|
BESLUIT van 16 augustus 1995, houdende nadere regels
met betrekking tot de loodsplicht
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 februari
1995, nr. J-10.970/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme
Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 10, tweede lid, aanhef en
onder a, en derde lid, 11, 12, 31, tiende lid, en 36, eerste lid,
van de Scheepvaartverkeerswet;
De Raad van State gehoord (advies van 20 juni
1995, nr. W09.95.0080);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 11 augustus 1995, nr. J-13.389/95,
Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling
Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bevoegde autoriteit: de voor een scheepvaartweg of gedeelte
daarvan door Onze Minister als zodanig aangewezen functionaris;
b. regio: een gebied binnen de grenzen vastgesteld krachtens
artikel 10, derde lid, van de Loodsenwet;
c. regionale autoriteit: de voor een regio of gedeelte daarvan
door Onze Minister aangewezen bevoegde autoriteit;
d. register: het Register loodsplicht kleine zeeschepen,
bedoeld in artikel 6, eerste lid;
e. lengte over alles: de lengte over alles volgens Lloyd’s
Register of Ships;
f. loodsplicht: de verplichting, bedoeld in de artikelen 10,
eerste lid, en 11, eerste lid, onderdelen a en b, van de
Scheepvaartverkeerswet;
g. zeeschepen met gevaarlijke lading: zeeschepen, gebouwd of
geschikt gemaakt en gebezigd voor het vervoer van minerale olie,
gas of chemicaliën in bulk, en geheel of gedeeltelijk daarmee
geladen, dan wel leeg maar nog niet ontgast of ontdaan van hun
gevaarlijke residuen;
h. Rijnschip: zeeschip dat is voorzien van een certificaat van
onderzoek als bedoeld in bijlage B of van een speciaal certificaat
als bedoeld in bijlage G van het Reglement onderzoek schepen op de
Rijn 1995;
i. Denemarkenvaarder: zeeschip dat:
1°. een lengte over alles heeft van minder dan 80 meter,
2°. een bruto inhoud heeft van minder dan 1600 ton, of een
bruto tonnage van minder dan 1600 en een voortstuwingsvermogen
van niet meer dan 1125 kW (1500 pk), en
3°. een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld
in artikel 5, eerste lid, onder b, van het Schepenbesluit 2004
dan wel een nationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, van dat besluit heeft dat slechts
geldig is voor:
A. de vaart van het Vlie, langs de Nederlandse en
Duitse waddeneilanden naar de monden van de Wezer, de Elbe
en de Eider, door het Noord-Oostzeekanaal naar de Oostzee
tot de lijn Stralsund-Trelleborg, alsmede door de Sont en
de Belten naar het Kattegat tot de lijn Grenaa-Kullen, of
B. de vaart van de mond van de Westerschelde naar het
zuiden langs de Nederlandse, Belgische en Franse kust tot
Duinkerken;
j. binnen/buiten-schip: zeeschip dat:
1°. een lengte over alles heeft van minder dan 115 meter,
2°. blijkens zijn constructie vergelijkbaar is met een
binnenschip, en
3°. gebruikt wordt of zal worden gebruikt voor de vaart op
de binnenwateren die niet zijn opgenomen in de bijlage bij de
Scheepvaartverkeerswet en in een beperkt vaargebied op zee, in
het bijzonder de kustwateren;
k. lage kruiplijn-coaster: zeeschip dat:
1°. een lengte over alles heeft van minder dan 115 meter,
en
2°. een zodanige vorm of constructie heeft dat het
geschikt is voor de vaart op niet-loodsplichtige binnenwateren
en daarvoor wordt gebruikt of zal worden gebruikt;
l. breedte: de grootste breedte;
m. diepgang: de grootste diepgang.
2. Dit besluit is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
een schip dat geen zeeschip is en degene die daarover de leiding
heeft, indien dit schip zich op zee bevindt.
Hoofdstuk II. Ad hoc-loodsplicht
Artikel 2
1. De aanwijzing van een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet wordt
gepubliceerd in de Staatscourant.
2. De bevoegde autoriteit legt door middel van een aanwijzing
loodsplicht op aan de kapitein van een zeeschip:
a. op een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
van de Scheepvaartverkeerswet, indien de kapitein van dat schip
van loodsplicht is vrijgesteld, of
b. op een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet,
uitsluitend indien er naar zijn oordeel sprake is van een situatie
waarbij de weersomstandigheden of omstandigheden met betrekking tot
het schip, de opvarenden, de lading, de scheepvaart of de
scheepvaartweg van dien aard zijn dat het bevaren van die
scheepvaartweg zonder gebruik te maken van de diensten van een loods
ontoelaatbaar is.
