Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.01 Toepassing
In deze voorschriften zijn de technische en operationele minimum
eisen voor radarinstallaties voor de Rijnvaart vastgelegd, alsmede de
keuringsvoorwaarden waaronder aan de minimum eisen moet worden voldaan.
Inland ECDIS apparaten, die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt,
worden beschouwd als radarinstallaties als bedoeld in deze
voorschriften.
Artikel 1.02 Doel van de radarinstallatie
De radarinstallatie moet een voor het voeren van een schip bruikbaar
beeld geven van de positie van het schip ten opzichte van de bebakening,
de contouren van de oever en de voor de scheepvaart van belang zijnde
werken en moet tijdig en op betrouwbare wijze de aanwezigheid aangeven
van andere schepen en van boven het wateroppervlak van het vaarwater
uitstekende obstakels.
Artikel 1.03 Typekeuring
Inbouw van een radarinstallatie aan boord van een schip is slechts
toegestaan, wanneer aan de hand van een typekeuring werd aangetoond dat
de installatie aan de minimum eisen van deze voorschriften voldoet.
Artikel 1.04 Aanvraag tot typekeuring
1. De aanvraag tot keuring van een radarinstallatie moet bij de
bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of van België worden
ingediend. De namen van deze autoriteiten moeten ter kennis van de
Centrale Commissie voor de Rijnvaart worden gebracht.
2. Bij de aanvraag moet de volgende documentatie worden overgelegd:
a. twee uitvoerige technische beschrijvingen;
b. twee stel complete schakelschema's en servicedocumentatie;
c. twee uitvoerige bedieningsvoorschriften;
d. twee beknopte bedieningsvoorschriften.
3. De aanvrager moet zelf controleren of laten controleren dat aan de
in deze voorschriften gestelde eisen wordt voldaan.
Het betreffende testrapport en het meetrapport van het horizontale en
vertikale antennestralingsdiagram moeten gelijktijdig bij de aanvraag
worden ingediend.
Deze bescheiden en de bij de typekeuring verkregen gegevens worden
bij de bevoegde autoriteit bewaard.
4. Onder aanvrager wordt verstaan een rechtspersoon of natuurlijk
persoon onder wiens naam, handelsmerk of andere specifieke aanduiding de
ter typekeuring aangeboden installatie wordt vervaardigd of verhandeld.
Artikel 1.05 Typegoedkeuring
1. Na een geslaagde typekeuring geeft de bevoegde autoriteit een
bewijs af.
Bij het niet voldoen aan de minimum eisen wordt de reden van
afwijzing schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld.
De typegoedkeuring wordt door de bevoegde autoriteit verleend.
De bevoegde autoriteit deelt de Centrale Commissie voor de Rijnvaart
mede welke toestellen zijn goedgekeurd.
2. Iedere bevoegde autoriteit is gerechtigd op elk tijdstip een
toestel uit de serie te controleren.
Worden tijdens deze controle gebreken geconstateerd dan kan de
verleende typegoedkeuring worden ingetrokken.
Tot intrekking is de autoriteit bevoegd die ook de typegoedkeuring
heeft verleend.
3. De typegoedkeuring heeft een geldigheidsduur van 10 jaar en kan op
verzoek worden verlengd.
Artikel 1.06 Toestelkenmerken en goedkeuringsnummer
1. Op het tot een installatie behorend toestel moet duurzaam de naam
van de fabrikant, de typeaanduiding van de installatie, de toestelsoort
en het serienummer zijn aangebracht.
2. Het door de bevoegde autoriteit toegekende goedkeuringsnummer moet
duurzaam op de beeldschermeenheid zijn aangebracht en ook na de inbouw
duidelijk zichtbaar zijn.
Het goedkeuringsnummer is samengesteld als volgt:
R-N-NNN
R = Rijn
N = cijfer dat het land van de goedkeuring aangeeft
(1 = F, 2 = N, 4 = D, 6 = B, 7 = CH, 8 = L)
NNN = nummer van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde
autoriteit.
3. Het goedkeuringsnummer mag uitsluitend met de daarbij behorende
goedkeuring worden toegepast.
De aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het
goedkeuringsnummer.
4. De bevoegde autoriteit deelt het verleende goedkeuringsnummer
onmiddellijk aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede.
Artikel 1.07 Verklaring fabrikant
Voor elke installatie moet de fabrikant een verklaring afgeven waarin
hij garandeert dat de installatie aan de bestaande minimum eisen voldoet
en zonder enige beperking overeenkomstig het gekeurde prototype is.
Artikel 1.08 Wijzigingen aan goedgekeurde installaties
1. Bij wijzigingen aan een goedgekeurde installatie vervalt de
goedkeuring.
Voorgenomen wijzigingen moeten schriftelijk aan de bevoegde
autoriteit worden gemeld.
2. De bevoegde autoriteit beslist of de goedkeuring kan worden
gehandhaafd of dat een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig
is.
Is er sprake van een nieuwe typegoedkeuring dan wordt ook een nieuw
goedkeuringsnummer toegekend.
Artikel 1.09 Wijziging door voorschriften van tijdelijke aard
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van
tijdelijke aard vaststellen, wanneer het voor een aanpassing aan de
technische ontwikkeling van de binnenscheepvaart noodzakelijk wordt
geacht om in dringende gevallen afwijkingen van de voorschriften toe te
laten dan wel proefnemingen mogelijk te maken, waardoor de veiligheid en
de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden benadeeld.
Deze voorschriften van tijdelijke aard worden door de bevoegde
autoriteit gepubliceerd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste
drie jaren. Zij worden in alle Oeverstaten en België op hetzelfde
tijdstip in werking gesteld en worden onder dezelfde voorwaarden buiten
werking gesteld.
Hoofdstuk 2. Algemene minimum eisen voor radarinstallaties
Artikel 2.01 Constructie en uitvoering
1. De betreffende radarinstallaties moeten geschikt zijn voor de
Rijnvaart.
2. Constructie en uitvoering moeten zowel mechanisch als elektrisch
in overeenstemming zijn met het peil van de moderne techniek.
3. Voor zover niet reeds voorgeschreven volgens het Reglement
onderzoek schepen op de Rijn of in de onderhavige voorschriften niet
expliciet vermeld gelden voor de eisen aan de elektrische voeding, de
veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de toestellen aan boord, de
veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid,
de beïnvloeding door het milieu, de geluidsproductie, alsmede voor de
aanduidingen op de toestellen de in "IEC Publication 945 Marine
Navigational Equipment, General Requirements" opgenomen eisen en
meetmethodes. Bovendien gelden de eisen volgens de "ITU Radio
Regulations". Aan alle in deze voorschriften genoemde eisen moet
bij omgevingstemperaturen van de beeldschermeenheid tussen 0° C en 40°
C worden voldaan.
Artikel 2.02 Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische
compatibiliteit (EMC)
1. Uitgezonden radiostoringen
De veldsterkte van de uitgezonden radiostoringen mag in het
frequentiegebied van 30 MHz tot 2000 MHz een waarde van 500 µV/m niet
overschrijden. In de frequentiegebieden van 156 - 165 MHz, 450 - 470
MHz, en van 1,53 - 1,544 GHz mag de veldsterkte een waarde van 15 µV/m
niet te boven gaan. Deze veldsterktes gelden voor een meetafstand van 3
m ten opzichte van het te keuren apparaat.
2. Elektromagnetische compatibiliteit
Bij elektromagnetische veldsterktes tot 15 V/m in de directe
nabijheid van het te keuren appparaat moeten de installaties in het
frequentiegebied van 30 MHz tot 2000 MHz aan de minimium eisen voldoen.
Artikel 2.03 Bediening
1. Er mogen niet meer bedieningselementen aanwezig zijn dan het voor
een goede bediening noodzakelijke aantal.
Uitvoering, aanduiding en werking moeten een eenvoudige
ondubbelzinnige en snelle bediening mogelijk maken. Zij moeten zo zijn
geplaatst dat fouten bij de bediening zoveel mogelijk worden vermeden.
