| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Scheepvaartverkeerswet
BESLUIT
VERKEERSINFORMATIE EN VERKEERSAANWIJZINGEN
SCHEEPVAARTVERKEER
Tekst zoals deze geldt op
23 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 4 december 2002, houdende regels met
betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan
wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te
stellen eisen (Besluit verkeersinformatie en verkeersaanwijzingen
scheepvaartverkeer)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van
20 september 2001, nr. DGG/J-01/006295, Directoraat-Generaal
Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, bestuurlijke en juridische
zaken;
Gelet op artikel 9 van de
Scheepvaartverkeerswet;
De Raad van State gehoord (advies van
9 november 2001, nr. W09.01.0492/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 27 november 2002, nr. HDJZ/SCH/2002–53,
Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. Onze Ministers: Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Justitie;
c. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in artikel 2 van de
Scheepvaartverkeerswet, met dien verstande dat:
1°. voor het zeegebied dat wordt begrensd door een lijn
vanuit het havenlicht op de kop van de Noorderdam (51°59’.7 N
004°02’.8 E) via boei MN 3 (52°07’.0 N 004°00’.0 E),
via boei MN 2 (52°07’.4 N 003°51’.4 E), via boei MNW 2
(52°07’.4 N 003°45’.0 E), via boei MNW 3-MW 6 (52°04’.8
N 003°41’.0 E), via boei MW 5 (51°57’.2 N 003°42’.0 E)
naar 51°58’.0 N 003°56’.9 E en vervolgens naar boei MV-C
(51°57’.8 N 003°56’.7 E), vandaar naar boei MV-B (51°56’.5
N 003°57’.2 E), vandaar naar boei MV-A (51°55’.5 N 003°57’.8
E) en dan naar 51°54’.9 N 003°59’.6 E, alsmede de
Maasmond, het Beerkanaal, het Calandkanaal, het Hartelkanaal, de
Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas voor zover gelegen
benedenstrooms kilometerraai 991,7, de Oude Maas voor zover
gelegen benedenstrooms kilometerraai 998, en de aan deze
scheepvaartwegen gelegen havens en verbindingen, voor zover die
in beheer zijn bij het Rijk;
2°. voor het gedeelte van de territoriale zee met een straal
van 12 zeemijlen vanuit de koppen van de havenhoofden te
IJmuiden, de IJ-Geul, de buitenhaven van IJmuiden, het Noorder-
en Zuiderbuitenkanaal, het verbindingskanaal daartussen en de
buitentoeleidingskanalen naar de Noordzeesluizen te IJmuiden,
alsmede het buitenspuikanaal, de Noordzeesluizen te IJmuiden, de
binnentoeleidingskanalen naar de Noordzeesluizen te IJmuiden, de
1e, 2e en 3e rijksbinnenhaven, het binnenspuikanaal en de
Staalhaven, alsmede het binnenspuikanaal te IJmuiden, zijkanaal
A naar Beverwijk en zijkanaal G naar Zaandam tot aan de Dr. J.M.
