| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Scheepvaartverkeerswet
BESLUIT
VERKLARINGHOUDERS SCHEEPVAARTVERKEERSWET
Tekst zoals deze geldt op
23 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 16 augustus 1995, houdende bepalingen met
betrekking tot houders van een verklaring van vrijstelling van de
loodsplicht
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 februari
1995, nr. J-10.971/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme
Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 10, tweede lid, onderdeel b,
van de Scheepvaartverkeerswet;
De Raad van State gehoord (advies van 20 juni
1995, nr. W09.95.0079);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 11 augustus 1995, nr. J-13.390/95,
Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling
Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop rustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. verklaring: de verklaring van
vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit,
betreffende de verplichting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van
de Scheepvaartverkeerswet;
b. lengte over alles: de lengte over
alles volgens Lloyd’s Register of Ships;
c. regio: een gebied binnen de
grenzen vastgesteld krachtens artikel 10, derde lid, van de
Loodsenwet;
d. bevoegde autoriteit: de voor een
scheepvaartweg of gedeelte daarvan krachtens artikel 1, onderdeel a,
van het Loodsplichtbesluit 1995 aangewezen functionaris;
e. regionale autoriteit: de voor een
regio of gedeelte daarvan krachtens artikel 1, eerste lid, onderdeel
c, van het Loodsplichtbesluit 1995 aangewezen bevoegde autoriteit;
f. gelijksoortige zeeschepen:
zeeschepen die naar het oordeel van de regionale autoriteit
vergelijkbaar zijn, beoordeeld op ten minste de volgende aspecten:
1°. scheepstype;
2°. hoofdafmetingen;
3°. bruginrichting en
-uitrusting;
4°. manoeuvreerbaarheid;
g. zeeschepen met gevaarlijke lading:
zeeschepen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van
het Loodsplichtbesluit 1995;
h. examencommissie: de commissie voor
de verklaringhoudersexamens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, of
artikel 11, eerste lid;
i. commissie van gecommitteerden: de
commissie, bedoeld in artikel 12.
Artikel 2
1.De regionale autoriteit kan voor een
of meer scheepvaartwegen of gedeelten daarvan, onverminderd het
bepaalde in de tweede volzin van het tweede lid, in de regio of het
gedeelte daarvan waarvoor hij aangewezen is, een verklaring van
vrijstelling afgeven. Deze verklaring is geldig voor de vaart naar en
van een of meer daarin aangegeven ligplaatsen of voor de vaart naar,
van en in een of meer daarin aangegeven havenbekkens en voor een
daarin aangegeven zeeschip, aan de kapitein en de stuurman van het
zeeschip waarop deze persoon als verkeersdeelnemer optreedt, indien
voldaan wordt aan de voor de afgifte van een verklaring gestelde
eisen.
2.Een persoon kan tegelijkertijd
slechts in het bezit zijn van één verklaring. Indien een persoon die
reeds in het bezit is van een verklaring, een getuigschrift als
bedoeld in artikel 5 overlegt aan de regionale autoriteit die de
verklaring heeft afgegeven, alsmede de andere bescheiden, bedoeld in
artikel 3, zesde lid, betreffende een andere scheepvaartweg dan die
welke in de verklaring is vermeld, wordt door deze autoriteit, ook
indien het een scheepvaartweg of gedeelte daarvan betreft waarvoor een
ander is aangewezen als regionale autoriteit, een gewijzigde
verklaring afgegeven, waarin de betreffende scheepvaartweg of het
gedeelte daarvan is toegevoegd. Indien deze toevoeging een
scheepvaartweg of gedeelte daarvan betreft waarvoor een ander is
aangewezen als regionale autoriteit, wordt aan deze regionale
autoriteit onverwijld mededeling gedaan van de afgifte van de
gewijzigde verklaring.
3.Indien de regionale autoriteit een
verklaring van vrijstelling afgeeft die geldig is voor de vaart naar
en van een of meer daarin aangegeven ligplaatsen in een daarbij door
hem aangewezen havengebied, kan hij bepalen dat de verklaring mede
geldig is voor de vaart naar en van daarin aangegeven andere
ligplaatsen in het desbetreffende havengebied. De regionale autoriteit
kan daarbij de voorwaarde opleggen dat de verklaring van vrijstelling
voor die andere ligplaatsen slechts geldig is indien eerst een of meer
reizen met gebruikmaking van de diensten van een loods worden gemaakt.
