|
2
|
x
|
x
|
|
x
|
| |
Documenten/instructies
|
2
|
x
|
x
|
|
x
|
| |
Aangeven van de
voorgeschreven blauwe kegels/lichten
|
1
|
x
|
x
|
|
x
|
| |
Opzoeken van
operationele voorschriften
|
2
|
x
|
x
|
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
1.5
|
Patentreglement
Rijn
|
|
|
|
|
|
| |
Soorten patent
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Criteria voor het
intrekken van een patent en voor het opschorten van de
geldigheid
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
1.6
|
Voorkoming
van ongevallen
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
2.
|
Nautische
kennis en kennis van Riviergedeelten
|
|
|
|
|
|
| |
(aan de hand van
kaarten)
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
2.1
|
Rijn
en nevenwateren
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
(belangrijkste
geografische, hydrologische, meteorologische en
morfologische kenmerken)
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
2.2
|
Plaatselijke
kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn
|
|
|
|
|
|
| |
Beschrijving van
de vaarweg in de op- en afvaart
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Afmetingen van de
vaarweg
|
1
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
2.3
|
Navigatie
op zeescheepvaartwegen als bedoeld in hoofdstuk 10 van het
Binnenvaartpolitiereglement
|
2
|
x
|
x
|
x
|
|
| |
(koersbepaling, peilingen en
plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het
controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking)
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
3.
|
Praktijkkennis
|
|
|
|
|
|
| |
(Nautische zaken,
scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden)
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
3.1
|
Voeren
van het schip
|
|
|
|
|
|
| |
Praktijk van het
sturen, manoeuvreereigenschappen
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Functie van de
stuurinrichtingen en de aandrijving
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Invloed van
stroom, wind en zuiging
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Drijfvermogen,
stabiliteit en praktisch gebruik daarvan
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Ankeren en meren
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
3.2
|
Motorenkennis
|
|
|
|
|
|
| |
Bouw, werking van
de motoren, functie van de elektrische inrichtingen
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Bediening,
bedrijfscontrole
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Maatregelen bij
bedrijfsstoringen
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
3.3
|
Laden
en lossen
|
|
|
|
|
|
| |
Bepalen van het
gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief
|
2
|
x
|
x
|
|
|
| |
Gebruik van de
diepgangsschaal
|
2
|
x
|
x
|
|
|
| |
Stuwen van de
lading
|
2
|
x
|
x
|
|
x
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
3.4
|
Handelen
onder bijzondere omstandigheden
|
|
|
|
|
|
| |
Maatregelen bij
schade, eerste hulp, stoppen van lekkage
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Bediening van
reddingsmiddelen
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Bijzonderheden bij
schade op zeescheepvaartwegen als bedoeld in hoofdstuk 10
van het Binnenvaartpolitiereglement
|
2
|
x
|
x
|
x
|
|
| |
Behandeling van afval en
voorkomen van verontreiniging van de waterwegen
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Informeren van de
bevoegde autoriteiten
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
| |
Brandbestrijding
|
2
|
x
|
x
|
x
|
x
|
Bijlage D2
Examenprogramma
ter verkrijging van een radarpatent
|
DEEL
A
|
–
Theoretisch gedeelte
|
| |
|
|
1.
|
Theorie
omtrent radar
|
|
1.1
|
Radiogolven,
algemeen
|
|
1.2
|
Voortplantingssnelheid
van de radiogolven
|
|
1.3
|
Terugkaatsing van
de radiogolven (radarreflectoren)
|
|
1.4
|
Beginsel van de
werking van radar
|
|
1.5
|
Kengetallen van
radarapparatuur voor de binnenvaart
|
|
1.5.1
|
Frequentie
|
|
1.5.2
|
Zendvermogen
|
|
1.5.3
|
Duur van de
zendpuls
|
|
1.5.4
|
Omwentelingen van
de antenne
|
|
1.5.5
|
Eigenschappen van
de antenne
|
|
1.5.6
|
Beeldscherm
(indicatie en bediening)
|
|
1.5.7
|
Beeldschermdoorsnede
|
|
1.5.8
|
Ingesteld bereik
|
|
1.5.9
|
Onderscheiding
voor dichtbij
|
|
1.5.10
|
Radiale
onderscheiding
|
|
1.5.11
|
Azimuthale
onderscheiding
|
| |
|
|
2.