De niet voor het normale gebruik noodzakelijke bedieningselementen
mogen niet direct bereikbaar zijn.
2. Alle bedieningselementen en aanwijsinstrumenten moeten zijn
voorzien van symbolen en/of Engelse opschriften dragen. De symbolen
moeten voldoen aan de in de IMO aanbeveling nr. A.278 (VIII) "Symbols
for controls on marine navigational radar equipment" of aan de in
de IEC Publicatie nr. 417 gegeven bepalingen. Cijfers en letters moeten
minstens 4 mm hoog zijn.
Indien kan worden aangetoond dat om technische redenen een hoogte van
4 mm niet mogelijk is, en uit operationeel oogpunt gezien kleinere
karakters acceptabel zijn, wordt een vermindering van de hoogte tot 3 mm
toegestaan.
3. De installatie moet zo zijn uitgevoerd dat hij door fouten bij de
bediening niet buiten bedrijf kan raken.
4. Functies die boven de minimum eisen uitgaan, alsmede
aansluitmogelijkheden voor toegevoegde apparatuur, moeten zo zijn
uitgevoerd dat de installatie onder alle omstandigheden aan de minimum
eisen blijft voldoen.
Artikel 2.04 Gebruiksaanwijzing
1. Bij elke installatie moet een uitvoerige gebruiksaanwijzing worden
meegeleverd. Deze moet in het Duits, Engels, Frans en Nederlands
verkrijgbaar zijn en moet ten minste de volgende informatie bevatten:
a. inbedrijfstelling en bediening;
b. verzorging en onderhoud;
c. algemene veiligheidsvoorschriften (gevaren voor de gezondheid,
bijv. beïnvloeding van pacemakers etc., door elektromagnetische
straling);
d. aanwijzingen voor een technisch juiste inbouw.
2. Bij elke installatie moet een verkorte bedieningshandleiding in
een duurzame uitvoering worden meegeleverd.
Deze moet eveneens in het Duits, Engels, Frans en Nederlands
leverbaar zijn.
Artikel 2.05 Inbouw en controle van het functioneren
Voor de inbouw, het vervangen en de controle van het functioneren
gelden de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde
voorschriften.
Hoofdstuk 3. Operationele minimum eisen voor radarinstallaties
Artikel 3.01 Operationele beschikbaarheid
1. De radarinstallatie moet uiterlijk 4 minuten na het inschakelen
operationeel zijn. Het uitzenden moet daarna op elk gewenst moment
kunnen worden onderbroken en weer kunnen worden hervat.
2. De bediening van de installatie en het waarnemen van het
beeldscherm moeten door een persoon gelijktijdig mogelijk zijn.
Is een bedieningseenheid apart geplaatst dan moet deze van alle
bedieningselementen zijn voorzien, die voor de normale radarnavigatie
direct nodig zijn.
Draadloze afstandsbediening is niet toegestaan.
3. Het moet mogelijk zijn de beeldscherminformatie ook bij fel
omgevingslicht te kunnen beoordelen. Eventueel voor goed zicht
noodzakelijke hulpmiddelen moeten daartoe geschikt zijn en eenvoudig op
de installatie zijn aan te brengen of te verwijderen.
Deze hulpmiddelen moeten ook door brildragers te gebruiken zijn.
Artikel 3.02 Onderscheidingsvermogen
1. Onderscheidingsvermogen in azimuth
Het onderscheidingsvermogen is afhankelijk van bereik en afstand. De
eisen gesteld aan het minimale onderscheidingsvermogen voor lagere
bereiken tot en met 1200 m worden in fig. 1 weergegeven.
Onder minimaal onderscheidingsvermogen wordt verstaan de minimum
afstand gemeten in azimuth op de radargolf tussen twee
standaardreflectoren (zie ook artikel 5.03, tweede lid), waarbij deze
nog duidelijk gescheiden worden weergegeven.
2. Minimumafstand en onderscheidingsvermogen in afstand
Voor alle afstanden tussen 15 en 1200 m, in de bereiken tot en met
1200 m, moeten standaardreflectoren die zich bij dezelfde peiling op een
onderlinge afstand van 15 m bevinden, duidelijk gescheiden op het
beeldscherm worden weergegeven.