4.Een verklaring kan voor een of meer
gelijksoortige zeeschepen worden afgegeven.
5.Voor zeeschepen met gevaarlijke
lading en voor samenstellen van zeeschepen geldt een afgegeven
verklaring niet.
6.Aan een verklaring kunnen beperkingen
worden verbonden die verband houden met het schip, de scheepvaart of
de weersomstandigheden. Indien de tweede volzin van het tweede lid
wordt toegepast en de regionale autoriteit die de verklaring heeft
afgegeven een andere is dan degene die bevoegd is voor de
scheepvaartweg of het gedeelte daarvan waarvoor uitbreiding van de
verklaring wordt verzocht, overlegt eerstgenoemde met de bevoegde
regionale autoriteit en neemt de door de bevoegde regionale autoriteit
noodzakelijk geachte beperkingen op in de verklaring.
7.De afgifte van een verklaring
geschiedt niet elektronisch.
Hoofdstuk II. Aanvraag en afgifte,
verlies van geldigheid en intrekking van de verklaring
Artikel 3
1.Bij de aanvraag van een verklaring
worden de navolgende bescheiden of afschriften daarvan overgelegd:
a. voldoende bewijsstukken, waaruit
blijkt dat de aanvrager:
1°. in een dienstverband
werkzaam is bij een werkgever op een of meer gelijksoortige
zeeschepen, waarvoor de verklaring wordt aangevraagd, en
2°. als verkeersdeelnemer met
het zeeschip de betreffende scheepvaartweg ten minste achttien
maal per jaar, in beide richtingen naar zee gaand en van zee
komend zal bevaren;
b. voldoende bewijs, waaruit blijkt
dat de aanvrager de bevoegdheid bezit om als kapitein op te treden
aan boord van het zeeschip;
c. een getuigschrift, waaruit
blijkt dat de aanvrager het examen, bedoeld in artikel 5, met goed
gevolg heeft afgelegd, afgegeven uiterlijk een jaar voor de
aanvraag;
d. een geldige geneeskundige
verklaring zeevaart als bedoeld in artikel 104, eerste lid, van
het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart, en een
verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor als
bedoeld in het tweede lid van dat artikel, dan wel door Onze
Minister daarmee gelijkgestelde verklaringen;
e. twee goedgelijkende pasfoto’s
van de aanvrager, aan de achterkant voorzien van zijn naam,
voorletters en geboortedatum, en
f. een kopie van de meetbrief van
het zeeschip of de zeeschepen, waarop de aangevraagde verklaring
betrekking heeft.
2.Indien de aanvraag een zeeschip
betreft, dat in hoofdzaak binnen een bepaald binnengaats gelegen
samenstel van scheepvaartwegen als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
van de Scheepvaartverkeerswet vaart, kan de regionale autoriteit
ontheffing verlenen van de eisen gesteld in het eerste lid, onderdelen
a, 2°, voor wat betreft de vaart van en naar zee, en c.
3.Indien de aanvraag volgt binnen een
jaar na verval van een verklaring, geldt voor belanghebbende in plaats
van het eerste lid, onderdeel c, dat hij een verklaring van de
betreffende regionale loodsencorporatie overlegt, dat hij met het
zeeschip of de zeeschepen waarvoor de vervallen verklaring was
afgegeven, op de desbetreffende scheepvaartweg een door de regionale
autoriteit vast te stellen aantal reizen heeft gemaakt, waarbij
gebruik werd gemaakt van de diensten van een loods, en het praktische
gedeelte van het examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, met goed
gevolg heeft afgelegd.
4.Indien de aanvrager reeds in het
bezit is van een verklaring legt hij, in afwijking van het in dit
artikel bepaalde, uitsluitend de bewijsstukken, bedoeld in het eerste
lid, onderdelen a, c en e, over aan de regionale autoriteit die de
verklaring heeft afgegeven.