den Uyl brug, het Noordzeekanaal en het IJ, voor zover gelegen
ten westen van kilometerraai 21.250 en de aan de genoemde
scheepvaartwegen gelegen havenbekkens, voor zover die in beheer
zijn bij het Rijk; en
3°. voor de scheepvaartwegen Schulpengat, Molengat, Rede van
Den Helder, de Marinehaven Willemsoord en de Veerhaven van Den
Helder, aan de westzijde begrensd door een lijn door de punten:
1°. 52°52'.9 NB, 04°42'.9 OL (lichtopstand «Grote
Kaap»),
2°. 52°52'.9 NB, 04°38'.0 OL,
3°. 52°54'.7 NB, 04°34'.8 OL,
4°. 52°56'.8 NB, 04°33'.9 OL,
5°. 53°00'.3 NB, 04°35'.4 OL,
6°. 53°03'.6 NB, 04°39'.3 OL,
7°. 53°03'.8 NB, 04°43'.4 OL (paal 15, Texel), en aan de
oostzijde begrensd door een lijn door de punten:
8°. 53°01'.4 NB, 04°48'.7 OL,
9°. 53°00'.7 NB, 04°50'.8 OL,
10°. 52°59'.7 NB, 04°52'.3 OL,
11°. 52°59'.3 NB, 04°52'.6 OL,
12°. 52°58'.2 NB, 04°50'.0 OL,
13°. 52°57'.9 NB, 04°48'.1 OL;
de bij besluit door Onze Minister aangewezen en in de
Staatscourant gepubliceerde persoon het bevoegd gezag is;
d. verkeersbegeleidend systeem: een systeem, ingesteld teneinde
de veilige en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer en de
bescherming van het mariene milieu te bevorderen en dat een of meer
verkeerscentrales of verkeersposten omvat;
e. deelexamen: elk examen ter toetsing van de kennis en
vaardigheden op de in artikel 16 en 17 genoemde vakgebieden;
f. regionale kwalificatie: de op grond van een regionaal examen
vastgestelde geschiktheid om verkeersinformatie dan wel
verkeersaanwijzingen te geven in een daarbij aangegeven
verkeersbegeleidend systeem dan wel op een of meer verkeerscentrales
of verkeersposten;
g. boekje «VTS-kwalificatie»: het boekje waarin de regionale
kwalificatie wordt aangetekend en dat een integraal onderdeel
uitmaakt van het basisdiploma;
h. verkeersdienstsimulator: een didactisch hulpmiddel dat in
staat is als een integraal geheel de functionaliteit van een
verkeersbegeleidend systeem op een enkelvoudige verkeerspost dan wel
één of meer verkeerscentrales na te bootsen;
i. vaarbekwaamheidsbewijs politie: vaarbekwaamheidsbewijs voor
het zijn van schipper van een klein politievaartuig op rivieren,
kanalen en meren, of voor het zijn van schipper van een klein
politievaartuig op alle binnenwateren, afgegeven door het Korps
Landelijke Politiediensten, dan wel voor 1 april 1994 afgegeven door
het Korps Rijkspolitie;
j. klein vaarbewijs: het klein vaarbewijs, bedoeld in artikel 16
van het Binnenvaartbesluit, of een document dat daarvoor op grond
van artikel 32, eerste en tweede lid, van de Binnenvaartwet en
artikel 17, tweede, derde en vierde lid, van het Binnenvaartbesluit
in de plaats treedt;
k. groot vaarbewijs: het groot vaarbewijs, bedoeld in artikel 14
van het Binnenvaartbesluit, of een document dat daarvoor op grond
van artikel 32, eerste en tweede lid, van de Binnenvaartwet en
artikel 17, tweede, derde en vierde lid, van het Binnenvaartbesluit
in de plaats treedt.
Artikel 2
1.Het bevoegd gezag wijst personen aan die bevoegd zijn tot het
geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen. Aan een
dergelijke aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden
verbonden.
2.Van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, en eventueel
daaraan verbonden voorschriften en beperkingen wordt mededeling gedaan
in de Staatscourant.
Artikel 3
1. De personen die verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen
geven op een verkeerscentrale of op een verkeerspost in een
verkeersbegeleidend systeem, worden slechts aangewezen indien zij met
goed gevolg het landelijk examen en een regionaal examen hebben
afgelegd, dan wel voldoen aan de krachtens artikel 33, eerste lid, van
de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties voor het verkrijgen
van erkenning van EG-kwalificaties voor het beroep van VTS-operator
gestelde regels met betrekking tot het doorlopen van een
aanpassingsstage of het afleggen van een proeve van bekwaamheid.
2. De personen, bedoeld in het eerste lid, worden slechts
aangewezen voor een regio waarvoor zij over een regionale kwalificatie
beschikken, dan wel voldoen aan de krachtens artikel 33, eerste lid,
van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties voor het
verkrijgen van erkenning van EG-kwalificaties voor het beroep van
VTS-operator gestelde regels met betrekking tot het doorlopen van een
aanpassingsstage of het afleggen van een proeve van bekwaamheid.
Artikel 4
De personen die verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen geven
anders dan bedoeld in artikel 3, kunnen slechts worden aangewezen indien
zij naar het oordeel van het bevoegd gezag beschikken over voldoende
kundigheid of werkervaring, dan wel indien zij naar het oordeel van het
bevoegd gezag voldoende opleiding hebben genoten.
Artikel 5
De ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, die in het bezit is van een vaarbekwaamheidsbewijs politie
alsmede van een groot vaarbewijs of van een groot patent, is bevoegd tot
het geven van verkeersaanwijzingen anders dan bedoeld in artikel 3, aan
de schipper van een schip dat zich bevindt op de scheepvaartwegen waarop
het Binnenvaartpolitiereglement, het Scheepvaartreglement Eemsmonding,
het Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas, het
Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen, het
Scheepvaartreglement Westerschelde 1990, het Scheepvaartreglement
territoriale zee of het Rijnvaartpolitiereglement 1995 van toepassing
is.
Artikel 6
De ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, die in het bezit is van een vaarbekwaamheidsbewijs politie
en niet van een groot vaarbewijs of van een groot patent, is op de in
artikel 5 bedoelde scheepvaartwegen bevoegd tot het geven van
verkeersaanwijzingen anders dan bedoeld in artikel 3, aan:
a. de schipper van een schip die gelet op artikel 16 van het
Binnenvaartbesluit, in het bezit dient te zijn van een klein
vaarbewijs, en niet van een groot vaarbewijs;
b. de schipper van een schip die gelet op artikel 6.02, eerste
lid, in samenhang met artikel 6.04, eerste lid, van het Reglement
betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn, in het bezit dient
te zijn van een klein patent, een sportpatent of een
overheidspatent, behoudens wanneer het de schipper betreft van een
schip in beheer bij de Koninklijke Marine of het Ministerie van
Defensie;
c. de schipper van een schip met een lengte van minder dan 15
meter, behoudens wanneer voor de schipper van dat schip een groot
vaarbewijs is vereist, of wanneer het de schipper betreft van een
schip als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van het
Binnenvaartbesluit.
Artikel 7
De ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de
politietaak, die niet in het bezit is van een vaarbekwaamheidsbewijs
politie en niet van een groot vaarbewijs of van een groot patent, is op
de in artikel 5 bedoelde scheepvaartwegen bevoegd tot het geven van
verkeersaanwijzingen anders dan bedoeld in artikel 3, aan:
a. de schipper van een schip met een lengte van minder dan 15
meter, behoudens wanneer voor de schipper van dat schip een klein
vaarbewijs of een groot vaarbewijs is vereist, of wanneer het de
schipper betreft van een schip als bedoeld in artikel 17, eerste
lid, onderdeel b, van het Binnenvaartbesluit;
b. de schipper van een schip, behoudens wanneer voor de schipper
van dat schip ingevolge artikel 6.02, eerste lid, in samenhang met
artikel 6.04, eerste lid, van het Reglement betreffende het
scheepvaartpersoneel op de Rijn, een patent is vereist, of wanneer
het de schipper betreft van een schip in beheer bij de Koninklijke
Marine of het Ministerie van Defensie dan wel van een schip bestemd
tot het redden van drenkelingen.
Artikel 8
Onze Ministers kunnen voor de toepassing van de artikelen 5 tot en
met 7 een ander bewijs van bekwaamheid met het vaarbekwaamheidsbewijs
politie gelijkstellen.
Artikel 9
De registerloods die bevoegd is tot het loodsen op afstand, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, van het Voorschriftenbesluit registerloodsen,
is eveneens bevoegd tot het geven van verkeersinformatie voor zover dit
verband houdt met het loodsen op afstand.
Artikel 10
De hoofdstukken 2 tot en met 4 zijn uitsluitend van toepassing op de
personen, bedoeld in artikel 3.
Hoofdstuk 2. De examencommissies en de commissie van gecommitteerden
Artikel 11
1.Er is een landelijke examencommissie die verantwoordelijk is voor
het afnemen van het landelijk examen en het afnemen van de
herhalingstoets.
2.Er zijn regionale examencommissies die verantwoordelijk zijn voor
het afnemen van regionale examens.
3.De leden van de examencommissies worden voor de tijd van ten
hoogste vier jaren benoemd door Onze Minister en zijn terstond weer
benoembaar. Uit de leden wijst Onze Minister de voorzitter, een of
meer plaatsvervangende voorzitters, de secretaris en de
plaatsvervangend secretaris van de desbetreffende examencommissie aan.
4.De leden van de landelijke examencommissie ontvangen uit 's Rijks
kas vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig het
Reisbesluit binnenland, alsmede vacatiegelden op grond van door Onze
Minister vast te stellen regels.
5.Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de taak en werkwijze van de examencommissies.
Artikel 12
1.Onze Minister kan instellingen aanwijzen die bevoegd zijn tot het
afnemen van een of meer deelexamens van het landelijk examen.
2.Het afnemen van de deelexamens geschiedt in overeenstemming met
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13, eerste lid, 18, 19 en
20.
Artikel 13
1.Er is een commissie van gecommitteerden die toezicht houdt op het
landelijk examen, de regionale examens, de deelexamens, alsmede op het
afleggen van de herhalingstoetsen.
2.De leden worden voor de tijd van ten hoogste vier jaren als
gecommitteerde benoemd door Onze Minister en zijn terstond weer
benoembaar. Uit de leden wijst Onze Minister de voorzitter, de
plaatsvervangend voorzitter, de secretaris en de plaatsvervangend
secretaris aan.
3.De gecommitteerden ontvangen uit 's Rijks kas vergoeding van
reis- en verblijfkosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland,
alsmede vacatiegelden op grond van door Onze Minister vast te stellen
regels.
Artikel 14
1.Een lid van de landelijke examencommissie is niet tegelijkertijd
lid van de commissie van gecommitteerden.
2.Een lid van een regionale examencommissie dat tegelijkertijd lid
is van de commissie van gecommitteerden treedt niet op als
gecommitteerde bij een regionaal examen voor welk examen hij lid is
van de regionale examencommissie.
Hoofdstuk 3. De examens
Artikel 15
Er wordt tenminste eenmaal per jaar de mogelijkheid geboden een
landelijk examen, een regionaal examen, een herhalingstoets dan wel een
of meerdere deelexamens af te leggen.
Artikel 16
Het landelijk examen bestaat uit deelexamens over de volgende
vakgebieden:
a. algemene communicatie en communicatieprocedures;
b. nautische kennis;
c. verkeersdienstapparatuur;
d. relevante wet- en regelgeving;
e. topografie;
f. verkeersdienst;
g. verkeerszaken, en
h. praktijkvaardigheid verkeersdienstsimulator.
Artikel 17
Een regionaal examen bestaat uit deelexamens over de volgende
vakgebieden:
a. regionale communicatieprocedures;
b. regionale nautische kennis;
c. regionale verkeersdienstapparatuur;
d. regionale scheepvaartverkeersreglementering;
e. regionale topografie;
f. regionale verkeersdienst;
g. regionale verkeerszaken, en
h. regionale praktijkvaardigheid.
Artikel 18
1.Het landelijke examen en de regionale examens worden afgenomen
met inachtneming van bij regeling van Onze Ministers vastgestelde
regels.
2.De in het eerste lid bedoelde regeling bevat in ieder geval
bepalingen met betrekking tot:
a. het oproepen en aanmelden voor het examen;
b. de wijze van examineren;
c. de beoordeling, het slagen en afwijzen;
d. uitsluiting van deelname aan het examen of een onderdeel
daarvan;
e. het toezicht, voorkomen van bedrog en de goede gang van
zaken tijdens het examen;
f. het gebruik van een verkeersdienstsimulator bij het
praktisch gedeelte van het examen;
g. de eisen waaraan een verkeersdienstsimulator moet voldoen.
Artikel 19
1.Onze Ministers stellen voor het landelijk examen en de regionale
examens het examenprogramma vast.
2.In het examenprogramma is voor elk deelexamen aangegeven:
a. uit welke modules het deelexamen bestaat;
b. of het deelexamen mondeling, schriftelijk of praktisch wordt
afgenomen, en
c. de maximale tijdsduur waarbinnen het deelexamen wordt
afgenomen.
Artikel 20
1.Bij regeling van Onze Ministers worden de diploma's en
getuigschriften aangeduid op grond waarvan een kandidaat vrijstelling
verkrijgt voor het afleggen van een deelexamen of een module van een
deelexamen.
2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt door de
voorzitter van de desbetreffende examencommissie verleend.
Artikel 21
1.Zo spoedig mogelijk na een examen stelt de desbetreffende
examencommissie de uitslag vast en deelt deze mede aan de kandidaat.
2.De kandidaat die is geslaagd voor het landelijk examen, ontvangt
van de voorzitter van de landelijke examencommissie als bewijs daarvan
het basisdiploma met het bijbehorende boekje «VTS-kwalificatie».
3.Indien de kandidaat is geslaagd voor een regionaal examen, tekent
de voorzitter van de regionale examencommissie als bewijs daarvan de
desbetreffende regionale kwalificatie aan in het boekje «VTS-kwalificatie».
Artikel 22
Onze Minister stelt het model vast van deelcertificaten, het
basisdiploma en het bijbehorende boekje «VTS-kwalificatie».
Artikel 23
Een duplicaat van een uitgereikt basisdiploma of het bijbehorende
boekje« VTS-kwalificatie» wordt slechts afgegeven, indien de
belanghebbende aannemelijk maakt dat het oorspronkelijke basisdiploma of
het oorspronkelijke boekje «VTS-kwalificatie» verloren of in het
ongerede is geraakt.
Artikel 24
Indien na het afleggen van een examen blijkt dat de kandidaat tijdens
het examen bedrog heeft gepleegd of zich aan enige andere
onregelmatigheid heeft schuldig gemaakt, kan de voorzitter van de
desbetreffende examencommissie, na overleg met deze commissie, de
kandidaat het basisdiploma met het bijbehorende boekje «VTS-kwalificatie»
onthouden of het reeds uitgereikte diploma met het bijbehorende boekje
«VTS-kwalificatie» intrekken.
Artikel 25
1.De voorzitter van de desbetreffende examencommissie doet een
ingevolge de regels gesteld krachtens artikel 18, tweede lid,
onderdeel d, genomen beslissing tot uitsluiting van deelname of
verdere deelname aan het examen of een examenonderdeel, dan wel een
beslissing als bedoeld in artikel 24, zo spoedig mogelijk aan de
betrokken kandidaat toekomen en zendt een afschrift van deze
beslissing aan Onze Minister.
2.Tegen een beslissing van de voorzitter als bedoeld in het eerste
lid, kan de betrokken kandidaat beroep instellen bij Onze Minister.
Artikel 26
Indien zich tijdens een examen situaties voordoen waarin dit besluit
dan wel de krachtens dit besluit vastgestelde regels niet voorzien,
beslist de voorzitter van de desbetreffende examencommissie.
Artikel 27
1.De personen, bedoeld in artikel 3, die op grond van dit besluit
bevoegd zijn tot het geven van verkeersinformatie dan wel
verkeersaanwijzingen, volgen tot instandhouding van die bevoegdheid
eenmaal per drie jaar een herhalingscursus, die wordt afgesloten met
een herhalingstoets.
2.Indien de herhalingstoets met goed gevolg is afgelegd, wordt als
bewijs daarvan in het boekje «VTS-kwalificatie» de datum aangetekend
waarop deze herhalingstoets met goed gevolg is afgelegd. De
bevoegdheid wordt daarmee verlengd tot het einde van het derde
kalenderjaar, na het kalenderjaar waarin de herhalingstoets met goed
gevolg is afgelegd.
3.Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld met
betrekking tot de herhalingstoets en het gebruik van een
verkeersdienstsimulator bij het praktisch gedeelte van deze
herhalingstoets.
Artikel 28
1.Indien niet voor het einde van het vijfde kalenderjaar na het
kalenderjaar waarin het basisdiploma is behaald, een regionale
kwalificatie wordt behaald, verliest het basisdiploma zijn geldigheid.
2.Indien niet met goed gevolg een herhalingstoets is afgelegd voor
het einde van het derde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin een
regionale kwalificatie is behaald of een herhalingstoets met goed
gevolg is afgelegd, verliest de regionale kwalificatie zijn
geldigheid.
3.Indien niet met goed gevolg een herhalingstoets is afgelegd voor
het einde van het vijfde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin een
regionale kwalificatie is behaald of een herhalingstoets met goed
gevolg is afgelegd, verliezen het basisdiploma en het bijbehorende
boekje «VTS-kwalificatie» hun geldigheid.
Hoofdstuk 4. Bepaling met betrekking tot de eemsmonding
Artikel 29
Dit besluit is niet van toepassing indien verkeersinformatie wordt
gegeven krachtens de op 9 december 1980 te Bonn tot stand gekomen
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek
Duitsland inzake de gemeenschappelijke informatie en begeleiding van de
scheepvaart in de Eemsmonding door middel van walradar- en
hoogfrequent-radio-installaties, met bijlagen (Trb. 1981, 2).
Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen
Artikel 30
1.Het basisdiploma en het bijbehorende boekje «VTS-kwalificatie»
en, indien van toepassing, de daarin aangetekende regionale
kwalificatie afgegeven op basis van het besluit van 15 april 1992,
houdende regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van
verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de
bevoegde personen te stellen eisen (Stb. 234) worden gelijkgesteld met
het basisdiploma en het bijbehorende boekje «VTS-kwalificatie»
uitgereikt op grond van artikel 21, tweede lid, en, indien van
toepassing, de daarin op grond van artikel 21, derde lid, aangetekende
regionale kwalificatie.
2.Op personen in het bezit van een basisdiploma en het bijbehorende
boekje« VTS-kwalificatie» met de daarin aangetekende regionale
kwalificatie als bedoeld in het eerste lid is artikel 27 van
overeenkomstige toepassing.
3.Op personen in het bezit van een basisdiploma en het bijbehorende
boekje« VTS-kwalificatie» als bedoeld in het eerste lid is artikel
28 van toepassing, met dien verstande dat de in artikel 28 genoemde
termijnen ingaan op het moment dat dit besluit in werking treedt.
4.Bij toepassing van artikel 21, derde lid of artikel 27, tweede
lid, wordt het boekje «VTS-kwalificatie» afgegeven op basis van het
besluit van 15 april 1992, houdende regelen met betrekking tot de
bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel
verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen
eisen (Stb. 234), vervangen door het boekje« VTS-kwalificatie»,
bedoeld in artikel 22.
Artikel 31
1.Personen dan wel categorieën van personen die op grond van
artikel 2, eerste lid, van het besluit van 15 april 1992, houdende
regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van
verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de
bevoegde personen te stellen eisen (Stb. 234) zijn aangewezen als
zijnde bevoegd tot het geven van verkeersinformatie dan wel
verkeersaanwijzingen als bedoeld in artikel 4 van dat besluit, worden
na de inwerkingtreding van dit besluit geacht te zijn aangewezen op
grond van artikel 2, eerste lid, van dit besluit als zijnde bevoegd
tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen als
bedoeld in artikel 3 van dit besluit.
2.Personen dan wel categorieën van personen die op grond van
artikel 2, eerste lid, van het besluit van 15 april 1992, houdende
regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van
verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de
bevoegde personen te stellen eisen (Stb. 234) zijn aangewezen als
zijnde bevoegd tot het geven van verkeersinformatie dan wel
verkeersaanwijzingen als bedoeld in artikel 5 van dat besluit, worden
na de inwerkingtreding van dit besluit geacht te zijn aangewezen op
grond van artikel 2, eerste lid, van dit besluit als zijnde bevoegd
tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen als
bedoeld in artikel 4 van dit besluit.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 32
Het besluit van 15 april 1992, houdende regelen met betrekking tot de
bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel
verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen
eisen (Stb. 234) wordt ingetrokken.
Artikel 33
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verkeersinformatie en
verkeersaanwijzingen scheepvaartverkeer.
Artikel 34
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 4 december 2002
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
R.H. de Boer
Uitgegeven de negende januari 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|