3. In de bereiken tot 2000 m mogen geen bedieningsmogelijkheden
aanwezig zijn waarmee het onderscheidingsvermogen afneemt.
Artikel 3.03 Afstandsbereiken
1. De installatie moet zijn uitgerust met de hieronder genoemde
afstandsbereiken en afstandsringen; deze moeten in de aangegeven
volgorde inschakelbaar zijn:
bereik 1 500 m elke 100 m een ring
bereik 2 800 m elke 200 m een ring
bereik 3 1200 m elke 200 m een ring
bereik 4 1600 m elke 400 m een ring
bereik 5 2000 m elke 400 m een ring.
2. Er mogen meer in volgorde schakelbare afstandsbereiken aanwezig
zijn.
3. Het ingestelde bereik, de onderlinge afstand van de ringen en de
afstand van de variabele afstandsmeetring moeten in meters of in
kilometers worden aangegeven.
4. De afstandsringen en de variabele afstandsmeetring mogen bij een
normale instelling van de helderheid niet meer dan 2 mm breed zijn.
5. De weergave van deelbereiken en sectorvergrotingen is niet
geoorloofd.
Artikel 3.04 Variabele afstandsmeetring
1. De installatie moet zijn uitgerust met een variabele
afstandsmeetring.
2. Deze meetring moet binnen 8 seconden op elke willekeurige afstand
zijn in te stellen.
3. De met de variabele afstandsmeetring ingestelde afstand mag na het
schakelen op andere afstandsbereiken niet veranderen.
4. De afstandsaanduiding moet uit drie of vier cijfers bestaan.
De afleesnauwkeurigheid moet, tot en met het 2000 m-bereik, 10 m
bedragen. De straal van de meetring moet met de cijferaanduiding
overeenstemmen.
Artikel 3.05 Koerslijn
1. Een koerslijn moet van uit het punt op het radarbeeld, dat de
positie van de antenne weergeeft, tot aan de uiterste rand van het
radarbeeld lopen.
2. De koerslijn mag niet breder dan 0,5° zijn, gemeten aan de
uiterste rand van het beeldscherm.
3. De radarinstallatie moet zijn voorzien van een
correctiemogelijkheid waarmee iedere hoekverdraaiing die is ontstaan bij
de inbouw van de antenne kan worden gecorrigeerd.
4. Na de correctie van de hoekverdraaiing mag na het inschakelen van
de radarinstallatie de afwijking van de koerslijn ten opzichte van de
lengte-as van het schip niet groter zijn dan 0,5°.
Artikel 3.06 Decentrering van het radarbeeld
1. Om het zicht recht vooruit te kunnen vergroten moet een
decentrering van het radarbeeld in alle in artikel 3.03, eerste lid,
genoemde bereiken mogelijk zijn.
Een decentrering mag uitsluitend een vergroting van het zicht recht
vooruit bewerkstelligen, en moet minstens tot 1/4 en mag hoogstens tot
1/3 van de effectieve beeldschermdiameter instelbaar zijn.
2. Voor de bereiken met een vergroot zicht recht vooruit geldt dat
het aantal afstandsringen ook moet worden uitgebreid en dat de variabele
afstandsmeetring tot aan het maximum van het weergegeven bereik
instelbaar en afleesbaar moet zijn.
3. Een vast ingebouwde vergroting van het zicht overeenkomstig het
eerste lid is toegestaan, mits voor het centrale gedeelte van het
radarbeeld de effectieve diameter overeenkomstig artikel 4.03, niet
kleiner wordt en de peilschaal zo wordt uitgevoerd dat peilingen bedoeld
in artikel 3.08 mogelijk blijven.
De mogelijkheid tot decentrering ingevolge het eerste lid is dan niet
vereist.
Artikel 3.07 Peilschaal
1. De installatie moet zijn uitgerust met een peilschaal die zich aan
de buitenrand van het radarbeeld bevindt.