|
Interpretatie
van het radarbeeld
|
|
2.1
|
Plaats van de
antenne op het beeldscherm; koerslijn
|
|
2.2
|
Vaststellen van
ligging, koers en draaiing van het eigen schip
|
|
2.3
|
Bepalen van
afstanden en bereik
|
|
2.4
|
Onderscheiden van
het gedrag van andere verkeersdeelnemers (stilliggende,
tegemoetkomende en in dezelfde richting varende schepen)
|
|
2.5
|
Betekenis van
hulpmiddelen en interpretatie van het radarbeeld (koerslijn,
afstandsringen, nalichtspoor, decentreren)
|
|
2.6
|
Beperking van
informatie verkregen door radar
|
|
2.7
|
Verschillen tussen
de gebruikelijke en daglicht radarapparatuur
|
| |
|
|
3.
|
Verstoringen
van het radarbeeld
|
|
3.1
|
Storingen die
vanuit het eigen schip komen en mogelijke maatregelen tot
vermindering daarvan
|
|
3.1.1
|
Uiteenvallen van
de antennebundel
|
|
3.1.2
|
Schaduwvorming
(blinde sektoren)
|
|
3.1.3
|
Meervoudige
reflectie (bijv. in het gebied van de laadruimte)
|
|
3.2
|
Storingen die
vanuit de omgeving komen en mogelijke maatregelen tot
vermindering daarvan
|
|
3.2.1
|
Storingen door
regen of golfslag
|
|
3.2.2
|
Strooivelden (bv.
bij bruggen)
|
|
3.2.3
|
Meervoudige
reflectie
|
|
3.2.4
|
Schijndoelen
|
|
3.2.5
|
Schaduwvorming
(blinde sektoren)
|
|
3.2.6
|
Schaduwvorming
|
|
3.3
|
Verschijningsvorm
van de van andere radarapparaten uitgaande storingen en
maatregelen tegen het opheffen daarvan
|
| |
|
|
4.
|
Bediening
van het radarapparaat
|
|
4.1
|
Tijd nodig voor
inwerkingstelling, gereedheid
|
|
4.2
|
Basisinstelling,
afstemming
|
|
4.3
|
Afstemming van
contrast en helderheid
|
|
4.4
|
Afstemming van de
versterking
|
|
4.5
|
Afstemming van de
verzwakking en filter
|
|
4.6
|
Beoordeling van de
beeldkwaliteit
|
| |
|
|
5.
|
Bochtaanwijzer
|
|
5.1
|
Functioneren
|
|
5.2
|
Gebruiksmogelijkheden
|
| |
|
|
6.
|
Bijzondere
politievoorschriften
|
|
6.1
|
Gebruik van
marifoon, geluidsseinen en koersafspraken
|
|
6.2
|
Materiële minimum
uitrusting van het schip voor het varen met behulp van radar
|
|
6.3
|
Personele minimum
bezetting en bevoegdheden voor het varen met behulp van
radar
|
| |
|
|
DEEL
B
|
–
Praktisch gedeelte
|
| |
|
|
1.
|
Voor
het vertrek te nemen maatregelen
|
|
1.1
|
Inwerkingstelling,
afstemming en controle op het functioneren van het apparaat
|
|
1.2
|
Interpretatie van
het radarbeeld
|
|
1.3
|
Taakverdeling aan
boord
|
| |
|
|
2.
|
Het
varen met behulp van radar
|
|
2.1
|
Varen en keren op
stilstaand en stromend water
|
|
2.2
|
In- en uitvaren
van een haven of van een smal vaarwater, met afspraken via
de marifoon en geluidsseinen
|
|
2.3
|
Ontmoeten en
oplopen
|
|
2.4
|
Stoppen op een
aangewezen plaats
|
|
2.5
|
Toelichten van het
radarbeeld
|
|
2.6
|
Geven van
commando’s aan de roerganger
|
|
2.7
|
Gedrag in
bijzondere situaties (bijvoorbeeld: gevaarlijke
verkeerssituaties of uitval van apparaten)
|
|
|
|