Artikel 4
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. lage kruiplijn-coaster: zeeschip
dat
1°. een lengte over alles
heeft van minder dan 110 meter, en
2°. een zodanige vorm of
constructie heeft dat het geschikt is voor de vaart op
niet-loodsplichtige binnenwateren en daarvoor wordt gebruikt
of zal worden gebruikt;
b. Denemarkenvaarder: zeeschip dat
als zodanig is opgenomen in het Register loodsplicht kleine
zeeschepen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het
Loodsplichtbesluit 1995;
c. binnen/buiten-schip: zeeschip
dat als zodanig is opgenomen in het Register loodsplicht kleine
zeeschepen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het
Loodsplichtbesluit 1995;
2.In afwijking van artikel 3, eerste
lid, onderdeel a, 2°, dient de aanvrager die optreedt als
verkeersdeelnemer op een lage kruiplijn-coaster, Denemarkenvaarder of
binnen/buiten-schip voldoende bewijsstukken over te leggen waaruit
blijkt dat hij de betreffende scheepvaartweg ten minste zes maal per
jaar naar zee gaand of ten minste zes maal per jaar van zee komend zal
bevaren.
3.Op lage kruiplijn-coasters is artikel
6 van het Loodsplichtbesluit 1995, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
1.Het getuigschrift, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel c, wordt door de voorzitter van de
examencommissie afgegeven, nadat met goed gevolg een uit een
theoretisch en een praktisch gedeelte bestaand examen is afgelegd.
2.Het examen bestaat uit de
examenvakken genoemd in artikel 19.
3.De opleiding en de examinering
geschieden, naar keuze van de kandidaat, in de Nederlandse of Engelse
taal, met uitzondering van de examinering van het vak
"Voertaal".
Artikel 6
1.De verklaring verliest zijn
geldigheid van rechtswege, indien zich een van de navolgende
omstandigheden voordoet:
a. de houder van een verklaring
voldoet niet meer aan de eisen voor afgifte, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, 1°;
b. de houder van een verklaring
niet telkens na perioden van twee jaar na de afgifte van de
verklaring een geldige geneeskundige verklaring zeevaart en een
geldige verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor
als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, overlegt aan de
regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven;
c. na de toepassing van artikel 9,
tweede lid, is geen scheepsnaam meer in de verklaring vermeld;
d. de houder van de verklaring
heeft de bevoegdheid verloren om als kapitein of stuurman op te
treden aan boord van een zeeschip; of
e. de houder van de verklaring
bevaart de scheepvaartweg waarvoor de verklaring is afgegeven niet
met het bij artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 2°, of 4, tweede
lid, bepaalde aantal malen als verkeersdeelnemer aan boord van het
zeeschip waarop de verklaring betrekking heeft.
2.Onverminderd het bepaalde in het
eerste lid kan de regionale autoriteit een verklaring tijdelijk of
permanent intrekken indien zich een van de navolgende omstandigheden
voordoet:
a. de houder van de verklaring komt
de in dit besluit bedoelde verplichtingen niet na;
b. de houder van de verklaring komt
de voor de scheepvaartweg geldende reglementen en voorschriften
niet na;
c. de houder van de verklaring
voldoet niet aan de eisen, gesteld voor de afgifte van de
verklaringen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d;
d. het zeeschip waarop de
verklaring betrekking heeft is verbouwd; of
e. de houder van de verklaring
treedt niet op zoals het een goed verkeersdeelnemer betaamt.
3.De houder van een verklaring is
verplicht de verklaring na verlies van geldigheid of na intrekking
onverwijld te doen toekomen aan de regionale autoriteit.
4.Indien een andere regionale
autoriteit dan degene die de verklaring heeft afgegeven kennis draagt
van het feit dat zich een van de in het tweede lid genoemde
omstandigheden voordoet, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de
regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven.
Hoofdstuk III. Verplichtingen van de
verklaringhouder en controle
Artikel 7
De houder van een verklaring overlegt
periodiek een verklaring van geschiktheid voor de zeevaart en een
verklaring betreffende het gezichts- en gehoororgaan van kapiteins en
stuurlieden, aan de regionale autoriteit, volgens het bepaalde in
artikel 6, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 8
1.De houder van een verklaring meldt
zich voor het binnenkomen van de scheepvaartweg waarvoor de verklaring
is afgegeven als zodanig op het door de bevoegde autoriteit aangewezen
marifoonkanaal en verstrekt de door de bevoegde autoriteit verlangde
gegevens.
2.De houder van een verklaring heeft
zijn verklaring bij zich tijdens de vaart als verkeersdeelnemer over
de scheepvaartweg waarvoor deze is afgegeven.