2. De peilschaal moet ten minste in 72 delen van elk 5 graden zijn
verdeeld. De deelstrepen voor 1° moeten duidelijk langer zijn dan de
deelstrepen die 5° aangegeven.
De hoekwaarde 000 van de peilschaal moet zich in het midden van de
bovenrand van het radarbeeld bevinden.
3. De peilschaal moet zijn voorzien van een drie-cijferige indeling
van 000 tot 360 graden in de richting van de wijzers van de klok. De
getallen moeten in Arabische cijfers voor elke 10° of 30° worden
aangebracht. Het getal 000 mag door een duidelijke pijlmarkering worden
vervangen.
Artikel 3.08 Peilinrichtingen
1. Inrichtingen voor het peilen van doelen zijn toegestaan.
2. Indien peilinrichtingen aanwezig zijn moet daarmee een doel binnen
ca. 5 seconden, met een maximale fout van ± 1°, kunnen worden gepeild.
3. Indien een elektronische peillijn wordt gebruikt moet deze:
a. zich duidelijk onderscheiden van de koerslijn;
b. nagenoeg continu worden afgebeeld;
c. over de volle 360° onbelemmerd links- of rechtsom te
verdraaien zijn;
d. aan de buitenrand van het radarbeeld niet breder dan 0,5°
zijn;
e. van de aangegeven oorsprong tot aan de peilschaal lopen;
f. zijn voorzien van een decimale (drie of vier-cijferige)
aanduiding in graden.
4. Bij gebruik van een mechanische peillijn moet deze:
a. over de volle 360° onbelemmerd links- of rechtsom te
verdraaien zijn;
b. van de aangegeven oorsprong tot aan de peilschaal lopen;
c. zonder verdere aanduidingen zijn uitgevoerd;
d. zo zijn uitgevoerd dat echo's op het scherm niet onnodig
worden bedekt.
Artikel 3.09 Inrichtingen voor de onderdrukking van ongewenste echo's
tengevolge van golven en neerslag
1. De radarinstallatie moet zijn voorzien van met de handinstelbare
inrichtingen waarmee storende effecten van golven en neerslag kunnen
worden verminderd.
2. De golfonderdrukking (STC) moet in zijn eindstand tot ca. 1200 m
werkzaam zijn.
3. De radarinstallatie mag niet met automatisch werkende inrichtingen
ter onderdrukking van golf- en neerslagecho's zijn uitgerust.
Artikel 3.10 Onderdrukking van storingen door andere
radarinstallaties
1. De installatie moet zijn voorzien van een schakelbare inrichting
die een vermindering van storingen door andere radarinstallaties
mogelijk maakt.
2. De werking van deze inrichting mag er niet toe leiden dat gewenste
echo's daardoor worden onderdrukt.
Artikel 3.11 Compatibiliteit met radarantwoordbakens
Signalen van radarantwoordbakens overeenkomstig de IMO resolutie A
423 (XI) moeten bij uitgeschakelde neerslagonderdrukking (FTC),
duidelijk worden weergegeven.
Artikel 3.12 Versterkingsregeling
Het regelbereik van de versterker moet de mogelijkheid bieden om
enerzijds in het bereik van verminderde golfonderdrukking de ruis nog
juist zichtbaar te maken en anderzijds sterke radarecho's met een
equivalent reflecterend oppervlak van 10.000 m2 op willekeurige
afstanden onzichtbaar te maken.
Artikel 3.13 Frequentieafstemming
De beeldschermeenheid moet over een afstemindicatie beschikken.
De wijzerschaal moet ten minste 30 mm lang zijn. De indicatie moet op
alle afstandsbereiken functioneren, ook als er geen radarecho's zijn. De
indicatie moet eveneens functioneren als de versterking of de
golfonderdrukking wordt ingeschakeld.
Er moet een met de hand bedienbaar bedieningselement ter correctie
van de afstemming aanwezig zijn.
Artikel 3.14 Nautische gegevens en hulplijnen op het beeldscherm
1. In het radarbeeld mogen uitsluitend koerslijn, peilingslijnen en
afstandsmeetringen worden vertoond.