3. Onze Minister geeft aanwijzingen met betrekking tot de gevallen
waarin van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid gebruik gemaakt
dient te worden ten aanzien van vaartuigen gebouwd of ingericht voor
het winnen of vervoeren van zand, baggerspecie of grind, die tijdens
de vaart op een scheepvaartweg voor dit doel worden gebruikt.
4. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mondeling
door de bevoegde autoriteit, zo mogelijk via de marifoon, aan de
kapitein of verkeersdeelnemer van het schip gegeven, wordt onverwijld
ter kennis gebracht van de desbetreffende regionale loodsencorporatie
en wordt zo spoedig mogelijk na het geven van die aanwijzing
schriftelijk bevestigd.
Artikel 3
1. De bevoegde autoriteit geeft een aanwijzing als bedoeld in
artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Scheepvaartverkeerswet
uitsluitend voor zover er naar zijn oordeel sprake is van een situatie
waarbij de weersomstandigheden of omstandigheden met betrekking tot
het schip, de opvarenden, de lading, de scheepvaart of de
scheepvaartweg van dien aard zijn dat het noodzakelijk is, dat op de
bij de aanwijzing aangegeven wijze wordt voldaan aan de loodsplicht.
2. Een aanwijzing inhoudende de verplichting tot het gebruikmaken
van de diensten van een loods vanaf de wal of vanaf een ander schip,
kan uitsluitend worden gegeven voor zover de loods zijn functie niet
aan boord van het te loodsen schip kan uitoefenen.
3. Met betrekking tot een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid
is artikel 2, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Vrijstelling van de loodsplicht
Artikel 4
1. Onverminderd artikel 2, tweede lid, zijn de kapiteins van de
navolgende categorieën zeeschepen vrijgesteld van de loodsplicht:
a. vaartuigen, gebouwd en ingericht voor het winnen of
vervoeren van zand, baggerspecie of grind, tenzij zij tijdens de
vaart op een scheepvaartweg voor een ander doel worden gebruikt;
b. loodsvaartuigen die tijdens de vaart op een scheepvaartweg
als zodanig worden gebruikt.
2. Onverminderd artikel 2, tweede lid, zijn de kapiteins van de
navolgende categorieën van zeeschepen op de navolgende
scheepvaartwegen vrijgesteld van de loodsplicht:
a. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 155 meter,
of een breedte tot en met 25 meter, of een diepgang tot en met 7
meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder I., aangegeven
scheepvaartwegen;
b. zeeschepen gebouwd en ingericht voor het vervoer van
voertuigen en deze schepen gerekend vanaf de tanktop tot het
bovenste dek, gebouwd en ingericht voor het vervoer van lading,
meer dan drie dekken tellen, tenzij zij tijdens de vaart op een
scheepvaartweg voor een ander doel worden gebruikt, met een lengte
over alles tot en met 125 meter, of een breedte tot en met 20
meter, of een diepgang tot en met 7 meter, op de in de bijlage bij
dit besluit, onder I., aangegeven scheepvaartwegen;
c. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of
een breedte tot en met 13 meter, of een diepgang tot en met 7
meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder II., aangegeven
scheepvaartwegen;
d. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of
een breedte tot en met 13 meter, of een diepgang tot en met 6
meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder III., aangegeven
scheepvaartwegen;
e. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, en
een diepgang tot en met 7 meter voor zeeschepen met de zeehaven
Het Nieuwe Diep te Den Helder als bestemming of vertrekpunt en een
diepgang tot en met 5 meter voor zeeschepen met de
Koopvaardersbinnenhaven te Den Helder als bestemming of
vertrekpunt, op de in de bijlage bij dit besluit, onder IV.,
aangegeven scheepvaartwegen;
f. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 65 meter of
een diepgang tot en met 4 meter, op de in de bijlage bij dit
besluit, onder V., aangegeven scheepvaartwegen;
g. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 65 meter, of
een diepgang tot en met 2,5 meter, op de in de bijlage bij dit
besluit, onder VI., VII. en IX., aangegeven scheepvaartwegen;
h. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 75 meter, of
een diepgang tot en met 6 meter, op de in de bijlage bij dit
besluit, onder VIII., aangegeven scheepvaartwegen;
i. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 75 meter op
de in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, onderdeel A, punt
II., aangegeven scheepvaartwegen;
j. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 75 meter op
de in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, onderdeel A, punt
III., aangegeven scheepvaartwegen;
k. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 80 meter op
de in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, punt IV., onder 4
tot en met 7., aangegeven scheepvaartwegen;
l. zeeschepen die de in de bijlage bij de
Scheepvaartverkeerswet, punt IV, onder 1.,2. of 3., aangegeven
scheepvaartwegen bevaren, indien zij voldoen aan de voorwaarden
voor vrijstelling van de loodsplicht krachtens artikel 9, tweede
lid, onderdeel a, van het Scheldereglement.