3.De houder van een verklaring doet aan
de regionale autoriteit mededeling van elke verandering van werkgever
en van elke andere wijziging welke van invloed kan zijn op de
geldigheid van de verklaring.
4.De houder van een verklaring vult van
elke reis met een schip, waarvoor de verklaring wordt gebruikt een
certificaat in, ondertekent dit en doet dit zo spoedig mogelijk na
elke reis toekomen aan de regionale autoriteit die de verklaring heeft
afgegeven. Onze Minister stelt het model van dit certificaat vast.
5.De houder van een verklaring doet in
geval van een scheepsramp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Schepenwet, met inbegrip van de daaronder begrepen betekenis voor de
toepassing van hoofdstuk IV van die wet, waarbij hij direct of
indirect betrokken is, zo spoedig mogelijk een schriftelijke
verklaring inzake het gebeurde en zijn navigatiebeleid daarbij
toekomen aan de regionale autoriteit van de regio waar de gebeurtenis
heeft plaatsgevonden en verschaft desgevraagd aan deze nadere
informatie. Deze verklaring en de nadere informatie mag slechts
gebruikt worden voor leringsdoeleinden en mag in geen geval dienen als
bewijs tegen de verklaringhouder in geval van vervolging.
Artikel 8a
De regionale autoriteit kan, indien de
houder van een verklaring daarmee instemt, bepalen dat de houder zich
onderwerpt aan een beoordelingsreis. De beoordelaar wordt aangewezen
door de regionale autoriteit. De beoordelaar brengt van de reis
schriftelijk verslag uit aan de regionale autoriteit.
Artikel 9
1.De bevoegde autoriteit is belast met
het toezicht op de naleving van de verplichting van degene, die aan
boord van een zeeschip als verkeersdeelnemer optreedt, om in het bezit
van een verklaring te zijn.
2.De regionale autoriteit die de
verklaring heeft afgegeven kan, in overeenstemming met de
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, de naam
van een in een verklaring vermeld zeeschip doorhalen indien dit schip
in onvoldoende mate voldoet aan de in artikel 67, tweede lid, van de
Schepenwet, bedoelde bepalingen.
Hoofdstuk IV. De examencommissies en de
commissie van gecommitteerden
Artikel 10
1.Er is in elke regio een commissie
voor de verklaringhoudersexamens namens het bestuur van de regionale
loodsencorporatie, die, ter uitvoering van artikel 13, eerste lid,
onderdeel b, van de Loodsenwet, examens afneemt ter verkrijging van
het getuigschrift, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c.
2.De voorzitter van deze commissie is
de voorzitter van de regionale loodsencorporatie of een door hem als
zodanig aangewezen examinator.
3.De secretaris is degene die als
zodanig door het bestuur van de regionale loodsencorporatie is
benoemd.
4.De leden worden voor de tijd van ten
hoogste vier jaren als examinator benoemd door het bestuur van de
regionale loodsencorporatie en zijn terstond weer benoembaar.
5.Van iedere benoeming wordt mededeling
gedaan aan de commissie van gecommitteerden.
Artikel 11 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1.Er is in elke regio een commissie
voor de verklaringhoudersexamens namens een door Onze Minister aan te
wijzen instantie, die, ter uitvoering van artikel 10, tweede lid,
onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet, examens afneemt ter
verkrijging van het getuigschrift, bedoeld in artikel 3, tweede lid,
onderdeel c .
2.De voorzitter, leden en secretaris
van deze commissie worden voor de tijd van ten hoogste vier jaren
benoemd door de ingevolge het eerste lid aangewezen instantie.
3.Van iedere benoeming wordt mededeling
gedaan aan de commissie van gecommitteerden.
Artikel 12
1.Er is een landelijke commissie van
gecommitteerden die toezicht houdt op de verklaringhoudersexamens.
2.De voorzitter en de secretaris worden
als zodanig door Onze Minister aangewezen.
3.De leden worden voor de tijd van ten
hoogste vier jaren als gecommitteerde benoemd door Onze Minister en
zijn terstond weer benoembaar. Onze Minister wijst daarbij een van de
gecommitteerden aan als plaatsvervangend voorzitter.