2. Buiten het radarbeeld mogen - naast informatie over de
operationele toestand van de installatie - nautische gegevens worden
weergegeven zoals:
a. draaisnelheid;
b. snelheid van het schip;
c. stand van het roer;
d. waterdiepte;
e. kompaskoers.
3. Alle beeldscherminformatie buiten het radarbeeld moet nagenoeg
statisch worden weergegeven en de snelheid waarmee de beeldinformatie
wordt vernieuwd moet in overeenstemming zijn met de operationele
behoeften.
4. De eisen gesteld aan de weergave en de nauwkeurigheid van
nautische informatie zijn dezelfde als die voor de hoofdinstallatie.
Artikel 3.15 Systeemgevoeligheid
De systeemgevoeligheid moet zodanig zijn bemeten dat bij elke
omwenteling van de antenne een standaardreflector op een afstand van
1200 m correct op het radarbeeld wordt weergegeven.
Voor een radarreflector van 1 m2 op gelijke afstand, mag het
quotiënt uit het aantal omwentelingen van de antenne, met een
radarecho, gedurende een bepaalde tijdsduur en het totaal aantal
omwentelingen van de antenne gedurende dezelfde tijdsduur op basis van
100 omwentelingen (blip-scan verhouding), niet kleiner zijn dan 0,8.
Artikel 3.16 Nalichtspoor
De posities van echo's, verkregen uit een voltooide omwenteling van
de antenne, moeten als nalichtspoor kunnen worden weergegeven. Dit spoor
moet nagenoeg continu en minder helder zijn dan de corresponderende
echo. Het spoor moet de kleur hebben van het radarbeeld.
De lengte van het spoor mag eventueel worden aangepast aan de
operationele eisen, doch mag niet langer dan twee omwentelingen duren.
De kwaliteit van het radarbeeld mag door het nalichtspoor niet
verminderen.
Artikel 3.17 Dochterindicatoren
Dochterindicatoren moeten aan dezelfde eisen voldoen als die welke
aan radarinstallaties zijn gesteld.
Hoofdstuk 4. Technische minimum eisen voor radarinstallaties
Artikel 4.01 Bediening
1. Alle bedieningselementen moeten zodanig zijn aangebracht dat
tijdens de bediening daarvan geen bijbehorende aanwijzing wordt afgedekt
en de navigatie met behulp van radar zonder beperking mogelijk blijft.
2. Bedieningselementen voor het uitschakelen van de installatie of
die, waarvan het inschakelen tot een verkeerde werking kan leiden,
moeten afdoende tegen het per ongeluk inschakelen worden beveiligd.
3. Alle bedieningselementen en aanwijsinstrumenten moeten een niet
verblindende en een voor alle omstandigheden geschikte verlichting
hebben die met een onafhankelijke instelling tot op nul kan worden
gereduceerd.
4. De volgende functies moeten over eigen bedieningselementen
beschikken en onmiddellijk toegankelijk zijn:
a. Stand by/on
b. Range
c. Tuning
d. Gain
e. Seaclutter
f. Rainclutter
g. Variable Range Marker
h. Cursor of Electronic Bearing Line (indien aanwezig)
i. Ships Heading Marker Suppression.
Als voor deze functies draaiknoppen worden gebruikt dan mogen deze
niet concentrisch in of op elkaar zijn gegroepeerd.
5. De bedieningselementen voor versterking, golfonderdrukking en
neerslagonderdrukking moeten in ieder geval met een draaiknop zijn in te
stellen en hun werking moet ongeveer evenredig zijn met de
hoekverdraaiing.
6. De werking van de bedieningselementen moet zo zijn dat door het
verstellen naar rechts of naar boven een positieve en naar links of naar
beneden een negatieve uitwerking op de ingestelde waarde ontstaat.
7. Bij gebruik van druktoetsen moeten deze zo zijn geconstrueerd dat
deze knoppen ook op de tast kunnen worden gevonden en bediend.
Bovendien moeten zij een duidelijk voelbaar drukpunt hebben.