3. Met zeeschepen, bedoeld in het tweede lid, worden gelijkgesteld
samenstellen van zeeschepen, tenzij een van de samenstellende delen
een grotere lengte over alles, breedte of diepgang heeft dan de lengte
over alles, breedte of diepgang, bedoeld in het desbetreffende
onderdeel van het tweede lid.
4. Het tweede lid is niet van toepassing op zeeschepen met
gevaarlijke lading.
5. Onverminderd artikel 2, tweede lid, zijn de kapiteins van de
navolgende categorieën zeeschepen op de navolgende scheepvaartwegen
vrijgesteld van de loodsplicht:
a. zeeschepen die de gedeelten van de territoriale zee, bedoeld
in de bijlage van de Scheepvaartverkeerswet, punt I., onder 1.;
punt II., onder 1.; punt III., onder 1., en punt IV., onder 1.
bevaren, zonder dat dit geschiedt ten behoeve van het aanlopen of
verlaten van een binnen Nederland gelegen haven of binnenwater,
waartoe dat gedeelte van de territoriale zee toegang geeft;
b. zeeschepen die het gedeelte van de territoriale zee, bedoeld
in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, punt I., onder 1.;
punt II., onder 1.; punt III., onder 1., en punt IV., onder 1.,
bevaren van of naar de plaats waar het loodsen eindigt of
aanvangt.
6. Onverminderd artikel 2, tweede lid, zijn de kapiteins van
zeeschepen vrijgesteld van de loodsplicht op een scheepvaartweg,
indien de kapitein of stuurman die als verkeersdeelnemer optreedt, in
het bezit is van een verklaring van vrijstelling als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van het Besluit verklaringhouders
Scheepvaartverkeerswet of verleend op grond van artikel 9, tweede lid,
onderdeel b, van het Scheldereglement.
Artikel 5
Onverminderd artikel 2, tweede lid, is de kapitein van een Rijnschip,
een Denemarkenvaarder of een binnen/buiten-schip, indien het geen
zeeschip met gevaarlijke lading betreft, vrijgesteld van de loodsplicht,
indien het schip in het register is opgenomen, uitgezonderd op de in de
bijlage bij dit besluit onder I., X. en XI. aangegeven scheepvaartwegen.
Artikel 6
1. Een Rijnschip, een Denemarkenvaarder en een binnen/buiten-schip
worden, onder vermelding van de categorie waartoe het behoort,
opgenomen in een daartoe bestemd openbaar register, genaamd Register
loodsplicht kleine zeeschepen.
2. Het register wordt bijgehouden door de algemene raad van de
Nederlandse loodsencorporatie.
3. Opname in het register vindt plaats op aanvraag door of namens
de eigenaar of rompbevrachter, ingediend bij een regionale autoriteit,
nadat deze regionale autoriteit, na overleg met de desbetreffende
regionale loodsencorporatie, heeft vastgesteld dat het desbetreffende
schip aan de genoemde vereisten voldoet.
4. De desbetreffende regionale autoriteit geeft ten behoeve van de
opname in het register aan de algemene raad van de Nederlandse
loodsencorporatie door de naam, het unieke scheepsidentificatienummer,
de roepletters, de lengte over alles, en de tonnage, alsmede voor
Rijnschepen onderscheidenlijk Denemarkenvaarders het nummer van het
certificaat van onderzoek of speciaal certificaat onderscheidenlijk
het certificaat van deugdelijkheid van het desbetreffende schip. Deze
gegevens worden in het register vermeld.
5. Het register is voor eenieder kosteloos ter inzage. Uittreksels
uit het register worden voorts verstrekt tegen het krachtens artikel
14a, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet vastgestelde tarief ter
dekking van de daarmee verband houdende kosten.
6. De eigenaar of rompbevrachter van een in het register opgenomen
schip is, indien het schip niet langer voldoet aan de in artikel 1,
onderdelen h, i, onderscheidenlijk j, genoemde criteria, gehouden
daarvan mededeling te doen aan de regionale autoriteit die op de
aanvraag tot inschrijving van het schip heeft beslist. Indien de
regionale autoriteit op grond van deze informatie, dan wel ambtshalve,
constateert dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de
opname van het schip in het register, doet hij daarvan mededeling aan
de algemene raad van de Nederlandse loodsencorporatie. Deze draagt
zorg voor onmiddellijke doorhaling van de inschrijving van het
desbetreffende schip en doet daarvan mededeling aan de belanghebbende.