4.Voor elke regio worden ten minste een
of meer gecommitteerden op voordracht van de regionale autoriteit in
de commissie benoemd, die tijdens de examens van verklaringhouders in
de betreffende regio als zodanig optreden. Deze bepaling is niet van
toepassing op de eerste benoeming van de gecommitteerden na de
inwerkingtreding van dit besluit.
5.De voorzitter van de commissie van
gecommitteerden wijst in overeenstemming met de betrokken overige
gecommitteerden de regio’s aan waar zij als zodanig zullen optreden.
6.De per regio aangewezen
gecommitteerden kunnen tezamen een subcommissie van gecommitteerden
vormen en uit hun midden een voorzitter kiezen.
7.De gecommitteerden ontvangen uit ’s
Rijks kas vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de
regelen welke gelden voor reizen in Nederland ten behoeve van het
Rijk, alsmede, voor zover hun benoeming haar oorzaak niet vindt in het
ambt dat zij bekleden, vacatiegelden.
Hoofdstuk V. De examens
Artikel 13
De regionale autoriteit bepaalt na
overleg met de voorzitter van de examencommissie en de voorzitter van de
(sub-)commissie van gecommitteerden wanneer, waar en op welke wijze
gelegenheid bestaat examens af te leggen.
Artikel 14
1.De voorzitter van de betreffende
examencommissie stelt na overleg met de voorzitter van de
(sub-)commissie van gecommitteerden het rooster voor de af te nemen
examens en examenonderdelen vast.
2.In het in het eerste lid genoemde
rooster worden in ieder geval vermeld:
a. de plaats, datum, tijd en
tijdsduur van de examens en examenonderdelen;
b. de namen van de kandidaten;
c. de namen van de examinatoren;
d. de namen van de gecommitteerden;
en
e. de plaats, datum en tijd van de
uitreiking van de cijferlijsten, bedoeld in artikel 26, tweede
lid, en het getuigschrift bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel c.
Artikel 15
De secretaris van de betreffende
examencommissie draagt zorg dat hetgeen op grond van de artikelen 13 en
14 wordt vastgesteld tijdig aan de kandidaten, de examencommissie, en de
voorzitter van de (sub-)commissie van gecommitteerden bekend wordt
gemaakt.
Artikel 16
De voorzitter van de betreffende
examencommissie roept de examinatoren en, na overleg met de voorzitter
van de (sub-)commissie van gecommitteerden, de gecommitteerden op
naarmate de aard en de omvang van de werkzaamheden hun aanwezigheid
vereisen.
Artikel 17
Om te worden toegelaten tot het afleggen
van een examen voor verklaringhouder moet de kandidaat aan de
examencommissie een bewijsstuk overleggen, waaruit blijkt dat is voldaan
aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde voorwaarde.
Artikel 18
1.De kandidaat legt op de betreffende
plaats, datum en tijd, voordat het examen wordt afgenomen, zijn
paspoort, rijbewijs of een ander identiteitsbewijs aan de examinator
over, ten genoegen van de voorzitter van de betreffende
examencommissie.
2.De kandidaat die opzettelijk valse of
vervalste bescheiden overlegt, wordt door de voorzitter van de
betreffende examencommissie van deelneming aan het examen uitgesloten.
De voorzitter van de betreffende examencommissie legt een dergelijke
beslissing binnen twee weken vast in een beschikking.
Artikel 19
Het examen voor verklaringhouder bestaat
uit de volgende examenvakken:
a. Verkeersreglementering,
b. Communicatieprocedures,
c. Voertaal,
d. Praktische navigatie en
e. Manoeuvreren,
alle uitsluitend voor zover deze
onderdelen betrekking hebben op het gebied waarvoor de verklaring is
aangevraagd.
Artikel 20
1. De kennis en vaardigheid die wordt
gevorderd is per examenvak, genoemd in artikel 19, aangegeven in het
als bijlage bij dit besluit gevoegde examenprogramma.
2. De regionale autoriteit die bevoegd
is voor de scheepvaartweg of het gedeelte daarvan waarop het examen
betrekking heeft, kan, na overleg met de voorzitter van de
examencommissie, de kandidaat ontheffing verlenen van een of meer
examenvakken, op grond van de door deze verkregen diploma's. Indien de
kandidaat in het bezit is van een groot patent als bedoeld in het het
Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn, een
krachtens artikel 9.02 van dat reglement geldig Rijnschipperspatent,
of een groot vaarbewijs als bedoeld in de Binnenvaartwet, verleent de
regionale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de
examencommissie, de kandidaat ontheffing van die examenvakken of
gedeelten daarvan, die reeds voldoende zijn getoetst bij het examen
waarop de afgifte van een groot patent, Rijnschipperspatent of groot
vaarbewijs is gebaseerd.
3. De in het tweede lid bedoelde
regionale autoriteit kan in geval van geringe grensoverschrijding van
een bepaald voertaalgebied voor de voertaal op dat beperkte traject
ontheffing verlenen voor het examenvak voertaal.
Artikel 21
Het examen wordt als volgt afgenomen:
a. de examenvakken, bedoeld in
artikel 19, onderdelen a en b, mondeling dan wel schriftelijk;
b. het examenvak, bedoeld in artikel
19, onderdeel c, mondeling;
c. de examenvakken, bedoeld in
artikel 19, onderdelen d en e, mondeling en praktisch door middel
van het maken van drie proefreizen, naar zee gaand en van zee
komend, waarvan ten minste één naar zee gaand en één van zee
komend, alsmede door middel van een simulatortoets, indien de
regionale autoriteit de scheepvaartweg of een gedeelte daarvan
vanwege de karakteristiek, de afmetingen en de daarover of daarin
gelegen kunstwerken afzonderlijk heeft aangewezen.
Artikel 22
1.Het mondeling examen in de
examenvakken, bedoeld in artikel 19, onderdelen a, b en c, wordt per
kandidaat afgenomen door twee examinatoren in het bijzijn van een
gecommitteerde. Een van hen houdt aantekening van de inhoud en het
verloop van het examenvak. De gecommitteerde is bevoegd de
examinatoren te verzoeken over bepaalde onderdelen van de examenstof
vragen te stellen. De gecommitteerde stelt tezamen met de examinatoren
het cijfer vast.
2.Indien een examenvak schriftelijk
wordt afgenomen, zijn de artikelen 16 tot en met 22 van het Besluit
adspirant-registerloodsen van toepassing.
Artikel 23
1.Een proefreis als bedoeld in artikel
21, onderdeel c, wordt per kandidaat afgenomen door een of meer
beoordelaars, die geen lid behoeven te zijn van de examencommissie en
die de kandidaat beoordelen op de wijze waarop deze de navigatie
leidt. De beoordelaar of beoordelaars houden aantekening van de inhoud
en het verloop van de proefreis en de simulatortoets, bedoeld in
artikel 21, onderdeel c, en brengen daarvan schriftelijk verslag uit
aan de examencommissie, en in afschrift aan de commissie van
gecommitteerden. De regionale autoriteit kan bepalen dat de proefreis
en de simulatortoets worden afgenomen in aanwezigheid van een
gecommitteerde.
2.De beoordelaar of beoordelaars,
bedoeld in het eerste lid, worden per proefreis aangewezen door of
namens:
a. het bestuur van de regionale
loodsencorporatie, indien het examen wordt afgenomen door een
examencommissie als bedoeld in artikel 10, en
b. de regionale autoriteit, indien
het examen wordt afgenomen door een examencommissie als bedoeld in
artikel 11.
3.Indien de betreffende gecommitteerden
naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde verslagen daartoe
redenen aanwezig achten, kunnen zij de kandidaat toestaan een door hen
vastgesteld aantal extra reizen te maken, al dan niet in aanwezigheid
van een gecommitteerde.
4.Op de beoordelaars, bedoeld in het
eerste lid, zijn de bepalingen ten aanzien van examinatoren van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
1.De beoordeling van een examenvak of
gedeelte daarvan wordt uitgedrukt in gehele cijfers, waarvan het
laagste cijfer 1 en het hoogste cijfer 10 is.
2.Indien de gecommitteerden en de
examinatoren bij de vaststelling van een cijfer niet tot
overeenstemming kunnen komen, en het verschil van het door de
gecommitteerde en de examinatoren toegekende cijfer niet meer dan 1
bedraagt, wordt in het voordeel van de kandidaat beslist. Als het
verschil meer dan 1 bedraagt, wordt het toe te kennen cijfer
vastgesteld door de voorzitter van de betreffende examencommissie in
overeenstemming met de voorzitter van de commissie van
gecommitteerden.