8. De helderheid van de volgende presentaties moet onafhankelijk van
elkaar van nul tot op de operationeel vereiste waarde te regelen zijn:
a. radarbeeld
b. vaste afstandsringen
c. variabele afstandsmeetringen
d. peilschaal
e. peilingslijn
f. nautische informatie bedoeld in artikel 3.14, tweede lid.
9. Wanneer bij een aantal weer te geven grootheden de
helderheidsverschillen slechts gering zijn en de vaste afstandsringen,
de variabele afstandsring en de peilingslijn onafhankelijk van elkaar
uitschakelbaar zijn, dan kan de weergave daarvan op de volgende wijze
over vier helderheidsregelaars worden verdeeld:
a. radarbeeld en koerslijn
b. vaste afstandsringen
c. variabele afstandsmeetringen
d. peilschaal, peilingslijn en nautische informatie bedoeld in
artikel 3.14, tweede lid.
10. De helderheid van de koerslijn moet regelbaar zijn en mag niet
tot nul kunnen worden gereduceerd.
11. Voor het uitschakelen van de koerslijn moet een druktoets
aanwezig zijn die automatisch terugveert.
12. De neerslag- en golfonderdrukkingen moeten continu vanaf nul
instelbaar zijn.
Artikel 4.02 Weergave van het radarbeeld
1. Het radarbeeld is de weergave op schaal van radarecho's van de
omgeving op het beeldscherm van de beeldschermeenheid, verkregen bij
één omwenteling van de antenne met relatieve beweging ten opzichte van
het eigen schip, waarbij de lengte-as van het schip en de koerslijn in
de zelfde richting wijzen.
2. De beeldschermeenheid is dat deel van de installatie waarin het
beeldscherm is ondergebracht.
3. Het beeldscherm is een reflectie-arme indicator waarop óf alleen
het radarbeeld óf het radarbeeld met aanvullende informatie wordt
weergegeven.
4. De effectieve diameter van het radarbeeld is de diameter van het
grootste volledig cirkelvormige radarbeeld dat binnen de peilschaal kan
worden weergegeven.
5. De raster-scan weergave is de uit een omwenteling van de antenne
verkregen nagenoeg statische weergave van het radarbeeld, overeenkomend
met een televisiebeeld.
Artikel 4.03 Eigenschappen van het radarbeeld
1. De effectieve diameter van het radarbeeld mag niet minder dan 270
mm bedragen.
2. De diameter van de buitenste afstandsring in de afstandsbereiken
bedoeld in artikel 3.03 moet tenminste 90% van de effectieve diameter
van het radarbeeld zijn.
3. Op alle afstandsbereiken moet het punt in het radarbeeld, dat de
plaats van de antenne weergeeft, zichtbaar zijn.
Artikel 4.04 Kleur van de weergave
De voor de weergave bestemde kleur moet naar fysiologisch inzicht
worden gekozen. Als op het scherm meer kleuren kunnen worden
weergegeven, moet het radarbeeld monochroom worden afgebeeld.
Weergave in andere kleuren mag nergens op het scherm tot mengkleuren
of verkleuringen als gevolg van overlapping aanleiding geven.
Artikel 4.05 Beeldverversing en opslag
1. Het door de beeldschermeenheid weergegeven radarbeeld moet na
maximaal 2,5 seconden door het actuele radarbeeld worden ververst.
2. Elke echo moet op het beeldscherm ten minste gedurende één
omwenteling van de antenne zichtbaar blijven en ten hoogste gedurende
twee omwentelingen van de antenne worden weergegeven.
De weergave van het radarbeeld kan op twee manieren plaatshebben: óf
door een continue weergave óf door een periodieke beeldherhaling. Een
periodieke herhaling moet met een frequentie van tenminste 50 Hz
gebeuren.
3. Het verschil in helderheid tussen het schrijven van de echo en
zijn nalichting tijdens een omwenteling van de antenne dient zo klein
mogelijk te zijn.
Artikel 4.06 Lineariteit van de beeldweergave
1. De lineariteitsfout van het radarbeeld mag niet groter zijn dan
5%.
