| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
(Wvw 1994)
REGELING
BLOED- EN URINEONDERZOEK
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Justitie van
5 september 2005, nr. 5373439/505, houdende nieuwe bepalingen met
betrekking tot bloed- en urineonderzoek
De Minister
van Justitie;
Gelet op artikel 163, vijfde, achtste, negende
en tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, zesde, negende
tot en met elfde lid van de Scheepvaartwet, artikel 11.6, vijfde,
achtste tot en met tiende lid, van de Wet luchtvaart, artikel 89,
vijfde, achtste tot en met tiende lid van de Spoorwegwet en de artikelen
13, 18, 19, 21 en 22 van het Besluit alcoholonderzoeken;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. het besluit: het Besluit alcoholonderzoeken;
b. bloedafname: het afnemen van een hoeveelheid bloed ten behoeve
van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b en
derde lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede
lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 2.12, derde
lid, onderdeel b, van de Wet Luchtvaart of artikel 4, tweede lid,
onderdeel b, van de Spoorwegwet;
c. politie: de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993.
Onder de politie wordt voor de toepassing van deze regeling mede
verstaan een ambtenaar van het Wapen der Koninklijke Marechaussee.
Artikel 2
1. Als ambtenaren, bedoeld in artikel 163, vijfde, achtste en
negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, zesde, negende
en tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 11.6, vijfde,
achtste en negende lid, van de Wet luchtvaart en artikel 89, vijfde,
achtste en negende lid van de Spoorwegwet, worden aangewezen de
ambtenaren van politie, benoemd in schaal 8 of hoger.
2. Zij oefenen, voor zover zij geen hulpofficier van justitie
zijn, de hun toegekende bevoegdheid niet uit indien een hulpofficier van
justitie beschikbaar is.
Artikel 3
1. Het afnemen van bloed geschiedt met een gesteriliseerde,
eenmalig te gebruiken injectiespuit met naald, van een type dat is
aangewezen door het Nederlands Forensisch Instituut.
2. Er wordt een hoeveelheid bloed afgenomen van ten minste 2 en
bij voorkeur 8 milliliter.
Artikel 4
1. De arts verdeelt de door hem afgenomen hoeveelheid bloed
over monsterbuisjes van elk 5 milliliter, van een type dat is
aangewezen door het Nederlands Forensisch Instituut.
2. De monsterbuisjes zijn voorzien van een mengsel van 40
milligram natriumfluoride en een hoeveelheid heparinenatrium waarvan de
activiteit tenminste 575 I.E. bedraagt en waarvan het gewicht niet hoger
is dan 5 milligram of van 20 mg natriumfluoride en 143 I.E.
heparinenatrium, dan wel van andere door het Nederlands Forensisch
Instituut aangewezen gelijkwaardige stoffen met antistol- en
conserverende werking.
Artikel 5
1. De urine, bestemd voor het in artikel 17 van het besluit
bedoelde onderzoek, wordt opgevangen in een flesje met een inhoud van
ongeveer 100 milliliter, van een type dat is aangewezen door het
Nederlands Forensisch Instituut.
2. Het flesje, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van 1000
milligram natriumfluoride.
Artikel 6
1. De opsporingsambtenaar voorziet de van een verdachte
verzamelde bloed- of urinemonsters van een genummerd en op naam
gesteld identiteitszegel. De opsporingsambtenaar brengt op het
formulier, bedoeld in artikel 10, en het tegen de verdachte opgemaakte
proces-verbaal, een identiteitszegel aan dat correspondeert met het
identiteitszegel, bedoeld in de eerste volzin.
2. Het Nederlands Forensisch Instituut stelt het
identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid, vast.
Artikel 7
1. De opsporingsambtenaar zorgt er voor, dat, indien de
korpschef, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Politiewet 1993 of
de brigadecommandant van de Koninklijke Marechaussee, een aanvraag
doet tot het verrichten van onderzoek aan een bloed- of urinemonster,
de gevulde monsterbuisjes in een verpakking die is voorzien van een
sluitzegel, worden bezorgd bij het Nederlands Forensisch Instituut.
2. Het Nederlands Forensisch Instituut stelt de sluitzegel en
verpakking, bedoeld in het eerste lid, vast.
Artikel 8
1. Het Nederlands Forensisch Instituut bepaalt het
alcoholgehalte van het bloed of de urine door het verrichten van een
onderzoek volgens een enzymatische of gaschromatografische methode,
zoals beschreven in bijlage 1 bij deze regeling.
2. Op de uitkomsten van het onderzoek naar het alcoholgehalte,
bedoeld in het eerste lid, vindt een correctie-aftrek plaats die
driemaal de theoretische standaardafwijking bedraagt, zoals vastgesteld
op de wijze beschreven in bijlage 2 bij deze regeling.
Artikel 9
Het Nederlands Forensisch Instituut bewaart na het verrichten van het
onderzoek naar het alcoholgehalte, bedoeld in artikel 8, eerste lid, het
deel van het monster dat bestemd is voor een eventueel tegenonderzoek,
bij een temperatuur lager dan –10°
Celsius en gedurende een jaar na de datum van de bloedafname of het
opvangen van de urine.
Artikel 10
De aanvraag van een onderzoek naar het alcoholgehalte van bloed of
urine, bedoeld in artikel 7, eerste lid, de verklaring van de arts aan
wie de bloedafname was verzocht en de rapportage door het Nederlands
Forensisch Instituut geschiedt door middel van het formulier dat het
Nederlands Forensisch Instituut heeft vastgesteld.
Artikel 11
1. Het Nederlands Forensisch Instituut verricht het
tegenonderzoek als bedoeld in artikel 10a van het Besluit
alcoholonderzoeken. De artikelen 3 tot en met 10 zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. De kosten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
bedragen:
a. € 4,50 voor het gebruik van de in
artikel 4 bedoelde monsterbuisjes, alsmede de in artikel 7, tweede
lid, bedoelde sluitzegel en verpakking;
b. voor het afnemen van bloed door de
arts € 62 indien het afnemen geschiedt in de periode van 8.00 uur
tot 18.00 uur en € 81 indien het afnemen geschiedt in de periode
18.00 uur 's avonds tot 08.00 uur 's ochtends of in de periode 18.00
uur vrijdagavond tot 08.00 uur maandagochtend.
c. € 91 voor het onderzoek naar het
alcoholgehalte van het bloed, bedoeld in het eerste lid.
3. De arts wordt niet eerder benaderd voor het afnemen van het
bloed bij de verdachte, dan nadat de verdachte de in het tweede lid,
onder a en b, bedoelde kosten aan de politie heeft betaald.
4. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet
eerder dan nadat de verdachte de in het tweede lid, onder c bedoelde
kosten, binnen zes weken na de bloedafname, aan het Nederlands
Forensisch Instituut heeft betaald.
Artikel 12
1. De verdachte, die de wens kenbaar heeft gemaakt dat een
tegenonderzoek wordt verricht, kan, behoudens het bepaalde in artikel
11, hiertoe een van de volgende laboratoria aanwijzen:
a. het Laboratorium van de Apotheek van het Onze-Lieve-Vrouwe
Gasthuis, te Amsterdam;
b. het Laboratorium der Apotheek, Academisch Ziekenhuis Groningen
te Groningen;
2. Het Nederlands Forensisch Instituut zendt het laboratorium dat
het tegenonderzoek verricht, tenminste 1 milliliter bloed of urine.
Artikel 13
Met de in deze regeling bedoelde apparatuur en onderzoeksmaterialen
worden gelijkgesteld apparatuur en onderzoeksmaterialen, die rechtmatig
zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht in een andere lid-staat
van de Europese Unie dan wel rechtmatig is geproduceerd in een staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte, en die tenminste aan gelijkwaardige technische eisen voldoen.
Artikel 14
Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten krachtens de
Regeling bloed- en urineonderzoek (Stcrt. 1997, 129) vastgestelde
besluiten op deze regeling.
Artikel 15
De Regeling bloed- en urineonderzoek (Stcrt. 1997, 129) wordt
ingetrokken.
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bloed- en
urineonderzoek.
Deze regeling wordt met de toelichting in de
Staatscourant geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die
ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van
Justitie, Schedeldoekshaven 100, Den Haag.
Den Haag, 5 september 2005.
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner.
Bijlage 1
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Justitie te Den Haag]
Bijlage 2
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Justitie te Den Haag]
Bijlage 3
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Justitie te Den Haag]
Bijlage 4
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Justitie te Den Haag]
|
|
|