7. De eigenaar of rompbevrachter doet van andere dan de in het
zesde lid bedoelde wijzigingen in de in het register ten aanzien van
zijn schip opgenomen gegevens mededeling aan de algemene raad van de
Nederlandse loodsencorporatie. Deze draagt zorg voor de aanpassing van
de desbetreffende gegevens in het register.
Artikel 7
Onverminderd artikel 2, tweede lid, is de kapitein van een zeeschip
vrijgesteld van de loodsplicht:
a. indien het schip een verplaatsing maakt langs dezelfde kade,
dan wel een soortgelijke korte verplaatsing maakt binnen een
scheepvaartweg;
b. indien het schip een lengte over alles heeft van niet meer dan
95 meter en een verplaatsing maakt binnen een havenbekken in de
haven te Delfzijl, dan wel het schip een lengte over alles heeft van
niet meer dan 130 meter en een verplaatsing maakt binnen een
havenbekken in de Eemshaven, beide havens gelegen binnen de regio
Noord, zonder daarbij de hoofdvaarweg binnen het havengebied te
bevaren;
c. indien het schip een lengte over alles heeft van niet meer dan
130 meter en het een verplaatsing maakt binnen een havenbekken,
gelegen binnen de regio Amsterdam-IJmond, zonder daarbij de
hoofdvaarweg binnen het havengebied te bevaren;
d. indien het schip een verplaatsing maakt binnen een
havenbekken, gelegen binnen de regio Rotterdam-Rijnmond, zonder
daarbij de hoofdvaarweg binnen het havengebied te bevaren.
Hoofdstuk IV. Ontheffing van de loodsplicht
Artikel 8
1. De bevoegde autoriteit kan de kapitein van een zeeschip op diens
verzoek ontheffing van de loodsplicht verlenen:
a. indien er naar zijn oordeel sprake is van een noodsituatie
met betrekking tot het schip, de opvarenden, de lading, de
scheepvaart of de scheepvaartweg, of
b. indien niet daadwerkelijk binnen een redelijke termijn in de
loodsdienst kan worden voorzien,
een en ander slechts onder de voorwaarde dat het bevaren van de
scheepvaartweg of een gedeelte daarvan zonder gebruik te maken van de
diensten van een loods naar zijn oordeel toelaatbaar is.
2. De bevoegde autoriteit kan de kapitein van een zeeschip op diens
verzoek ontheffing van de loodsplicht verlenen indien het schip een
verplaatsing maakt binnen een havenbekken of een door de bevoegde
autoriteit aangewezen havengebied voor zover daardoor naar het
redelijk oordeel van de bevoegde autoriteit de veiligheid van het
scheepvaartverkeer niet in gevaar komt.
3. Een ontheffing krachtens het eerste of tweede lid wordt gegeven
en bevestigd op de wijze, bepaald in artikel 2, vierde lid, met dien
verstande dat een ontheffing krachtens het tweede lid niet ter kennis
gebracht behoeft te worden van de desbetreffende regionale
loodsencorporatie.
Artikel 8a
1. De bevoegde autoriteit kan, voor zover daardoor naar zijn
oordeel de veiligheid van het scheepvaartverkeer niet in gevaar komt,
de kapitein van een zeeschip, met uitzondering van een zeeschip met
gevaarlijke lading, op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing van
de loodsplicht verlenen. De ontheffing kan worden verleend voor de
vaart op de in de bijlage bij dit besluit, onder I., X. en XI.,
genoemde scheepvaartwegen of gedeelten daarvan, indien het een
Rijnschip, een Denemarkenvaarder, een binnen/buiten-schip, of een lage
kruiplijn-coaster betreft, het desbetreffende schip is opgenomen in
het register en degene die het schip als verkeersdeelnemer zal voeren,
alsmede de overige bemanningsleden van het schip voldoen aan door de
bevoegde autoriteit te stellen eisen met betrekking tot opleidings- en
ervaringsniveau en beheersing van de Nederlandse of Engelse taal.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor de
daarbij aan te geven loodsplichtige scheepvaartwegen of gedeelten
daarvan.
3. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt
aan de algemene raad van de Nederlandse loodsencorporatie. De algemene
raad draagt zorg voor de inschrijving van het besluit in het register.
Artikel 6, vijfde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De bevoegde autoriteit kan, indien de weersomstandigheden of
omstandigheden met betrekking tot het schip, de opvarenden, de lading,
de scheepvaart of de scheepvaartweg dit naar zijn oordeel vereisen,
aan de ontheffing te verbinden voorschriften of beperkingen geven en
bevestigen op de wijze, bepaald in artikel 2, vierde lid.
Artikel 8b
1. De bevoegde autoriteit kan de kapitein van een zeeschip, met
uitzondering van een zeeschip met gevaarlijke lading, op een daartoe
strekkende aanvraag ontheffing van de loodsplicht verlenen, indien het
betreft:
a. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter,
of een diepgang toten met 7 meter, op de in de bijlage bij dit
besluit, onder II., aangegeven scheepvaartwegen;
b. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter,
of een diepgang tot en met 6 meter, op de in de bijlage bij dit
besluit, onder III., aangegeven scheepvaartwegen;
c. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter,
en een diepgang tot en met 7 meter voor zeeschepen met de zeehaven
Het Nieuwe Diep te Den Helder als bestemming of vertrekpunt en een
diepgang van ten hoogste 5 meter voor zeeschepen met de
Koopvaardersbinnenhaven te Den Helder als bestemming of
vertrekpunt, op de in de bijlage bij dit besluit, onder IV.,
aangegeven scheepvaartwegen;
d. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of
een diepgang tot en met 4 meter, op de in de bijlage bij dit
besluit, onder V., aangegeven scheepvaartwegen;
e. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of
een diepgang tot en met 2,5 meter, op de in de bijlage bij dit
besluit, onder VI., VII. en IX., aangegeven scheepvaartwegen;
f. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of
een diepgang tot en met 6 meter, op de in de bijlage bij dit
besluit, onder VIII., aangegeven scheepvaartwegen;
g. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter op
de in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, punten II. en
III., aangegeven scheepvaartwegen.
2. De bevoegde autoriteit kan de kapitein van een zeeschip, met
uitzondering van een zeeschip met gevaarlijke lading, op een daartoe
strekkende aanvraag ontheffing van de loodsplicht verlenen, indien het
betreft zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter op de
in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, punt IV., aangegeven
scheepvaartwegen.
3. De ontheffingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen
worden verleend indien:
a. degene die het schip als verkeersdeelnemer zal voeren,
alsmede de overige bemanningsleden van het schip, voldoen aan door
de bevoegde autoriteit vast te stellen eisen met betrekking tot
samenstelling, opleidings- en ervaringsniveau en beheersing van
Nederlandse of de Engelse taal;
b. de desbetreffende verkeersdeelnemers met het schip de
betreffende scheepvaartweg een door de bevoegde autoriteit vast te
stellen aantal malen in beide richtingen naar zee gaand en van zee
komend hebben bevaren, en
c. het schip naar het oordeel van de bevoegde autoriteit
zodanige manoeuvreereigenschappen bezit en voorzien is van
zodanige navigatie- en communicatieapparatuur, dat het bevaren van
de scheepvaartweg zonder gebruik te maken van de diensten van een
loods naar het oordeel van de bevoegde autoriteit toelaatbaar is.
4. De ontheffingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
verleend voor de daarbij aan te geven loodsplichtige scheepvaartwegen
of gedeelten daarvan.
5. De bevoegde autoriteit kan, indien de weersomstandigheden of
omstandigheden met betrekking tot het schip, de opvarenden, de lading,
de scheepvaart of de scheepvaartweg dit naar zijn oordeel vereisen,
aan de ontheffingen te verbinden voorschriften of beperkingen geven en
bevestigen op de wijze, bepaald in artikel 2, vierde lid.
Artikel 8c
1. Een aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in de
artikelen 8a en 8b wordt ingediend door of namens de eigenaar of
rompbevrachter.
2. Bij de aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in
de artikelen 8a en 8b worden de navolgende bescheiden of afschriften
daarvan overgelegd:
a. bewijsstukken waaruit blijkt dat degenen die het schip als
verkeersdeelnemer zullen voeren de bevoegdheid bezitten om als
kapitein op te treden aan boord van het zeeschip;
b. een op het desbetreffende bemanningslid betrekking hebbende
geldige geneeskundige verklaring zeevaart als bedoeld in artikel
104, eerste lid, van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en
zeilvaart, en een verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het
gehoor als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, dan wel door
Onze Minister daarmee gelijkgestelde verklaringen;
c. bewijsstukken waaruit de samenstelling, het opleidings-,
ervarings- en taalbeheersingsniveau van de bemanning van het
zeeschip blijkt.
3. Bij de aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in
artikel 8b worden bovendien de navolgende bescheiden of afschriften
daarvan overgelegd:
a. de meetbrief van het zeeschip waarop de aangevraagde
ontheffing betrekking heeft;
b. bewijsstukken waaruit blijkt dat degenen die het schip als
verkeersdeelnemer zullen voeren met het zeeschip de betreffende
scheepvaartweg ten minste het door de bevoegde autoriteit vast te
stellen aantal malen in beide richtingen naar zee gaand en van zee
komend hebben bevaren;
c. bewijsstukken waaruit de manoeuvreereigenschappen van het
zeeschip en de specificaties van de daarop aanwezige navigatie- en
communicatieapparatuur blijken.
4. De bevoegde autoriteit die niet tevens regionale autoriteit is
stelt alvorens op de aanvraag te beslissen de regionale autoriteit in
de gelegenheid advies uit te brengen over een aanvraag tot verlening
van een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.
Artikel 8d
1. De bevoegde autoriteit kan een ontheffing als bedoeld in de
artikelen 8a en 8b geheel of gedeeltelijk wijzigen of intrekken,
indien:
a. de kapitein een van de bij dit besluit gestelde
verplichtingen, dan wel een aan de ontheffing verbonden
voorschrift of beperking niet nakomt;
b. de kapitein de voor de scheepvaartweg waarop de ontheffing
betrekking heeft geldende reglementen en voorschriften niet
nakomt;
c. het zeeschip waarop de ontheffing betrekking heeft is
verbouwd, of,
d. de kapitein niet optreedt zoals het een goed
verkeersdeelnemer betaamt.
2. Een ontheffing als bedoeld in artikel 8a is van rechtswege
vervallen, indien de inschrijving van het zeeschip in het register
wordt doorgehaald. De algemene raad van de Nederlandse
loodsencorporatie doet van het verval mededeling aan de
belanghebbende, aan de desbetreffende regionale loodsencorporatie en
aan de regionale autoriteit.
Hoofdstuk V. Verplichtingen van de kapitein
Artikel 9
De kapitein die verplicht is gebruik te maken van de diensten van een
loods, meldt zich tijdig volgens de bij ministeriële regeling in
overeenstemming met de regionale loodsencorporatie vast te stellen
regels bij het voor de betreffende scheepvaartweg, bedoeld in artikel
10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, aangewezen
samenwerkingsverband van registerloodsen, waarin krachtens artikel 15,
eerste lid, onderdeel b, 2°, van de Loodsenwet is voorzien, onder
opgave van de daarin bij ministeriële regeling aangegeven noodzakelijke
inlichtingen.
Artikel 10 [Vervallen per 01-10-2008]
Artikel 11
1. Met betrekking tot de beloodsing draagt de kapitein er zorg voor
dat wordt voldaan aan Voorschrift V/23 van het op 1 november 1974 te
Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens
op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende
protocollen, aanhangsels en bijlagen.
2. De kapitein treft ook overigens die maatregelen, die
noodzakelijk zijn voor een vlot en veilig em- en debarkeren van de
loods.
3. De kapitein draagt zorg dat de loods zo spoedig mogelijk kan
worden gedebarkeerd na beëindiging van de loodsreis, bedoeld in
artikel 6 van het Voorschriftenbesluit registerloodsen.
1. Niettegenstaande de taken en verplichtingen van de loods
ontheft diens taakuitoefening ten behoeve van het schip de
kapitein niet van zijn taken en verplichtingen in verband met de
veiligheid van het schip.
2. De kapitein verschaft de loods alle inlichtingen en inzage
in documenten die voor de loods noodzakelijk zijn voor het
verlenen van zijn diensten aan het schip.
3. De kapitein werkt nauw met de loods samen en oefent een
nauwgezette controle uit op de positie en bewegingen van het
schip.
Artikel 13
De kapitein treft op verzoek van de loods de nodige maatregelen
teneinde de loods in staat te stellen zijn functie uit te oefenen.
Artikel 14
De kapitein voorziet de loods aan boord, op redelijk verzoek,
kosteloos van behoorlijke voeding en van een behoorlijke slaapplaats.
Artikel 15
De kapitein ondertekent het ingevulde voor hem bestemde gedeelte van
het door de loods verstrekte loodscertificaat, bedoeld in artikel 9 van
het Voorschriftenbesluit registerloodsen.
Artikel 16 [Vervallen per 29-10-2004]
Artikel 17
1. De kapitein staat toe dat een loods aan boord van zijn schip
wordt vergezeld door een andere persoon ten behoeve van het op peil te
brengen of houden van diens specifieke loodskennis voor de betreffende
scheepvaartwegen.
2. Artikel 14 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
persoon, bedoeld in het eerste lid, die de loods vergezelt.
Artikel 18
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven aan
kapiteins, gericht op de communicatie en het verstrekken van
inlichtingen, ten behoeve van het loodsen vanaf de wal of vanaf een
ander schip.
Artikel 18a
1. De kapitein van een zeeschip aan wie een ontheffing als bedoeld
in de artikelen 8a of 8b is verleend controleert voorafgaand aan het
bevaren van de scheepvaartweg of het gedeelte daarvan waarop de
ontheffing betrekking heeft de goede werking van de voortstuwings- en
stuurmachines van het schip en de communicatie- en
navigatieapparatuur, en doet van deze controle en het resultaat
daarvan melding in het scheepsdagboek.
2. De kapitein van een zeeschip aan wie een ontheffing als bedoeld
in de artikelen 8a of 8b is verleend meldt zich voor het binnenkomen
van de scheepvaartweg waarvoor de ontheffing is afgegeven als zodanig
op de door de bevoegde autoriteit aangewezen wijze en verstrekt de
door de bevoegde autoriteit verlangde gegevens.
3. De kapitein van een zeeschip aan wie een ontheffing als bedoeld
in de artikelen 8a of 8b is verleend heeft een afschrift van de
ontheffing bij zich tijdens de vaart als verkeersdeelnemer over de
scheepvaartweg waarvoor deze is afgegeven.
4. De kapitein van een zeeschip aan wie een ontheffing als bedoeld
in de artikelen 8a of 8b is verleend doet de bevoegde autoriteit
mededeling van elke wijziging die van invloed kan zijn op de
geldigheid van de ontheffing.
5. De kapitein van een zeeschip aan wie een ontheffing als bedoeld
in de artikelen 8a of 8b is verleend doet in geval van een scheepsramp
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet, met inbegrip
van de daaronder begrepen betekenis voor de toepassing van hoofdstuk
IV van die wet, waarbij hij direct of indirect betrokken is, zo
spoedig mogelijk een schriftelijke verklaring inzake het gebeurde en
zijn navigatiebeleid daarbij toekomen aan de bevoegde autoriteit die
voor de scheepvaartweg waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden is
aangewezen en verschaft deze desgevraagd nadere informatie. Deze
verklaring en de nadere informatie mogen slechts gebruikt worden voor
leringsdoeleinden en mogen in geen geval dienen als bewijs tegen de
kapitein in geval van vervolging.
Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
Artikel 19
Overtreding van de bij of krachtens de artikelen 2, 3, 9 tot en met
13, 15, 18 en 18a, eerste en tweede lid, gestelde regels is een
strafbaar feit.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20 [Vervallen per 01-10-2008]
Artikel 21 [Vervallen per 29-10-2004]
Artikel 22
Na inwerkingtreding van dit besluit berust de regeling van de
minister van Verkeer en Waterstaat van 18 augustus 1988, nr. S/J
31.408/88 (Stcrt. 168), houdende regels met betrekking tot de
kapiteinsverplichtingen bij het loodsen op afstand, op artikel 18 van
dit besluit.
Artikel 23
Het Loodsplichtbesluit wordt ingetrokken.
Artikel 24
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 25
Dit besluit wordt aangehaald als: Loodsplichtbesluit 1995.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 augustus 1995
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de eenendertigste augustus 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage als bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, en
5 van het Loodsplichtbesluit 1995.
De scheepvaartwegen, bedoeld in artikel
4, tweede lid, en 5 van het Loodsplichtbesluit 1995 zijn de navolgende:
I. Westereems – Borkum
het gedeelte van de territoriale zee en
het daarbij aansluitende gedeelte van de Eemsmonding als bedoeld in het
Eems-Dollardverdrag dat ligt binnen het gebied dat begrensd wordt door
een lijn die loopt van de Grote Kaap op Rottumeroog, gelegen op
53°32'39" N en 6°34'39" E, naar 53°34'.7 N en 6°21'.9 E,
vandaar naar 53°34'.9 N en 6°13'.7 E, vandaar naar 53°37'.1 N en
6°19'.5 E, vandaar naar 53°39'.0 N en 6°27'.1 E, vandaar naar
53°37'.5 N en 6°31'.2 E, vandaar naar de grote lichttoren van Borkum,
gelegen op 53°35'22" N en 6°39'48" E, vandaar naar
53°34'.75 N en 6°38'.80 E, vandaar naar 53°32'.55 N en 6°43'.70 E,
vandaar naar 53°31.90 N en 6°42'.80 E, vandaar naar 53°34'.20 N en
6°37'.75 E, en vandaar naar de Grote Kaap op Rottumeroog, voor zover
dit gedeelte op Nederlands grondgebied ligt, onverminderd artikel 40 van
het Eems-Dollardverdrag;
II. Borkum – Eemshaven
het gedeelte van de Eemsmonding als
bedoeld in het Eems-Dollardverdrag dat ligt tussen de lijn die loopt van
de grote lichttoren van Borkum, gelegen op 53°35'22" N en
6°39'48" E, vandaar naar 53°34'.75 N en 6°38'.80 E, vandaar naar
53°32'.55 N en 6°43'.70 E, vandaar naar 53°31'.90 N en 6°42'.80 E,
vandaar naar 53° 34'.20 N en 6°37'.75 E, en vandaar naar de Grote Kaap
op Rottumeroog, gelegen op 53°32'39" N en 6°34'39" E en de
lijn die de posities van het oostelijk havenhoofd van de Eemshaven met
het dichtstbijzijnde punt gelegen op de buitengrens van de Eemsmonding
verbindt, voor zover dit gedeelte op Nederlands grondgebied ligt,
onverminderd artikel 40 van het Eems-Dollardverdrag;
III. Eemshaven – Delfzijl
het gedeelte van de Eemsmonding als
bedoeld in het Eems-Dollardverdrag dat ligt tussen de lijn die de
posities van het oostelijk havenhoofd van de Eemshaven met het
dichtstbijzijnde punt gelegen op de buitengrens van de Eemsmonding
verbindt en de lijn die de posities van het oostelijk havenhoofd van
Delfzijl met de lichttoren te Knock verbindt, voor zover dit gedeelte op
Nederlands grondgebied ligt, onverminderd artikel 40 van het
Eems-Dollardverdrag;
IV. Rede van Texel
het gebied tussen meridianen van 4°44'.0
E en 4°50'.0 E, aan de noordzijde begrensd door de zuidkust van het
eiland Texel, en vervolgens door de parallel 53°00'.0 N, en aan de
zuidzijde door de noordkust van het vasteland van de provincie
Noord-Holland en voorts de Veerhaven en de buitenhaven tot aan de sluis
van het Noordhollandsch Kanaal;
V. Den Helder – Kornwerderzand
de bevaarbare scheepvaartwegen op de
Waddenzee van Den Helder via de Texelstroom, de Doove Balg en de
Boontjes naar Kornwerderzand;
VI. Harlingen – Kornwerderzand
de bevaarbare scheepvaartweg op de
Waddenzee van Harlingen over de Boontjes naar Kornwerderzand;
VII. Den Helder – Den Oever
de bevaarbare scheepvaartwegen op de
Waddenzee van Den Helder via het Malzwin en de Wierbalg of het
Visjagersgaatje naar Den Oever;
VIII. Harlingen – Vlierede
de bevaarbare scheepvaartwegen op de
Waddenzee van de Vlierede als bedoeld in de bijlage bij de
Scheepvaartverkeerswet, onder A., onderdeel I., onder 2., via de
Vliestroom, de Blauwe Slenk en de Pollendam naar Harlingen;
IX. Waddenzee overig
de bevaarbare scheepvaartwegen op de
Waddenzee het Inschot, het Scheurrak, de Omdraai, het Zuidoostrak, het
Molenrak en het Verversgat;
X. aanloop Noordzeekanaal
het gedeelte van de territoriale zee dat
ligt binnen het gebied dat begrensd wordt door een lijn die loopt van de
positie 52° 27'.9 N en 4° 32'.0 E naar 52°27'.8 N en 4°31'.0 E,
vandaar naar 52°26'.0 N en 4°27.8 E, vandaar naar 52°26'.9 N en
4°19'.3 E, vandaar naar 52° 31'.9 N en 4°20'.9 E, vandaar naar
52°30'.7 N en 4°31'.2 E, en vandaar naar 52°28'.1 N en 4°32'.6 E;
XI. aanloop Maasmond
het gedeelte van de territoriale zee dat
ligt binnen het gebied dat begrensd wordt door een lijn die loopt van de
positie 51°59'.7 N en 4°2'.9 E, langs de kust naar de positie
51°58'.2 N en 4°0'.5 E, vandaar naar 51°58'.4 N en 3°46'.6 E,
vandaar naar 52°4'.9 N en 3°45'.2 E, vandaar naar 52°5'.7 N en
3°51'.0 E, vandaar naar 52°4'.6 N en 3°58'.9 E en vandaar naar
51°59'.7 N en 4°2'.9 E.
|