3.Indien een examenvak uit meer dan een
gedeelte bestaat, wordt het eindcijfer voor dat examenvak bepaald door
het gemiddelde van de bij die gedeelten behaalde cijfers, waarbij
breuken van een half of meer naar boven en breuken van minder dan een
half naar beneden worden afgerond.
4.Het examen is met goed gevolg
afgelegd wanneer voor alle examenvakken ten minste het cijfer 6 is
behaald.
5.Indien voor niet meer dan een
examenvak het cijfer 5 is behaald en voor de overige examenvakken ten
minste het cijfer 6, komt de kandidaat in aanmerking voor een
herexamen in het met het cijfer 5 beoordeelde examenvak.
6.Indien voor meer dan een examenvak
het cijfer 5 is behaald, dan wel voor een of meer dan een examenvak
een cijfer lager dan 5 is behaald wordt de kandidaat voor het examen
afgewezen.
Artikel 25
De betreffende examencommissie stelt in
een vergadering, waarbij ten minste een gecommitteerde aanwezig is, vast
welke kandidaten zijn geslaagd, welke zijn afgewezen, en welke in
aanmerking komen voor een herexamen. De voorzitter van de
examencommissie zendt de uitslag toe aan de voorzitter van de commissie
van gecommitteerden.
Artikel 26
1.Zo spoedig mogelijk na de
vergadering, bedoeld in artikel 25, wordt de uitslag aan de kandidaten
medegedeeld.
2.Iedere kandidaat ontvangt na afloop
van het examen een cijferlijst, waarop de examenvakken en de daarvoor
behaalde eindcijfers zijn vermeld.
3.De kandidaat die in aanmerking komt
voor een herexamen worden bij de uitreiking van de cijferlijst tevens
de nodige gegevens verstrekt met betrekking tot de te volgen procedure
ter uiteindelijke verkrijging van het betreffende getuigschrift.
4.Aan de geslaagde kandidaten wordt het
getuigschrift, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c,
uitgereikt. De examencommissie stelt het model van het getuigschrift
vast.
5.De voorzitter en de secretaris van de
betreffende examencommissie, alsmede een van de betrokken
gecommitteerden ondertekenen het getuigschrift, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel c, en de cijferlijst, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 27
1.De bepalingen betreffende de examens
zijn van overeenkomstige toepassing op de herexamens.
2.Het door de kandidaat voor de
herexamens behaalde cijfer treedt in de plaats van het voor het
betreffende examenvak behaalde cijfer.
3.Indien bij het herexamen voor het
examenvak het cijfer 5 of lager wordt behaald, of indien van de
gelegenheid tot het afleggen van een herexamen geen gebruik wordt
gemaakt, wordt de kandidaat afgewezen.
Artikel 28
1.Indien de kandidaat is afgewezen kan
door de betreffende examencommissie een termijn worden vastgesteld
waarna hij wederom examen af kan leggen.
2.De kandidaat die wederom tot het
examen wordt toegelaten, wordt vrijstelling verleend van de
examenvakken waarvoor hij reeds het cijfer 6 of hoger heeft behaald.
Artikel 29
1.Indien een kandidaat ingevolge
artikel 18, tweede lid, wordt uitgesloten van deelneming aan het
examen, of indien hij zich tijdens het examen terugtrekt, wordt hij
afgewezen. De voorzitter van de betreffende examencommissie legt een
dergelijke beslissing binnen twee weken vast in een beschikking en
doet daarvan, door toezending van een afschrift, mededeling aan de
voorzitter van de commissie van gecommitteerden. De afwijzing
ingevolge artikel 18, tweede lid, kan geen aanleiding geven tot
toepassing van artikel 28, eerste lid.
2.Indien een kandidaat zich tijdens het
examen terugtrekt vindt het bepaalde in het eerste lid geen
toepassing, als zulks naar het oordeel van de voorzitter het gevolg is
van overmacht.
Artikel 30
Een duplicaat van een uitgereikt
getuigschrift wordt slechts afgegeven indien de belanghebbende
aannemelijk kan maken, dat het oorspronkelijke getuigschrift verloren is
geraakt.
Artikel 31
In gevallen waarin dit besluit niet
voorziet beslist de voorzitter van de betreffende examencommissie, na
overleg met de voorzitter van de commissie van gecommitteerden.
Hoofdstuk VI. Beroep
Artikel 32
Tegen een beslissing van de voorzitter
als bedoeld in artikel 18, tweede lid, 29, eerste lid of 31, mits niet
betreffende de kennis of vaardigheid van de kandidaat, kan de betrokken
kandidaat beroep instellen bij de commissie van beroep voor
loodsenexamens, bedoeld in artikel 35 van het Besluit
adspirant-registerloodsen.
Artikel 33
De commissie van beroep voor
loodsenexamens doet van haar beslissing op het beroep, door toezending
van een afschrift, mededeling aan de voorzitter van de commissie van
gecommitteerden.
Artikel 34
De betreffende examencommissie handelt
overeenkomstig de beslissing van de commissie van beroep voor
loodsenexamens.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 35
1.Op het tijdstip van inwerkingtreding
van dit besluit op grond van artikel 7, eerste lid, van het
Loodsplichtbesluit, afgegeven en geldige verklaringen van
vrijstelling, blijven onverminderd geldig tot de in die verklaringen
vermelde periode is verstreken.
2.Op de in het eerste lid bedoelde
verklaringen van vrijstelling is het bepaalde in dit besluit met
betrekking tot verklaringen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
3.Na het verstrijken van de in het
eerste lid bedoelde periode, wordt een in het eerste lid bedoelde
verklaring van vrijstelling vervangen door een verklaring als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, indien ten minste een maand voor het
verstrijken van de genoemde periode een verzoek daartoe wordt gedaan
onder overlegging van:
a. een geldige verklaring van
vrijstelling of een afschrift daarvan, en
b. geldige geneeskundige
verklaringen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d.
4.Op het tijdstip van inwerkingtreding
van dit besluit op grond van artikel 9, eerste lid, van het
Loodsplichtbesluit afgegeven getuigschriften, worden gelijkgesteld met
getuigschriften als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van
dit besluit.
Artikel 35a
De op het tijdstip van inwerkingtreding
van dit artikel, op grond van artikel 2 van dit besluit, afgegeven en
geldige verklaringen die betrekking hebben op het bevaren van een of
meer scheepvaartwegen of gedeelten daarvan waarop het Scheldereglement
van toepassing is, blijven geldig tot de dag dat de in die verklaring
vermelde periode is verstreken.
Artikel 36
Dit besluit treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 37
Dit besluit kan worden aangehaald als:
Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 16 augustus 1995
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de eenendertigste augustus 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage als bedoeld in artikel 20 van het Besluit
verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet
I. In het onderstaande wordt verstaan onder:
a. grondige kennis: het onderwerp wordt in zijn geheel begrepen
en beheerst, en kan te allen tijde als parate kennis worden
toegepast, zonder de hulp van op schrift gestelde gegevens;
b. passieve kennis: het onderwerp wordt begrepen en ten tijde van
het toepassen van deze kennis kan gebruik gemaakt worden van op
schrift gestelde gegevens;
c. het relevante gebied: de scheepvaartweg of een gedeelte
daarvan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit
verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet.
II. Exameneisen voor het examen verklaringhouder:
a. Verkeersreglementering voor het relevante gebied:
- grondige kennis van de algemene en bijzondere
scheepvaartreglementen, haven- en politieverordeningen.
b. Communicatieprocedures in het relevante gebied:
- grondige kennis van de geldende marifoon- en
verkeersbegeleidingsprocedures.
c. Voertaal in het relevante gebied:
- passieve kennis van de gebruikelijke voertaal van belang
voor de veilige navigatie.
d. Praktische navigatie in het relevante gebied:
- grondige kennis van:
1°. de stromingen, getijden en banken;
2°. de richtingen en diepten van de scheepvaartwegen;
3°. de onder verschillende omstandigheden te sturen
koersen;
4°. de ligging en plaatsing van de verkeerstekens,
kustlichten, ankerplaatsen en landmerken;
5°. de waterstands- en spuiseinen;
6°. de te gebruiken navigatiemiddelen;
7°. de werken gelegen in of over de scheepvaartwegen;
8°. de beloodsingsgebieden, met inbegrip van de gebieden
waar vanaf de wal wordt geloodst.
e. Manoeuvreren in het relevante gebied:
- grondige kennis van het onder alle omstandigheden
manoeuvreren.
|
|
|