2. Een rechte, vaste oeverlijn op 30 m afstand van de radarantenne
moet bij alle afstandsbereiken tot 2000 m zonder waarneembare
vervormingen als één rechte samenhangend echostructuur worden
weergegeven.
Artikel 4.07 Nauwkeurigheid afstands- en azimuthmeting
1. De bepaling van de doelafstand met behulp van de variabele of
vaste afstandsmeetringen moet met een nauwkeurigheid van ± 10 m of ±
1,5% geschieden, waarbij de hoogste van deze waarden maatgevend is.
2. De hoek waarmee een object wordt gepeild mag niet meer dan 1° van
de werkelijke waarde afwijken.
Artikel 4.08 Eigenschappen van antenne en zendspectrum
1. De aandrijving van de antenne en de antenne moeten windsnelheden
tot 100 km/u kunnen verdragen zonder dat daarbij de werking van de radar
wordt beïnvloed.
2. De antenne-eenheid moet van een veiligheidschakelaar zijn voorzien
waarmee de zender en de aandrijving kunnen worden uitgeschakeld.
3. Het horizontale stralingsdiagram van de antenne, gemeten in één
richting, moet aan de volgende eisen voldoen:
a. breedte van de hoofdlus: max. 1,2°, gemeten tussen de -3dB
punten;
b. breedte van de hoofdlus: max. 3,0°, gemeten tussen de -20dB
punten;
c. zijlusdemping binnen ± 10° ten opzichte van de hoofdlus:
minstens -25dB;
d. zijlusdemping binnen ± 10° ten opzichte van de hoofdlus:
minstens -32dB.
4. Het verticale stralingsdiagram van de antenne, gemeten in één
richting, moet aan de volgende eisen voldoen:
a. breedte van de hoofdlus: maximaal 30°, gemeten tussen de -3dB
punten;
b. het maximum van de hoofdlus moet op de horizontale as liggen;
c. zijlusdemping minstens -25 dB.
5. De uitgezonden hoogfrequente energie moet horizontaal
gepolariseerd zijn.
6. De werkfrequentie van de installatie moet hoger zijn dan 9 GHz en
moet liggen binnen een volgens de geldende ITU Radio Regulations voor
navigatieradarinstallaties toegewezen frequentiegebied.
7. Het frequentiespectrum van de door de antenne uitgezonden
hoogfrequente energie moet aan de eisen van de ITU Radio Regulations
voldoen.
Hoofdstuk 5. Keuringsvoorwaarden en -methodes voor radarinstallaties
Artikel 5.01 Veiligheid, bestendigheid en uitgezonden storing
Voor het testen van de voeding, de veiligheid, de wederzijdse
beïnvloeding van de installaties aan boord, de veilige kompasafstand,
de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door
het milieu en de geluidhinder, gelden de eisen overeenkomstig de "IEC
Publication 945 Marine Navigational Equipment, General Requirements".
Artikel 5.02 Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische
compatibiliteit
1. De metingen van de uitgezonden storingen worden overeenkomstig de
"IEC Publication 945 Marine Navigational Equipment, Interference",
in het frequentiegebied tussen 30 MHz en 2000 MHz, uitgevoerd.
Aan de eisen bedoeld in artikel 2.02, eerste lid, moet zijn voldaan.
2. Aan de eisen, bedoeld in artikel 2.02, tweede lid, inzake de
elektromagnetische compatibiliteit, moet eveneens zijn voldaan.
Artikel 5.03 Keuringsmethodes
1. De meetopstelling volgens fig. 2 voor het keuren van de
radarinstallatie moet op een ten minste 1,5 km lang en 0,3 km breed, zo
rustig mogelijk, wateroppervlak of op een terrein met gelijkwaardige
reflecterende eigenschappen worden opgebouwd.
2. Onder standaardreflector wordt verstaan een radarreflector, die
bij een golflengte van 3,2 cm een equivalent reflecterend oppervlak van
10 m2 heeft.
Voor de berekening van het equivalent reflecterend oppervlak (sigma)
van een radarreflector met driehoekige vlakken geldt voor een frequentie
van 9 GHz (3,2 cm) de formule: