| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Scheepvaartverkeerswet
BESLUIT
RIJNVAARTPOLITIEREGLEMENT 1995
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 15 september 1994, houdende het van kracht
zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de
Rijnvaart
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juni 1994,
nr. RVR 173295, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de Herziene Rijnvaartakte van 17
oktober 1868 en op de resoluties van de Centrale Commissie voor de
Rijnvaart van 1 december 1993 (protocol 1993-II-19) en van 18 mei 1994
(protocol 1994-I-19);
Gelet op de artikelen 4 en 19 van de
Scheepvaartverkeerswet;
De Raad van State gehoord (advies van 9
augustus 1994, nr. W09.94 0362);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 12 september 1994, nr. RV 181819,
Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en
Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van
kracht het Reglement van politie voor de Rijnvaart met de daarbij
behorende bijlagen, dat is gevoegd bij dit besluit en dat kan worden
aangehaald als " Rijnvaartpolitiereglement 1995".
Artikel 2 [Vervallen per 25-05-2011]
Artikel 3
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bepaalt wie de bevoegde
autoriteit of de bevoegde autoriteiten zijn, bedoeld in het
Rijnvaartpolitiereglement 1995.
Artikel 4
1.De verplichting van artikel 3.02, tweede lid, van het
Rijnvaartpolitiereglement 1995 geldt voor schepen die niet tot een der
oeverstaten of België behoren, alsmede voor kleine schepen in de zin
van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, niet eerder dan met ingang van
1 januari 1996.
2.De verplichtingen van artikel 4.05, derde lid, tweede volzin, en
vierde lid, tweede volzin, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995
gelden tot 1 januari 1998 uitsluitend voor schepen, samenstellen en
bijzondere transporten bedoeld in artikel 12.01, eerste lid, van het
Rijnvaartpolitiereglement 1995, alsmede voor schepen die op radar
varen als bedoeld in artikel 6.32 van het Rijnvaartpolitiereglement
1995.
De verplichting van artikel 4.05, vierde lid, tweede volzin, van
het Rijnvaartpolitiereglement 1995 geldt echter tot 1 januari 1998
tevens voor alle schepen die met een marifooninstallatie als bedoeld
in artikel 4.05, derde lid, tweede volzin, van het
Rijnvaartpolitiereglement 1995 zijn uitgerust.
Artikel 5
Het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1983 met het daarbij behorende
Rijnvaartpolitiereglement 1983, alsmede de ter uitvoering van artikel
1.22, derde lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1983 vastgestelde
tijdelijke wijzigingen van dat reglement, worden ingetrokken.
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1995.
Artikel 7
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Rijnvaartpolitiereglement
1995.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting en de bijlage bij deze laatste,
alsmede het bij dit besluit gevoegde Rijnvaartpolitiereglement 1995, in
het Staatsblad zullen worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 september 1994
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de tweeëntwintigste november 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Rijnvaartpolitiereglement 1995
I. Bepalingen van toepassing op de gehele Rijn
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.01. Betekenis van enige
uitdrukkingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. schip: een binnenschip met
inbegrip van een klein schip en een veerpont, zomede een drijvend
werktuig en een zeeschip;
b. motorschip: een schip dat gebruik
maakt van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging, met
uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt
voor het zich verplaatsen over een kleine afstand (bijvoorbeeld in
havens of op laad- en losplaatsen) of ter verbetering van zijn
bestuurbaarheid wanneer het wordt gesleept of geduwd;
c. samenstel: een sleep, een duwstel
of een gekoppeld samenstel;
d. sleep: een samenstel van één of
meer schepen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat
door één of meer motorschepen wordt gesleept; deze laatsten maken
deel uit van het samenstel;
e. duwstel: een hecht samenstel van
schepen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het
motorschip, dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan
wel vóór de beide motorschepen, die dienen voor het voortbewegen
van het samenstel, en die worden aangeduid als "duwboot"
of "duwboten". Hieronder wordt ook verstaan een duwstel
dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de
koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
f. duwbak: een schip dat is gebouwd
of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd;
g. zeeschipbak: een duwbak die is
gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en
om de binnenwateren te bevaren;
h. gekoppeld samenstel: een samenstel
van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is
geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van
het samenstel;
i. drijvend werktuig: een drijvend
bouwsel, met mechanische werktuigen, dat is bestemd om op vaarwegen
of in havens te worden gebruikt, zoals een baggermolen, een
elevator, een bok, een kraan;
j. drijvende inrichting: een drijvend
bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt
verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger, een
botenhuis;
k. drijvend voorwerp: een vlot,
alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen, dat geschikt
is gemaakt om te varen en dat geen schip of drijvende inrichting is;
l. veerpont: een schip dat een
veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, en dat
door de bevoegde autoriteit als veerpont wordt aangemerkt;
m. Klein schip: een schip waarvan de
maximale lengte van de romp, zonder het roer en de boegspriet,
minder is dan 20 m met uitzondering van:
– een schip dat andere dan
kleine schepen mag slepen, mag duwen of langszijde vastgemaakt
mag medevoeren;
– een schip dat meer dan 12
passagiers mag vervoeren;
– een veerpont;
– een duwbak;
n. zeilschip: een schip dat
uitsluitend onder zeil vaart. Een schip dat onder zeil vaart en
tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt
is een motorschip;
o. stilliggend schip, drijvend
voorwerp of drijvende inrichting: een schip, een drijvend voorwerp
of een drijvende inrichting dat direct of indirect hetzij ten anker,
hetzij aan de oever gemeerd ligt;
p. varend schip, drijvend voorwerp of
drijvende inrichting: een schip, een drijvend voorwerp of een
drijvende inrichting dat noch direct of indirect ten anker of
gemeerd ligt noch is vastgevaren;
q. op radar varend schip: een schip
dat gebruik maakt van radar voor het varen bij slecht zicht;
r. des nachts: de tijd tussen
zonsondergang en zonsopgang;
s. des daags: de tijd tussen
zonsopgang en zonsondergang;
t. wit licht, rood licht, groen
licht, geel licht en blauw licht: een licht waarvan de kleur voldoet
aan de eisen van tabel 2 van de Europese norm EN 14744 : 2006;
u. krachtig licht, helder licht en
gewoon licht: een licht waarvan de sterkte voldoet aan de eisen van
tabel 1 van de Europese norm EN 14744 : 2006;
v. flikkerlicht, snel flikkerlicht:
een periodelicht waarvan het aantal regelmatige lichtverschijningen
als flikkerlicht voldoet aan de eisen van regel 1 en als snel licht
aan de eisen van regel 2 of regel 3 van tabel 3 van de Europese norm
EN 14744 : 2006;
w. korte stoot: een geluidssein,
durende ongeveer 1 seconde; lange stoot: een geluidssein, durende
ongeveer 4 seconden en waarbij de tijdruimte tussen de opeenvolgende
stoten ongeveer 1 seconde bedraagt;
x. reeks zeer korte stoten: een reeks
van ten minste 6 stoten, elk durende ongeveer 1/4 seconde en waarbij
de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten ongeveer 1/4 seconde
bedraagt;
y. linker- en rechteroever: de zijden
van de vaarweg gezien in de richting van de bron naar de monding;
z. stroomopwaarts: de richting naar
de bronnen van de Rijn, met inbegrip van die riviergedeelten waar de
stroomrichting met het getij verandert;
aa. ADN: het in de bijlage bij het
Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke
goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN);
ab. snel schip: een motorschip, met
uitzondering van een klein schip, dat met een snelheid van meer dan
40 km per uur ten opzichte van het water kan varen (bijvoorbeeld een
draagvleugelboot, een luchtkussenvaartuig of een motorschip met
meervoudige romp), terwijl dit in het certificaat van onderzoek is
aangetekend.
Artikel 1.02. Schipper
1. Een schip alsmede een drijvend
voorwerp moeten zijn gesteld onder het gezag van een persoon die
daartoe de vereiste bekwaamheid bezit. Deze persoon wordt hierna
aangeduid als «schipper». De schipper wordt geacht deze bekwaamheid
te hebben, indien hij houder is van:
a. een Rijnpatent voor het
riviergedeelte waarop hij vaart en voor het soort schip dat hij
voert,
b. een ander bewijs van
vaarbekwaamheid, erkend volgens het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn of
c. een als gelijkwaardig erkend
bewijs volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel
op de Rijn,
voor het soort schip dat hij voert. Bij
als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen moet hij bovendien het
volgens het Patentreglement Rijn vereiste bewijs voor riviergedeelten
bezitten.
2. Een samenstel moet eveneens onder
het gezag van een schipper zijn gesteld, die de daartoe vereiste
bekwaamheid bezit.
De schipper van het motorschip dat
hoofdzakelijk voor het voortbewegen zorgt is de schipper van het
samenstel.
Wanneer meer dan één schip
hoofdzakelijk voor het voortbewegen dient, moet de schipper van het
samenstel tijdig worden aangewezen.
Indien een duwstel door twee duwboten
naast elkaar wordt voortbewogen, is de schipper van de duwboot aan
stuurboord de schipper van het samenstel.
3. Schepen van een duwstel, met
uitzondering van de duwboot, behoeven geen schipper te hebben, maar
zij zijn gesteld onder het gezag van de schipper van de duwboot.
Wanneer zich in een gekoppeld samenstel een duwbak bevindt, kan de
schipper van dit samenstel tegelijkertijd de functie van schipper van
de duwbak vervullen.
4. Tijdens de vaart moet de schipper
aan boord zijn; de schipper van een drijvend werktuig moet tevens aan
boord zijn wanneer het werktuig in bedrijf is.
5. De schipper is verantwoordelijk voor
de naleving van dit reglement, onverminderd de verantwoordelijkheid
van derden.
De schipper van een samenstel is
verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement, voor zover de
bepalingen daarvan op samenstellen van toepassing zijn.
De schipper van een schip dat gesleept
wordt moet de bevelen van de schipper van de sleep opvolgen. Hij moet
evenwel, ook wanneer zulke bevelen niet worden gegeven, alle
maatregelen nemen die voor het op juiste wijze voeren van zijn schip
door de omstandigheden worden geboden. Dezelfde voorschriften gelden
voor de schipper van een schip van een gekoppeld samenstel, voor zover
hij geen schipper van het samenstel is.
6. Indien voor een stilliggend schip of
drijvend voorwerp een persoon op grond van artikel 7.08 met de
bewaking of het toezicht is belast, treedt deze persoon op als
schipper.
7. De schipper mag in zijn functioneren
niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het
gebruik van alcohol, van medicijnen of van drugs, dan wel door enige
andere oorzaak.
Indien hij een alcoholconcentratie in
het bloed heeft van 0,5 promille of meer, dan wel hij een hoeveelheid
alcohol in zijn lichaam heeft die een zodanige alcoholconcentratie in
het bloed dan wel een daarmee overeenkomende alcoholconcentratie in de
uitgeademde lucht oplevert, is het de schipper verboden het schip te
voeren.
Artikel 1.03. Verplichtingen van de
bemanning en van andere personen aan boord
1. Een lid van de bemanning van een
schip moet de aanwijzingen opvolgen, die hem door de schipper van het
schip binnen de grenzen van diens verantwoordelijkheid worden gegeven.
Hij moet medewerken aan de naleving van dit reglement.
2. Ieder ander die zich aan boord van
een schip bevindt moet de aanwijzingen opvolgen, die hem door de
schipper in het belang van de veiligheid van de scheepvaart of van de
goede orde aan boord worden gegeven.
3. Een lid van de bemanning en ieder
ander persoon die zich aan boord bevindt en die tijdelijk zelfstandig
de koers en de snelheid van het schip bepaalt, is eveneens
verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement.
4. De dienstdoende leden van de
minimumbemanning in de zin van het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn, en andere personen aan boord die
tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepalen,
mogen in hun functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid
of de gevolgen van het gebruik van alcohol, medicijnen of drugs, dan
wel door enige andere oorzaak.
Indien zij een alcoholconcentratie in
het bloed hebben van 0,5 promille of meer, dan wel een hoeveelheid
alcohol in het lichaam hebben die een dienovereenkomstige
alcoholconcentratie in het bloed dan wel een daarmee overeenkomende
alcoholconcentratie in uitgeademde lucht oplevert, is het deze
personen verboden de koers en de snelheid van het schip te bepalen.
Artikel 1.04. Algemene plicht tot
waakzaamheid
De schipper moet, ook bij ontbreken van
uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen
nemen die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goede
zeemanschap worden gevorderd, teneinde met name te voorkomen dat:
a. het leven van personen in gevaar
wordt gebracht;
b. schade wordt veroorzaakt aan
andere schepen of aan drijvende voorwerpen, aan oevers of aan werken
en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de
oevers daarvan bevinden;
c. hinder voor de scheepvaart
ontstaat;
d. het milieu in ernstige mate kan
worden beïnvloed.
Artikel 1.05. Gedrag onder bijzondere
omstandigheden
De schipper moet bij dreigend gevaar alle
maatregelen nemen die de omstandigheden vorderen, zelfs indien deze
ertoe zouden nopen af te wijken van dit reglement.
Artikel 1.06. Gebruik van de vaarweg
Onverminderd de artikelen 8.08, 9.02,
tiende lid, 10.01, 10.02, 11.01, 11.02, 11.03, 11.04 en 11.05 moeten de
lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang en de snelheid
van een schip of een samenstel verenigbaar zijn met de karakteristiek en
de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.
Artikel 1.07. Eisen met betrekking tot de
belading, het uitzicht en het ten hoogste toegelaten aantal passagiers
1.Een schip mag niet zodanig zijn
beladen dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant der
inzinkingsmerken.
2.Tijdens de vaart mag de lading het
directe of indirecte uitzicht niet meer beperken dan tot 350 m vóór
de boeg.
3.De wijze van de belading mag de
stabiliteit van het schip en de hechtheid van de romp niet in gevaar
brengen.
4.De stabiliteit van de volgende
schepen die containers vervoeren moet bovendien vóór het begin van
de reis worden gecontroleerd:
a. schepen met een breedte van
minder dan 9,50 m, indien de containers in meer dan één laag
zijn geladen;
b. schepen met een breedte van 9,50
m tot 11 m, indien de containers in meer dan twee lagen zijn
geladen;
c. schepen met een breedte van 11 m
of meer,
– indien de containers in
meer dan drie rijen naast elkaar en in meer dan twee lagen
zijn geladen, of
– indien de containers in
meer dan drie lagen zijn geladen.
5.Een schip dat is bestemd voor het
vervoer van passagiers mag niet meer passagiers aan boord hebben dan
door de bevoegde autoriteit is toegestaan. Onverminderd de eerste
volzin mogen zich aan boord van een snel schip niet meer personen
bevinden dan er zitplaatsen beschikbaar zijn.
Artikel 1.08. Bouw, uitrusting en
bemanning van een schip
1. Een schip moet zodanig zijn gebouwd
en uitgerust, dat de veiligheid van de opvarenden en die van de
scheepvaart zijn verzekerd en dat aan dit reglement kan worden
voldaan.
2. Ieder schip moet een bemanning
hebben, voldoende in aantal en geschiktheid om de veiligheid van de
opvarenden en die van de scheepvaart te verzekeren.
3. Aan deze voorwaarden wordt geacht te
zijn voldaan wanneer het schip krachtens het Reglement Onderzoek
Schepen op de Rijn van een certificaat of van een volgens dit
reglement als gelijkwaardig erkend certificaat is voorzien, en de bouw
en de uitrusting overeenstemmen met de in dat certificaat vermelde
gegevens en wanneer de bemanning en de bedrijfsuitoefening in
overeenstemming zijn met de voorschriften van het Reglement
betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.
4. Onverminderd het derde lid, moeten
de in onderdeel 44 van het certificaat van onderzoek vermelde
individuele reddingsmiddelen voor passagiers geschikt zijn, qua aantal
en verdeling per type overeenkomen met het aantal aan boord zijnde
volwassenen en kinderen en aan boord beschikbaar zijn, waarbij voor
kinderen met een lichaamsgewicht tot en met 30 kg of maximaal 6 jaar
oud uitsluitend harde zwemvesten als bedoeld in artikel 10.05, tweede
lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn zijn toegestaan.
Artikel 1.09. Bediening van het roer
1. Tijdens de vaart moet het roer
worden bediend door ten minste één daartoe bekwaam persoon die de
leeftijd van 16 jaar heeft bereikt.
2. De voorwaarde aangaande de leeftijd
geldt niet voor kleine schepen zonder motor.
3. Teneinde te verzekeren dat het schip
op de juiste wijze wordt gevoerd moet de roerganger in staat zijn alle
in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en
aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder moet hij in de
gelegenheid zijn geluidsseinen te horen en moet hij naar alle zijden
een voldoende vrij uitzicht hebben.
4. Indien bijzondere omstandigheden dit
vorderen, moet een uitkijk of luisterpost die de roerganger inlicht
aanwezig zijn.
5. Op ieder snel schip moet tijdens de
vaart het roer worden bediend door een persoon die houder is van een
Rijnpatent of een vaarbevoegdheidsbewijs dat volgens het Reglement
betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn als gelijkwaardig
erkend of toegelaten is en vereist is voor het te bevaren
riviergedeelte, alsmede een radargetuigschrift dat is afgegeven of als
gelijkwaardig erkend volgens het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn.
Een tweede persoon die eveneens houder
is van de twee bovengenoemde bewijzen, moet zich in de stuurhut
bevinden, behalve tijdens het aanleggen en afvaren, in de sluizen of
in de voorhavens van de sluizen.
Artikel 1.10. Scheepsbescheiden en andere
documenten aan boord
1. Aan boord van een schip moeten de
volgende bescheiden en andere documenten, voor zover deze door de
daartoe gestelde bijzondere bepalingen voorgeschreven worden, aanwezig
zijn:
a. het certificaat van onderzoek
voor het schip of het document dat hiervoor in de plaats treedt,
of een krachtens het Reglement onderzoek schepen op de Rijn als
gelijkwaardig erkend certificaat;
b. een Rijnpatent of een volgens
het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn als
gelijkwaardig erkend of toegelaten vaarbevoegdheidsbewijs voor het
te bevaren riviergedeelte, en voor de overige leden van de
bemanning het naar behoren bijgehouden dienstboekje of een volgens
dit reglement afgegeven groot patent of als gelijkwaardig erkend
vaarbevoegdheidsbewijs; bij de als gelijkwaardig erkende
vaarbevoegdheidsbewijzen moet de schipper bovendien voor bepaalde
riviergedeelten het volgens het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn vereiste bewijs voor
riviergedeelten bezitten;
c. het naar behoren bijgehouden
vaartijdenboek met inbegrip van de verklaring overeenkomstig
bijlage A4 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel
op de Rijn of een kopie van de bladzijde met de aantekeningen van
de vaar- en rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip waarop
de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden;
d. de verklaring inzake de afgifte
van het vaartijdenboek;
e. de verklaring inzake het behoren
tot de Rijnvaart;
f. de meetbrief van het schip;
g. de verklaring betreffende de
inbouw en het functioneren van de tachograaf, alsmede de
voorgeschreven registratiebladen van de tachograaf;
h. een radargetuigschrift dat is
afgegeven of als gelijkwaardig erkend volgens het Reglement
betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn; dit document
hoeft niet aan boord te zijn, indien de patentkaart de
vermelding«radar» bevat of een ander volgens dit reglement
toegelaten vaarbevoegdheidsbewijs de overeenkomstige vermelding
bevat. Indien de Centrale Commissie voor de Rijnvaart het
vaarbevoegdheidsbewijs en het radargetuigschrift van een staat als
gelijkwaardig heeft erkend, is het radargetuigschrift niet
vereist, wanneer het vaarbevoegdheidsbewijs een overeenkomstige
vermelding bevat;
i. de volgens artikel 7.06, eerste
lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn vereiste
verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van de
radarinstallatie en de bochtaanwijzer;
k. het marifoon
bedieningscertificaat, bedoeld in de bijlage 5 van de Regionale
regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart;
l. de vergunning voor het gebruik
van de frequentieruimte;
m. het Handboek voor de marifonie
in de binnenvaart, algemeen deel en regionaal deel Rijn/Moezel;
n. het behoorlijk bijgehouden
olie-afgifteboekje;
o. de bescheiden betreffende de
stoomketels en andere onder druk staande vaten;
p. de verklaring betreffende de
installaties voor vloeibaar gemaakte gassen;
q. de bescheiden betreffende
elektrische installaties;
r. de keuringsbewijzen betreffende
draagbare blustoestellen en vast ingebouwde brandblusinstallaties;
s. het keuringsbewijs betreffende
de kranen;
t. de bescheiden vereist door het
ADN, nrs. 8.1.2.1, 8.1.2.2 en 8.1.2.3;
u. bij containervervoer de door de
Commissie van Deskundigen gekeurde stabiliteitsgegevens van het
schip, met inbegrip van het stuwplan of de ladinglijst voor de
onderhavige beladingstoestand en het resultaat van de
stabiliteitsberekening voor de onderhavige, of een vergelijkbare
vorige, dan wel een standaard beladingstoestand. De toegepaste
berekeningsmethode moet daarbij opgegeven worden;
v. de verklaring betreffende de
duur en de geografische begrenzing van de bouwwerkzaamheden, waar
een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden mag worden gebruikt;
w. op het riviergedeelte tussen
Basel en Mannheim voor schepen met een lengte van meer dan 110 m
het bewijs bedoeld in artikel 22a.05, tweede lid, onderdeel b, van
het Reglement onderzoek schepen op de Rijn;
x. de overeenkomstig artikel 8a.02,
derde lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn vereiste
kopieën van het certificaat van typegoedkeuring en van het
proces-verbaal van de motorkenmerken van iedere motor;
y. de verklaring voor de volgens
artikel 10.02, tweede lid, onderdeel a, van het Reglement
onderzoek schepen op de Rijn voorgeschreven stalen trossen;
z. de verklaring betreffende de
inbouw en het functioneren van het Inland AIS-apparaat;
aa. de verklaringen die volgens het
Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn voor het
veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen zijn
voorgeschreven;
ab. de bunkerverklaring als bedoeld
in Bijlage 2, Deel A, artikel 3.04, eerste lid, van het Verdrag
inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en
binnenvaart (CDNI), met inbegrip van de kwitanties van de
vergoedingstransacties van het SPE-CDNI over een periode van ten
minste twaalf maanden. Indien de laatste afname van gasolie meer
dan twaalf maanden geleden heeft plaatsgevonden, dient ten minste
de laatste bunkerverklaring aan boord aanwezig te zijn;
ac. de bij artikel 15.07, tweede
lid, voorgeschreven losverklaring.
2. De aanwezigheid van de in het eerste
lid, onderdelen a, e en f, bedoelde bescheiden is evenwel niet vereist
aan boord van duwbakken waarop een metalen plaat is aangebracht met
een opschrift overeenkomstig het volgende model:
UNIEK EUROPEES
SCHEEPSIDENTIFICATIENUMMER:.......... –R
CERTIFICAAT VAN ONDERZOEK
– NUMMER:.................
– COMMISSIE VAN
DESKUNDIGEN:.....................
– GELDIG
TOT:........................
waarbij uit een hoofdletter R,
aangebracht achter het uniek Europees scheepsidentificatienummer,
blijkt dat er een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart is
afgegeven.
Indien de duwbak over een officieel
scheepsnummer beschikt, moet dat begrip en het officiële
scheepsnummer op de metalen plaat worden aangebracht.
De gevraagde gegevens moeten, in goed
leesbare letters met een hoogte van ten minste 6 mm, ingehakt of
ingeslagen zijn.
De metalen plaat moet een hoogte van
ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm hebben. Zij moet
op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats
zijn bevestigd.
De overeenstemming tussen de gegevens
op de plaat, met uitzondering van de letter R, met die in het
certificaat van onderzoek van de duwbak moet worden bevestigd door een
Commissie van Deskundigen door middel van het aanbrengen op de plaat
van een stempel.
De in het eerste lid, onderdelen a, e
en f, genoemde bescheiden moeten worden bewaard door de eigenaar van
de duwbak.
De aanwezigheid van de in het eerste
lid, onderdeel x, bedoelde bescheiden is evenwel niet vereist, wanneer
op de metalen plaat tevens het nummer van de typegoedkeuring, bedoeld
in Bijlage J, deel I, onderdeel 1.1.3, van het Reglement onderzoek
schepen op de Rijn wordt vermeld.
3. Op schepen bestemd voor
bouwwerkzaamheden, bedoeld in het Reglement onderzoek schepen op de
Rijn, waar een stuurhut of een woning ontbreekt, is de aanwezigheid
van de in het eerste lid, onder a, e en f, bedoelde bescheiden niet
vereist. Deze bescheiden moeten echter in ieder geval steeds in de
nabijheid van de bouwwerkzaamheden voor handen zijn. Op schepen
bestemd voor bouwwerkzaamheden moet een door de bevoegde autoriteit
afgegeven verklaring betreffende de duur en de geografische begrenzing
van de bouwwerkzaamheden, waar het schip mag worden gebruikt, aanwezig
zijn.
4. De bescheiden en andere documenten
als bedoeld in het eerste lid moeten op verzoek van de ambtenaren van
de bevoegde autoriteit worden overhandigd.
Artikel 1.11. Rijnvaartpolitiereglement
1995 aan boord
Aan boord van een schip, met uitzondering
van een klein schip en een duwbak, moet een bijgewerkt exemplaar van dit
reglement, met inbegrip van de op grond van artikel 1.22, derde lid,
uitgevaardigde voorschriften, aanwezig zijn. Een exemplaar dat via een
elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden, is eveneens
toegestaan.
Artikel 1.12. Gevaren verbonden aan het
zich aan boord bevinden van voorwerpen; verlies van voorwerpen;
hindernissen
1.Een schip, een drijvend voorwerp of
een drijvende inrichting mag geen voorwerpen hebben uitsteken die
zouden kunnen leiden tot één van de in artikel 1.04 bedoelde
ongewenste omstandigheden.
2.Indien de ankers zijn gelicht, mogen
zij niet onder de bodem of kiel van het schip uitsteken.
3.De schipper van een schip of een
drijvend voorwerp dat een voorwerp verliest waardoor een belemmering
van of een gevaar voor de scheepvaart kan ontstaan, moet daarvan
onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en
daarbij zo nauwkeurig mogelijk de plaats aangeven waar het voorwerp is
verloren. Zo mogelijk moet hij bovendien deze plaats met een kenteken
aanduiden.
4.De schipper van een schip dat een
hindernis in de vaarweg aantreft, moet daarvan onverwijld kennis geven
aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig
mogelijk de plaats aangeven waar de hindernis is aangetroffen.
Artikel 1.13. Bescherming van
verkeerstekens
1.Een schip mag verkeerstekens (boeien,
drijvers, bakens, waarschuwingsvlotten met verkeerstekens, enz.) niet
gebruiken om daaraan te meren of daaraan te verhalen, niet beschadigen
en niet ongeschikt voor hun bestemming maken.
2.Indien een schip of een drijvend
voorwerp een verkeersteken heeft verplaatst of een inrichting heeft
beschadigd, die deel uitmaakt van het stelsel van verkeerstekens van
de vaarweg, moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de
dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.
3.In het algemeen genomen heeft de
schipper de verplichting het in het ongerede of beschadigd zijn van
verkeerstekens (het niet functioneren van een licht, de verplaatsing
van een boei, de vernieling van een verkeersteken) onverwijld ter
kennis van de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit te brengen.
Artikel 1.14. Beschadiging van
kunstwerken
Indien een schip of een drijvend voorwerp
een kunstwerk (sluis, brug, krib, enz.) heeft beschadigd, moet de
schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde
bevoegde autoriteit.
Artikel 1.15. Verbod tot het te water
doen geraken van voorwerpen of vloeistoffen
1.Het is verboden vaste voorwerpen of
vloeistoffen die hinder of gevaar voor de scheepvaart of voor andere
gebruikers van de vaarweg kunnen veroorzaken te water te doen geraken.
2.Indien zodanige voorwerpen of
vloeistoffen te water geraken of dreigen te geraken, moet de schipper
onverwijld daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde
autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk de aard van deze
voorwerpen of vloeistoffen en de plaats waar zij te water zijn geraakt
of dreigen te geraken aangeven.
Artikel 1.16. Redding en bijstand
1.Bij een ongeval dat de opvarenden van
een schip in gevaar brengt moet de schipper alle hem ten dienste
staande middelen tot hun redding aanwenden.
2.De schipper van een schip dat zich in
de nabijheid bevindt van een schip of drijvend voorwerp dat door een
ongeval is getroffen, waarbij personen gevaar lopen of waardoor het
vaarwater dreigt te worden versperd, is verplicht, voor zover dit met
de veiligheid van zijn schip is te verenigen, onverwijld bijstand te
verlenen.
Artikel 1.17. Vastgevaren of gezonken
schepen; aangifte van ongevallen
1.De schipper van een schip of een
drijvend voorwerp dat is vastgevaren of gezonken moet zo spoedig
mogelijk daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde
autoriteit. De schipper of een ander lid der bemanning moet aan boord
of in de nabijheid van de plaats van het ongeval blijven zolang de
bevoegde autoriteit hem niet heeft toegestaan zich te verwijderen.
2.Tenzij dit klaarblijkelijk niet nodig
is, moet de schipper, onverminderd artikel 3.25, zo spoedig mogelijk
naderende schepen of drijvende voorwerpen laten waarschuwen op
daarvoor geschikte plaatsen en op zodanige afstand van de plaats van
het ongeval, dat deze schepen of drijvende voorwerpen tijdig de nodige
maatregelen kunnen nemen.
3.Indien op de wachtplaats van een
sluis of in een sluis een ongeval is geschied moet de schipper
onmiddellijk de dienstdoende sluismeester daarvan in kennis stellen.
Artikel 1.18. Verplichting tot vrijmaking
van het vaarwater
1.Indien een schip of een drijvend
voorwerp dat is vastgevaren of gezonken, dan wel een door een schip of
een drijvend voorwerp verloren voorwerp, het vaarwater geheel of
gedeeltelijk verspert of dreigt te versperren, moet de schipper de
nodige maatregelen nemen om het vaarwater zo spoedig mogelijk vrij te
maken.
2.Een overeenkomstige verplichting
geldt voor de schipper wiens schip of drijvend voorwerp dreigt te
zinken of onmanoeuvreerbaar wordt.
3.De verplichting schepen of drijvende
voorwerpen die zijn vastgevaren of gezonken, dan wel voorwerpen die
zijn verloren, uit de rivier te verwijderen wordt geregeld door de
nationale wetgeving.
4.De bevoegde autoriteit kan
onmiddellijk tot opruiming overgaan, wanneer hij van oordeel is, dat
dit niet kan worden uitgesteld.
Artikel 1.19. Verkeersaanwijzingen
Een schipper is verplicht aan een
verkeersaanwijzing gevolg te geven die hem door de ambtenaren van de
bevoegde autoriteit ter verzekering van de veiligheid en de goede orde
van de scheepvaart wordt gegeven. Dit geldt ook in geval van een
grensoverschrijdende achtervolging.
Artikel 1.20. Toezicht
De schipper moet de ambtenaren van de
bevoegde autoriteit de nodige medewerking verlenen, in het bijzonder het
onmiddellijk aan boord komen van hen vergemakkelijken, teneinde hen in
staat te stellen zich er van te vergewissen dat de bepalingen van dit
reglement worden nageleefd.
Artikel 1.21. Bijzondere transporten;
amfibievoertuigen
1.Als een bijzonder transport wordt
beschouwd het verplaatsen op de vaarweg:
a. van een schip of een samenstel
dat niet voldoet aan de artikelen 1.06 en 1.08, eerste lid;
b. van een drijvende inrichting;
c. van een drijvend voorwerp,
tenzij het verplaatsen daarvan klaarblijkelijk geen hinder of
gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan de kunstwerken kan
veroorzaken.
Een dergelijk transport is slechts
toegestaan met een bijzondere vergunning die is afgegeven door de
bevoegde autoriteit van het gedeelte van de vaarweg waarop zal worden
gevaren. Deze autoriteit zal voor ieder bijzonder transport de
voorwaarden vaststellen waaraan dit transport moet voldoen. Voor ieder
bijzonder transport moet een schipper worden aangewezen, waarbij met
artikel 1.02 rekening dient te worden gehouden.
2.Een amfibievoertuig wordt voor de
toepassing van dit reglement beschouwd als een klein schip.
Artikel 1.22. Voorschriften van
tijdelijke aard
1.De schipper moet de voorschriften van
tijdelijke aard naleven die in bijzondere gevallen met het oog op de
veiligheid en de goede orde van de scheepvaart door de bevoegde
autoriteit worden vastgesteld en die door middel van een bekendmaking
zijn afgekondigd.
2.Deze voorschriften kunnen met name
verband houden met werken die in de vaarweg worden uitgevoerd, met
militaire oefeningen, met openbare evenementen in de zin van artikel
1.23 of met de gesteldheid van de vaarweg. Krachtens deze
voorschriften kan op bepaalde gedeelten, waar bijzondere
voorzorgsmaatregelen worden vereist en die door tonnen, bakens of
andere tekens of door het opstellen van waarschuwingsposten zijn
aangeduid, het varen des nachts of het varen met schepen met te grote
diepgang worden verboden.
3.Het eerste lid betreft eveneens de
voorschriften die kunnen worden vastgesteld, wanneer het nodig blijkt
maatregelen van orde voor de scheepvaart te nemen in afwachting van
een wijziging van dit reglement of bij wijze van proef. Deze
voorschriften hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren.
Zij treden in alle Oeverstaten op hetzelfde tijdstip in werking en
worden onder dezelfde voorwaarden buiten werking gesteld.
Artikel 1.23. Toestemming voor
evenementen
Voor het houden van sportevenementen,
festiviteiten te water en andere evenementen, die de veiligheid en de
vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer in gevaar kunnen brengen,
is toestemming van de bevoegde autoriteit vereist.
Artikel 1.24. Toepasselijkheid in havens
en op laad- en losplaatsen
Dit reglement is eveneens van toepassing
op wateroppervlakten die deel uit maken van havens en van laad- en
losplaatsen, onverminderd de bijzondere voorschriften voor de
scheepvaart die voor deze havens en laad- en losplaatsen zijn
vastgesteld in verband met de plaatselijke omstandigheden en de eisen
van het laden en het lossen.
Artikel 1.25. Voorschriften,
toestemmingen en vergunningen
Voorschriften, toestemmingen en
vergunningen kunnen door de bevoegde autoriteiten van voorwaarden en
voorbehouden worden voorzien.
Hoofdstuk 2. Kentekens en
diepgangsschalen van schepen; meting
Artikel 2.01. Kentekens van schepen, met
uitzondering van kleine schepen en zeeschepen
1. Bij een schip, met uitzondering van
een klein schip en een zeeschip, moeten op de romp of op duurzaam
bevestigde borden of platen de volgende kentekens worden aangebracht:
a. de naam die ook een kenspreuk
kan zijn.
De naam moet aan beide zijden van
het schip en tevens, met uitzondering van een duwbak, van achteren
zichtbaar worden aangebracht. Indien bij een gekoppeld samenstel
of bij een duwstel één van de naamsaanduidingen van het schip
dat voor de voortbeweging dient geheel of gedeeltelijk aan het
zicht wordt onttrokken, moet zij worden herhaald op borden die
zodanig zijn geplaatst, dat zij goed zichtbaar zijn in de
richtingen waarin deze naamsaanduiding aan het gezicht is
onttrokken. Bij ontbreken van de naam van het schip moet worden
aangegeven hetzij de naam van de instelling waaraan het schip
toebehoort (of de gebruikelijke afkorting daarvan), al dan niet
gevolgd door een nummer, hetzij het nummer van teboekstelling dat,
ter aanduiding van het land waarin de thuishaven of de plaats van
teboekstelling is gelegen, wordt gevolgd door de letter of
lettercombinatie vermeld in de bijlage 1;
b. de thuishaven of de plaats van
teboekstelling.
De naam van de thuishaven of de
plaats van teboekstelling moet worden aangebracht hetzij aan beide
zijden van het schip hetzij aan de achterzijde en moet worden
gevolgd door de letter of lettercombinatie die het land aanduidt,
waarin deze thuishaven of deze plaats van teboekstelling is
gelegen;
c. het uniek Europees
scheepsidentificatienummer, dat uit acht Arabische cijfers
bestaat, waarbij de eerste drie cijfers het land en de instelling,
die dat uniek Europees scheepsidentificatienummer hebben
toegekend, aanduiden. Dit kenteken behoeft slechts te worden
gevoerd door schepen waaraan een uniek Europees
scheepsidentificatienummer is toegekend;
d. het officiële scheepsnummer,
dat uit zeven Arabische cijfers bestaat, eventueel gevolgd door
een kleine letter, waarbij de eerste twee cijfers het land en de
instelling die het officiële scheepsnummer hebben toegekend,
aanduiden. Dit kenteken behoeft slechts te worden gevoerd door
schepen waaraan het officiële scheepsnummer is toegekend, dat nog
niet in een uniek Europees scheepsidentificatienummer is omgezet.
Het uniek Europees
scheepsidentificatienummer en het officiële scheepsnummer worden
aangebracht op de wijze, voorgeschreven onder a.
2. Bovendien moet op een schip, met
uitzondering van een klein schip en een zeeschip, zijn aangegeven:
a. indien het is bestemd voor het
vervoer van goederen, het laadvermogen in tonnen. Deze aanduiding
moet zijn aangebracht aan beide zijden van het schip, op de romp
dan wel op duurzaam bevestigde borden of platen;
b. indien het is bestemd voor het
vervoer van passagiers, het ten hoogste toegelaten aantal
passagiers. Deze aanduiding moet zijn aangebracht op een goed
waarneembare plaats aan boord.
3. Bovenvermelde kentekens moeten zijn
aangebracht in Latijnse letters en Arabische cijfers. Zij moeten goed
leesbaar en onuitwisbaar zijn. De hoogte van de tekens moet voor de
naam, het uniek Europees identificatienummer en het officiële
scheepsnummer ten minste 20 cm en voor de overige aanduidingen ten
minste 15 cm bedragen.
De breedte van de tekens en de
stamdikte moeten in goede verhouding tot de hoogte staan. De tekens
moeten in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op
lichte ondergrond worden aangebracht.
Artikel 2.02. Kentekens van kleine
schepen
1.Op een klein schip moet een
officiëel kenteken worden aangebracht. Dit kenteken moet een hoogte
hebben van ten minste 10 cm en het moet vooraan aan beide zijden van
het schip zijn aangebracht, in lichte kleur op donkere ondergrond of
in donkere kleur op lichte ondergrond.
2.Aan kleine schepen kan bij bijzondere
voorschriften van de bevoegde autoriteit vrijstelling worden verleend
van het kenteken bedoeld in het eerste lid. In dit geval moeten op
deze kleine schepen de volgende kentekens worden aangebracht:
a. de naam of de kenspreuk.
De naam moet worden aangebracht aan
de buitenzijde van het schip in goed leesbare en onuitwisbare
Latijnse letters. Bij het ontbreken van de naam of de kenspreuk
van het schip moet worden aangegeven de naam van de instelling,
waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting
daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer. De tekens moeten in
lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte
ondergrond worden aangebracht;
b. de naam en de woonplaats van de
eigenaar.
De naam en de woonplaats moeten op
een goed waarneembare plaats aan de binnen- of buitenzijde van het
schip worden aangebracht.
3.Op een bijboot van een schip behoeft
echter, aan de binnen- of buitenzijde, slechts een zodanig kenteken te
zijn aangebracht dat daaruit kan worden opgemaakt wie de eigenaar is.
Artikel 2.03. Meting
Een binnenschip dat is bestemd voor het
vervoer van goederen, met uitzondering van een klein schip, moet zijn
gemeten.
Artikel 2.04. Inzinkingsmerken en
diepgangsschalen
1.Een schip, met uitzondering van een
klein schip, moet zijn voorzien van merken die het vlak van de
grootste inzinking aangeven. Bij een zeeschip treedt de
zomerzoetwateruitwatering in de plaats van het inzinkingsmerk. In het
Reglement onderzoek schepen op de Rijn is aangegeven op welke wijze de
grootste inzinking wordt vastgesteld en de inzinkingsmerken worden
aangebracht.
2.Een schip waarvan de diepgang 1 m kan
bereiken, met uitzondering van een klein schip, moet van
diepgangsschalen zijn voorzien. In het Reglement onderzoek schepen op
de Rijn is aangegeven op welke wijze zij worden aangebracht.
Artikel 2.05. Kentekens van ankers
1.Een scheepsanker moet van
onuitwisbare kentekens zijn voorzien, die ten minste moeten bestaan
uit hetzij het nummer van het certificaat van onderzoek van het schip
waartoe het behoort en de letters van de Commissie van Deskundigen die
dat certificaat heeft afgegeven, hetzij de naam en de woonplaats van
de eigenaar van het schip. Indien een anker wordt gebruikt op een
ander schip van dezelfde eigenaar, kunnen de oorspronkelijke kentekens
worden gehandhaafd.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op de ankers van zeeschepen, van kleine schepen en van schepen die
slechts bij uitzondering de Rijn bevaren.
Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen
I. Algemene bepalingen
Artikel 3.01. Begripsbepalingen en
toepassing ( Bijlage 3: schets 1)
1.In dit hoofdstuk wordt verstaan
onder:
a. toplicht: een wit krachtig licht
dat schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel aan elke
zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan
dwars en dat slechts over deze boog zichtbaar is;
b. boordlichten: een groen helder
licht aan stuurboordszijde en een rood helder licht aan
bakboordszijde, die elk schijnen over een boog van de horizon van
112°30' achterlijker dan dwars en die slechts over deze boog
zichtbaar zijn;
c. heklicht: een wit helder of
gewoon licht, dat schijnt over een boog van de horizon van 135°
en wel aan elke zijde van het schip over 67°30' van recht
achteruit en dat slechts over deze boog zichtbaar is;
d. rondom schijnend licht: een
licht dat schijnt over een boog van 360°.
2.Wanneer het zicht dit vereist, moeten
de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden
gevoerd.
3.Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt:
a. een duwstel, waarvan de grootste
lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk
12 m bedragen, beschouwd als een alleenvarend motorschip van
dezelfde afmetingen, en
b. een gekoppeld samenstel, waarvan
de grootste lengte meer dan 140 m bedraagt, beschouwd als een
duwstel van dezelfde lengte.
4.Een schetsmatige weergave van de bij
dit hoofdstuk voorgeschreven tekens is opgenomen in bijlage 3 van dit
reglement.
Artikel 3.02. Lichten en
navigatielantaarns
1. Voor zover niet anders wordt
bepaald, moeten de bij dit reglement voorgeschreven lichten naar alle
zijden uitstralen en ononderbroken licht van gelijkmatige sterkte
geven.
2. Een schip mag slechts de
navigatielantaarns gebruiken,
a. waarvan de lantaarnhuizen en
toebehoren het keurmerk dragen, voorgeschreven in de richtlijn nr.
96/98/EG van de Raad van 20 december 1996, inzake uitrusting van
zeeschepen (PbEG L 46), zoals gewijzigd door richtlijn nr.
2008/67/EG van de Commissie van 30 juni 2008 (PbEU L 171), en
b. waarvan de lichten voor wat
betreft hun horizontale uitstraling, kleur en sterkte in
overeenstemming zijn met dit reglement.
Navigatielantaarns, waarvan de
lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen voldoen aan de eisen van
het op 30 november 2009 geldende Rijnvaartpolitiereglement of van
richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en van de Raad van
12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor
binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714 van de Raad,
kunnen nog steeds worden gebruikt.
3. De lichten van stilliggende schepen
die niet zijn uitgerust met een motor behoeven niet aan het gestelde
in het tweede lid te voldoen. Bij goed zicht en tegen een donkere
achtergrond dient de zichtbaarheid daarvan echter ongeveer 1000 m te
bedragen.
Artikel 3.03. Vlaggen, borden en wimpels
1.Voor zover niet anders wordt bepaald,
moeten de bij dit reglement voorgeschreven vlaggen en borden
rechthoekig zijn.
2.De kleuren van de vlaggen, borden en
wimpels mogen niet verbleekt of vervuild zijn.
3.De afmetingen moeten zodanig zijn dat
een goede zichtbaarheid wordt verzekerd. Aan deze voorwaarde wordt in
ieder geval geacht te zijn voldaan:
-. bij vlaggen en borden, indien de
lengte en de breedte elk ten minste 1 m bedragen;
-. bij wimpels, indien de lengte
tenminste 1 m en de breedte aan één zijde tenminste 0,50 m
bedraagt.
Artikel 3.04. Cylinders, bollen, kegels
en ruiten
1.De bij dit reglement voorgeschreven
cylinders, bollen, kegels en ruiten kunnen worden vervangen door
voorwerpen die op een afstand dezelfde vorm vertonen.
2.De kleuren mogen niet verbleekt of
vervuild zijn.
3.De afmetingen moeten ten minste als
volgt zijn:
a. voor cylinders: een hoogte van
80 cm en een middellijn van 50 cm;
b. voor bollen: een middellijn van
60 cm;
c. voor kegels: een hoogte van 60
cm en een middellijn van het grondvlak van 60 cm;
d. voor ruiten: een hoogte van 80
cm en een middellijn van 50 cm.
4.In afwijking van het derde lid mogen
voor kleine schepen voorwerpen van geringere afmetingen worden
gebruikt, die in verhouding staan tot de grootte van het kleine schip.
De afmetingen moeten echter in ieder geval zodanig zijn dat een goede
zichtbaarheid wordt verzekerd.
Artikel 3.05. Verboden of bij
uitzondering toegelaten tekens
1.Het is verboden andere tekens te
voeren of te tonen dan die welke in dit reglement worden vermeld dan
wel deze tekens te voeren of te tonen onder andere omstandigheden dan
die waarvoor zij in dit reglement zijn voorzien of worden toegelaten.
2.Voor het wisselen van berichten
tussen schepen onderling of tussen een schip en de wal is echter het
gebruik van andere tekens toegestaan, mits deze niet kunnen leiden tot
verwarring met de in dit reglement vermelde tekens.
Artikel 3.06
(vervallen)
Artikel 3.07. Verboden verlichting,
zoeklichten, vlaggen, borden, wimpels enz.
1.Het is verboden verlichting of
zoeklichten, alsmede vlaggen, borden, wimpels of andere voorwerpen, op
zodanige wijze te gebruiken, dat zij verward kunnen worden met de in
dit reglement vermelde tekens dan wel de waarneembaarheid of de
herkenning daarvan kunnen bemoeilijken.
2.Het is verboden verlichting of
zoeklichten op zodanige wijze te gebruiken, dat zij, door verblinding,
gevaar of hinder voor de scheepvaart of voor het verkeer te land
kunnen veroorzaken.
II. Nacht- en dagtekens
II.A. Tekens tijdens het varen
Artikel 3.08. Tekens van alleenvarende
motorschepen (Bijlage 3: schetsen 2, 3 en 64)
1.Een alleenvarend motorschip moet des
nachts voeren:
a. een toplicht, dat moet worden
gevoerd op het voorschip op een hoogte van ten minste 5 m boven
het vlak door de inzinkingsmerken. Deze hoogte mag worden
verminderd tot 4 m indien de lengte van het schip niet meer dan 40
m bedraagt;
b. boordlichten, die zich op
gelijke hoogte en in één lijn loodrecht op de lengte-as van het
schip moeten bevinden. Zij moeten ten minste 1 m lager dan het
toplicht en ten minste 1 m daarachter worden gevoerd en moeten
naar de binnenzijde van het schip zodanig zijn afgeschermd, dat
het groene licht niet van bakboordszijde en het rode licht niet
van stuurboordszijde kan worden gezien;
c. een heklicht op het achterschip.
2.Een alleenvarend motorschip met een
lengte van meer dan 110 m moet des nachts bovendien op het achterschip
een tweede toplicht voeren op een grotere hoogte dan het toplicht op
het voorschip.
3.Een snel schip moet tijdens de vaart,
zowel des nachts als des daags, behalve de overige tekens
voorgeschreven bij dit reglement, voeren: twee gele krachtige snelle
flikkerlichten. Deze flikkerlichten moeten in een verticale lijn met
een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en zo
hoog worden gevoerd dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
4.Dit artikel is niet van toepassing op
kleine schepen en op veerponten. Voor kleine schepen geldt artikel
3.13 en voor veerponten artikel 3.16.
Artikel 3.09. Tekens van varende slepen (
Bijlage 3: schetsen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10)
1.Het motorschip aan de kop van een
varende sleep moet voeren:
- des nachts:
a. behalve het toplicht en de
boordlichten, voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid
onder a en b, een tweede toplicht, ongeveer 1 m onder het
eerste toplicht en voor zover mogelijk ten minste 1 m hoger
dan de boordlichten;
b. in plaats van het heklicht,
bedoeld in artikel 3.08, eerste lid onder c, een geel heklicht
aangebracht op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte
dat het goed zichtbaar is voor de gesleepte lengte achter het
schip.
- des daags:
een gele cylinder, die aan de
bovenzijde en aan de benedenzijde is voorzien van twee banden,
zwart en wit, de witte banden aan de uiteinden van de cylinder, en
die is aangebracht in verticale stand op het voorschip op een
zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
2.Indien een varende sleep aan de kop
verscheidene motorschepen bevat die naast elkaar varen, al dan niet
langszijde van elkaar vastgemaakt, moet elk van deze schepen voeren:
- des nachts:
een derde toplicht, ongeveer 2 m
onder het eerste toplicht, maar, voor zover mogelijk, ten minste 1
m hoger dan de boordlichten;
- des daags;
de cylinder als bedoeld in het
eerste lid.
Hetzelfde geldt voor elk van de
motorschepen die tezamen een schip, een drijvende inrichting of een
drijvend voorwerp verplaatsen.
3.Een schip van een sleep dat volgt
achter het motorschip of de motorschepen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, moet voeren:
- des nachts:
een wit helder rondom schijnend
licht, op een hoogte van ten minste 5 m boven het vlak door de
inzinkingsmerken. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m indien
de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;
- des daags:
een gele bol, op een geschikte
plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar
is.
Indien echter:
a. een lengte in een sleep
langer is dan 110 m, moet deze lengte des nachts twee van deze
lichten voeren, waarvan één voorop en één achterop;
b. een lengte in een sleep is
samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar
vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de
buitenzijden dit licht of deze lichten dan wel deze bol
voeren.
4.Het schip of de schepen die de
laatste lengte van een varende sleep vormen moeten des nachts voeren:
a. het licht, voorgeschreven bij
het derde lid, of het toplicht voorgeschreven bij artikel 3.08,
eerste lid onder a;
b. het heklicht, voorgeschreven bij
artikel 3.08, eerste lid onder c. Indien echter de laatste lengte
van een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van
elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de
buitenzijden dit heklicht voeren.
5.Op de reden behoeven slepen, die
slechts uit een motorschip en één gesleepte lengte bestaan, de bij
dit artikel voorgeschreven dagtekens niet te voeren.
6.Dit artikel geldt noch voor kleine
schepen die uitsluitend kleine schepen slepen, noch voor gesleepte
kleine schepen; voor deze kleine schepen geldt artikel 3.13, tweede en
derde lid.
De lichten en de bollen van de gesleepte
schepen moeten, voor zover mogelijk, op gelijke hoogte boven het
wateroppervlak worden gevoerd.
Artikel 3.10. Tekens van varende
duwstellen ( Bijlage 3: schetsen 11, 12, 13 en 14)
1. Een varend duwstel moet des nachts
voeren:
a.
i. drie toplichten op het
voorschip van het voorste schip of van het meest links
geplaatste der voorste schepen, in de vorm van een
gelijkzijdige driehoek met een horizontale basis in een vlak
loodrecht op de lengte-as van het duwstel, het bovenste
toplicht op een hoogte van ten minste 5 m boven het vlak door
de inzinkingsmerken en de beide onderste toplichten ongeveer
1,25 m uit elkaar en ongeveer 1,10 m onder het bovenste
toplicht;
ii. een toplicht op het voorste
schip van elk ander schip dat van voren over de volle breedte
zichtbaar is, voor zover mogelijk 3 m lager dan het bovenste
toplicht bedoeld onder i.
De masten waaraan deze toplichten
worden gevoerd moeten zijn geplaatst in de lengte-as van het schip
waarop zij zich bevinden;
b. boordlichten op het breedste
gedeelte van het duwstel, zo dicht mogelijk bij de duwboot, ten
hoogste 1 m binnen de zijkanten van het duwstel en ten minste 2 m
boven het wateroppervlak;
c.
i. drie heklichten op het
achterschip van de duwboot, in een horizontale lijn loodrecht
op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar en op een
zodanige hoogte dat zij niet door één van de andere schepen
van het duwstel aan het gezicht kunnen worden onttrokken;
ii. een heklicht op het
achterschip van elk ander schip dat van achteren over de volle
breedte zichtbaar is. Indien echter behalve de duwboot meer
dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit
heklicht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden
gevoerd.
2. Een duwstel dat door twee duwboten
naast elkaar wordt voortbewogen moet des nachts de heklichten bedoeld
in het eerste lid, onder c.i, voeren op de duwboot aan stuurboord. De
andere duwboot moet des nachts het heklicht bedoeld in het eerste lid,
onder c.ii, voeren.
3. Het eerste lid is eveneens van
toepassing op duwstellen die des nachts worden gesleept. De heklichten
bedoeld in het eerste lid, onder c.i, dienen echter geel in plaats van
wit te zijn.
4. Indien een duwstel des daags wordt
gesleept, moet de duwboot voeren:
een gele bol, op een geschikte plaats
en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
Artikel 3.11. Tekens van varende
gekoppelde samenstellen ( Bijlage 3: schetsen 15, 16)
1.Een varend gekoppeld samenstel moet
des nachts voeren:
a. een toplicht op elk schip zoals
voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder a. Echter op een
schip dat geen motorschip is mag in plaats van het toplicht worden
gevoerd een licht zoals voorgeschreven bij artikel 3.09, derde
lid, op een geschikte plaats en niet hoger dan het toplicht van
het motorschip of de motorschepen;
b. boordlichten aan de buitenzijden
van het samenstel en voor zover mogelijk op onderling dezelfde
hoogte en ten minste 1 m lager dan het laagste licht bedoeld onder
a. Deze lichten moeten voor het overige voldoen aan artikel 3.08,
eerste lid onder b;
c. een heklicht op het achterschip
van elk schip.
2.Dit artikel is niet van toepassing op
kleine schepen die slechts langszijde daarvan vastgemaakte kleine
schepen voortbewegen of langszijde van een ander schip vastgemaakt
worden voortbewogen. De voorschriften van toepassing op deze kleine
schepen zijn vermeld in artikel 3.13, tweede en derde lid.
Artikel 3.12. Tekens van varende
zeilschepen ( Bijlage 3: schets 17)
1.Een varend zeilschip moet des nachts
voeren:
a. boordlichten zoals
voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder b. Dit mogen
echter gewone lichten zijn.
b. een heklicht op het achterschip.
2.Dit artikel is niet van toepassing op
kleine schepen. De voorschriften van toepassing op kleine schepen zijn
vermeld in artikel 3.13, eerste, vierde en zesde lid.
Artikel 3.13. Tekens van varende kleine
schepen ( Bijlage 3: schetsen 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26)
1.Een alleenvarend klein motorschip
moet des nachts voeren:
hetzij
a. een toplicht, op dezelfde hoogte
als de boordlichten en tenminste 1 m vóór deze lichten. Dit
licht moet een helder licht zijn;
b. boordlichten. Deze lichten mogen
gewone lichten zijn. Zij moeten zich op gelijke hoogte en in één
lijn loodrecht op de lengte-as van het schip bevinden en moeten
naar de binnenzijde van het schip zodanig zijn afgeschermd dat het
groene licht niet van bakboordszijde en het rode licht niet van
stuurboordszijde kan worden gezien;
c. een heklicht;
hetzij
d. het toplicht, voorgeschreven
onder a. Dit licht moet echter ten minste 1 m hoger dan de
boordlichten worden gevoerd;
e. de boordlichten, voorgeschreven
onder b. Deze lichten mogen echter onmiddellijk naast elkaar of in
één lantaarn verenigd in de lengte-as van het schip aan of nabij
de boeg worden gevoerd;
f. een heklicht. Dit licht behoeft
niet te worden gevoerd indien, in plaats van het onder d bedoelde
toplicht, een wit helder rondom schijnend licht wordt gevoerd.
2.Een klein schip dat slechts kleine
schepen sleept, dan wel slechts langszijde daarvan vastgemaakte kleine
schepen voortbeweegt, moet des nachts de bij het eerste lid
voorgeschreven lichten voeren.
3.Een klein schip dat wordt gesleept,
dan wel langszijde van een ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen,
moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Dit lid
is niet van toepassing op de bijboten van schepen.
4.Een alleenvarend klein zeilschip moet
des nachts:
hetzij de boordlichten voorgeschreven
bij het eerste lid, onder b of e, en een heklicht voeren;
hetzij deze boordlichten en het
heklicht, verenigd in één lantaarn aan de top van de mast voeren;
hetzij een wit gewoon rondom schijnend
licht voeren, en bovendien bij het naderen van andere schepen een
tweede wit gewoon licht tonen.
5.Een alleenvarend klein schip dat niet
door middel van een motor of door middel van zeilen wordt voortbewogen
moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Bijboten
van schepen die in deze omstandigheden verkeren behoeven echter
slechts bij het naderen van andere schepen dit licht te tonen.
6.Een klein schip dat onder zeil vaart
en tegelijkertijd door middel van een motor wordt voortbewogen moet
des daags voeren:
een zwarte kegel met de punt naar
beneden, zo hoog mogelijk, en op een plaats waar hij het best kan
worden gezien.
Artikel 3.14. Bijkomende tekens van
varende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren ( Bijlage 3:
schetsen 27a, 27b, 28a, 28b, 29, 30, 31, 32)
1. Een varend schip dat bepaalde
brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet, behalve de
overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement,
overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
-. des nachts:
een blauw licht;
-. des daags:
een blauwe kegel met de punt naar
beneden.
Dit teken moet op een geschikte plaats
en op een zodanige hoogte worden gevoerd dat het van alle zijden
zichtbaar is. In plaats van het dagteken kan ook één blauwe kegel op
het voor- en één op het achterschip op een hoogte van ten minste 3 m
boven het vlak door de inzinkingsmerken worden gevoerd.
2. Een varend schip dat bepaalde voor
de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet,
behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement,
overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
-. des nachts:
twee blauwe lichten;
-. des daags:
twee blauwe kegels met de punt naar
beneden.
Deze tekens moeten in een verticale
lijn, met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte
plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat zij van alle
zijden zichtbaar zijn. In plaats van de twee blauwe kegels kunnen ook
telkens twee blauwe kegels op het voor- en op het achterschip worden
gevoerd, waarvan de onderste op een hoogte van ten minste 3 m boven
het vlak door de inzinkingsmerken is aangebracht.
3. Een varend schip dat bepaalde
ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet, behalve de
overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement,
overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
-. des nachts:
drie blauwe lichten;
-. des daags:
drie blauwe kegels met de punt naar
beneden.
Deze tekens moeten in een verticale
lijn, met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte
plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd dat zij van alle
zijden zichtbaar zijn.
4. Indien een duwstel of gekoppeld
samenstel één of meer schepen bevat bedoeld in het eerste, tweede of
derde lid, moet het schip dat dient voor het voortbewegen van het
duwstel of gekoppeld samenstel de tekens, voorgeschreven in het
eerste, tweede of derde lid, voeren.
5. Een duwstel, dat door twee duwboten
naast elkaar wordt voortbewogen, moet de tekens bedoeld in het vierde
lid op de duwboot aan stuurboord voeren.
6. Een schip, duwstel of gekoppeld
samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in
het eerste, tweede of derde lid, moet de tekens voeren voorgeschreven
voor de gevaarlijke stof, die het grootste aantal blauwe lichten of
kegels vereist.
7. Een schip, dat geen tekens als
bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet voeren maar in het
bezit is van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in het ADN, nr.
8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor
een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig
geschut wil worden met een schip dat de tekens bedoeld in het eerste
lid moet voeren, bij nadering van een sluis, de tekens bedoeld in het
eerste lid voeren.
8. De sterkte van de in dit artikel
voorgeschreven blauwe lichten dient ten minste gelijk te zijn aan die
van blauwe gewone lichten.
Artikel 3.15. Teken van varende schepen
die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren en waarvan de maximale lengte
van de romp minder is dan 20 m ( Bijlage 3: schets 33)
Een varend schip dat meer dan 12
passagiers mag vervoeren en waarvan de maximale lengte van de romp
minder is dan 20 m moet des daags voeren:
een gele ruit, op een geschikte plaats en
op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.
Artikel 3.16. Tekens van varende
veerponten ( Bijlage 3: schetsen 34, 35, 36)
1.Een varende niet-vrijvarende veerpont
moet des nachts voeren:
a. een wit helder rondom schijnend
licht op een hoogte van ten minste 5 m boven het vlak door de
inzinkingsmerken. Deze hoogte mag echter worden verminderd, indien
de lengte van de veerpont 15 m niet overschrijdt;
b. een groen helder rondom
schijnend licht ongeveer 1 m boven het onder a bedoelde licht.
2.De het meest bovenstrooms gelegen
ankerschuit of drijver van een varende veerpont aan een langskabel
moet des nachts zijn voorzien van een wit helder rondom schijnend
licht, ten minste 3 m boven het wateroppervlak.
3.Een varende vrijvarende veerpont moet
des nachts voeren:
a. de bij het eerste lid van dit
artikel voorgeschreven lichten;
b. de bij artikel 3.08, eerste lid
onder b en c, voorgeschreven lichten.
Artikel 3.17. Bijkomend teken van varende
schepen die recht van voorrang hebben ( Bijlage 3: schets 37)
Een schip waaraan de bevoegde autoriteit
het recht van voorrang heeft verleend voor de doorvaart op plaatsen waar
de volgorde van doorvaren is geregeld moet, behalve de overige tekens
voorgeschreven bij dit reglement, des daags voeren:
een rode wimpel op het voorschip op een
voldoende hoogte om goed zichtbaar te zijn.
Artikel 3.18. Bijkomende tekens van
varende schepen die onmanoeuvreerbaar zijn ( Bijlage 3: schets 38)
Een varend schip dat onmanoeuvreerbaar is
moet, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, zo
nodig:
-. des nachts:
een rood licht tonen waarmee heen en
weer wordt gezwaaid;
-. des daags:
een rode vlag tonen waarmee heen en
weer wordt gezwaaid,
of het bij dit reglement
voorgeschreven geluidssein geven, dan wel zowel het een als het
ander tegelijkertijd verrichten.
De vlag mag worden vervangen door een
bord van dezelfde kleur.
Artikel 3.19. Tekens van varende
drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen ( Bijlage 3: schets 39)
Onverminderd de bijzondere voorwaarden
die ingevolge artikel 1.21 kunnen worden gesteld, moeten varende
drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen des nachts voeren:
witte heldere rondom schijnende lichten,
in voldoend aantal om hun omtrek aan te duiden.
II .B. Tekens tijdens het stilliggen
Artikel 3.20. Tekens van stilliggende
schepen ( Bijlage 3: schetsen 40, 41)
1.Een schip dat stilligt, met
uitzondering van een klein schip of een schip vermeld in de artikelen
3.22 en 3.25, moet des nachts voeren:
een wit gewoon rondom schijnend licht
aan de zijde van het vaarwater op een hoogte van ten minste 3 m boven
het vlak door de inzinkingsmerken.
In plaats van dit licht mogen ook 2
witte gewone rondom schijnende lichten aan de zijde van het vaarwater
op dezelfde hoogte, één op het voorschip en één op het
achterschip, worden gevoerd.
2.Een klein schip dat stilligt, met
uitzondering van de bijboot van een schip, moet des nachts voeren:
een wit gewoon rondom schijnend licht
aan de zijde van het vaarwater.
3.De in dit artikel bedoelde lichten
behoeven niet gevoerd te worden:
a. indien het schip deel uitmaakt
van een groep van schepen, waarvan verwacht mag worden dat hij
niet voor het einde van de nacht uiteen zal gaan, en de schepen
van deze groep aan de zijde van het vaarwater het bij het eerste
lid voorgeschreven licht voeren;
b. indien het schip zich geheel
tussen niet overstroomde kribben bevindt, dan wel achter een boven
water uitstekende strekdam stilligt;
c. indien het schip aan de oever
stilligt en vanaf die oever voldoende wordt verlicht.
4.Indien schepen op een in het
bijzonder voor hen bestemde ligplaats bij elkaar stilliggen kunnen in
bijzondere gevallen bepaalde schepen daarvan door de bevoegde
autoriteit van de verplichting tot het voeren van de in dit artikel
voorgeschreven lichten worden vrijgesteld.
Artikel 3.21. Bijkomende tekens van
stilliggende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren (
Bijlage 3: schetsen 42, 43, 44)
Artikel 3.14 is eveneens van toepassing
op het in dat artikel bedoelde schip, duwstel en gekoppeld samenstel,
wanneer deze stilliggen.
Artikel 3.22. Tekens van op hun
aanlegplaats stilliggende veerponten ( Bijlage 3: schets 45, 46)
1.Een op zijn aanlegplaats stilliggende
niet-vrijvarende veerpont moet des nachts de bij artikel 3.16, eerste
lid, voorgeschreven lichten voeren.
Bovendien moet de het meest
bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een
langskabel des nachts het bij artikel 3.16, tweede lid, voorgeschreven
licht voeren.
2.Een op zijn aanlegplaats stilliggende
vrijvarende veerpont, die dienst doet, moet des nachts de bij artikel
3.16, eerste lid, voorgeschreven lichten voeren. Hij mag bovendien de
bij artikel 3.08, eerste lid onder b en c, voorgeschreven lichten
blijven voeren.
Hij moet het groene licht bedoeld in
artikel 3.16, eerste lid onder b, alsmede de lichten bedoeld in
artikel 3.08, eerste lid onder b en c, doven, zodra hij buiten dienst
is.
Artikel 3.23. Tekens van drijvende
voorwerpen en drijvende inrichtingen bij het stilliggen (Bijlage 3:
schets 47)
Onverminderd de bijzondere voorwaarden
die overeenkomstig artikel 1.21 kunnen worden opgelegd, moeten drijvende
voorwerpen en drijvende inrichtingen bij het stilliggen des nachts van
alle zijden zichtbare witte gewone lichten voeren, in voldoende aantal
om hun omtrekken van de zijde van het vaarwater herkenbaar te maken.
De in de eerste volzin voorgeschreven
lichten hoeven niet te worden gevoerd, wanneer aan de voorwaarden van
artikel 3.20, derde lid, onderdeel b of c, is voldaan.
Artikel 3.24. Tekens van bepaalde
stilliggende vissersschepen en van hun netten of uitleggers ( Bijlage 3:
schets 48)
Een vissersschip, met inbegrip van een
klein schip, dat een net of een uitlegger in of in de nabijheid van het
vaarwater heeft uitstaan en dat stilligt, moet des nachts voeren:
het bij artikel 3.20, eerste lid,
voorgeschreven licht.
Bovendien moet het net of de uitlegger
zijn aangeduid door:
-. des nachts:
witte gewone rondom schijnende
lichten, in voldoend aantal om de plaats daarvan aan te geven;
-. des daags:
gele drijvers, in voldoend aantal om
de plaats daarvan aan te geven.
Artikel 3.25. Tekens van in bedrijf
zijnde drijvende werktuigen en van vastgevaren of gezonken schepen (
Bijlage 3: schetsen 49a, 49b, 50a, 50b, 51, 52)
1. Een in bedrijf zijnd drijvend
werktuig en een schip, dat in de rivier werken uitvoert dan wel
peilingen of metingen verricht, moeten tijdens het stilliggen voeren:
a. aan de zijde waar de doorvaart
vrij is:
- des nachts:
twee groene heldere of gewone
lichten;
- des daags:
het aanwijzingsbord E.1 (
bijlage 7) of
twee groene ruiten,
in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
en zo nodig:
b. aan de zijde waar de doorvaart
niet vrij is:
- des nachts:
een rood helder of gewoon
licht,
op dezelfde hoogte als het
bovenste van de onder a voorgeschreven groene lichten en van
dezelfde lichtsterkte als die lichten;
- des daags:
het verbodsbord A.1 ( bijlage
7), op dezelfde hoogte als het onder a voorgeschreven bord,
of
een rode bol, op dezelfde
hoogte als de bovenste van de onder a voorgeschreven ruiten;
of, in het geval dat deze
schepen tevens tegen hinderlijke waterbeweging beschermd
moeten worden:
c. aan de zijde waar de doorvaart
vrij is:
- des nachts:
een rood helder of gewoon licht
en een wit helder of gewoon licht, in een verticale lijn met
een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het rode licht boven;
- des daags:
een vlag waarvan de bovenste
helft rood en de onderste helft wit is, dan wel twee vlaggen
boven elkaar, de bovenste rood en de onderste wit;
en zo nodig:
d. aan de zijde waar de doorvaart
niet vrij is:
- des nachts:
een rood licht, op dezelfde
hoogte als het onder c voorgeschreven rode licht en van
dezelfde lichtsterkte als dit licht;
- des daags:
een rode vlag, op dezelfde
hoogte als de aan de andere zijde gevoerde roodwitte vlag of
de rode vlag.
Deze tekens moeten zijn aangebracht op
een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. De
vlaggen mogen worden vervangen door borden van dezelfde kleur.
2. Een vastgevaren of gezonken schip
moet des nachts de bij het eerste lid, onder c en d, voorgeschreven
tekens voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de
tekens niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten, op
boeien of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.
3. De bevoegde autoriteit kan
ontheffing verlenen van de verplichting tot het voeren van de bij het
eerste lid, onder a en b, voorgeschreven tekens.
Artikel 3.26. Bijkomende tekens van
schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen waarvan de
ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen en van hun ankers (
Bijlage 3: schetsen 53, 54, 55)
1.Een stilliggend schip waarvan een
anker zodanig is uitgezet, dat het anker, de ankerkabel of
ankerketting een gevaar voor de scheepvaart kan vormen, moet des
nachts, behalve de overige lichten voorgeschreven bij dit reglement,
voeren:
een tweede wit gewoon rondom schijnend
licht, ongeveer 1 m onder het bij artikel 3.20, eerste lid,
voorgeschreven licht of, indien twee van deze lichten zijn
aangebracht, onder het licht dat het meest nabij het uitstaande anker
is aangebracht.
2.Indien in de in artikel 3.23 bedoelde
gevallen de ankers zodanig zijn uitgezet, dat zij een gevaar voor de
scheepvaart kunnen vormen, moet het licht dat zich het meest nabij
deze ankers bevindt worden vervangen door:
twee witte gewone rondom schijnende
lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer
1 m.
3.In de in het eerste en tweede lid
bedoelde gevallen moet elk van de ankers worden aangeduid, zowel des
nachts als des daags, door een gele drijver voorzien van een
radarreflector.
4.Indien het anker, de ankerkabel of
ankerketting van een drijvend werktuig een gevaar voor de scheepvaart
kan vormen, moet hij worden aangeduid door:
-. des nachts:
een drijver met een radarreflector
en een wit gewoon rondom schijnend licht;
-. des daags:
een gele drijver voorzien van een
radarreflector.
III. Bijzondere optische tekens
Artikel 3.27. Teken van schepen van
toezichthoudende ambtenaren ( Bijlage 3: schets 56)
Een schip van toezichthoudende ambtenaren
mag om zich kenbaar te maken zowel des nachts als des daags een blauw
flikkerlicht tonen. Hetzelfde geldt voor een brandweerboot die hulp
biedt of daartoe op weg is en voor een reddingsvaartuig bij een
reddingsoperatie met toestemming van de bevoegde autoriteit.
Artikel 3.28. Bijkomend teken van varende
schepen die werkzaamheden in de vaarweg uitvoeren ( Bijlage 3, schets
57)
Een varend schip dat in of nabij het
vaarwater werkzaamheden, peilingen of metingen uitvoert mag, behalve de
overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, met toestemming van de
bevoegde autoriteit, tonen:
een geel helder of gewoon rondom
schijnend flikkerlicht.
Artikel 3.29. Bescherming tegen
hinderlijke waterbeweging ( Bijlage 3: schets 58)
1.Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting die varen of stilliggen en beschermd willen
worden tegen hinderlijke waterbeweging veroorzaakt door het langsvaren
van andere schepen of drijvende voorwerpen mogen, behalve de overige
tekens voorgeschreven bij dit reglement, voeren:
-. des nachts:
een rood helder of gewoon licht en
een wit helder of gewoon licht, in een verticale lijn met een
onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood, op een
zodanige plaats dat zij duidelijk zichtbaar zijn en niet met
andere lichten kunnen worden verward;
-. des daags:
een vlag waarvan de bovenste helft
rood en de onderste helft wit is, op een geschikte plaats en op
een zodanige hoogte, dat hij van alle zijden zichtbaar is. Deze
vlag mag worden vervangen door twee boven elkaar geplaatste
vlaggen waarvan de bovenste rood en de onderste wit is.
De vlaggen mogen worden vervangen
door borden van dezelfde kleur.
2.Onverminderd artikel 3.25 hebben
uitsluitend het recht de in het eerste lid bedoelde tekens te tonen:
a. schepen, drijvende voorwerpen en
drijvende inrichtingen die zwaar zijn beschadigd of zijn betrokken
bij bergingswerkzaamheden, alsmede schepen die niet in staat zijn
te manoeuvreren;
b. schepen, drijvende voorwerpen en
drijvende inrichtingen die zijn voorzien van een schriftelijke
toestemming van de bevoegde autoriteit.
Artikel 3.30. Noodtekens ( Bijlage 3:
schets 59)
1.Een in nood verkerend schip, dat hulp
wil inroepen, mag tonen:
-. des nachts:
een licht waarmee in het rond wordt
gezwaaid;
-. des daags:
een rode vlag of ieder ander
geschikt voorwerp waarmee in het rond wordt gezwaaid.
2.Deze tekens vervangen de in artikel
4.04 vermelde geluidsseinen of vullen deze aan.
Artikel 3.31. Teken van het verbod van
toegang aan boord ( Bijlage 3: schets 60)
1. Indien op grond van wettelijke
voorschriften de toegang aan boord voor onbevoegden is verboden, moet
dit verbod worden aangeduid door: één of meer ronde witte symbolen
met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de
afbeelding van een afwerende hand. Deze symbolen moeten naar behoefte
aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. De doorsnede van
deze symbolen moet ongeveer 0,60 m bedragen.
2. Deze symbolen moeten zo nodig worden
verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
3. De symbolen die overeenkomstig de op
30 november 2011 geldende versie van het Rijnvaartpolitiereglement
waren voorgeschreven, mogen tot en met 30 november 2015 worden
gebruikt.
Artikel 3.32. Teken van het verbod te
roken, onbeschermd licht of vuur te gebruiken ( Bijlage 3: schets 61)
1. Indien het op grond van wettelijke
voorschriften aan boord is verboden:
a) te roken;
b) onbeschermd licht of vuur te
gebruiken, moet dit verbod worden aangeduid door één of meer
ronde witte symbolen met een rode rand en een rode diagonale balk
en met de afbeelding van een brandende lucifer.
Deze symbolen moeten naar behoefte aan
boord of bij de loopplank worden aangebracht. De doorsnede van deze
symbolen moet ongeveer 0,60 m bedragen.
2. Deze symbolen moeten zo nodig worden
verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
3. De symbolen die overeenkomstig de op
30 november 2011 geldende tekst van het Rijnvaartpolitiereglement 1995
waren voorgeschreven, mogen tot en met 30 november 2015 worden
gebruikt.
Artikel 3.33. Teken van het verbod
evenwijdig aan een schip ligplaats te nemen ( Bijlage 3: schets 62)
1.Indien het op grond van wettelijke
voorschriften of bijzondere voorschriften van de bevoegde autoriteit
is verboden dichtbij een schip evenwijdig daaraan ligplaats te nemen,
bij voorbeeld vanwege de aard van de lading, moet dit schip op het dek
in de lengte-as voeren:
een vierkant bord aan de onderzijde
waarvan zich een driehoek bevindt.
Het bord moet aan beide zijden wit
zijn, met een rode rand, een rode diagonale balk en met, in zwart, de
letter "P", en de driehoek moet aan beide zijden wit zijn
met, in zwart, cijfers die de afstand in meters aangeven waarbinnen
geen ligplaats mag worden genomen.
2.Des nachts moet dit bord zodanig zijn
verlicht, dat het aan beide zijden van het schip duidelijk zichtbaar
is.
3.Dit artikel is niet van toepassing op
een schip, duwstel of een gekoppeld samenstel bedoeld in artikel 3.21.
Hoofdstuk 4. Geluidsseinen van schepen;
marifoon; radar
I. Geluidsseinen ( Bijlage 6)
Artikel 4.01. Algemene bepalingen
1.Indien in dit reglement andere
geluidsseinen zijn voorzien dan klokslagen of reeksen klokslagen,
moeten deze geluidsseinen worden gegeven:
a. aan boord van een motorschip,
met uitzondering van een klein schip, door middel van een
mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog is
opgesteld en vrij staat naar voren en voor zover mogelijk ook naar
achteren;
b. aan boord van een schip, niet
zijnde een motorschip, en een klein schip, door middel van een
geschikte geluidsinstallatie, scheepstoeter of hoorn.
2.Een motorschip moet gelijktijdig met
een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit
lid is niet van toepassing op een klein schip en geldt niet voor
klokslagen.
3.Bij een varend duwstel of gekoppeld
samenstel mogen de geluidsseinen slechts worden gegeven door het schip
aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of het gekoppeld
samenstel bevindt en, in het geval van een sleep, slechts door het
motorschip aan de kop van de sleep.
4.Een reeks klokslagen moet ongeveer
vier seconden duren. In plaats daarvan mogen ook reeksen slagen van
metaal op metaal worden gegeven.
Artikel 4.02. Geven van geluidsseinen
1.Onverminderd de overige bepalingen
van dit reglement moet een schip, niet zijnde een klein schip, zo
nodig de geluidsseinen geven, vermeld in de bijlage 6.
2.Kleine schepen mogen zo nodig de
algemene geluidsseinen geven, vermeld in afdeling A van bijlage 6.
Artikel 4.03. Verboden geluidsseinen
1.Het is verboden andere geluidsseinen
te geven dan die welke in dit reglement worden vermeld, dan wel deze
geluidsseinen te geven onder andere omstandigheden dan die waarvoor
zij in dit reglement zijn voorzien of worden toegelaten.
2.Een schip mag voor het wisselen van
berichten met andere schepen of met de wal gebruik maken van andere
geluidsseinen, mits hierdoor geen verwarring kan ontstaan met de in
dit reglement vermelde geluidsseinen.
Artikel 4.04. Noodseinen
1.Indien een schip door middel van
geluidsseinen hulp wil inroepen (schip in nood, man overboord, enz.)
mag het reeksen klokslagen of herhaalde lange stoten laten horen.
2.Deze seinen dienen ter vervanging of
ter aanvulling van de in artikel 3.30 bedoelde optische tekens.
II. Marifoon
Artikel 4.05. Marifoon
1.Iedere zich aan boord van een schip
of van een drijvende inrichting bevindende marifooninstallatie moet in
overeenstemming zijn met de Regionale regeling betreffende de
marifoondienst in de binnenvaart en worden gebruikt overeenkomstig de
voorschriften van deze regeling. Deze voorschriften worden vermeld in
het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart.
2.Bij marifoonverbindingen tussen
marifooninstallaties aan boord van schepen moet de taal van het land
worden gebruikt waarin zich de marifooninstallatie bevindt waarmee het
gesprek wordt aangevangen. Ingeval van communicatie problemen moet de
Duitse taal worden gebruikt.
3.De kanalen van de marifooninstallatie
bestemd voor het openbaar verkeer, het schip–schip verkeer, de
nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten
mogen slechts worden gebruikt voor mededelingen die zijn
voorgeschreven of toegelaten in dit reglement, dan wel die krachtens
de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart
zijn toegelaten.
4.Een motorschip, met uitzondering van
een klein schip, mag slechts varen indien het is uitgerust met een
marifooninstallatie geschikt voor de kanalen voor het schip - - schip
verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en
havenautoriteiten die goed functioneert.
Met deze marifooninstallatie moet
gelijktijdig op twee kanalen kunnen worden uitgeluisterd.
5.Een varend motorschip, met
uitzondering van een klein schip, moet de marifooninstallatie op
ontvangst hebben ingeschakeld op het voor het schip- schip verkeer
aangewezen kanaal, tenzij in een bepaald geval bij uitzondering het
uitluisteren op een ander kanaal verantwoord is, en moet op de voor
het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie aangewezen
kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke
inlichtingen geven.
Het moet de kanalen voor het schip - -
schip verkeer en voor de nautische informatie gelijktijdig op
ontvangst hebben ingeschakeld.
6.Teken B.11 ( bijlage 7) geeft aan dat
een schip gebruik moet maken van de marifoon overeenkomstig de
voorschriften van de bevoegde autoriteit.
III. Radar
Artikel 4.06. Radar
1. Een schip mag slechts gebruik maken
van radar indien:
a. het is uitgerust met een
radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van de draaiing
van het schip overeenkomstig artikel 7.06, eerste lid, van het
Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
b. zich aan boord een persoon
bevindt die houder is van een radargetuigschrift, dan wel van een
ander volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel
op de Rijn afgegeven of als gelijkwaardig erkend diploma. Bij goed
zicht mag echter van radar gebruik worden gemaakt teneinde
hiermede te oefenen, ook zonder dat zich een zodanig persoon aan
boord bevindt.
Een klein schip moet bovendien zijn
uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip--schip verkeer,
die goed functioneert.
2. Voor een duwstel en voor een
gekoppeld samenstel is het eerste lid slechts van toepassing op het
schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of van het
gekoppeld samenstel bevindt.
3. Een varend snel schip moet gebruik
maken van radar.
Hoofdstuk 5. Verkeerstekens van de
vaarweg
Artikel 5.01. Verkeerstekens
1.Bijlage 7 vermeldt welke
verkeerstekens door de bevoegde autoriteiten in het belang van de
veiligheid en goede orde van de scheepvaart kunnen worden aangebracht.
Deze verkeerstekens bevatten een verbod, een gebod, een beperking, dan
wel een aanbeveling of een inlichting. Bijlage 7 vermeldt eveneens de
betekenis van die tekens.
2.Onverminderd de overige bepalingen
van dit reglement moet een schipper gevolg geven aan de voorschriften
en rekening houden met de aanbevelingen of inlichtingen, aan hem
kenbaar gemaakt door de in het eerste lid bedoelde verkeerstekens, die
in de vaarweg of op de oevers daarvan zijn geplaatst.
Artikel 5.02. Verkeerstekens ter
markering van de vaarweg
1.Bijlage 8 vermeldt de verkeerstekens
ter markering van de vaarweg die ten behoeve van de scheepvaart kunnen
worden aangebracht. Bijlage 8 omschrijft eveneens onder welke
omstandigheden de verschillende verkeerstekens ter markering van de
vaarweg worden gebruikt.
2.Bijlage 8 vermeldt eveneens welke
verkeerstekens kunnen worden gebruikt ter markering van ondiepten van
voorbijgaande aard en van obstakels.
Hoofdstuk 6. Vaarregels
I. Algemene bepalingen
Artikel 6.01. Snelle schepen
Een snel schip moet voor elk ander schip
uitwijken.
Artikel 6.02. Gedrag tussen kleine
schepen en andere schepen
1.Een alleenvarend klein schip en een
sleep of een gekoppeld samenstel dat uitsluitend uit kleine schepen
bestaat is verplicht aan een ander schip met inbegrip van een snel
schip de ruimte te laten, die dit nodig heeft om zijn koers te volgen
en om te manoeuvreren.
2.De artikelen 6.04, 6.05, 6.07, 6.08,
eerste lid, 6.10, 6.11 en 6.12 , met uitzondering van het teken B.1 (
bijlage 7), zijn niet van toepassing op of ten aanzien van de in het
eerste lid bedoelde kleine schepen, slepen en gekoppelde samenstellen.
Een schip, niet zijnde een klein schip, behoeft de artikelen 6.09,
tweede lid, 6.13, 6.14 en 6.16 niet in acht te nemen ten aanzien van
de in het eerste lid bedoelde kleine schepen, slepen en gekoppelde
samenstellen.
Artikel 6.02a. Vaarregels voor kleine
schepen onderling
1.Een klein motorschip moet uitwijken
voor een klein schip, niet zijnde een motorschip.
2.Een klein door spierkracht
voortbewogen schip moet uitwijken voor een klein zeilschip.
3.Indien de koersen van twee kleine
motorschepen elkaar kruisen, zó dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet:
a. indien zij recht of vrijwel
recht tegen elkaar insturen, ieder van hen uitwijken naar
stuurboord, om elkaar bakboord op bakboord voorbij te varen;
b. indien hun koersen elkaar
kruisen, onverminderd de artikelen 6.13, 6.14 en 6.16, het kleine
schip, dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft,
uitwijken.
4.Indien de koersen van twee kleine
zeilschepen elkaar kruisen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat,
moet:
a. ingeval beide schepen over
verschillende boeg liggen, het schip dat over stuurboordsboeg ligt
uitwijken voor het schip dat over bakboordsboeg ligt;
b. ingeval beide schepen over
dezelfde boeg liggen, het loefwaartse schip uitwijken voor het
lijwaartse;
c. ingeval een schip dat over
stuurboordsboeg ligt aan zijn loefzijde een schip ziet en niet met
zekerheid kan bepalen of dat schip over stuurboords- dan wel over
bakboordsboeg ligt, het daarvoor uitwijken.
Een klein zeilschip moet een ander
klein zeilschip aan loef voorbijlopen. Loef is aan de zijde tegenover
het gezette grootzeil.
5.Een klein schip mag niet zodanig het
vaarwater opkruisen, dat het een klein schip, dat zijn stuurboordswal
houdt, dwingt uit te wijken.
II. Ontmoeten en voorbijlopen
Artikel 6.03. Algemene beginselen
1.Ontmoeten of voorbijlopen is slechts
geoorloofd, indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor
gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de
bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.
2.Bij een samenstel mogen de tekens dan
wel de seinen, voorgeschreven bij de artikelen 3.17, 6.04 en 6.10,
slechts worden getoond dan wel worden gegeven door het schip aan boord
waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt, bij een sleep
echter in ieder geval door het motorschip aan de kop van de sleep.
3.Bij ontmoeten of voorbijlopen mogen
de schepen waarvan de koers elk gevaar voor aanvaring uitsluit hun
koers noch hun snelheid zodanig wijzigen, dat daaruit gevaar voor
aanvaring kan ontstaan.
Artikel 6.04. Ontmoeten: Hoofdregels (
Bijlage 3: schets 63)
1.Bij het ontmoeten moet een opvarend
schip aan een afvarend schip een geschikte weg vrijlaten, de
plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen
daarbij in aanmerking genomen.
2.Het opvarende schip dat daartoe aan
bakboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat toont geen teken.
3.Het opvarende schip dat daartoe aan
stuurboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat moet tijdig aan
stuurboord tonen:
a. des nachts: een wit helder
flikkerlicht, eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;
b. des daags: een lichtblauw bord
in combinatie met een wit helder flikkerlicht.
Het blauwe bord moet voorzien zijn van
een witte rand met een breedte van ten minste 5 cm. Het raam- en
stangenwerk, alsmede het lantaarnhuis van het flikkerlicht, moet
donker van kleur zijn.
Deze tekens moeten van voren en van
achteren zichtbaar zijn en zij moeten worden getoond, totdat het
voorbijvaren heeft plaats gehad. Het is verboden deze tekens langer te
tonen, tenzij om eveneens aan een volgend afvarend schip aan te duiden
dat het voor dit aan stuurboord de weg vrijlaat.
4.Zodra te vrezen is, dat de bedoeling
van het opvarende schip niet door het afvarende schip is begrepen,
moet het opvarende schip geven:
-. "één korte stoot",
indien het voorbijvaren bakboord op bakboord dient te geschieden,
of
-. "twee korte stoten",
indien het voorbijvaren stuurboord op stuurboord dient te
geschieden.
5.Onverminderd artikel 6.05 moet het
afvarende schip de weg volgen die door het opvarende schip
overeenkomstig bovenstaande bepalingen wordt aangewezen. Het afvarende
schip moet de tekens, bedoeld in het derde lid, en de geluidsseinen,
bedoeld in het vierde lid, die het opvarende schip toont, dan wel
geeft, herhalen.
Artikel 6.05. Ontmoeten: Afwijking van de
hoofdregels
1.In afwijking van artikel 6.04 hebben
de volgende schepen het recht te verlangen, dat de weg die een
opvarend schip vrijlaat wordt gewijzigd indien de weg volgens artikel
6.04 hun niet past:
a. een afvarend passagiersschip,
dat een geregelde dienst onderhoudt en waarvan het toegelaten
maximum aantal passagiers niet minder dan 300 personen bedraagt,
indien het wil aanleggen aan een ontschepingsplaats, gelegen aan
de door het opvarende schip gehouden oever;
b. een afvarende sleep, die om te
kunnen opdraaien een bepaalde oever wil houden.
Zij mogen dit verlangen evenwel
slechts kenbaar maken, indien zij zich er van hebben vergewist,
dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.
2.In dit geval moet het afvarende schip
tijdig de volgende seinen geven:
-. "één korte stoot",
indien het wil, dat het voorbijvaren bakboord op bakboord
plaatsvindt, of
-. "twee korte stoten",
indien het wil, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord
plaatsvindt. Het moet dan bovendien de in artikel 6.04, derde lid,
bedoelde tekens tonen.
3.3. Het opvarende schip moet aan het
verlangen van het afvarende schip voldoen en dit op de volgende wijze
bevestigen:
-. indien het ontmoeten bakboord op
bakboord dient te geschieden moet het "één korte
stoot" geven en bovendien het tonen van de tekens, bedoeld in
artikel 6.04, derde lid, staken, of
-. indien het ontmoeten stuurboord
op stuurboord dient te geschieden, moet het "twee korte
stoten" geven en bovendien de tekens, bedoeld in artikel
6.04, derde lid, tonen.
4.Zodra te vrezen is, dat de bedoeling
van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen,
moet het afvarende schip de bij het tweede lid voorgeschreven
geluidsseinen herhalen.
Artikel 6.06. Ontmoeten van snelle
schepen en andere schepen en van snelle schepen onder elkaar
De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van
toepassing op het ontmoeten van een snel schip en een ander schip, noch
op het ontmoeten van snelle schepen onderling. Snelle schepen moeten
onderling echter via marifoon het voorbijvaren afspreken.
Artikel 6.07. Ontmoeten in een engte
1.Om ontmoeten in vakken of op plaatsen
waar het vaarwater daarvoor niet voldoende ruimte biedt (engten)
zoveel mogelijk te vermijden, zijn de volgende regels van toepassing:
a. een schip moet een engte zonder
onnodig oponthoud doorvaren, met dien verstande evenwel, dat
voorbijlopen verboden is;
b. indien het uitzicht beperkt is,
moet een schip, alvorens een engte binnen te varen, "één
lange stoot" geven. Zo nodig, in het bijzonder wanneer de
engte lang is, moet het dit sein tijdens het doorvaren herhalen;
c. wanneer een opvarend schip
constateert, dat een afvarend schip op het punt staat een engte
binnen te varen, moet het beneden de engte stilhouden, totdat het
afvarende schip deze is doorgevaren;
d. wanneer een opvarend samenstel
een engte reeds is binnengevaren, moet een afvarend schip zo
mogelijk boven de engte stilhouden, totdat het opvarende samenstel
deze is doorgevaren. Hetzelfde geldt voor een alleenvarend
afvarend schip ten opzichte van een alleenvarend opvarend schip.
2.Ingeval het ontmoeten in een engte
onvermijdelijk is geworden, moet een schip alle mogelijke maatregelen
nemen om het ontmoeten op een zodanige plaats en onder zodanige
omstandigheden te doen plaatsvinden, dat het gevaar tot een minimum
wordt beperkt.
Artikel 6.08. Verbod tot ontmoeten door
tekens langs de vaarweg
1. Bij het naderen van door het teken
A.4 (bijlage 7) aangeduide vakken is het ontmoeten en voorbijlopen
verboden. Dit verbod kan tot een schip of een samenstel van een
bepaalde lengte of breedte worden beperkt. In dat geval worden de
lengte of de breedte op een rechthoekig wit teken aangeduid, dat onder
het teken A.4 is bevestigd. Voor het overige zijn de voorschriften van
artikel 6.07, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de bevoegde autoriteit op een
bepaald vak, teneinde ontmoeten te voorkomen, de scheepvaart
afwisselend slechts in één richting toelaat, wordt:
-. het verbod de vaart te vervolgen
aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7);
-. de toestemming de vaart te
vervolgen aangeduid door een algemeen aanwijzingsteken E.1 (
bijlage 7).
Al naar gelang van de omstandigheden
ter plaatse kan het teken dat het verbod tot doorvaren aanduidt worden
aangekondigd door het teken B.8 ( bijlage 7), gebruikt als
waarschuwingsteken.
Artikel 6.09. Voorbijlopen: Algemene
bepalingen
1.Een schip mag een ander schip slechts
voorbijlopen nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder
gevaar kan geschieden.
2.Het schip dat wordt opgelopen moet
het voorbijlopen, voor zover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het
moet snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen
zonder gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere
scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd.
Artikel 6.10. Voorbijlopen: Gedrag en
seinen der schepen
1.De oploper mag de opgelopene aan
bakboord of aan stuurboord voorbijlopen. Indien voorbijlopen mogelijk
is, zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt, geeft de oploper geen
geluidsseinen om de aandacht van de opgelopene te trekken.
2.Indien het voorbijlopen niet kan
geschieden zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt, dan wel is te
vrezen dat de opgelopene de bedoeling van de oploper om voorbij te
lopen niet heeft begrepen, en deswege gevaar voor aanvaring bestaat,
moet de oploper geven:
a. "twee lange stoten gevolgd
door twee korte stoten", zo hij aan bakboord van de
opgelopene wil voorbijlopen;
b. "twee lange stoten gevolgd
door één korte stoot", zo hij aan stuurboord van de
opgelopene wil voorbijlopen.
3.De opgelopene die gevolg kan geven
aan het verlangen van de oploper, moet aan de door deze gewenste zijde
voldoende ruimte laten door zo nodig naar de andere zijde uit te
wijken.
4.Indien het voorbijlopen niet aan de
door de oploper gewenste zijde, maar wel aan de andere zijde kan
geschieden, moet de opgelopene geven:
a. "één korte stoot",
zo het voorbijlopen aan zijn bakboordszijde mogelijk is;
b. "twee korte stoten",
zo het voorbijlopen aan zijn stuurboordszijde mogelijk is.
De oploper die onder deze
omstandigheden nog wil voorbijlopen moet geven:
-. "twee korte stoten",
in het geval onder a, of
-. "één korte stoot",
in het geval onder b.
De opgelopene moet dan voldoende ruimte
laten aan de zijde waar het voorbijlopen moet geschieden door zo nodig
naar de andere zijde uit te wijken.
5.Indien het voorbijlopen zonder gevaar
niet mogelijk is, moet de opgelopene "vijf korte stoten"
geven.
Artikel 6.11. Verbod tot voorbijlopen
door tekens langs de vaarweg
Onverminderd artikel 6.08, eerste lid, is
voorbijlopen verboden:
a. in een vak van de vaarweg
aangeduid door het teken A.2 ( bijlage 7);
b. tussen samenstellen onderling, in
een vak van de vaarweg aangeduid door het teken A.3 ( bijlage 7).
Het verbod geldt evenwel niet ingeval het
een duwstel betreft, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte
niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen.
III. Andere vaarregels
Artikel 6.12. Varen in vakken waar de te
volgen weg wordt voorgeschreven
In een vak van de vaarweg aangeduid door
één der tekens B.1, B.2a, B.2b, B.3a, B.3b, B.4a of B.4b ( bijlage 7)
moet een schip de weg volgen die door dat teken wordt kenbaar gemaakt.
Artikel 6.13. Keren
1. Een schip mag slechts keren nadat
het zich er van heeft vergewist dat, het tweede en derde lid in
aanmerking genomen, dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat
andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling
en in sterke mate te wijzigen.
2. Indien daardoor een ander schip zou
worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het
schip dat wil keren dit tijdig tevoren aankondigen door het geven van:
a. "één lange stoot gevolgd
door één korte stoot", zo het over stuurboord wil keren, of
b. "één lange stoot gevolgd
door twee korte stoten", zo het over bakboord wil keren.
3. Het andere schip moet dan, voorzover
nodig en mogelijk, zijn koers of zijn snelheid wijzigen om het keren
zonder gevaar te kunnen doen geschieden.
4. In een vak van de vaarweg aangeduid
door het teken A.8 ( bijlage 7) is keren verboden.
Is daarentegen een vak aangeduid door
het teken E.8 ( bijlage 7), dan wordt daarmede aan de schipper
aanbevolen aldaar te keren, waarbij dit artikel in acht genomen moet
worden.
Artikel 6.14. Gedrag bij vertrek
Artikel 6.13 is eveneens van toepassing
op een schip, met uitzondering van een veerpont, dat zijn ankerplaats of
zijn ligplaats verlaat zonder te keren. In plaats van de bij het tweede
lid van dat artikel vermelde seinen moet dit schip evenwel geven:
-. "één korte stoot", zo
het stuurboord uitgaat, of
-. "twee korte stoten", zo
het bakboord uitgaat.
Artikel 6.15. Verbod zich in de
tussenruimten tussen de lengten van een sleep te begeven
Een schip mag zich niet in de
tussenruimten tussen de lengten van een sleep begeven.
Artikel 6.16. In- en uitvaren van havens
en van nevenvaarwegen
1.Een schip mag slechts een haven of
een nevenvaarweg uitvaren en een hoofdvaarwater invaren of oversteken,
dan wel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van
heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat
andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling
en in sterke mate te wijzigen.
Een afvarend schip, dat is genoodzaakt
op te draaien om een haven of een nevenvaarweg in te varen, moet
voorrang verlenen aan een opvarend schip dat eveneens deze haven of
deze nevenvaarweg wil invaren.
Nevenvaarwegen kunnen worden aangeduid
door één der tekens E.9 of E.10 ( bijlage 7).
2.2. Indien door één der in het
eerste lid bedoelde manoeuvres een ander schip zou of kan worden
genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip,
met uitzondering van een veerpont, zijn manoeuvre tijdig aankondigen
door het geven van:
-. "drie lange stoten gevolgd
door één korte stoot", zo het vóór het invaren dan wel na
het uitvaren stuurboord uit zal gaan;
-. "drie lange stoten gevolgd
door twee korte stoten", zo het vóór het invaren dan wel na
het uitvaren bakboord uit zal gaan;
-. "drie lange stoten",
zo het na het uitvaren de vaarweg zal oversteken. Vóór het eind
van het oversteken moet het schip zo nodig geven:
-. "één lange stoot gevolgd
door één korte stoot, zo het stuurboord uit wil gaan, of
-. "één lange stoot gevolgd
door twee korte stoten", zo het bakboord uit wil gaan.
Het andere schip moet dan zo nodig zijn
koers of zijn snelheid wijzigen.
3.Indien bij de uitmonding van een
haven of van een nevenvaarweg één der tekens B.9a of B.9b ( bijlage
7) is geplaatst, mag een schip, dat de haven of de nevenvaarweg
uitvaart, de hoofdvaarweg slechts opvaren of oversteken, indien een
ander schip daardoor niet wordt genoodzaakt zijn koers of zijn
snelheid te wijzigen.
4.Een rood licht, teken A.1 ( bijlage
7), in combinatie met een witte pijl ( bijlage 7, afdeling II, onder
2.c), betekent dat het invaren van de haven of de nevenvaarweg,
gelegen in de richting die door de punt van de pijl wordt aangeduid,
verboden is.
Artikel 6.17. Op gelijke hoogte varen;
verbod een schip te naderen
1.Een schip mag slechts met een ander
schip op gelijke hoogte varen, indien de beschikbare ruimte dit zonder
hinder of gevaar voor de scheepvaart toelaat.
2.Behalve bij voorbijlopen of
ontmoeten, mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 m van
een schip of samenstel, dat de tekens voorgeschreven bij artikel 3.14,
tweede of derde lid, voert.
3.Onverminderd artikel 1.20 mag een
schip niet langszijde komen van een varend schip of een varend
drijvend voorwerp, daaraan vastmaken of zich in het kielzog daarvan
laten meevoeren zonder uitdrukkelijke toestemming van de schipper
daarvan.
4.Een persoon die waterskiet, dan wel
die watersport bedrijft zonder gebruik te maken van een schip, moet
voldoende afstand houden van een varend schip of drijvend voorwerp dan
wel van een drijvend werktuig in bedrijf.
Artikel 6.18. Verbod om ankers, kabels of
kettingen te laten slepen
1.Een schip mag niet een anker, een
kabel of een ketting laten slepen.
2.Dit verbod geldt niet voor een schip
dat zich laat drijven met toestemming van de bevoegde autoriteit, of
zich over een geringe afstand verplaatst op ligplaatsen en op laad- en
losplaatsen, alsmede op de reden. Het verbod geldt echter wel voor een
schip dat zich verplaatst in een vak van de vaarweg aangeduid
overeenkomstig artikel 7.03, eerste lid onder b, door het teken A.6 (
bijlage 7).
Artikel 6.19. Zich laten drijven
1.Een schip mag zich niet met de stroom
laten meedrijven, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit.
2.Dit verbod geldt niet voor een schip
dat zich over een geringe afstand verplaatst op ligplaatsen en op
laad- en losplaatsen, alsmede op de reden.
3.Een schip dat afvaart met kop op
stroom, en met vooruitwerkende middelen tot voortbeweging, wordt
beschouwd als een opvarend schip en niet als een schip dat zich met de
stroom laat meedrijven.
Artikel 6.20. Hinderlijke waterbeweging
1.Een schip moet zijn snelheid zodanig
regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend
of stilliggend schip of drijvend voorwerp of aan een kunstwerk zou
kunnen worden veroorzaakt wordt vermeden. Het moet tijdig zijn
snelheid verminderen, echter niet beneden die, nodig voor het veilig
sturen:
a. voor een havenmond;
b. in de nabijheid van een schip
dat gemeerd is aan de oever of aan een ontschepingsplaats dan wel
dat wordt geladen of gelost;
c. in de nabijheid van een schip
dat op een gebruikelijke ligplaats stilligt;
d. in de nabijheid van een
niet-vrijvarende veerpont;
e. in een vak van de vaarweg,
aangeduid door het teken A.9 ( bijlage 7).
2.Onverminderdartikel 1.04 geldt het
eerste lid, tweede volzin, onder b en c, niet ten opzichte van een
klein schip.
3.Een schip moet bij het voorbijvaren
van een schip, dat de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.25, eerste
lid onder c, voert en bij het voorbijvaren van schepen, drijvende
voorwerpen of drijvende inrichtingen, die de tekens, voorgeschreven
bij artikel 3.29, eerste lid, voeren, zijn snelheid verminderen, zoals
bij het eerste lid is voorgeschreven. Het moet bovendien zo ver
mogelijk daarvan verwijderd blijven.
Artikel 6.21. Samenstelling van
samenstellen
1.Een motorschip dat zorgt voor de
voortbeweging van een samenstel moet een vermogen hebben dat voldoende
is om de goede manoeuvreerbaarheid daarvan te verzekeren.
2.Behalve bij werkzaamheden, of bij het
bieden van hulp aan een in nood verkerend schip, mag een motorschip
slechts worden gebruikt om te slepen, te duwen of voor de
voortbeweging van een gekoppeld samenstel te dienen, voor zover zulks
is vermeld in het certificaat van onderzoek.
Het motorschip dat hoofdzakelijk voor
het voortbewegen van een gekoppeld samenstel dient moet zich aan
stuurboordszijde van dit samenstel bevinden. Wanneer echter één of
meer duwbakken gekoppeld worden voortbewogen, mag één hiervan zich
aan stuurboordszijde van het samenstel bevinden.
3.Een passagiersschip dat passagiers
aan boord heeft mag niet gekoppeld varen. Het mag niet slepen of zich
laten slepen, behalve ingeval het verhalen van een beschadigd schip
zulks noodzakelijk maakt.
Artikel 6.22. Stremming van de
scheepvaart en buiten gebruik gestelde gedeelten
1.Indien de bevoegde autoriteit door
een algemeen teken A.1 ( bijlage 7) te kennen geeft dat de scheepvaart
is gestremd, moet een schip vóór dit teken stilhouden.
2.Op gedeelten van de vaarweg waar het
teken:
a. A.1a (bijlage 7) is geplaatst,
mag een schip met uitzondering van een klein schip zonder motor
niet varen;
b. A.12 (bijlage 7) is geplaatst,
mag een motorschip niet varen.
Artikel 6.22a. Voorbijvaren van drijvende
werktuigen in bedrijf en van vastgevaren of gezonken schepen ( Bijlage
3: schets 50a, 50b, 52)
Het is verboden om een schip bedoeld in
artikel 3.25 voorbij te varen aan de zijde waar het toont:
-. het rode licht of de rode lichten
bedoeld in artikel 3.25, eerste lid onder b en d, of
-. het teken A.1 ( bijlage 7), de
rode bol of de rode vlag bedoeld in artikel 3.25, eerste lid onder b
en d.
IV. veerponten
Artikel 6.23. Vaarregels voor veerponten
1.Een veerpont mag de vaarweg slechts
oversteken, nadat hij zich er van heeft vergewist dat dit zonder
gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt
hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
2.Voorts moet een niet-vrijvarende
veerpont de volgende bepalingen in acht nemen:
a. indien de veerpont buiten dienst
is, moet hij ligplaats nemen op de door de bevoegde autoriteit
toegewezen plaats. Ingeval geen ligplaats is toegewezen, moet hij
zodanig ligplaats nemen, dat het vaarwater vrij blijft;
b. indien de langskabel van een
veerpont het vaarwater kan versperren, mag de veerpont aan de
zijde van het vaarwater, gelegen tegenover het punt van
verankering van de kabel, slechts ligplaats nemen, zolang dit
volstrekt noodzakelijk is voor het van boord gaan en het aan boord
komen van passagiers. Gedurende deze tijd mag een naderend schip
door het tijdig geven van "één lange stoot" het
vrijmaken van het vaarwater verlangen;
c. de veerpont mag zich niet langer
in het vaarwater bevinden dan voor het uitoefenen van de dienst
nodig is.
V. Doorvaren van bruggen, stuwen en
sluizen
Artikel 6.24. Doorvaren van bruggen en
stuwen; algemene bepalingen
1.De doorvaartopening van een brug of
van een stuw, waar het vaarwater niet voldoende ruimte biedt voor de
gelijktijdige doorvaart van twee schepen, is een engte zoals bedoeld
in artikel 6.07.
2.Indien bij de doorvaartopening van
een brug of van een stuw wordt getoond:
a. het teken A.10 ( bijlage 7), mag
een schip in deze doorvaartopening niet varen buiten de
begrenzing, aangeduid door de twee borden die dit teken vormen;
b. het teken D.2 ( bijlage 7),
wordt aanbevolen in deze opening uitsluitend te varen binnen de
begrenzing, aangeduid door de twee borden die dit teken vormen.
Artikel 6.25. Doorvaren van vaste bruggen
1.Een schip mag niet varen door de
doorvaartopening van een vaste brug waarboven een algemeen
verbodsteken A.1 ( bijlage 7) wordt getoond.
2.Indien boven een doorvaartopening van
een vaste brug wordt getoond:
a. het teken D.1a ( bijlage 7), of
b. het teken D.1b ( bijlage 7),
wordt aanbevolen bij voorkeur van deze doorvaartopening gebruik te
maken.
Ingeval van het teken onder a is de
doorvaart vrij uit beide richtingen, ingeval van het teken onder b is
de doorvaart uit de tegenovergestelde richting verboden.
3.Indien een doorvaartopening van een
vaste brug is aangeduid overeenkomstig het tweede lid, mag de
scheepvaart slechts op eigen risico gebruik maken van de niet door een
teken aangeduide opening.
Artikel 6.26. Doorvaren van schipbruggen
Onverminderd de artikelen 6.07, 6.08 en
6.24 gelden voor het doorvaren van een schipbrug de volgende bepalingen:
a. een alleenvarend motorschip in
afvaart, met uitzondering van een klein schip, mag een alleenvarend
motorschip binnen een afstand van 1 km boven de schipbrug niet
voorbijlopen. Alle andere schepen mogen elkaar binnen een afstand
van 2 km boven de schipbrug niet voorbijlopen;
b. een schip mag bij het doorvaren
van de schipbrug niet sneller varen dan voor een veilige besturing
noodzakelijk is en het moet zoveel mogelijk het midden van de
doorvaartopening houden;
c. een opvarend schip mag binnen een
afstand van 100 m beneden de schipbrug niet stilhouden;
d. een schip mag geen ankers
uitzetten, kettingen laten slepen, trossen laten vieren, aan de
oever meren of door welke andere handeling ook schade veroorzaken
aan de verankeringen van de schipbrug.
Artikel 6.27. Doorvaren van stuwen
1.Een schip mag niet door een opening
van een stuw varen, waarbij een algemeen teken A.1 ( bijlage 7) wordt
getoond.
2.Een schip mag slechts door een
opening van een stuw varen indien aan de rechter- en linkerzijde van
deze opening een algemeen aanwijzingsteken E.1 ( bijlage 7) wordt
getoond.
Artikel 6.28. Doorvaren van sluizen
1.Bij het naderen van een wachtplaats
van een sluis moet een schip snelheid verminderen.
Het moet ingeval het de sluis niet
onmiddellijk mag of wil invaren en op de oever het teken B.5 ( bijlage
7) wordt getoond, vóór dit teken stilhouden.
2.Op een wachtplaats van een sluis en
in een sluis moet een schip, dat uitgerust is met een
marifooninstallatie welke voorzien is van de kanalen voor de nautische
informatie, uitluisteren op het kanaal van de sluis.
3.Het schutten geschiedt in volgorde
van aankomst op de wachtplaatsen.
Een klein schip kan niet verlangen
afzonderlijk te worden geschut. Het mag de sluis pas invaren op
aanwijzing van het sluispersoneel. Een klein schip, dat tezamen met
andere schepen wordt geschut, mag de sluis echter eerst invaren na
deze andere schepen.
4.Bij het naderen van een sluis, in het
bijzonder op de wachtplaats, mag een schip een ander schip niet
voorbijlopen.
5.In een sluis moet een schip zijn
ankers geheel voorhalen. Dezelfde verplichting geldt op een
wachtplaats, voor zover de ankers niet worden gebruikt.
6.Bij het invaren van een sluis moet
een schip zoveel snelheid verminderen als nodig is om stoten tegen de
sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel tegen andere
schepen of drijvende voorwerpen te vermijden.
7.In een sluis:
a. moet een schip, indien
stopstrepen op de sluismuren zijn aangebracht, binnen de daardoor
aangegeven grenzen ligplaats nemen;
b. moet tijdens het vullen en het
ledigen van de sluiskolk, totdat het uitvaren van de sluis wordt
toegestaan, een schip zodanig zijn gemeerd en moet het zijn
meerdraden zodanig vieren of doorhalen, dat het niet tegen de
sluismuren, de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel
andere schepen of drijvende voorwerpen kan stoten;
c. mag een schip slechts voorwerpen
die, voor zover zij afneembaar zijn, niet kunnen zinken als
wrijfhout gebruiken;
d. mogen een schip en een drijvend
voorwerp geen water op het sluisterrein dan wel op andere schepen
of drijvende voorwerpen storten of laten vloeien;
e. mag een schip, zodra het is
gemeerd en totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan, geen
gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging;
f. moet een klein schip op enige
afstand ligplaats nemen van een ander schip.
8.Op de wachtplaats van een sluis en in
een sluis moet een schip een zijwaartse afstand van ten minste 10 m in
acht nemen ten opzichte van een schip of een samenstel dat het teken,
bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert. Deze verplichting geldt
evenwel niet voor een schip of een samenstel dat eveneens dit teken
voert, alsmede voor een schip bedoeld in artikel 3.14, zevende lid.
9.Een schip of een samenstel dat de
tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, voert, wordt
afzonderlijk geschut.
10.Een schip of een samenstel dat het
teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, wordt niet tegelijk
met een passagiersschip geschut.
11.Bij het naderen van een wachtplaats
van een sluis, tijdens het schutten en bij het verlaten van de sluis
moet een snel schip zijn snelheid zodanig verminderen, dat elke schade
aan de sluis, aan andere schepen of drijvende werktuigen, alsmede elk
gevaar voor personen aan boord van andere schepen of drijvende
werktuigen dan wel aan de wal, ten gevolge van hinderlijke
waterbeweging wordt vermeden.
12.Het sluispersoneel kan, teneinde de
veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel het zonder
oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan te
verzekeren, verkeersaanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt
aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
Een schip in de sluis en op de
wachtplaats daarvan is verplicht aan deze verkeersaanwijzingen gevolg
te geven.
Artikel 6.28a. In- en uitvaren van
sluizen
1.Het invaren van een sluis wordt zowel
des nachts als des daags geregeld door tekens die aan één zijde of
aan weerszijden van de invaartopening worden getoond. Deze tekens
betekenen:
a. twee rode lichten boven elkaar:
het invaren is verboden, de sluis
wordt niet bediend;
b. één rood licht of twee rode
lichten naast elkaar:
het invaren is verboden, de sluis
is gesloten;
c. het doven van één der twee
naast elkaar getoonde rode lichten, dan wel een rood licht en een
groen licht naast elkaar:
het invaren is verboden, de sluis
zal aanstonds worden geopend;
d. één groen licht of twee naast
elkaar getoonde groene lichten:
het invaren is toegestaan.
2.Het uitvaren van een sluis wordt
zowel des nachts als des daags geregeld door de volgende tekens:
a. één rood licht of twee rode
lichten:
het uitvaren is verboden;
b. één groen licht of twee groene
lichten:
het uitvaren is toegestaan.
3.Het rode licht of de rode lichten,
bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden vervangen door het
bord van teken A.1 ( bijlage 7).
Het groene licht of de groene lichten,
bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden vervangen door het
bord van teken E.1 ( bijlage 7).
4.Bij het ontbreken van lichten of
andere tekens mag een schip een sluis slechts in- en uitvaren na een
verkeersaanwijzing door het sluispersoneel.
Artikel 6.29. Schutting bij voorrang
In afwijking van artikel 6.28, derde lid,
hebben recht op schutting bij voorrang:
a. schepen van de bevoegde
autoriteit, alsmede brandweer-, politie- en douaneboten van de
Oeverstaten, die in verband met spoedeisende redenen van
dienstvervulling onderweg zijn;
b. schepen waaraan de bevoegde
autoriteit dat recht uitdrukkelijk heeft verleend.
VI. Slecht zicht; gebruik van radar
Artikel 6.30. Alle varende schepen bij
slecht zicht
1.Bij slecht zicht moeten alle schepen
gebruik maken van radar.
2.Elk schip moet bij slecht zicht een
snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het
zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan
de plaatselijke omstandigheden. Het moet aan de andere schepen de voor
de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven.
3.Een schip moet bij het gaan
stilliggen bij slecht zicht de vaargeul zoveel mogelijk vrij maken.
4.Een klein schip mag bij slecht zicht
slechts varen indien het op kanaal 10 of op het daartoe door de
bevoegde autoriteit aangewezen andere kanaal uitluistert.
5.Een schip en een samenstel, die geen
gebruik van radar kunnen maken, moeten bij slecht zicht onverwijld een
ligplaats opzoeken.
Artikel 6.31. Stilliggende schepen
1.Een schip dat in de vaargeul of in de
nabijheid daarvan stilligt moet bij slecht zicht op de marifoon
uitluisteren. Zodra het via de marifoon hoort dat andere schepen
naderen dan wel zodra en zolang het van een naderend schip het
geluidssein, voorgeschreven bij artikel 6.32, tweede lid, onder d, of
artikel 6.33, onder b, hoort, moet het via de marifoon zijn positie
opgeven.
2.Een schip als bedoeld in het eerste
lid, dat geen gebruik van marifoon kan maken moet, zodra en zolang het
van een naderend schip het geluidssein, voorgeschreven bij artikel
6.32, tweede lid, onder d, of artikel 6.33, onder b, hoort, als
mistsein «één reeks klokslagen» geven. Het schip moet dit sein
herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op andere schepen van een duwstel dan de duwboot. Bij
een gekoppeld samenstel zijn zij slechts op één schip van het
samenstel van toepassing.
Artikel 6.32. Op radar varende schepen
1. Een schip mag slechts op radar varen
indien een persoon die houder is van een Rijnpatent of een
vaarbevoegdheidsbewijs dat volgens het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn is afgegeven, toegelaten of als
gelijkwaardig erkend en dit geldt voor het te bevaren riviergedeelte,
alsmede van een radargetuigschrift dat is afgegeven of als
gelijkwaardig erkend volgens dit reglement, en een tweede persoon die
met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend
in de stuurhut bevinden. Indien in het certificaat van onderzoek is
aangetekend dat het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling
voor het varen op radar, behoeft de tweede persoon zich niet
voortdurend in de stuurhut te bevinden.
2. Bij het ontmoeten en het
voorbijvaren moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen:
a. een in opvaart op radar varend
schip moet, zodra het op het scherm tegemoet komende schepen
bemerkt dan wel het een vak van de vaarweg nadert waar zich
schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien
zijn, per marifoon aan die schepen zijn categorie, zijn naam, zijn
vaarrichting en zijn positie opgeven en met hen het voorbijvaren
afspreken;
b. een in afvaart op radar varend
schip echter dat op het scherm een schip bemerkt, waarvan de
positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen
leiden en dat zich via de marifoon niet heeft gemeld, moet via de
marifoon dit schip op de gevaarlijke situatie wijzen en het
voorbijvaren afspreken;
c. elk op radar varend schip dat
via de marifoon wordt opgeroepen moet per marifoon antwoorden en
zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie
opgeven. Het moet dan met de tegemoet komende schepen het
voorbijvaren afspreken; een klein schip mag evenwel slechts
aangeven naar welke zijde het uitwijkt;
d. Wanneer met de van de andere
kant komende schepen geen marifooncontact tot stand komt moet het
op radar varend schip:
– «één lange stoot» geven
en dit sein zo dikwijls als nodig is herhalen, en
– de snelheid verminderen en
zo nodig stilhouden.
Dit geldt eveneens voor elk op radar
varend schip dat met een schip, dat in of in de nabijheid van de
vaargeul stilligt, geen marifooncontact tot stand kan brengen.
3. Het eerste en het tweede lid gelden
ingeval van een duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het
schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
Artikel 6.33. Niet op radar varende
schepen
Een schip en een samenstel, die geen
gebruik van radar kunnen maken en die een ligplaats moeten opzoeken,
moeten tijdens de vaart naar deze ligplaats de volgende bepalingen in
acht nemen:
a. zij moeten zoveel mogelijk de
zijde van de vaargeul aanhouden;
b. een alleenvarend schip en een
schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt,
moeten als mistsein «één lange stoot»geven. Dit sein moet worden
herhaald met tussenpozen van ten hoogste een minuut. Het moet voorop
een uitkijk hebben, die zich of binnen gezichts- of gehoorsafstand
van de schipper bevindt of een spreekverbinding met hem heeft. Bij
een samenstel behoeft alleen het voorste schip een uitkijk te
hebben;
c. zodra het schip via marifoon door
een ander schip wordt aangeroepen, moet het per marifoon antwoorden
en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie
opgeven en aangeven dat het niet op radar vaart en op weg is naar
een ligplaats. Het moet daarna met het andere schip het voorbijvaren
afspreken;
d. zodra het schip het mistsein van
een ander schip hoort, waarmee geen marifooncontact tot stand komt,
moet het:
– indien het zich in de
nabijheid van een oever bevindt, deze oever aanhouden en daar,
zo nodig, gaan stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft
plaatsgevonden;
– indien het zich niet in de
nabijheid van een oever bevindt, de vaargeul zoveel mogelijk en
zo snel mogelijk vrijmaken.
Artikel 6.34 [Vervallen per 01-04-2006]
Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats
nemen
Artikel 7.01. Algemene beginselen voor
het ligplaats nemen
1.Onverminderd de overige bepalingen
van dit reglement moeten een schip en een drijvend voorwerp hun
ligplaats zo dicht bij de oever kiezen als hun diepgang en de
plaatselijke omstandigheden veroorloven en in ieder geval zodanig, dat
de scheepvaart niet wordt belemmerd.
2.Waar de scheepvaart ten gevolge van
de gesteldheid van het vaarwater minder dan 40 m uit de oever moet
varen, mag slechts één rij schepen langs de oever ligplaats nemen.
3.Onverminderd de door de bevoegde
autoriteit opgelegde bijzondere voorwaarden, moeten drijvende
inrichtingen een zodanige ligplaats innemen, dat het vaarwater vrij
blijft voor de scheepvaart.
4.Een schip, een samenstel en een
drijvend voorwerp die stilliggen, zomede een drijvende inrichting,
moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van
hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen,
waarbij met name rekening moet worden gehouden met wind en verandering
van de waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.
Artikel 7.02. Ligplaats nemen
1. Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting mogen geen ligplaats nemen:
a. op een gedeelte van de vaarweg
waar bij algemene regeling het ligplaats nemen is verboden;
b. in een vak aangewezen door de
bevoegde autoriteit;
c. in een vak aangeduid door het
teken A.5 ( bijlage 7), waarbij het verbod van toepassing is aan
de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht;
d. onder een brug of onder een
hoogspanningslijn;
e. in een engte zoals bedoeld in
artikel 6.07 en in de nabijheid daarvan, en in een vak waar als
gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de
nabijheid daarvan;
f. waar in de vaarweg een andere
vaarweg, daaronder begrepen een haven, uitmondt;
g. in het traject van een veerpont;
h. in de route van schepen die aan
een aanlegplaats willen aanleggen of van daar vertrekken;
i. op plaatsen om te keren,
aangeduid door het teken E.8 ( bijlage 7);
k. evenwijdig aan een schip dat het
bord bedoeld in artikel 3.33 voert, binnen de afstand die op de
witte driehoek van dit bord in meters is aangegeven;
l. in een door het teken A.5.1
(bijlage 7) aangeduid vak, waarvan de breedte op het teken in
meters is aangegeven. De breedte is vanaf het teken te rekenen.
2. Op een gedeelte van de vaarweg waar
het ligplaats nemen is verboden ingevolge het eerste lid, onder a tot
en met d, mogen schepen, drijvende voorwerpen en drijvende
inrichtingen evenwel ligplaats nemen op de bijzondere ligplaatsen,
aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 ( bijlage 7), met
inachtneming van de artikelen 7.03 tot en met 7.06.
Artikel 7.03. Ankeren
1.Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting, mogen niet ankeren:
a. op een gedeelte van de vaarweg
waar bij algemene regeling ankeren is verboden;
b. in een vak aangeduid door het
teken A.6 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken
is aangebracht.
2.Op een gedeelte van de vaarweg waar
ankeren ingevolge het eerste lid, onder a, is verboden, mogen een
schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel
ankeren, in een vak aangeduid door het teken E.6 ( bijlage 7), aan de
zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
Artikel 7.04. Meren
1. Een schip, een drijvend voorwerp en
een drijvende inrichting mogen niet aan de oever meren:
a. op een gedeelte van de vaarweg
waar bij algemene regeling meren is verboden;
b. in een vak aangeduid door het
teken A.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken
is aangebracht.
2. Op een gedeelte van de vaarweg waar
het meren aan de oever ingevolge het eerste lid, onder a, is verboden,
mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting
evenwel meren in een vak aangeduid door één der tekens E.7 of E.7.1
(bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is
aangebracht.
3. Het is verboden bij meren of
verhalen gebruik te maken van bomen, relingen, palen,
perceelsafscheidingen, zuilen, metalen ladders, leuningen enz.
Artikel 7.05. Ligplaatsen
1.Op een ligplaats aangeduid door het
teken E.5 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp
slechts ligplaats nemen aan de zijde van de vaarweg waar het teken is
aangebracht.
2.Op een ligplaats aangeduid door het
teken E.5.1 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp
slechts ligplaats nemen binnen de afstand te rekenen vanaf het teken
die daarop in meters is aangegeven.
3.Op een ligplaats aangeduid door het
teken E.5.2 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp
slechts ligplaats nemen tussen de beide afstanden, te rekenen vanaf
het teken, die daarop in meters zijn aangegeven.
4.Op een ligplaats aangeduid door het
teken E.5.3 ( bijlage 7) mogen aan de zijde van de vaarweg waar het
teken is aangebracht niet meer schepen en drijvende voorwerpen naast
elkaar ligplaats nemen dan op het teken in Romeinse cijfers is
aangegeven.
Artikel 7.06. Gereserveerde ligplaatsen
1.Op een ligplaats aangeduid door één
der tekens E.5.4 tot en met E.5.15 ( bijlage 7) mag slechts een schip
ligplaats nemen dat behoort tot de categorie, waarop het teken van
toepassing is.
2.Op de ligplaatsen moeten de schepen,
indien geen andere voorschriften zijn vastgesteld, langszijde van
elkaar en zo dicht mogelijk bij de oever aan de zijde van de vaarweg,
waar het teken is aangebracht, ligplaats nemen.
Artikel 7.07. Minimum afstanden bij
vervoer van gevaarlijke stoffen tijdens het stilliggen
1. Bij het ligplaats nemen moeten een
schip, een duwstel en een gekoppeld samenstel ten opzichte van een
ander schip, duwstel of gekoppeld samenstel de volgende minimum
afstanden in acht nemen:
a. 10 m indien één van hen het
teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
b. 50 m indien één van hen de
tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid voert;
c. 100 m indien één van hen de
tekens, bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voert.
2. De verplichting bedoeld in het
eerste lid, onder a, geldt niet:
a. voor een schip, duwstel of
gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;
b. voor een schip, duwstel of
gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is
van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8,
en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een
schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
3. De bevoegde autoriteit kan voor het
ligplaats nemen in bijzondere gevallen uitzonderingen toestaan.
Artikel 7.08. Bewaking en toezicht
1.Aan boord van een stilliggend schip
dat een teken of tekens moet voeren, bedoeld in artikel 3.14, moet
zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde
autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van
deze verplichting ontheffing verlenen.
2.Aan boord van een stilliggend
passagiersschip waarop passagiers aanwezig zijn, moet zich voortdurend
een terzake kundige bewaker bevinden.
3.Een ander stilliggend schip, alsmede
een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen,
moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig
snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke
omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een
uitzondering toestaat.
4.Is er geen schipper dan is de
eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker
dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip
verantwoordelijk.
Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen
Artikel 8.01. Slepen van en door een
duwstel
1.Het is verboden een duwstel te
slepen. Duwstellen mogen evenwel gesleept worden bij buitengewone
plaatselijke omstandigheden, wanneer de scheepvaart daarvan geen
hinder ondervindt.
2.Een duwstel mag geen sleepdienst
verrichten.
Een duwstel mag echter wel sleepdienst
verrichten:
- in opvaart, ingeval zijn grootste
lengte en grootste breedte minder zijn dan 110 m respectievelijk
12 m,
- in afvaart, ingeval zijn grootste
lengte en grootste breedte minder zijn dan 86 m respectievelijk 12
m, en wanneer dit bovendien is vermeld in het certificaat van
onderzoek van de duwboot.
Het samenstel, gevormd door een duwstel
dat sleepdienst verricht, is een sleep zoals bedoeld in artikel 1.01,
onder d; het duwstel is in dat geval gelijkgesteld met een motorschip
aan de kop van een sleep.
Artikel 8.02. Duwstellen met andere
schepen dan duwbakken
Een duwstel mag geen andere schepen dan
duwbakken bevatten, tenzij in het certificaat van onderzoek van de
duwboot en het schip dat wordt geduwd uitdrukkelijk anders is vermeld.
Artikel 8.03. Duwstellen met
zeeschipbakken
1.Een zeeschipbak mag slechts aan de
kop van een duwstel worden geplaatst, indien:
a. het een zeeschipbak betreft die
is voorzien van een kopbak, of
b. de zeeschipbak een ingericht
voorschip heeft, of
c. de zeeschipbak naast een normale
duwbak is gekoppeld en er een verschil is van tenminste 1 m tussen
de wateroppervlakte en het laagste punt waarboven de zeeschipbak
niet meer als waterdicht kan worden beschouwd.
2.De kop van een duwstel als bedoeld in
het eerste lid moet zijn voorzien van ankers die in overeenstemming
zijn met het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
3.De bevoegde autoriteit kan voor korte
afstanden, op de gekanaliseerde Rijn, alsmede op het Grand Canal d’Alsace,
voor duwstellen met een grootste lengte van 86 m met ten hoogste twee
zeeschipbakken uitzonderingen toestaan.
Artikel 8.04. Verplaatsen van duwbakken
buiten het verband van een duwstel
Het verplaatsen van een duwbak buiten het
verband van een duwstel mag slechts geschieden:
a. langszijde vastgemaakt en gesleept
voorzover dit is vermeld in het certificaat van onderzoek van de
duwbak en van het schip dat voor de voortbeweging zorgt;
b. over korte afstanden bij het
samenstellen of het ontbinden van een duwstel, overeenkomstig de
door de bevoegde autoriteit gegeven voorschriften dan wel met haar
toestemming.
Artikel 8.05. Koppelingen van duwstellen
1.De koppelingen van een duwstel moeten
de hechtheid daarvan verzekeren.
2.Het koppelen en het ontkoppelen
moeten op eenvoudige en gemakkelijke wijze kunnen geschieden.
3.De spanning op de koppelingen moet
gelijk worden gehouden door geschikte inrichtingen, bij voorkeur door
speciale lieren.
4.De koppelingen van een duwstel,
waarvan de grootste breedte niet meer bedraagt dan 12 m en dat is
samengesteld uit een duwend en een geduwd schip, voldoen aan het
eerste lid indien deze bestaan uit een door een Commissie van
Deskundigen goedgekeurd systeem dat een beheerst knikken van het
duwstel mogelijk maakt.
Artikel 8.06. Telefoonverbinding aan
boord van samenstellen
1.Indien de lengte van een duwstel meer
dan 110 m bedraagt, moet er een in twee richtingen werkende
telefoonverbinding bestaan tussen de duwboot en de kop van het
duwstel.
2.Indien een duwstel door twee duwboten
naast elkaar wordt voortbewogen, moet er een in twee richtingen
werkende telefoonverbinding bestaan tussen de stuurhutten van de beide
duwboten.
3.Bij een gekoppeld samenstel bestaande
uit twee motorschepen moet er een in twee richtingen werkende
telefoonverbinding bestaan tussen de stuurhutten van de beide schepen.
4.Bij een sleep moet er een
telefoonverbinding bestaan tussen de stuurstellingen van alle schepen.
5.Als telefoonverbinding mag het
marifoonkanaal voor het schip - - schipverkeer niet worden gebruikt.
Artikel 8.07. Verplaatsing van personen
aan boord van duwstellen
Personen aan boord van een duwstel moeten
zich gemakkelijk en zonder gevaar kunnen verplaatsen. Bovendien moeten
openingen die zouden kunnen ontstaan tussen de schepen van een duwstel
zijn voorzien van geschikte beschermingsinrichtingen.
Artikel 8.08. Samenstellen van slepen
1.De tussenruimte tussen het motorschip
aan de kop van een sleep en de eerste gesleepte lengte mag niet meer
dan 120 m bedragen. In een opvarende sleep die slechts één gesleepte
lengte bevat, waarvan het laadvermogen meer dan 600 ton bedraagt, mag
deze tussenruimte evenwel worden vergroot tot 200 m.
2.De tussenruimte tussen twee gesleepte
lengten mag niet meer bedragen dan 100 m.
3.De tussenruimte tussen twee
motorschepen aan de kop van een sleep mag niet meer bedragen dan 120
m.
Artikel 8.09. "Blijf weg"-sein
1.Bij een gebeurtenis of een ongeval
waardoor een vervoerde gevaarlijke stof zou kunnen vrijkomen moet,
indien de bemanning niet in staat is de daaruit voor personen of voor
de scheepvaart voortvloeiende gevaren op te heffen, het "blijf
weg"-sein worden gegeven voor:
a. tankschepen die de tekens
bedoeld in artikel 3.14, eerste of tweede lid, moeten voeren, en
b. schepen die de tekens bedoeld in
artikel 3.14, derde lid, moeten voeren.
Dit voorschrift geldt niet voor
duwbakken en andere schepen niet zijnde motorschepen.
Wanneer deze evenwel deel uitmaken van
een samenstel, moet het "blijf weg"-sein worden gegeven door
het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel
bevindt.
2.Het "blijf weg"-sein
bestaat uit een geluids- en een lichtsein.
Het geluidssein bestaat uit een
gedurende ten minste 15 achtereenvolgende minuten voortdurend herhalen
van "één korte stoot", gevolgd door "één lange
stoot". Gelijktijdig met het geluidssein moet het lichtsein
bedoeld in artikel 4.01, tweede lid, worden getoond.
Het "blijf weg"-sein moet na
ingeschakeld te zijn automatisch blijven functioneren. Het
bedieningsmechanisme moet zodanig zijn uitgevoerd, dat het sein niet
ongewild in werking kan treden.
3.De schepen die het "blijf
weg"-sein waarnemen moeten alle maatregelen nemen, die nuttig
zijn om het dreigende gevaar te vermijden. In het bijzonder moeten
zij:
a. indien zij in de richting van
het gevaarsgebied varen, zich zo ver mogelijk hiervan verwijderd
houden en zo nodig keren;
b. indien zij het gevaarsgebied
reeds zijn gepasseerd, hun weg met een zo groot mogelijke snelheid
vervolgen.
4.Aan boord van de schepen, bedoeld in
het derde lid, dient men onmiddellijk alle vensters alsmede alle
openingen naar buiten te sluiten, alle niet afgeschermde lichten en
vuren te doven, niet meer te roken, de hulpmotoren, waarvan het
inwerking-zijn niet noodzakelijk is, af te zetten, en in het algemeen
elke vorming van vonken te vermijden. Ingeval het schip ligplaats gaat
nemen, moeten alle motoren en hulpmotoren, die dan nog in werking
zijn, worden afgezet.
5.Het vierde lid is eveneens van
toepassing op schepen, die in de nabijheid van het gevaarsgebied
stilliggen, wanneer zij het "blijf weg"-sein waarnemen.
Zonodig moet men het schip verlaten.
6.Bij het nemen van de in het derde tot
en met het vijfde lid bedoelde maatregelen moet rekening worden
gehouden met de stroom en de windrichting.
7.De schepen moeten de maatregelen,
bedoeld in het derde tot en met het zesde lid, eveneens nemen, wanneer
het "blijf weg"-sein vanaf de oever wordt gegeven.
8.De schippers van schepen die het
"blijf weg"-sein waarnemen moeten daarvan voor zover
mogelijk onverwijld kennis geven aan de dichtsbijzijnde bevoegde
autoriteit.
Artikel 8.10. Veiligheid aan boord van
schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren
Voor schepen die meer dan 12 passagiers
mogen vervoeren en laten overnachten geldt:
a. Aan boord moet zich een
veiligheidsrol bevinden, waarin de instructies voor de bemanning en
het personeel staan ingeval van nood. Bovendien moeten gedragsregels
voor de passagiers ingeval van lek raken, brand en het verlaten van
het schip aanwezig zijn. De veiligheidsrol en de gedragsregels
moeten op verscheidene zich daartoe lenende plaatsen worden
opgehangen;
b. de bemanning en het personeel
moeten op de hoogte zijn van de inhoud van de onder a genoemde
veiligheidsrol en regelmatig over hun taken geïnstrueerd worden;
c. gedurende de aanwezigheid van
passagiers aan boord moeten alle nooduitgangen volledig vrij van
hindernissen zijn. De deuren en nooduitgangen van de vluchtwegen
moeten van beide zijden gemakkelijk te openen zijn;
d. bij het begin van iedere vaartocht
die langer duurt dan één dag moeten de passagiers
veiligheidsinstructies krijgen;
e. zolang er zich passagiers aan
boord bevinden moet des nachts ieder uur een ronde worden gelopen.
Het lopen van deze ronde moet op een geschikte manier aantoonbaar
zijn.
II. Bijzondere bepalingen van toepassing
op bepaalde riviergedeelten
Hoofdstuk 9. Bijzondere vaarregels en
bijzondere regels voor het ligplaats nemen
Artikel 9.01. Beperkingen van de
scheepvaart in Basel
1.Een schip mag een ander schip niet
voorbijlopen tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,64) en de
Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel. Dit verbod geldt niet voor een
klein schip of voor een schip dat daartoe van de bevoegde autoriteit
toestemming heeft gekregen.
2.Een motorschip, een sleep en een
duwstel in de opvaart moeten tussen de Mittlere Rheinbrücke (km
166,64) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel met een snelheid
van tenminste 4 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.
3.Alvorens Hafenbecken 1 (km 169,95) in
te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien en het mag eerst
invaren wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.
Artikel 9.02. Het Grand Canal d’Alsace
en de gekanaliseerde Rijn
1.Dit artikel geldt voor het gehele
traject tussen km 173,55 (begin van het omleidingskanaal van het
stuwcomplex Kembs) en km 335,70 (einde van het omleidingskanaal van
het stuwcomplex Iffezheim), met inbegrip van het zijkanaal tussen km
173,55 en km 226,54 (einde van het omleidingskanaal van het
stuwcomplex Vogelgrün) en de omleidingen van de gekanaliseerde Rijn
te Marckolsheim, Rheinau, Gerstheim en Straatsburg.
2.De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet
van toepassing op de hierboven genoemde trajekten.
3.Een schip moet bij ontmoeten zo nodig
zijn stuurboordswal houden om het voorbijvaren zonder gevaar bakboord
op bakboord te kunnen doen geschieden.
4.In afwijking van het tweede en derde
lid mag een schip, dat zich in de onmiddellijke omgeving van de
sluizen bevindt, verzoeken, dat het voorbijvaren overeenkomstig de
artikelen 6.04 en 6.05 stuurboord op stuurboord zal plaatsvinden mits
het zich er van heeft vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden
voldaan.
Hetzelfde geldt bovendien voor
kanaalspitsen (lengte: 38,50 m), al dan niet gesleept, in opvaart op
de volgende riviergedeelten:
a. stuwpand Rheinau tussen km
244,00 en de sluizen te Marckolsheim;
b. stuwpand Marckolsheim tussen km
228,00 en de sluizen te Vogelgrün.
5.Een schip mag op de Rijn boven- en
benedenstrooms van een stuw de grenslijn niet overschrijden die op
iedere oever is aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage
7).
6.Een schip mag niet de toe- en
afvoerkanalen van de elektrische centrales binnenvaren. Het begin en
het einde van deze kanalen zijn aangeduid door een algemeen
verbodsteken A.1 ( bijlage 7).
7.Een schip mag slechts keren op de
keerplaatsen, welke zijn gelegen stroomopwaarts van de bovenstroomse
voorhavens van de sluizen, evenals in de benedenstroomse voorhavens
daarvan en in het benedenstroomse toeleidingskanaal van de meest
benede nstrooms gelegen sluizen.
Deze beperking geldt niet voor kleine
schepen.
8.Een schip mag slechts ligplaats nemen
en aanleggen op de wachtplaatsen van de sluizen en in het afvoerkanaal
benedenstrooms van de laatste sluizen.
9.Het verbod om te keren, ligplaats te
nemen en aan te leggen, bedoeld in het zevende en achtste lid, geldt
niet voor een schip dat:
a. moet laden of lossen op een
daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats;
b. om dwingende redenen van
veiligheid verplicht is te gaan stilliggen.
10.Een schip met een breedte van meer
dan 11,45 m mag geen gebruik maken van de kleine sluizen van de
sluiscomplexen te Ottmarsheim, Fessenheim, Vogelgrün, Rhinau,
Gerstheim en Straatsburg.
11.Op het Grand Canal d’Alsace en de
gekanaliseerde Rijn tot km 294,00 mag de ten minste voorgeschreven
hoogte van de lichten en dagtekens, bedoeld in de artikelen 3.08,
3.09, 3.10, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.29 zoveel worden verminderd als
nodig is om onder kunstwerken te kunnen doorvaren, waarbij alle
maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat de
verschillende lichten en dagtekens zichtbaar blijven.
Artikel 9.03. Voorbijvaren van de
veerpont Seltz-Plittersdorf
Voor het voorbijvaren van de veerpont
Seltz-Plittersdorf (km 340,35) is artikel 6.26 van toepassing.
Artikel 9.04. Ontmoeten: Afwijking van de
hoofdregels
1. Dit artikel geldt voor het
ontmoeten:
a. op het riviergedeelte tussen de
uitmonding van de Neckar (km 428,20) en Lorch (km 540,20);
b. op het riviergedeelte tussen
Duisburg (km 769,00) en de Duits-Nederlandse grens (km 857,68).
2. In afwijking van artikel 6.04 moeten
een opvarend schip en een afvarend schip bij het ontmoeten zo ver
stuurboord houden als nodig is om het voorbijvaren zonder gevaar
bakboord op bakboord te kunnen doen geschieden.
3. Een opvarend schip mag verlangen,
dat het voorbijvaren overeenkomstig artikel 6.04 stuurboord op
stuurboord plaatsvindt, wanneer het zich naar een nevenvaarweg, een
haven, een laad- of losplaats, een steiger of een ligplaats aan de
rechteroever wil begeven, of wanneer het van een aan de rechteroever
gelegen laad- of losplaats, steiger of ligplaats wil vertrekken, of
wanneer het een nevenvaarweg, of een haven gelegen aan de rechterzijde
van de vaarweg wil uitvaren. Het mag dit verlangen evenwel slechts
kenbaar maken nadat het zich heeft vergewist, dat daaraan zonder
gevaar kan worden voldaan.
4. In afvaart mag:
a. een passagiersschip dat een
geregelde dienst onderhoudt en waarvan het toegelaten maximum
aantal passagiers niet minder dan 300 personen bedraagt, wanneer
het wil aanleggen aan een aanlegplaats die aan de linkeroever is
gelegen,
b. een sleep die om te kunnen
opdraaien de linkeroever wil houden,
c. een duwstel, indien het zich
naar een laad- of los- of aanlegplaats of een ligplaats aan de
linkeroever wil begeven, van een opvarend schip verlangen, dat het
voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. Zij mogen dit
verlangen evenwel slechts kenbaar maken, indien zij zich er van
hebben vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.
5. Een afvarend schip, als bedoeld in
het vierde lid, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord wil doen
geschieden, moet tijdig "twee korte stoten" geven en
bovendien de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens tonen.
Een opvarend schip moet aan het
verlangen van het afvarende schip voldoen en dit bevestigen door het
geven van "twee korte stoten" en het tonen van de in artikel
6.04, derde lid, bedoelde tekens.
Zodra te vrezen is, dat de bedoeling
van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen,
moet het afvarende schip de in de eerste alinea van dit lid bedoelde
geluidsseinen herhalen.
6. Artikel 6.05 is niet van toepassing.
Artikel 9.05. Varen op gelijke hoogte
door schepen en samenstellen
1.Een samenstel, met uitzondering van
een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet
meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke
hoogte varen met een ander samenstel:
a. tussen de sluizen bij Iffezheim
(km 334,00) en Mannheim (km 412,35);
b. tussen Lorch (km 540,20) en St.
Goar (km 556,00);
2.Een schip met een lengte van meer dan
110 m en een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de
grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m,
respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander
schip met een lengte van meer dan 110 m of met een ander samenstel
tussen de uitmonding van het kanaal Wesel–Datteln (km 813,20) en de
voormalige spoorbrug bij Wesel (km 815,28).
Artikel 9.06. Varen op de oude Rijnarmen
tussen Mannheim en Mainz
1.Een schip mag varen:
a. op de Lampertheimer Altrhein
vanaf de monding tot Altrhein – km 4,75;
b. op de hoofdtak van de
Stockstadt-Ehrfelder Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km
9,80.
2.Een schip mag, ten opzichte van de
oever gemeten, op de Lampertheimer Altrhein niet sneller varen dan 5
km per uur en op de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein niet sneller dan 12
km per uur. Dit geldt niet voor kleine schepen zonder motor.
3.Behalve voor kleine schepen geldt op
de Lampertheimer Altrhein bovendien:
a. De lengte en de breedte van een
schip of van een samenstel mogen ten hoogste 115 m respectievelijk
11,45 m bedragen. De bevoegde autoriteit kan andere afmetingen
toestaan.
b. Op het gedeelte tussen Altrhein
– km 0,70 en km 2,70 moet een schip zich op kanaal 10 melden,
terwijl in de gedeelten waar ontmoeten niet voldoende ruimte biedt
extra aandacht moet worden geschonken aan op tegengestelde koers
varende kleine schepen.
Artikel 9.07. Beperkingen van de
scheepvaart
1.Iffezheim - Karlsruhe
Tussen Iffezheim (km 334,00) en
Karlsruhe (km 360,00), onafhankelijk van de waterstand, moeten een
opvarend duwstel en een opvarend gekoppeld samenstel met een snelheid
van ten minste 5 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.
2.Geisenheim– Rhens
Tussen Geisenheim (km 524,00) en Rhens
(km 582,00) is het windsurfen verboden.
3.Lorch– St. Goar
a. Tussen Lorch (km 540,20) en St.
Goar (km 556,00) moet een opvarend schip de linkeroever en een
afvarend schip de rechteroever houden.
b. Een opvarend schip of een
afvarend schip als bedoeld in artikel 9.04, vierde lid, mag onder
de in artikel 9.04, derde of vierde lid, genoemde voorwaarden
verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord
plaatsvindt. In dat geval moeten geluidsseinen worden gegeven en
dagtekens worden getoond overeenkomstig artikel 9.04, vijfde lid.
Artikel 6.05 is niet van toepassing.
c. Voor de schipper van een schip
met een lengte van meer dan 110 m is de verplichting tot het geven
van inlichtingen aan andere schepen als voorgeschreven voor des
nachts in artikel 9.08, tweede lid, onder b en c, ook overdag van
toepassing.
4.Monding van de Moezel
Tussen km 592,05 en km 593,55 moet een
opvarend schip dat niet de Moezel wil invaren ten minste 80 m uit de
linkeroever blijven.
5.Duisburg-Ruhrort
a. Alvorens de havens van Hochfeld,
de buitenhaven van Duisburg, de Parallelhaven van Duisburg, het
havenkanaal van Ruhrort en de voorhaven van Ruhrort in te varen,
moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst
invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan
overzien.
b. Tussen km 775,50 en km 785,50 is
zeilen zonder vergunning overeenkomstig artikel 1.23 verboden.
6.Wesel
Alvorens het kanaal Wesel-Datteln in te
varen moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst
invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de kanaalmond kan
overzien.
7.Met uitzondering van het derde lid,
onder b, en het vijfde lid, onder b, is dit artikel niet van
toepassing op of ten aanzien van kleine schepen.
Artikel 9.08. Nachtvaart op het
riviergedeelte Bingen-St. Goar
1.Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar
(km 556,00) mag des nachts een schip slechts varen indien het gebruik
maakt van marifoon op kanaal 10 en moet een afvarend schip
gebruikmaken van radar. De regeling door waarschuwingsposten als
bedoeld in artikel 12.02 geschiedt gedurende vierentwintig uur.
2.Indien de waarschuwingsregeling als
bedoeld in artikel 12.02 echter des nachts buiten bedrijf is, moeten
de daarvoor in aanmerking komende schepen als volgt handelen:
a. een opvarend schip moet zijn
koers zodanig kiezen dat het bij het voorbijvaren van de Bankeck
(van km 555,60 tot km 555,20) en van de Betteck (van km 553,60 tot
km 553,30) geen afvarend schip kan ontmoeten. Indien het ontmoeten
op andere wijze niet vermeden kan worden, moet het benedenstrooms
van de Bankeck dan wel van de Betteck stilhouden totdat het
afvarende schip de Bankeck dan wel de Betteck is voorbijgevaren.
b. Een opvarend schip moet bij het
naderen van de Bankeck dan wel van de Betteck de afvarende schepen
oproepen en hun verzoeken hun categorie, hun naam, hun positie en
hun vaarrichting op te geven. Indien er zich geen afvarend schip
meldt, mag het de Bankeck dan wel de Betteck niet voorbijvaren dan
nadat het op kanaal 10 een lage toon met een tijdsduur van één
seconde heeft ontvangen. Deze toon dient ter controle van het op
juiste wijze functioneren van de marifoon op het riviergedeelte
tussen Oberwesel en St. Goar.
c. Een afvarend schip moet bij het
voorbijvaren van de Ochsenturm (km 550,57), van de bovenstroomse
splitsingston bij de Geisenrücken (km 552,00) en van de Betteck
(km 553,61) zijn categorie, zijn naam, zijn positie en zijn
vaarrichting opgeven. Het moet dezelfde inlichtingen geven wanneer
het daartoe door een opvarend schip wordt opgeroepen. Na iedere
melding moet het opnieuw op de marifoon uitluisteren.
Artikel 9.09. Beperking van de
scheepvaart tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50)
1.Tussen Bad Salzig (km 564,30) en
Gorinchem (km 952,50) moeten duwstellen en gekoppelde samenstellen met
een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m,
zodra zij een riviervak naderen waarin zich schepen zouden kunnen
bevinden die nog niet te zien zijn, op het door de bevoegde autoriteit
aangewezen marifoonkanaal hun samenstelling en positie opgeven en deze
gegevens zo dikwijls als nodig is herhalen.
2.Afvarende duwstellen en gekoppelde
samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van
meer dan 22,90 m mogen opvarende duwstellen, gekoppelde samenstellen
of schepen met een lengte van meer dan 110 m niet ontmoeten in de
riviervakken tussen:
km 575,50 en km 578,50 (Oberspay),
km 606,50 en km 608,50 (Weissenthurm),
km 635,00 en km 637,50 (Unkel),
km 720,50 en km 723,00 (Benrath),
km 740,00 en km 744,00 (Düsseldorf) en
km 784,50 en km 786,50 (Baerl)
In verband daarmede zijn op deze
duwstellen en gekoppelde samenstellen de volgende bepalingen van
toepassing:
a. bij het naderen van het
betreffende riviervak moeten deze duwstellen en gekoppelde
samenstellen zich regelmatig melden op marifoonkanaal 10;
b. een opvarend duwstel, gekoppeld
samenstel of een schip met een lengte van meer dan 110 m moet,
indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel of gekoppeld
samenstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende
riviervak stilhouden totdat de afvaart het vak is doorgevaren;
c. wanneer een opvarend duwstel,
een opvarend gekoppeld samenstel of een opvarend schip met een
lengte van meer dan 110 m het betreffende riviervak reeds is
binnengevaren, moet een afvarend duwstel en een afvarend gekoppeld
samenstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat de opvaart
het vak is doorgevaren.
3.Tussen het Spijksche Veer (km 857,40)
en Gorinchem (km 952,50) mogen de in het eerste lid bedoelde
duwstellen en gekoppelde samenstellen slechts met toestemming van de
bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.
Artikel 9.10. Optische tekens en
vaarregels voor multifunctionele schepen van het Franse en Duitse leger
1.Een varend multifunctioneel schip:
a. van het Franse leger tussen
Basel (km 168,450) en Lauterburg (km 352,00), en
b. van het Duitse leger tussen de
sluizen te Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km
857,40);
moet des nachts de lichten, bedoeld in
artikel 3.08, eerste lid, voeren en ongeveer 1 m boven het toplicht
als bijkomend teken, dat ook overdag moet worden gevoerd: een geel
gewoon of helder rondom schijnend flikkerlicht.
2.Een schip als bedoeld in het eerste
lid wordt als klein schip aangemerkt. De artikelen 6.02 en 6.02a,
eerste en derde lid, zijn van toepassing.
Artikel 9.11. Varen bij slecht zicht
benedenstrooms van het Spijksche Veer
Een schip dat bij slecht zicht
benedenstrooms van het Spijksche Veer (km. 857,40) vaart, moet zoveel
mogelijk zijn stuurboordswal houden. De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet
van toepassing.
Artikel 9.12. Boven-Rijn en Waal
1.Een schip, een drijvend voorwerp of
een drijvende inrichting mag tussen de Boven-Rijn en de Waal tussen km
857,77 en km 952,50, met inbegrip van de overnachtingshavens en
aangrenzende wateroppervlakten voor zover dit rijkswateren zijn, geen
ligplaats nemen. Op het grensgedeelte van km 857,77 tot km 865,50
geldt dit verbod voor het gedeelte tussen de rechteroever en de
rivier-as.
2.In afwijking van het eerste lid is op
de bovenstaande waterwegen, de aangrenzende wateroppervlakten en in de
havens het ligplaats nemen op de daartoe aangeduide ligplaatsen
toegestaan.
3.In bijzondere gevallen kan de
bevoegde autoriteit het ligplaats nemen ook op niet daartoe aangeduide
plaatsen toestaan.
Artikel 9.13. Pannerdensch Kanaal,
Neder-Rijn en Lek
1.Een schip, een drijvend voorwerp of
een drijvende inrichting mag tussen het Pannerdensch Kanaal, de
Neder-Rijn en de Lek tussen km 867,46 en km 989,20, met inbegrip van
de aangrenzende wateroppervlakten voor zover dit Rijkswateren zijn,
geen ligplaats nemen.
2.In afwijking van het eerste lid is op
de bovenstaande waterwegen, de aangrenzende wateroppervlakten en in de
havens het ligplaats nemen op de daartoe aangeduide ligplaatsen
toegestaan.
3.In bijzondere gevallen kan de
bevoegde autoriteit het ligplaats nemen ook op niet daartoe aangeduide
plaatsen toestaan.
Hoofdstuk 10. Beperking van de
scheepvaart bij hoogwater en laagwater
Artikel 10.01. Beperking van de
scheepvaart bij hoogwater bovenstrooms van het Spijksche Veer
1. Tussen de Mittlere Rheinbrücke te
Basel (km 166,64) en de sluis te Kembs (km 179,10), alsmede tussen de
sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km 857,40),
gelden bij hoogwater, indien de waterstand zich tussen hoogwaterpeil I
en II bevindt, voor de scheepvaart de volgende beperkingen:
a. een schip, met uitzondering van
een klein schip niet zijnde een motorschip, moet in afvaart zoveel
mogelijk het midden van de rivier en in opvaart zoveel mogelijk
het middelste derde gedeelte van de breedte van de rivier houden;
als breedte van de rivier geldt de afstand tussen de oeverlijnen.
Tijdens het varen, met inbegrip van het voorbijlopen, mogen zich
ten hoogste twee eenheden naast elkaar bevinden;
b. daar waar de plaatselijke
omstandigheden het noodzakelijk maken dichter bij de oever te
varen dan onder a is aangegeven moeten de in dat onderdeel
bedoelde schepen desalniettemin zo ver mogelijk uit de oevers
blijven en hun snelheid verminderen;
c. artikel 9.04 blijft van
toepassing. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet
een opvarend schip in het middelste derde gedeelte van de rivier
zó dicht de linkeroever aanhouden, dat het ontmoeten met een
afvarend schip zonder gevaar bakboord op bakboord kan geschieden;
d. onverminderd artikel 6.20 mag
een schip ten opzichte van de oever niet sneller varen dan 20 km
per uur;
e. na het overschrijden van het
hoogwaterpeil I mag een schip slechts op de betreffende
riviervakken varen, indien het is uitgerust met een
marifooninstallatie. De marifooninstallatie moet voor ontvangst
zijn ingeschakeld op de voor de nautische informatie aangewezen
kanalen. Dit geldt niet voor kleine schepen die door middel van
spierkracht worden voortbewogen.
f. na het overschrijden van het
hoogwaterpeil I is het verboden te varen met een snel schip.
2. Een schip mag in het bij het derde
lid genoemde vak niet varen, indien de waterstand het hoogwaterpeil II
voor dat vak bereikt heeft of overschrijdt. Dit is niet van toepassing
op het oversteken van de vaarweg.
3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- en afvaart en de bij
dat peil genoemde vakken zijn:
|
Traject |
Op- en afvaart
Hoogwaterpeil |
|
| |
I |
II |
|
Basel (km 166,64) |
|
|
| |
Basel-Rheinhalle |
|
|
Basel– Sluizen Kembs |
7,00 |
8,20 |
| |
|
|
|
Kembs (km 179,10)
_____________________________________________________ |
|
|
| |
|
|
|
Sluizen te Iffezheim (km 334,00)
__________________________________________ |
|
|
| |
Maxau |
|
|
Sluizen te Iffezheim-Germersheim |
6,20 |
7,50 |
|
Germersheim (km 384,00)
_______________________________________________ |
|
|
| |
Speyer |
|
|
Germersheim-Mannheim/Rheinau |
6,20 |
7,30 |
|
Mannheim-Rheinau (km 412,00)
__________________________________________ |
|
|
| |
Mannheim |
|
|
Mannheim/Rheinau-Mannheim/Sandhofen |
6,50 |
7,60 |
|
Mannheim-Sandhofen (km 431,50)
_______________________________________ |
|
|
| |
Worms |
|
|
Mannheim/Sandhofen-Gernsheim |
4,40 |
6,50 |
| |
|
|
|
Gernsheim (km 462,00)
_________________________________________________ |
|
|
| |
Mainz |
|
|
Gernsheim-Eltville |
4,75 |
6,30 |
|
Eltville (km 511,00)
_____________________________________________________ |
|
|
| |
Bingen |
|
|
Eltville-Lorch |
3,50 |
4,90 |
|
Lorch (km 540,00)
______________________________________________________ |
|
|
| |
Kaub |
|
|
Lorch-Salzig |
4,60 |
6,40 |
|
Salzig (km 566,00)
______________________________________________________ |
|
|
| |
Koblenz |
|
|
Salzig-Engers |
4,70 |
6,50 |
|
Engers (km 601,00)
____________________________________________________ |
|
|
| |
Andernach |
|
|
Engers-Bad Breisig |
5,50 |
7,60 |
|
Bad Breisig (km 624,00)
_________________________________________________ |
|
|
| |
Oberwinter |
|
|
Bad Breisig-Mondorf |
4,90 |
6,80 |
|
Mondorf (km 660,00)
____________________________________________________ |
|
|
| |
Köln |
|
|
Mondorf-Dormagen |
6,20 |
8,30 |
|
Dormagen (km 716,00)
__________________________________________________ |
|
|
| |
Düsseldorf |
|
|
Dormagen-Krefeld |
7,10 |
8,80 |
|
Krefeld (km 763,00)
____________________________________________________ |
|
|
| |
Duisburg-Ruhrort |
|
|
Krefeld-Orsoy |
9,30 |
11,30 |
|
Orsoy (km 794,00)
______________________________________________________ |
|
|
| |
Wesel |
|
|
Orsoy-Rees |
8,70 |
10,60 |
|
Rees (km 837,00)
_______________________________________________________ |
|
|
| |
Emmerich |
|
|
Rees-Spijksche Veer |
7,00 |
8,70 |
|
Spijksche Veer (km 857,40)
______________________________________________ |
|
|
4. De bevoegde autoriteiten kunnen
tussen Basel en de sluizen te Kembs aan individuele schepen, indien
deze bepaalde voorwaarden vervullen, de vaart op dit riviergedeelte
tot aan een waterstand van 8,50 m aan de peilschaal te
Basel-Rheinhalle toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende
meer dan drie dagen boven het peil van 8,20 m heeft gelegen en de
voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee
dagen nog boven dit peil zal liggen.
5. Tussen de sluizen te Kembs van het
Grand Canal d’Alsace en de sluizen te Iffezheim (km 334,00) wordt
de scheepvaart bij hoogwater als volgt geregeld:
a. tussen de meest bovenstrooms
gelegen voorhaven van de sluizen te Kembs en de meest
bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Vogelgrün
gelden voor de scheepvaart geen beperkingen bij hoogwater. De
bevoegde autoriteit kan echter, om concentraties van schepen in
de voorhavens van de sluizen te Kembs en Vogelgrün te
vermijden, de schepen over de voorhavens van de verschillende
sluizen verdelen;
b. tussen de sluizen te
Vogelgrün en de sluizen te Iffezheim:
– worden de sluizen op een
sluispand gestremd, wanneer op het benedenhoofd van de
telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar
aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden;
– is de vaart voor kleine
schepen op een sluispand verboden, wanneer op het
benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het
zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of
overschreden.
Echter kan de bevoegde autoriteit
aan individuele schepen en samenstellen voor het gedeelte vanaf
benedenstrooms van de sluis te Vogelgrün tot benedenstrooms van
de sluis te Straatsburg tot een maximale waterstand van 0,40 m
boven het hoogwaterpeil II de vaart en het schutten toestaan,
wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie
opeenvolgende dagen voornamelijk boven het hoogwaterpeil II
heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand
ook de volgende twee dagen nog boven dit hoogwaterpeil zal
liggen;
c. op het riviervak tussen de
zuidelijke voorhaven (km 291,30) en de noordelijke voorhaven (km
295,50) van de haven van Straatsburg wordt de scheepvaart,
indien de hoogst bevaarbare waterstand wordt bereikt, als volgt
gestremd:
-. voor de afvaart door
middel van een bij km 291,30 aangebracht rood licht (teken
A.1, bijlage 7);
-. voor de opvaart door
middel van een bij km 294,50 aangebracht rood licht (teken
A.1, bijlage 7).
Artikel 10.02. Beperking van de
scheepvaart bij laagwater tussen Bingen en St. Goar
Tussen St. Goar en Bingen is het
stroomopwaarts slepen van een half uur na zonsondergang tot een half uur
voor zonsopgang verboden, zodra de waterstand aan de peilschaal te Kaub
minder dan 1,00 m bedraagt. Dit verbod geldt echter niet voor een sleep
die uit niet meer dan twee schepen bestaat of voor een gesleept duwstel.
Een sleep die uit niet meer dan twee
schepen bestaat mag tussen Bingen (km 529,10) en Trechtinghausen (km
535,40) door nog een ander motorschip worden gesleept.
Hoofdstuk 11. Ten hoogste toegelaten
afmetingen van schepen, duwstellen en andere samenstellen
Artikel 11.01. Ten hoogste toegelaten
afmetingen van schepen
1. De grootste lengte van een schip mag
niet meer bedragen dan 135 m. De grootste lengte mag echter in de
afvaart tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) bij
waterstanden aan de peilschaal te Kaub van minder dan 0,85 m en meer
dan 4,60 m (hoogwaterpeil I) niet meer bedragen dan 110 m.
2. Een schip, met uitzondering van een
passagiersschip, met een lengte van meer dan 110 meter, kan alleen dan
bovenstrooms van Mannheim varen, indien het aan de vereisten van
artikel 22a.05, tweede lid, van het Reglement onderzoek schepen op de
Rijn voldoet. Een passagiersschip met een lengte van meer dan 110
meter kan alleen dan bovenstrooms van Mannheim varen indien het aan de
vereisten van artikel 22a.05, derde lid, van het Reglement onderzoek
schepen op de Rijn voldoet. De door de bevoegde autoriteiten voor het
te bevaren riviergedeelte tussen Basel en Mannheim reeds verleende
vergunningen voor schepen met een lengte tussen 110 en 135 meter, die
op 30 september 2001 geldig waren, blijven onder de voorwaarden die in
verband met de veiligheid gesteld zijn op het betreffende
riviergedeelte van kracht.
3. De bevoegde autoriteit voor het
riviergedeelte tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) kan
bij waterstanden aan de peilschaal te Kaub van minder dan 0,85 m en
van meer dan 4,60 m (hoogwaterpeil I) voor een schip met een lengte
van meer dan 110 m in afvaart een vergunning verlenen. Zij stelt
daarbij de voorwaarden die in verband met de veiligheid noodzakelijk
zijn.
4. Een schip met een lengte van meer
dan 110 m mag slechts varen, wanneer het voldoet aan artikel 4.06,
eerste lid.
5. De breedte van een schip mag niet
meer bedragen dan 22,80 m, en op het riviergedeelte tussen Pannerden
(km 867,46) en het Lekkanaal (km 949,40) niet meer dan 17,70 m,
behoudens vergunning van de bevoegde autoriteit voor het te bevaren
riviergedeelte.
Artikel 11.02. Ten hoogste toegelaten
afmetingen van duwstellen
1.Een duwstel mag de hierna genoemde
afmetingen niet overschrijden:
|
Nr. |
Traject |
Lengte in m |
Breedte in m |
|
I |
Basel (km 166,64) – sluizen te
Iffezheim (km 334,00) zowel in op- als in afvaart |
|
|
| |
a. sluizen te Kembs: |
|
|
| |
grote sluis
....................................................... |
180 |
22,90 |
| |
kleine sluis
....................................................... |
95 |
22,90 |
| |
|
|
|
| |
b. sluizen te Ottmarsheim,
Fessenheim, Vogelgrün, |
|
|
| |
Marckolsheim en Rheinau: |
|
|
| |
grote sluis
....................................................... |
183* |
22,80 |
| |
kleine sluis
....................................................... |
183* |
11,45 |
| |
|
|
|
| |
c. sluizen te Gerstheim en
Straatsburg: |
|
|
| |
grote sluis
....................................................... |
185 |
22,90 |
| |
kleine sluis
....................................................... |
185 |
11,45 |
| |
|
|
|
| |
d. sluizen te Gambsheim en
Iffezheim ................. |
270 |
22,90 |
|
II |
Sluizen te Iffezheim (km 334,00)
– Karlsruhe (km 359,80) zowel in op- als in afvaart
...................... |
186,50 |
22,90 |
|
III |
Karlsruhe (km 359,80) – Lorch (km
540,20) |
|
|
| |
a. zowel in op- als in afvaart
............................... |
186,50 |
22,90 |
| |
b. in afvaart bovendien
...................................... |
153 |
34,35*** |
|
IV |
Lorch (km 540,20) – St. Goar (km
556,00) |
|
|
| |
a. in opvaart
.................................................... |
186,50 |
22,90 |
| |
b. in afvaart
..................................................... |
110*** |
22,90 |
|
V |
St. Goar (km 556,00) – Gorinchem
(km 952,50) |
|
|
| |
a. zowel in op- als in afvaart
............................... |
186,50 |
22,90 |
| |
b. in afvaart bovendien
...................................... |
153 |
34,35*** |
|
VI |
Pannerdensch Kanaal (km 867,46) –
Lekkanaal (km 949,40) |
|
|
| |
zowel in op- als afvaart
...................................... |
110** |
17,70 |
|
VII |
Lekkanaal (km 949,40) – Krimpen
(km 989,20) |
|
|
| |
zowel in de op- als de afvaart
hetzij ..................... |
116,50 |
22,90 |
| |
hetzij
.............................................................. |
140 |
17,70 |
| |
dan wel met een kopbesturing van
voldoende |
|
|
| |
vermogen
........................................................ |
186,50 |
12,00** |
| |
* De bevoegde autoriteit kan een
lengte tot 185 m toelaten. In dat geval is art. 6.28, zevende lid
onder a en e, niet van toepassing. |
|
|
| |
** De bevoegde autoriteit kan
duwstellen met grotere afmetingen toelaten. |
|
|
| |
*** De langszij van de duwboot
gekoppelde duwbakken mogen niet geladen zijn. |
|
|
2.2. De bevoegde autoriteit van het
te bevaren gedeelte kan bij wijze van proef en voor een beperkte
tijdsduur duwstellen toelaten met grotere afmetingen dan die welke
in de tabel van het eerste lid zijn vastgesteld.
3.Benedenstrooms van de sluizen te
Iffezheim tot Gorinchem mag de lengte van een duwstel met ten
hoogste 6,50 m worden vergroot en mag de breedte van de duwboot op
15 m worden gebracht, mits
- de duwboot niet langer is dan
40 m,
- de lengte van het duwstel, dat
zich vóór de duwboot bevindt, niet langer is dan 153 m.
4.Een duwstel mag niet breder zijn
dan 22,90 m op de navolgende gedeelten:
a. op het gedeelte Karlsruhe (km
359,80) - Lorch (km 540,00) en St. Goar (km 556,00) -
Rolandswerth (km 641,80), indien de waterstand aan de peilschaal
te Kaub minder bedraagt dan 1,20 m;
b. op het gedeelte Rolandswerth
(km 641,80) - Spijksche Veer (km 857,40), indien de waterstand
aan de peilschaal te Ruhrort minder bedraagt dan 2,10 m;
c. in de afvaart op het gedeelte
Spijksche Veer (km 857,40) - Gorinchem (km 952,50), indien de
waterstand aan de peilschaal te Lobith minder bedraagt dan 9,50
m.
De bevoegde autoriteit kan de vaart
bij lagere waterstanden toelaten.
Artikel 11.03. Ten hoogste toegelaten
afmetingen van duwstellen onder bepaalde voorwaarden
1.In afwijking van artikel 11.02 zijn
voor een duwstel op het riviergedeelte tussen Bad Salzig (km 564,30)
en Gorinchem (km 952,50) de hierna genoemde afmetingen
|
Samenstelling |
Grootste afmeting |
|
| |
Lengte in m |
Breedte in m |
|
Brede formatie |
193 |
34,35 |
|
Lange formatie |
269,50 |
22,90 |
onder de volgende voorwaarden
toegelaten:
a. De in dit lid genoemde ten
hoogste toegelaten afmetingen moeten zijn vermeld in het
certificaat van onderzoek van de duwboot.
b. De duwboot mag niet langer
zijn dan 40 m.
c. Het duwstel mag niet meer dan
zes duwbakken en geen zeeschipbakken bevatten.
d. In afvaart mag slechts in
brede formatie worden gevaren. Daarbij dienen de volgende
voorwaarden in acht te worden genomen:
-. ten minste twee aan de kop
van het duwstel geplaatste duwbakken moeten zijn uitgerust
met een vanuit de stuurhut van de duwboot bedienbare
passieve kopbesturing. De koproeren van ieder van deze
duwbakken moeten een effectieve oppervlakte van ten minste 2
m2 hebben. De bevoegde autoriteit kan kopbesturingen met een
overeenkomstig effect toelaten;
-. ten hoogste vier duwbakken
mogen een diepgang van 1,50 m of meer hebben.
2.Ter aanvulling op het eerste lid
moet op het riviergedeelte Bad Salzig (km 564,30) - Spijkse Veer (km
857,40) het volgende in acht worden genomen:
a. De vaart mag slechts worden
aangevangen bij een waterstand aan de peilschaal te Ruhrort
tussen 2,75 m en 6,00 m. De bevoegde autoriteit kan de vaart bij
andere waterstanden toelaten.
b. Er mag niet worden gevaren op
riviervakken waar de waterstand het hoogwaterpeil I heeft
bereikt.
c. In afvaart in brede formatie
mag ook zonder koproeren worden gevaren indien ten minste twee
en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer
hebben.
3.Ter aanvulling op het eerste lid
moet op het riviergedeelte Spijksche Veer (km 857,40) - Gorinchem
(km 952,50) het volgende in acht worden genomen:
a. De vaart mag slechts worden
aangevangen bij een waterstand aan de pelschaal te Lobith tussen
9,50 m en 13,50 m. De bevoegde autoriteit kan de vaart bij
andere waterstanden toelaten.
b. Het maximale vermogen van de
duwboot mag niet groter zijn dan 4500 kW.
c. In opvaart mag slechts in
lange formatie worden gevaren.
d. In lange formatie moeten ten
minste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben. De
bevoegde autoriteit kan andere samenstellingen en een geringere
diepgang toelaten.
e. In afvaart in brede formatie
mag ook zonder koproeren worden gevaren indien ten minste twee
en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer
hebben en ten minste twee daarvan in de as van het duwstel zijn
geplaatst.
f. Gevaarlijke stoffen, voor het
vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring als bedoeld in
het ADNR vereist is, mogen niet worden vervoerd.
Artikel 11.04. Ten hoogste toegelaten
afmetingen van duwstellen op de kruising van de Lek en het
Amsterdam-Rijnkanaal bij Wijk bij Duurstede
In afwijking van artikel 11.02, eerste
lid, bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend
op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken
200 m (lengte) en 23,00 m (breedte). De bevoegde autoriteit kan grotere
afmetingen toelaten.
Artikel 11.05. Ten hoogste toegelaten
afmetingen van andere samenstellen
De afmetingen van een hecht samenstel van
schepen dat geen duwstel is mag de ten hoogste toegelaten afmetingen van
een duwstel voorgeschreven bij artikel 11.02, eerste en tweede lid, niet
overschrijden.
Hoofdstuk 12. Riviergedeelten waar een
meldplicht geldt dan wel waar de scheepvaart door waarschuwingsposten
wordt geregeld
Artikel 12.01. Meldplicht
1. De schipper van een schip als
bedoeld in het ADN, van een tankschip, van een schip met een lengte
van meer dan 110 m, van een samenstel, van een zeeschip of van een
bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21 moet zich, alvorens de
in het vijfde lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, melden op
het aangegeven marifoonkanaal met opgave van de volgende gegevens:
a. soort schip;
b. naam van het schip;
c. positie, vaarrichting;
d. officieel scheepsnummer,
IMO-nummer voor zeeschepen;
e. laadvermogen;
f. lengte en breedte van het schip;
g. soort, lengte en breedte van het
samenstel;
h. diepgang, indien de bevoegde
autoriteit hierom vraagt;
i. route;
j. haven waar is geladen;
k. haven waar wordt gelost;
l. bij gevaarlijke stoffen
overeenkomstig het ADN:
de VN-nummers of de stofnummers,
de officiële benaming voor het
vervoer, voorzover van toepassing aangevuld met de technische
omschrijving,
de klasse, de klassificeringscode
en eventueel de verpakkingsgroep,
de totale hoeveelheid van de
gevaarlijke stoffen, waarop deze gegevens betrekking hebben;
bij andere stoffen: de soort lading
(naam en hoeveelheid van stoffen);
m. 0, 1, 2, 3 blauwe
lichten/kegels;
n. aantal personen aan boord.
2. De in het eerste lid bedoelde
gegevens, met uitzondering van die genoemd onder c en h, mogen ook
vanaf een andere plaats of door een andere persoon tijdig schriftelijk
of telefonisch, dan wel, indien mogelijk, via elektronische weg, aan
de bevoegde autoriteit worden medegedeeld. In ieder geval moet de
schipper het tijdstip van in- en uitvaren met zijn schip of samenstel
van het meldplichtig riviergedeelte melden.
3. Indien het schip zijn reis in een
der in het vijfde lid genoemde riviergedeelten gedurende meer dan twee
uren onderbreekt, moet de schipper het begin en het einde van deze
onderbreking melden.
4. Indien de in het eerste lid bedoelde
gegevens tijdens het bevaren van het meldplichtige riviergedeelte
worden gewijzigd, moet dit aan de bevoegde autoriteit onmiddellijk
worden medegedeeld.
5. Op de riviergedeelten:
a. van Basel (Mittlere Rheinbrücke,
km 166,64) tot Lauterburg (km 352,00),
b. van Lauterburg (km 352,00) tot
Gorinchem (km 952,50), en
c. van Pannerden (km 876,50) tot
Krimpen aan de Lek (989,20),
die worden aangeduid door het teken
B.11 met het onderbord «Meldplicht», geldt de in het eerste lid
bedoelde meldplicht onder de volgende voorwaarden:
– Op het gedeelte bedoeld onder a
behoeven zich slechts samenstellen als bedoeld in het ADNR te
melden.
– Op het gedeelte bedoeld onder b
moeten behalve samenstellen als bedoeld in het ADNR slechts
samenstellen met een lengte van meer dan 140 m en een breedte van
meer dan 15 m en op het gedeelte bedoeld onder c slechts
samenstellen met een lengte van meer dan 110 m of een breedte van
meer dan 12 m worden gemeld.
– Op de gedeelten bedoeld onder b
en c moeten de gegevens genoemd in het eerste lid, onder a, b en
d, eveneens worden verstrekt bij het passeren van de overige
verkeersposten, districtscentrales en sluizen, evenals aan de met
het teken B.11 aangeduide meldpunten.
6. De bevoegde autoriteit kan voor
bunkerschepen een andere meldplicht vaststellen.
Artikel 12.02. Waarschuwingsposten in het
riviergedeelte Oberwesel-St. Goar
1.In het riviergedeelte Oberwesel-St.
Goar zijn de volgende waarschuwingsposten opgesteld:
Post A:
km 550,57, linkeroever,
bij de Ochsenturm te Oberwesel;
Post B:
km 552,80, linkeroever,
bij de Kammereck;
Post C:
km 553,61, linkeroever,
bij de Betteck;
Post D:
km 554,34, linkeroever,
tegenover de Loreley;
Post E:
km 555,43, linkeroever,
bij Die Bank.
2.De nadering van afvaart, met
uitzondering van kleine schepen, wordt aan de opvaart aangekondigd
door de waarschuwingsposten C, D en E. Op de betreffende gedeelten
toont elke waarschuwingspost zijn tekens aan de opvaart, op boven
elkaar geplaatste borden als volgt:
|
Bord |
Nr. van het gedeelte |
Begin en einde van
het gedeelte |
|
| Post C |
|
|
|
|
boven |
1 |
km 550,57 |
km 551,30 |
|
midden |
2 |
km 551,30 |
km 552,11 |
|
onder |
3 |
km 552,11 |
km 554,34 |
| |
|
|
|
|
Post D |
|
|
|
|
boven |
1 |
km 550,57 |
km 551,30 |
|
midden |
2 |
km 551,30 |
km 552,11 |
|
onder |
3 |
km 552,11 |
km 554,34 |
| |
|
|
|
|
Post E |
|
|
|
|
boven |
3 |
km 552,11 |
km 554,34 |
|
onder |
4 |
km 554,34 |
km 555,43 |
3.De door de waarschuwingsposten
gegeven tekens hebben voor de betreffende gedeelten de volgende
betekenis:
a. drie witte lichtstrepen in de
vorm van een driehoek (fig. 1):
Op het gedeelte bevindt zich
afvarend ten minste één samenstel met een lengte van meer dan
110 m.
[Illustratie Verwijderd]
b. twee witte lichtstrepen in de
vorm van een dak (fig. 2):
Op het gedeelte bevindt zich
afvarend ten minste één samenstel met een lengte van niet meer
dan 110 m, of één schip met een lengte van meer dan 110 m.
[Illustratie Verwijderd]
c. een naar rechts neigende witte
lichtstreep (fig. 3):
Op het gedeelte bevindt zich
afvarend ten minste één alleenvarend schip met een lengte van
niet meer dan 110 m.
[Illustratie Verwijderd]
d. een horizontale witte
lichtstreep (fig. 4):
Op het gedeelte bevindt zich geen
afvaart.
[Illustratie Verwijderd]
4.De waarschuwingsposten kunnen
bovendien de volgende tekens geven:
a. op post A een alleen voor de
afvaart zichtbaar wit licht:
Aan de afvaart wordt aangeduid,
dat de opvaart is gewaarschuwd.
b. op post B een alleen voor de
afvaart zichtbaar wit licht:
Een opvarend gekoppeld samenstel
of een duwstel, waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, vaart
om de Betteck heen.
5.Een schip, met uitzondering van een
klein schip, dat binnen het riviergedeelte, dat met
waarschuwingsposten geregeld wordt keert en weer terug vaart, moet
dit per marifoon (kanaal 18) meedelen aan de districtscentrale
Oberwesel.
6.Wanneer de afvaart moet stilhouden,
wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten
boven elkaar op de posten A of B aangeduid.
Wanneer de opvaart moet stilhouden,
wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten
boven elkaar op de posten D of E aangeduid.
Hoofdstuk 13. Bijzondere voorschriften
met betrekking tot de vaart met kanaalspitsen op het riviergedeelte
Basel tot de sluizen te Iffezheim
Artikel 13.01. Toepassingsgebied
1.Dit hoofdstuk is van toepassing op
schepen die afmetingen hebben van niet meer dan 38,50 m lengte en 5,05
m breedte en die gewoonlijk het Rijn-Rhônekanaal bevaren.
2.Dit hoofdstuk is van toepassing op de
in het eerste lid bedoelde schepen tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke,
km 166,64) en de meest benedenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen
te Iffezheim (km 335,92).
Artikel 13.02. Kentekens van schepen
De bij artikel 2.01 voorgeschreven
kentekens kunnen worden vervangen door die welke zijn voorgeschreven of
toegestaan op het Rijn-Rhônekanaal.
Artikel 13.03. Inzinkingsmerken
1.De bij artikel 2.04, eerste lid,
voorgeschreven inzinkingsmerken kunnen worden vervangen door ten
minste één ijkmerk of ijkplaat aan elke zijde van het schip,
aangebracht ingevolge de geldende Internationale overeenkomst
betreffende de meting van binnenschepen.
2.In afwijking van artikel 1.07, eerste
lid, mag de inzinking van een schip niet dieper zijn dan:
a. tot de onderkant van de
inzinkingsmerken dan wel van de ijkmerken of de ijkplaten;
b. tot het horizontale vlak,
liggende 30 cm beneden het laagste punt waarboven het schip niet
meer waterdicht is;
c. tot de bovenkant van het
gangboord op zijn laagste punt.
Artikel 13.04. Diepgangsschalen
Artikel 2.04, tweede lid, is niet van
toepassing.
Artikel 13.05. Kentekens van ankers
Artikel 2.05, eerste lid, is niet van
toepassing.
Artikel 13.06. Samenstelling van
samenstellen
De in artikel 6.21, tweede lid, bedoelde
aantekening in het certificaat van onderzoek kan worden vervangen door
een getuigschrift, afgegeven door de bevoegde autoriteit.
Hoofdstuk 14. Voorschriften betreffende
de reden op de Rijn
Artikel 14.01. Algemene bepalingen
1.De begrenzing van de reden wordt op
de betreffende oever aangeduid door het teken C.4 ( bijlage 7)
voorzien van een rechthoekig onderbord met de letter "R".
Eventueel kan het teken worden voorzien van een wit driehoekig bord
waarop in zwarte cijfers de lengte van de rede staat aangegeven.
2.Op de reden mag een schip slechts
ligplaats nemen:
a. op de overeenkomstig artikel
7.06 aangeduide gereserveerde ligplaatsen;
b. voor laad- of loswerkzaamheden
op de daartoe bestemde plaatsen. De toegang naar deze plaatsen
moet indien nodig worden vrijgehouden.
3.Een schip, waarvoor niet in een door
tekens aangeduide ligplaats is voorzien, mag slechts dan op de rede
ligplaats nemen, wanneer hem door de bevoegde autoriteit een plaats is
aangewezen.
4.Op de reden mogen de schepen in ten
hoogste drie rijen langszijde van elkaar ligplaats nemen, tenzij bij
de bijzondere bepalingen voor afzonderlijke reden dit aantal wordt
beperkt of op grond van artikel 7.05, tweede, derde of vierde lid, een
afwijkende regeling wordt vastgesteld.
Artikel 14.02. Basel
1.De rede strekt zich voor Basel uit
aan de linkeroever van km 167,75 tot km 168,40 en aan de rechteroever
van km 167,75 tot km 169,80.
2.Voor schepen, die niet verplicht zijn
een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd aan de
rechteroever:
a. ligplaats «Uferplatz» van km
167,85 (Dreirosenbrücke) tot km 168,04;
b. ligplaats «Rheinquai-Wiesemündung»
van km 169,20 tot km 169,34;
c. ligplaats «Rheinquai-Dreiländereck»
van km 169,60 tot km 169,71. Deze ligplaats mag worden gebruikt
van 1 november tot 15 maart; buiten deze periode slechts op
aanwijzing van de havenmeester.
3.Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd
aan de rechteroever: ligplaats «Oberer Klybeckquai» van km 168,05
tot km 168,36.
4.Schepen die verplicht zijn de tekens
bedoeld inartikel 3.14, tweede of derde lid te voeren, mogen slechts
ligplaats nemen met toestemming van de Zwitserse Rijnhavens. De
ligplaatsen worden van geval tot geval door de havenmeester
aangewezen.
5.De op borden op de oever aangeduide
breedten der ligplaatsen gelden slechts bij waterstanden aan de
peilschaal van Basel-Rheinhalle van minder dan 7 m.
Artikel 14.03. Mannheim-Ludwigshafen
1.De rede strekt zich voor Mannheim uit
aan de rechteroever van km 412,35 tot km 417,15 en van km 423,50 tot
km 431,80 en voor Ludwigshafen aan de linkeroever van km 419,77 tot km
431,90.
2.Voor schepen, die niet verplicht zijn
een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:
a. ligplaatsen aan de rechteroever:
i. voor Mannheim-Rheinau,
van km 413,30 tot km 414,25,
van km 414,56 tot km 414,90 en
van km 415,50 tot km 416,75;
ii. voor Mannheim,
van km 423,50 tot km 424,00,
van km 424,76 tot km 425,00,
uitsluitend voor schepen die aldaar willen laden of lossen,
van km 425,00 tot km 427,00,
van km 428,72 tot km 429,60 en
van km 429,80 tot km 430,30;
b. ligplaats aan de linkeroever
voor Ludwigshafen van km 424,83 tot km 426,20.
3.Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn
gereserveerd:
a. ligplaatsen aan de rechteroever:
van km 413,00 tot km 413,30,
van km 430,30 tot km 431,10;
b. ligplaats aan de linkeroever van
km 421,60 tot km 422,00.
4.Voor schepen die bij BASF A.G. willen
laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is
gereserveerd:
ligplaats aan de linkeroever van km
426,20 tot km 431,47.
Artikel 14.04. Mainz
1.De rede strekt zich voor Mainz uit
aan de linkeroever van km 494,60 tot km 497,76 en aan de rechteroever
van km 496,90 tot km 497,80.
2.Voor schepen, die niet verplicht zijn
een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:
a. ligplaats aan de linkeroever:
van km 496,80 tot km 497,76;
b. ligplaats aan de rechteroever:
van km 496,90 tot km 497,33 (voor
de Maaraue), uitsluitend voor schepen die de Main willen invaren.
3.Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn
gereserveerd:
a. ligplaats aan de linkeroever:
van km 494,60 tot km 494,90;
b. ligplaats aan de rechteroever:
van km 497,48 tot km 497,80.
Artikel 14.05. Bingen
1.De rede strekt zich voor Bingen uit
aan de linkeroever van km 524,20 tot km 528,50.
2.Voor schepen, met uitzondering van
duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te
voeren, zijn gereserveerd de ligplaatsen:
van km 524,90 tot km 525,60,
van km 527,55 tot km 527,97 en
van km 528,20 tot km 528,50.
3.Voor de duwvaart, die niet verplicht
is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de
ligplaats:
van km 526,20 tot km 526,60, langs de
havendam in het vaarwater van Kempten.
4.Voor schepen, met uitzondering van
duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14,
eerste lid, te voeren is gereserveerd de ligplaats:
van km 526,90 tot km 527,30, langs de
havendam in het vaarwater van Kempten.
5.Voor de duwvaart, die verplicht is
de tekens bedoeld in artikel 3.14 , eerste lid, te voeren, is
gereserveerd de ligplaats:
van km 526,70 tot km 526,90, langs de
havendam in het vaarwater van Kempten.
6. Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, te voeren, is
gereserveerd de ligplaats:
van km 524,20 tot km 524,70, langs de
Ilmenaue.
Artikel 14.06. Bad Salzig
1.De rede strekt zich voor Bad Salzig
uit aan de linkeroever van km 564,00 tot km 567,60.
2.Voor schepen, die niet verplicht zijn
een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de
ligplaats:
van km 564,00 tot km 565,70.
3.Voor schepen, met uitzondering van
duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste
lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 566,20 tot km 566,70.
4.Voor de duwvaart, die verplicht is de
tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd
de ligplaats:
van km 566,70 tot km 567,00.
5.Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, te voeren, is
gereserveerd de ligplaats:
van km 567,10 tot km 567,60.
6.In afwijking van artikel 10.01,
tweede lid, mag een schip varen binnen de begrenzing van de rede
zolang het hoogwaterpeil II slechts aan één van de peilschalen te
Kaub of te Koblenz wordt overschreden.
Artikel 14.07. Koblenz
1.De rede strekt zich voor Koblenz uit
aan de rechteroever van km 592,15 tot km 593,65.
2.Voor schepen, met uitzondering van
duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te
voeren, is gereserveerd de ligplaats:
van km 592,15 tot km 592,80.
3.Voor de duwvaart, die niet verplicht
is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de
ligplaats:
van km 592,80 tot km 593,40.
4.Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd
de ligplaats:
van km 593,40 tot km 593,65.
Artikel 14.08. Andernach
1.De rede strekt zich voor Andernach
uit aan de linkeroever van km 611,95 tot km 612,80 en van km 613,80
tot km 614,00.
2.Voor schepen die niet verplicht zijn
een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de
ligplaats:
van km 611,95 tot km 612,80.
Schepen, die verplicht zijn de tekens
bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, mogen evenwel lossen
aan de overslaginrichting voor motorbrandstoffen van de firma E.
Doetsch bij km 612,40.
3.Voor de laadinrichting bij km 612,52
(transportband) mogen slechts twee schepen langszijde van elkaar
ligplaats nemen.
4.Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd
de ligplaats:
van km 613,80 tot km 614,00.
Artikel 14.09. Wesseling
1. De rede strekt zich voor Wesseling
uit aan de linkeroever van km 668,90 tot km 672,80 voor Köln-Godorf.
2. Voor schepen die niet verplicht zijn
een teken als bedoeld in artikel 3.14te voeren en die te Wesseling of
te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben
geladen of gelost, zijn gereserveerd de ligplaatsen:
van km 669,65 tot km 670,10,
van km 670,34 tot km 670,45,
van km 670,60 tot km 670,75,
van km 670,85 tot km 671,00.
3. Voor schepen die niet verplicht zijn
een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren en die te
Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die
aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:
van km. 671,00 tot km 671,35.
4. Voor schepen die niet verplicht zijn
een teken als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren en die te
Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die
aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:
van km 671,65 tot km 671,80.
5. Voor schepen die niet verplicht zijn
een teken als bedoeld in artikel 3.14te voeren en voor schepen die
verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te
voeren, en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen,
dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, zijn gereserveerd de
ligplaatsen:
Aires de stationnement,
van km 668,80 tot km 669,20,
van km 672,30 tot km 672,80.
Artikel 14.10. Duisburg-Ruhrort
1.De rede strekt zich uit voor
Duisburg-Ruhrort van km 769,30 tot km 794,55.
2.Voor schepen, die niet verplicht zijn
een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd:
ligplaats "Alsum":
van km 788,70 tot km 789,99,
uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de havens van
Schwelgern, Walsum-Süd en Walsum-Nord.
3.Voor schepen, met uitzondering van
duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te
voeren, zijn gereserveerd:
a. aan de linkeroever:
i. ligplaats "Friemersheim",
van km 770,70 tot km 772,30;
ii. ligplaats "Rheinhausen",
van km 773,85 tot km 774,15,
uitsluitend voor lege schepen die verkeer onderhouden met de
haven van Rheinhausen;
iii. ligplaats "Hochemmerich",
van km 775,60 tot km 777,60,
uitsluitend voor geladen schepen;
iv. ligplaatsen
"Homberg",
van km 778,10 tot km 778,30,
van km 778,40 tot km 778,65,
van km 778,65 tot km 780,00, en
van km 780,00 tot km 780,45,
uitsluitend voor lege schepen en voor schepen die aldaar
gerepareerd moeten worden;
v. ligplaats "Homberger
Ort",
van km 781,75 tot km 782,50;
vi. ligplaatsen "Orsoy",
van km 792,85 tot km 793,20,
uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de
Rijnhaven van Orsoy en de havens van Schwelgern, Walsum-Nord
en Walsum-Süd,
van km 793,80 tot km 793,90,
uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de
Rijnhaven van Orsoy;
b. aan de rechteroever:
i. ligplaats "Rheinlust",
van km 770,70 tot km 771,60,
uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de haven
van Mannesmann, de havens van Hochfeld en de haven van
Rheinhausen;
ii. ligplaats "Hochfelder
Längskribbe",
van km 773,30 tot km 774,00,
uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de havens
van Hochfeld en de haven van Rheinhausen;
iii. ligplaats "Schreckling",
van km 778,50 tot km 779,60,
uitsluitend voor lege schepen;
iv. ligplaatsen "Luftball",
van km 781,34 tot km 781,54,
uitsluitend voor motorschepen die slechts voor korte tijd
ligplaats nemen en niet op lading wachten,
van km 781,54 tot km 783,40,
uitsluitend voor lege schepen;
v. ligplaats "Unterhalb
der Baerler Brücke",
van km 787,00 tot km 787,50;
vi. ligplaats "Walsum",
van km 790,58 tot km 791,00.
4.Voor schepen die bij de ligplaats«Hochfeld»
willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is
gereserveerd:
aan de rechteroever, de ligplaats
van km 774,70 tot km 776,50.
5.Voor schepen, met uitzondering van
duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste
lid, te voeren, zijn gereserveerd:aan de rechteroever:
a. ligplaatsen «Rheinlust»,
van km 771,60 tot km 771,90,
uitsluitend voor lege schepen,
van km 772,40 tot km 772,90,
uitsluitend voor geladen schepen;
b. ligplaats «Baerler Brücke»,
van km 785,35 tot km 786,20.
Voor het overslaan mogen de schepen
slechts gebruik maken van de ligplaats «Baerler Brücke».
6.Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren, is
gereserveerd:
aan de linkeroever:
ligplaats «Friemersheim»,
van km 769,80 tot km 770,00.
7.Voor schepen, die verplicht zijn de
tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, te voeren, is gereserveerd:
aan de linkeroever:
ligplaats «Friemersheim»,
van km 769,40 tot km 769,70.
8.Voor de duwvaart, die niet verplicht
is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:
a. aan de linkeroever:
i. ligplaatsen «Friemersheim»,
van km 770,10 tot km 770,70, en
van km 772,70 tot km 773,20;
ii. ligplaats «Homberger Ort»,
van km 782,50 tot km 784,00;
iii. ligplaatsen «Orsoy»,
van km 788,90 tot km 792,05,
van km 794,30 tot km 794,55,
uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de
Rijnhaven van Orsoy;
b. aan de rechteroever:
i. ligplaats «Schreckling»,
van km 777,80 tot km 778,30;
ii. ligplaats «Unterhalb der
Baerler Brücke»,
van km 787,50 tot km 788,00.
9.Voor de duwvaart, die verplicht is de
tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn
gereserveerd:
a. aan de linkeroever:
ligplaats «Friemersheim»,
van km 772,30 tot km 772,70;
b. aan de rechteroever:
ligplaats «Unterhalb der Baerler
Brücke»,
van km 786,20 tot km 786,60.
Artikel 14.11. Overnachtingshavens
Boven-Rijn en Waal
1.In de overnachtingshavens te Lobith
(km 863,40), IJzendoorn (km 907,80) en Haaften (km 936,00), is het
zonder toestemming van de bevoegde autoriteit, verboden:
a. schepen te laden of te lossen;
b. goederen of andere voorwerpen op
de oever of op een aanlegsteiger te plaatsen;
c. tanks te ontgassen;
d. passagiers aan boord te nemen of
aan de wal te zetten;
e. met drijvende voorwerpen of
drijvende inrichtingen in te varen;
f. in te varen met schepen die
verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde
lid, te voeren;
g. langer dan drie opeenvolgende
dagen ligplaats te nemen;
h. nadat de onder g genoemde
periode is verstreken, binnen twaalf uren opnieuw ligplaats te
nemen;
i. met het achterschip naar de wal
ligplaats te nemen;
j. met samenstellen langer dan 135
m aan de aanlegsteigers af te meren.
2.De schipper moet zowel het innemen
van de ligplaats in de overnachtingshaven als het vertrek daaruit
onmiddellijk melden aan de verkeerspost Nijmegen (Lobith) en Tiel (IJzendoorn
en Haaften).
3.De bevoegde autoriteit kan de
schipper aanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan
wel daarvan wordt afgeweken.
Artikel 14.12 [Vervallen per 01-04-2009]
Artikel 14.13 [Vervallen per 01-04-2009]
III. Milieubepalingen
Hoofdstuk 15. Bescherming van het water
tegen verontreiniging en verwijdering van scheepsafvalstoffen
Artikel 15.01. Begripsbepalingen en
toepassing
1. De begripsbepalingen van artikel 1
van het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in
de Rijn- en binnenvaart (CDNI) en van de artikelen 5.01 en 8.01 van
bijlage 2 zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
2. De toepassingsmodaliteiten van de
bepalingen van dit hoofdstuk zijn in het CDNI geregeld.
Artikel 15.02. Algemene plicht tot
waakzaamheid
De schipper, de overige bemanning en
andere personen aan boord moeten de door de omstandigheden vereiste
waakzaamheid betonen om verontreiniging van de vaarweg te vermijden, de
hoeveelheid afvalstoffen en afvalwater die aan boord ontstaan zo veel
mogelijk te beperken en vermenging van verschillende afvalsoorten zo
veel mogelijk te voorkomen.
Artikel 15.03. Verbod te lozen of te
water te doen geraken
1. Het is verboden vanaf schepen
afgewerkte olie, bilgewater, afgewerkt vet en overige oliehoudende
afvalstoffen dan wel slops, huisvuil, zuiveringsslib, overig klein
chemisch afval, delen van de lading alsmede afval van de lading te
lozen of te water te doen geraken.
2. Uitzonderingen op dit verbod zijn
slechts toegelaten overeenkomstig het CDNI.
3. Indien afval of afvalwater als
bedoeld in het eerste lid per ongeluk vrijkomt of dreigt vrij te
komen, moet de schipper, onverminderd de bepalingen van het CDNI,
onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen.
Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en
de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.
Artikel 15.04. Inzamelen en behandelen
aan boord
1. De schipper moet er voor zorgen dat
de in artikel 15.03, eerste lid, genoemde afvalstoffen, met
uitzondering van delen van de lading, alsmede afval van de lading, aan
boord gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs en het
bilgewater in de bilge van de machinekamer wordt verzameld. De
verzamelreservoirs moeten aan boord zó opgeslagen worden dat daaruit
lekkende stoffen gemakkelijk en tijdig opgemerkt en het lekken gestopt
kan worden.
2. Het is verboden:
a. los aan dek staande
verzamelreservoirs te gebruiken voor de opslag van afgewerkte
olie;
b. afvalstoffen aan boord te
verbranden;
c. reinigingsmiddelen die olie of
vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de
machinekamer te doen geraken. Van dit verbod zijn uitgezonderd
reinigingsmiddelen die verwerking van het bilgewater door een
inrichting voor het ontvangen van afval niet bemoeilijken.
Artikel 15.05. Olie-afgifteboekje,
afgifte aan inrichtingen voor het ontvangen van afval
1. Elk gemotoriseerd schip, indien het
gasolie gebruikt, moet een geldig olie-afgifteboekje aan boord hebben,
dat door de bevoegde autoriteit volgens het model van bijlage 10 wordt
verstrekt. Dit afgifteboekje moet aan boord worden bewaard. Na het
verkrijgen van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande boekje
gedurende tenminste zes maanden na de laatste daarin vermelde datum
van afgifte aan boord worden bewaard.
2. Olie- en vethoudend
scheepsbedrijfsafval, slops en overig klein chemisch afval moeten met
regelmatige, van de staat en van het gebruik van het schip
afhankelijke, tussenpozen bij de door de bevoegde autoriteiten
toegelaten inrichtingen voor het ontvangen van afval tegen
ontvangstbewijs worden afgegeven. Het bewijs bestaat uit een
aantekening door de ontvangstinrichting in het olie-afgifteboekje.
3. Een schip dat op grond van
voorschriften die gelden buiten de Rijn andere bescheiden over de
afgifte van afvalstoffen aan boord heeft, moet in deze andere
bescheiden een bewijs van de afgifte van afvalstoffen buiten de Rijn
kunnen leveren. Als een dergelijk bewijs geldt ook het oliejournaal op
basis van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee
door schepen (MARPOL-verdrag).
4. Huisvuil en zuiveringsslib moeten
bij de daarvoor bestemde inzamelplaatsen worden afgegeven.
Artikel 15.06. Plicht tot waakzaamheid
tijdens het bunkeren
1. De schipper moet bij het bunkeren
van brandstof en smeerstoffen ervoor zorgen dat:
a. de hoeveelheid die wordt
gebunkerd binnen de afleesbare standen van de peilinrichting
blijft;
b. ingeval van afzonderlijk vullen
van de tanks de afsluiters in de verbindingsleidingen tussen tanks
gesloten zijn;
c. het bunkeren onder toezicht
geschiedt; en,
d. een inrichting overeenkomstig
artikel 8.05, tiende lid, van het Reglement onderzoek schepen op
de Rijn wordt gebruikt.
2. De schipper moet er voorts voor
zorgen, dat de personen van het bunkerstation en van het schip die
voor het bunkeren verantwoordelijk zijn, voordat zij met het bunkeren
beginnen, de volgende punten zijn overeengekomen:
a. het verzekerd zijn van het goede
functioneren van het systeem, bedoeld in artikel 8.05, elfde lid
van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn alsmede het
aanwezig zijn van een spreekverbinding tussen het schip en het
bunkerstation;
b. de te bunkeren hoeveelheid per
tank en de vulsnelheid, vooral met het oog op mogelijke problemen
met het ontluchten van de tank;
c. de volgorde waarin de tanks
worden gevuld;
d. de snelheid van het schip,
wanneer varend wordt gebunkerd.
3. De schipper van een bunkerboot mag
met het bunkeren pas beginnen wanneer de overeenstemming over de
punten bedoeld in het tweede lid is vastgesteld.
Artikel 15.07. Verzameling, afgifte en
inname van afval van de lading
1. Bij het nalossen alsmede bij de
afgifte en inname van afval van de lading, dient de schipper de
bepalingen van deel B van de Uitvoeringsregeling van het CDNI na te
komen.
2. Ieder schip dat op de Rijn is
gelost, moet voor elk lossen een geldige losverklaring aan boord
hebben overeenkomstig het in Aanhangsel IV van Bijlage 2 van het CDNI
opgenomen model. Behoudens de in het CDNI vermelde uitzonderingen,
dient de verklaring ten minste zes maanden na afgifte aan boord te
worden bewaard.
Artikel 15.08. Behandelen van de
buitenkant van schepen
Het is verboden de scheepshuid te oliën
of met middelen, die niet in het water mogen komen, te reinigen.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|